Inhoud  Print (204p)

Lieve Gevers, Honderd jaar Katholieke Studerende Jeugd 1884-1984, 
De geschiedenis van de Hasseltse Jonge Klauwaarts

Hasselt, 1986, KSJ Hasselt-centrum i.s.m. KADOC, Leuven

Het boek is nog te bestellen aan 21,07€ bij het Kadoc: bestelformulier
In het jubuleumboek wordt ook verslag gedaan van de werking 1976-1984, 
die in deze netpublicatie niet is opgenomen

Inhoud

   

Opdracht
Voorwoord
Lijst van afkortingen
Inleiding

1. Een vlaamsgezinde voorhoede in Limburg. 1884-1893.

1. Geen eenzame zwaluw
2. Het prille bondsleven
3. Een mosterdzaadje in de Limburgse Vlaamse beweging
4. Externe en interne wrijvingen
5. Hoogtepunt en verval

Noten

Een flits uit het verslagboek: zitting van 18 maart 1888.

2.  «Strijders voor 't herwordend Vlaanderen». 1897-1914.

1. Onder een gunstig gesternte
2. Voorbereidende afdeling van het Leesgezelschap
3. Naar een sterke bond
4. «Op de bane der volksontwikkeling»
5. Het bondsleven

Noten
Een flits uit het verslagboek: uitstap naar Stevoort op zondag 5 mei 1912.

3. De grote oorlog. 1914-1918.

1. Herleving
2. Patriottisme of activisme?
3. Onenigheid en verzwakking

Noten
Een flits uit het verslagboek: bestuursvergadering van zondag 12 maart 1916.

4. Jeugd in het gelid. 1918-1940.

1. De doorwerking van de oorlog
2. Het nieuwe begin
3. Een jonge generatie
4. A.K.V.S. en Vlaams-nationalisme
5. Doe wel en zie niet om
6. Een nieuwe synthese: K.S.A.-Jong Limburg

Noten
Uit het bondsblad: fietstocht door het Maasland, 28 april 1927.

5. Bezette stad. 1940-1944.

1. Het vendel treedt aan
2. Reeds buigen rijpe halmen
3. Van studentenbond naar jeugdbeweging
4. De tol van de oorlog

Noten
Een flits uit het verslagboek: vijfde kampdag bij het kasteel van Terlamen (Zolder), 27 april 1943.

6. Ridders van een nieuwe tijd. 1944-1957.

1. «Een frisse jeugd marcheert»
2. Bergopwaarts
3. Veel zalige uren...
4. Een spiegel voor de bredere beweging
5. Een keurbende ten dienste van Kerk en Land

Noten
Bergopwaarts vertelt: Met Alcazar (de Hernieuwerban) naar Zutendaal, mei 1952.

7.    Tussen traditie en vernieuwing. 1957-1968.

1. Veranderende jeugdcultuur
2. Bouwen aan een modelorganisatie
3. Een zoekende generatie

Noten
Een blik op de geschiedenis van Arendsvlucht.

8.    Vechters voor een betere wereld. 1968-1976.

1. Focus op de Herkimwerking
2. Maatschappijkritiek
3. Contestatiemoeheid
4. Werken aan de «nieuwe mens»

Noten
Uit het archief: een beeld van een activiteit uit 1969.

Besluit

De huidige Jonge Klauwaarts aan het woord

Een terugblik op het recente verleden van onze bond. 1978-1984. (Jan Quaethoven)
Het leven in onze bannen   (Jan Persoons)
De eeuwfeestwerking (Karel Baeten).

Bijlagen

Ledenbestand
Bestuurs- en leiderskader
De Jonge Klauwaarts op kamp
De Jonge Klauwaarts op de planken

Bibliografie
Herkomst van de foto's
Register
Lijst van voorintekenaars

Lijst van tabellen

Vergaderingen en voorgebrachte werken. 1900-1914.
Ledenaantallen van Limburgse K.S.A.-bonden. Grote vakantie 1937.
Vendelindeling 1939-1944.
Ledenbestand van Limburgse K.S.A.-bonden 1959-1960.

Lijst van kaarten

Katholieke Vlaamse studentenbonden in Limburg. Grote vakantie 1908.
A.K.V.S.-bonden in Limburg. 1923-1924.
Bonden van K.S.A.-Jong Limburg. Grote vakantie 1937.
K.S.A.-bonden en -gewesten in Limburg. 1959-1960.
K.S.A.-. V.K.S.J.- en K.S.J.-groepen in Limburg. 1982-1983.

Achterflap

Opgedragen aan Louis Vos
eens overtuigd K.S.A.-er,
nu historicus van de jeugdbeweging.

Voorwoord

«Uitzonderlijk merkwaardig» is de appreciatie die deze studie over de geschiedenis van de «Jonge Klauwaerts» van Hasselt verdient.

Wanneer in 1982 onze stad de 750ste verjaring van de overhandiging van de vrijheidskeure vierde, verschenen bijzonder interessante boeken over het verleden: «Hasselt 750 jaar Stad, 1232-1982», uitgegeven door het Gemeentekrediet van België met de medewerking van M. Bussels, Dr. J. Grauwels, H. Leynen, J. Molemans, E. Houtman en R. Van Ballaer; «De Virga Jesse en haar Kerk», uilgegeven door het Comité van de Zeven jaarlijkse Feesten; «Kroniek van Hasselt» door wijlen Dr. J. Grauwels, departementshoofd bij het Rijksarchief; «Ontmoetingen te Hasselt., door Peter Grypdonck; «Dieksjeneer van 'T (H)essels» door X. Staelens; «Een Stukje Hasselt» door Jos Ghysen.

Het werk, dat thans verschijnt, laat toe zich een gedachte te vormen over de mentaliteit van een jeugd die evolueert naargelang de denkbeelden op godsdienstig, nationaal, sociaal en cultureel vlak. De jeugd is steeds meer gevoelig geweest voor de nieuwe gedachte, is meer radikaal in haar uitdrukkingen, is steeds zoekend geweest, reageert zonder de les van ervaringen te hebben opgedaan, is gevoelig voor de opbouw van een toekomst die de hare zal zijn.

Dank zij het monnikenwerk van raadpleging van documenten, naar dewelke herhaaldelijk verwezen wordt, wordt de lezer in de mogelijkheid gesteld om dank zij een overzicht van honderd jaren zich een gedachte te vormen van de bekommernis van de studerende jongeren van Hasselt, over de spanningen tussen de jongeren zelf en met de verantwoordelijken in de Kerk, in het Land, in de Stad.

Men ontdekt ook in dit werk de evolutie inzake de activiteiten van de jeugd. Het blijkt vanzelfsprekend dat de jongeren van de tijd van paard en kar naar andere bezigheden, ontspanningsmogelijkheden zoeken dan deze van de tijd van wagens en moto's, dat de methode van aanpak en van overtuiging de jongeren anders ligt in een tijd dat Hasselt geen 20.000 inwoners telde en de periode van de stedebouwkundige ontwikkeling, in een maatschappij waar de media beperkt zijn tot dagbladen en tijdschriften, en waar de media, de radio en de televisie zijn geworden, wanneer het materiaal waarover de jeugd beschikt, hout, papier en koorden zijn en wanneer de vooruitgang van de techniek electronische toestellen, computers, enz. aanbiedt.

De studie is zeer vlot geschreven en wordt gemakkelijk gelezen. Vele jongeren van toen zijn nu volwassen of maken deel uit van de «derde leeftijd» wat het doorlezen van het werk voor menigeen nog meer boeiend maakt.

Ik dank de initiatiefnemers en de auteurs, die een enorme bijdrage hebben geleverd aan de geschiedenis van onze Stad, voor het schitterend werk dat gepresteerd werd. Ik geloof dat weinig jeugdbewegingen in de mogelijkheid zijn over zulk geschiedkundig overzicht te kunnen beschikken.

Gelukwensen zijn onvoldoende, het succes dat het boek zal genieten zal de mooiste beloning zijn voor de auteurs.

Paul MEYERS Burgemeester

 

Lijst van afkortingen

A.K.V.S.
A.N.G.J.
A.V.N.J.
B.J.B. 
D.L.O.  
D.L.S. 
D.O.L. 
H.D.     
I.K.S.J. 
J.E.C.    
J.V.K.A. 
K.A.      
K.A.J.  
K.S.A.   
K.S.J.   
L.K.V.S.
N.S.J.V. 
S.V.B.   
V.D.      
V.K.BJ. 
V.K.S.J.
V.S.O.
V.V.K.M.
V.V.K.S. 
Z.K.A.  
Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond
Actiegroep voor niet-georganiseerde jeugd
Algemeen Vlaams-nationaal Jeugdverbond
Boerenjeugdbond
Dienst Lichamelijke Opvoeding
Dienst Lekenspel
Dienst Openluchtleven
Heemdienst
Internationale Katholieke Studerende Jeugd
Jeunesse d'Etudiants Catholiques
Jeugdverbond voor Katholieke Actie
Katholieke Actie
Katholieke Arbeidersjeugd
Katholieke Studentenactie
Katholieke Studerende Jeugd
Limburgs Katholiek Vlaams Studentenverbond
Nationaal-socialistisch Jeugdverbond
Studentenvakbeweging
Volksdienst
Vrouwelijke Katholieke Boerenjeugd
Vrouwelijke Katholieke Studerende jeugd
Vernieuwd Secundair Onderwijs
Vlaams Verbond van Katholieke Meisjesgidsen
Vlaams Verbond van Katholieke Scouts
Zuivere Katholieke Actie
   

Inleiding

Toen wij anderhalf jaar geleden de opdracht aanvaardden om een geschiedenis van de honderdjarige Jonge Klauwaarts te schrijven, voelden we ons vanuit onze vertrouwdheid met de Vlaamse studentenbeweging voor 1914 een beetje op bekend terrein. De wetenschap dat het hier «slechts» ging om één bond, terwijl we zonet een globale studie hadden gemaakt over de hele 19e-eeuwse studentenbeweging, sterkte ons in de overtuiging dat de «wetenschappelijk verantwoorde maar gevulgariseerde studie» die van ons gevraagd werd vlot uit de pen zou vloeien. De Jonge Klauwaarts hielden voor ons evenwel enkele verrassingen in petto. De bond beschikte over een uitgebreid archief, de neerslag van een levenskrachtige werking doorheen honderd jaar, waarvan de periode voor 1914 slechts een prelude vormde. Naargelang we dichter bij het  heden  kwamen, werd het steeds moeilijker de ploeg te zetten in een voor historici nog haast braakliggend terrein. Want al ging het om de geschiedenis van een deel, het ontsloeg ons niet van de taak om voortdurend ook het grotere geheel in acht te nemen, waarmee de bond immers in al zijn vezels verbonden was. Geregelde contacten met mensen van het feestcomité en gesprekken met oud-leden maakten me er bovendien telkens op attent dat de «wetenschappelijk verantwoorde studie» ook een «gedenkboek» moest zijn waarin doorheen globaliserende lijnen een beleefde realiteit zichtbaar zou blijven in tekenende details. Dat alles had tot gevolg dat dit boek een werk van langere adem is geworden, dat we niettemin, geprikkeld door onze nieuwsgierigheid naar het verleden en indachtig de Klauwaarts'leuze «Doe wel en zie niet om», tot een goed einde hebben willen brengen.

In dit onderwerp ging immers een unieke mogelijkheid schuil. Het betrof hier niet zomaar een K.S.A.-bond maar een bond met de meest verreikende traditie in Vlaanderen, een boeiende traditie bovendien, gedragen door een doorgaans bloeiende werking, vol van initiatieven en meestal inspelend op wat er leefde in de bredere maatschappij. Hier werd ons m.a.w. een kans geboden om een casestudy te maken van honderd jaar katholiek jeugdleven in Vlaanderen. Want wat er bij de Jonge Klauwaarts gebeurde, was, mits andere lokale omstandigheden en personen, een spiegel voor een evolutie die katholieke jongeren ook elders in Vlaanderen doormaakten. Behalve tot de plaatselijke geschiedenis hoopt dit werk bijgevolg ook een bijdrage te leveren tot een ruimer doel: de geschiedschrijving van het jeugdwerk, de Vlaamse beweging en de kerkelijke mentaliteit in Vlaanderen. Dat geldt in het bijzonder voor de nog weinig ontgonnen periode tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Algemene werken en specifieke analyses van jeugdontwikkeling zijn voor die jaren vrijwel onbestaande. We hopen dat deze studie ook een nuttige basis kan bieden voor een nog te schrijven algemene K.S.A.-geschiedenis.

We kozen voor een historisch verhaal dat zou aanduiden hoe de Jonge Klauwaarts, in hun honderdjarige generatiegewijze stroom binnen de bedding van de bond, enerzijds de hun door het verleden aangereikte opdracht in hun werking gestalte gaven en anderzijds die boodschap transformeerden en aanpasten aan veranderde omstandigheden. We probeerden na te gaan welke dosering van behoud en verandering in iedere chronologische periode aanwezig was en hoe die legering het aanschijn gaf aan de «typische kenmerken» van een bepaalde periode. Bij het creëren van dat beeld hielden we rekening met organisatorische en ideologische componenten, het activiteitenpatroon, het functioneren in de bredere beweging waarvan de bond deel uitmaakte, de wisselwerking met de bredere maatschappij en de functie van de bondswerking voor de leden zelf en voor de buitenwereld.

Anderzijds hielden we altijd voor ogen dat het hier tegelijk een gedenkboek betrof, wat veronderstelde dat we voldoende aandacht hadden voor herkenbare feitelijkheden en tevens doordrongen tot de belevingswereld van de deelnemers. Meer dan in voorliggend werk hadden die beleving en sfeerschepping trouwens al centraal gestaan in het gedenkboek dat in 1959 verscheen n.a.v. het 75-jarig bestaan van de Jonge Klauwaarts en dat was samengesteld uit herinneringen van oud-leden. Juist om die reden behoudt dit vroegere gedenkboek trouwens zijn authentieke waarde en was het bovendien een dankbare bron voor onze huidige synthese. Om de «expérience vécue» in de verf te zetten, plaatsten we op het einde van de hoofdstukken een tekstfragment uit de behandelde periode, waarin toen door één van de deelnemers een gebeurtenis werd geëvoceerd, hetzij in een humoristisch of lyrisch verslag, hetzij in de nuchtere stijl van notulen. Doorheen het patroon dat we weefden van gebeurtenissen en opvattingen hebben we verder vele namen en significante feiten weerhouden, zij het slechts in die mate dat ze ons exemplarisch leken voor een zicht op het geheel. Ons verhaal eindigt in 1976. Daarna komt de huidige bondsleiding aan het woord met een terugblik op de laatste jaren, waarvan de gebeurtenissen nog onvoldoende bezonken leken voor een nuchter-wetenschappelijke benadering, en met een evocatie van het bondsleven in het eeuwfeestjaar. In de bijlage vindt men nog essentiële realia betreffende leiderskaders, ledenaantallen en kampen.

We hopen dat dit boek met plezier mag gelezen worden door Jonge Klauwaarts van vroeger en nu, dat elke generatie er «haar tijd» in zal herkennen, er misschien ook meer inzicht zal in krijgen en ze naar waarde zal schatten in het perspectief van wat eraan voorafging en wat erop volgde. Wat voor de Jonge Klauwaarts geldt, kan ook opgaan voor ieder die ooit lid was van een studentenbond of van K.S.A. en die in de geschiedenis van de Hasseltse bond ongetwijfeld vele herkenningspunten zal vinden. Tenslotte drukken we de hoop uit dal dit werk ook zijn weg zal vinden naar meer wetenschappelijk geïnteresseerden die zich bezighouden met de geschiedenis van de Vlaamse beweging, de Kerk of het jeugdwerk in Vlaanderen.

Heel wat mensen hebben op één of andere wijze tot de realisering van dit werk bijgedragen. Ik wil ze daarom danken. Op de eerste plaats de initiatiefnemers, de leiding van de Jonge Klauwaarts en het feestcomité, met als "waakzaam oog" proost Jan Quaethoven. Verder de vooraanstaanden die dit project hebben willen patroneren: de Heer Paul Meyers, burgemeester van Hasselt, bisschop-coadjutor Monseigneur Paul Schruers, Mevrouw senator Clara Smitt en de Heer Harry Vandermeulen, gouverneur van de provincie Limburg, Onmiddellijk daarna het Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum (KADOC) te Leuven dat ik in de persoon van zijn dynamische secretaris, oud-Klauwaart drs. Jan de Maeyer en van zijn medewerker drs. Luc Vints, dank voor alle organisatorische, logistieke en materiële hulp dat het heeft geboden, vanaf het ontwerpen van het onderzoeksproject tot het verzorgen van illustraties en lay-out. Het Sint-Jozefscollege te Hasselt, in de persoon van zijn directeur Gerard Verbeek, die niet enkel de Jonge Klauwaarts, maar ook hun archieven en de historische onderzoekers die er zich over wilden buigen, gastvrijheid verleende. Gastvrijheid mogen we ook altijd opnieuw ondervinden vanwege Dr. Mon de Goeyse en drs. Mare Derez in het Archief en Museum van het Vlaams Studentenleven te Leuven, waar de verslagboeken van de Jonge Klauwaarts een veilige bewaarplaats hebben. We zijn eveneens erkentelijk voor de bereidwillige hulp die we mochten ondervinden van drs. R. van Laere en zijn medewerkers in het Provinciaal Archief te Hasselt. Een bijzondere vermelding verdient Annick Billen, op wiens gewaardeerde medewerking als documentaliste wij maandenlang een beroep konden doen voor het depouilleren van oude kranten en tijdschriften, het opstellen van aanwezigheids- en bestuurslijsten, het uitzoeken van foto's en het ordenen en doorpluizen van het bondsarchief. Afgezien van zijn morele en inhoudelijke steun bij het schrijven van dit werk droeg mijn man dr. Louis Vos veel bij tot de materiële afwerking ervan door het persklaar maken van de bijlagen en het tekenen van de kaarten en grafieken. Zonder dat ik hier al hun namen kan noemen wens ik verder al die comitéleden te danken die in vaak avondvullende gesprekken oud-leden aan de tand hebben gevoeld en de neerslag daarvan bezorgden. Dank tenslotte aan al de oud-leden die ons zo bereidwillig te woord stonden of hun documentatie ter beschikking hebben gesteld.

 

Hoofdstuk

Een vlaamsgezinde voorhoede in Limburg
1884-1893

1. Geen eenzame zwaluw
2. Het prille bondsleven
3. Een mosterdzaadje in de Limburgse Vlaamse beweging
4. Externe en interne wrijvingen
5. Hoogtepunt en verval

Noten

Een flits uit het verslagboek: zitting van 18 maart 1888.

6 oktober 1884. Een dertigtal leerlingen van de hogere klassen van het recent opgericht Sint-Jozefscollege van Hasselt richtten een verzoekschrift aan hun directeur, kanunnik P. Noelmans. Ze vroegen hem om met ingang van het nieuwe schooljaar 1884-1885 meer uren Nederlands op het programma te zetten, om Duits en Engels door middel van de moedertaal te laten onderwijzen en om aan de leerlingen toe te laten gedurende drie dagen per week Nederlands te spreken. Ze verwezen naar andere bisschoppelijke colleges, van Aarschot, Beringen, Dendermonde en Turnhout, waar zulke verbeteringen onlangs waren ingevoerd. Waarom zou dat ook in Hasselt niet kunnen? Noelmans ging niet stilzwijgend aan dat verzoekschrift voorbij, maar zijn antwoord bevatte weinig positieve elementen. Voor een voltallige vergadering van zijn leerlingen verklaarde hij dat hij het aantal uren moedertaalonderricht net verhoogd had,  dat hij over de gedeeltelijke vernederlandsing van de omgangstaal in het college wel wilde overleggen met de ouders om te handelen in overeenstemming met hun wensen, dat het verzoek voor de vernederlandsing van de lessen Engels en Duits aan de bisschop moest worden gericht, omdat er nu een franstalige leraar voor die vakken was aangesteld. Tegelijk haalde de directeur scherp uit naar de «grossièreté» van de leerlingen wegens de eisende toon van hun verzoekschrift. «De vlaamsgezinde studenten verkropten hun spijt, verenigden zich in een bond en oefenden zich onderling in de moedertaal in afwachting van betere tijden» gaat het verslag verder. De bond waarin deze vlaamsgezinde jongeren zich verenigden heette De Jonge Klauwaarts. De traditie wil dat hij al enkele weken vroeger, op 21 september 1884 zou zijn opgericht. Het opstellen van het verzoekschrift zou dan de eerste activiteit geweest zijn waarmee de Jonge Klauwaarts naar buiten traden(1).
 

1. Geen eenzame zwaluw

De actie van de Hasseltse jongeren was allerminst uitzonderlijk voor die jaren. Sedert omstreeks 1880 was de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs immers een centraal aandachtspunt geworden in de Vlaamse beweging. Dat hing samen met de actieve onderwijspolitiek die de liberalen gedurende hun zesjarig bewind (1878-1884) voerden. Zij wilden niet alleen het lager onderwijs laïciseren door het uitvaardigen van de zgn. «ongelukswet» in 1879, die een schoolstrijd ontketende, maar poogden twee jaar later ook hun greep te versterken op het middelbaar onderwijs door de uitbreiding van het rijksmiddelbaar onderwijsnet. Dat leidde aan katholieke zijde tot extra inspanningen om nieuwe katholieke colleges op te richten. Voor Hasselt leverde deze concurrentiestrijd drie nieuwe middelbare scholen op naast het aloude atheneum: een rijksmiddelbare jongens- en meisjesschool en het Sint-Jozefscollege, dat in 1882 van start ging. Zo ging het er ook in vele andere gemeenten aan toe.

Deze onderwijsuitbreiding werd door flaminganten aangegrepen om een verbetering na te streven van het taalregime in de middelbare scholen. Dank zij de inzet van vooral de katholieke volksvertegenwoordiger Coremans slaagden zij ten dele in dat opzet. In 1883 werd de eerste en belangrijke taalwet op het middelbaar onderwijs uitgevaardigd, die voorzag in een vernederlandsing van vijf vakken. Voor katholieke flaminganten was dit een spoorslag om bij de bisschoppen aan te dringen om op zijn minst dezelfde taalregeling in te voeren in het katholiek onderwijs, dat niet onder de bepalingen van de wet viel(2).

In die agitatie werd een belangrijke rol gespeeld door de katholieke Vlaamse studentenbeweging. Deze was in de jaren 1870 van de grond gekomen met Albrecht Rodenbach en Pol de Mont als leidinggevende figuren. Omstreeks 1880 verplaatste het zwaartepunt van die beweging zich van West-Vlaanderen naar de provincie Antwerpen. De Antwerpse scholieren Adolf Pauwels en Adelfons Henderickx stuwden haar in de richting van de taalstrijd en maakten van de vernederlandsing van het onderwijs haar voornaamste doelstelling. Ze begonnen met de organisatie van grootse studentenlanddagen: volksvergaderingen waarop leerlingen, seminaristen, studenten en ook oudere vlaamsgezinden werden uitgenodigd en waarop in een soort van meetingstijl vlaamsgezinde onderwerpen werden behandeld door jongeren en vooraanstaande figuren uit de Vlaamse beweging. In 1883 waren leerlingen van het klein seminarie van Sint-Truiden aanwezig op de eerste studentenlanddag te Antwerpen in 1883. Vanaf hetzelfde jaar kreeg De Student, een vlaamsgezind studentenblad dat sedert 1881 door Mechelse seminaristen werd uitgegeven, respons vanuit het groot seminarie van Luik, in het bijzonder van August Cuppens. Het ontstaan van de Jonge Klauwaarts, een jaar later, paste in dit kader(3).

Eugeen Leën (1862-1932), oprichter en eerste voorzitter van de Hasseltse Jonge Klauwaarts. Nadat hij in 1886 tijdelijk verhuisde naar Brussel bracht hij in de hoofdstad eveneens een vlaamsgezinde vereniging onder de naam de Jonge Klauwaarts tot stand. Op deze foto van 1892 poseert hij als schrijver van deze Brusselse zuster­vereniging.

Het was zeker niet de eerste uiting van vlaamsgezindheid in Hasselt. In de jaren 1870 had de Vlaamse beweging er een merkelijke vooruitgang geboekt, vooral dank zij de bezielende inzet van Désiré Claes, leraar Nederlands aan het atheneum. Hij was één van de voornaamste promotoren geweest bij de oprichting van het Davidsfonds in 1875. In mei van dat jaar was hij gestart met een afdeling van dit katholieke cultuurfonds in Hasselt, die zich onderscheidde door haar dynamisme. Terzelfdertijd richtte hij een Vlaamse toneelafdeling op in de katholieke maatschappij Sint-Cecilia, als tegenzet tegen de liberaal-Vlaamse toneel­vereniging De Ware Vrienden, die sedert het einde van de jaren 1860 in Hasselt actief was. Want het lag in Claes' bedoeling de katholieke aanwezigheid in de Vlaamse cultuuruitingen van de stad te versterken.

Het werd hem niet in dank afgenomen. In 1880 werd hij door het liberaal ministerie als «klerikaal element» uit  het atheneum verwijderd en overgeplaatst naar Namen (4). Maar zijn invloed bleef nawerkeen. Als toegewijde leraar Nederlands had hij op verscheidene van zijn leerlingen een diepe vlaamsgezinde stempel geslagen. De meest markante onder hen was Eugeen Leen, de stichter van de Jonge Klauwaarts.

Eugeen Leën was van katholieken huize. Hij volgde de moderne humaniora aan het atheneum op het ogenblik dat er nog geen katholiek college in Hasselt was. Het was kort na de beëindiging van zijn middelbare studies dat hij Hasseltse jongeren samenbracht in de Jonge Klauwaarts. Zonder twijfel was hij ook de man die de collegeleerlingen in 1884 aanzette om het bewuste  verzoekschrift te richten tot hun directeur. Einde 1886 verhuisde Leën tijdelijk naar Brussel om er hoofdredacteur te worden van De Vlaamsche Illustratie. Opnieuw onder zijn impuls kwam in 1887 in de hoofdstad een vlaamsgezinde jongerenvereniging, eveneens onder de naam De Jonge  Klauwaarts tot stand. Na enkele jaren keerde hij terug naar Hasselt, waar hij nieuwe impulsen gaf aan de vlaamsgezinde bedrijvigheid. In 1893 startte hij met de uitgave van De Banier, als maandelijksorgaan van de Limburgse afdeling van de Vlaamse Katholieke Landsbond. Eveneens in 1893 was hij medeoprichter van het Leesgezelschap, een discussie- en studievereniging van vlaamsgezinde burgers waarin Leën een zo actieve rol speelde dat de naam ervan nogal eens kenschetsend werd vervormd tot Leëngezelschap... Van 1904 tot 1914 verzorgde hij de uitgave van de vlaamsgezinde Gazet van Hasselt. Nog in 1904 bracht hij mee de Limburgse Oud-hoogstudentenbond tot stand, waarin hij de sleutelrol vervulde van secretaris, een functie die hij gedurende meer dan twintig jaar ook in het Hasseltse Davidsfonds zou  waarnemen. Tot op het einde van zijn  leven zou  Leën een drijvende kracht  zijn in de Vlaamse beweging van Hasselt en van heel Limburg(5). Hij  bleef ook lange tijd, aanvankelijk als voorzitter, later als erelid, een drijvende kracht in de werking van de Jonge Klauwaarts.

  

2. Het prille Bondsleven

De Jonge Klauwaarts hadden in 1884 meteen een goede start genomen. Onder de werkers van het allereerste uur zijn ons de namen bekend van Eugeen Leën, Jozef Philippen, Lodewijk Roelants en Leo Leynen. De laatste drie zouden in 1890 worden gekarakteriseerd als medestichters van de kring(6). Op het ogenblik dat het oudste verslagboek begint, in maart 1886, treffen we een twintigtal Hasseltse jongeren in volle bedrijvigheid aan. Ze vergaderden ten huize van één van de leden, Jozef Claes, in de Nieuwstraat (huidige Koning Albertstraat). In 1887 zouden zij een meer definitief lokaal vinden in het café Au Pot d'or op de Grote Markt.

In de eerstvolgende jaren bleef hun ledenaantal schommelen rond de twintig. Deze leden werden gerecruteerd uit zowel het atheneum als het Sint-Jozefscollege(7). Dat was een eerder uitzonderlijke situatie omdat de meeste andere vlaamsgezinde studentenbonden van het land waren samengesteld uit leden die ofwel allen aan een katholieke onderwijsinstelling studeerden ofwel allen aan een atheneum of rijksmiddelbare school. Met het ouder worden van de leden telden de Jonge Klauwaarts ook al snel studenten, meestal van Leuven, soms ook van Luik, en seminaristen onder hun leden. Zo zij al geen bestuursfuncties waarnamen - wat problemen kon opleveren omdat zij meestal alleen tijdens de vakantie in Hasselt waren -hadden deze ouderen doorgaans toch een leidinggevende inbreng in de kring.

Naast deze werkende leden trokken de Klauwaarts ook ereleden aan. Die hadden niet alleen een belangrijke raadgevende stem maar spijsden ook de kas. Het waren leraars van het college of andere volwassenen die actief waren in het vlaamsgezinde verenigingsleven van de stad, zoals de toenmalige secretaris van het Hasseltse Davidsfonds Albrecht van Geel, de dichter Karel Quaedvlieg en de hoofdredacteur van het Hasseltse weekblad De Onafhankelijke, Herman Melchior.

Café Au Pot d'Or op de Grote Markt van Hasselt,
waar de Jonge Klauwaarts vanaf 1887 vergaderden.

Uitnodiging voor een van de eerste jaarlijkse feestvergaderingen op 25 september 1886. Achter de initialen gaan de volgende leden schuil: Victor Nickmans, Jozef Swennen, Hendrik Philippen, Oswald Robyns, H(?) Gilissen, Jozef Speelmans, Paul Beliefroid en Karel(?) Croonenberghs.

Het dagelijks bestuur werd waargenomen door een voorzitter die de vergaderingen leidde, een schrijver die telkens de verslagen maakte en in het verslagboek schreef, een penningmeester die lidgeld en boeten inde en een «schâbeletter» die erover waakte dat er geen schade aan het meubilair en lokaal werd aangebracht. In principe werden ze jaarlijks verkozen, maar door ontslagname of vertrek uit de stad - meestal wegens studieredenen - gebeurde het nogal dikwijls dat een bestuursfunctie vacant werd, zodat verkiezingen behoorden tot een doorgaanse activiteit van de leden. Behalve Leën werden in de jaren 1880 ook Huibrecht en Jozef Swennen, Jozef Claes, Jozef Gilissen, Oswald Robyns, Jozef Speelmans, Henri Philippen, Karel Croonenberghs en Jozef Govaerts tot zulke bestuursfuncties gekozen. Nog andere actieve leden uit die eerste jaren waren Victor Nickmans en Paul Bellefroid, die zoals Jozef Govaerts hun studies aan de universiteit verderzetten en zo het contact met de leiders van de Leuvense studentenbeweging verzekerden.

De meest courante activiteit op de vergaderingen bestond uit het voordragen van werkjes en gedichten, die de leden dikwijls zelf hadden gemaakt. Er werd streng de hand gehouden aan de statuten die voorschreven dat ieder lid minstens éénmaal per maand een origineel beurtwerk moest voorbrengen. Op de volgende vergadering volgde dan een kritische bespreking, een zgn. «bedilling», door een ander lid. Daarop volgde de «beslissing» over het werk: alle leden kenden het een punt toe en dat totale puntenaantal was bepalend voor het feit of het werk al dan niet in het schoonschrift van de vereniging zou worden ingeschreven. Om de literaire activiteiten te bevorderen, werd er doorgaans jaarlijks een prijskamp georganiseerd waarin schrijvers in spe zich met elkaar   konden meten. Er werd verder ook veel aandacht besteed aan voordracht. Om hun sprekerst!alent te oefenen reciteerden jongeren gedichten en teksten van Vlaamse auteurs als K.L. Ledeganck, H. Conscience. J. van Beers, L. de Koninck, H. Ram en Anton Bergman. De Jonge Klauwaarts besteedden dus veel aandacht aan hun eigen vorming. Zij wilden hun moedertaal leren spreken en schrijven en meteen ook de Vlaamse literatuur en geschiedenis leren kennen. Want het was daarover dat hun werkjes meestal handelden.

 

3. Een mosterdzaadje in de Limburgse Vlaamse beweging

Toch bleef het niet bij vorming alleen. Zoals vlaamsgezinde jongeren in andere provincies wilden de Klauwaarts ook  rechtstreeks lot de vernederlandsing van de maatschappij bijdragen.Een geschikt middel daartoe was het organiseren van vlaamsgezinde land­ en  gouwdagen waarop de taaltoestanden in het bestuur, gerecht en onderwijs werden toegelicht en aangeklaagd en die dikwijls werden besloten met het versturen van verzoekschriften aan politieke en kerkelijke leiders om een verbetering in die situatie te brengen In april 1886 werd voor het eerst zulke studentengouwdag gehouden in Limburg. Hij was georganiseerd door de pas aan de Leuvense universiteit opgerichte Limburgse gouwgilde, waarin de vanuit Niel afkomstige Lodewijk Plessers een bezielende kracht was. Aan de Jonge Klauwaarts viel de eer van gastheer te beurt. Het lag voor de hand dat Plessers voor die eerste gouwdag een beroep deed op de Hasseltse vereniging. Zij was immers de enige katholieke vlaamsgezinde studentenbond die er op dat ogenblik in Limburg bestond. In het klein seminarie van Sint-Truiden was weliswaar al sedert 1843 een Vlaamse lettergilde actief, maar die was volledig geïntegreerd in het collegesysteem en stond onder rechtstreekse leiding van de overheid. De studentenbonden werden integendeel gekarakteriseerd door hun autonome werking.

Op deze eerste Limburgse studentengouwdag te Hasselt van 1886 hield Eugeen Leën een toespraak waarin hij felle kritiek uitte op het taalregime in het atheneum en vooral in het Sint-Jozefscollege. Ook de gouwdag van 1887, die eveneens te Hasselt plaatsvond, stond in het teken van de vernederlandsing van het onderwijs. Er werd een uitvoerig verslag voorgelezen over de taaltoestanden in de Limburgse onderwijsinstellingen. De Jonge Klauwaarts hadden daartoe vooraf informatie verzameld over de Hasseltse scholen De volgende twee jaren waren ze telkens aanwezig op de gouwdagen die toen achtereenvolgens te Peer en te Sint-Truiden werden belegd. Op die laatste bijeenkomst van 1889 voerde o.m. de Hasseltse student Alfons Govaerts het woord(8).

Verslag van de eerste katholieke studentengouwdag in Limburg, Hasselt, 4 mei 1886

De Jonge Klauwaarts lieten nog op andere manieren hun belangstelling voor de taalstrijd blijken. Op 13 maart 1886 verscheen in het Hasseltse katholieke weekblad De Onafhankelijke een gedicht van het lid Leo Leynen, Bravo M. van den Bemden, waarin hij deze Antwerpse volksvertegenwoordiger lof toezwaaide voor zijn vlaamsgezinde houding in het parle­ment. In 1886 en 1888 stuurden de leden moties aan de Minister van Justitie en aan de Kamerleden ter ondersteuning van een nieuw wetsvoorstel Coremans dat voorzag in een verdere gedeeltelijke vernederlandsing van het gerecht. De Limburgse provincieraadsleden P. Voets en J. Byvoet kregen in juni 1888 een dankbrief toegestuurd omdat ze Nederlands gesproken hadden op een vergadering van het sterk verfranste provinciebestuur. Op de zittingen van de Jonge Klauwaarts werd ook geregeld voorgelezen uit vlaamsgezinde bladen zodat ze goed op de hoogte bleven van de politieke taalstrijd. Een deel van hun lidgeld stonden ze bovendien af aan de «Vlaamse penning", een steunfonds voor de vlaamsgezinde actie dat werd beheerd door de Antwerpse Nederduitse Bond(9).

Ze vormden zodoende een levenskrachtige vlaamsgezinde kern in Limburg, meer dan de enkele Davidsfondsafdelingen die er sedert 1875 waren opgericht, tenzij misschien de afdeling van Tongeren waarin de dynamische Nicolas Theelen actief was. De afdeling van Hasselt had namelijk veel van haar stuwkracht verloren sedert het gedwongen vertrek van Désiré Claes in 1880(10). De grote katholieke studentenleiders van die jaren, die ook als jonge afgestudeerden in de voorste gelederen van de Vlaamse beweging bleven strijden, traden als ereleden tot de Jonge Klauwaarts toe: niet alleen de Limburgse voorman Lodewijk Plessers, ook de Antwerpse vechters Adolf Pauwels en Adelfons Henderickx en de Brugse flamingant Emiel de Visschere. Zij zagen in de Hasseltse studentenbond een steunpunt van waaruit de Vlaamse beweging in heel Limburg kon worden geactiveerd.

Zo drong De Visschere in januari 1888 bij de Klauwaarts aan op hun medewerking voor de uitbouw van een nationaal Vlaams verbond en voor het tot stand brengen van een gecoördineerde werking tussen de vlaamsgezinde bonden van Limburg, waarvan Hasselt het centrum zou zijn. De Hasseltse jongeren reageerden positief op dat verzoek en legden daartoe contacten met Nicolas Theelen in Tongeren en priester Boelen, de voorzitter van het Davidsfonds van Sint-Truiden. Ze kregen daarvoor een pluim in De Visscheres blad De Vlaamsche Leeuw, dat éénmaal per jaar verscheen en een overzicht gaf van de vlaamsgezinde werking in de verschillende provincies. Voor Limburg vond hij alleen de Hasseltse bond het vermelden waard: «In Hasselt bestaan de Jonge Klauwaarts, die ene wakkere Vlaamse Wacht, die ene jeugdige strijdersbond uitmaken voor die stede en de gouwe van Limburg»(11).

 

4. Externe en interne wrijvingen

De vlaamsgezinde werking van de Klauwaarts betekende een prikkel voor de directies van de middelbare scholen van Hasselt om verbeteringen aan te brengen in het taalregime van hun scholen, maar leidde tegelijk tot spanningen met de overheid van het Sint-Jozefscollege. Vooral de scherpe aanklacht van Leën op de Hasseltse gouwdag van 1886 wekte onrust en ongenoegen. Op de gouwdagen zelf had de vlaams­gezinde priester Polydoor Daniels, bestuurslid van het Davidsfonds van Hasselt en oprichter van het taalkundig tijdschrift 't Daghet in den Oosten, Leën al terecht gewezen wegens zijn ongeoorloofde kritiek op directeur Noelmans. Vanuit eenzelfde overweging gleed De Onafhankelijke in zijn verslag van de gouwdag over deze toespraak heen, zonder op de inhoud in te gaan. Een verontwaardigde Leën publiceerde daarop zijn redevoering integraal in het Antwerpse strijdblad Het Recht. Kort daarop werd hij ontboden bij de atheneumprefect A.C. Hurdebise. Hoewel die in het verleden al had laten blijken dat hij weinig gunstig stond tegenover een stap naar vernederlandsing in zijn instelling was hij toch gevoelig voor de druk die nu via de pers op hem werd uitgeoefend. In een onderhoud van juni 1886 beloofde hij aan Leën dat de taalwet van 1883 strikt in zijn instelling zou worden nageleefd. Niettemin bleef de wet er in de eerstvolgende jaren onvolledig en minimaal toegepast(12).

In het Sint-Jozefscollege konden de Jonge Klauwaarts rekenen op steun van verscheidene leraars. Lekeleraar Jules Melchior publiceerde op 28 maart 1886 in de Onafhankelijke het gedicht Aan de maatschappij De Jonge Klauwaarts te Hasselt waarin hij de jongeren aanspoorde voort te gaan in hun strijd tegen de verbastering. Hij aanvaardde kort daarna het ere-lidmaatschap van de vereniging. Er waren nog twee andere «beschermers.» in het college, de priester-leraars Segers en Linssen. In juli 1886 schonken ze alletwee aan het genootschap een recente uitgave van Ledegancks werken, die Huibrecht Swennen en Jozef Speelmans, als overwinnaars van de door de vereniging uitgegeven prijskamp in ontvangst mochten nemen.

Uit het verslag van de vergadering van de jonge Klauwaarts op 4 april 1886:  «Voor het laatst las de heer voorzitter nog een gedicht af dat hij in de week van de heer Julius Melchior, professor in het Sint-Jozefscollege ontvangen had. Het dicht had voor titel «Aan de maatschappij «De Jonge Klauwaarts» te Hasselt». Dit gedicht had in het  blad de Onafhankelijke gestaan  ....»  Deze verzen bleken dus geschreven te zijn door Julius Melchior, de initialen V.D. ten spijt.

Met directeur Noelmans lagen de verhoudingen niet zo gunstig. Verstoord over de aanklacht die Leën tegen hem had gericht zocht hij naar een aanleiding om zijn leerlingen aan de invloed van het genootschap te onttrekken. In juli 1886 kwam het tot zo een incident. Het lid Karel Croonenberghs moest van de directeur zijn ontslag bij de vereniging geven omdat hij op een schrift «Weg met de franskiljons» had geschreven. Croonenberghs bleef inderdaad enkele weken op de vergaderingen afwezig, maar woonde ze daarna opnieuw bij(13). Voorzitter Leën had intussen de hulp ingeroepen van een hogergeplaatste in het bisdom, de vlaamsgezinde vicaris-generaal M.H. Rutten, die later bisschop van Luik zou worden. Ruttens vlaamsgezindheid stoelde op sociaal-godsdienstige motieven. Hij had nog zopas een uitgebreid rapport voor zijn uit Wallonië afkomstige bisschop Doutreloux geschreven, waarin hij de noodzaak onderstreepte om ernstige verbeteringen aan te brengen aan het moedertaalonderricht van de Limburgse colleges, vanuit de argumentatie dat de kloof tussen de verfranste elite en het vlaamssprekende volk moest worden gedicht om het hoofd te bieden aan het opkomende socialisme. Op het eerste Katholiek Sociaal Congres van Luik in september 1886 zou hij opnieuw de verbondenheid tussen Vlaamse en sociale beweging beklemtonen. In zijn antwoord aan de voorzitter van de Jonge Klauwaarts beloofde Rutten dat er binnenkort vernederlandsingsmaatregelen in het onderwijs zouden worden genomen(14). Vanaf het nieuwe schooljaar 1886-1887 waren inderdaad in verscheidene Limburgse instellingen verbeteringen merkbaar, maar in het Sint-Jozefscollege van Hasselt bleef het onderricht nog sterk verfranst.

Toch deed Noelmans, mogelijk op aansporen van Rutten, een belangrijke toegeving. In december 1886 richtte hij in zijn college een louter Vlaamse lettergilde, de Vlaamse Bloemengaard op, waarvan surveillant Segers de eerste voorzitter werd. Het was een middel voor Noelmans om aan de vlaamsgezinde verzuchtingen van zijn leerlingen tegemoet te komen en tegelijk zijn controle over hun werking te behouden Hij liet de inrichting van de lettergilde gepaard gaan met een verbod aan zijn leerlingen om voortaan nog deel uit te maken van de Jonge Klauwaarts. Drie leden gaven als gevolg daarvan hun ontslag, maar andere collegeleerlingen bleven (in het geheim?) de vergaderingen bijwonen(15). Na enkele maanden bleek de sterkste tegenwind te zijn geluwd. De Jonge Klauwaarts wonnen nieuwe leden in het Sint-Jozefscollege en in mei 1887 sloten weer twee leraars uit deze instelling, Wynants en Robyns, zich als erelid bij de vereniging aan. Intussen bleef surveillant Segers, ondanks zijn voorzitterschap van de Vlaamse Bloemengaard, verder de werkzaamheden van de Jonge Klauwaarts steunen, in die mate dat hij het erevoorzitterschap van de studentenbond aangeboden kreeg. Maar dat kon hij, blijkbaar door verbod van overheidswege niet aanvaarden. De andere steunende priester-leraar Linssen had intussen sedert 1886 het college verlaten omdat hij onderpastoor was geworden in Sint-Truiden. Ook hij bleef goede contacten met de Hasseltse bond onderhoudende(16). Diezelfde steun kregen de Jonge Klauwaarts in deze periode niet van atheneumleraars, hoewel sommige leden toch in die instelling schoolliepen.

Die heterogeniteit in het ledenbestand maakte de vereniging bijzonder gevoelig voor een centraal discussiethema in de toenmalige Vlaamse beweging over de vraag of de vlaamsgezinde overtuiging voorrang moest krijgen op de partijpolitieke gebondenheid m.a.w.of de beweging binnen de bestaande katholieke en liberale partij moest worden gevoerd dan wel op onpartijdige grondslag moest worden ingericht. Aan de katholieke geest  bij de Jonge Klauwaarts kon moeilijk getwijfeld worden. Uit vele werkjes die er werden voorgedragen sprak een   katholieke inspiratie. De leden haalden haalden hun informatie over de politieke taalstrijd uitsluitend uit katholieke bladen als Het Belfort, het orgaan van het Davidsfonds en het Anwerpse Het Recht. Ze publiceerden hun pennevruchten in de katholieke Onafhankelijke en verscheidene ereleden waren notoire katholieken in de stad. Niettemin kreeg de vereniging in 1887 van de directie van het Sint-Jozefscollege het verwijt toegestuurd dat zij «vrijheidsgezind" was, d.w.z. dat zij genegen was tot samenwerking met liberale vlaamsgezinden(17).

Lerarenkorps van het Sint-Jozefscollege 1883-1884.
Staande v.l.n.r.: Lathouwers.,WI]NANTS. Stassens,  A. Hamoir, directeur P. Noelmam, G. Strijdhagen, J. Valkenborg,. J. MELCHIOR; Zittend v.l.n.r.: H. Sauvenier. G. LINSSEN, Geukens,. A. Joisten, Gerardy. De drie leraren van wie de namen in kapitaal zijn. betuigden hun steun aan de Jonge Klauwaarts. Twee andere steunende leraars uit de jaren '80, Robyns en vooral J.M. Segers, waren in 1883-1884 nog niet aan het college verbonden.

Op de vergadering van 31oktober 1888 kwam het, n.a.v. de bespreking van nieuwe statuten, tot een heftige discussie over de vraag of de Jonge Klauwaarts zich zouden afficheren als een katholieke dan wel onpartijdige vereniging. Volgens een latere getuigenis van het lid Oswald Robyns, die toen aan het klein seminarie te Sint-Truiden studeerde, zou vooral Jozef Speelmans de grote promotor van deze onpartijdige strekking geworden zijn nadat hij op het college was buitengezet en naar het atheneum was overgegaan(18). Leen gaf vanuit Brussel het schriftelijk advies dat de vereniging zich niet zou inlaten met politiek, tenzij deze verband hield met de Vlaamse problematiek, maar dat de Klauwaarts wel allemaal katholiek moesten zijn. Op de bewuste vergadering ontpopte Karel Croonenberghs zich als een krachtige verdediger van het katholiek karakter van het genootschap. Hij had over de kwestie vooraf overleg gepleegd met priester Segers, van wie hij een brief aan de leden voorlas. Hij betoogde «dat men vooreerst moest zorgen voor de godsdienst, dat wij ons genootschap wilden: katholiek en Vlaams en niet Vlaams-katholiek en vooral niet liberaal-Vlaams hebben». Zijn standpunt vond een overtuigende meerderheid van 13 tegen 2. De tegenstemmers, Edward Kusters en Jozef Claes, waren beide leerlingen van het atheneum en dienden daarop hun ontslag in.  Jozef Speelmans was niet op de bewuste vergadering aanwezig maar zou voortaan evenmin nog deel uitmaken van het genootschap.

5. Hoogtepunt en verval

Bij deze bevestiging van het katholiek karakter van de Jonge Klauwaarts had priester Segers achter de schermen een beslissende invloed uitgeoefend. Zijn bekommernis voor een sterke katholiek-Vlaamse werking in Hasselt bleek eens te meer toen hij in december 1888 aan de leden het plan voorlegde om de vereniging te splitsen in drie afdelingen, ingedeeld volgens leeftijdsgroep, en met elk een eigen functie. De eerste afdeling werd De Dietse Zonen gedoopt. Leerlingen van de lagere humanioracyclus (laagste drie jaren) zouden hier hun moedertaal leren beminnen en leren spreken. De tweede afdeling, die de naam van De Jonge Klauwaarts behield en leerlingen uit de hogere humaniorajaren recruteerde, zou zich toeleggen op de literaire beoefening van de moedertaal. Jongeren die de humaniora beëindigd hadden, studenten, seminaristen en jonge afgestudeerden, zouden tenslotte een aparte afdeling vormen en zich toeleggen op de taalstrijd. De werking van de leerlingen zou dus afgestemd zijn op vorming, terwijl voor de ouderen de actie centraal werd gesteld. Deze reorganisatie werd nog op het einde van 1888 doorgevoerd en zou het volgende jaar en mogelijk nog langer van kracht blijven.

Omstreeks dezelfde tijd lieten de Jonge Klauwaarts op aansporen van Leën hun eerste vaandel vervaardigen. In augustus 1889 werd het plechtig op de vergadering ontrold «dat prachtig gewrocht van witte zijde waarop een rode leeuw gestikt is en twee wapenschilden; boven, de leuze «Doe wel en zie niet om», onder naam en jaartal.» Het werd op 3 september 1889 in de Sint-Quintinuskerk door de deken gewijd (19).

De plechtige inhuldiging zou een jaar later, in september 1890 worden gevierd. In het begin van die feestmaand vergastten de Jonge Klauwaarts voor het eerst in hun geschiedenis de Hasseltse bevolking op een toneelavond, met op het programma Karel Stuarts laatste ogenblikken, een historisch drama van hun stadsgenoot Dirk Speelmans, en het blijspel Het portret van den schoomoom (20). Het inhuldigingsfeest zelf vond plaats op 28 september 1890,  tesamen met een Vlaamse studentengouwdag die toen weer in Hasselt werd belegd door de Limburgse gouwgilde van Leuven. Het werd bijgewoond door verscheidene vlaamsgezinde verenigingen van stad en provincie. Er kwam ook een afvaardiging opdagen van de Jonge Klauwaarts van Brussel. Met vaandels, spandoeken en fanfare trokken ze stoetsgewijze van het station naar het Sint-Jozefspatronaat aan de Grote  Capucienenstraat. Na een welkomstwoord door Eugeen Leën, de voorzitter  van  het  feestcomité, begon de gouwdag met de intussen  al vertrouwd geworden thema's: vernederlandsing van bestuur, gerecht en onderwijs. Namens de Jonge Klauwaarts voerde Paul Bellefroid het woord. Hij bracht hulde aan de eregasten van de dag: de vlaamsgezinde katholieke volksvertegenwoordigers Adriaan de Corswarem en Joris Helleputte, die op hun beurt het spreekgestoelte beklommen om het streven van de Hasseltse jongeren aan te moedigen. In de namiddag volgde een door de Jonge Klauwaarts verzorgde feestzitting die werd afgesloten met een feestmaal   waarop gespeecht  en getoast werd tot inde kleine uurtjes(21).

«Het vaandelfeest zal bij ons in een zoete gedachtenis blijven voortleven» schreef verslaggever Alfons Jeurissen in zijn jaarverslag 1890-1891 neer, terugblikkend op dit hoogtepunt in de werking van de eerste jaren, «'t was alsof de Jonge Klauwaarts sinds dat tijdstip méér kracht geput hadden, want met grotere ijver werkten ze eendrachtig voort en toonden door hun beurtwerken en bedillingen de liefde die zij voor hun Vlaamse moedertaal in hun harten voelden blaken. Zo werden er 22 werken ingeleverd, waaronder 4 prozastukken en 8 gedichten, waarbij dan nog 8 lezingen en .... 8 voordrachten-redevoeringen, waarvan 7 van eigen vinding.» In januari 1891 werd een zitting gewijd aan de pas overleden troonopvolger prins Boudewijn, die enkele jaren voordien op de Breidelfeesten te Brugge een toespraak in het Nederlands had gehouden en daarom door de vlaamsgezinden op handen werd gedragen als de «Vlaamse prins». Korte tijd later stuurden ze een brief aan de Hasseltse volksvertegenwoordiger de Corswarem om protest aan te tekenen tegen de stiefmoederlijke behandeling van hun moedertaal aan het Hof van Beroep te Brussel, n.a.v. de schorsing van de vlaamsgezinde advocaat M. Josson(22).

Anderzijds vond de vereniging geen aansluiting bij het Katholiek Vlaams Studentenverbond, een nationale federatie voor de katholieke Vlaamse studentenbeweging die in september 1890 was opgericht, maar die al in 1892 ten onder zou gaan aan verbodsmaatregelen van de Mechelse aartsbisschop Goossens(23). Ook in de interne keuken boterde het in 1891-1892 niet zo best. In maart 1891 zat het genootschap - tengevolge van het dure vaandelfeest? - met een deficit van 21 F . Dat gaf aanleiding tot heftige ruzies en onderlinge verwijten, waarbij voorzitter Victor Nickmans ten teken van protest tot twee maal toe de vergadering verliet en de penningmeester tot ontslag gedwongen werd. Deze persoonlijke tegenstellingen legden een hypotheek op de werking in 1891-1892. Verslaggever J. Ceyssens loog er niet om: "Dat er gewerkt is? Neen, dat mag ik niet zeggen. De verslagen zouden u het tegenovergestelde tonen.» Hoewel de vereniging toen 26 leden rijk was waren over het hele jaar maar 19 werken naar voren gebracht. Bovendien dienden drie achtereenvolgende voorzitters, Victor Nickmans, Huibrecht Swennen en Alfons Jeurissen op korte termijn hun ontslag in. Nadat de werking drie maanden had stilgelegen poogde Huibrecht Swennen er vanaf 15 mei 1392 vruchteloos een nieuwe vaart aan te geven. Op 17 november 1892 werden de activiteiten volledig gestaakt(24).

Het zou maar een tijdelijke onderbreking zijn. De vlaamsgezinde volwassenenwerking in stad en provincie was op dat ogenblik immers voldoende sterk om vroeg of laat de Hasseltse jongeren opnieuw te activeren. Daar hadden de Jonge Klauwaarts in de voorbije jaren zelf voor gezorgd. Zo was op de Hasseltse gouwdag van 1890 op voorstel van één van hen besloten tot oprichting van een bestendig gouwdagcomité samengesteld uit vertegenwoordigers van verscheidene flamingantische verenigingen van Limburg, dat voortaan de jaarlijkse organisatie van Limburgse gouwdagen trouw ter harte zou nemen. In dit comité zetelden verscheidene oud-leden van de Jonge Klauwaarts zoals Eugeen Leën, Paul Bellefroid en Hendrik Philippen(25). In Hasselt werd in 1893 het Leesgezelschap opgericht, een invloedrijke culturele en vlaamsstrijdende vereniging, waarin oud-Klauwaarts als Eugeen Leën, Pau! Bellefroid, Huibrecht Swennen en Victor Nickmans opnieuw de eerste viool speelden(26). Bij hun bekommernis om de vlaamsgezinde bedrijvigheid in Hasselt te stimuleren zouden zij hun jongere stadsgenoten niet uit het oog verliezen.

Noten

(1)  Het Recht, 30 mei 1886.
(2) L. VOS-GEVERS, In het spoor van de vernederlandsing, p.191-192; L. WILS, Honderd jaar Vlaamse beweging, p. 108- 115, 126-147; L. GEVERS, Kerk, Onderwijs en Vlaamse bewegingp.119-122,  201-204; Koninklijk Atheneum Hasselt Gedenkboek 1850-1950, p.136-139; M. BUSSELS e.a., Hasselt 750 jaar stad 1232-1982, p. 166; Dankbaarheid en waardering. Sint-Jozefscollege Hasselt, p.13-16.
(3) Zie L. GEVERS, Blauwvoeters en taalfiaminganten.
(4) M. BUSSELS e.a., o.c, p. 124, 167;  J.  GEURTS,  Eugeen Leën, Bezieler van  het Vlaamsch en katholiek leven in Limburg,  p. 22-23;  M.  HANSON,  Taalsituatie en moedertaalonderricht in het middelbaar onderwijs in Limburg,  p. 191-198, 249.
(5) Zie Gedenkboek Eugeen Leën.
(6) De Onafhankelijke, 24-28 september 1890.
(7) De leerlingen van het Sint-Jozefscollege vormden wel een beduidende meerderheid. Van de 22 werkende  leden die in 1885-1886 de vergaderingen bijwoonden konden we er 14 identificeren als leerlingen van het Sint-Jozefscollege en 3 als leer lingen van het atheneum. Een volgende telling voor het jaar 1888-1889 leert ons dat er op de 26 werkende leden 13 college leerlingen en 5 atheneumleerlingen waren; inschrijvingsregisters Sint-Jozefscollege en Koninklijk Atheneum Hasselt.
(8) Voor deze en voorgaande alinea, zie: vergaderingen van 2 en 9 mei 1886; 3 april 1887; 17, 18 en 25 maart, 2 april 1888; De Onafhankelijke, 5 en 9 mei 1886; 10 en 27 april 1887; 25 april 1888; Het Recht, 30 mei 1886; De Kabouter uit het Land van Loon, I, 3., O.L.V.-Hemelvaart 1888, p. 36-37; II, 3&4, Sint-Lambrecht 1889, p. 117-118; L. GEVERS, Kerk, Onderwijs ....p. 376-387;  IDEM,  Blauwvoeters en taalflaminganten, p. 293, 318-322, 346.
(9) Vergaderingen van 4 april, 27 juni, 25 juli, 8 en 22 augustus 1886, 13 maart, 28 augustus en 25 december 1887, 8 juli en 2 november 1888.
(10) H. OFFERGELT, Davidsfonds Hasselt jubileert, p. 7-15.
(11) Vergaderingen van 30 mei en 21 juni 1886, 8 en 29 januari, 19 februari, 2 en 29 april 1888; De Vlaamsche Leeuw, augustus 1886.
(12) Vergaderingen van 16 en 30 mei, 6 juni 1886; Koninklijk Atheneum Hasselt, p.142-143; M. HANSON, Taalsituatie en moedertaahnderricht .... p. 331-341.
(13) Het verbod tegen Croonenberghs werd bekend gemaakt op de vergadering van 25 juli 1886. Vanaf 22 augustus 1886 woonde deze opnieuw de vergaderingen bij.
(14) Vergaderingen van 1 en 8 augustus 1886; L. GEVERS, Kerk. Onderwijs ..., p. 374; J. DE MAEYER, De ultramontanen en de gildenbeweging 1875-1890: het aandeel van de Confrèrie de St. Michel, p. 243.
(15) Verslagboeken Vlaamsche Bloemengaard; vergaderingen van 12 december 1886; Dankbaarheid en waardering, p. 191-194. M. HANSON, o.c. p. 403-414.
(16) Vergaderingen van 27 maart, 10 april, 11 september, 30 oktober, 20 november, 25 december 1887.
(17) Vergadering van 15 mei 1887.
(18) Krantenknipsels Bij pastoor Robijns (zonder enige bibliografische verwijzing) ingesloten in verslagboek 1886-1887.
(19) Vergadering van 25 augustus 1889; De Onafhankelijke, 15 september 1889; historisch overzicht door L.  Bouveroux  in De Jonge Klauwaert, maart 1928, p. 33-35.
(20) De Onafhankelijke, 3 en 7 september 1890.
(21) De Onafhankelijke, 21 en 28  september 1890;  De Demer,  4 oktober 1890; De Kabouter uit het Land van Loon, Allerheiligen 1890, p.187-191; 194-198.
(22) De Onafhankelijke, 8  februari 1891; De Jonge Klauwaart, paasvakantie 1928, p. 44-45.
(23) L. GEVERS, Blauwvoetere .... p. 380, 382.
(24) De Jonge Klauwaert, paasvakantie 1928, p. 44-45; De Kabouter uit het Land van Loon, V, 2, Beloken Pasen 1892, p. 281; VI. 2, 2e zondag na Pasen 1893, p. 32.
(25) Oproep van het «Limburgs gouwdagberek» - De Kabouter uit het Land van Loon, V, 2, Beloken Pasen 1892, omslag.
(26) A. THEATRE, 60 jaar Leesgezelschap,  p. 9-10; P.J. BROEKX, Hel Leesgezelschap 1893-1914, p. 43-45.

Een flits uit het verslagboek

Zittingstaak van 18 maart 1888

1. Werk Croonenberghs (vervolg)
2. Bedilling H. Swinnen op Gilissen
3. Lezing Gilissen (vervolg; Arme Wanna)
4. Gedicht Peeters
5. Voordracht Speelmans
6. Verslag penningmeester
7. Standregelen
8. Aanl. nieuw lied

Verslag der zitting

(Aanwezig) De heren (ereleden) Quaedvlieg en Peeters, voorts (de leden)Claes, Gilissen, Nickmans,  Robyns,  Speelmans, Swennen H. en een nieuw lid Edward Kusters.

Nr. 1, 2: uitgesteld; 3 niet gedaan.
De voorzitter deed lezing van twee brieven: een schrijven van mijnheer Jozef Smets, hulpschrijver der Limburgse gouwgilde te Leuven, student in de medicijnen, waarin deze ons verzocht inlichtingen te geven omtrent de scholen en onderwijsgestichten der stad. Tevens verzocht hij ons op de gouwdag welke te Peer, de tweede zondag na Pasen zal gehouden worden; een ander schrijven van advocaat De Visschere ons verzoekende hem met enige woorden de toestand der zaken aangaande het Vlaams Verbond en de strijdpenning bekend te maken.

Heer Robijns begon de zitting met de lezing van het verslag van de geldelijke toestand. 25 december: in kas 11,60F. Inkomsten: totaal: 32,18F ; uitgaven: totaal: 30,28F. Blijft: l,90F de 11de maart 1888.

Hij zegde zijn ontslag te moeten nemen omdat hij zijn studies zal voortzetten in het seminarie van Sint-Truiden.

Claes werd gekozen met 6 stemmen tot penningmeester, Gilissen verkreeg er één. Heer Peeters las een gedicht voor van ... (niet ingevuld) getiteld Natuur en Kunst. De dichter had zich voor doel gesteld de kunst te verheerlijken; en daarom gebruikt hij de krachtigste tegenstelling: de kunst doet zaken welke de natuur met haar wetten niet kan. Daaruit vloeit voor hem een aaneenschakeling van dichterlijke uitdrukkingen die zijne juiste gedachten schilderachtig wedergeven.

Heer Gilissen gaf een zijner best geslaagde gedichten ten gehore, een kantate: Ons Klauwaartslied; kracht van uitdrukking, snelheid en mannelijkheid van versbouw: ziedaar de eigenschappen waardoor het waarde heeft. Heer Speelmans stelde de reeds genoemde Kusters als lid voor. Deze toonde zich genegen na kennismaking der standregelen als lid aanvaard te worden. Hij werd met handgeklap tot Jonge Klauwaart aangenomen.

Heer Peeters deed ons het genoegen het eerste gedeelte van De duisterlingen voor te lezen, een persoonlijk gewrocht, evenzeer uitmuntend door de oorspronkelijkheid der toestanden als door die der uitdrukkingen. Met veel bijval werd zijn lezing aangehoord: goede schildering, keurige taal, alles beviel ons.

Swennen H. las uit Het Belfort een verhaal voor ondertekend «Adriaan», dat een model mag heten voor hetgeen de zoetvloeiendheid onzer taal aangaat. De schrijver heeft naar dichterlijke wendingen gezocht, of eerder zij zijn zijn pen ontvloeid als een echo der dichterlijke indrukken welke het overwegen des onderwerps in hem gemaakt had.

Eindelijk werd er een begin gemaakt tot het omwerken der standregelen. Eén zitting nog en dit belangrijk werk zal, hoop ik, afgemaakt zijn. Reeds van verleden  zondag was er gesproken geworden door Mijnheer Peters, erelid onzer

maatschappij, een kartel (blazoen, schild) te laten beitelen. De hoge kosten deden ons terugschrikken, doch hopen wij dat welhaast er een goede oplossing aan dit gewichtig vraagpunt zal gegeven worden.

Na besprekingen van minder belang werd deze belangrijke zitting gesloten.

 

Hoofdstuk 2 

"Strijders voor 't herwordend Vlaanderen".
1897-1914

1. Onder een gunstig gesternte
2. Voorbereidende afdeling van het Leesgezelschap
3. Naar een sterke bond
4. «Op de bane der volksontwikkeling»
5. Het bondsleven

Noten
Een flits uit het verslagboek: uitstap naar Stevoort op zondag 5 mei 1912.

Op 25 september 1897 meldde Eugeen Leën in het flamingantische Hasseltse blad De Kabouter: «Met genoegen vernemen wij dat de Jonge Klauwaarts, welke enige jaren sliepen, met nieuwe bestanddelen heringericht zijn en geregeld samenkomsten houden in de gebouwen van het Sint-Jozefspatronaat. De wind is gekeerd. Aan aanmoediging en ondersteuning ontbreekt het  niet  meer. Het welgelukken des genootschaps hangt alleen af van de ijver en de werkzaam heid der leden. De vergaderingen, welke tot nog toe  plaats gehad hebben en de goede gang der werkzaam- heden bewijzen dat de leden niet alleen vlaamsgezind  zijn, maar tevens hun vlaamsgezindheid door de beoefening onzer moedertaal op een werkdadige wijze laten blijken. Ad multos annos!» De Jonge Klauwaarts hadden een nieuwe start genomen.
 

1. Onder een gunstig gesternte

Leen kon terecht beweren dat het de Hasseltse jongeren niet meer aan steun en aanmoediging ontbrak. Hijzelf en andere leden van het Leesgezelschap, in het bijzonder Victor Nickmans, hadden zolang aan de wagen geduwd tot hij weer in beweging kwam. Al in 1894 hadden ze vruchteloos geprobeerd nieuw leven te blazen in de jongerenwerking. Bij wijze van kunstmatige ademhaling lieten ze op de Limburgse gouwdagen van 1894 en 1895 - resp. te Hasselt en te Bilzen - telkens de vlag van de Jonge Klauwaarts meedragen in de stoet. In 1896 lanceerde Eugeen Leën in het Limburgse studentenblad De Kabouter uit het Land van Loon een dringende oproep tot de Hasseltse scholieren om de werkzaamheden te hervattend(1).

Nog andere factoren begunstigden de effectieve heroprichting van de Jonge Klauwaarts in 1897. Het Vlaamse land werd dat jaar beroerd door een brede volksbeweging voor het verkrijgen van de zgn. gelijkheidswet, waarin het Nederlands naast het Frans als officiële taal in België zou worden erkend. Te Hasselt werden bovendien op hetzelfde ogenblik drukke voorbereidselen getroffen voor de Boerenkrijgfeesten die in september 1898 zouden worden gevierd met de inhuldiging van het Boerenkrijggedenkteken. De Jonge Klauwaarts zouden zelf bijdragen tot het succes van deze feestelijkheden. Op de Vlaamse landdag die bij die gelegenheid in het Hasseltse Sint-Jozefspatronaat werd belegd, kregen zij een pluim voor de smaakvolle versiering van de zaal (2).

De sfeer in de Hasseltse onderwijsinstellingen werkte eveneens bevorderlijk voor een heropnemen van de vlaamsgezinde activiteit door de scholieren. In het atheneum begon de taalwet van 1883 omstreeks de eeuwwende langzaam maar zeker zijn vruchten af te werpen, zodat het Nederlands er een grotere plaats kreeg als onderwijs- en omgangstaal. In 1895 hadden enkele leerlingen van het atheneum een vlaamsgezinde vrijzinnige scholierenkring Help u zelf die was al snel gestrand op het veto van de studieprefect A. Drumaux(3). De volgende atheneumprefecten, A. Roegiers (1898-1904), C. Libbrecht (1904-1908) en L.Tilmant (1908-1927), zouden geen gelijkaardige moeilijkheden bezorgen aan de Jonge Klauwaarts. De vereniging vond in het eerste decennium van de twintigste eeuw zelfs steun bij atheneumleraar Alfred Habets, een actieve medewerker van het Leesgezel schap. Hij aanvaardde het erelidmaatschap van de Hasseltse jongerenkring.

Toch bleven de Jonge Klauwaarts het merendeel van hun leden recruteren in het Sint-Jozefscollege(4). Daar  floreerde  immers de Vlaamse Bloemengaand onder de bezielende leiding van priester-leraar Jozef Geurts. Leerlingen van de hoogste vier klassen leefden via  deze college-lettergilde intens mee met de grote gebeurtenissen in de Vlaamse beweging. Na de goedkeuring van de gelijkheidswet in het voorjaar 1898 organiseerde de Vlaamse Bloemengaard een feestzitting waarop uitbundig hulde werd gebracht aan de vaders van deze belangrijke taalwet, de katholieke volksvertegenwoordigers J. de Vriendt en E. Coremans. Ter voorbereiding van de Boerenkrijgfeesten werd op iedere vergadering een omhaling gedaan voor het in te huldigen standbeeld en werd telkens een stukje voorgelezen uit Oswald  Robyns' Onze Brigands. Bij de feesten zelf hing aan de collegepoort een groot Vlaams opschrift(5). Directeur Noelmans liet deze uitingen van vlaamsgezindheid in zijn instelling toe. Hij zou voortaan ook de Jonge Klauwaarts ongemoeid laten.

Kon hij immers tegen de stroom oproeien? De katholieke studentenbeweging in Limburg mocht zich beroepen op hoge kerkelijke steun. Sedert 1895 had deze beweging een provinciale structuur gekregen. Vlaamsgezinde seminaristen van Luik hadden toen de Limburgse gouwbond in het leven geroepen die verdeeld zou zijn in drie gewesten: een Kempische, Maas landse en Haspengouwse afdeling, waartoe o.m. Hasselt behoorde. Scholieren, seminaristen en studenten konden elkaar ontmoeten op de jaarlijkse gewestdagen die door elk van de drie afdelingen werden belegd. Om de vijf jaar organiseerden de gewestafdelingen tesamen een gouwdag waarop studerende jongeren van heel de provincie samenkwamen(6).

Op de gewestdag van de Kempische afdeling te Bree in april 1899 was kanunnik L. Leroy, de president van het groot seminarie van Luik aanwezig. Hij beklom er het spreekgestoelte om - mede in naam van bisschop Doutreloux - zijn steun en goedkeuring aan het streven van de vlaamsgezinde studenten uit te spreken en hen aan te moedigen bij de studie van hun moedertaal, opdat zij als toekomstige leiders hun volk zouden kunnen toespreken en het behoeden voor het socialisme. Niet zonder afgunst commentarieerde het Westvlaamse studenten tijdschrift De Vlaamsche Vlagge: «Gelukkige jongelingschap van Limburg, gijlieden hebt ze gevonden, de meesters, de leiders die u de heerlijke bane zullen wijzen ... Gelukkig Limburg ... Arm Vlaanderen ...»(7). Die situatie verbeterde nog toen de vlaamsgezinde vicaris-generaal M.H.Rutten in 1901 tot bisschop van Luik werd benoemd in opvolging van de pas overleden Doutreloux.

De steun van de clerus aan de studentenbeweging liet zich ook gevoelen op lokaal vlak. De Jonge Klauwaarts telden onder hun ereleden steeds verscheidene geestelijken: parochiepriesters uit Hasselt en omliggende gemeenten, leraars van het Sint-Jozefscollege en last but not least de deken van Hasselt, kanunnik Rachels, die zelfs erevoorzitter van de Klauwaarts werd. Daarnaast aanvaardden verscheidene katholieke Hasselaars met aanzien het erelidmaatschap van de vereniging. Dat alles maakt de tolerante houding van directeur Noelmans des te begrijpelijker.

  

2. Voorbereidende afdeling van het leesgezelschap

Vanaf 1900 vinden we opnieuw keurig bijgehouden verslagen van de vergaderingen en interessante jaaroverzichten van de werking. Op de titelbladzijde van het verslagboek 1900-1907 stond in calligrafisch geschrift het vers van Désiré Claes geschreven:

«Ik ben een kind van Belgenland
een echte klauwaartszoon
die vreemde praal en taal verbant
en steunt op eigen schoon.»

Hendrik Janssens wijdde er in 1902 een «knappe redevoering» aan. Andere voordrachtgevers lichtten de betekenis toe van de nationale feestdag of van de leuze «Eendracht maakt macht». In 1907 werd het streven van de Jonge Klauwaarts omschreven als een strijd voor «Godsdienst ... taal ... en Vaderland, voor ons dierbaar Belgenland »(8).

Vlaamsgezindheid impliceerde in deze jaren voor de leden dus geen anti-Belgicisme. Sommigen van hen brachten wel eens kritiek uit op de ongelijkwaardige behandeling van de Vlamingen in hun land, maar zelfs dat bleef erg beperkt. In de honderden voordrachten die tussen 1900 en 1914 op de vergaderingen naar voren werden gebracht, werd die aanklacht slechts tweemaal geuit(9). Vanuit dezelfde overweging ontstond er in 1905 enige discussie over de vraag of de kring zou deelnemen aan de jubelstoet die t.g.v. het 75-jarig bestaan van België te Hasselt uitging, maar zoals te verwachten viel waren de Jonge Klauwaarts op deze feestelijke gebeurtenis present(10).

In vergelijking met hun voorgangers engageerden ze zich in de eerste jaren na 1900 weinig in de politieke taalstrijd, hoewel de katholieke volksvertegenwoordiger Coremans in 1901 een wetsvoorstel had ingediend dat hen als studerende jongeren rechtstreeks aanbelangde. Coremans wilde namelijk de taalwet van 1883 ook van toepassing maken op het katholiek middelbaar onderwijs en tegelijk paal en perk stellen aan de mogelijkheid voor de officiële instellingen om aan hogergenoemde wet te ontsnappen. De parlementaire «lijdensweg» van zijn voorstel sleepte negen jaar aan, niet in het minst door de felle tegenstand van de bisschoppen en de oversten van reguliere onderwijsinstellingen, die er een aantasting in zagen van de grondwettelijke vrijheid van hun onderwijs. Het was daarom bijzonder riskant voor de katholieke Vlaamse studentenbeweging om zich met deze gevoelige kwestie in te laten. Zo dreigde de Luikse bisschop Rutten ermee dat zijn seminaristen niet langer in de beweging actief mochten zijn, nadat het wetsvoorstel Coremans was verdedigd op de Limburgse studentengewestdagen van 1903 en 1904. Kort daarop gaf Rutten opnieuw zijn goedkeurende zegen aan de Limburgse studentenbeweging, ongetwijfeld in ruil voor de belofte dat deze zich niet meer zou inlaten met dit hete hangijzer(11). Het was de prijs die de vlaamsgezinde jongeren moesten betalen voor het bewaren van een goede verstandhouding met de kerkelijke overheid.

Het bisschoppelijk optreden bleef ook niet zonder effect op de Jonge Klauwaarts. In december 1904 decreteerde het bestuur dat «om elke moeilijkheid te voorkomen, het verboden is hetzij onder welk voorwendsel van het wetsvoorstel Coremans te spreken in onze zittingen». Niettemin zou student Jan Grauls de kwestie in maart 1906 toch eenmaal aan de orde brengen door voorlezing van enkele artikels die in dat verband waren verschenen in Dietsche Warande en Belfort. Het probleem stelde zich toen acuut. De nakende benoeming van de nieuwe aartsbisschop Mercier wekte bij de flaminganten immers hoop op een spoedige verbetering van de taalsituatie in het katholiek onderwijs. In september 1906 vaardigde het episcopaat inderdaad een reeks vernederlandsingsmaatregelen uit in de Bisschoppelijke Onderrichtingen. Baptist Bellefroid las ze aan de Jonge Klauwaarts voor op de vergadering van 7 oktober 1906. Hoe de Hasseltse jongeren deze maatregelen taxeerden vernemen we jammer genoeg niet. Zeker is wel dat de Bisschoppelijke Onderrichtingen in de katholieke vlaamsgezinde opinie op een overwegend negatieve reactie werden onthaald omdat ze niet ver genoeg gingen. De strijd voor een wettelijke taalregeling in het katholiek middelbaar onderwijs werd daarom onverminderd verdergezet, tot uiteindelijk in 1910 een taalwet terzake werd goedgekeurd. De Jonge Klauwaarts hielden zich in deze strijd verder afzijdig. In april 1907 hadden ze in meerderheid opnieuw beslist om over het wetsvoorstel Coremans te zwijgen «ten einde veel onaangenaamheden en twisten te voorkomen »(12).

Titelbladzijde van het verslagboek 1900-1907

De geringere belangstelling voor de taalstrijd was evenwel niet alleen te verklaren door de houding van de kerkelijke overheid. Ze hing ook samen met de evolutie van de Vlaamse beweging zelf. Onder invloed van de geschriften van Julius Mac Leod, Lodewïjk de Raet en August Vermeylen groeide rond 1900 het inzicht dat Vlaanderens ontplooiing niet alleen afhing van het verkrijgen van taalwetten, maar nog meer van zijn wetenschappelijke, culturele en sociaal-economische otwikkeling. Bovendien was de katholieke Vlaamse studentenbeweging zich sedert de laatste jaren van de 19e eeuw uitdrukkelijker gaan presenteren als een vormingsbeweging. Het heette nu dat ze zich niet rechtstreeks diende te engageren in de politiek, maar dat ze een kader moest bieden waarin jongeren zich konden voorbereiden op hun toekomstige taak als leiders van hun volk. Vooral Frans van Cauwelaert hamerde op de opvoedkundige betekenis van de studentenbeweging(13).

Deze trend was ook bij de Jonge Klauwaarts terug te vinden. Zij bleven wel actief betrokken bij het vlaamsgezinde gebeuren in hun stad en provincie, maar speelden daarin, in tegenstelling tot de jaren 1880, geen voorhoederol meer. Dat lieten ze over aan volwassenenverenigingen als het Leesgezelschap en meer nog de Limburgse Oud-Hoogstudentenbond, die in 1904 te Hasselt in het leven werd geroepen, met de nog  steeds bedrijvige Eugeen Leën  als secretaris(14). Het was daarom niet toevallig dat de Hasseltse studentenkring in 1903 door Paul Bellefroid werd getypeerd als  een  «voorbereidende  afdeling  van  het  Leesgezelschap»(15). In de nieuwe statuten die op 22 november van datzelfde jaar werden goedgekeurd heette het dat het doel van de maatschappij bestond in «het bevorderen der katholieke Vlaamse beweging in het algemeen en het beoefenen van kunsten en letteren in het bijzonder. Alle staatkunde welke niet rechtstreeks in betrekking staat met dit doel blijft streng buiten de kring gesloten.» Het  genootschap  was op  de eerste plaats een  leerschool waarin de leden elkaar opwekten tot nationaal-Vlaamse geestdrift, waarin zij hun spreek- en schrijfvaardigheid oefenden door het  voordragen van zelfgemaakte werkjes, waarin zij ook kennis maakten met de groten uit de nederlandstalige literatuur.

Tot die groten rekenden ze op de eerste plaats Guido Gezelle en de al in 1880 overleden Albrecht Rodenbach, die pas nu echt ontdekt werd. Onder de Limburgse schrijvers ging de aandacht vooral uit naar Jacob Lenaerts, wiens werk De verdwijning der Alvermannekens in 1899 een tweede editie gekend had, en Lambrecht Lambrechts. De klassieken uit de Nederlandse literatuur, Vondel, Bilderdijk, Ledeganck en David kwamen eveneens geregeld aan bod. Maar het was opvallend dat ook moderne auteurs uit Noord en Zuid aandacht kregen en de bestudering ervan werd aanbevolen en ter harte genomen, in het bijzonder door seminarist Clemens van der Straeten. Zo werden herhaaldelijk voordrachten gehouden over de tachtigers en negentigers Albert Verwey, Jacques Perk, Helene Swarth, Hilda Ram, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel, Willem Kloos en René de Clercq. In mei 1905 werd zelfs een speciale zitting aan deze  «modernen» gewijd, opgeluisterd met liederen van de Vlaamse componist Emiel Wambach(16). Een enkele maal - in 1904 -werd ook voorgelezen uit Stijn Streuvels' Lenteleven.

]an Gruyters (midden) en ]an Grauls (rechts), twee actieve Jonge Klauwaarts uit het eerste decennium van deze eeuw. Ze voltooiden beiden hun studies aan de Leuvense universiteit en raakten daar bevriend met Ernest Claes (links). Een foto van deze drie vrienden uit 1957.

Naast taal- en letterkundige onderwerpen sneden de leden in deze periode, meer bepaald vanaf 1904-1905, vaker de sociale problematiek aan. De opkomst van de christen-democratie sedert het einde van de 19e eeuw miste immers zijn effect op Limburg niet. In 1901 was te Hasselt een Secretariaat van Katholieke Maatschappelijke Werken opgericht, dat als een permanent centraal orgaan fungeerde voor het groeiend aantal boerengilden, pensioenkassen, mutualiteiten en weldra ook vakbondsafdelingen in de provincie(17). In het voorjaar 1904 verhuisde het vergaderlokaal van de Jonge Klauwaarts naar dit Secretariaatsgebouw. In de loop van 1904-1905 nodigden de Klauwaarts de directeur van het Secretariaat, de Hasseltse advocaat Clement van Straelen uit om een reeks lessen te komen geven over het maatschappelijk vraagstuk. Daaruit groeide de idee om een aparte afdeling op te richten voor de studie van de maatschappelijke problemen, naast een letterkundige afdeling en een Sprekersbond, waarin de jongeren hun redenaarstalent zouden kunnen beoefenen. Deze plannen werden gemaakt in februari 1905 maar moesten al na enkele maanden opnieuw worden opgegeven omdat de kring te weinig leden bleek te hebben om drie afdelingen in stand te houden.

 

3. Naar een sterke bond

In  de eerste jaren  na 1900 bleef het ledenaantal inderdaad vrij laag. Doorgaans waren maar een tiental leden en ereleden aanwezig op de vergaderingen die wekelijks, om de veertien dagen of om de maand werden  gehouden. Soms lag de werking voor een hele periode stil, zoals van februari tot november 1902, tengevolge  van  het  plotse  ontslag van  de voorzitter Leo van der Straeten. Om de stabiliteit van het bestuur beter te waarborgen, werd in de statuten van november 1903 voorzien in de vorming van een jaarlijks te verkiezen bestuurscomité, dat uit zes leden zou bestaan: een voorzitter, een schrijver, een penningmeester, een boekbewaarder en twee raadsleden. Dat behoedde de kring niet voor een volgende crisis in 1905. Op de zes vergaderingen die tussen 11 september en 2 november van dat jaar werden gehouden moesten de leden tot viermaal toe een ander bestuur kiezen, omdat de nieuw verkozenen telkens weer voor de eer bedankten. Doorheen dit proces van vallen en opstaan traden in de eerste jaren na 1900 toch een aantal figuren  naar voren die door hun actieve deelname een richtinggevende inbreng hadden in de kring, zij het dat zij het niet allemaal tot voorzitter brachten. Onder hen noemen we Jozef Dewit, Huibrecht Cuyx, Leo en Clemens van der Straeten, Jan Grauls, Jozef Brauns, Karel Berghmans, Emiel Robyns en Jan Gruyters.

Jan Gruyters, aanvankelijk leerling van het Sint-Jozefscollege, waar hij als poesisleerling een actief lid was van de Vlaamse Bloemengaard, in september 1906 overgegaan naar het atheneum te Hasselt, daarna student te Leuven en later een vooraanstaand lid van de Limburgse provincieraad, was voorzitter van de Jonge Klauwaarts in 1906-1907(18). Hij slaagde erin vele nieuwe jongeren bij de activiteiten te betrekken zodat het ledenaantal op korte termijn ongemeen sterk toenam: van zes werkende leden in oktober 1906 tot 27 in september 1907. Er was intussen een nieuw vergaderlokaal betrokken in zaal Concordia aan de Havermarkt.

De ledenaangroei zou wellicht nog groter geweest zijn indien er tijdens dit werkingsjaar geen ernstig conflict in de kring zou zijn ontstaan. Wat in februari 1907 begon als een schijnbaar persoonlijke ruzie tussen de bestuursleden Huibrecht Geurden en Emiel Robyns bleek in april van hetzelfde jaar te zijn uitgegroeid tot een principieel meningsverschil over een oude vraag: het al dan niet katholiek of onpartijdig karakter van de vereniging. Hoewel de statuten van 1903 de werking van de vereniging uitdrukkelijk hadden gesitueerd binnen de katholieke Vlaamse beweging bleek niet iedereen die mening nog te zijn toegedaan in 1907(19). De intussen tot ereleden gepromoveerde seminaristen Jozef Dewit en Clemens van der Straeten kwamen de zaken bijsturen in de vergadering van 6 april 1907. Met instemming van de meerderheid van de leden wezen zij het bestuur terecht omdat ze Huibrecht Geurden op onrechtmatige wijze als bestuurslid hadden ontslagen. Tegelijk veroordeelden ze de poging van sommige leden om de vereniging in onpartijdige richting te oriënteren. Daarop gaven negen leden, inclusief voorzitter Gruyters en schrijver Robyns hun ontslag.

Dit incident kon de recent ingezette opgang van het genootschap niet meer stuiten. Nieuwe leden bleven toetreden, zodat het werkjaar in september 1907 toch kon worden afgesloten met het hogervermelde batige saldo van 27 leden. Enkele weken na het ontslag van Gruyters werd de voorzitterszetel overgenomen door Baptist Bellefroid, een neef van Paul Bellefroid die toen in de derde Latijnse van het college zat. Gedurende de ruim drie jaar dat hij de leiding van het genootschap in handen had, slaagde hij erin het tot een redelijke bloei te brengen.

Jozef Dewit

De groei van de Hasseltse bond kaderde in een algemene opleving van de katholieke Vlaamse studentenbeweging. In 1903 had deze een nationale overkoepeling gekregen met de oprichting van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (A.K.V.S.). Dat betekende een stimulans voor de uitbreiding van de plaatselijke werking. Bij hun heroprichting in 1897 waren de Jonge Klauwaarts opnieuw de enige plaatselijke studentenbond geweest in Limburg. Dat veranderde na 1900. Het aantal Limburgse studentenbonden breidde zich op korte termijn snel uit. In 1909 waren er in de provincie al 16 plaatselijke bonden actief(20).

Behalve door de opmerkelijke toename van hun ledenaantal manifesteerden de Jonge Klauwaarts zich vanaf 1906-1907 nog op andere manieren als een sterke bond. Zo begonnen ze zich uitdrukkelijker in het openbaar te vertonen en gingen ze ook frequenter deelnemen aan de activiteiten van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond. In 1907 kon de bond voor het eerst een indrukwekkende lijst voorleggen van vlaamsgezinde manifestaties waarop hij aanwezig was geweest: de katholieke studentengewestdagen te Sint-Truiden, te Genk, te Hamont, te Tessenderlo en te Hasselt, die alle in de loop van dat jaar werden gehouden, de landdag van het A.K.V.S. die tesamen met de Davidsfondsfeesten op 1 september te Tongeren werd belegd en een vlaggenfeest op 8 september te Sint-Truiden. Uiteraard nam de kring ook deel aan Hasseltse manifestaties, zoals het Guldensporenfeest van 11 juli en het feest van de maatschappij de Vlaamse Zangers.

Bovendien verstuurden de Jonge Klauwaarts in 1907 ook enkele verzoekschriften. Op hun vraag aan het Hasseltse Guldensporencomité om een portret van de vlaamsgezinde katholieke volksvertegenwoordiger Coremans te mogen meedragen in de jaarlijkse Guldensporenstoet kregen zij een negatief antwoord, omdat daarmee afbreuk zou worden gedaan aan het onpartijdig karakter van deze manifestatie. Met meer geluk richtten ze een verzoek aan het Hasseltse stadsbestuur om bij het uitgaan van de Gulden sporen stoet de Belgische driekleur aan het stadhuis uit te hangen en  de  beiaard  te  laten spelen(21). Voortaan zou het stadsbestuur altijd op die wijze bijdragen tot het feestelijk karakter van de 11 juli-viering. Bij het afsluiten van   het   werkingsjaar  1906-1907  mocht  verslaggever Hendrik Janssens terecht besluiten: «dit jaar heeft men ons leren kennen, ja men heeft vernomen wie en wat de Klauwaarts zijn. Gaat nu maar in gans de gouw vragen of men de Jonge Klauwaarts van Hasselt kent en gij zult horen wat men u zal antwoorden».   In december 1907 nodigden de Klauwaarts bovendien voor het eerst sedert 1890 de Hasseltse bevolking opnieuw uit op een toneelavond, een initiatief dat in december 1908 zou worden herhaald. Het was kenmerkend voor de betere relatie met de collegeoverheid dat ze voor deze toneelvoorstellingen gebruik mochten maken van de feestzaal van het Sint-Jozefscollege(22).

Zo gingen de Jonge Klauwaarts de viering van hun 25-jarig bestaan in 1909 tegemoet. Ze schreven bij die gelegenheid een letterkundige wedstrijd uit tussen middelbare scholieren, studenten en seminaristen van heel het Vlaamse land. Tegelijk organiseerden ze een tombola waarin «goede Vlaamse boeken» werden verloot. Omdat ze met dit initiatief wilden bijdragen tot de geestelijke ontwikkeling van de volksklasse werd de prijs van de biljetten extra-laag gehouden zodat ze in het bereik lagen van de beurs van de mindere man. De eigenlijke jubelfeesten werden op 8 september 1909 ingezet met een openbare, talrijk bijgewoonde Rodenbachzitting waarop liederen en gedichten van de Westvlaamse studentenleider werden voorgedragen, voorzitter Baptist Bellefroid zijn betekenis als stichter van de studentenbeweging belichtte en het lid Alexis van Geel handelde over Rodenbach als dichter Op kermismaandag, 20 september volgde dan een plechtige optocht door de stad, waaraan ook andere maatschappijen deelnamen, en een feestzitting in het patronaat met een overzicht van de 25-jarige werking door Hendrik Janssens. Twee dagen later werden de feestelijkheden afgesloten met een jubelmaal in Concordia(23).

Tot aan de eerste wereldoorlog zouden de Jonge Klauwaarts hun stadsgenoten voortaan jaarlijks vergasten op een feestelijke «toon- en letterkundige zitting» met muziek, liederen en gedichten(24). Ook in hun gewone werking gingen ze nog een bloeiperiode tegemoet. Het aanwezigheidscijfer handhaafde zich op het hoge peil dat in 1906-1907 bereikt was (zie grafiek ledenaantallen), terwijl de vergaderfrequentie en het aantal voorgebrachte werkjes nog opvallend steeg in de laatste vooroorlogse jaren (zie onderstaande tabel).

Tabel 1: Vergaderingen en voorgebrachte werken,        
1900-1914(25).

Periode

Aantal vergaderingen

Aantal werken

sept. 1900 - sept. 1902

?

159

sept. 1902 - sept. 2902

9

86

sept. 1902 - dec. 2903

14

60

jan. 1904 - dec.  2904

21

33

jan. 1905 - sept. 1905

10

41

sept. 1905 - sept. 2906

25

79

sept. 1906 - sept. 1907

41

144

sepl. 1907 - sept. 1908

32

138

 

 

 

sept. 1910 - sept. 1911

47

269

sept.  1911 - sept.  1912

50

279

sept.  1912 - sept.  1913

50

227

sepl. 1913 - juli 1914

47

285

Oproep n.a.v. het 25-jarig bestaan, gepubliceerd in het
West-Vlaamse scholierentijdschrift DE VLAAMSCHE VLAGGE.

Op basis van: De Limburgsche studentenbeweging, Hasselt, 1909

4. «Op de bane der volksontwikkeling»

Ook in kwalitatief opzicht kenden de Jonge Klauwaarts in de laatste vooroorlogse jaren een bloeiende werking. Zoals in de jaren 1880 vertoonden ze opnieuw een sterke maatschappelijke betrokkenheid. Op hun vergaderingen spraken ze met de nodige vurigheid over de hete hangijzers in de Vlaamse beweging, als daar waren de vernederlandsing van de Gentse universiteit, waarvoor in 1911 een wetsvoorstel werd ingediend en het taalregime in het leger, dat in 1913 aan een wettelijke regeling werd onderworpen. Hun hernieuwde aandacht voor de taalwetgeving bleek eveneens uit hun herhaaldelijke aanwezigheid op meetings die in de provincie werden georganiseerd t.v.v. de vernederlandsing van Gent. In 1911 richtten ze bovendien met succes een verzoek tot het stadsbestuur van Hasselt om zich achter deze vlaamsgezinde eis te scharen(26).

Dat alles tastte hun Belgische vaderlandsliefde niet aan. Bij de troonsbestijging van Albert I in december 1909 steeg integendeel hun verering voor het koningshuis. Zoals vele andere vlaamsgezinde verenigingen in het land hadden de Jonge Klauwaarts vooraf een verzoek aan de troonopvolger gericht om bij die gelegenheid een rechtmatige plaats toe te kennen aan hun moedertaal(27). Inspelende op deze vlaamsgezinde verzuchting sprak Albert als eerste zijn troonrede in de twee landstalen uit. Met des te meer animo bracht voorzitter Alexis van Geel op de vergadering van 7 januari 1911 hulde aan de «volks- en vlaamsgezinde vorst» en besloot hij de jaarlijkse feestzitting van 27 september 1911 met de uitroep «Alles voor België, België voor Christus»(28).

Bekommerd als ze waren over «het lot van ons duurbaar België» bleven de Jonge Klauwaarts ook niet overschillig voor de sterk opflakkerende politieke strijd in het voorjaar van 1911, n.a.v. het omstreden wetsontwerp Schollaert op het lager onderwijs. Liberalen en socialisten verenigden zich toen, in een kartel om de katholieken, die al sedert 1884 het bewind in handen hadden, ten val te brengen. De gemeenteraads verkiezingen van het najaar 1911 en de wetgevende verkiezingen van juni 1912 verliepen in een bijzonder gespannen sfeer, ook in Hasselt. De Jonge Klauwaarï namen m die maanden deel aan een anti-liberale manifestatie in hun stad en een nationale katholieke betoging in Leuven(29). Ze stapten sedert 1911 ook mee op in Hasseltse processies. Na de voor hen verblijdende katholieke overwinning bij de gemeenteraacisverkiezin gen in oktober 1911 boden ze aan burgemeesterJ. Portmans en het raadslid L.Hayen het erelidmaatschap aan. Met het vooruitzicht op de parlementsverkiezingen van 1912 deelden ze strooibrïefjes rond voor katholieke verkiezingsmeetings, zodat ze ook nu weer het hunne bijdroegen tot de klinkende katholieke zege. Uit dank voor deze «diensten in de propagandastrijd» werden ze door Portmans, die behalve burgemeester ook parlementariër was, op 8 juni 1912 op een «schuimende Munich» getrakteerd(30).

Het vertrouwen van de Hasseltse jongeren - zoals van heel de katholieke vlaamsgezinde opinie - in de katholieke regering kreeg evenwel een flinke deuk in de eerste maanden van 1914, toen in het parlement een vlaamsgezind amendement werd verworpen dat de moedertaal als voertaal wilde opleggen in het lager onderwijs. Op de vergadering van 17 januari 1914 viel Huibrecht Giddelo scherp uit tegen de katholieke leiders die hij «geldmannen en platbroeken» noemde. Een week later was het Jan Pricken die betoogde dat de «uitmoorders van ons Vlaamse Volk» onder de volksvertegenwoordigers, in het bijzonder de oude conservatieve katholieke partij voorman Charles Woeste, «in het openbaar moesten geschandvlekt worden». De achteruitgang van de katholieke partij bij de verkiezingen in mei 1914 werd door voorzitter Laurens Brauns toegeschreven aan de schuld van de katholieke leiders zelf omdat ze niet in staat waren «om fatsoenlijk tot ons volk te spreken». In de plaats daarvan stelden de leden hun hoop op de sterker wordende christen-democratie: «daar alleen ligt de redding voor ons volk»(31).

Programma van de derde Sociale Studentenlanddag van het A.K.V.S.,
gehouden te Hasselt op 22 en 23 april 1911

Meer dan ooit tevoren gaven ze in de laatste vooroorlogse jaren trouwens blijk van een sociale belangstelling en inzet. Op de vergaderingen werd zeer geregeld aandacht besteed aan deze thematiek, vooral door Laurens Brauns, Eugeen Verpoorten, Huibrecht Giddelo, Lambert Jeurissen en Paul Stevens. Zij betoogden dat katholicisme en vlaamsgezindheid hand in hand moesten gaan met een sociaal engagement. Tegelijk haalden ze uit naar socialisme en communisme, waarin zij ondermijners zagen van de bestaande orde. Een christelijk-sociale werking drong zich naar hun oordeel in Limburg des te meer op omdat de beginnende steenkoolontginning een acuut gevaar inhield voor de zedelijkheid en godsdienstzin van de Limburgse volksmens. Het behoorde bijgevolg tot de plicht van de studerende jeugd om zich vertrouwd te maken met de economische en sociale realiteit(32). De Hasseltse jongeren abonneerden zich in maart 1912 op het sinds 1902 verschijnende maandblad van de christelijke arbeidersbeweging, De Gids op maatschappelijk gebied. Op hun vergaderingen bespraken ze onderwerpen als de vakbeweging en de oorzaken van de werkloosheid bij de arbeiders(33). In heel de katholieke studentenbeweging leefde in deze jaren een gelijkaardige aandacht voor deze problematiek. Dat manifesteerde zich o.m. in de sociale studentenlanddagen die sedert 1909 door het A.K.V.S. werden georganiseerd. In april 1911 vond zulke bijeenkomst plaats in Hasselt. De Jonge Klauwaarts waren er talrijk aanwezig(34).

De Vlaamse bloemengaard in 1906-1907 met de collegeleraar
J. Geurts (zittend op eerste rij) en P.J.Broeckx (tweede rij).

Programma van de openbare feestzitting van 16 februari 1911

Ze waren intussen ook al met initiatieven terzake naar buiten getreden. In oktober en november 1909 hadden ze  namelijk een  reeks van zeven  wekelijkse «ontwikkelingsavonden» ingericht waarop bekende sprekers de Hasseltse bevolking kwamen onderrichten over de economische en sociale problemen vanuit een katholiek-sociaal en vlaamsgezind gezichtspunt. Hieronder volgt een overzicht van deze voordrachten, waar volgens de Gazet van Hasselt «volk met de macht» naartoe kwam(35).

- 6/10/1909 E.H. J. Habraken: De taal en het maatschappelijk vraagstuk
- 13/10/1909 E.H. PJ. Broekx: De  ontwikkeling van  het  volk moet uitgaan van de godsdienst
- 20 of 21/10/1909 J. Kajaerts: Geschiedenis, doel en nut van de christene vakbeweging
- 28/10/1909 E.H. J. Berghs: De oorsprong, de ontdekking en het uitbaten van het Limburgs kolenbekken
- 4/11/1909 B. Bellefroid: Het loon
- 11/11/1909 E.P. De Roover: De encycliek Rerum Novarum
- 18/11/1909 E.H. J. Habraken: Ons Streven

Eén van deze voordrachtgevers, priester Jan Habraken, was een actief medewerker van het te Hasselt gevestigde Secretariaat voor Maatschappelijke Werken. Op 27 september 1911 woonde hij het jaarlijks feest van de Jonge Klauwaarts bij en stuurde hij hen een speciaal dankwoord toe voor de diensten die ze in het voorbije jaar aan dat Secretariaat hadden verleend. Ook met een andere sociaalbewogen en vlaamsgezinde Hasseltse priester, collegeleraar P.J. Broekx, die in 1907 priester Geurts opvolgde als voorzitter van de collegelettergilde de Vlaamse Bloemengaard en in 1913 benoemd zou worden tot nieuwe directeur van het Secretariaat voor Maatschappelijke Werken, onderhielden de Jonge Klauwaarts hartelijke betrekkingen(36).

«Ons volk zal pas openstaan voor geestelijke ontwikkeling als zijn sociale ellende vermindert» betoogde Laurens Brauns op 29 november 1913. Niettemin bestond de effectieve sociale inzet van de Jonge  Klauwaarts voor een belangrijk deel precies uit het bevorderen van die geestelijke ontplooiing. Zo werden de hogervermelde voordrachtavonden van 1909 telkens afgesloten met het aanleren van liederen van Emiel Hullebroeck. Ook de openbare toon- en letterkundige zittingen die de Jonge Klauwaarts één- of tweemaal per jaar inrichtten werden als «volksontwikkeling» opgevat. Het  was voor hen een middel  m de Hasseltse bevolking vertrouwd te maken met het Vlaamse kunstlied en de Nederlandse literatuur. Meestal maakten ze van die gelegenheid ook gebruik om het publiek, waaronder zich tot  hun vreugde ook veel «werklieden» en steeds meer dames bevonden, warm te maken voor de actuele Vlaamse strijdpunten. Het succes van deze avonden bleek uit de volle zalen die ze trokken en de lovende verslagen die erover verschenen in de katholieke Hasseltse pers(37). In 1912 en 1913 trokken de Jonge Klauwaarts ook enkele malen «naar de buiten», naar de omliggende dorpen Stokrooie en Stevoort om in een proppensvolle herberg een kunstzitting te houden en propaganda te maken voor de Vlaamse beweging(38). Want voor de herwording van Vlaanderen rekenden ze ook op de steun en medewerking van de «eenvoudige godsdienstige Vlaamse boer»(39).

 

Het bestuur in 1911-1912. V.l.n.r.: J. Verpoorten (raadslid), L. Helchtermans (schatbewaarder), A. Van Geel (voorziter), F. Detilloux (schrijver), L. Brauns (hulpschrijver-boekbewaarder), L. Theunissen (raadslid).

De jonge Klauwaarts, vermoedelijk in 1912-1913, We herkennen L. Theunissen (1e van links), ]. Verpoorten (7e van links), J. Pricken (5e van rechts), E. Verpoorten (2e van rechts) en P. Stevens (1e van rechts). Deze waren in 1912-1913 resp. schatbewaarder, voorzitter, raadslid, hulpschrijver-boekbewaarder en schrijver.

5. Het Bondsleven

Zulke uitstappen waren meteen een aantrekkelijke ontspannende activiteit voor de leden. Ze werde trouwens ook speciaal met deze bijbedoeling door voorzitter Alexis van Geel ingericht. Zo wilde hij tegemoetkomen aan het gemor dat bij de meerderheid van de leden ontstond omdat er te weinig afwisseling was in de werking, en nog meer omdat hij samen met schrijver Frans Detilloux de vergaderingen te strak leidde en rustverstoorders te vlug beboette of aan de deur zette. Het was hoofdzakelijk om die reden dat achttien leden in een brief van 1 april 1912 zelfs aandrongen op het ontslag van Van Geel. Deze zou niettemin zijn tweede "ambtstermijn» van voorzitter uitdoen tot in september 1912, maar moest, zoals ook zijn opvolgers Joris Verpoorten, Albrecht Cools en Laurens Brauns, toch rekening houden met de fundamentele behoefte van de leden aan studententikoze gezelligheid op de vergaderingen. In de vereniging zochten ze niet enkel een kader voor zelfstudie en maatschappelijke vorming, maar evenzeer een midden voor het beleven van een kameraadschappelijk samen jong zijn, buiten de gecontroleerde huis- of schoolkring.

Die behoefte had begrijpelijkerwijze ook in de vroegere jaren bestaan. Er was toen eerder spontaan aan tegemoet gekomen. Het gebeurde nogal eens dat leden na de vergaderingen buiten bleven spelen of dat er een kaartje werd gelegd op onvoldoend voorbereide of slecht bijgewoonde vergaderingen(40). Na 1900 kreeg de jaarlijkse feestzitting geleidelijk aan een uitbundiger karakter, met niet meer alleen het geestelijk voedsel van de voorgebrachte voordrachten en liederen, maar ook een lekkere maaltijd, sigaren en bier.

In de laatste vooroorlogse jaren verwierven gezelligheidsactiviteiten stilaan een ruimere plaats in de geplande werking.   Zo werd  «meester Bacchus op voortreffelijke wijze geëerd» op enkele drinkfeesten die in 1912 en 1914 plaatsvonden(41). Door de uitstapjes naar Stevoort en Stokrooie, de bedevaart naar Scherpenheuvel in 1913 en de geregelde aanwezigheid van de Jonge Klauwaarts op Limburgse studentengewest­en gouwdagen kwamen gezamenlijke wandel-, fiets- of treintochten frequenter voor(42). Het waren tekenen van de nieuwe beweeglijkheid van de «belle époque».

Het samen jong zijn werd ook meer gecultiveerd door uiterlijke symbolen en liederen. In oktober 1912 lanceerde de pas verkozen voorzitter Joris Verpoorten, die toen in Leuven studeerde, het idee om een «Vlaamse pet» te dragen. Een andere nieuwigheid was dat leden die een jaar bij de vereniging aangesloten waren bij wijze van inwijding en als kenteken een pijp ontvingen, «waaruit zij verondersteld werden te kunnen roken»(43). In 1910 had Pol Thys een staplied voor de Jonge Klauwaarts geschreven dat door het muzikaal begaafde lid Jules Maris op muziek werd gezet. In 1914 werd het liederrepertorium van de vereniging bovendien aangevuld met een eigen gildelied op tekst van Alfons Bertrands(44).

Dat alles wekte bij de leden een zekere trots en een gezonde concurrentiezucht binnen het kader van de katholieke Limburgse studentenbeweging, die in augustus 1913 dank zij het initiatief van de Breese seminarist Paul Vandermeulen een beter functionerende organisatiestructuur kreeg(45). «(Ik ben) gelukkig en fier lid te zijn der Klauwaartsgilde van Hasselt, de enigste studentenkring in gans Limburg die geheel het jaar door werkt» betoogde erelid seminarist Karel Jans op de vergadering van 18 april 1914. Met het vooruitzicht op de Haspengouwse studentengewestdag van 23 april 1914 riep voorzitter Laurens Brauns de Jonge Klauwaarts op om «zoals voorheen het puik van de stoet» te zijn. Van hun vroeger medelid Jozef Droogmans, die sedert oktober 1913 als leraar in Sint-Truiden werkzaam was, kregen de Hasseltse jongeren de vleiende mededeling dat hun bond in niets moest onderdoen voor de studentengilde de Katholieke Vlaamse Eendracht van Sint-Truiden(46).

De Jonge Klauwaarts leefden overigens in goede verstandhouding met deze Sint-Truidense «zustergilde». Om haar naar best vermogen te steunen abonneerden ze zich op de periodiek Ons Jubeljaar, die in 1914 n.a.v. van het tienjarig bestaan van de Katholieke Vlaamse Eendracht werd uitgegeven(47). Ze knoopten ook vriendschappelijke betrekkingen aan met vlaamsgezinde studenten- en jongeren verenigingen buiten de provincie, zoals met de Witte Kaproenen en Eigen Taal Eigen Zeden van Antwerpen en zelfs met de studentengilde Vlaamsch ende Vriend van het Westvlaamse Torhout(48). Ze bleven begrijpelijkerwijze evenmin onverschillig tegenover de nieuwe vlaamsgezinde jongeren verenigingen die kort voor de eerste wereldoorlog in Hasselt zelf tot leven kwamen, namelijk de Vlaamse meisjeskring De Bloeiende Hazelaar, voorgezeten door juffrouw Geebelen, en de onpartijdige Max Rooseskring die door atheneumleerlingen werd opgericht. Beide kringen waren goed vertegenwoordigd op het toon-en letterkundig feest van de Jonge Klauwaarts op 23 april 1914.

N.a.v. de toenadering tot de Max Rooseskring laaide in mei 1914 bij de Jonge Klauwaarts opnieuw de discussie op over hun al dan niet positieve ingesteldheid tegenover deze onzijdige kring en tegenover de onzijdige vlaamsgezinde werking in het algemeen. Na het advies te hebben ingewonnen van de priesters-ereleden Moreau, Jans, Nossent, Bours, Broekx en Rycken bereikten ze een consensus rond het standpunt dat ze principieel tegen onzijdige verenigingen gekant waren. Ze zouden daarom nooit steun verlenen aan de Max Rooseskring en er slechts sporadisch mee samenwerken in vlaamsgezinde acties die op geen enkele wijze het katholieke belang zouden schaden, bvb. in een meeting t.v.v. de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Anderzijds wilden ze de Max Rooseskring ook niet bekampen, maar zouden ze zijn katholieke leden tot ontslagname trachten te overhalen. Het plan om deze stellingname publiek te maken in de Gazet van Hasselt kon niet meer worden uitgevoerd wegens het uitbreken van de oorlog in augustus 1914(49).

Gildelied geschreven in 1914

De oorlog kwam  nog  andere plannen dwarsbomen. Zo hadden de Jonge Klauwaarts net besloten om geld te gaan inzamelen voor een nieuwe vlag, met het vooruitzicht op de stoet die ze ter gelegenheid van hun 30-jarig bestaan voor september 1914 hadden gepland. Het voor diezelfde maand in het vooruitzicht gestelde toon- en letterkundig feest viel eveneens in het water. Het oorlogsgebeuren kondigde zich anderzijds niet totaal onverwacht aan. In de voorgaande jaren had Lambrecht Jeurissen herhaaldelijk voordrachten gehouden over het Balkanvraagstuk(50).  Bovendien worden we vanaf 1912 voor het eerst geconfronteerd met leden die «naar de troep» gingen(51). Met het oog op de gespannen internationale  toestand was in 1909  immers een legerhervorming doorgevoerd, waarbij het lotelingenstelsel was vervangen door de persoonlijke dienstplicht. De Jonge Klauwaarts, die doorgaans uit min of meer begoede  middens  kwamen, konden zich vanaf dan niet meer van hun legerdienst vrijkopen. Weldra zouden  verscheidenen  van  hen  als  «verdedigers van het vaderland» aan het front staan.

Noten

(1) Nota's L. Bouveroux.1934, (waarin gebruik werd gemaakt van de verslagen van het Leesgezelschap); De Banier, I, 1893- 1894, p, 131. 188-191; II, 1845-1895, p. 176-178; De Kabouter uit het Land van Loon, VII, 4, Sint-Peter 1895, p. 188; VIII 2, O.L.V.-Hemelvaart 1896, p. 151-152.
(2) De Banier. V, 1897-1898, p. 157;  De Onafhankelijke, 4 sep­ tember 1898.
(3) M. HANSON, Taalsituatie en moedertaalonderricht in het middelbaar onderwijs in Limburg,  1830-1914, p. 331-351; A. THEATRE, 60 jaar Leesgezelschap, p. 18- 19. In 1904, 1905 en 1906 woonde  Habets herhaaldelijk  de vergaderingen van de Jonge Klauwaarts bij.
(4) Van de 18 werkende leden die in 1900-1901 de vergaderingen bijwoonden, konden we er 11 identificeren als leerlingen van het Sint-Jozefscollege en 4 als leerlingen van het atheneum. In 1912-1913 telden we op de 55 aanwezigen 24 leerlingen van het Sint-Jozefscollege en 9 van het atheneum; inschrijvingslijs ten Koninklijk Atheneum en  Sint-Jozefscollege Hasselt. In 1906-1907 was dit overwicht van collegeleerlingen minder uit­ gesproken. Zie verder voetnoot 19.
(5) De Vlaamsche Keikop, 1899-1900, p. 100; De Kabouter, I, 5, 20 juni 1898, p. 19.
(6) De Student, XXIII, 1, kerstvakantie 1902, p. 33-34; De Lim burgsche studentenbeweging, p. 5-6.
(7) De Student,  XIX, 4-5, grote vakantie  1899, p.129-132;  De Vlaamsche Vlagge, XXX, 3, grote vakantie 1899, p. 127-129.
(8) Vergaderingen van 27 juli en 15 december 1902, 3 maart en 20 mei 1907.
(9) Vergaderingen van 3 februari en 26 mei 1907.
(10) Vergaderingen van 20 juni en 24 augustus 1905.
(11) De Student,  XXVII,  4, grote vakantie 1907, p. 182-183;  De Limburgsche studentenbeweging, p. 5-6.
(12) Vergaderingen van 7-8 december 1904, 29 maart 1906 en 28 april 1907.
(13) De naam van deze gevierde studentenleider vinden we twee maal uitdrukkelijk vermeld, meer bepaald in het jaarverslag van 1906-1907 en in het verslag  van de vergadering van 1 maart 1913. Verder werd op de vergaderingen van 31 augustus 1907, 31 augustus 1913 en 10 januari 1914 de door Van Cauwelaert zo gepropageerde karaktervorming aangeprezen.
(14) Ons Recht, V, 50, 13 december 1903.
(15) P.J. BROEKX, Het Leesgezelschap 1893-1914, p. 46.
(16) Deze feestelijke zitting kreeg een vermelding in de vlaamsgezinde weekbladen Ons Recht,  VII, 19, 7 mei 1905 en Onze Tijd, VIII, 20, 20 mei 1905 evenals in het studententijdschrift De Student, XXV, 3-4, grote vakantie 1905, p. 128.
(17) R. ULENS, Limburg in  de moderne tijden. Sociaal Limburg (1884-1919); P.J. BROEKX, Het beginstadium der sociale wer king in Limburg, p.97-98; J.GERITS. Mgr. P.].Broekx, p.53 e.v.
(18) Inschrijvingslijsten Koninklijk Atheneum Hasselt; J. DROOG MANS, Gedeputeerde Meester Jan Gruyters. Een levensbeeld, p. 5-6.
(19) Onder de nieuwe leden waren er heel wat leerlingen van het atheneum, zodat de collegeleerlingen hun sterke overwichtspo sitie in de vereniging verloren. Op de 48 jongeren die in de loop van 1906-1907 bij de jonge Klauwaarts aangesloten wa ren, telde we 14 leerlingen van het Sint-Jozefscollege en 13 van het atheneum. Mogelijk lag hier een oorzaak voor het conflict.
(20) Een overzicht in De Limburgsche studentenbeweging.
(21) Verslag van de vergadering van 27 mei, 30 juni en 14 juli 1907; brief van het Bestendig Guldensporencomité van Hasselt aan de  Jonge Klauwaarts, 1 juli 1907 (gevoegd bij verslagboek).
(22) Aan de opvoering van december 1908 werd ook meegewerkt door de studentengilde Katholieke Vlaamse   Eendracht van Sint-Truiden; Gazet van Hasselt, 15 en 29 december 1907, 5 januari, 24 en 31 december 1908.
(23) Onze   Tijd, 6 september 1908; Hooger Leven, 5 september 1908, 4 en 11 september 1909; De Vlaamsche Vlagge, XXXV, 1, kerstvakantie 1908, p. 64-65; Gazet van Hasselt, 11, 18, 23 en 26 september 1909.
(24) Er werden nog toon- en letterkundige zittingen gehouden op 7 juli 1910, 16 februari en 11 juli 1911, 17 juli 1912, 2 april 1913 en 23 april 1914.
(25) We baseerden ons op de jaarverslagen. Wegens de onregelma tige werking in 1903 en 1904 werd het jaarlijks overzicht voor die jaren pas gegeven in december i.p.v. in september. Dat verklaart de onregelmatige intervallen voor die periode. Voor de jaren 1908-1910 waren geen verslagboeken aanwezig.
(26) Vergaderingen van 7 januari, 16 februari, 25 maart, 14 mei, 9 december 1911, 26 januari, 22 februari, 3 mei 1913, 9 maart en 23 april 1914.
(27) Gazet van Hasselt, 24 december 1909.
(28) De Jonge Klauwaarts hadden zich intussen aangesloten bij de huidebetoging van het Katholiek Vlaams   Secretariaat aan Albert  1; brief van voorzitter J.B  Bellefroid aan A. Hendrix, secretaris van het Katholiek Vlaams Secretariaat, 12 mei 1910; AMVC, B 4148 B.
(29) Resp. op 10 juni en 6 augustus 1911.
(30) Vergaderingen van 7 en 21 november, 9 december 1911, 13 april en 8 juni 1912.
(31) Aldus nog Huibrecht Giddelo op de vergadering van 4 januari 1914.
(32) Vergaderingen van 7 januari, 4 mei, 6 augustus 1911; 13 en 20 april, 18 september 1912; 3 mei, 24 augustus, 29 november, 6 en 27 december 1913; 17 en 31 januari, 7 maart, 27 juni en 18 juli 1914.
(33) Vergaderingen van 13 mei 1911, 11 maart 1912 en 21 maart 1913.
(34) Vergadering van 30 april 1911; Sociale Studentenlanddag Hasselt, 1911. Aan de vooravond van de eerste wereldoorlog ont stond er oppositie tegen deze sociale strekking in de studenten beweging omdat ze de aandacht van de taalstrijd zou afleiden. Deze discussie  vond ook enige neerslag bij de Jonge Klau waarts. Nadat Paul Stevens op de vergadering van 18 juli 1914 zijn medeleden  had opgeroepen om zich toe te leggen op sociaal gebied merkte Eugeen Verpoorten op dat ze daarbij de taalstrijd niet uit het oog mochten verliezen.
(35) Verslagen in Gazet van Hasselt, 9, 16, 23 en 30 oktober, 6, 13 en 20 november 1909.
(36) Behalve feestzittingen woonde Broekx ook de gewone vergade ringen bij van 18 november 1911 en 5 oktober 1912. Op 24 augustus 1913 stuurden de Jonge Klauwaarts een felicitatiebrief aan deze «beschermer en raadgever», n.a.v. zijn benoeming tot Directeur van de Maatschappelijke Werken. In zijn antwoord van 28 augustus 1913 spoorde Broekx de jongeren aan om hun katholiek-sociale werking voort te zetten. In mei 1914 werd hij geconsulteerd i.v.m. de discussie over het al dan niet katholiek karakter van  de kring.  Zie ook Verslagen  van  de Vlaamse Bloemengaard  evenals J.GERITS, Mgr. P.J. Broekx (1881-1968), p. 28-33, 64-67.
(37) Zie o.m. De Onafhankelijke, 17 juli 1910, 19 februari en 9 juli 1911, 11 februari 1912, 28 juli en 17 augustus 1913, 19 april 1914;  Gazet van Hasselt, 16 juli 1910, 18 februari en 15 juli 1911, 20 juli 1912, 5 april en 16 augustus 1913.
(38) Op 21 april 1912 en 26 januari 1913 trokken de Jonge Klau waarts naar Stokrooie, op 5 mei 1912 naar Stevoort. In april 1914 werden plannen gemaakt voor een nieuwe uitstap naar Stevoort, maar deze werd uitgesteld wegens de gespannen ver kiezingssfeer op het platteland.
(39) Aldus verslaggever Laurens Brauns op 11mei 1912.
(40) Getuigenissen van J. Dewit en C. van der Straeten in Gedenk boek KSA Jonge Klauwaarts Hasselt, 1884-1959, p. 8 en 10.
(41) Op 24 februari en 20 juli 1912 en 7 februari 1914.
(42) Deze evolutie had zich ingezet in 1907. De Jonge Klauwaarts namen vanaf dan niet alleen frequent deel aan studentengouwdagen en andere manifestaties, maar vonden elkaar ook in ontspannende activiteiten. Op pinkstermaandag 1907 organiseerden ze een «klein drinkfeestje» voor leden en ereleden, op 28 juli 1907 trokken ze naar het buitengoed van oud-lid Jozef Leynen, op 11 augustus 1907 deden ze een uitstap naar Herkenrode. Bij de uitstap naar Stevoort op 28 april 1912 vinden we voor het eerst vermeld dat deze per fiets gebeurde.
(43) Vergaderingen van 11 oktober 1912, 21 en 28  maart 1914. Over de «pettenkwestie» werd in 1913-1914 overigens heel wat ruzie gemaakt, in die mate dat verslaggever Jan Pricken de sfeer van de vergaderingen typeerde als die van een «woest herbergsoord». Er bestond namelijk grote onenigheid over de kleur die de petten moesten hebben: wit-rood of zwart-groen. Een kleine meerderheid opteerde uiteindelijk voor deze laatste combinatie. De discussie over de petten hield verder ook ver band met de houding van de leden tegenover het al dan niet katholiek karakter van hun kring. Een meerderheid opteerde voor het aanbrengen van een kruisspeld, maar op 27 mei 1914 plande het bestuur strenge maatregelen  tegen sommige leden die nog steeds weigerden een kruis op hun pet te dragen.
(44) Gedrukt exemplaar van het staplied in het Stadsarchief van Hasselt; getypt exemplaar van het gildelied in het verslagboek.
(45) Gepolycopieerd Verslag van de algemene vergadering voor de voorzitters der plaatselijke studentenkringen van Limburg,   te Hasselt op 18 augustus 1913 van de hand van Paul Vander meulen, ingesloten in het verslagboek.
(46) Op de vergadering van 25 april 1914.
(47) Vergaderingen van 7 december 1913 en 27 mei 1914.
(48) Brief van de Antwerpse katholieke gilde De Witte Kaproenen aan  de Jonge  Klauwaarts, 5 oktober 1912 (in  verslagboek); vergaderingen van 26 oktober, 15 november en 17 december 1913, 24 januari, 25 april,  9 mei en 4 juli 1914. Vanaf aan vang 1914 verschenen geregeld berichten over de werking van de Jonge Klauwaarts in Jong Antwerpen, het maandblad van de Antwerpse studentengilde Eigen Taal Eigen Zeden; zie ook briefwisseling tussen J. Pricken, secretaris van de Jonge Klau waarts en de hoofdredacteur van Jong Antwerpen in AMVC, T 1025 D.
(49) Vergaderingen van 25 april, 3 en 4 mei 1914; jaarverslag 1913- 1914.
(50) Op 26 oktober, 2 november en 8 december 1912, 30 augustus, 6 september en 11 oktober 1913.
(51) Namelijk Laurens Brauns, Oscar Oyen, Joris Verpoorten, Paul Stevens en Leo Theunissen.

Een flits uit een verslagboek 

Uitstap naar Stevoort op zondag 5 mei 1912

Er waren dertien kerels opgekomen en even na drie uren trokken we ondanks de hevige zonne en gloeiende hitte al zingend en fluitend vol vreugde naar Stevoort.

Rond 4 1/2 uur kwamen we reeds bij M. Manille Ory aan en werden er reeds opgewacht, want de ruime herbergkamer was reeds druk bezet.

Pas waren we daar of ze was proppensvol. Wat zeg ik, een harington kon niet erger volgestopt zijn; tot zelfs buiten op stoelen en banken stond ons publiek en 't scheen zich weinig te deren aan de verzengende zonne.

Daar we niemands geduld wilden op proef stellen begonnen we maar dadelijk met ons goed gevuld programma.

De welkomsgroet werd wegens de afwezigheid van de voorzitter en de schrijver, beiden belet wegens de opvoering van «Een Held» te Halen, toegestuurd door uw verslaggever. Vervolgens beklommen de makkers Juul Maris, Leo Theunissen, Paul Stevens, Joris en Eugeen Verpoorten, Jeurissen en uw verslaggever het verhoog, verstaat een tafel, met een landkaart uit een oude reisgids als tapijt, en verwierven allen veel bijval.

Een bijzonder succes bekwamen vooral Juul Maris met «Josleyns wiegelied» en onze kleine, knappe Eugeen Verpoorten met zijn redevoering "Vlaamse beweging». In een gloedvolle taal sprak hij van ons Vlaamse volk zijn verval en zijn herwording en dat, voor het edel en grootse werk zijner heropbeuring, we rekenen op de steun en de   medewerking van de eenvoudige godsdienstige Vlaamse boer. 't Was 't laatste punt onzer goed gelukte vergadering. Zulk bouquet mochten we altijd wel hebben.

Na een verversing van bier en sigaren ons door de heer M. Ory aangeboden trokken we het dorp nog eens rond.

Onze geestdrift was ten top gestegen door de bekomen bijval, en toevallig had één onzer makkers in Stevoort nog kennissen wonen. We gingen ze, op zijn verzoek, maar eens bezoeken want 't waren allen heelmeesters van droge kelen en dorstige magen. Wat geluk we toch hadden hé vrienden, want we leden allen nog al erg aan die lastige kwalen en werden er, God dank, spoedig van genezen.

Nu was 't hoog tijd om naar onze respectieve verblijfplaatsen te keren en onder menig kwinkslag over kennissen en heelmeesters in studentenkwalen, trokken we langs een «verboden weg» naar Hasselt.

De voorzitter
Alexis van Geel

De hulpschrijver
Laurens Brauns

Hoofdstuk 3

De grote oorlog.
1914-1918

1. Herleving
2. Patriottisme of activisme?
3. Onenigheid en verzwakking

Noten
Een flits uit het verslagboek: bestuursvergadering van zondag 12 maart 1916.

De moord op de Oostenrijkse kroonprins in Serajevo op 28 juni 1914 was het begin van een diplomatieke en militaire escalatie in Europa, die zou uitgroeien tot een «Grote Oorlog» waarin ook België zou worden meegesleept. Vanaf half juli 1914 drong de ernst van de situatie ook in ons land door: de mensen begonnen te hamsteren, de prijzen stegen snel, en het Belgische leger werd in staat van paraatheid gebracht. Vanuit Hasselt vertrok het Elfde Linieregiment op 29 juli naar Luik om daar te helpen bij de verdediging van de fortengordel. Op 3 augustus blokletterden de kranten het bericht van het Duitse ultimatum en de afwijzing ervan door de Belgische regering(1).

In het Sint-Jozefscollege te Hasselt kwam diezelfde dag directeur Noelmans «zichtbaar ontroerd» tijdens het vieruurtje de refter binnen en vertelde de internen «in dodelijke ernst» dat België in oorlog was, en zij «met de eerste trein» naar huis moesten gaan(2). Drie dagen later werd een Duitse voorhoede aan de Maastrichtersteenweg door Hasseltse burgerwachten even tegengehouden en verloren er twee manschappen, maar op 8 augustus was de stad in Duitse handen. De 187 Hasseltse burgerwachten werden gevangen genomen en twee Belgen werden als represaille voor de gesneuvelde Duitsers gefusilleerd(3).

Intussen spoelde een golf van patriottisme over het land, die vele jonge mannen er toe bracht zich als vrijwilliger voor het Belgische leger te melden. Ook het AKVS-hoofdbestuur lanceerde een oproep dienst te nemen, en wellicht waren er weinig plaatselijke studentenbonden die niet één of enkele leden naar het front zagen vertrekkend(4). Van de Hasseltse Jonge Klauwaarts waren er dat 13 of één op vijf van het ledenbestand, waaronder voorzitter Laurens Brauns. De helft van hen waren vrijwilligers(5). Niet verwonderlijk dus dat er in die eerste oorlogsmaanden door de Hasseltse studentenbond geen vergaderingen meer werden gehouden.

1. Herleven

Op 12 november 1914 hielden de Jonge Klauwaarts in een lokaal van het Secretariaat van de Katholieke Maatschappelijke werken hun eerste vergadering sinds het uitbreken van de oorlog. Er waren 19 leden en 2 ereleden opgekomen. Alfons Bertrands trad er op als dienstdoend voorzitter en Jan Pricken als verslaggever. De aanwezigen aanhoorden eerst de lezing van het jaarverslag van 1913-14 en luisterden daarna naar vermaningen en aansporingen van erelid E.H. Moreau en bestuurslid Juul Geurden. Het was de eerste van een onafgebroken reeks wekelijkse vergaderingen - telkens op donderdag - van november 1914 tot januari 1915. Vanaf begin december werd Jan Pricken dienstdoend voorzitter, omdat Alfons Bertrands en Juul Geurden hun priesteropleiding begonnen waren aan het klein seminarie van Sint-Truiden.

De vergaderingen verliepen telkens volgens het traditionele stramien van spreekbeurten, declamaties, lezingen uit eigen werk met bijhorende «bedilling» door een medelid. Er werd gehandeld over Conscience, Gezelle, Leo XIII, Edgard Tinel en over de Hasseltse schrijver Alfons Jeurissen. Politieke of maatschappelijke beschouwingen kwamen in het eerste oorlogsjaar nauwelijks aan de orde. Vanaf 25 november slaakte de verslaggever alarmkreetjes over het dalend aantal aanwezigen dat rond de 15 schommelde, zelfs op de feestvergaderingen van Kerstmis en oudejaarsavond. Daarna stokte de werking: op 7 januari 1915 waren er maar tien leden aanwezig en het zou de laatste vergadering worden voor de grote vakantie.

De oorzaak daarvan was wellicht vooral het wegvallen van spilfiguur Jan Pricken. Het verslagboek vermeldt: «Op een stormachtige winteravond was onze d.d. voorzitter niet meer te vinden, zelfs niet met de microscoop! Spoorloos verdwenen! Waarheen? «En villegiature,  monsieur!». En dat in 't midden van de winter? Welja! Een dreigend gerucht van krijgsgevangenschap. Toen stond de «d.d. hulpschrijver-boekbewaarder-verslaggever» (Albert Cools) alléén om 't bestuur te vervangen en om die reden werd er geen zitting meer gehouden»(6). De schijndood van de Jonge Klauwaarts duurde tot de zomervakantie, toen Pricken opnieuw in Hasselt opdook.

Het Secretariaat van Maatschappelijke Werken aan de Tramstraat
 te Hasselt. De Jonge Klauwaarts haaden hier hun vergaderlokaal 
voor, tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog.

Na twee trimesters inactiviteit kwamen de Hasseltse Jonge Klauwaarts op 25 augustus 1915 voor het eerst opnieuw samen. De herleving die toen kwam werd wellicht ook in de hand gewerkt door de circulaire die de Limburgse Gouwbond net voor de grote vakantie 1915 rondstuurde en waarin de studentenbonden werden aangespoord hun werking te hervatten. Het werd het begin van een nagenoeg onafgebroken reeks wekelijkse vergaderingen die tot augustus 1917 zou doorlopen. Opnieuw werd er - «met dank aan E.H. Broekx en H. Vanderlinden» - in het secretariaat van de Maatschappelijke werken vergaderd, aanvankelijk maar met een tiental leden, later, vanaf het begin van het nieuwe schooljaar, met een twintigtal (terwijl er toen op papier 65 leden waren). De bestuursverkiezing van 30 september 1915 bevestigde Jan Pricken als voorzitter, met A. Bertrands en A. Cools respectievelijk als schrijver en penningmeester.

Bij het begin van het schooljaar 1915-16, toen de vergaderingen op zondagavond om 18 uur plaatsvonden, kreeg de bond enige aanmoediging van enkele jonge collegeleraars, de priesters Antoon Rijeken en Alfons Hendrickx, respectievelijk één en twee jaar op het college, die beloofden «hun best te doen collegestudenten naar onze gilde te zenden»(7). De goede verstandhouding met het college kan ook worden afgeleid uit du toelating die het bestuur op 3 november 1915 van leraar J. Daenen kreeg, om voortaan de Jonge Klauwaarts te mogen samenroepen via aankondigingen die op de speelplaats werden opgehangen (totdantoe werden gedrukte uitnodigingen rondgestuurd). Verder konden de Jonge Klauwaarts op 1 december 1915 een mis laten opdragen voor hun leden-soldaten, waarbij de directeur erin toestemde dat voor de leden die plechtigheid de officiële collegemis kon vervangen(8).

De organisatorische herleving bleek ook uit de maandelijkse bestuursvergaderingen «in het gezellige studeervertrek van A. Cools», die vanaf oktober 1915 opnieuw werden gehouden. Het bestuur werd uitgebreid tot zes leden: behalve Jan Pricken, Alfons Bertrands en Albert Cools, hoorden nu ook Michel Lenaerts, Frans Pontur en Gustaaf Quintens er bij. Deze laatste zou zich speciaal met «de boekenkast» bezighouden. In november besloot dat bestuur twee afdelingen op te richten, «De Dietsche Zonen» en «De Blauwvoeten», de eerste bestuurd door Raf Quintens, de tweede door Michel Lenaerts. Wel zou het verloop van de vergadering dezelfde blijven nl.: «één snelspraak, twee voordrachten, twee werken met bedilling, vrije punten zoals muziek, zang, kluchten». Eind november verliet seminarist Bertrands de bond. Zijn taak als schrijver werd door Lenaerts overgenomen»(9).

Tot de Witte Kaproenen uit Antwerpen, waarmee voor de oorlog contacten hadden bestaan, werd opnieuw toenadering gezocht, voorlopig enkel via briefwisseling. In februari 1916 kwam er ook opnieuw samenwerking met de plaatselijke afdeling van het Davidsfonds en met het Leesgezelschap, waar de Jonge Klauwaarts «hun sprekerstalent» zouden tonen. Het Leesgezelschap zou in ruil «de boekerij van de Jonge Klauwaarts vermeerderen». Toen werd ook besloten dat de leden opnieuw de studentenpet mochten dragen indien ook de leerlingen van het college hun pet opnieuw zouden in gebruik nemen(10). In maart smeedde het bestuur - met de kriebeling van de nieuwe lente in het lijf - plannen voor een uitbreiding van het ereledenbestand, het houden van spreekbeurten in het Leesgezelschap, het beleggen van een Rodenbachzitting tijdens de Paasvakantie en het samenstellen van een geschiedenis van het genootschap(11).

Het bestuur vatte ook de strijd aan tegen de lamlendigheid in eigen kring. Al op zijn eerste vergadering besloot het een zestal leden «van rechtswege» ontslag te geven, waarschijnlijk wegens herhaalde afwezigheid op de vergaderingen, en werd het ontslag van twee leden geacteerd. Niettemin klaagde op 20 februari 1916 Juul Maris «bitterlijk over de wantoestand die er tegenwoordig bij de Jonge Klauwaarts heerst. Bij sommige leden is er niet de minste ernst te vinden en heerst er dan ook de grootse onoplettendheid». Dat belette niet dat er op diezelfde vergadering een goede sfeer was: «Na wat gezellig gepraat rond de gloeiende stove zong Juul Maris, op algemeen aandringen, het liedje «Groeninghe» waarna we al te zamen een dreunende Vlaamse Leeuw deden weerklinken»(12).

Het belangrijkste probleem was echter de onregelmatige aanwezigheid van de leden. Sinds januari was er een daling van het aantal aanwezigen, met als absoluut dieptepunt 19 maart toen er maar zeven belangstellenden opdaagden. Op die vergadering werden reglementaire bepalingen goedgekeurd waardoor de leden - op straffe van geldelijke boete of uitsluiting - verplicht werden maandelijks tenminste twee vergaderingen bij te wonen en één voordracht te houden. Daarna werden echter een maand lang geen zittingen meer georganiseerd, waarschijnlijk omwille van proefwerken(13).

Op de volgende vergaderingen, tijdens de paasvakantie kon de schrijver verheugd «een talrijke opkomst» melden. De bond moest zich over een voorstel van de aanwezige seminaristen buigen, dat inhield «naast de Jonge Klauwaarts een tweede kring te stichten, een studentenbond die alle katholieke studenten in één band zou verenigen». De uitwerking ervan stuitte evenwel op een «Jamaar, dat gaat niet zonder nadeel te berokkenen aan onze  kring».  De meerderheid van de leden «wilde niet horen van een opschorsen van hun werking gedurende het verlof». Om veilig te spelen werd nu besloten als kring aan te sluiten bij de «Algemene Limburgse Studentenbond», die onder leiding stond van seminaristen en waarbij ze trouwens voor de oorlog ook al waren aangesloten(14). Het initiatief van de seminaristen resulteerde daarna in de oprichting van een bond voor jongere «studenten» die de naam kreeg «Limburgse Hartebloem» en zou blijven bestaan zijn tot het einde van de oorlog. Enige verwijzing daarnaar in het verslagboek is evenwel niet te vinden(15).

Adriaan Théatre (1893-1983). Voorzitter van de Max Rooseskring 
en tijdens de Eerste Wereldoorlog tijdelijk lid van de Jonge Klauwaarts.

Tijdens het derde trimester daalde de belangstelling van de leden opnieuw. Op 21 mei waren er weeral maar negen aanwezigen. Als remedie werd besloten in de toekomst de vergaderingen niet meer op zondag te houden, maar op zaterdag van 19 tot 20 u. Ook de op 19 maart goedgekeurde reglementaire sancties werden nog eens voorgelezen. Dit ingrijpen droeg er wellicht toe bij dat in de lente- en zomermaanden van 1916 het aantal aanwezigen steeg en rond de 20 ging schommelen(16).

Misschien droeg daartoe ook bij dat er in mei en juni twee «Rodenbachvergaderingen» werden gehouden(17). Wellicht ook dat er gewerkt werd aan de voorbereiding van een grote 11-juli viering, die op initiatief van de Jonge Klauwaarts - niet zonder financiële inspanning - plaats vond in «Het Huis van den Onderlingen Bijstand» in de Tramstraat. Volgens de persberichten was het «een puik feest, met voordrachten, muziek en zang» in een «goed gevulde zaal» waar vooral studerende jongeren aanwezig waren, behalve Jonge Klauwaarts ook leden van de «Max Rooseskring» van atheneumstudenten en van de meisjesgilde «De Bloeiende Hazelaar». De contacten met de Max Rooseskring waren toegenomen doordat de voorzitter ervan, Adriaan Théatre, vanaf mei met eenparigheid van stemmen aanvaard was als lid van de Jonge Klauwaarts.

2. Patriotisme of activisme?

Tijdens het eerste oorlogsjaar hielden de Jonge Klauwaarts zich aan het vooroorlogse cultuurflamingantische vormingsprogramma zonder politieke stellingnamen. Op de eerste vergadering had erelid Moreau wel de vrees geuit dat de oorlog nadelig zou zijn voor de Vlaamse beweging, omdat een overwinning van de bondgenoten verfransing zou betekenen, een overwinning van de Duitsers een kwestie zou zijn «van leven en dood, dus nog slechter»(18). Daarom raadde hij de leden aan zich toe te leggen op de eigen culturele en godsdienstige vorming.

Dat belette hen niet mee te leven met «hun» frontsoldaten, van wie in december een brief werd voorgelezen, en in de kerstvakantie «geestdriftig hulde te brengen» aan die frontsoldaten die «daarginds achter de Ijzerlinie» streden «voor het vaderland» zoals destijds hun voorvaderen deden in 1302. Vaderlandsliefde en liefde tot het volk lagen toen duidelijk in elkaars verlengde, «een vrij Vlaams volk in 't vrije land der Belgen» werd in één adem als wens naar voren gebracht(19).

Naarmate de oorlog vorderde begon echter de Duitse Flamenpolitik, die er op gericht was een zo groot mogelijk deel van de Vlaamse publieke opinie voor Duitsland te winnen, zijn invloed te doen gelden. Een minderheid van de vlaamsgezinden ging in op de Duitse lokstem in de hoop met behulp van de Duitsers een aantal Vlaamse grieven te kunnen oplossen. Een ander deel, met de vanuit Frankrijk en Nederland opererende Frans van Cauwelaert als spilfiguur, wilde loyaal blijven tegenover België, en binnen een Belgisch kader de regering tot toegevingen aan Vlaamse eisen dwingen. De meerderheid van de Belgische bevolking stond afkerig tegenover de zgn. activisten, die bereid waren tot samenwerking met de Duitsers, en ging vandaaruit zich steeds meer negatief opstellen tegenover de Vlaamse beweging in het algemeen(20).

Op 26 augustus 1915 stonden de Jonge Klauwaarts nog achter «een Vlaams manifest van onze voormannen», wellicht het manifest dat Van Cauwelaert c.s. op 21 juli 1915 in De Vlaamsche Stem hadden gepubliceerd en waarin werd beklemtoond dat het doel van de Vlaamse beweging was «aan de taal van ons volk volledige vrijheid en gelijkberechtiging schenken» en dat dit geen afbreuk deed aan «de staatkun­ige eenheid van België»(21). Deze tekst werd met instemming voorgelezen. Op 24 oktober was er al duidelijk invloed van de Flamenpolitik, zij het zonder dat de bondsleden het zelf wisten. Ze weerlegden toen «de argumenten van de vijanden van de Vlaamse beweging», waarschijnlijk als antwoord op de «antivlaamse campagne», waarvan wij nu weten dat die handig door de Duitse Flamenpolitik was geënsceneerd om verontwaardiging te wekken bij de Vlamingen over de franskiljonse drijverijen, en om een legitimering te bieden aan hen die de zgn. «godsvrede» - het opschorten voor de duur van de oorlog van alle politieke twistvragen in België - wilden doorbreken om activistisch te worden. Vanaf november 1916 ontvingen de Jonge Klauwaarts de activistische Gazet van Brussel, waarvan de bond (wellicht gratis) drie exemplaren kreeg toegezonden(22).

Deze propagandistische lectuur had blijkbaar gevolgen. Op 21 november stelde Juul Geurden zich op tegen «de fransgezinde regering» die ten onrechte de door «zelfopoffering en heldenmoed» gedreven activisten René de Clercq, Dr. Antoon Jacob en de Leuvense hoogleraar Jef de Cock broodroofde(23). En Jozef Droogmans betoogde een week later dat de Vlaamse beweging nu haar voltooiing naderde: «na taalzuivering, cultuurbeweging, politieke beweging» kwam nu als synthese «een politiek-culturele beweging». Hij verwees daarmee duidelijk naar het activisme, want nam opnieuw de verdediging op van De Clercq en Jacob en betreurde «het verlies van onze eens zo gevierde strijder Frans van Cauwelaert» die hopelijk ooit zou terugkeren naar «ons kamp»(24)

Al bleken sommige leden blijkens een mededeling van voorzitter Pricken behept met «valse gedachten nopens R. de Clercq», waarmee hij vermoedelijk bedoelde dat ze niet geheel overtuigd waren van diens «heldenmoed», dat was toch geen reden om in te binden. Want in de lente en de zomer van 1916 zorgden de plannen voor een nederlandstalige universiteit in Gent, die in oktober haar poorten zou openen, voor een ware doorbraak van de Flamenpolitik. Vlaamsgezinden die tot dan toe afzijdig waren gebleven van het activisme, werden nu - door de realisering van het voornaamste Vlaamse objectief net voor de oorlog - in de verleiding gebracht mee te doen. Op 12 maart hield Pricken een pleidooi voor dit vernederlandste Gent, maar kreeg prompt een sceptisch antwoord van schrijver Michel Lenaerts die betwijfelde of die stap «voordelig zal zijn voor de Vlaamse beweging»(25).

In juni 1916 bereikte de propaganda voor de Gentse «Vlaamsche Hoogeschool» haar hoogtepunt en behaalde enkele belangrijke successen toen totdantoe loyale cultuurverenigingen zich achter het initiatief gingen opstellen. De verhoogde belangstelling voor de actualiteit bracht het bestuur op 26 juni tot het besluit om voortaan op elke vergadering «een overzicht der werking van de Vlaamse beweging» voor te lezen uit «een vlaamsgezind» - d.i. een activistisch - dagblad»(26).

In de volgende bijeenkomsten bleek het activisme helemaal het kompas te zijn geworden. «Zelfbestuur zou de Vlaamse kwestie grotendeels oplossen» stelde Albrecht Cools op 8 juli en hij spoorde de studenten aan «alvast gedurende de oorlog daarvoor te werken» en «die gedachten te verspreiden in het huisgezin en bij vrienden». De 11 juliviering die de bond een paar dagen later organiseerde was een gelegenheid om die gedachte voor een groter publiek te brengen. J. Droogmans en J. Pricken hielden het bij de relatief onschuldige onderwerpen van «de taaiheid van de Jonge Klauwaarts» en «de betekenis van 1302», maar oud-schrijver Frans Detilloux «leverde een heerlijk pleidooi voor Vlaanderens hoogste recht: zelfbestuur!» en Adriaan Théatre betoogde dat «niet de Vlamingen, wel de Wallonisanten» de naam landverraders verdienden, wat een duidelijke poging was het activisme wit te wassen. Geen wonder dat de viering enerzijds door de activistische pers als een hulde aan haar streven werd begroet, en anderzijds door de bevolking als een door de Duitsers betaalde propagandastunt werd aangezien(27).

Die laatste beschuldiging wees Théatre op de eerstvolgende vergadering - 23 juli - wel van de hand, zonder evenwel zijn sympathie voor het activisme te verloochenen. Een week later werd op een - schaars bijgewoonde - vergadering een artikel voorgelezen waarin «het bekomen der Gentse Hogeschool door de Duitsers geschonken» werd voorgesteld als «een overwinning der Vlamingen op de Franse invloed, op de franskiljons en op de Duitsers zelf». Weer een vergadering later, op 12 augustus, verdedigde Théatre het standpunt dat de vernederlandsing van Gent aanvaard diende te worden «onverschillig van wie ze komt». Dat «lokte tegenspraak uit bij makker Jef de Koninck» die van mening was dat «indien de regering geweigerd heeft de universiteit te openen... wij als Belgen haar besluit moeten eerbiedigen». De hevige discussie die daarop volgde werd tenslotte stilgelegd door voorzitter Pricken «omdat het te laat werd». Maar de mening dat de regering niet mocht worden aangevallen zolang ze niet weergekeerd was «in 't vrije België» werd door een aantal leden gedeeld(28).

De «Algemene Studentenstudiedag» die op woensdag 6 september 1916 in Hasselt werd belegd op initiatief van de Limburgse Gouwbond, bracht weinig duidelijkheid over deze kwestie. De gouwbond, die geleid werd vanuit Luik door Limburgse seminaristen, was de enige van de vooroorlogse overkoepelende gouwbesturen die er in slaagde nagenoeg continu te blijven functioneren doorheen de oorlog. Ze stelde zich op de vooroorlogse vormingslijn die ze in een circulaire in de zomer 1915 en opnieuw in de uitnodiging voor de studiedag aan de bonden voorhield. De studentenbonden moesten zijn: «vormscholen voor geest en hart». Over de brandende actuele kwesties werd in alle talen gezwegen(29).

De uitnodiging was bij zijn verschijnen al voorgelezen op een vergadering van de Jonge Klauwaarts. Op 2 september werden alle leden nogmaals opgeroepen de studiedag bij te wonen. Maar op diezelfde vergadering vond seminarist Willem Quintens, in zijn uiteenzetting «over de huidige toestand van de Vlaamse beweging», dat niet de Vlamingen (dus de activisten) de godsvrede verbroken hadden maar wel de franskiljons. Het verslagboek vermeldde: «geestdriftige toejuichingen bewezen dat onze jongens vatbaar zijn voor gedachten over activisme».

Tegen deze achtergrond leek het programma van de studiedag tijdloos. Er werd gehandeld over de godsdienstige, maatschappelijke, taalkundige en letterkundige opleiding van de bondsleden, resp. door E.P. Ballings s.j., E.H. P. Broekx, Dr. Leenen en E.H. G. Nulens. Over wat de aanwezigen wellicht het meest bezighield: loyaal blijven of activistisch worden, werd niet gerept. De dag was niettemin een groot succes. Het gematigd activistisch Antwerpse studentenblad De Katholieke Vlaamsche Student, dat ook in Limburg verspreid was, had vierhonderd studenten geteld, waarvan er «'s nachts om 2.30 u waren vertrokken, om 's avonds na 11 uren thuis te komen». Ook de Jonge Klauwaarts waren «talrijk aanwezig». Het was overigens de enige grote niet-activistische studentenmanifestatie in Vlaanderen tijdens de oorlog(30).

In de Hasseltse bond bleef de sympathie voor het activisme bestaan. Op 23 september werd de leden een manifest ter ondertekening voorgelegd - zeer waarschijnlijk het volksmanifest voor de vernederlandsing van Gent -waarvoor het bestuur wel eerst «een zogezegde vlaamsgezinde rechtsgeleerde» om advies had gevraagd, maar «van dien slapende passief» een in 't Frans gesteld afwijzend antwoord had gekregen. De Jonge Klauwaarts werden daardoor niet tot andere inzichten gebracht, vooral niet omdat op 2 september een honderdtal vooraanstaande flaminganten zich met het door de Duitsers vernederlandste Gent akkoord hadden verklaard, en ook de stichter van de bond Eugeen Leën, die op dat ogenblik hoofdbestuurslid van het Davidsfonds was, er mee instemde(31). Of het pleidooi van oud-voorzitter en erelid Alexis van Geel op 21 oktober om «steeds aan koning en regering trouw te blijven en slechts deze gunsten te erkennen die komen uit hun hand» veel weerklank vond, kan worden betwijfeld.

Een kentering kwam er pas toen in maart 1917 bekend werd dat een delegatie van de Raad van Vlaanderen - een soort activistisch schijnparlement -zover ging om naar Berlijn te reizen en daar, in de ogen van de vaderlandslievende publieke opinie, met de Duitse autoriteiten te gaan verbroederen. In het bezette land volgde een golf van anti-activisme. Ook in Hasselt. Op de vergadering van 17 maart sprak M. Creunen voor de vuist weg «over de belangrijke en roekeloze stap van de Raad van Vlaanderen. Hij had zoal van alles gehoord in de herbergen... men sprak van schand en ongeparmeteerd, van halswringen en ophangen etc. Doch laten wij ons daardoor niet verontwaardigen, wij keuren het af». Tien dagen na de door de Duitsers op 21 maart uitgeroepen administratieve scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië, werd een brief voorgelezen van «makker Detand, waarin deze schreef dat hij naar de vergaderingen niet meer zal kunnen komen omdat, naar zijn vaders gedacht, onze gilde «een Pruisische sociëteit» is». De «gloedvolle snelspraak» in diezelfde vergadering waarin «categorisch tegen de pas van de Raad van Vlaanderen werd geprotesteerd» bewees evenwel dat intussen de sfeer in de bond was omgeslagen(32).

Matiging trad dus op, maar ze sloeg niet om in een compleet afwijzen van het hele activisme, en zeker niet in het uitsluiten van personen met activistische sympathieën. Integendeel bracht op 28 april 1917 de Oostvlaming Albrecht d'Haese, die aangekondigd werd als oud-voorzitter van de vooroorlogse Leuvense studentenkring Amicitia, «de broedergroet uit zijn streek». Maar hij deed meer: «als hevig activist sprak hij over zijn taak in deze oorlog en daarna». Hij kreeg «krachtige toejuichingen» die «werden onderbroken door het zingen van Groeninge en de Vlaamse Leeuw». De voorzitter en schrijver van de Limburgse Gouwbond woonden deze vergadering bij.

Deze houding van de Jonge Klauwaarts bleef overigens gepaard gaan met patriottisme. Want in april 1917 trokken drie van hen, samen met nog zes andere Hasselaars de met electrische draad afgesloten Belgisch-Nederlandse grens over, om via Engeland het Ijzerleger te vervoegen. M. Creunen noemde dat «een kloeke en manhaftige daad» in zijn «gloedvolle rede» op de vergadering van 14 april.

We kunnen besluiten met de vaststelling dat de Jonge Klauwaarts door de Flamenpolitik geleidelijk vatbaar werden gemaakt voor een goedkeuring van de vernederlandsing van Gent en er sympathie groeide voor zelfbestuur als oplossing voor de Vlaamse kwestie, maar dat hun opstelling steeds gematigd bleef. Na het bezoek aan Berlijn van de Raad van Vlaanderen was er trouwens een grotere terughoudendheid tegenover het radicale activisme en een versterking van de vaderlandsliefde merkbaar.

3. Onenigheid en verzwakking

Hoewel het in de lijn lag van de ontwikkeling dat er tussen voor- en tegenstanders van het activisme onenigheid zou ontstaan, lag de oorzaak van de in de zomer 1916 uitbrekende ruzie toch elders. Het was de vooroorlogse discussie over de «onzijdigheid» die nog een verrassend staartje kreeg. Misschien was ze toch wel wat met het activisme verbonden, want kop van jut werd Adriaan Théatre. Deze voorzitter van de neutrale Max Rooseskring, die op 6 mei met eenparigheid van stemmen als lid was aanvaard, was op de voorgrond getreden als een der meest actieve leden, maar had herhaaldelijk, o.m. in zijn toespraak op de 11 juli-viering, van zijn sympathie voor de activistische politiek blijk gegeven.

Op 5 augustus had Juul Jans al gewaarschuwd tegen een onzijdige tendens in de bond, en op 20 augustus legde hij een door 20 leden ondertekende brief voor waarin geprotesteerd werd tegen de «schijnbaar onzijdige strekking of invloed» en tegen «de nalatigheid van de voorzitter». De vergadering maakte korte metten met Théatre, die na geheime stemming door een overweldigende meerderheid uit de kring werd gesloten.

Voorzitter Jan Pricken vloog nog niet onmiddellijk buiten maar werd afgezet als voorzitter, zodat «na een hevige gedachtenwisseling de makkers Pricken en Cools (de ondervoorzitter «die het lot van de voorzitter wilde delen») ons lokaal verlieten». Het nieuwe bestuur zou normaal onder voorzitterschap van Jans komen, maar die weigerde zodat Michel Lenaerts aantrad als voorzitter, Gustaaf Quintens als schrijver en Juul Geurden als schatbewaarder. Later zag Pricken de kans in het verslagboek de verklaring bij te schrijven dat «de aftredende voorzitter bovengenoemde handelingen afkeurt als strijdend tegen de standregelen (art. 21, 29, 35, 40, 41 en 45)»(33).

Sommigen, zoals Quintens, betreurden dat «tengevolge van misverstanden en verdeling drie van onze beste Vlaamse strijders ons moeten verlaten», zodanig zelfs dat Jans zich op een speciale vergadering moest komen verantwoorden. Maar hij kreeg gelijk en de schriftelijke reacties van Pricken, Cools en Théatre die op 26 augustus werden voorgelezen werden «beknibbeld door de voorzitter» en geneutraliseerd door «een brief van E.H. Broekx over onzijdigheid». Wel wist Quintens het laatste - twee weken eerder genomen - initiatief van Pricken dat in de anti-onzijdigheidszuivering gekelderd was, namelijk de oprichting van een Oud-studentenafdeling, later opnieuw boven water te brengen(34).

Lenaerts bleef maar drie weken voorzitter, en ruimde op 11 september baan voor Jozef Droogmans, terwijl hijzelf met Quintens, Jans, Frans Pontur en Jaak Hermans wel tot het bestuur bleef behoren. Waarschijnlijk was Droogmans een verzoeningskandidaat, want op de onmiddellijk na de verkiezing gehouden bestuursvergadering was ook het vroegere tweemanschap Pricken-Cools aanwezig. Ze droegen al hun documentatie over aan het nieuwe bestuur «en scheidden als vrienden van onze gilde». Adriaan Théatre daarentegen werd de woestijn ingejaagd. Toen hem op het einde van de oorlog nog gevraagd werd voorzitter te worden van een meer algemene Vlaamse kring, zou hij dat weigeren.

De twist was niet bevorderlijk voor de goede werking, en evenmin het verdwijnen van de tot dan toe meest actieve leden. Vanaf september 1916 was een zekere sleur merkbaar. Er zat weinig inspiratie in de overigens wel regelmatig gehouden vergaderingen, en meer dan een «beknopt verslag» kreeg de schrijver er niet over uit zijn pen. In september, oktober en november gebeurde het telkens één keer dat een vergadering ter plekke moest worden afgelast omdat maar twee bestuursleden aanwezig waren in plaats van de statutair vereiste drie, en in januari kwam die derde op een keer dat de zitting toch al maar geopend was te laat nog opdagen(35). Het bestuur belegde op 21 oktober al een bijzondere vergadering om oplossingen te verzinnen voor «het wegblijven van de leden», en die vergadering zelf bleek het nodige schokeffect te hebben veroorzaakt, want in de daarop volgende maanden stabiliseerde het aanwezigheidscijfer zich rond de twintig(36).

Begin februari 1917 nam Michel Lenaerts opnieuw de voorzittershamer over, nadat die blijkbaar al een tijdje de facto toch in handen was geweest van Juul Jans die nu intrad bij de Norbertijnen in Tongerlo(37). Quintens, Hermans, Pontur bleven in het bestuur. Juul Maris en Pol van den Houdt kwamen er als nieuwelingen in, de laatste als schrijver. Een nieuw initiatief was de poging tijdens de vakanties de rangen van de Jonge Klauwaarts open te stellen voor alle belangstellenden, zonder ze te verplichten na een proefwerk de goedkeuring van de leden te krijgen. Een aparte afdeling van jongeren o.l.v. een seminarist zou bovendien eveneens tijdens de vakanties de weg naar de gilde leren vinden(61). Misschien ging het hier om (een nauwe samenwerking met ?) de hogervermelde jongerenbond Limburgse Hartebloem(38).

Maar ondanks deze maatregelen begon de werking zelf te slabakken. Dat werd nog in de hand gewerkt door een maand inactiviteit in mei 1917, toen als straf voor de ontsnapping van negen Hasseltse jongeren over de Nederlandse grens richting frontleger, de stad «gedurende drie weken het dagelijks leven moest eindigen om 8 uur 's avonds» waarbij er «geen drankhuizen meer mochten geopend zijn». Na die gedwongen onderbreking begon het vergaderritme te vertragen: nog twee keer in juni en drie keer eind juli en begin augustus. Misschien werd er wel meer vergaderd, maar geen verslag opgetekend, wat echter op zichzelf ook op een verwatering wijst(39).

Handtekeningen van Jonge Klauwaarts in april 1917: Jozef Brauns, Edgard van der Linden, Juul Geurden, Michel Lenaerts, Jozef Droogmans, Alfons Bertrands, Pol en Fons vanden Houdt, Juul Maris, Gustaaf Quintens, Jan Wilms, Jaak Hermans, Paul Martens.
In juli-augustus 1917 namen enkele bestuursleden en oudleden het initiatief om ter bestrijding van de verslapping «tenminste tijdelijk» de Jonge Klauwaarts te versmelten met de Max Rooseskring, die zelf al een tijdje was stilgevallen, en met de plaatselijke Groeningerwacht. De nieuwe vereniging kreeg de naam De Klauwaarts. De spilfiguren ervan waren oude bekenden: nadat Adriaan Théatre de functie van voorzitter geweigerd had, fungeerde alszodanig Jan Pricken met Gustaaf Quintens als schrijver en Michel Lenaerts als schatbewaarder. Jozef Droogmans en Jaak Hermans werden raadsleden. Het was een heruitgave van de Jonge Klauwaarts van net voor het gedwongen ontslag van Pricken c.s., maar naar alle waarschijnlijkheid los van seminaristen of priester-leraars uit het college. Het verslag van deze operatie besloot hoopvol: «Eindelijk heeft men dus alle vooroordelen weggecijferd en zijn wij er toe gekomen in Hasselt een groep te vormen die - al zal hij dan niet op activistisch gebied optreden - nochtans, laten wij het tenminste hopen, veel en nuttig werk zal leveren voor de algemene, de goede zaak»(40).

Deze hoop werd niet geheel bewaarheid want na enkele maanden viel ook de werking van De Klauwaarts stil. In het verslagboek werden de oorlogsjaren afgesloten met enkele zinnen uit november 1918, geschreven in het bewustzijn dat een historisch ogenblik was aangebroken en waarin de ontroering, de vreugde en de hoop van dat moment doorklinken: «We hebben gestaakt tot de wapperende vaandels en de zingende torens ons de ontwaking, de vrijmaking, de verlossing en de beslissende victorie verkondigden. Nu vangen we opnieuw de strijd aan voor ons Vlaams ideaal. Ernstig ditmaal, met nieuwe gezonde brede gedachten in de kop, en met sterke moed bezield».

Noten

(1) K. VAN ISACKER, Mijn land in de kering, 1, p. 247-249; M BUSSELS e.a., Hasselt 750 jaar stad 1232-1982, p. 173.
(2) Dankbaarheid en waardering. Sint-Jozefscollege Hasselt, p. 39 waar geciteerd wordt uit CLEMENT HENDRICKX, Mémoires, p. 49.
(3) M. BUSSELS e.a., o.c, p. 173.
(4) Een algemeen beeld van de katholieke Vlaamse studentenbeweging  tijdens de  Eerste Wereldoorlog vindt  men bij  L. VOS, Bloei en ondergang van het AKVS, dl. I, p. 47-83. Op p. 49 cijfers over het aantal soldaten uit Limburgse   bonden; het waren er in 1917 uit 33 bonden 207 (leden en oud-leden).
(5) De namen in het verslagboek p. 677: Laurens  Brauns, Leo Theunissen, Lambert Jeurissen, Martijn Proesmans, Hendrik Giddelo, Leo Vanderhoeven, Karel Jans, JorisVerpoorten, Emïle Schoofs, Theodoor Schoofs, Jef Theunissen, Juul Theunissen, Jef Deumens. In 1917 trokken er nog drie als vrijwilliger via Nederland naar het front: Jozef Bleux, Maurits Ghijs dael, Joris Chantrenne (cursief: vrijwilligers).
(6) Alle vorige gegevens en ook dit laatste citaat komen uit het verslagboek. Het laatste citaat na het verslag van de vergadering van 7 januari 1915.
(7) Vergadering van 7 oktober 1915.
(8) Bestuursvergadering 1 november 1915. Directeur Noelmans ging bij de leerlingen door voor «franskiljon», zoals ook sommige leraars (bv. surveillant «de rooie Melotte»). Anderzijds blijken ook in de herinnering van een collegeleerling uit die tijd vlaamsgezinde leraars te hebben bestaan (de leraar Nederlands). Wegens hun aanwezigheid bij de Jonge Klauwaarts hoorden Rijeken en Hendrikx daar bij; gesprek met E.H. Jules Cools, Hasselt, 9 januari 1985.
(9) Bestuursvergaderingen op 24 oktober, 1 en 14 november, 19 december 1915. Ontslag Bertrands op 21 november 1915, op 21 oktober 1916 werd hij opnieuw lid.
(10) Lezing van briefwisseling met Witte Kaproenen op 21 november, 19 december 1915 en 23 januari 1916. Over toenadering tot 't Leesgezelschap: op 27 februari en 12 maart 1916. Ook Jules Cools herinnerde zich het dragen van de pet; gesprek met E.H. Jules Cools, Hasselt, 9 januari 1985.
(11) Op de bestuursvergadering van 12 maart: zie op het einde van dit hoofdstuk «Een flits uit het verslagboek».
(12) Vergadering van 20 februari 1916: 16 aanwezigen «weinig brood op de plank 't is treurig». 
(13) Het aanwezigheidscijfer lag in oktober boven de twintig, zakte daarna in november en december tot 15 a 20 {behalve op de oudejaarsvergadering) handhaafde zich in januari en februari op dat peil, maar zakte dan op drie vergaderingen tot minder dan 10.
(14) Discussie hierover op de vergadering van 29 april 1916. In de herinnering van Paul Cools werd deze kring «door seminaristen {o.a. Alfons Bertrands) uit reactie tegen het activisme» in het leven geroepen. In het verslagboek wordt daar niet naar verwezen. Het is mogelijk dat er bij de seminaristen vrees bestond voor toekomstige "besmetting» van de jongeren. De aanwezige seminaristen waren: W. Quintens, Oscar Peters en A. Vanden Houdt; Nota Paul Cools, Hasselt, december 1984.
(15) Deze informatie steunt geheel op: Nota Paul Cools, Hasselt, december 1984.
(16) Er werd vergaderd op 6, 13, 21 en 26 mei, op 3, 10, 18 en 26 juni, op 4, 8, 11, 23 en 29 juli, op 5, 12, 19 en 22 augustus.
(17) Rodenbachvergaderingen op 26 mei en 3 juni. Feestzitting zondag 11 juli met verslag in De Bode van Limburg, 16 juli en 28 juli 1916, Gazet van Brussel, 21 juli 1916. Jules Cools herinnerde zich dat «voor een feest ouders en belangstellenden werden uitgenodigd»; Gesprek met E.H. Jules Cools, Hasselt, 9 januari 1985. Paul Cools was er ook bij; Nota Paul Cools, Hasselt, december 1984.
(18) Moreau nam met deze stelling afstand van de uitspraak van F. van Cauwelaert dat een overwinning van de bondgenoten voordelig zou zijn voor Vlaanderen. Volgens Moreau was Van Cauwelaert «door vaderlandsliefde misleid als hij zo sprak... en gedwongen door de  internationale toestand». Moreau spoorde de Jonge Klauwaarts aan zich toe te leggen op het brede  vooroorlogse cultuurflamingantische vormingsprogramma, het spreken van zuiver Nederlands, het uitbreiden van de liederenschat, toneelspelen, beoefenen van sociale werken, meedoen aan drankbestrijding, apologetica instuderen en vooral het godsdienstige leven verzorgen; vergadering van 12 november 1914.
(19) De  aangehaalde  citaten komen uit een toespraak van d.d.voorzitter Jan Pricken op 31 december 1915, die zo'n indruk maakte dat de leden besloten ze integraal in het verslagboek op te nemen.
(20) Over de Vlaamse beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog raadplege men vooral L. WILS, Flamenpolitiek en aktivisme en van dezelfde auteur Honderd jaar Vlaamse beweging, dl. 2, p. 19-68. Over het dagelijks leven in het bezette gebied en aan en achter het front zie L. SCHEPENS, 14/18, Een oorlog  in Vlaanderen.
(21) L. WILS, Flamenpolitik en aktivisme, p. 122-123.
(22) Vergadering van 14 november 1915:   «Gust. Quintens brengt verslag uit over de boekenkast, die nu weer regelmatig dienst zal doen. Quintens zal ook de Gazet van Brussel uitdelen. Een exemplaar blijft bewaard in ons archief, een ander in de boekenkast en een derde wordt uitgeleend ter zitting.» Het eerste nummer van de krant verscheen op 29 november 1915.
(23) R. de Clercq en A. Jacob, die in Nederland het weekblad De Vlaamsche Stem  in  activistische richting dreven,    werden in oktober  1915 door de Belgische regering om die reden geschorst als leraar, resp. kandidaat leraar aan het atheneum. J. de Cock, priester-hoogleraar aan de (tijdens de oorlog gesloten) Katholieke Universiteit te Leuven, nam een anti-Duitse houding aan maar schreef in De Vlaamsche Stem artikelen waarin zelfbestuur als oplossing voor de Vlaamse kwestie werd voorgesteld. Al in 1915 werd hij daarvoor door een aantal collega's aangeklaagd bij de academische overheid die hem in 1919 tot ontslagname zou dwingen. Hun «geval" werd te berde gebracht op de vergadering van 21 november 1915.
(24) Dat alles op de vergadering van 28 november 1915, waar Droogmans ook «bezadigde mannen als volksvertegenwoordigers Van de Perre en Henderickx» citeerde die «ons aanmanen de wapens te hervatten», en van leer trok tegen «onze Waalse broeders Destrée, Des Ombiaux, Maeterlinck die «urbi et orbe» verkondigen dat «après la guerre on ne parlera plus le flamand en Belgique».
(25) Vergaderingen van 31 december 1915 en 12 maart 1916.
(26) Vergadering van 26 juni 1916. Het ging om een voorstel van Adriaan Théatre die ook deed besluiten: «voortaan beschaafd Nederlands spreken op de vergadering».
(27) Vergaderingen van 4, 8, 11 en 16 juli. Over de viering schreef Gazet van Brussel op 21 juli 1916:  «De heer A. Théatre, na een rijk gedocumenteerde rechtvaardiging van het standpunt der activisten, sprak over onze huidige plichten».
(28) Vergaderingen van 23 en 29 juli.
(29) De circulaire, waarvan een exemplaar in het archief  P.J. Broekx (KADOC, Leuven) bewaard bleef, werd ook afgedrukt in het Limburgseh Studentenblaadje voor oorlogstijd, jg. 1, nr. 20, 15 november 1916, het officieel frontblaadje van de Limburgse katholieke Vlaamse studentenbeweging aan het front.
(30) De Katholieke Vlaamsche Student, I, 1, 23 september 1916, p. 24.
(31) Het manifest werd opgesteld door een Bond ter bevordering van de Vlaamse Hogeschool te Gent,  met de volksvertegenwoordigers Augusteyns en Henderickx,  L. WILS, Flamenpolitiek en aktivisme, p. 165-166; over E. Leën: L. WILS, Honderd jaar Vlaamse beweging, dl. 2, p. 45.
(32) Over de delegatie van de Raad van Vlaanderen naar de regering in Berlijn, die bij de publieke opinie «insloeg als een bom» en in het bezette gebied «een  kolossale haat opwekte tegen de Vlaamse beweging» zie L. WILS, Flamenpolitiek en aktivisme, p. 195-197.
(33) A. Théatre werd met een stemverhouding van 18 tegenover 2 (bij 6 onthoudingen) uit de kring gezet. Daarna werd Pricken gevraagd of hij «een onzijdig of katholiek Vlaming was... Toen hij daarop weigerde te antwoorden, wensten 10 aanwezigen hem meteen te zien ophoepelen, maar 7 vonden dat dit niet hoefde. Men kan dus wel spreken van een motie van wantrouwen inzake katholiciteit tegen het bestuur. Op Vlaams gebied werd de gevolgde koers na het verdwijnen van Pricken en Cools nauwelijks gewijzigd.
(34) Op een buitengewone vergadering van 22 augustus 1916 verdedigde Jans zich met de mededeling dat hij  «de Jonge Klauwaarts van de onzijdigheid had gered» en zelfs «als ware martelaar van de plicht vriendschap en sympathie geofferd had voor het welzijn van de gilde... 8 van de 15 aanwezigen gaven hem bij de stemming gelijk, de overigen onthielden zich.
(35) Vergaderingen van 30 september, 14 oktober en 11 november afgelast. Die van 27 januari toch begonnen met twee bestuursleden.
(36) Het aanwezigheidscijfer stabiliseerde zich, maar inhoudelijk bleef de werking aan  bloedarmoede  lijden.Wel nam  Juul Maris op 3 maart het initiatief tot oprichting van een muziekafdeling. Op de bijzondere vergadering waren ook de ere-leden/collegeleraars Antoon Rijeken, Alfons Hendrikx en Victor Vranken aanwezig.
(37) Vanuit  Tongerlo stuurde «frater Bonaventura Jans» op 12 maart nog een briefje aan de Jonge Klauwaarts, waarin hij hen vooral op het hart drukte alle onzijdigheid  te weren. Het briefje bleef bewaard in het verslagboek.
(38) Gegevens over de twee afdelingen op een los ingevoegd blad (na het verslag van de vergadering van 14 april). Op die vergadering was  ook besloten  een   «propaganda-afdeling» op  te richten, dit blijkbaar in overeenstemming met  richtlijnen van de Limburgse Studentenbond.
(39) Vermeld in het verslag over de vergadering van 2 juni 1917.
(40) Als een los fardeblad ingevouwen in het verslagboek; «Uit het verslagboek der Klauwaarts' 1917-1918.» Albert Cools was er niet meer bij. Hij overleed in 1917, op twintigjarige leeftijd. Terwijl het doodsprentje van zijn vader twee jaar eerder nog in het Frans was opgesteld was het zijne m het Nederlands; gesprek met E.H. Jules Cools, de vijf jaar jongere broer van Albert, Hasselt, 9 januari 1985

Een flits uit het verslagboek.

Bestuursvergadering van zondag 12 maart 1916

gehouden in het lokaal van Gods wijde natuur. 't Was een zonnige lentemiddag en met ons vieren (Jan) Pricken, voorzitter, (Albert) Cools, ondervoorzitter, (Gustaaf) Quintens gezegde hulpschrijver en boekhouder, en uw dienaar (Michel Lenaerts) trokken we de Genkersteenweg op, om ons een weinig verder op 't heidegras neer te vleien. Een geurige lucht, een warm, lachend zonneke, zacht gras: 't was alles wat ons hartje lustte. En zo luilekker neergestrekt begonnen we de bestuursvergadering terwijl de vogeltjes een serenade deden horen».

I. Nazicht der kas. Alles wordt goedgekeurd.

II. Nieuwe ereleden zullen gezocht worden, en in plaats van een geldelijke bijdrage zullen we hun boeken vragen om onze boekerij een weinig te vermeerderen.

III. Voorstel A. van Geel: Indien de landstormlieden  van  't  Leesgezelschap overeenkomen met   't  voorstel   van   de  actieve  leden, «la jeune droite» geheten, dan  zal  makker Droogmans zijn sprekerstalent gaan tonen aan die oude heren. En als 't goed gaat, wel dan zullen er misschien nog andere volgen.

IV. Voorstel van onze voorzitter om gedurende het Paasverlof een «Rodenbachzitting» te houden. Dit  werd aangenomen.  Ziehier de verscheidene  punten  die dan zullen  behandeld worden:

J. Pricken: «Rodenbach als dichter» 
A. Cools: «Rodenbach als strijder» 
M. Lenaerts: de «Gudrun»
Quintens en Pontur: voordrachten van verscheidene gedichten van Rodenbach. 

De studenten zo van 't College als van 't Atheneum zullen verzocht worden.

V. Opstellen der geschiedenis van 't Genootschap. Brieven  zullen naar verscheidene heren gezonden worden om inlichtingen te bekomen over enige jaren van 't bestaan der Jonge Klauwaarts die nog in 't duister gebleven zijn.

VI. Enige punten van huishoudelijke aard.

Na 't  aflopen  dier vergadering, trokken we al Vlaamse strijdliederen zingend naar huis.

De Schrijver                                                                                           De Voorzitter
M. Lenaerts                                                                                                 J. Pricken

Hoofdstuk 4 

Jeugd in het gelid.
1918-1940

1. De doorwerking van de oorlog
2. Het nieuwe begin
3. Een jonge generatie
4. A.K.V.S. en Vlaams-nationalisme
5. Doe wel en zie niet om
6. Een nieuwe synthese: K.S.A.-Jong Limburg

Noten
Uit het bondsblad: fietstocht door het Maasland, 28 april 1927.

Na de oorlog begon een nieuw tijdperk, al geloofden vele mensen wellicht dat het nu weer zou worden «als vroeger». Hasselt raakte in de vijfentwintig jaar tussen de twee wereldoorlogen in een stroomversnelling. In 1918 baadde het nog in een haast idyllische rust van de vooroorlogse prentkaarten. Het beeld van de zondagse wandelaars, die bij valavond de lantaarnopsteker zijn werk zagen doen onder het klingen van het carillon, met op de achtergrond de klepperende paardehoeven van enkele rijkoetsen. Ze moesten toen - toch al wel - hun pas inhouden voor een enkele rinkelende fietsbel, maar in 1940 was die relatieve stadsrust voor goed aangetast. Het gebrom en getoeter van auto's, het schijnsel van de koplampen der vrachtwagens, de electrische straatverlichting en het getingel van de electrische tram naar de Genkse mijnstreek, waren signalen dat vroeger voorgoed voorbij was. En toch waren de tussenoorlogse «moderniseringen» maar een begin. Ze zouden na de Tweede Wereldoorlog nog ingrijpender wordend(1).

Toen in november 1918 de klokken de nieuwe vrijheid aankondigden, bleek ook op politiek vlak alles veranderd te zijn. De democratie kwam als grote overwinnaar uit de strijd, met een onmiddellijke invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht, een versterking van de gelederen der socialisten en vooral in het overwegend katholieke Vlaanderen, van de christen-democraten. Maar even sterk, en voor de Jonge Klauwaarts nog sterker, kwam het nationale gevoelen naar voren. Voor de meesten vaderlands en Belgisch gekleurd, voor een aantal anderen vooral met Vlaamse kleuren. Er ontstonden Belgisch-nationale groepen die zich tegen de Vlaamse beweging opstelden, terwijl de flaminganten die zich beschouwden als de erfgenamen van de aan de Ijzer ontstane radicale frontbeweging, zich ook als een afzonderlijke partij gingen groeperen.

In Limburg gebeurde dit laatste niet onmiddellijk. Daar viel vlaamsgezindheid grotendeels samen met een christen-democratische overtuiging. Pas in de tweede helft van de jaren twintig zou er een Vlaams-nationalistische partij groeien, precies gedragen door mensen die na de oorlog als eerste jongere generatie de touwtjes in de katholieke Vlaamse studentenbeweging overnamen. Op dat moment zaten de Jonge Klauwaarts al helemaal in het spoor van de Katholieke Actie(2).

1. De doorwerking van de oorlog

In 1918 waren het oudere Jonge Klauwaarts die de draad weer op namen. Ze voelden instinctmatig dat er een bladzijde was omgedraaid. «Geen partijpolitiek meer die voor de oorlog zo schadelijk was geweest voor de Vlaamse beweging» decreteerde Jozef Droogmans op de eerste vergadering die al op 9 december 1918 plaatsgreep. «Alle twistredeneringen over politiek en activisme dienen uitgesloten te worden» en ook «al het kleingeestige vooroorlogse» zoals de «onzijdigheidstheorieën». Ze zouden plaats ruimen «voor bredere gedachten». Bundeling van krachten was ook nodig, geen beperking meer van het lidmaatschap tot louter studenten, en aansluiting bij het Vlaams Verbond van Van Cauwelaert. Er werd propaganda gemaakt voor de pas verschijnende «moniteur van de Vlaamse beweging» zoals De Standaard zichzelf noemde.

Het nieuwe bestuur bestond uit oude gezichten: Droogmans, Lenaerts, Quintens en Pricken. Het zond onmiddellijk aan het gemeentebestuur, dat steunde op een sinds 1885 homogeen katholieke gemeenteraad met een sterk conservatieve en fransgezinde inslag, een protestbrief tegen de tweetaligheid van de gemeentelijke straatnamen, en besloot voor de vergaderingen geen studies van uiteenlopende aard meer te nemen maar de onderwerpen rond één thema te groeperen. Het enthousiasme van de eerste vergadering ontlaadde zich in een daverende Brabançonne en Vlaamse Leeuw(3).

Het vonkende gevoel van het nieuwe begin werd vanaf half december aangewakkerd door de komst van de oud-frontsoldaten. «De dapperen die weerkeerden van achter de Ijzerlinie» waren immers «niet besmeurd, maar zuiver... de mannen van de toekomst, de redders van België, de bevrijders van Vlaanderen». Voor een geboeid publiek vertelden ze over hun frontavonturen;   E.H. Karel Jans had het over «'t  geval Vandermeulen en zijn eigen acht dagen pot om een simpel Vlaams briefke», Tony Gruyters «verstrekte enige inlichtingen» over de frontbeweging en de tegenwerking door de veiligheidsdienst, soldaat Ieperman had het over de achterstelling van de Vlaamse soldaten en de frontbeweging die ontstond «nadat Verschaeve hen de ogen geopend had», over de betogingen, het bekladden van muren, de open brief aan de koning en diens antwoord «onder de vorm van straffen en corvées».

Ook «oud-Klauwaart sergeant Lambert Jeurissen» schetste een beeld van de frontbeweging, die hij typeerde als «eigenlijk maar een voortzetting van de studentenbeweging» en waarvan het programma, namelijk «volledige vervlaamsing van Vlaanderen, desnoods met bestuurlijke scheiding» - toen in januari 1919 - heette overgenomen te zijn door «het Vlaams Verbond». Dat leidde tot de vraag: wat nu? Leen wilde voorzichtigheidshalve wachten op initiatieven van elders, Droogmans herhaalde zijn oproep tot aansluiting bij het Vlaams Verbond, Ieperman «zag liever onmiddellijk hier ter stede betogingen van burgers en soldaten». In vergelijking daarmee was wat de Jonge Klauwaarts tijdens de oorlog hadden meegemaakt kinderspel. Alleen maar goed om - zoals schrijver Pricken deed - verslag over uit te brengen in de vorm van een «operette in drie bedrijven en vier taferelen». Zoals op zovele plaatsen sloegen ook in Hasselt de frontsoldaten hun stempel op het nieuwe begin van de studentenbeweging(4).

In februari waren de Jonge Klauwaarts zo ver concreet de richting van de werking te bepalen. Nogmaals werd gepleit voor verdraagzaamheid «en samenwerking met andersdenkenden in de praktijk... ons Vlaamse volk ten bate» maar werd ook besloten aan te sluiten bij de Katholieke Vlaamse Bond van Limburg. Dat was een bundeling van alle katholieke Vlaamse krachten in die provincie, op 22 februari 1919 tot stand gekomen op initiatief van mijningenieur Jules Van Caenegem, en met Eugeen Leën als schatbewaarder. De bond sloot aan bij de eerder ook al door Van Caenegem opgerichte provinciale afdeling van het Vlaams Verbond. Het gemeenschappelijke minimumprogramma hield in: een vernederlandsing van onderwijs, bestuur en gerecht in het Vlaamse land, en een zodanige herinrichting van het centrale bestuur dat zaken die op het Vlaamse land betrekking hadden in het Nederlands zouden worden behandeld(5).

Martinus-Hubertus Rutten (1841-1927). Bisschop van Luik vanaf 1902. Hij was vlaamsgezind vanaf zijn jeugd en bleef dat zijn leven lang. Hij steunde de katholieke Vlaamse studentenbeweging, maar wenste haar niet in Vlaams-nationale richting te zien evolueren. Daarom haakte hij in 1925 de Limburgse studentenbeweging los van het Leuvense A.K.V.S.-bestuur en plaatste ze onder leiding van zijn seminaristen.

De initiatiefnemers van de Katholieke Vlaamse bond en de verdedigers van het minimumprogramma kregen van meet af aan steun van bisschop H. Rutten van Luik, waartoe toen ook Limburg behoorde. Hij spoorde zijn clerus aan uit alle kracht mee te werken aan de realisatie van de Vlaamse ééntaligheid in Limburg en zich zelfs aan het hoofd van de beweging te plaatsen. Zijn goedkeuring schiep bij priesters en seminaristen een vlaamsgezinde stemming: «'t Is één en al hevigheid», schreef Paul Vandermeulen na een bezoek aan de bisschop «Mgr. Rutten zegt: nu of nooit; wie franskiljon is, is verrader». Vanaf maart verschenen bisschoppelijke brieven in de pers en als brochures waarin hij zijn geestelijkheid op hun plichten wees jegens het Vlaamse volk. Geen wonder dat hij in de paasvakantie gehuldigd werd als «baanbreker voor Vlaams recht»(6).

Die bisschoppelijke stellingnamen waren niet van aard om jeugdigen tot bezadigd optreden te brengen. Vooral niet omdat er eigenlijk vanaf de wapenstilstand en de aankondiging dat bij de eerstvolgende verkiezingen het algemeen enkelvoudig stemrecht onmiddellijk zou worden toegepast, in het land een pre-electorale sfeer heerste. In maart bespraken de Jonge Klauwaarts het plan om tijdens de paasvakantie propagandatochten te ondernemen om de bevolking voor te bereiden op de verkiezingen (die uiteindelijk pas op 16 november zouden plaatsvinden). Omdat een soldaat het minimumprogramma zou moeten verdedigen, maar dat door de militaire overheid niet  was  toegestaan, werd het plan naar later verschoven. Eugeen Verpoorten «die zwaar gekwetst in het laatste offensief, thans genezen» voor het eerst op de vergadering aanwezig was pleitte er voor «desnoods tegen België in» de Vlaamse rechten af te dwingen. Verpoorten zou het jaar nadien voorzitter worden van de Limburgse Gouwbond. Intussen werd ook al geld rondgehaald voor een nieuwe gildevlag, waarvoor Eugeen Leën op 8 maart al 100 F had toegezegd(7).

Enthousiasme en radicalisme beheersten dus de werking, die echter voor een groot deel op de soldaten en ouderen steunde, terwijl ze de gewone leden minder scheen te beroeren. Bovendien trad er na zekere tijd enige vermoeidheid op door «al die voordrachten over «Vlaamse eisen», die alhoewel nuttig voor de spreker voor de overige leden minder belangrijk... omdat toch allen overtuigde vlaamsgezinden zijn». Een ander nadeel was dat er geen tijd meer bleef voor vormende uiteenzettingen, zodat «de laatste tijd het eigenlijke doel van de gilde, namelijk de studenten opleiden min of meer over het hoofd werd gezien».

Daarom deed «makker Quintens» op een bestuursvergadering in de paasvakantie een voorstel tot «herinrichting der gilde». De essentie ervan was de studerende jongeren zelf opnieuw het roer in handen te geven. Eén oudere in het bestuur en steun van ere-leden zou voldoende ruggesteun moeten geven voor «de renaissance der studentengilde». Misschien konden de nu samengebrachte ouderen een oud- en hoogstudentenafdeling vormen. De plannen kwamen begin mei ter tafel op de gewone vergadering en werden er aanvaard: een studentenafdeling zou naast een afdeling voor ouderen functioneren. Beide zouden vier maal per jaar samen vergaderen(8).

Op 9 mei 1919 kwam de «studentenafdeling» voor het eerst apart samen o.l.v. seminarist Juul Geurden en koos een nieuw bestuur dat echter op de volgende vergadering al werd gecontesteerd omdat «niet één lid der Jonge Klauwaarts» (bedoeld werd van de leden der oude gilde) op de vorige vergadering aanwezig was geweest wegens gebrek aan uitnodigingen. Daarom werd een nieuwe verkiezing gehouden, waaruit Quetin, Frans Pontur en René Holm als bestuursleden naar voren kwamen. Verrassend voor een vlaamsgezinde vereniging was, dat de toen in Belgisch-nationalistische kringen geëiste gebiedsuitbreiding weerklank vond, zoals bleek uit een pleidooi van «makker Robben» voor een aanhechting van het groothertogdom Luxemburg bij België. Wel werd de wenselijkheid daarvan door andere leden betwiste(9).

De studentenafdeling van de Jonge Klauwaarts vergaderde nog op 1 en 14 juni 1919. Het enige teken van leven daarna was een krantebericht over een avondfeestje op 16 januari 1920 in zaal Concordia. In het verslagboek stond echter na de zomer 1919 niets meer opgetekend. De vlag, de kas en de archieven werden overgedragen «aan de afdeling Hasselt van de Katholieke Limburgse Studentenbond» - zo meldde het verslagboek - «daar de kring, zoals hij toen bestond, niet meer beantwoordde aan zijn eigen standregelen... door onnoembare oorzaken werd de werking van de kring gestremd: hij sliep in». Kryptische zinnen. Wellicht werden de stukken aan enkele Hasseltse seminaristen ofwel aan Eugeen Verpoorten toevertrouwd, die in het gouwbestuur zetelden.

Een latere hand voegde bij de «onnoembare oorzaken» de noot toe: «tegenwerking van zekere professoren uit het college». Waarom dergelijke tegenwerking er zou geweest zijn is niet geheel duidelijk. Mogelijk uit vrees voor een al te onafhankelijke opstelling als gevolg van de invloed van de ouderen. Vlaamsgezindheid op zichzelf kan moeilijk de reden zijn geweest, want op datzelfde moment was op het college, waar sinds 1917, toen directeur L. Engelen was aangetreden, een meer Vlaamse atmosfeer was gegroeid, de Vlaamse Academie nog duidelijker dan voordien een kweekschool van flamingantisme geworden. Dat was vooral het werk van priester-leraar Rijeken. Hij had voor en tijdens de oorlog al gesympathiseerd met de Jonge Klauwaarts,  en noemde in 1918-1919 de Vlaamse strijd «een rechtvaardige, een heilige zaak». In 1919-1920 prijkte boven het jaarverslag van de Academie zelfs de slogan «zelfbestuur». Het is dus ook mogelijk dat de functie van de studentenafdeling van de Jonge Klauwaarts tijdelijk door de Academie, die meer ingebed lag in het collegeleven, werd overgenomen(10).

2. Het nieuwe begin.

Op het einde van de paasvakantie 1921 kwam de oude gilde opnieuw tot leven. Die herleving kwam op een ogenblik dat het A.K.V.S. en de Limburgse gouwbond zich stevig begon te organiseren. Vanaf 1920 had het Limburgse gouwbestuur zich ingeschakeld in het A.K.V.S. met zetel te Leuven. Het kon als enig gouwbestuur rekenen op de steun van een officieel door de bisschop aangestelde proost, kreeg bij gelegenheid zelfs een subsidie van het provinciebestuur, en hergroepeerde in de paasvakantie 1921 zijn bonden in vier gewesten: Kempen, Maasland, Haspengouw en het Middengewest waartoe ook Hasselt behoorde. Hasselt was het centrum van de gouwwerking, in september 1919 en augustus 1920 waren er al massale gouwdagen gehouden en gezien de centrale ligging vonden er in de vakanties ook gouwbestuursvergaderingen plaats.

1921 was niet enkel een moment van reorganisatie, maar ook van heroriëntering. Toen immers lieten de vooroorlogse studentenleiders het roer over aan een jongere generatie, die de studentenbeweging van voor 1914 niet meer zelf had meegemaakt. Het was ook een jaar waarin het ongenoegen over het niet inwilligen van Vlaamse eisen, over de bestraffing van idealistische activisten als Lodewijk Dosfel, over het neerschieten van Herman van den Reeck op de 11 juliviering van 1920 te Antwerpen en over de vervolging van frontsoldaten die actief waren geweest in de frontbeweging, jongeren vatbaar maakte voor radicalisme (11).

Het initiatief voor de nieuwe start van de Jonge Klauwaarts lag bij enkele seminaristen, die in de geest van de tijd «de democratisering van de kring» wilden realiseren. De leiding zou in hoofdzaak in handen zijn van collegeleerlingen al zouden de seminaristen en studenten wel «toezicht.» houden, terwijl ook de leden «medezeggenschap zouden krijgen in bestuurszaken... Het nieuwe bestuur dat op de eerste vergadering van 14 april werd verkozen bestond uit Pol Sterk, Joris Proesmans, seminarist Brauns, Egide Koninckx en Juul Cools.

Terwijl in 1916 nog 7 van de 32 leden die we konden thuiswijzen naar het atheneum gingen, en er - net zoals in 1918-1919 - een groot aantal niet-studenten meedeed, waren er vanaf 1921 geen atheneumleerlingen meer in de bond. Het was wellicht ook op dat ogenblik dat de niet-studenten - die tijdens en onmiddellijk na de oorlog een belangrijk aandeel hadden in de werking - niet meer opnieuw aansloten. Ze werden toen meestal lid van de Koninklijke Maatschappij Minerva of van het Leesgezelschap. Misschien was dat één van de redenen waarom de nieuw begonnen kring voortaan enkel nog tijdens de drie schoolvakanties zou vergaderen, dus met Kerstmis, met Pasen en in de grote vakantie. Deze vakantiewerking, die in nagenoeg alle studentenbonden tijdens het interbellum gebruikelijk was, zou pas na de Tweede Wereldoorlog opnieuw in een jaarwerking worden omgezet.

Mogelijk was een andere reden daarvoor, dat vele Jonge Klauwaarts ook nog actief waren in andere verenigingen, in het bijzonder in de plaatselijke padvinderij. Al vóór 1914 waren in België de eerste scoutsgroepen opgericht, en hadden de katholieke groepen zich tot de Baden Powell Belgian Boy Scouts (BPBBS) gegroepeerd. Ook in Hasselt was in 1920 een dergelijke groep tot stand gekomen, waarvan ook veel collegejongens deel uitmaakten. Aanvankelijk was de interne verstandhouding en de relatie met het college uitstekend: de groep ging kamperen en trok «met de klaroenen van de garde civique en de trommels van het college door de stad». Maar in het derde trimester van 1921 ontstond onenigheid die zou leiden tot een scheuring en het ontstaan van een tweede scoutsgroep die vlaamsgezinder was dan de oude, nauwer aansloot bij het college en waarin vele Jonge Klauwaarts «als stichter of als lid» een belangrijke rol speelden(12).

De oorzaak van die scheuring was alweer de Vlaamse kwestie. De Katholieke Vlaamse Landsbond een overkoepelende vereniging van vlaamsgezinde knngen die zich achter het minimumprogramma schaarden, plande op de Pinksterdagen - 15 en 16 mei 1921 - haar tweede congres te Hasselt. Dat lokte heftig protest uit van Belgisch-nationalistische zijde. De zes nationalistische raadsleden uit de Hasseltse gemeenteraad lieten affiches van pamfletten verspreiden waarop zij het congres als een activistische en anti-vaderlandse manifestatie voorstelden. Toen in deze beroering collegedirecteur L. Engelen, die de dag mee inrichtte, beroep deed op de Hasseltse katholieke scoutsgroep om mee te werken, weigerde een deel van de groep daarop in te gaan, maar na heftige discussies besloot een ander deel positief te reageren. Deze vlaamsgezinde en christen-democratische vleugel vormde een nieuwe scoutsgroep, met volle steun van het college, en wist priester leraar Ludovic van Winkel, die bekendheid zou verwerven als jeugdschrijver Lod. Lavki, te bewegen de aalmoezeniersfunctie op zich te nemen, iets wat deze later ook deed voor de hele Limburgse gouw(13).

Over de vraag of er een goede verstandhouding zou kunnen bestaan tussen scouting en Katholieke Vlaamse studentenbeweging, ja of er misschien zelfs in de schoot van studentenbonden padvindersafdelingen zouden mogen ontstaan, zodat de werking zich op die manier methodisch zou kunnen vernieuwen, waren in het A.K.V.S. de meningen verdeeld. Tegenstanders van het «uitheemse gedoe» wisten hun wil door te drukken, zodat op de A.K.V.S.-landdag van Diest in 1921 scouting en studentenbeweging onverenigbaar werden verklaard. Het was begrijpelijk dat de Jonge Klauwaarts op hun eerste vergadering tijdens de grote vakantie van 1921, waar «het besluit van Diest» in verband met de padvinderij ter sprake kwam, beslisten zich daar niets van aan te trekken. Jonge Klauwaarts-voorzitter Pol Sterk fungeerde trouwens rond die tijd als «master» van de nieuwe collegegroep die na de scheuring tot stand kwam. De goede verstandhouding tussen beide verenigingen bleek toen in april 1922 de Jonge Klauwaarts «gretig het aanbod der scouten zich van hun lokaal te bedienen aanvaardden».

In de lijn van de koers die het A.K.V.S.-hoofdbestuur intussen uitzette, om de katholieke Vlaamse studentenbeweging compleet op eigen kompas te laten varen, en dus de invloed van buitenuit zoveel mogelijk te neutraliseren paste een ander besluit dat in Diest werd genomen: de besturen van de plaatselijke studentenbonden te reserveren voor collegeleerlingen, en op die manier de invloed van de seminaristen terug te dringen. Tegen dit besluit kwam zoveel protest van de basis, dat het in een aantal gouwen, waaronder Limburg, eenvoudig niet werd toegepast. De Jonge Klauwaarts besloten ook deze beslissing te negeren. Dat betekende geen hinderpaal om zich op dezelfde vergadering formeel aan te sluiten bij het A.K.V.S.(14).

In de zomer van 1921 vergaderde de Hasseltse bond vier maal en nam ook deel aan de Limburgse A.K.V.S.-gouwdag in Tongeren. Op deze bijeenkomst kwamen aan de orde: A.B.N., missie-actie, staatsinrichting, staatsgezag, Vlaamse en Belgische ziel, en een bespreking van een werk van Verschaeve. De spanningen tussen Belgisch-nationalen en vlaamsgezinden in Hasselt, die na het Pinkstercongres van de Katholieke Vlaamse Landsbond in het vooruitzicht van de parlementsverkiezingen van november 1921 bleven bestaan, vormden hiervoor het decor. Hierin paste ook de verontwaardiging van de Jonge Klauwaarts over het verbod van de Brusselse burgemeester Max om een 11 juli-stoet te houden, intussen waren de Vlaamse verwachtingen hoog gespannen: de nieuwjaarswens van seminarist Leopold vanden Houdt op de kerstvergadering luidde immers: «Moge de Heer het jaar 1922 zegenen met een Vlaamse Hogeschool te Gent». Het was een echo van wat in Hasselt het belangrijkste twistpunt was geweest in de verkiezingspropaganda een maand eerder(15).

3. Een jonge generatie

Tijdens de paasvakantie 1922 manifesteerde zich een jongere generatie met als spilfiguren Paul Cools, die toen in de voorlaatste humanioraklas zat aan het klein seminarie van St-Roch, en Jan Wilms, toen laatstejaars in het college. Zij werden vanuit hun «revolutiehoek» met klank in het bestuur verkozen, samen met René Stassen, Jef van Wijck en de vroegere voorzitter Pol Sterk. Het jonge bestuur bestond uit collegeleerlingen, op seminarist Leopold vanden Houdt na, wiens mandaat werd verlengd, omdat er statutair ook een Luikse seminarist in het bestuur moest zetelen. «Flink zo - commentarieerde schrijver Juul Cools in het verslagboek - «nu hebben we een bestuur in de geest van Diest»(&6).

Bij de bestuursverkiezingen op het einde van de zomervakantie 1922 bleven Cools en Wilms in functie als voorzitter en schrijver. Andere bestuursleden werden Juul Roosen, Jan Proesmans, René Schoups, terwijl ook René Stassen bij de leiding bleef. In 1923-24 werd Frans Tempels voorzitter, maar de nu tot het gouwbestuur opgeklommen Leuvense student Paul Cools bleef nog vaak de facto verslagen van vergaderingen schrijven(17).

De nieuwe ploeg stuurde in 1922 direct propagandakaarten rond naar studerenden die nog geen lid waren, bestemde onmiddellijk  75 F uit de kas voor aankoop van «degelijke boeken» die de boekerij zouden stofferen, en plande de vakantiewerking al maanden op voorhand. Vanaf de zomer 1922 vonden de vergaderingen plaats «in het kleine maar gemoedelijke zaaltje» van het patronaat, waarnaar gewoonlijk een dertigtal leden afzakten. Toen het er eens wat minder waren werd als oorzaak gesignaleerd «dat de padvinders op camping waren», wat eens te meer het dubbel lidmaatschap en dus ook de goede verstandhouding tussen beide groepen bevestigde. Twee jaar later werd het «al te enge patronaatzaaltje» afgedankt ten voordele van de «ruime luchtige vlaamsgezinde Concordiazaal op de Havermarkt». Het was rond die tijd dat Paul Cools een nieuw bondslied schreef dat door Juul Cools op muziek werd gezet(18).

1922-1924 bracht voor de werking een ware bloeiperiode. Mijlpalen daarin waren verscheidene feestzittingen. In 1922 waren vele oud-leden, onder wie Eugeen Leën en Victor Nickmans, talrijke ouders en een grote groep jongeren in «een bomvolle zaal van het college» aanwezig voor een «luisterrijk toon- en letterkundig avondfeest», met o.m. de opvoering van een klucht in twee bedrijven getiteld De landbouwer van Chicago. De woensdag daarna vierden de groteren, samen met enkele oud-leden onder wie Jan Pricken nog na. Er werd muziek gemaakt, gezongen, gedanst en gesprongen onder het drinken van het «goudgele Vlaamse bier». In de zomer van 1923 werd een «koddige studentenrevue» opgevoerd. Met Pasen 1924 volgde de toewijding van de bond tot het H. Hart, waarbij de door de Hasseltse deken Broux gewijde H. Hartwimpel aan het bondsvaandel werd bevestigd, 's Avonds voerde de bond het toneelstuk op van Henri Ghéon: Van den man die dacht dat hij Sint Niklaas zag, met als toemaatje de revue Spokenketel(19).

Paul Cools, voorzitter van de Jonge Klauwaarts van 1921 tot 1923 en opnieuw in 1924-1925. Hij speelde tegelijk een vooraanstaande rol in het A.K.V.S. als bestuurslid en daarna voorzitter van gouw Limburg en als redacteur van DE BLAUWVOET. Zijn poging om de bond op het vlaams-nationalistische spoor te brengen mislukte door tegenstand van seminaristen.

In de grote vakantie 1924 vond ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de Jonge Klauwaarts de gouwdag in Hasselt plaats. «De geestdrift bleef tot 't laatste want nooit zag Limburg zulk mooi studentenfeest» noteerde de verslaggever. In de stoet stapten ook de padvinders van Hasselt en van Bree (waar ze deel uitmaakten van de studentenbond). De plechtige hoogmis werd «voor meer dan duizend studenten» opgedragen door de Hasseltse kapelaan Henricus Rutten, een naamgenoot van de bisschop, geassisteerd door zes priesters, met vaandels van 28 Limburgse bonden rond het altaar. Op de feestvergadering zegende de deken de H. Hartwimpel bedoeld voor de gouwdag, en  werd verder het woord gevoerd doorkapelaan Rutten, door de christen-democratische volksvertegenwoordiger Van Caenegem, en - namens de christelijke werklieden - door mijnwerker Jef Hermans. De dag werd besloten met een door de Jonge Klauwaarts opgevoerd toneelstuk De Hofslachter, dat daarna «verschillende malen moest hernomen worden, zelfs buiten Hasselt». Op een door de studentenbond van Beverlo ingerichte bedevaart naar O.L.Vrouw aan de Staak te Koersel in dezelfde grote vakantie, vertolkten de Jonge Klauwaarts liederen van E.H. Cuppens en speelden het toneelstuk Gebroodroofd.(20).

De gewone vergaderingen van de bond tijdens de vakanties werden doorheen de drie hier behandelde jaren geleidelijk uitgebouwd tot programmatische gehelen, doordat de thema's van de spreekbeurten die er door de leden werden naar voren gebracht, steeds meer op elkaar werden afgestemd. In de paasvakantie 1922 waren nog disparate letterkundige onderwerpen aan de orde, en ook tijdens de zomer van 1922 waren ze nog niet gestroomlijnd. Toen klaagde de voorzitter trouwens over de daling van het peil ervan naar het einde van de vakantie toe. Vanaf de zomer 1923 begon de orkestratie: er werden toen zeven bijeenkomsten gehouden met als centraal thema «Vlaanderen's grootheid», dat dan telkens werd gestoffeerd met onderwerpen als Vlaamse muziek, Vlaams toneel, en Vlaamse letterkundigen. In 1924 werd het programma nog beter doortimmerd: de rode draad was Limburg. Zijn studentenbeweging, geschiedenis, letterkunde, kunst, wetenschap, folklore en nijverheid passeerden achtereenvolgens de revue op evenzoveel vergaderingen. Met Pasen 1925 kreeg Gezelle volgens hetzelfde stramien alle aandacht op de drie vergaderingen(21).

Toneelvoorstelling door de Jonge Klauwaarts en de
Erewacht van 't Allerheiligst Sacrament op 14 september 1925

Het programma bestond niet enkel uit spreekvergaderingen. Wekelijks hielden de Jonge Klauwaarts een communiemis, deden ze een grote uitstap bv. naar Kiewit, naar Winterslag, of naar de Bolderberg waar een «eekhoorntjesjacht» werd georganiseerd. Deze ontspannende activiteiten werden na verloop van tijd in samenwerking met de Erewacht op het getouw gezet. Dat was een in 1907 opgerichte vereniging die zich onder leiding van een priester-bestuurder en seminaristen tot doel stelde voor de Hasseltse jongens tijdens de vakantie gezonde ontspanning te verzekeren, om hen te behoeden «voor de vele gevaren die de jeugd in de stad bedreigden». Ze «verzamelde tweemaal per week in het college tijdens het verlof. Er werd dan o.m. een soort «oorlog» gespeeld met rieten schilden en kleine balletjes. Nadien had een lof plaats met een «overweging».» Haast alle leden van de Jonge Klauwaarts waren er bij aangesloten, maar het omgekeerde was niet het geval. Zeker vanaf 1924 werd in een gezamenlijk gedrukte circulaire het programma voor de komende vakantie aangekondigd. De vergaderingen van Jonge Klauwaarts en Erewacht waren dus complementair. Rivaliteit tussen beide bestond niet(22).

Naast de gewone activiteiten waren er nog bijzondere. Een ervan was de jaarlijkse bedevaart naar Scherpenheuvel, waarbij telkens een aantal moedige Jonge Klauwaarts 's nachts te voet de weg aflegden en daarna vervoegden ze - zoals in 1922 - «zonder al te erg hinken te Scherpenheuvel de scouts, voor een groot deel Jonge Klauwaarts». Zo werd ook meegedaan aan de Sint-Jan-Berchmansbedevaart in Diest, die op de feestdag van de heilige voor de hele Vlaamse studerende jeugd werd ingericht door de plaatselijke studentenbond, en stapten de Jonge Klauwaarts ieder jaar op in de Hasseltse processie. Er waren ook tijdens de paasvakantie de gewestdagen van de Middengouw, achtereenvolgens van 1922 tot 1925 in Genk, Alken, Bilzen en Beringen, en tijdens de grote vakantie de Limburgse gouwdagen in Hasselt (1923, 1924 en 1925). Of er veel Jonge Klauwaarts naar de landdagen voor het hele A.K.V.S. trokken, behalve dan in 1922 toen die in Hasselt zelf plaatsvond, is twijfelachtig(23).

Met een dergelijke palmares was het niet verwonderlijk dat andere bonden naar Hasselt opkeken. In de zomer van 1922 kregen de Jonge Klauwaarts de prijs voor de beste werking van het Middengewest, twee jaar later voor de beste werking van de hele gouw. Het A.K.V.S. ledenblad De Blauwvoet zwaaide met wierook, en de leden waren «zeer in hun schik» toen Paul Cools, die als lid van het gouwbestuur een propagandatochtje had gemaakt, vertelde «dat de andere bonden onze Hasseltse studentenbond quasi als toonbeeld voor ijverige werking namen»(24). De nieuwe generatie had de bond naar hoge toppen gevoerd.

4. A.K.V.S. en Vlaams-Nationalisme

De politieke zijde van de Vlaamse beweging kwam in de Hasseltse bond eerder sporadisch aan bod, ook tijdens de bloeiperiode. Op de eerste vergadering onder leiding van de jongere generatie in de zomer van 1922, was het doel van de beweging nog eens duidelijk geformuleerd: nu zich voorbereiden in de studentenbeweging om later het Vlaamse volk te kunnen leiden, betekende zijn Vlaamse overtuiging sterken, maar - even belangrijk - door zelfopvoeding werken aan zijn eigen karaktervorming. Een «frontheld» als Renaat de Rudder gold daarbij als voorbeeld. De vernederlandsing van de Gentse universiteit was in deze jaren de enige concrete politieke eis. De belangstelling daarvoor werd gewekt door de actualiteit: tussen 1921 en 1923 kende een wetsvoorstel in die zin een ware lijdensweg in het parlement. De Jonge Klauwaarts besteedden er aandacht aan in 1922 en 1923. Al staken ze daarmee gunstig af tegenover andere Limburgse bonden, in de gehele studentenbeweging waren ze geen uitzonderingen. In 1921-22 kwam het thema tenminste in ca. 40% van de studentenbonden ter sprake en het jaar nadien in 53% (op het totaal van de bonden waarover we inhoudelijke informatie hebben)(25).

Daaruit bleek al dat de bond niet leefde in een ideologisch vacuüm. Vooral niet omdat Paul Cools en Jan Wilms, de drijvende krachten van de «jonge generatie», bestuursfuncties gingen bekleden in het A.K.V.S. en het Leuvens studentenverbond, en tegelijk toch contacten bleven onderhouden met de Hasseltse bond(26). Dat in die omstandigheden Leuvense invloeden Hasselt zouden bereiken lag voor de hand. In die Leuvense studentenwereld en het te Leuven gevestigde hoofdbestuur van het A.K.V.S. tekende zich in het begin van de jaren twintig een snelle radicalisering af. Ze werd in de hand gewerkt door het verlies van vertrouwen in de Vlaamse leiders die het minimumprogramma verdedigden, maar in 1923 instemden met een compromisoplossing voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Toen werd een tweetalig stelsel goedgekeurd met naargelang de afdeling een overwegend franstalig of nederlandstalig lessenpakket. Ontgoocheld zocht de leiding van de Leuvense studentenbeweging en van het A.K.V.S. naar een nieuw programma, dat meer inspirerend was dan het nu halfslachtig bevonden minimumprogramma, en vond dat in de opbouw van een katholiek Vlaams-nationalisme(27).

Zoals hun collega's van de andere provincies probeerden de Leuvense studenten die in het Limburgse gouwbestuur zetelden vanaf 1923-24 dit nationalisme door te drukken bij de bonden. Dat lokte reactie uit bij de seminaristen die sommige bonden lieten protesteren, en wekte toen ook al wantrouwen bij bisschop Rutten, die nog wel hoopte op kentering, maar als eerste stap naar een grotere coördinatie van het jeugdwerk in Limburg, zijn naamgenoot de Hasseltse kapelaan tot diocesaan jeugdproost benoemde. Op de gouwdag van 1924 in Hasselt - tevens jubelviering voor de 40-jarige Hasseltse bond - beklemtoonde de Limburgse A.K.V.S.-leiding het katholieke karakter van de beweging, maar hoedde er zich voor met een woord over Vlaams-nationalisme te reppen(28).

Dat was wel het geval op de algemene A.K.V.S.-landdag te Lier amper twee weken later. Daar was het katholiek Vlaams-nationalisme zelfs het hoofdpunt van discussie. De Leuvense studentenelite, was minder dan ooit geneigd in te binden, tengevolge van een conflict dat sinds de paasvakantie 1924 was uitgebroken tussen de rector en het Leuvense Studentenverbond. Het conflict duurde ook bij het begin van het nieuwe academiejaar 1924-25 nog voort, en stijfde de Limburgse A.K.V.S.-leiding in haar overtuiging op het einde van dat jaar dat katholiek Vlaams-nationalisme als grondslag voor de gouwwerking te doen aanvaarden. Maar ze kon dat plan niet doorvoeren omdat de ontknoping van het Leuvense conflict de bisschop deed ingrijpen.

Uit L. Vos, Bloei en ondergang van het A.K.V.S., dl. A. p. 178

Toen in februari 1925 de Leuvense actievoerders een oproep deden .tot de gelovigen om bij de jaarlijkse kerkomhaling ten voordele van de katholieke universiteit hun bijdrage te weigeren, zagen rector en bisschoppen immers de kans schoon om met «de opstandige studenten» af te rekenen. Bisschop Rutten liet onmiddellijk vanaf de kansel de «opstand tegen het gezag» van «enkele ongelukkige, afgedwaalde jongelingen» veroordelen, maar toen hij zag dat desondanks net voor de paasvakantie het Limburgse gouwbestuur toch een nationalistische «leidraad» aan de bonden voorschotelde, besloot hij tot een drastische ingreep.

Vooraleer op de A.K.V.S.-gouwbestuursvergadering van 14 april te Hasselt, de bespreking over de «leidraad» kon beginnen, deelde kapelaan Rutten, die er als diocesaan jeugdproost aanwezig was, het besluit van de bisschop mee: de katholieke Vlaamse studentenbeweging van Limburg moest zich afscheuren van het A.K.V.S., mocht het A.K.V.S.-blad De Blauwvoet niet meer als zijn orgaan beschouwen, diende België als zijn vaderland te blijven erkennen, en zou onder leiding van seminaristen vanuit Luik worden heringericht «om te blijven meehelpen aan de vorming van degelijke katholieke vlaamsgezinden».

De Leuvense studenten werden nu geweerd uit het nieuwe bestuur, dat met kapelaan Rutten als proost uitsluitend uit seminaristen bestond. Het probeerde de Limburgse studentenbonden te bundelen in een Limburgs Katholiek Vlaams Studentenverbond (L.K.V.S.). Van hun kant vormden de gewraakte Leuvense gouw-bestuursleden een Limburgs A.K.V.S.-gouwbestuur en bleven de Limburgse bonden oproepen trouw te blijven aan het A.K.V.S., dat op zijn landdag te Brugge in de zomer van 1925 plechtig het katholiek Vlaams-nationalisme tot leidend beginsel proclameerde. Gealarmeerd door de groeiende aantrekkingskracht van dat nationalisme, dat zich ook tijdens de parlementsverkiezingen van april 1925 had gemanifesteerd, en met provincieraadsverkiezingen in november 1925 voor de deur, veroordeelden de bisschoppen in oktober 1925 in een gezamenlijk schrijven het Vlaams-nationalisme.

In Hasselt was tijdens de grote vakantie 1925 de bondswerking gewoon doorgegaan, in weerwil van het conflict op gouwvlak. Samen met de Erewacht richtten de Jonge Klauwaarts op 14 september 1925 in de feestzaal van het college een «Luisterrijke Toneelavond» in met liefst drie stukken op het programma: het sprookjesspel De schone nacht van Janneman (C. Lindemans), het «fantastische» spel Ambrosius verliefd (W. Hegeling), en de «nieuwe christelijke kluite» Jan die niet naar de hemel wou (E. Amter)(29). Maar tijdens de kerstvakantie 1925-26 gingen de poppen aan het dansen.

De nieuwe gouwvoorzitter Paul Cools startte toen een tegenoffensief. Hij belegde in Hasselt een studiedag, waarop de zwenking van het A.K.V.S. naar het Vlaams-nationalisme werd gelegitimeerd vanuit «de historische lijn der Vlaamse studentenbeweging». Nu kwam het op de vergadering van de Hasseltse Jonge Klauwaarts tot «een geschil» tussen de seminaristengroep, met o.m. Juul Cools en proost Jozef Brauns, en de Leuvense studenten rond Paul Cools en Jan Wilms. De ruzie ging «omtrent 'n vergadering door deze laatsten belegd buiten het weten van het bestuur der Jonge Klauwaarts. Gevolg: de leden van het A.K.V.S. bieden hun ontslag aan als leden van de bestaande bond der Jonge Klauwaarts». Deze voorzichtige formuleringen uit het verslagboek verwijzen naar een bikkelharde confrontatie over de vraag of de Jonge Klauwaarts al dan niet bij het A.K.V.S. aangesloten zouden blijven, ondanks het verbod van bisschop Rutten en de bisschoppelijke veroordeling van het Vlaams-nationalisme(30).

Verslaggeving in het A.V.K.S.-tijdschrift DE BLAUWVOET
over de werking van de Jonge Klauwaarts tijdens de grote vakantie 1924

De ontknoping was dat de  A.K.V.S.-gezinden, met meeneming van de bondsvlag, een aparte bond gingen vormen, die zichzelf aanzag als de enige rechtmatige voortzetting van de oude Jonge Klauwaarts-gilde. Dat ze in die omstandigheden maar een minderheid van de leden mee konden krijgen, en de meerderheid onder proost- en seminaristenhoede bleven, was begrijpelijk. Pas «na veel palavers - en vaderlijke tussenkomst van politiecommissaris Colemont - gingen de vlaggen - die van de bond én van de gouw - naar de talrijkste groep, die der seminaristen», zo vertelde het veertig jaar later Paul Cools, die de vaandels anderhalf jaar bij hem thuis had gehouden. In het overgeleverde verhaal over het eigen verleden bleef in de bond van deze episode vooral «de vlaggenhistorie» bewaard, ook omdat in augustus 1927, toen de vlag opnieuw boven water was gekomen, in het bondsblaadje het incident in persiflerende stijl bewerkt werd tot een «Klucht in drie bedrijven»(31).

De Hasseltse seminaristenbond vormde samen met die van Sint-Truiden, waar zich een gelijkaardige ontwikkeling had voorgedaan, de belangrijkste steunpunten van het nieuwe L.K.V.S., dat in 1926 nog moeite had om van de grond te raken. Dat lukte pas nadat vanaf 1927 de Hasseltse kapelaan Rutten als diocesaan jeugdproost was opgevolgd door de uit Sint-Truiden afkomstige doordrijver Gerard Philips, die het L.K.V.S. ook inschakelde in de Katholieke Actie.

In 1925 werd onder impuls van bisschop Rutten het Katholiek Limburgs Studentenverbond, oftewel Limburgs Katholiek Vlaams Studentenverbond (L.K.V.S.) ingericht, onafhankelijk van het vlaams-nationalistische A.K.V.S. De Jonge Klauwaarts schaarden zich in de loop van 1925-1926 achter het vaandel van de bisschoppelijke studentenbeweging. De lidkaarten van Joris Proesmans uit 1924-1925 en 1925-1926 tonen deze evolutie aan. De eerste kaart was ondertekend door bondsvoorzitter Paul Cools. de tweede door gewest- (en bonds- ?) voorzitter Juul Cools.

5. Doe wel en zie niet om

In 1927 slaagden de Luikse seminaristen die de coördianatie van de katholieke Vlaamse studentenbonden in Limburg op zich hadden genomen, erin een regelmatige werking op het getouw te zetten. Zij lanceerden in september 1927 een eigen tijdschrift, Jong Limburg, waarin al in de loop van de eerste jaargang verslagen waren opgenomen over de werking van 31 Limburgse bonden, waaronder de Jonge Klauwaarts. Met Pasen 1928 werden gewestdagen belegd en in de grote vakantie een gouwdag te Hasselt(32).

De Leuvense A.K.V.S.-leiding voor Limburg, in 1925-26 nog o.l.v. Paul Cools, probeerde intussen tevergeefs in Limburg voet aan de grond te blijven houden, en kreeg daarbij de steun van enkele seminaristen voor de uitgave van het sluikblad De Kabouter (1926-1931) dat propaganda maakte voor het A.K.V.S.(33). Maar dat bracht niet veel aarde aan de dijk. In het Zuiden en midden van Limburg -waartoe ook Hasselt behoorde - was de zaak in 1927 al hopeloos. Op de A.K.V.S.-gouwdagen verminderde het aantal Limburgse scholieren snel, al herinnerde Paul Cools zich nog dat enkele Jonge Klauwaarts de wel onder de A.K.V.S.-vlag aangekondigde gouwdag te Maaseik in 1931 bijwoonden. In 1927-28 waren er nog 12 Limburgse bonden trouw aan het A.K.V.S. maar ieder volgend jaar verminderde het aantal: 10, 9, 8 tot 3 in 1931- 32. In 1934 vond de laatste A.K.V.S.-gouwdag plaats met een handjevol getrouwen(34).

Het succes van het L.K.V.S. was voor een groot deel het gevolg van het kerkelijk optreden, dat vanaf 1928 een nieuwe dimensie kreeg toen in Vlaanderen officieel de Katholieke Actie voor de jeugd werd gelanceerd. De Katholieke Actie (K.A.) was de georganiseerde deelname van de leken aan het apostolaat van de Kerk, onder leiding van de kerkelijke hiërarchie. Door de jeugd in het gelid te brengen, hoopte deze de dreigende secularisering een halt te kunnen toeroepen en zelfs het maatschappelijk leven opnieuw te kunnen «veroveren voor Christus». De grote promotor ervan was paus Pius XI, de «paus van de K.A.», die een beroep had gedaan op de jeugd. Als antwoord daarop was in Wallonië een heel nieuwe jeugdorganisatie tot stand gekomen, die al in de eerste helft van de jaren twintig grootse schouwdagen hield, wat de vraag deed stellen: «waar blijft de Vlaamse jeugd?»(35).

In Vlaanderen was de jeugd intussen al in allerlei verenigingen georganiseerd. De K.A. zou daarop verder moeten bouwen. Hoe precies, daarover waren de meningen verdeeld. In feite stonden twee concepties tegenover elkaar: die van de «zuivere K.A.», die zoveel mogelijk uitsluitend een kerkelijk apostolaatswerk wou zijn, en die van een K.A. die verweven zou zijn met het sociale of breed maatschappelijke doel dat de bestaande verenigingen totdantoe nastreefden. Voor de studerende jeugd, die immers via de studentenbonden ingeschakeld was in de Vlaamse beweging, had dat belangrijke consequenties. Konden studentenbonden alszodanig aan K.A. doen? Die vraag werd verschillend beantwoord in elk bisdom. In Limburg bestond sinds 1925 het L.K.V.S., dat «in orde» was met de kerkelijke overheid, en een niet-nationalistische cultureel Vlaamse werking propageerde. Daarom werd dit L.K.V.S. behalve coördinator van de Vlaamse actie ook K.A.-organisme.

De K.A. voor de jeugd in Vlaanderen werd in augustus 1928 gelanceerd op een grote «schouwdag» te Antwerpen. Met tienduizenden andere jongeren namen ook de Jonge Klauwaarts eraan deel. Als koepel voor de coördinatie was er met Pasen 1928 een Jeugdverbond voor Katholieke Actie (J.V.K.A.) in het leven geroepen, en in de jaren daarna werden in West-Vlaanderen en Limburg ook diocesane J.V.K.A.-raden opgericht. Overal gold dat de naar stand ingedeelde verenigingen (voor arbeiders-, boeren-, midden­standers-, werkgevers- en studerende jeugd) tot volwaardige    K.A.-organismen werden gepromoveerd.

Later zouden patronaten, scoutsverenigingen en zuiver godsdienstige genootschappen het statuut krijgen van «hulpwerk voor K.A.». Vooral de bisschoppen van Brugge en Luik steunden die initiatieven. In Luik was bisschop L.J. Kerkhofs sinds 1927 Rutten opgevolgd. Hij spoorde in 1929 en 1930 zowel gelovigen als clerus - in het bijzonder de collegeleraars - aan zich actief voor de K.A. in te zetten, woonde zelf J.V.K.A.-dagen bij, en verbood anderzijds uitdrukkelijk scholieren deel te nemen aan A.K.V.S.-dagen.

In de jaren 1927-1932 bleven de Hasseltse Jonge Klauwaarts, zoals de meeste Limburgse studentenbonden, ondanks hun afscheuring van het A.K.V.S. en aansluiting bij het L.K.V.S. hun traditionele activiteiten voortzetten. De L.K.V.S.-bond werd trouwens na enige tijd de enige Hasseltse bond, omdat de A.K.V.S.-getrouwen het «onder druk van de seminaristen én van de ouders» onmogelijk langer konden uithouden, zodat hun werking «uitdoofde». Zoals in het verleden bestond er een goede samenwerking en taakverdeling met de Erewacht, die zaterdagnamiddag «op de speelplaats van de internen» speelde, met daarbij aansluitend 's avonds vergadering van de Jonge Klauwaarts(36).

Die vergaderingen kenden het traditionele stramien van spreekbeurten, declamaties en liederen. In 1927-28 werd gesproken over Rubens, fakirisme, Alfons Jeurissen, Hugo Verriest, folklore en Ahasverus, het jaar nadien over A.B.N., de Vlaamse taal, Adama van Scheltema, Tolstoï, het mierenleven, Karel van de Woestijne, Gezelle, Joe English, electriciteit, een reis naar Lourdes en nog twee voordrachten over de Vlaamse beweging. Geregeld werden bovendien opstel- en declamatieprijskampen georganiseerd. Vanaf 1927 bestond er ook opnieuw een aparte afdeling voor ouderen en voor jongeren (zoals in de A.K.V.S.-tijd sinds 1924). De vaderlijke commentaar van de L.K.V.S.-leiding luidde: «Ge hebt uw best gedaan jongens, doch tracht uw Vlaamse werking wat steviger in te richten». Daar werd wat aan gedaan door deelname aan de IJzerbedevaart in 1930 en 1932, en aan diverse Vlaamse gouw- en gewestdagen o.m. in Alken (1928) Diepenbeek (1929), Tongeren (1932), soms bij jubilerende bonden zoals in Bree (1929), Bilzen (1930) Genk (1932), Overpelt (1933)(37).

Naast deze «ernstige» activiteiten waren er nog steeds veel «leutige». In de kerstvakanties stelde collegedirecteur J. Michiels (1925-1964) het klasje dat tegen de kapel was aangebouwd of het lokaal gelegen aan de Stadsomvaart (het zgn. «Cinemazaaltje») ter beschikking, zodat de Jonge Klauwaarts er konden komen dammen, kaarten of schaken. De bondsbibliotheek, die ook in het college was ondergebracht, bleef functioneren voor de eigen leden. Het verslag van de paasvakantie 1929 vermeldde naast de gewone vergaderingen, «'n half dozijn uitstappen en lustige bijeenkomsten». Op woensdag te voet naar Paalsteenhoeve, naar Rooierheide of naar de kluis van Bolderberg, waren tochten die bleven leven in de herinnering(38).

De traditioneel geworden nachtelijke bedevaart te voet naar Scherpenheuvel was onvergetelijk voor wie ze meemaakte: «Bij het twaalfde klokje kwamen we samen onder de toren van de (Hasseltse) hoofdkerk... eerste halte in de Diesterstraat in een toenmalige frituur. Ook in Herk-de-Stad werd even halt gehouden. Om 5 uur kwamen we aan in Diest aan de kerk van de Kruisheren waar we de mis afwachtten... De boterhammen werden opgegeten na de eucharistieviering en de «kleinen» afgehaald aan de statie van Diest. Om 10 u. mis in Scherpenheuvel. Dan te voet naar Averbode voor een bezoek aan de abdij en spelen in de bossen tot 17 uur. Weer te voet, nu naar Zichem, en daar nam groot en klein de trein naar Hasselt. Ik zie me nog goed zitten thuis - zo besloot Albert de Booseré zijn verhaal - terwijl mijn moeder mijn schoenen uittrekt en mijn voeten verzorgt»(39).

De Jonge Klauwaarts bij de viering van hun 45-jarig bestaan op 9 september 1929.
V.l.n.r. gehurkt. C. Frederix, M. Crondelings. A. Martens. H. Vanstreels, W. Caubergli. L. Perilleux. A. Vanderleyden (schrijver). 
2e rij:  E.H.  Mathieu  Bouveroux,  I. Hermans. P. Vanderleyden,  ?.  M.   Caubergh, ].  Martens,  P.  van Brabant.  P.  Cosemans,  E.  Martens, W. Theunissen, P.  Tournel, Robijns, Houben, E.H.  Tony Smets.
3e rij: E.H.
Jozef Brauns (proost), A. Co,. A. Tournel. Dewit, P. Hanen, J. Dirix, L. Thijs. J. Vanvoorden, P. Debatty, E.H. Lode Bouveroiix.
4e rij: J. Caslermans, J. Caubergh, Jac. Vanderleyden, J. Broeders, ]. Thoelen, A. Martens. J. Tournel, A. Cosemans, A. Stoffels, A. de Boo sere, A. Castermans. H. Coppens.
5e rij: J. Vreven, J. Roosen, J. Hermans, J. Kleykens (boekbewaarder), J Smets, F. Hermans (voorzitter), ]. Smets, H. Perilleux, J. Buckinx, C. Martens, A. Hermans.
(Identificatie overgenomen uil het gedenkboek van 1959).

Lode Bouveroux, proost van de Jonge Klauwaarts van de beginjaren dertig tot 1951

In de jaren dertig werden de Jonge Klauwaarts ook steeds meer pedaalridders, die Limburg gingen verkennen, bv. naar het Maasland in 1927, of naar Sint-Truiden om te verbroederen met de plaatselijke bond in 1929, of nog naar Herkenrode en Zolder in  1931. In 1932 werd voor het eerst per fiets een trektocht van een hele week ondernomen, helemaal naar West-Vlaanderen met een bezoek aan de Ijzerstreek. Ook naar gouw- en gewestdagen ging de tocht meestal per fiets. De grotere aandacht voor het openluchtleven bleek ook uit de toenemende sportbeoefening. «Zo kunnen we bestatigen - aldus het jaarverslag van 1932 - dat ook op sport en toeristisch gebied de dappere Jonge Klauwaarts hun man kunnen staan»(40).

Toneel bleef in deze jaren een regelmatig weerkerende activiteit. Grote steun ondervonden de Jonge Klauwaarts daarbij van Lode Bouveroux, proost sinds de beginjaren dertig, in opvolging van zijn broer Mathieu, die zelf in de zomer van 1929 deze functie van Jozef Brauns had overgenomen. Opgevoerd werden: Ze deden als mama (september 1929), Smedje Smee en De wonderbare ster (1930), De klucht van meester Patelijn (paasvakantie 1931), Baas Best (1934), De weg terug (februari 1936), Paardsdemer nr. 37 (februari 1937), Van de dood die bijna stierf (februari 1938), De club van vier en De klucht van dr. Pantouflus (januari 1939), De ingebeelde zieke (januari 1940) dat een tweede opvoering kende ter ontspanning van de gemobiliseerde soldaten op 9 februari 1940, terwijl in de loop van hetzelfde trimester voor de internen van het college Boerke Naas voor het voetlicht werd gebracht, en een tijdje later voor de hele humaniora Rakkers op avontuur. Bovendien nodigden de Jonge Klauwaarts bij hun halve eeuwfeest het Vlaamse Volkstoneel uit dat Lamme speelde, en in januari 1935 de Kristene Vlaamse Speelgezellen die Verschaeve's Judas brachten.

De opbrengst was in 1931 bestemd voor de Rome-bedevaart die de studerende jeugd van het J.V.K.A. in september ondernam. In 1932 werd de winst afgestaan aan de missies, en in 1933, toen «Jan Overdaad» voor het voetlicht werd gebracht, aan het Renaat de Rudderfonds, aan het A. Jeurissencomité en aan de Katholieke Vlaamse Radio-omroep. Tijdens de kerstvakantie 1935 werd samen met de scouts en het Davidsfonds een muziek- en toneelavond georganiseerd, waarvan de opbrengst, 800 F , «uit piëteit» en «als dankbare huldeblijk» geschonken werd aan het comité dat een Eugeen Leën-prijs ter aanmoediging van de letterkundigen uit Limburg wilde oprichten (Leën was op 20 augustus 1932 plots overleden). Ook in 1936 was de opbrengst voor dat comité, en in 1937 voor de K.A.-fanfare(41).

Vanaf 1927 beschikte de Hasseltse bond over een eigen bondsblaadje, getiteld: De Jonge Klauwaert. Het was een handgeschreven en in blauwe alcooldruk gepolycopieerd tijdschriftje op schoolschriftformaat, dat voor het eerst van de «Ruusbroeck»-persen rolde met Pasen 1927. Albert de Booseré herinnerde zich dat Jozef Pasquasy «omwille van zijn mooi handschift» de tekst schreef, en het boekje dan bij hem thuis «exemplaar voor exemplaar op de plaat werd gedrukt. De hele living en de «goede kamer» lagen vol met drogende bladen». Het verscheen één of enkele keren per jaar in een onafgebroken ritme tot 1930, kende een vierde jaargang in het jubeljaar 1934, en verscheen zeker ook nog in 1935. Het telde acht tot twaalf pagina's. Het droeg de aloude bondsspreuk «Doe wel en zie niet om» als motto, een spreuk die na het conflict met het A.K.V.S. wel zeer toepasselijk was(42).

In het eerste editoriaal werd onderstreept dat de bond vorming wou bieden op godsdienstig en op Vlaams-cultureel gebied, «natuurlijk de richting volgde die door de kerkelijke overheid was aangeduid» en dus aangesloten was bij het L.K.V.S. Verder was de inhoud zeer gevarieerd: een woordje van de redactie, gelegenheidsartikels, verslagjes en uitstappen, een kalender, gedichten, rebussen, raadseltjes, moppen en veel eigen werk van de leden,  dat door een criticus ook ernstig werd besproken. Als een soort vervolgverhaal werd ook op basis van het verslagboek de geschiedenis van de Jonge Klauwaarts uit de doeken gedaan, er kwam een oud-lid missionaris aan het woord die «een vakantiedag in Afrika beschreef», en ook het toneelstukje «Een Vlaggehistorie» werd opgenomen. Volgens de bondstraditie lag het succes van De Jonge Klauwaert, dat tot ver buiten de eigen kring werd gelezen, aan de basis van het tijdschrift Jong Limburg, dat vanaf september 1927 door het Luikse L.K.V.S.-bestuur werd gelanceerd. Het Hasseltse blad maakte er in elk geval propaganda voor.

In deze traditionele bondswerking sijpelde geleidelijk toch de vernieuwing van de K.A. door. In de zomer van 1929 kwamen enkele Jonge Klauwaarts samen, «o.l.v. een rustend priester, de E.H. Hausen, in een huis tegenover de voormalige kazerne van Herkenrode in de Maastrichterstraat» om zich te bezinnen over de manier waarop «de nieuwe K.A.-gedachte ingang kon vinden in de studentenmassa». Het groepje dat zich daarvoor inzette, bestond o.m. uit Felix Verwilghen, Charles Indekeu, Jozef Pasquasy, Bert Roosen, Karel Geukens, Bert Jans, Jules Haenen en Albert de Booseré. Het viel na 1929 uiteen in twee groepjes, maar kwam opnieuw samen in 1933. Het noemde zijn streven «Zuivere Katholieke Actie» (Z.K.A.), een benaming waarin duidelijk de invloed doorklonk van de Westvlaamse K.A.-conceptie(43).

De doorbraak van de K.A.-gedachte kwam er door de Romebedevaart in september 1931 en door de invloed van het Westvlaamse K.A.-blad Hernieuwen, dat toen, mee tengevolge van de spaaractie die de Romebedevaart voorbereidde, in Hasselt «als een lopend vuur de speelplaats veroverde». Naar Rome gaan was natuurlijk een buitenkans en in de paasvakantie werd door verscheidene studentenbonden - ook door de Jonge Klauwaarts - en door een groep seminaristen «die in tien dagen de ronde van Limburg maakten» toneel gespeeld om het Romefonds te spijzen(44).

De helft van de 604 deelnemers aan de tocht naar Rome kwam uit West-Vlaanderen, een derde uit Limburg. De Hasseltse Jonge Klauwaarts bezetten de eerste treinwagen. De bedevaart kende een dramatische ontknoping omdat de paus de bedevaarders verweet tegen de wens van de bisschoppen in niet met de franstalige K.A. samen te werken. Een verwijt dat eigenlijk ongegrond was. De deelnemers waren ontgoocheld en vernederd. Maar vooral door het optreden van de Limburgse proost Paul Vandermeulen, die samen met de Westvlaamse K.A.-proost Karel Dubois en Gerard Philips de leiding had van de bedevaart, werd de ontgoocheling omgebogen tot een offer, dat in een geest van blijde gehoorzaamheid gebracht moest worden, tot heil van de K.A. in Vlaanderen. Ook Jonge Klauwaart Felix Verwilghen die dertig jaar later op het gebeurde terugblikte had het zo verwerkt: «Dit was nu juist de toetssteen onzer jonge K.S.A.: zouden we verbitterd worden, zoals de vele jongens in Vlaanderen die niet met ons wilden opstappen ?... Deze Rometocht werd het uitgangspunt van de vernieuwing onzer studentenbeweging»(45).

Dit effect werd vooral bereikt door de vertoning, in het schooljaar dat daarop volgde, van de Romefilm. Dubois trok er mee langs de Westvlaamse en Limburgse colleges, o.m. ook in Hasselt. Een extra voorstelling op de L.K.V.S.-gouwdag te Genk was voor Dubois een gelegenheid om samen met Vandermeulen en Philips «de Limburgse studentenbeweging de weg van de K.A.» te wijzen. In de grote vakantie 1932 leidde die weg de Limburgse gouw naar Lourdes, waar in de schaduw van de Mariabasiliek in aanwezigheid van bisschop L.J. Kerkhofs, een onvergetelijke vergadering plaatsvond.

Gerard Philips, diocesane proost voor Limburg van het Jeugdverbond voor Katholieke Actie (J.V.K.A.)
Het sterker doorwerken van het Westvlaamse zuiver-kerkelijke standpunt bleek uit een wijziging in het tijdschriftenbestand. Vanaf 1932 werd Hernieuwen over heel Vlaanderen het officiële K.A.-tijdschrift voor de collegejeugd. Het was op een paar jaar tijd uitgegroeid van een blaadje genre «Bond van het H. Hart» tot een luchtig, met veel foto's geïllustreerd jeugdtijdschrift, dat alle maatschappelijke problemen vanuit zuiver kerkelijk standpunt aan de orde stelde(46).

Vanaf 1932-33 werd de K.A.-lijn in Hasselt dominerend, onder stuwing van de Z.K.A.-ers Karel Geukens en Albert Roosen, die samen met Leo Perilleux, Hendrik Koppers en proost Lode Bouveroux, het bestuur vormden. Het bracht een sterkere beklemtoning van het godsdienstig-kerkelijke element in de werking mee. Er werd een missie-avond georganiseerd en een film vertoond over Franciscus Xaverius, een paushulde gehouden bij de tiende verjaardag van Pius XI 's pontificaat en in de spreekbeurten kwamen onderwerpen aan de orde als: pater Damiaan, de Witte Paters van Afrika, de nieuwe jeugd, de jeugd in Rusland, kerk en staat, liberalisme en socialisme. Gouwactiviteiten stimuleerden dit aandachtsveld: in 1933 een Poppe-hulde in Leopoldsburg en een Jeugddag voor K.A. in Sint-Truiden, in 1934 op 4 april een K.A.-studiedag in Hasselt, terwijl ook geregeld door de gouw ingerichte studentenrecollecties ingeburgerd raakten. De groeiende K.A.-geest in Limburg werd aangewakkerd door de mededeling dat in 1933 70% van de 1.260 leden der 42 Limburgse studentenbonden dagelijks de H. Mis bijwoonden. Een nieuwigheid in de Kerstvakantie 1933-34, via Hernieuwen en het J.V.K.A. uit Oost-Vlaanderen overgewaaid, was het inrichten - in samenwerking met de padvinders en het patronaat - van een Driekoningenstoet, waarvan de opbrengst werd overgedragen aan het secretariaat van de Pauselijke Missiewerken in Sint-Truiden(47).

Op 15 en 16 augustus 1934 vierden de Jonge Klauwaarts onder voorzitterschap van Albert Roosen, hun gouden jubelfeest. De eerste dag werd ingezet met een communiemis en een gezongen dankmis. Dan volgde een feestzitting met de oud-leden waar proost Bouveroux een overzicht gaf van de vijftig jaar geschiedenis, en het woord werd gevoerd door advocaat J. Gruyters en oud-rector van de KU Nijmegen Paul Bellefroid. Daarna volgde een feestmaal dat werd opgeluisterd door «virtuoos Juul Maris, die het beste haalde uit zijn snaarinstrument», 's Avonds was er de opvoering van het toneelstuk Lamme door de groep van Staf Bruggen. De tweede dag sloten andere bonden zich bij de viering van Hasselt aan, op een grote gouwdag met 500 deelnemers. De mis werd opgedragen door P.J. Broekx, en daarna kwam een academische zitting waar Paul Bellefroid een «bezielend woord» sprak, Jozef Droogmans de verwezenlijkingen van de Limburgse schrijvers in de verf zette, en Jan Grauls het had over de humor van de Limburgers. Na optocht en lof onderstreepte oud-lid minderbroeder Cesar Vandebeek het belang van de K.A. en bracht Berten de Clerck een broedergroet uit West-Vlaanderen, waarmee de Limburgse gouw de banden nauwer aansnoerde. De opvoering door de Jonge Klauwaarts van Baas Best was een waardige afsluiting van de feestelijkheden(48).

De viering van het vijftigjarig bestaan kwam volgens Verwilghen, toen hij er vijfentwintig jaar later op terugkeek, «juist ten gepasten ure. Ze gaf aan oud en jong een kans om de afgelegde weg te overschouwen en de nog niet bereikte   objectieven onder ogen   te nemen».  We kunnen ze beschouwen  als een symbolisch  eindpunt. Tot dan toe waren de Jonge Klauwaarts een deel geweest van de katholieke Vlaamse beweging. Van dan af waren ze op de eerste plaats een bond die ingeschakeld was in «het K.A.-leger» en «in de rangen van het J.V.K.A.», zoals voorzitter Roosen het in het in 1934 opnieuw verschijnende bondsblad De Jonge Klauwaert omschreef(49).

 

6. Een nieuwe synthese: K.S.A.-Jong Limburg

In de tweede helft van de jaren dertig kwam er onder invloed van het tijdsgebeuren een nieuwe orga­nisatorische vormgeving voor de katholieke Vlaamse studerende jeugd in Limburg.(50). Er kwam een split­sing binnen de bisschoppelijke studentenbeweging, tus­sen Katholieke Actie en de Vlaamse Actie. Beide rich­tingen kregen aparte gouwbesturen, waarbij de Vlaamse tak ondergeschikt werd aan de K.A.-tak. Deze laatste kreeg, ook als bewijs van zijn superioriteit, een eigen uniform: een blauw hemd, met zwart-geel chiro-kenteken en rood-wit gestreepte das. «Broeken waren er van alle soorten: lange, korte, evenals de verdwenen «klots» of «golfbroeken». De twee takken zouden samen één beweging vormen onder de benaming K.S.A.-Jong Limburg(51).

De splitsing was er alleen op het vlak van beleid, want de plaatselijke bonden bleven één. Ze deden zowel aan K.A. als aan Vlaamse actie. Op het niveau van gewest en gouw, was er telkens één door de bisschop aangestelde proost, een gewest- of gouwleider voor de K.A. en een ondervoorzitter die belast was met de Vlaamse actie. Hernieuwen en De Klaroen, waren de ledenbladen voor de K.A. en namen verslagen op van plaatselijke bonden m.b.t. K.A., Jong Limburg stimuleerde de Vlaamse werking. Vanaf 1934 vonden regelmatig aparte gouw- en gewestdagen voor K.A. en voor Vlaamse Actie plaats, o.m. in Hasselt op 21 april 1938. Tegelijk werd de K.S.A. geest in de colleges aangewakkerd door de verspreiding, van K.S.A.-tijdschriften ook buiten de enge kring van de K.S.A.-ers. Van De Klaroen werden er in 1936-37 160 abonnementen in het Hasseltse college geplaatst(52).

Titelblad van HERNIEUWEN, het Katholieke-Actietijdschrift voor de collegejeugd van Vlaanderen.

De Hasseltse Jonge Klauwaarts bleven in deze periode enkel tijdens de vakanties vergaderen, met succes blijkens de ledenaantallen. In 1934-35 met een aanwezigheidscijfer schommelend  tussen de 40 en 70 (met 41 deelnemers op de K.A.-dag in Alken op 24 april), in 1936-37 een ledenbestand van 101, in 1939-40 127, nl. 105 collegeleerlingen, 22 studenten en 9 seminaristen. Erewacht verdween als vereniging en benaming. In feite werden de activiteiten ervan grotendeels opgenomen in de werking van de Jonge Klauwaarts. De functie van vrijetijdsbesteding tijdens de vakantie voor de niet georganiseerde Hasseltse jeugd werd bovendien overgenomen door de patronaatswerking, die zoals op vele plaatsen elders, door leden van K.S.A. werd op gang gebracht en gedragen. In de grote vakantie van 1935 waren meer dan 20 ouderen drie maal per week actief op het vakantiepatronaat, m.a.w. de «speelpleinen» voor de volksjeugd(53).

In de tweede helft van de jaren dertig kan de werking van de Jonge Klauwaarts worden beschreven langs drie lijnen: de K.A., de Vlaamse actie, en de ontluikende jeugdbewegingsmethodieken. De K.A.-lijn kreeg o.m. gestalte in zgn. «offensieven». Het «misoffensief» in 1934-35 wilde elke vrijdag K.S.A.-ers in uniform groepsgewijs de mis laten bijwonen. Hasselt kreeg er een pluimpje voor: wekelijks waren er een 25-tal Hernieuwers aanwezig.(54). Zoals de K.S.A.-ers overal elders in Vlaanderen colporteerden ook de Jonge Klauwaarts op 15 augustus 1936 met De Waarheid, een brochure over «goede» en «slechte» pers, ter voorbereiding van het Vle Katholiek Congres dat door de bisschoppen werd samengeroepen, en waarvan de slotzitting in Brussel door 22 Jonge Klauwaarts werd bijgewoond. Dit «persoffensief» werd in 1937-38 herhaald. Het jaar nadien was het «radio-offensief» aan de beurt, waarbij steungeld moest worden opgehaald voor de Katholieke Vlaamse Radio-Omroep, en tegelijk ook een petitie ten gunste van deze zender ter ondertekening werd voorgelegd. In gewest Hasselt werden toen 13 parochies bewerkt, wat 8.052,02 F en 4.568 handtekeningen opleverde(55). Een bijzondere activiteit was een K.A.-radio-uurtje, dat door Hasseltse K.S.A.-ers bij het begin van de vasten 1936 werd verzorgd.(56).

Vanaf 1935 vonden jaarlijks in de zomer door de gouw ingerichte K.A.-studiedagen plaats in St.-Truiden, waar de K.A.-geest werd ingeprent. Dat gebeurde ook op talrijke leidersdagen, studieweken, retraites en recollecties. Bijzondere manifestaties waaraan ook Hasselt deelnam, waren: de toewijding van de Limburgse gouw aan O.L.Vrouw «koningin van de K.A.» op 1 mei 1936 te Kortenbos en de door K.S.A.-Jong Limburg in 1940 ingerichte «vredesbedevaart» naar Scherpenheuvel waar - één maand voor België werd meegesleurd in de oorlog - 70 Jonge Klauwaarts met het duizendtal aanwezigen om vrede baden(57).

De Vlaamse actie-lijn kwam naar voren in spreekbeurten over vlaamsgezinde onderwerpen als Verschaeve, de Ijzerhelden, de stamgenoten in Zuid-Afrika. Ze werd ondersteund door Vlaamse gouwdagen o.m. te Diepenbeek (1936) en Genk (1937), maar vooral door de lectuur van Jong Limburg, dat vanaf 1936-37 verscheen op groot formaat in een frisse lay-out met veel foto's en tekeningen, en waarin via systematisch uitgewerkte studieplannen veel «stof» voor vergaderingen en spreekbeurten stak. In de zomer 1938 organiseerde het gouwbestuur er colportagetochten voor, waaraan ook Hasselt meewerkte. Het tijdschrift sloeg zo sterk aan dat in 1939 de Hasseltse Jonge Klauwaarts aan de redactie lieten weten «Jong Limburg grijpt dieper in in de studentenpsychè dan Hemieuwen(58). Ideologisch kwam Jong Limburg op voor een nieuwe christelijke, Vlaamse en volkse orde, die het oude liberale stelsel zou vervangen, en waarin tussen kerkse en volkse waarden geen tegenstelling meer zou bestaan.

Op basis van Hernieuwen, X, 2 november 1937 p. II-IV.

Tabel 2: Ledenaantallen van Limburgse K.S.A.-bonden
Grote vakantie 1937

Gewest KEMPEN

Gewest MAASLAND

MIDDEN gewest

Gewest HASPENGOUW

Achel

28

Eisden

26

Alken

50

Attenhoven

32

As

27

Mechelen a/M

33

Beringen

18

Borgloon

 

Bocholt

65

Rekem

29

Beverlo

29

Brustem

18

Bree

75

Rotem

27

Beverst

27

Buvingen

12

Gerdingen

32

Stokkem

26

Bilzen

50

Heers

30

Crole Broge]

25

Ophoven-Kess.

20

Diepenbeek

26

Hoeselt

58

Hamont

27

Totaal

155

Genk

70

Mielen b/A

24

Lommel

22

 

 

HASSELT

105

Mopertingen

30

Meeuwen

18

 

 

Halen

29

Piringen

10

Neerpel!

58

 

 

Heusden

26

Kutten

22

Opglabbeek

30

 

 

Houthalen

60

St.-Truiden

55

Overpelt

85

 

 

Kuringen

15

Tongeren

45

Peer

30

 

 

Lummen

36

Vlijtingen

49

St.-Huibrechts-Lille

23

 

 

Paal

43

Waasmont

16

Tongerlo

21

 

 

Tessenderlo

30

Totaal

444

Wijchmaal

13

 

 

Waterschei

30

 

 

Totaal

599

 

 

Zonhoven

25

 

 

 

 

 

 

Zutendaal

18

 

 

 

 

 

 

Totaal

687

 

 

Van de 54 Limburgse bonden in 1937 was Hasselt de sterkste, de enige met meer dan 100 leden, en pas op enige afstand gevolgd door Overpelt (85), Bree (75), Genk (70) en Bocholt (65). Deze vijf waren zeer grote bonden. Een tweede categorie met een ledenbestand tussen 60 en 40 kunnen we nog groot noemen. Ze bestond uit tien bonden: Houthalen, Hoeselt, Neerpelt, St.-Truiden, Alken, Bilzen, Vlijtingen, Tongeren, Paal en Borgloon. Tot een middengroep, met tussen 40 en 30 leden behoorden tien bonden: Lummen, Mechelen a/d Maas, Gerdingen, Attenhoven, Heers, Mopertingen, Opglabbeek, Peer, Tessenderlo en Waterschei. Klein, met tussen de 29 en 20 leden waren: Rekem, Beverlo, Achel, As. Hamont, Rotem, Beverst, Eisden, Stokkem. Heusden, Grote Brogel, Zonhoven, Mielen bij Aalst, St.-Huibrechts-Lille, Rutten, Lommei, Tongerlo en Ophoven-Kessenich. Tenslotte waren er nog de zeer kleine bonden met minder dan 20 leden: Brustem, Meeuwen, Beringen, Zutendaal, Waasmont, Kuringen, Wijchmaal, Buvingen en Piringen (deze laatste met minder dan 1/10 van het Hasseltse ledenbestand). Meer dan de helft van de bonden verdienden de kwalificatie klein tot zeer klein. Hasselt was tegen die achtergrond een bijzonder geval

In heel Limburg telde de K.S.A. in 1937 1.885 leden. 400 daarvan, of ongeveer 1/5 kwam uit de vijf zeer grote bonden, waar ook Hasselt bijhoorde. De Jonge Klauwaarts zorgden voor 6% van het Limburgse ledenbestand.

Cijfers in: Hernieuwen, X, 2, november 1937, p. II-1V.

  

De jongere generatie die het blad las, beschouwde het vroegere conflict tussen Vlaams en katholiek ideaal als voorbijgestreefd en bouwde aan een synthese tussen beide. Deelname bv. aan liet Vlaams-nationaal zangfeest in juli 1937 op de Brusselse grote markt werd daardoor mogelijk. Ook werd financiële steun verleend aan het Vlaams Meulemanskoor van Hasselt (1938) en aan de taalgrensactie (1939). Dat laatste sloot aan bij de actualiteit van de beweging die Flor Grammens op gang had gebracht voor het doen toepassen van de taalwetten, en ging gepaard met een bezoek aan de taalgrensstreek van Voeren. Samenwerking met het Davidsfonds, bv. voor een hulde aan de Hasseltse Vlaamse voormannen Grauls en Leynen, met het Hoogstudentenverbond voor Katholieke Actie in Leuven, waar de Hasseltse priester-leraar J. Guisson als proost voor de Limburgse studenten optrad, waren daarbij vanzelfsprekend. En ook het verbinden van de Vlaamse eisen met de «volkse realiteit», zodat er meer aandacht kwam voor het lot van de gewone man via studiedagen van de K.A.J., het zenden van een afvaardiging met vaandel naar een Boerenjeugdmanifestatie in Leuven, het uitnodigen van een K.A.J.-militant, en behandeling van «het mijnvraagstuk» gekoppeld aan een sociale exploratie van de mijnstreek(59).

Die Vlaamse werking werd vanuit het beleid echter ondergeschikt gemaakt aan de K.A., zodat het wel eens gebeurde, zoals in 1939, dat de Vlaamse gouwdag wegviel, en zodat in Hasselt oud-voorzitter seminarist Albert Roosen in de paasvakantie van 1940 aan de jongere leden kon voorhouden: «de K.A. is de hoofdzaak van onze tweeledige werking, de Vlaamse actie komt tenslotte op de tweede plaats»(60).

Samen met deze ideologische verschuivingen sijpelden ook op het vlak van de methodiek nieuwe elementen door die de evolutie markeerden in de richting van een volwaardige jeugdbeweging. Waar tochten te voet en per fiets al vroeger aan de orde waren, kreeg in de tweede helft van de jaren dertig het spel steeds meer burgerrecht. Het was een evolutie die niet enkel in Hasselt te merken was, waar ze leidde tot de gesignaleerde opslorping van de Erewacht, maar ook elders. Een gewestdag in Rotem in de zomer van 1934 was de eerste in Limburg waar niet enkel gepraat en gedefileerd werd, maar waar ook «een vlaggespel in de bossen» op het programma stond. In diezelfde lijn lag bij de Jonge Klauwaarts ook de fietstocht over verscheidene dagen in 1938, het organiseren van voetbalmatchen ook tijdens het schooljaar - gepaard gaande met de herhaalde aankoop van voetballen en het aanschaffen van zwartgele voetbaltruitjes - en het houden van een eerste «kampvuur» in 1940(61).

Die evolutie naar een «jeugdbeweging nieuwe stijl», waarin inhoudelijk het katholieke en Vlaamse element zou versmelten en meer plaats zou worden ingeruimd voor wat wij sindsdien kennen als typische jeugdbewegingsmethodiek en -stijl, gericht op een «totaalopvoeding», was een algemene trend in Limburg. Ze leidde tot een formele integratie van katholieke actie en Vlaamse studentenbeweging op plaatselijk vlak vanaf 1937-1938, en daarmee samengaande tot organisatorische aanpassingen zoals een nieuwe gewestindeling en de introductie van vendelwerking. Ook in Hasselt werd vanaf dat jaar, in navolging van de aanbevelingen door de gouwleiding en Richten gestart met vendelwerking, waarbij de vendels ingedeeld waren per klas. Die van de hoogste vier klassen (Latijnse en moderne van hetzelfde niveau samen in één vendel) waren de Hernieuwers, die van de laagste twee humaniora-klassen én van de voorbereidende afdeling waren Klaroeners. De vendels zouden voortaan instaan voor een deel van de gezamenlijke vergadering, en zelfs ook samenkomsten beleggen. Uit de verslagen bleken de vendels vanaf de grote vakantie 1938 een complete eigen werking te ontwikkelen, al bleven daarnaast gemeenschappelijke activiteiten bestaan(62).

Één ervan verdient nog een aparte vermelding. Op 3 januari 1940 hielden de Jonge Klauwaarts een ouderavond waarop zij «zo leven wij» uitbeelden, een «film» die ontworpen was door Albert Roosen en bestond uit een Klaroenerdag («met rugzak in de bossen»), een vendelvergadering bij de Hernieuwers, een kampvuuravond, en een algemene vergadering met op het toneel een bestuurstafel onder de Leeuwevlag. De studentenbond en de jeugdbeweging, oud en nieuw in één uitbeelding verenigd(63). Tijdens de komende oorlogsjaren zou de balans definitief doorslaan in de richting van de jeugdbeweging.

Noten

(1) M. BUSSELS e.a., Hasselt 750 jaar stad 1232-1982. p.180.
(2) A.M. KNEVELS, De katholieke Vlaamse bewering in Limburg (1918-1928): L. REYNDERS, Het Vlaams-nationalisme in Limburg (1929-1940): G. VAN EECHAUTE, Het politiek leven te Hasselt (1918-1932).
(3) Vergaderingen van 9 december en 14 december 1918.
(4)Vergaderingen van 20 december 1918, 3 en 10 januari 1920.
(5) Vergaderingen van 1 en 22 februari (waarop ook: «de aanwezigen boven de 21 jaar tekenden de verklaring dat zij het minimumprogramma aanvaardden»), bestuursvergadering van15 februari 1919; G. VAN EECHAUTE, o.c, p. 23-26.
(6) E. GERARD, Strijd om het Vlaamse minimumprogramma in 1919.
(7) Vergadering van 8 maart 1919.
(8) Bestuursvergadering van 27 april 1919, vergaderingen van 3, 15 en 24 mei 1919.
(9) Vergaderingen van 9 en 27 mei.
(10) Dankbaarheid en waardering. Sint-Jozefscollege Hasselt,   p. 246-247.
(11) L. VOS, Bloei en ondergang van het A.K.V.S., dl 1, p. 174-180 en 217-238.
(12) Dankbaarheid en waardering. Sint-]ozefscollege Hasselt, p. 250-251. Nota Paul Cools, Hasselt, december 1984.
(13) G. VAN EECHAUTE, o.c, p. 50-60; L. VOS, o.c, dl. I, p. 237-238; L. WILS, Honderd jaar Vlaamse beweging - II. Geschiedenis  van  het  Davidsfonds. 1914-1936,  p.124-126. Het aantal scoutsgroepen in Limburg bleef lange tijd beperkt: in 1936 waren er nog maar 8 met samen ca. 350 leden, gedrukt verslag van de Priesterdag voor Katholieke Actie te Hasselt op 24 februari 1936.
(14) L. VOS, o.c, dl. I. p. 238-250; vergaderingen van 20 augustus en 22 april 1922. De vijf Jonge Klauwaarts die op 5 mei te voet naar Scherpenheuvel trokken «vervoegden daar de scouts onder wie vele Jonge Klauwaarts». Op de vergadering van 26 augustus 1922 werd als verklaring voor de geringe opkomst gesignaleerd dat «de padvinders op camping waren», wat wijst op dubbel lidmaatschap.  
(15) Vergaderingen van 20 en 27 augustus, 3 en 10 september, 31 december 1921. De parlementsverkiezingen van 20 november 1921 stonden in Hasselt in het teken van de vernederlandsing van de Gentse universiteit. G. VAN EECHAUTE, o.c. p. 64. 
(16) Vergaderingen van 22 en 29 april, 5 en 16 mei 1922. 
(17) Vergaderingen van 23 september 1922 en 2 mei 1924. 
(18) Vergaderingen van 19 en 26 augustus, 2, 9 en 16 september, bestuursvergadering van 2 september 1922. Zie ook Historische nota 1951.
(19) Feestzitting op 17 september 1922, gedrukt programma in het verslagboek, verslag  in Ons  Limburg, IV, 39, 24 september 1922; het avondfeestje vond plaats op 20 september 1922; De Blauwvoet, IV, 1, kerstvakantie 1923, p. 46; Ons Limburg, VI, 17, 27 april 1924, p. 2; De Standaard, 1 mei 1924; gedrukt programma paasvakantie 1924 in het verslagboek.
(20) Verslagboek, vergaderingen 1921-22; De Blauwvoet, IV, 1, kerstvakantie 1923, p. 46; V, 1, kerstvakantie 1924, p. 39; V, 4, grote vakantie 1925, p. 179.
(22) Nota Paul Cools, Hasselt, december 1984; gesprek met Albert de Booseré, Bilzen, 24 januari 1985; getuigenis van Lode Bouveroux in Gedenkboek K.S.A. Jonge Klauwaarts Hasselt. 1884- 1959, p. 20-21.
(23) Bedevaart naar Scherpenheuvel op 5 mei 1922;  de Sint-Jan-Berchmansbedevaart werd ingericht door de plaatselijke bond van Diest en vond traditioneel plaats op 13 augustus, L. VOS, o.c, dl. II, p. 244; Plaatsen en data van gewest- en gouwdagen in De Blauwvoet.
(24) Vergadering 26 december 1922; De Blauwvoet, V, 1, kerstvakantie 1924, p. 39; Historische nota 1951.
(25) Op de vergadering van 19 augustus 1922 formuleerde J. Proesmans de doelstellingen; op die van 16 september 1922 werd een studie voorgelezen van Daels over «de   hogeschool­ kwestie»,  en op 7 april 1923 belichtte seminarist Juul Cools uitvoerig de verschillende voorstellen inzake vernederlandsing van Gent die in het parlement aan de orde waren. Cijfers bij L. VOS, o.c, dl. I, p. 268.
(26) Jan Wilms ging in 1922-23 naar Leuven, was er in het A.K.V.S.-bestuur twee jaar beheerder van De Blauwvoet voor Limburg, bleef in 1924-25 gouwbestuurslid, en werd in 1925-26 A.K.V.S.-gewestvoorzitter voor Haspengouw. Tegelijk was hij in 1925-27 redactielid van het  Leuvense studentenblad Ons Leven. Paul Cools trok een jaar later naar Leuven, in 1923, en werd  toen onmiddellijk gouwbestuurslid, redactielid  van  De Blauwvoet,  en beheerder van de A.K.V.S.-toneelboekerij.   In 1925-26 werd hij gouwvoorzitter van het Limburgse A.K.V.S., en in hetzelfde jaar was hij hoofdredacteur van Ons Leven. In 1926-27 bleef hij redacteur van De Blauwvoet.  Beiden waren intussen lid van het bestuur van het Leuvense Vlaams Studentenverbond. L. VOS, o.c, dl. II, p. 121 en 345 en Ons Leven.
(27) L. VOS, o.c, dl. I, p. 258- 270, dl . II, p. 24-35.
(28) L. VOS, o.c, dl. II, p. 42-45, voor wat volgt: p. 45-96.
(29) Gedrukt programma in papieren van J. Proesmans.
(30) Verslag van studiedag op 30 december 1925 in De Blauwvoet, VI, 2, februari 1926, naast Cools voerden er het woord: G. Walschap, oud-studentenleider Dries van Rompaey en Wies Moens, die «met tranen in de ogen sprak over Lodewijk Dos fel, die ons juist twee dagen tevoren ontviel». Verslag over de vergadering bij de Jonge Klauwaarts uit Historische Nota 1951, die citeert uit het intussen zoek geraakte verslagboek.
(31) Nota Paul Cools, Hasselt, december 1984; Historische nota 1951:  De Jonge Klauwaart, 2, oogst 1927, p.  19-21.
(32) Van Jong Limburg verschenen vier reeksen: jaargangen 1 en 2 met als ondertitel Orgaan van het Limburgsch   Katholiek Vlaams Studentenverbond in 1927-28 en 1928-29 (telkens vier nummers); jaargang 3 met als titel:  J.V.K.A.-Jong Limburg. Driemaandelijksch leidersblad voor de Limburgse studentenbonden in 1933 (Pasen-december,  4 nummers); jaargangen 4 tot 6 met als ondertitel Orgaan der Katholieke Vlaamsche Stu- dentenbonden in Limburg in 1934,  1935-36 en 1936-37 (klein formaat, twee keer 4, één  keer 5);   jaargangen 7 tot 9 van 1937-38 tot 1939-40 (twee keer 6 en één keer 4 nummers) met dezelfde ondertitel maar op groot formaat en vanaf 1938 een gemeenschappelijke binnenkatern  met het Westvlaamse Jong Volksche Front. Zie verder L. VOS, o.c, dl. II, p. 119, 158, 106-197.
(33) De Kabouter werd uitgegeven door de seminaristen Pieter Palmans en Raf Libotte. samen met Paul Cools. Later werd het blad  overgenomen  door seminarist  Wim Konings. L. VOS, o.c, dl. II, p. 170. Zie ook het door A. WIEERS (in De strijd van A.K.V.S.-Limburg) gepubliceerde  rapport  van de hand van de toenmalige gouwschrijver van  A.K.V.S.  Jan  Rutten, opgesteld op 1 februari 1927, dat eindigt met een huldewoord aan Paul Cools «die gedurende 6 maanden 1925-26 om zo te zeggen alleen de kernwerking in de provincie heeft bestuurd en doen werken, die gans de Kabouterwerking op zijn actief heeft en Limburg voor A.K.V.S. bewaard heeft in moeilijke tijden».
(34) L. VOS, o.c, dl II, p. 180 en 196; Nota Paul Cools, Hasselt, december 1984 en gesprek met Albert de Booseré, Bilzen, 24 januari 1985.
(35) Ook voor wat volgt: L. VOS, o.c, dl. II, p, 145-174.
(36) Nota Paul Cools, Hasselt, december 1984, Gesprekken met Joris Proesmans,  Hasselt, 10 januari 1985; en met Albert de Booseré, Bilzen, 24 januari 198/.
(37) Jong Limburg, I, 4,  grote vakantie 1928, p.14; II, 4, grote vakantie 1929, p. 93; Het Algemeen  Belang, 29  september 1929, p. 5; getuigenis Lode Bouveroux in Gedenkboek Jonge Klauwaarts Hasselt. 1884-1959, p. 21.
(38) Gesprek met Jozef Pasquasy, Hasselt, 11 januari 1985 en met Albert de Booseré, Hasselt, 24  januari 1985;  getuigenis Raymond Smeets in Gedenkboek Jonge Klauwaarts Hasselt, 1884-1959, p. 33; in de jaren dertig was de bond blijkens het kasboek ingeschreven op de « volksreeks» en de «jeugdreeks» van het Davidsfonds; Jong Limburg. II, 4, grote vakantie 1929, p. 93.
(39) Gesprek met Albert de Booseré; Hasselt, 24 januari 1985.
(40) Historische Nota 1951.
(41) Historische nota 1951; Kasboek 1933-1942; diverse vermeldingen in Lenteweelde, Hernieuwen en Jong Limburg; ook nog in Het Algemeen  Belang, 21 december 929. Het  staat  vrijwel vast dat Jozef Brauns niet onmiddelijk door Lode Bouveroux werd opgevolgd  als  proost, maar dat eerst nog (hoelang ?) Mathieu Bouveroux het proostschap waarnam. Twee aanwijzingen hiervoor: uitdrukkelijke vermelding in  Het Algemeen belang, 29 september 1929, p. 5; Historische nota 1951, waar op basis van het (nu verloren gegane) verslagboek door de auteur duidelijk Mathieu Bouveroux werd neergepend. Wanneer Lode dan precies de functie overnam,  konden we niet achterhalen.
(42) Enkele nummers bleven bewaard: proefnummer - paasverlof 1927, nr. 2 - oogst 1927, nr. 3 - november 1927, jg. I, nr. 4 - maart 1928, jg. I, nr. 5/6 - paasverlof 1928, jg. III, nr. 1 -vermelding van het verschijnen van latere nummers in Jong Limburg, IV, 3, oktober 1934, p. 87; V, 2, juli 1935, p. 42. 
(43) Getuigenis van Felix Verwilghen in Gedenkboek Jonge Klauwaarts Hasselt. 1884-1959, p. 28.
(44) Lenteweelde, VII, 26, 28 juni 1931, p. 402 en 403.
(45) Het verloop van de bedevaart werd beschreven door P. DECLERCK, De stichting en de aanvangsjaren van de Katholieke Studentenactie,  p. 47-49,  maar ook door Felix Verwilghen in het Gedenkboek Jonge Klauwaarts Hasselt. 1884-1959, p. 27-28. De vraag naar de verantwoordelijkheid voor het incident werd opgehelderd door R. BOUDENS, De Romebedevaart van de Vlaamse Studenten in 1931:  «Alles wijst er op dat de kardinaal (Van Roey) de paus gesuggereerd heeft de studenten te wijzen op de gevaren van het in de hand werken van de verdeeldheid onder de katholieken in België. Dat de paus sterker heeft gesproken dan Van Roey zelf bedoelde, is vooral te wijten aan de tussenkomst van de ambassade.» (zie vooral p.100-103).
(46) Lenteweelde, VIII, 8, 21  februari 1931; getuigenis Felix Verwilghen in Gedenkboek Jonge Klauwaarts Hasselt. 1885-1959, p. 30; L. VOS, o.c, dl. II, p. 230-232.
(47) Hernieuwen,  V, 5, 15 februari 1933, p. 298; V, 6, 15 maart 1933, p. 359-360;  V,  8, 15  mei  1933, p. 463;  V, 9, 15 juni 1933,  p. 527; VI, 1,  5 oktober 1933, p. 57-58; VI, 5, 15 februari 1934, p. 290.  
(48)Historische Nota 1951; getuigenis Albert Roosen in Gedenkboek Jonge Klauwaarts Hasselt. 1884-1959, p. 22-23.
(49) Getuigenis Felix Verwilghen in Gedenkboek Jonge Klauwaarts Hasselt. 1884-1959, p. 29; De Jonge Klauwaert, IV, 1, p- 2.
(50) L. VOS, o.c, dl. II, p. 227-242 en 233-287; zie ook L. VOS, De ideologische oriëntering van de katholieke studerende jeugd in Vlaanderen (1936-1940). Een voorlopige balans.
(51) De beslissing tot het splitsen van het beleid werd aangekondigd in Hernieuwen, VI, 10. 15 juli 1934, p. 568. Het besluit tot invoeren van het uniform werd genomen op de studiedag te Genk, d.d. 2 augustus 1934, zie Hernieuwen,  VII, 1, 15 oktober 934, p. 56-57; getuigenis van  Raymond Smeets in Gedenkboek Jonge Klauwaarts Hasselt, 1884-1959, p. 34.
(52) Hernieuwen, VIII, 2, 15 november 1935, p. 121; X, 2, november 1937, p. III; X, 3, december 1938, p. XIII; De Klaroen, IV, 10, juli 1937, p. 17; Jong Limburg, VIII, 2, Kerstmis 1938.
(53) Cijfers op basis van: Kasboek 1933-1942, Verslagboek 1939-1948, en Hernieuwen, VII, 9, 15 juli 1935, p. 524. Over het vakantiepatronaat: Hernieuwen, VIII, 2, 15 november 1935, p. 123 en IX, 3, december 1936, p. V; Historische nota 1951; gesprek met Jozef Pasquasy, Hasselt, 11 januari 1985, die vertelde dat kapelaan Hermans, die zelf geen lid was van de bond maar de vakantiewerking voor jongeren van Hasselt onder zijn hoede had, een beroep deed op de oudste Jonge Klauwaarts om er de leiding van op zich te nemen. «De speelpleinwerking op het Vakantiepatronaat (Heidestraat) kwam dus dankzij de studentenbond tot stand».
(54) Hernieuwen, VIII, 2, 15 november 1935, p.122; Collegiana, 11, 7-8. juli 1938, p. 30; Hernieuwen, XI, 9, juni 1939, p. XI.
(55) Nota's L. Bouveroux; Hernieuwen, IX, 2, november 1936, p. 116; De Klaroen, V, 7, april 1938, p. 221. Een echo van het radio-offensief vonden we in Bergopwaarts,  IV, 3, derde trimester 1950-51, p. 6, waar werd gepreciseerd dat de actie ook gericht was uitgelokt door ergenis over het  «steeds driester optreden  van  het  N.I.R.   tegen alles wat zuiver Vlaams en Katholiek was». Het ging om het Nationaal Radio-Instituut, de voorloper van de B.R.T.;  Hernieuwen, XI, 10, juli 1939, p. XIX.
(56) Hernieuwen, VIII, 7, 15 april 1936, p. 437; XII, 6, maart 1940, p. I; Kasboek 1933-1942.
(57) Hernieuwen,  X, 2, november 1937, p. III; VIII, 8, 15  mei 1936, p. 509; Verslag van de vredesbedevaart naar Scherpenheuvel op 4 april 1940 in het verslagboek 1939-1948.
(58) Op de gouwdag in Diepenbeek (1936) waren 22 Jonge Klauwaarts aanwezig, Jong Limburg, VI, 4, grote vakantie1936, p. 87; Collegiana, II, 6, juni 1938, p. 23; Jong Limburg, VIII, 5, juni 1939, p. 105.
(59) Getuigenis L. Bouveroux in Gedenkboek Jonge Klauwaarts Hasselt. 1884-1959, p. 21; Jong Limburg, VII, 4 november 1937, p. 85 en VIII, 1, oktober 1938, p.13; Kasboek 1933-1942 waaruit blijkt dat financiële tegemoetkoming werd verleend voor reiskosten van 12 leden naar het Brusselse Zangfeest (25 juli 1937), van drie afgevaardigden naar het Internationaal K.A.J.-congres in Brussel (1935), en van drie afgevaardigden naar de Boerenjeugd-betoging in Leuven (17 mei 1937). Uit het Kasboek blijkt ook dat 50 F werd uitgetrokken voor de hulde aan Jef Leynen (28 augustus 1937), 100 F voor steun, aan het Vlaams Meulemanskoor (9 maart 1938), 50 F aan de taalgrensactie (juli 1938). Tijdens de paasvakantie 1940 kwam bij de ouderen «oud-vendelleider M. Cox, nu propagandist van de K.AJ.-Limburg» over de K.A.J. spreken, Verslagboek 1939-1948. Over J. Guisson en het H.V.K.A.: Liber Amicorum aan de hoogeerwaarde heer J. Guisson aangeboden ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag. 4 maart 1961, en L. VOS, o.c, dl. II, p. 265 en 270.
(60) Verslagboek 1939-1948.
(61) Verslagboek studentenbond De Blauwvoet Maasmechelen, 6 september 1934; Collegiana, I, 3-4, juli-augustus 1934, p. 12; De eerste meerdaagse reis van de Jonge Klauwaarts ging van 7 tot 10 september 1937 naar Oost-Vlaanderen met 18 deelnemers, de vijfdaagse fietstocht naar de Ardennen vond plaats van 29 augustus tot 2 september 1938, het jaar nadien deden de kleineren een  vierdaagse uitstap naar Antwerpen (22-26 augustus), Kasboek 1933-1942.
(62) In het leidersblad Richten, VI, 1, april 1938, p. 15-29 werd het vendelsysteem gelanceerd.  Het werd bij de Jonge Klauwaarts vrijwel onmiddellijk ingevoerd, Collegiana, jg. II, 7-8, juli 1938. Wel werd in 1938-39 gesignaleerd dat het nog niet functioneerde zoals het hoorde, Historische nota 1951.
(63) Verslagboek 1939-1948, 3 januari 1940.

Uit het Bondsblad

Fietstocht door het Maasland 28 april 1927

Om 9 u «appèl» op de Varkensmarkt en met 'n dozijn togen we op weg. Vol vuur galoppeerden we op onze ijzeren paarden de Genkersteenweg over naar Genk, Zutendaal en Lanaken, waar even gestopt werd, omdat bij sommigen de maag begon te brommen. Toen we Fons Martens z'n fiets gerepareerd hadden, draafden we naar Smeermaas, Neerharen en Rekem, waar de «middag» moest worden binnengespeeld.

Eerst eens door gans Rekem gebold, maar geen «staminé» te vinden. Jawel, toch! Daar op de hoek van de straat. De baas lachte ons al van verre toe en speculeerde wellicht over't geen hij aan ons kon verdienen. Sommigen waren reeds van hun fiets af, anderen gingen afspringen, maar plots, alsof de duivel in persoon voor hen stond, draaiden allen de rug en kozen 't hazenpad! Er stond boven de deur: «Café Wallon». En daar moesten wij niet zijn. De baas, heel verbauwereerd, keek ons na met ogen gelijk kanonsballen en kon er maar niet van over dat de wind zo plots gedraaid was. Of we gelachten hebben! Gelukkig vonden we 'n andere herberg waar we ons konden te goed doen aan onze uitgedroogde, gekromde boterhammen.

Om half drie trapten we het weer af. We brachten 'n bezoekje aan de kerk van Uikhoven, bezichtigden er de mooie doeken van onze stadsgenoot Wallaert, en in volle vaart ging het langs het kanaal en de steenweg naar Maaseik, waar we smakelijk aten van de goede taarten die ze daar bakken!

Vanaf Maaseik begon de kruisweg! Gebroeders Martens waren doodaf. Fons kloeg dat z'n fiets niet goed werkte, maar bij nader onderzoek bleek dat z'n fiets nog vol goede moed stak, maar dat z'n eigen benen waren drooggelopen. Tot overmaat van ongeluk verloor hij z'n pedaal nog in As. Maar gelukkig was onze mecanicien er spoedig bij en 't ongelukske gauw vergeten. In Genk kon Fons zijnen mond niet meer opendoen van vermoeidheid, tenzij om te eten en te gapen. Na lang zwoegen, namen we hem en z'n jongere frater op sleeptouw tot Hasselt aan de Hoogbrug.

Ondertussen was de donkerte gevallen en we moesten verder te voet gaan. Kwart na negen was alleman weer thuis. Die nacht hebben ze zeker allen goed geslapen en misschien gedroomd van «Café Wallon» en van Fons z'n pedaal.

Een die er bij was.

(uit: De Jonge Klauwaart, nr. 2, oogst 1927, p. 22)

    

Hoofdstuk 5 

Bezette stad.
1940-1944

1. Het vendel treedt aan
2. Reeds buigen rijpe halmen
3. Van studentenbond naar jeugdbeweging
4. De tol van de oorlog

Noten
Een flits uit het verslagboek: vijfde kampdag bij het kasteel van Terlamen (Zolder), 27 april 1943.

Onder de titel OORLOG, De Jonge Klauwaarts op de vlucht verhaalde verslaggever Louis Moesen: «Vrijdag 10 mei 's morgens is de Duitse macht ons land binnengevallen. Heel vroeg reeds overvlogen talrijke vijandelijke vliegtuigen onze stad, zonder evenwel te bombarderen, 't Afweergeschut kletterde en donderde van overal, 'n aardig geweld, 'n warboel en herrie van belang. Alle weerbare mannen van 16 tot 18 jaar moesten zich onmiddellijk naar Lembeke (Eeklo) begeven, wordt bekend gemaakt in de stad. Zo gebeurt het dus dat de Jonge Klauwaarts samen met bestuur ook hun stad en bezigheden moeten verlaten, terwijl de jongeren met hun ouders de vlucht nemen. Seminaristen en filosofen zijn naar Hasselt gereisd en van hier uit ook verder naar Lembeke. Wekenlang hebben we de beide Vlaanders rond «gegaan» en «gesukkeld», want alles ging voor ons «te voet». Bombardementen, mitraillering meemaken, schuilen in kelders en grachten was de dagelijkse bezigheid. Verschillende leden hebben het ongeluk gehad enige of lange tijd te mogen verblijven in «la douce France». Doch aan alles komt een einde en dinsdag 28 mei is de oorlog voor ons afgelopen ... en we mogen terug naar het gespaarde Hasselt keren. Degenen die in Frankrijk verbleven zijn later teruggekomen en zij die in 't Zuiden zitten zijn voor 't ogenblik nog niet terug (17 oogst 1940). Goddank tussen de zovele doden gevallen uit plicht, hebben we tot nu toe geen enkele Jonge Klauwaart te betreuren. Ons normaal schoolleven is mits enige wijzigingen verder gegaan. Doch een vreemde bezettende macht is nu meester».
 

1. Het vendel treedt aan.

De Jonge Klauwaarts pasten zich goedschiks, kwaadschiks aan de nieuwe situatie aan. In navolging van de richtlijnen van het gouwbestuur zagen ze tijdens de eerste bezettingsmaanden noodgedwongen af van alle uiterlijk vertoon, zoals gouw- en gewestdagen, bedevaarten, optochten, uniformen, vlaggen en wimpels. De voor de zomer geplande algemene fietsuitstap werd bijgevolg afgelast. De Jonge Klauwaarts bleven in augustus 1940 ook afwezig op de IJzerbedevaart te Diksmuide, maar namen zich, op aansporen van hun proost, wel voor om er «in geest» tegenwoordig te zijn, «bijzonder in onze zondagcommunie»(1).

Ze kenden in deze eerste zomer van de oorlog overigens een bevredigende werking. Voorzitter Remi Donners onderstreepte op de eerste bondsvergadering van 27 juli 1940 dat de nieuwe omstandigheden een aansporing inhielden om met des te meer inzet het K.S.A.-ideaal uit te diepen en de vendelwerking uit te bouwen. In plaats van de jaarlijkse bedevaart naar Diest werd op 13 augustus een bescheidener Sint-Jan-Berchmanswake gehouden in de kapel van het college. Drie dagen later organiseerde de bond een eigen bezinningsdag ter vervanging van de recollectiedag die in voorgaande jaren door het gewestbestuur was ingericht.

Er stonden verder vijf rijkgevulde bondsvergaderingen op het programma, een bondsuitstap naar het Eekhoorntjesbos en verscheidene voetbalmatchen tegen de scouts van het college of andere Limburgse studentenbonden als die van Houthalen en Sint-Truiden. De algemene vergadering van 3 augustus 1940 was opgevat als een huldeviering voor het onlangs tot priester gewijde medelid Albert De Booseré, die zopas zijn eremis had opgedragen. Want het was altijd een «hoogtepunt voor een studentenbond» om «één zijner leden ten altaar te zien stijgen», zoals proost Bouveroux het op   die bijeenkomst zegde. Oud-voorzitter Jo Spaas zwaaide De Booseré bijzondere lof toe omdat hij zich sedert een drietal jaren had verdienstelijk gemaakt als «baanbreker van het vendelsysteem» in de bond.

Een ander hoogtepunt in deze grote vakantiewerking van 1940 vormde de plechtige vergadering met belofteaflegging op het vakantiepatronaat op 30 augustus. Om de feestelijkheid de nodige luister bij te zetten trokken de Jonge Klauwaarts die dag hun K.S.A.-uniform aan, wat ze in de vorige weken voorzichtigheidshalve achterwege hadden gelaten. Na de belofte­aflegging genoten de leden van het «goed en sterk middagmaal» dat het vendel van de poësis had bereid. Schrijver Louis Moesen genoot nog na: «Daar zou eigenlijk een Felix Timmermans moeten voor nodig zijn om de heerlijke geuren en kleuren van dien diner te beschrijven: tomatensoep, goudgele aardappelen, kastanjebruine bloedworst, stroblonde appelspijs, zo zoet als honing en alles overgoten met een schuimende saus, in één woord onovertrefbaar ... Zelfs 't nagerecht was niet vergeten en een kuip pruimen deed verschillende ronden». Na een korte siësta werd er voetbal gespeeld. Als vieruurtje kregen de leden «oorlogskoffie» geserveerd en de dag werd besloten met een bosspel.

De Jonge Klauwaarts vonden elkaar weer rond de kerstdagen.Want zoals al gebruikelijk was voor de oorlog bleven de vergaderingen in hoofdzaak tot de vakanties beperkt. Er werd dan wel heel intens gewerkt. De kerstvakanties waren hoofdzakelijk gevuld met gezellige binnenhuisactiviteiten: dagelijkse spelnamiddagen met schaken, dammen, kaarten op het college, bonte avonden vol zang en declamatie en als hoogtepunt het kerstfeest met de stilaan tot een traditie uitgegroeide tombola. Voor die binnenhuisactiviteiten konden de jongeren gebruik maken van het «cinemazaaltje» van het college, gelegen aan de Stadsomvaart, of van een of ander klaslokaal. Na enkele jaren kregen ze van directeur Michiels een eigen collegelokaal, de zgn. «burcht» ter beschikking gesteld, gelegen in de oude vleugel van het  lager  onderwijs(2). Het werd op1 augustus1942 plechtig ingehuldigd.

Feestelijke oorlogsmaaltijd na beloftenaflegging op het vakantiepatronaat, 30 augustus 1940

Maar bij beter weer trokken de leden er dikwijls op uit. In de paasdagen en de grote vakanties organiseerden ze geregeld bondsuitstappen, te voet, per fiets of met de tram naar mooie plekjes in de buurt - de Galgenberg, de Heksenberg, Paalsteen, Rooierheide - waar ze zich konden uitleven in bosspelen. In alle seizoenen werd er naar hartelust gevoetbald. In januari 1942 organiseerde de bond bovendien, samen met de scouts en de Caritasvereniging van Hasselt een reeks turnlessen voor de leden met de bedoeling om «bij de jongeren vooral in deze tijd van ondervoeding alle middelen aan te wenden om kracht en lenigheid te behouden en te ontwikkelen ... We beogen daarmee tevens een edeler doel van jeugdverbroedering». In dezelfde geest organiseerden de «turnafdelingen» van Jonge Klauwaarts, scouts en Caritassers gezamenlijk een «Turn- en Atletiekfeest» op 14 juni 1943(3).

Intussen werd ook de vooroorlogse toneeltraditie voortgezet. Nadat de bezettende overheid in januari 1941 had laten weten dat ze niets aan te merken had op het blijspel Een reiziger in delicate kwesties werd dat stuk onder grote belangstelling opgevoerd in de Casino-zaal te Hasselt(4). Ook in de volgende drie oorlogsjaren zouden de Jonge Klauwaarts meermaals op de planken verschijnen in Hasselt of omliggende gemeenten, meestal met een hartverwarmende klucht, zoals de De komeet komt, Hoe raak ik mijn geld kwijt en Pekdraad en Miljoenen, soms ook met het «uiterst spannend spel» De Smokkelaar(5).

Afgezien van deze extra-activiteiten speelde de gewone werking zich af op algemene bondsvergaderingen en vendelbijeenkomsten. De algemene vergaderingen, waarop alle leden verwacht werden, stonden nog in de traditie van de vroegere studentenbond en behielden daardoor een academisch karakter(6). Ze werden ingezet met het pauslied Eviva Pio gevolgd door het K.S.A.-lied Kerels der Noordzee. Op het programma stonden meestal een woordje van proost en voorzitter, gevolgd door voordrachten en liederen, eventueel rond een bepaald thema, verzorgd en voorbereid door leden van één of van verscheidene vendels.

Het vendelsysteem, dat net voor de oorlog door Albert De Booseré en Albert Roosen was ingevoerd kende nu immers zijn volle ontplooiing. Aan het begin van de oorlog bestond de bond uit zes vendels, ingedeeld volgens leeftijd. In 1940-1941 kwam er tijdelijk een derde klaroenervendel bij, dat evenwel daarna afsplitste om een afzonderlijke K.S.A.-bond in het gehucht Runkst te worden(7). Op basis van de nauwkeurige informatie uit het verslagboek geven we hier de evolutie van deze vendelindeling gedurende de oorlogsjaren weer:

Tabel 3: Vendelindeling 1939-1944

Hemieuwers (3e-6e jaar humaniora):
1939-1940        Ret. + le M.    Poesis + 2e M 3e L. + M.    4e Lat.
1940-1941        Voortrekkers   Vikingers         Derde         Heikleuters
1941-1944        Gudruners       Roerdompen    Vikingers     Zeemeeuwen

Klaroeners - vanaf zomer 1943

Knapen  (1e en 2e jaar humaniora)
1939-1940             Chiros    Stormvogels
1940-1941             Chiros    Stormvogels         Witte Kaproenen
1941-1943             Chiros    Stormvogels
1943-1944             Chiros    Blauwvoeten        Kruisvaarders

Seminaristen en studenten vormden daarnaast nog een aparte categorie in het ledenbestand. Zij sprongen de werking van de jongeren bij als «vendelseminarist» of oudere raadgevers. Met Kerstmis 1940 en opnieuw in 1942-1943 was er kortstondig een apart «hoogstudentenvendel» actief(8).

Het vendel vormde niet alleen de kleinste maar tegelijk ook de meest dynamische eenheid in de bond. Afgezien van de activiteiten waarbij heel de bond betrokken was, was het daar dat de werking gebeurde. De vendels hadden hun eigen vergaderingen en activiteiten, een eigen patroon, leuze en vlag. Zij schreven telkens hun jaarverslagen neer in het groot verslagboek van de bond en hielden er meestal zelf nog een kleiner verslagboek op na. Inhoudelijk werkten ze rond een eigen «specialiteit». Een organisatorische tussentrap tussen vendel en bond werd gevormd door de «ban» van Hernieuwers en Klaroeners. Maar die banwerking was voorlopig nog weinig doorslaggevend. De leden voelden zich op de eerste plaats bvb. Gudruner, dan pas Hernieuwer; Stormvogel, dan pas Klaroener. Dat gevoel werd door de bondsleiding trouwens aangewakkerd. Zij wilde een «gezonde naijver» tussen de vendels in stand houden door het inrichten van «intervendeltoernooien» in spel en sport. In 1941 dongen de verscheidene vendels naar een erewimpel in een wedstrijd voor het maken van een tentoonstellingen(9).

Zoals al voor de oorlog bleef de bond op zijn beurt deel uitmaken van een groter verband: de gouwbond K.S.A.-Jong Limburg, en vooral het daaraan ondergeschikte actieve gewest Hasselt. Na een inzinking in de zomer van 1940 tengevolge van de oorlogsomstandigheden, herstelde die gewestwerking zich rond Pasen 1941. Behalve de Jonge Klauwaarts waren er in 1942 nog de bonden van Diepenbeek, Zonhoven, Kuringen en Sint-Lambrechts-Herk bij aangesloten. Een jaar later bleek daar ook de intussen opgerichte bond van Runkst te zijn bijgekomen(10). Deze bonden vonden bij elkaar niet enkel geschikte tegenploegen voor hun vele voetbalmatchen maar werkten ook geregeld samen voor ernstiger activiteiten. Zo gebeurde de leidersvorming in gewestverband. Er werden daartoe o.m. leidersdagen georganiseerd in april 1941 in Bokrijk en in augustus 1942 in Diepenbeek.

Doorheen de oorlogsjaren schommelde het ledenaantal van de bond rond de honderd. Aanvankelijk lag het zelfs ruim boven die grens met ca. 120 tot 130 leden. Vanaf 1942 viel evenwel een dalende trend te constateren. In 1942-1943 telden de Jonge Klauwaarts nog maar 89 leden. In het laatste oorlogsjaar herstelde dat cijfer zich tot 99. Afgezien van de kleine minderheid studenten en seminaristen liep het merendeel van deze leden school in het Sint-Jozefscollege van Hasselt(11).

Recent uitgevoerde tellingen, die wel beperkingen inhouden maar toch een indicatie geven, wijzen uit dat tussen 1940 en 1944 gemiddeld ca. 17% van de collegeleerlingen bij de Jonge Klauwaarts aansloot. De Latijnse afdeling bood daarbij een uitgesproken betere recruteringsbasis dan de moderne humaniora: uit de eerste kwamen gemiddeld ruim 26% van de leerlingen, uit de tweede ruim 6%. De interne verhouding tussen de bondsleden sprak hier eveneens voor zichzelf: gemiddeld ca. 75% Latinisten tegenover 21% leerlingen uit de moderne humaniora, naast een kleine niet te identificeren restgroep. Een studie van de sociale stratificatie voor de periode 1936-1948 leert nog dat de overgrote meerderheid van de leden, namelijk 81%, afkomstig was uit middenklas-gezinnen, terwijl een miniem percentage van 3% voortkwam uit een landbouwers- of arbeidersmilieu(12).

Deze gegevens kunnen iets leren over de mentaliteit van «het bondslid» en van de bond in zijn geheel. Er zal een zeker standsbewustzijn geleefd hebben tegenover de «gewone man», zonder te vervallen in de liberale afstandelijkheid van de aristocratie. Er zal evenzeer, zoals in het verleden, een grote aandacht bestaan hebben voor ideële waarden. Hoe vertaalde zich dat in de praktijk?

Belofteaflegging van Klaroeners op het terrein van de
Broeders van de Christelijke Scholen in Genk-Bokrijk, 28 augustus 1942

 

2. Reeds buigen de rijpe halmen

In vergelijking met de eerste wereldoorlog bleef de weerslag van de Duitse bezetting op de ideologische evolutie van de jongeren erg beperkt. Ze veroorzaakte geen golf van patriottisme en gaf evenmin aanleiding tot een stellingname pro of contra de collaboratie en de Flamenpolitik die de Duitsers ook dit keer voerden. «Politiek deugt niet voor ons» betoogde de Leuvense student en oud-voorzitter Jo Spaas op de plechtige vergadering met belofteaflegging van 30 augustus 1940. De politieke actualiteit kwam bijgevolg nauwelijks aan bod op de vergaderingen. In zover dat toch gebeurde klonk een louter kerkelijk standpunt door. Zo bracht proost L. Bouveroux in de paasdagen van 1941 hulde aan Pius XI als bestrijder van het individualistische liberalisme en het goddeloze communisme(13). Evenzeer in de vooroorlogse traditie van de Katholieke Actie bleef Bouveroux «Rome» als een «derde weg» aanwijzen naast nationaal-socialisme en bolsjewisme: «die lijn hebben wij te volgen», want «Rome haat gedachten, geen volkeren», aldus zijn fel toegejuichte toespraak op een bondsvergadering in juli 1941.

De twee ideologische pijlers waarop de werking gebaseerd bleef waren als vanouds katholicisme en vlaamsgezindheid, met een zekere voorkeur voor de eerste, zoals dat in een Katholieke Actievereniging behoorde te zijn. Als «Hernieuwers van het zo diep in ongeloof gevallen Vlaanderen» wilden zij het land doen «herrijzen, zoals de gelovigen herrezen na Christus' geboorte»(14). Dat alles moest gebeuren in diepe eerbied voor de kerkelijke hiërarchie. «We moeten de eeuwige richtlijnen van de Pausen volgen met geruste zekerheid op de uiteindelijke overwinning» hield proost Bouveroux op de vergadering van 11 april 1941 voor.

Met hun geloof in de kracht van de Eucharistische vroomheid hadden de leden intussen met Kerstmis 1940 een «kommunieoffensief» voor de vrede gehouden(15). In vendelverband werd een erepunt gemaakt van de dagelijks mis, communie en het «D.O.» (dagelijks offer). Grote kerkelijke feestdagen als Kerstmis en Pasen werden door de bond met grote zorg voorbereid, soms in samenwerking met andere katholieke actiegroeperingen van de stad. Zo werd er op 26 december 1941 in de hoofdkerk een gezamenlijke kerstviering gehouden door de Jonge Klauwaarts, Caritas, Boerenjeugdbond, Katholieke Arbeidersjeugd en scouts. Op Witte Donderdag 22 april 1943 organiseerden diezelfde verenigingen een «passieavond» in het college met voordracht, zang en toneel. De vanaf 1942 opnieuw jaarlijks gehouden gewestelijke recollectiedag met mis, preken en lof bood mogelijkheid tot bezinning(16). Vanuit het bisdom werden ook geregeld bezinningsthema's aangereikt waarrond in vendel- en bondsverband kon worden gewerkt, zoals «het parochieleven» (augustus 1941) en «de familie» (Kerstmis 1943)(17).

Opvallend was de grote verering voor Maria. Zij gold als een «hechte steun» in een tijd van «vreselijke lamlendigheid van de jeugd». «Wie is meer bij machte om tot Jezus te voeren?» hield de proost voor op de mariale vergadering van 30 april 1941, waarbij de bond zich toewijdde aan O.-L.-Vrouw en waarop de verscheidene vendels zich intens hadden voorbereid door het houden van een noveen. Een dag later wijdde ook het gewest zich toe aan Maria. In de loop van 1943 organiseerde de actieve gewestleider Louis Moesen een Meivaart naar Zonhoven en een Mariadag in Kuringen(18). Op die laatste gewestelijke bijeenkomst werd tussen de zes deelnemende bonden - Hasselt, Zonhoven, Kuringen, Diepenbeek, Herk en Runkst - een wedstrijd gehouden in het maken van Mariakapelletjes, waarbij Hasselt een eervolle tweede plaats behaalde.

De apostolische werking in het milieu werd o.m. in de praktijk gebracht door het  vanuit  het bisdom opgezette «Evangelieoffensief» met Pasen 1942, waarbij, ter bestrijding van de groeiende ongodsdienstigheid, evangelies op grote schaal aan de man werden gebracht onder het «gewone volk»(19). In dezelfde lijn lag het aanwakkeren van de missiegedachte. Op 3 mei 1941 kwam een Witte Pater uit Boechout een voordracht houden over de opleiding van inlandse priesters in de missies, waarna de leden hem bedachten met een milde gift uit hun nochtans «magere studentenbeurs». Op de bondsvergadering van 8 augustus 1942 werden dia's over Kongo vertoond. In 1942-1943 werden de missies «de specialiteit» van het Gudrunvendel. Na vele studievergaderingen en knipavonden verzorgden ze op 8 mei 1943 een hele bondsvergadering over dat thema. In augustus 1943 staken ze bovendien een bijzonder geslaagde missietentoonstelling in elkaar die bezocht werd door verscheidene andere K.S.A.-bonden uit Limburg(20).

Niet verwonderlijk dat  in  dit  klimaat  heel wat roepingen ontstonden. «Reeds buigen rijpe  halmen» blokletterde de bondsschrijver in 1943 in het verslagboek bij de aankondiging dat Joris Hermans, vendelseminarist bij de Gudruners, zou binnentreden bij de Franciscanen(21). De huldeviering bij de priesterwijding van Albert de Booseré in 1940 was geen uitzondering. Ze viel op 8 mei 1941 ook te beurt aan Albert Roosen toen hij - een jaar later dan verwacht wegens  zijn krijgsgevangenschap in Oostenrijk - eveneens tot priester  werd gewijd(22). Op 4 augustus 1942 werd  een gewestelijke «priesterdag» georganiseerd omdat er toen in alle vijf de bonden van het gewest een priester werd gewijd. Op 24 juli1943 vond er weer een viering plaats in de bond van ditmaal drie nieuwgewijden: J. Crotteux, A. Nelissen en A. Peters. Bij al die gelegenheden hoorden de leden de lof zingen van het priesterschap, maar ongetwijfeld zal hier ook de zegswijze gespeeld hebben «woorden wekken, voorbeelden trekken».

Het verslagboek 1939-1948 werd opgelucht met geslaagde
penttekeningen van Jonge Klauwaart Hubert Vanstiphout.

Ondanks dit overheersend  kerkelijk accent bleef in de werking ook een ruime aandacht bestaan voor de Vlaamse beweging. Al voor de oorlog was evenwel het politieke - «staatsvormende» - flamingantisme uit de beweging geweerd. Nu drong zich gezien de oorlogsomstandigheden des te meer een restrictie op t.a.v. de vlaamsgezinde actie. «Vlaming moeten we zijn, niet te weinig, niet te veel» hield Jo Spaas op 30 augustus aan zijn medeleden voor. Het advies van proost Bouveroux voor de houding van de leden in  «deze moeilijke tijden» klonk in dezelfde zin: «onveranderd blijven strijden voor ons Vlaams ideaal en ons niet laten  meeslepen door extremistische gedachten». «Gevaarlijke» vlaamsgezinde uitspraken werden bijgevolg  niet gedaan, of het zouden de huldewoorden moeten zijn die hernieuwer Pol de Haes op 3 januari richtte aan Lodewijk Dosfel: «door België veroor deeld wegens activisme maar door Vlaanderen vrijgesproken»(23). De vlaamsgezindheid die in de bond werd beleden, bestond in het idealiseren van grote voormannen uit de beweging of had een culturele of volkskundige inslag. Niettemin kwamen deze vlaams- lievende thema's zo vaak aan de orde dat de leden er een flinke portie vlaamsgezindheid aan moesten over houden. Het Vlaamse element vormde zo een tweede ideologische component naast en na de kerkelijke.

Ieder jaar organiseerde de bond een Guldensporenviering, als een soort tegenhanger voor de uitsluitend kerkelijke vieringen rond Kerstmis en Pasen. De zorg voor een zeker evenwicht tussen het Vlaamse en het katholieke aspect bleek ook toen de bondszitting van 3 januari 1941 «in het teken van Vlaanderen» werd gesteld als «revanche» op de louter godsdienstige Adventszitting van een aantal dagen voordien. Dikwijls waren beide elementen gezamenlijk in een bondzitting verweven.

Er werd gedolven in het oude Vlaamse cultuurgoed met voordrachten over Reinaart de Vos, Rubens en Tijl Uylenspiegel, de gebroeders Van Eyck.en het Lam Gods(24). Onder de grote figuren uit de Vlaamse beweging werd zoals al hoger aangestipt de in 1925 overleden Lodewijk Dosfel gerekend, het «geweten van Vlaanderen» die, aldus de proost «bekommerd was om de Vlaamse jeugd opdat ze niet zou opgeslorpt worden in de politiek» en die volgens Raymond Smeets ook groot was als leider «door zijn katholiek ideaal»(25). Toch bleef de bewondering op de eerste plaats uitgaan naar de drie voormannen van de Westvlaamse school: de onbetwistbare grootheid Gezelle, Verriest, de «kijker naar zijn volk», en vooral «onze studentenleider en Vlaamse dichter» Rodenbach, van wie zo vaak gedichten werden voorgedragen of liederen werden gezongen(26). Proost Bouveroux plaatste de K.S.A. uitdrukkelijk in de traditie van deze Westvlaamse studentenleider. «Wij zijn de eersten die het ideaal van Rodenbach overnamen» betoogde hij op de vergadering van 14 december 1940, een bewering die overigens al voor de oorlog fel was aangevochten van nationalistische zijde(27). De leden bleven verder ook aandacht besteden aan het leven en werk van enkele Limburgse schrijvers als Lambert Swerts, Hilarion Thans, en de oude Klauwaarts Jozef Leynen en Alfons Jeurissen(28).

In de lijn van deze cultivering van het Vlaamse erfgoed lag de grote belangstelling voor volks- en heemkunde, die o.m. tot uiting kwam in de «specialiteit» waarop de vendels zich toelegden, zoals «de heide», «de Kempen», «Hasselt». In een heemkundewedstrijd in 1942 uitgeschreven door het gouwbestuur behaalde Hasselt de derde plaats op drieëndertig deelnemers(29).

Vanuit dit vlaamsgezinde en tegelijk katholieke engagement leefde bij de Jonge Klauwaarts een gevoel van verbondenheid met hun volk. Die «volksverbondenheid» haalden zijzelf ook geregeld aan als motief voor hun sociale inzet. Meermaals was de opbrengst van hun toneelstukken bestemd voor een «goed doel». Na de geslaagde vertoning van Een reiziger in delicate kwesties in januari 1941 kon 1.000 F worden geschonken aan Winterhulp, een nationale hulporganisatie om de nood van de meest behoeftigen te lenigen in die bijzonder strenge eerste oorlogswinter(30). Twee jaar later ging, na de opvoering van De Smokkelaar, 800 F naar de getroffenen van de zware fabrieksramp in Tessenderlo, waarbij vele honderden doden en gekwetsten vielen(31). In de winter 1943-1944 stonden de «studentenbonders» samen met de andere Katholieke-Actie-jeugdverenigingen van de stad (scouts, K.A.J., B.J.B., V.K.J.B, en Caritas) op de bres voor het welslagen van een door het Sint-Vincentiusgenootschap opgezette bedelactie om geld, speelgoed, boeken en voedsel te verstrekken aan de meest noodlijdende Hasselaars. De hele oorlog door maakten de vendels er een erepunt van om hun dienstbaarheid aan het volk in de praktijk te brengen door hun inzet in het vakantiepatronaat(32).

 

3. Van studentenbond naar jeugdbeweging.

Op 3 oktober 1942 werd door het bestuur van de Jonge Klauwaarts - proost L. Bouveroux, bondsleider Raymond Smeets, en vendelleiders Nicolaas Roggen Gustaaf Volant, Robert Rombouts en Arthur de Maeyer - een nieuwe «keure» opgesteld. Ze verving de vroegere statuten die dateerden van 1931 en acteerde de wijzigingen die de bond sindsdien had ondergaan. Aan het artikel 2 dat vroeger bepaalde: «De maatschappij groepeert de katholieke vlaamsvoelende studenten: ze beoogt hun vorming en voorbereiding tot de taak van leiders van hun volk: doet alzo aan Vlaamse beweging: wil Vlaams leven scheppen bij en rondom de studenten» werd nu toegevoegd: «Sinds 1937 is de gilde de studentenafdeling van de K.A. en aangesloten bij Jong Limburg. Als dusdanig staat de Gilde onder rechtstreeks gezag van de Kerkelijke Overheid en volgt trouw de richtlijnen van daar uit. Daarom heeft de gilde de indeling van de K.S.A. overgenomen: Klaroenvendels (6e Latijnse en 5e Latijnse); Hernieuwervendels (vanaf de 4e Latijnse en Moderne)(33)». We weten dat die vendelindeling al voor de oorlog was ingevoerd.

De nieuwe keure bevestigde niet alleen een sinds jaren gegroeide toestand maar legde ook enkele zojuist ingevoerde hervormingen vast. Heet van de naald was bvb. artikel 3: «Uit het aansluiten bij de K.A. volgt dat de Proost zich persoonlijk alle benoemingen voorbehoudt... Tot en met 1941-1942 was het immers gebruikelijk geweest dat de leden hun bestuur (behalve de proost) verkozen. Pas in augustus 1942 gebeurde het voor de eerste maal in de geschiedenis van Jonge Klauwaarts dat proost Bouveroux de bondsleiding en vendelleiders voor het volgend jaar aanduidde. De laatst «verkozen» voorzitter Rene Ilsen werd toen opgevolgd door de «aangestelde» voorzitter Raymond Smeets. Zo paste de bond zich aan aan de hiërarchische Katholieke Actie-structuur.

Een andere nieuwigheid die in oktober 1942 werd ingevoerd en die ook in de keure van oktober werd bekrachtigd, was de toevoeging van twee nieuwe functionarissen aan het leiderskader: een verantwoordelijke voor de «Dienst Lichamelijke Opvoeding» (D.L.O.) en één voor de «Dienst Lekenspel»(D.L.S.). De eerste zou belast zijn met «a) 10 minuten turnen op iedere vendelronde der verschillende vendels; b) spelleiding op de bondsuitstap». De taakomschrijving van de tweede luidde «a) liederen aanleren; b) leiding en uitvoering op de bondsvergadering; c) programma van bonte avond of kampvuur». Spel, openluchtleven en creativiteit kregen zo een formele plaats toebedeeld in de werking. De Jonge Klauwaarts volgden hiermee een algemene ontwikkeling die vooral naar voren kwam in de Oostvlaamse K.S.A., waarin zich vanaf het einde van de jaren 1930 deze jeugdbewegingstendensen hadden ontwikkeld(34).

Al in de loop van 1941-1942 had een nieuwe vorm van sportbeoefening een opvallende intrede gedaan. De leden begonnen zich toe te leggen op marsoefeningen en konden zich tegen het einde van het jaar moeiteloos opstellen in hoefijzerformatie, frontformatie e.d.m. Zulke formaties werden trouwens niet alleen op bondsvergaderingen maar evenzeer op gewestvergaderingen aangeleerd(35). Behalve op bonte avonden werden de ouders nu ook uitgenodigd op marsdemonstraties. Die stonden bvb. op het programma van de oudersavond van 26 april 1942.

Anders dan bij voetbal of bij de in 1941 ingerichte turnlessen stond bij deze nieuwe sportvorm niet zozeer de bedoeling van gezonde ontspanning of ontwikkeling van kracht en lenigheid voorop. Hij werd ontwikkeld vanuit een andere motivatie. Hij was een veruiterlijking van de sterkere drang naar stijl en tucht in de beweging, samenhangend met het «nieuwe orde»-klimaat dat sedert de jaren dertig gegroeid was. «Overal wordt geschermd met nieuwe orde. Ook wij hebben orde nodig, tucht» had bondsleider Louis Moesen op de vergadering van 14 december 1940 gezegd Zijn opvolger René Ilsen beklemtoonde herhaaldelijk datzelfde punt(36).

Aandacht voor tucht en stijl uitte zich ook in een grotere zorg voor symboliek en kentekens: het bren­gen van de groet, het uitreiken van een erewimpel, een eigen vendelvlag, de veralgemening van het uni­form. Deze tendens manifesteerde zich duidelijk vanaf 1942. Niet zonder fierheid meldde verslaggever Piet Moesen over de vendeluitstap van Chiros en Roer­dompers naar de abdij van Averbode in augustus 1942: «Van de eerste dag verliep alles tucht- en stijl­vol. In uniform en met vlaggen marcheerden ze door de straten van het dorp zodat ze door iedereen nage­keken werden en zodat ze sympathiek aangeschreven waren bij de plaatselijke bevolking». De angst van de eerste oorlogsmaanden voor uiterlijk vertoon bleek toen helemaal te zijn geweken. Nog in 1942 vinden we voor het eerst sporen van kernwerking. Enkele Klaroeners werden toen keurleden door het afleggen van hun schildknapenproeven. In 1943 vernemen we - eveneens voor het eerst - dat enkele Hernieuwers zich voorbereidden op hun ridderproeven(37).

De groei naar een traditionele jeugdbeweging kwam ook tot uiting in de ruimere ontplooiing van het openluchtleven. In deze oorlogsjaren trokken de Jonge Klauwaarts herhaaldelijk op kamp. Van 24 tot 27 augustus 1942 kampeerden de Klaroeners in de bossen van Bokrijk. Van 23 tot 28 augustus 1943 beleefden de Hernieuwers hun eerste zeer geslaagde kampdagen op het kasteelgoed van Terlamen in Zolder.

Intussen was er een belangrijke organisatorische verandering opgetreden. In januari 1943 hadden de vijf provinciale K.S.A.-organisaties immers besloten om de handen in elkaar te slaan en een nationale federatie K.S.A.-Jong Vlaanderen op te richten. Vanaf augustus 1943 zou deze nieuwe regeling van kracht worden(38). «DE GROTE GEBEURTENIS. K.S.A.-JONG VLAANDEREN IS GEBOREN!!! Onze bond heeft aanstonds gehoor gegeven aan de nieuwe voorwaarden van de huidige K.S.A.-Jong Vlaanderen. We zijn fier lid te zijn in dat blok van 20.000 katholieke studenten», noteerde Gustaaf Volant bij het begin van de grote vakantie 1943 in het verslagboek, «Onze leiders studeerden de nieuwe richtlijnen in en deelden dit op hun beurt mede aan ban en vendels». Want hoewel de gouwen in die nationale federatie een redelijke autonomie behielden, toch kwam er nu grotere uniformiteit in de beweging.

Knapen- en Hernieuwerban in marsorde op de speelplaats van het Sint-Jozefscollege, september 1943

Kampdagen op het kasteelgoed van Terlamen (Zolder), 23-28 augustus 1943.
Op stap naar de vlag. Rechts van de formatie (op de voorgrond, met fluitkoord): 
bondsleider Raymond Smeets.

Dat had ook zijn weerslag op de Hasseltse bond. Van bij het begin van de grote vakantie 1943 werden de vroegere Klaroeners herdoopt tot Knapen. De bondsvoorzitter - op dat ogenblik Raymond Smeets - heette voortaan bondsleider, de vendelleiders werden nu gidsen genoemd, een vergadering werd een «ronde». Aan de in 1942 ingevoerde diensten D.L.O. (Dienst Lichamelijke Opvoeding) en D.L.S. (Dienst Lekenspel) werd nog een D.O.L. (Dienst Openluchtleven) toegevoegd.

De belangrijkste verandering die zich bij deze inschakeling in de nationale federatie voordeed lag in de versterking van de banwerking. Voor het eerst werd een banproost en een banhoofdman aangesteld voor zowel Hernieuwers (resp. Gerard Cosemans en Gustaaf Volant) als Knapen (resp. Louis Moesen en Paul Schruers). De ban werd nu de belangrijkste werkingseenheid in de bond. Nieuwe begrippen als «banronde» (vergadering per ban) en «banstaf» (proost, leider en gidsen van één ban) vonden snel ingang(39). Deze decentraliserende hervorming had het voordeel dat de werking beter op de verscheidene leeftijdscategorieën kon worden afgestemd. Maar ze had ook een nadeel. Bij zijn verslag over de bondsronde van 14 augustus 1943, waarop alleen maar een zangrepetitie was gehouden, noteerde Gustaaf Volant met enige heimwee: «De bondsronden hebben van hun vroegere waarde verloren sinds het invoeren van de banronde. 't Gelden eerder repetities en marchoefeningen, die absoluut de oude bondsronden niet doen vergeten. Waar is de tijd heen van heerlijke en bijblijvende vergaderingen over Rubens, Van Eyck, Dosfel, de taalkwestie en dies meer? Hopen we dat hij terugkere!»(40) De evolutie van studentenbond naar jeugdbeweging was evenwel onomkeerbaar geworden.

4. De tol van de oorlog.

Tijdens de loop van 1943-1944 ondervond de werking veel hinder van de krijgsverrichtingen die het nakende oorlogseinde aankondigden. Tijdens de kerstvakantie kwam er weinig volk naar de vergaderingen. De leden kregen geen toegang tot hun eigen lokaal zodat ze hun toevlucht moesten nemen tot een klas. «Hier moest gezorgd worden voor verduistering, kachel en kolen, electriciteit enzomeer» lezen we in het verslagboek. Op de kerstviering van 29 december 1943 kon ditmaal geen tombola worden georganiseerd «omdat we de nodige middelen niet hadden om hem in te richten». Een lichtpunt in deze situatie was de eerder vermelde geslaagde sociale actie ten voordele van behoeftige Hasselaars.

De uitwerking van het goed voorbereide paasprogramma werd helemaal onmogelijk gemaakt door de bombardementen, waarvan Hasselt nu zijn deel kreeg. «Als in mei 1940 sloegen de Hasselaren weer eens op de vlucht, opgejaagd door de moordende bommen, die voor 't eerst in massa neerploften op het statieterrein, die tragische paaszaterdag-namiddag: 8 april. Eén van de eerste slachtoffers die vielen kwam uit onze rangen, de goede Marcel Borzée van het Vikinger-vendel. Bond en vendel hebben hem in Mis-communie herdacht. De Vikingers verzorgden een roerende «in piam memoriam»-ronde».

De bombardementen bleven ook in de volgende dagen en nachten Hasselt teisteren en dreven vele Hasselaars «voor een veilige nacht» naar het omliggende platteland. «Doods ligt de stad tegen het donker­worden, de grote uitstalramen veilig geborgen achter houten beschuttingen.» De Jonge Klauwaarts maakten zich verdienstelijk «bij opruimen en verhuizing; ook in de P.L.B.diensten (Passieve Lucht Bescherming) verstaan ze best hun sociale plicht» aldus het verslagboek. Omstreeks die tijd moest bijna heel de Hernieuwerban zich  aanmelden  «voor drie dagen  verplichte arbeid in dienst van de nog immer bezettende overheid». Toen het leger zich tegen september 1944 terugtrok, hielden ze zich liever verborgen:  «Vrouwen en kinderen gaapten de voorbijsnellende Duitsers na. De mannen en jongens, wij Hernieuwers ook, hielden ons weggedoken, vrezend voor deportatie, wegens nieuwe niet ingewilligde verordeningen voor tewerkstelling. Na 3 à 4 dagen ongeduldige en zenuwafmatend wachten kwam: de bevrijding».

Noten

(1) De meeste gegevens uit dit hoofdstuk zijn gebaseerd op het bondsverslagboek, 1939-1948. De allusie op de IJzerbedevaart werd gemaakt in de bondsvergadering van 17 augustus 1940. Deze  IJzerbedevaart  van 18 augustus 1940 beperkte zich  tot een besloten plechtigheid in de torencrypte wegens het verbod van de Duitse bezetter tegen    massabedevaarten;  R. DE GHEIN en C. DE RIDDER, Een halve eeuw Vlaams idealisme, p. 80.
(2) A. de Booseré, die tot 1940 in de bond was, herinnert zich dat voor die spelnamiddagen gebruik kon worden gemaakt van «het klasje dat tegen de kapel aangebouwd was»; gesprek met A. de Booseré, 24 januari 1985; Gedenkboek KSA Jonge Klau waarts Hasselt, 1884-1959, p. 44.
(3) Brief van 2 januari 1942 aan de ouders, ondertekend door proost L. Bouveroux; folder met programma van het turn- en atletiekfeest, beide ingeplakt in het verslagboek.
(4) Brief van de Feldkommandantur aan L. Bouveroux, 21 decem ber 1940; ingeplakt in het verslagboek (na de verslagen van de kerstvakantie 1940-1941). De reiziger in delicate kwesties («een blijspel in drie bedrijven naar  Mejo») en de voorafgaande kluchtige eenakter Stik voor mijn part werden opgevoerd op 5 januari 1941.
(5) In 1942 kwamen de Jonge Klauwaarts met liefst drie toneel stukken op de planken. De komeet komt (blijspel in 3 bedrij ven van G. NIELEN en P. MOSSINKOFF), voorafgegaan door de klucht De slimme schaper (een bewerking van Pantouflus van Molière) werd opgevoerd in zaal Rerum Novarum. Op 17 januari ging een vertoning door voor de lagere scholen van de stad, op 18 januari voor een algemeen publiek, op 19 januari voor de internen van het college. Op 14 mei 1942 volgde de vertoning van De Smokkelaar (spel in drie bedrijven van J. GROSFELD), eveneens in Rerum  Novarum. In  november of december 1942 voerde de «toneelkring» van de Jonge  Klau waarts nog Hoe raak ik mijn geld kwijt (een  klucht van G. NIELEN) op in de omliggende gemeenten Berbroek en Zonho ven. Op 5 december 1943 en 19 maart 1944 gaven vervolgens de zgn. «Jonkamaats van Hasselt» de klucht Pekdraad en Mil joenen van J. HOOGEVEEN ten beste, resp. in de gildezaal van Alken en van Stevoort. Volgens een verslag van 21 januari 1942  in het Algemeen Nieuws had proost Bouveroux een belangrijke hand  in de regie; zie uitnodigingen, pro gramma's en verslagen ingeplakt of neergeschreven in het ver slagboek.
(6) Dat blijkt niet alleen ten overvloede uit de verslagen. Ook bij de leden bestond dat gevoelen; gesprek met Louis Moesen, januari 1985. Gedenkboek ..., p. 38.
(7) Uit het jaarverslag 1940-1941 van het vendel van de Stormvo gels (Klaroeners): «Wegens het groot aantal Klaroeners, een veertigtal geloof ik, werden we ingedeeld in drie vendels in plaats van twee, en het vendel van Runkst ontstond alzo. De jongens werden verdeeld volgens parochie». Dit bericht werd ook bevestigd door een gesprek met L. Becker. Op 8 januari 1943 hielden de beide Hasseltse bonden een verbroederingsfeest.
(8) Op de kerstviering van 24 december 1940 hield Jo Spaas een toespraak namens het «hoogstudentenvendel». Dat verdween daarna opnieuw want op de vergadering van 8 januari 1943 was er opnieuw sprake van een «pas gesticht hoogstudentenvendel». Op de afsluitende bondsvergadering van 8 september 1943 kreeg dat vanwege proost Bouveroux een speciaal dankwoord toegestuurd.
(9) Aansporing tot deze «gezonde naijver» en een «concurrerende strekking» tussen de vendels in nochtans een «atmosfeer van solidariteit» o.m, in het paasprogramma 1941 en de bondsver gadering van 11 april 1941. Vanaf 1940-1941 werd dat principe o.m. toegepast op de spelnamiddagen  tijdens de kerstvakan ties. In de tentoonstellingswedstrijd van 4 mei 1941 ging de eerste prijs naar het vendel van de derde met een stand over Hilarion Thans; zie getypt verslag van de jury (die voor geen gemakkelijke opgave stond) in het verslagboek.
(10) Zie verslagen gewestdagen 4 augustus 1942 en 19 augustus 1943.
(11)Voor die ledenaantallen zie de ledenlijsten in het verslagboek; evenals de berekening gemaakt op basis van het Kasboek, 1937-1943 door W. VALLAEY, Het wel en wee van de studentenbond de jonge Klauwaarts te Hasselt, p. 42. Ze werden ver werkt in de ledengrafiek in bijlage. Omdat de cijfergegevens uit de bronnen wat uit elkaar lopen typeren we ze liefst als «benaderend».
(12) We berekenden deze percentages op basis van in tabellen ver werkte cijfergegevens in W. VALLAEY, o.c, p. 45- 53. In die tabellen zijn enkel de leden opgenomen die als leerlingen van het Sint-Jozefscollege konden worden geïdentificeerd, d.i. ruim 76% van het ledenbestand. De percentages over de verhouding binnen de bond tussen Latinisten en leerlingen van de moderne humaniora, evenals de cijfers over de sociale afkomst hebben op die ruim 76 %  betrekking. Voor de procentuele weergave tussen ledenbestand en collegebevolking drong zich nog een tweede beperking op. Aangezien er voor de laagste humanio raklas (6e Lat. +  6e Mod.) geen totale leerlingenaantallen voorhanden waren (omdat  zij samengevoegd werden met de leerlingen van het 7e studiejaar) moesten we ons voor de verhouding leerlingen/ledenbestand beperken tot de hoogste vijf  humanioraklassen. We hebben m.a.w. het totaal aantal leden die in de periode van 1940- 944 in de hoogste vijf huma nioraklassen zaten (d.i. ruim 62 % van het ledenbestand) ver geleken met het totale leerlingenaantal in die klassen voor die zelfde periode. Dat leverde de in de tekst genoemde 17 % op.
(13) Vergadering van 11 april 1941.
(14) Paasrede van seminarist Juul Severy op de bondszitting van 19 april 1941.
(15) Kerstviering van 24 december 1940.
(16) Er werden gewestelijke recollectiedagen gehouden op 11 augus tus 1942 en op 30 augustus 1943. In 1944 werd dit wellicht onmogelijk gemaakt door de oorlogsomstandigheden.
(17) In functie van het K.A.-programma 1941-1942 publiceerde de JVKA-proost K. Cruysberghs een studietekst over De parochie. Dat vormde wellicht de aanleiding voor de bondsvergadering rond dit thema in augustus 1941. Zie de vendelverslagen van de kerstvakantie 1943 betreffende de werking rond «de fami lie».
(18) Op resp. 4 mei en 19 augustus 1943.
(19) Op 12 april 1942. De bond moest 95 evangelies aan de man brengen. Wegens een slechte organisatie verliep die actie niet zo goed, maar alles werd toch verkocht.
(20) De Gudruners hadden deze tentoonstelling maandenlang voor bereid en verstuurden 400 uitnodigingen. Ze werden bezocht door de bonden van  Kuringen, Runkst,  Zonhoven, Diepen beek, Genk, Brussel; zie rondschrijven van de Gudruners en verslag van de tentoonstelling in het verslagboek.
(21) De eerste woorden van het missielied «Reeds buigen rijpe hal men in gouden overvloed...» werden in het verslagboek ver scheidene malen aangehaald bij de aankondiging van een intrede bij paters of een priesterwijding.
(22) Over die krijgsgevangenschap van Roosen werd melding gemaakt bij de aankondiging van de eremis van Albert de
Booseré op 29 juli 1940.
(23) In maart 1941 waren vertegenwoordigers van de Jonge Klau waarts wel tesamen met leden van het Algemeen   Vlaams Nationaal ]eugdverbond (A.V.N.J.) aanwezig op een vergade ring van Winterhulp. Misschien was dat geen  toeval. Het bondslid Raymond Smeets zou toen lid geweest zijn van deze organisatie en de vergaderingen hebben bijgewoond met toela ting van  proost  Bouveroux. Maar toen het A.V.N.J. in de loop van 1941 opging in de  Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (N.S.J.V.)  moest  hij  van de proost  zijn lidmaat schap opzeggen; W. VALLAEY, o.c, p. 19.
(24) Vergaderingen van 17 augustus 1940, 26 april, juli en 2 augus tus 1941.
(25) Vergadering van 21 december 1940.
(26) Zie o.m. de vergaderingen van 21.12.1940, 3 januari, 26 april, 20 december 1941, 7 april 1942, 2 januari en 21 juli 1943.
(27) Vergadering van 14 december 1940; L. VOS, Bloei en onder gang van hel A.K.V.S., dl. II, p. 242.
(28) Vergaderingen van 27 juli, 14 december 1940, 29 auguslus 1942
(29) Vendelverslagen 1942-1943; vergaderingen van 5 januari en 7 april 1942.
(30) Dankbrief van 19 januari 1941 van Winterhulp aan proost Bouveroux. Winterhulp nodigde kort daarop de Jonge Klau waarts uit op een voorbereidende vergadering voor een nieuwe omhaling op 3 maart 1941. Ze waren daar zoals eerder gezegd in voetnoot (23) alleen met het A.V.N.J. aanwezig. Het is niet duidelijk of die tweede omhaling plaatsvond; brieven ingeplakt in verslagboek.
(31) Dankbrief van het Nationaal Steunfonds voor de geteisterden van Tessenderlo aan directeur Michiels, die de  cheque had geschreven, 16 juni 1942, ingeplakt in het verslagboek; over de ramp in Tessenderlo:  H. JACQUEMYNS, Een bezet land, p. 79-80, 82.
(32) Zie o.m. de vergaderingen van 21 juli 1942, 24 juli 1943 en vendelverslagen.
(33) Getypte keure, ingeplakt in het verslagboek.
(34) L. VOS,  o.c, dl. II, p. 284; E. COLENBIER, Ebbe en vloed van een katholieke studentenbond (1932-1963), p. 18. e.v.
(35) Deze rage dook omstreeks Pasen 1942 op. Zie o.m. de bonds vergaderingen van 14 februari, 7, 14 en 21 april 1942 en de gewestvergaderingen van 9 en 17 april 1942.
(36) O.m. op de vergadering  rond Allerheiligen 1941 en van 14 april 1942.
(37) Belofteaflegging op 28 augustus 1942 te Bokrijk; verslag van de bondswerking tijdens de kerstvakantie 1942-1943; jaarver slag 1942-1943 van het Zeemeeuwenvendel; belofteaflegging op 26 augustus 1943 op het kamp van Terlamen.
(38) Van mensen en dagen en een welig huis, p. 26-27.
(39) Van 2 tot 4 september 1943 trok de banstaf van de Knapen naar Chaïneux.
(40) Deze verandering is ook bijgebleven in de herinnering van L. Moesen; gesprek met L. Moesen, januari 1985.

Een flits uit het verslagboek

Vijfde kampdag bij het Kasteel van Terlamen (Zolder). 27 april 1943.

De eerste morgenstonden verliepen met dezelfde bezigheden der vorige dagen. Iedereen was weer vóór het fluitje wakker en de beek bood vandaag zijn zelfde aantrekkelijkheid maar het water leek frisser dan anders!

In tucht marcheerden we naar 't vlaggeveld, de vlag werd gehesen, de Proost (Lode Bouveroux) gaf zijn morgengroet en de kampleider (Raymond Smeets) deelde ons het huidige klassement voor de erewimpel mee. De Roerdompers prijkten nog steeds aan de leiding en konden nog lastig van die plaats worden verdrongen, tenzij door de Zeemeeuwen. De meditatie, H. Mis en H. Communie geschiedden met de grootste godsvrucht.

Het stevige ontbijt wachtte ons dan en we lieten het smaken! De Zeemeeuwen waren van corvée en dan ging alles luidruchtiger maar ook sneller vooruit.

't Gewone marcheren doorheen de lanen nam een aanvang. Na een uurtje werden we binnengeroepen om nog eens duchtig te repeteren voor het aanstaande zangtornooi. De D.L.S. had er verstand van en alles liep gesmeerd. Wel ontbraken er de tenoren der Zeemeeuwen zoals (Arthur) de Maeyer en (Theo) Tits maar ... 't ging. Tevens werd er gemeld dat in de namiddag een tweede belofteaflegging zou plaats grijpen daar de Gudruner, Gust de Maeyer, door een spijtig misverstand gisteren vergeten was. Van Kuyck en Hendrickx zouden de gelegenheid te baat nemen ook proeven die dag in te studeren en af te leggen. Middag werd gefloten. Na de dampende soep en de smakelijke patatten moesten we even uitblazen! Daarna stapten en zongen we dat het een aard om zien had. Bij de vlag werd de «misdeelde» in ere hersteld en legde hij met overtuiging zijn belofte af. Eerwaarde Heer Proost stelde hem tot voorbeeld voor de anderen, daar hij zelfs geweend had omdat hij zijn belofte niet mocht afleggen!

Nieuwe bezoekers kwamen afgezakt en werden met ere ontvangen: onze gewestproost kwam 'n kijkje nemen onder 't handbalspel en hij scheen zeer tevreden, 't Avondeten dat hij bij ons aan tafel mocht gebruiken stemde hem helemaal mild!

Na 't avondmaal trokken we naar onze vendelhokken en wachtten op onze kampleider, die zo 't heet spoorloos was verdwenen ... Hij liet niet eeuwig op zich wachten.

We maakten ons paraat tot het nachtspel in het bos en 't ging er weer hevig toe. Met flitslampen werd er geschenen, gans 't bos was verlicht, totdat er een akelig geluid door de lucht heen snerpte. «Werpt u neer» klonk het uit de mond van onze bezorgde kok ... de bom was gevallen. We veronderstelden enige honderden meters van ons tehuis, maar het was verder. Niemand had nog lust om verder te spelen. In stilte, dit maal zonder de lichtende schijn der zaklampen, togen we huiswaarts. Onze proost wachtte ons met ongeduld af.

Pas in bed bekwamen we van dit nachtelijk bombardement ... dit bracht ons de moorddadigheid van de oorlog!

Verslaggever A. de Maeyer.

  

Hoofdstuk 6 

Ridders van een nieuwe tijd. 
1944-1957

1. «Een frisse jeugd marcheert»
2. Bergopwaarts
3. Veel zalige uren...
4. Een spiegel voor de bredere beweging
5. Een keurbende ten dienste van Kerk en Land

Noten
Bergopwaarts vertelt: Met Alcazar (de Hernieuwerban) naar Zutendaal, mei 1952.

Omstreeks nieuwjaar 1945 richtte het bestuur van de Jonge Klauwaarts een schrijven aan potentiële ereleden en steunende leden: «Tijdens de bezetting werd gesticht en groeide in stilte de K.S.A.-Jong-Vlaanderen. Als interdiocesane federatie omvat zij de vijf Vlaamse gouwen, ingedeeld in gewesten en bonden. De vertegenwoordigende plaatselijke afdeling is de «JONGE KLAUWAARTS» studentengilde, die zo vrij is zich tot U, geachte, te richten. Voortbouwend enerzijds op 'n zestigjarige traditie, die opklimt tot bij onze geëerde stichter, Eugeen Leen, en anderzijds ingeschakeld in de machtige organisatie van K.S.A.-Jong-Vlaanderen, die meer dan 20.000 studenten omvat en hiermede één der sterkste jeugdbewegingen van België is geworden, meent de Jonge Klauwaarts-gilde de Hasseltse studenten die in haar rangen staan op goede banen te leiden; meent ze het vertrouwen te verdienen van ouders en alwie in de jeugdopvoeding belang stellen. De K.S.A. is uitgegroeid tot een TOTALE JEUGDBEWEGING in handen van de jeugd: op stuk van godsdienst, nationaal, cultureel leven en van ontspanning neemt ze klaar en kordaat positie, treedt mee aan in de Katholieke-Actie-gelederen. Schouder aan schouder met de jonge arbeiders, boeren, en middenstanders, voeren wij de kamp voor het herstel van de gemeenschap in KRISTUS, kerketrouw, in dienst van Volk en Land»(1). Zulke brief was typerend voor het zelfvertrouwen en het dynamisme waarmee de bond de naoorlogse jaren aanvatte.

1. «Een frisse jeugd marcheert»

De Jonge Klauwaarts waren present op de feestelijke manifestaties en optochten die in het élan van de bevrijding gehouden werden. Ze woonden op 10 september 1944 de plechtige dankmis met Te Deum bij in de hoofdkerk, stapten een week later mee op in een «boetetocht» die gehouden werd langs de stadsvesten, stuurden ook een afvaardiging naar de Hoogmis t.g.v. de toen met bijzondere luister gevierde nationale feestdagen van 11 en 15 november 1944(2).

Tegen de anti-vlaamsgezinde stemming van dat ogenblik in, waarbij notoire flaminganten als echte of vermeende «zwarten» zozeer het slachtoffer werden van terreur en repressie dat K. van Isacker de bevrijding typeert als het «feest van de haat»(3), hielden de bondsleden eraan om zich bij die vaderlandslievende manifestaties als vlaamsgezinden te afficheren. «Kordaat en dapper zijn de Jonge Klauwaarts bij de bevrijding onmiddellijk op straat verschenen met ... hun leeuwenvlag. Durf was er voor nodig, want wie Vlaanderen niet in hun hart dragen meenden de kans geboden om al wat Vlaams heette weg te vagen uit het publieke leven: de leeuwenvlag werd immers misbruikt tijdens de bezetting. Onze leeuwenvlag verscheen terug in het openbaar «in alle eer en roeme». Er waren gezichten die verwrongen van «Franse koleire», maar ook gezichten die opengingen in sympathiek begrijpen. Audaces fortuna iuvat! Dat we ons Vlaams embleem in eer herstelden, danken we mee aan de hulp van het V.V.K.S. (Vlaams Verbond van Katholieke Scouts -groep Hasselt)».

Hoogtepunt in deze reeks van bevrijdingsmanisfestaties vormde het Christus-Koningfeest dat - in een haast triomfalistische sfeer - op 29 oktober te Hasselt werd gehouden op initiatief van de Limburgse afdeling van het Jeugdverbond voor Katholieke Actie. Die sfeer werd al opgeroepen in de folder die ter voorbereiding van deze  manifestatie aan de  J.V.K.A.-groeperingen was toegestuurd. «Alles herstellen in Christus» stond op de voorpagina geblokletterd «Hier de nieuwe jeugdl Zij bouwt de nieuwe tijden». Daaronder kwam een tabel met «ons groeiend ledenaantal spijts de bezetting», waaruit bleek dat het J.V.K.A.-Limburg toen ruim 23.000 leden telde. Zij allen werden door de Limburgse J.V.K.A.-proost G. Philips aangespoord om deel te nemen aan het Christus-Koningfeest. Het zou opgevat zijn als een «grote Thankgivingsdag», waarop de jongeren uiting zouden geven aan hun dank en hun vaderlandsliefde, en tegelijk belijdenis zouden afleggen van geloof en hun wil tot apostolaat. «Over de nieuwe gemeenschap moet Christus heersen!» De Jonge Klauwaarts, die ter voorbereiding van deze dag verscheidene malen marsrepetities hadden gehouden, stapten in deze groots opgezette optocht van katholieke jeugdverenigingen mee als een keurig geregisseerde groep van een zestigtal leden, allemaal in piekfijn uniform(4).

De leiding maakte immers een bijzonder aandachtspunt van de verdere stijlverbetering in de bond. Het uniform werd gestabiliseerd: blauw hemd, rood-witte das (hij zou kort daarna vervangen worden door een oranje), korte (zwarte) broek, witte kousen, mutsen (vendelkleuren), witte leiderskoorden, schouderlinten». Voor de plechtige optochten werd ook een fanfare gevormd met trommelaars en vier trompetblazers, waarvan Roger Donners de leiding nam. «Alles doet even jong en fris aan» noteerde één van de leden met voldoening in het verslagboek «en ... er is stijl!!!»(5).

In die overstelpende eerste weken na de bevrijding waren de Jonge Klauwaarts niet vergeten hun zestigjarig bestaan te herdenken op een plechtige bondsvergadering van 30 september 1944. Zij hadden daarbij uitvoerig aandacht besteed aan de figuur van stichter Leen, documenten opgehaald uit de «oude doos» en Vlaamse liederen gezongen. Proost Bouveroux had hen daarop in «gloedvolle woorden» opgeroepen tot het naleven van het wetspunt «de Hernieuwer leeft steeds voornaam en sober in Vlaamse ridderstijl» opdat ze zo zouden meewerken aan de opbouw van de «prachtige K.S.A.-beweging onzer Vlaamse provinciën». De «oudere garde» van toneelspelers had ter gelegenheid van het diamanten jubileum plannen gemaakt voor een ..prachtige toneelavond». Het pakte niet zo groots uit. Ze kwamen opnieuw op de planken met het al in 1942 opgevoerde toneelstuk De Komeet komt. Het succes was er niet minder om(6).

De bevrijding bracht enkele nieuwigheden mee in het normale activiteitenpatroon en in de organisatie van de bond. In tegenstelling tot de voorgaande jaren beperkte de werking zich niet meer tot de vakanties. Op sommige zondagen van het eerste trimester 1944-1945 kwamen Knapen samen op spelnamiddagen, en Hernieuwers op spelavonden. De tendens naar een versterking van de banwerking, die zich al op het einde van de oorlog had afgetekend, zette zich door. In het begin van het nieuwe schooljaar werd bij de Hernieuwers, aangevoerd door de energieke banhoofdman Tuur de Maeyer, een «stafraad» (banleiding + gidsen) ingericht. Leerlingen van het derde en vierde humaniorajaar werden nu «Jonghernieuwers» (of ook wel «Voorhernieuwers») genoemd. Al kregen zij een eigen banhoofdman met Staf van Leemput, toch bleven zij officieel nog een onderdeel van de Hernieuwerban en vergaderden zij nog samen met hun oudere medeleden van poësis en retorica(7).

Naast de Knapen, leden van de laagste twee humanioraklassen, die toen onder leiding stonden van banhoofdman Paul Schruers, werd er nu wel een nieuwe, zelfstandige ban van Jongknapen opgericht, bestemd voor leerlingen van de lagere school (vanaf het derde studiejaar). Zij werden onder de hoede gesteld van Fond Berden, later vervangen door Rik Quaethoven(8). In deze ontwikkeling zat ongetwijfeld een politiek van ledenwerving en de zorg voor het aantrekken van «jong bloed». Maar ze paste evenzeer in de geleidelijke transformatie van studentenbond naar jeugdbeweging, waarop ze in het voorgaande hoofdstuk al de aandacht hebben getrokken. Door een aangepaste activiteitenprogramma konden ook deze kinderen zich nu thuisvoelen in de bond. «In de banronden overheerst spel en vermaak» lezen we in een brief die de bondsleiding op 16 januarie 1945 aan de ouders richtte. Daarnaast bleven Knapen en Hernieuwers nog hun vendelronden behouden, waarop ook meer ernstige activiteiten aan bod kwamen. Daar werd o.m. het «godsdienstprogramma voor iedere maand uitgewerkt».

Het was wellicht tengevolge van deze verdere differentiatie van de werking dat aan de bondsleiding, bestaande uit bondsleider Raymond Smeets en de vanouds vertrouwde proost Bouveroux, omstreeks nieuwjaar 1945 ook de nieuwe functie van secretaris werd toegevoegd, die werd toevertrouwd aan Robert Rombouts(9). Alles tesamen telde de bond in 1944-1945 87 ingeschreven en een 50-tal actieve leden(10). Zij werden soms nog allemaal samengeroepen op een algemene bondsvergadering, of «bondsschouw», een woord dat we in september 1944 gebruikt zien(11). Het samenhorigheidsgevoel in de bond werd ook in stand gehouden dank zij de gezamelijke inzet van leden uit verschillende bannen bij bepaalde acties.

Die acties waren voornamelijk van sociale aard. Zoals het voorgaande jaar spande de bond zich in voor het welslagen van een door het Sint-Vincentiusgenootschap opgezette initiatief om ter gelegenheid van Sint-Niklaas 1944 speelgoed uit te delen aan «kleine armen». Samen met leden van andere Hasseltse verenigingen haalden de Jonge Klauwaarts langs de huizen geld en goederen op terwijl Knapen en Jonghernieuwers zich verdienstelijk maakten door het herstellen en verven van oud speelgoed. Op die wijze konden een 300-tal kinderen uit 130 gezinnen met een geschenk worden bedacht(12). Kort daarop organiseerde de bond samen met de scouts een Driekoningenstoet ten voordele van het liefdadig werk «Limburg helpt Limburg». Behalve goederen en levensmiddelen bracht deze actie liefst 16.000 F op. De toneelafdeling kon bovendien, uit de winst van verscheidene toneelopvoeringen en cabaretavonden, in maart 1945 nog 2.800 F overmaken ten voordele van de geteisterden van Vielsalm(13). Dat geld werd niet uit overvloed weggeschonken. In januari 1945 waren de Jonge Klauwaarts met een spaaractie begonnen voor een betere inrichting van hun eigen lokaal. Zij kregen op hun beurt hulp van leerlingen van het college die een toneelavond t.v.v. van dit goede doel organiseerden.

In het voorjaar 1945 engageerden de bondsleden zich nog in een actie van een heel andere aard. Om blijk te geven van hun «trouw aan Vorst en Dynastie en a fortiori aan onze democratische instellingen en grondwet» trokken ze op colportage in de stad met grote foto's van Leopold III, waarvan ze er 560 konden aan de man brengen. Dat gebeurde wellicht in mei 1945, toen in het land de posities werden ingenomen t.a.v. de zich vanaf toen opdringende «koningskwestie». De oppositie van socialisten, communisten en liberalen tegen de terugkeer van de vorst mobiliseerde de katholieke opinie tot pro-leopoldistische manifestaties. Op Pinksterdag 20 mei 1945 namen de Jonge Klauwaarts deel aan zulke «geestdriftige vaderlandse betoging en spontane koningshulde» in Hasselt. De volgende dag hielden ze met de hele bond een «koningsronde» en stelden er een manifest op dat aan het «sekretariaat des konings» werd gestuurd. Daarin spraken ze hun vreugde uit over de bevrijding van het koninklijk gezin door de geallieerden (op 7 mei 1945) en zegden ze tegelijk «diep geërgerd» te zijn door het «onwaardig geschrijf» van bepaalde persorganen evenals het «dubbelzinnig zwijgen van de Openbare Macht» n.a.v. deze gebeurtenis. Wij betreuren het, zo schreven ze nog, dat «de gave figuur van onze geliefde Vorst» voorwerp van betwisting is geworden «bij eigen verdwaalde landgenoten» en drukken de vaste hoop uit dat hij spoedig in het land zal weerkeren. «Leve Koning Leopold III! God bescherme België!»(14).

Deelname aan de "geestdriftige vaderlandse betoging 
en spontane koningshulde" in Hasselt op 20 mei 1945

Ter afsluiting en als een soort apotheose van dit eerste bewogen werkingsjaar na de bevrijding namen de Jonge Klauwaarts deel aan het Jeugdcongres van het J.V.K.A.-Limburg op 9 september te Hasselt. Het zou een nieuwe wilsbelijdenis worden van duizenden K.A.-jongeren uit Limburg «om onder de hoede van het Christi-Kruis het land te helpen heropbouwen»(15).

Zowel in ideologisch als organisatorisch opzicht was de toon voor de naoorlogse periode gezet. De Jonge Klauwaarts vatten de «nieuwe tijden» aan als Katholieke-Actie-militanten, «trouw aan Kerk, Land en Vorst», zonder voeling te verliezen met de Vlaamse beweging. Hun bond kreeg stilaan maar zeker het uitzicht van een traditionele jeugdbeweging, met een gedifferentieerd activiteitenpatroon voor verscheidene leeftijdsgroepen en een grote aandacht voor uiterlijke stijl. De toekomst werd met vertrouwen tegemoet gezien.

2. Bergopwaarts

Met Pasen 1948 legde bondsleider Raymond Smeets zijn functie als bondsleider neer, tesamen met hernieuwerbanhoofdman Tuur de Maeyer, bondssecretaris Robert Rombouts en D.L.O.-verantwoordelijke Toon Reckers. Zij hadden, aldus het verslagboek, hun beste krachten gegeven aan de bond, toen die stond op een «keerpunt van tasten naar nieuwe vormen». Nieuwe figuren stonden klaar om hun taak over te nemen. Raymond Smeets werd als bondsleider opgevolgd door Paul Schruers. Van 1949 tot 1954 werd de bond daarop met krachtige hand geleid door Laurent Vandeschoor. Na hem volgden Paul Judo (1954-1955), Fernand Brouwers (1955-1956), Guido Plessers (1956-1958), opnieuw Paul Judo (1958-1960) en Wilfried Plessers (1960-1962). In het spoor van hun voorgangers zouden ook zij hun «beste krachten» aan de bond geven.

Deze voortdurende wijzigingen in de leiding waren een vanzelfsprekende zaak in een jongerenvereniging als die van de Jonge Klauwaarts, waarin generaties elkaar in snel tempo opvolgden. Toch werd die bondsleiding sedert enkele decennia gekenmerkt door een zekere continuïteit, verpersoonlijkt in proost Lode Bouveroux. Sedert zijn aanstelling tot proost omstreeks 1930 had deze collegeleraar zich altijd actief met de werking ingelaten. Via proostenwoordjes op vergaderingen en in bondsblaadjes bleef hij de inhoudelijke koers bijsturen: telkens opnieuw gaf hij hierin uiting aan vlaamsgezindheid - de leden kenden zijn verering voor Rodenbach, Gezelle, Dosfel en Jeurissen -en tegelijk aan zijn trouw aan de bisschop en de Katholieke Actie. Bouveroux lag ook mee aan de basis van de toneeltraditie die de bond in de jaren dertig en veertig opbouwde. Bij openbare gelegenheden zoals ouderavonden of in de briefwisseling van de bond kwam hij naar voren als «verantwoordelijke oudere» die het woord voerde. Met de leiders hield hij nauw contact  langs  persoonlijke gesprekken of de leidersbijeenkomsten die op zijn kamer plaatsvonden. Voor de naoorlogse generaties belichaamde hij een stuk bondstraditie, die ze door zijn aanwezigheid gevrijwaard wisten.

Dat alles werd met zoveel woorden gezegd op de huldiging die de bond in april 1951 aan zijn proost bracht bij diens 25-jarig priesterjubileum. «Toen na de oorlog de uitbouw tot jeugdbeweging zich opdrong steunde onze E.H. Proost volkomen de nieuwe richting. Maar waar de aanpassing soms met een zeker gevaar voor de wezenlijke bewegingsinhoud gepaard ging, zorgde hij ervoor dat de oude idealen stand hielden en op hun beurt een vernieuwende kracht gingen betekenen» schreef een Jonge Klauwaart bij die gelegenheid. In naam van de oudere generatie richtte Robert Rombouts volgende woorden tot de jubilerende proost: «Professor, ge hebt ons steeds met vaste hand geleid. Met vaardigheid en met geduld, met de zorg en de voorzichtigheid van een kunstenaar hebt gij de zielen der rakkers die aan U zijn voorbijgegaan, geboetseerd. In velen van ons, die later priester werden, hebt gij de kiem der roeping gelegd. In de anderen eveneens hebt gij uw princiepen en de regelen, die uw leven beheersen, weten doen zegevieren. ... Gij hebt tenslotte van ons katholieken en Vlamingen gemaakt»(16).

Een half jaar na deze viering, in oktober 1951, werd Bouveroux benoemd tot pastoor in Rapertingen. De Jonge Klauwaarts waren vanzelfsprekend present op zijn plechtige inhaling op13 januari 1952 en bondsleider Laurent Vandeschoor sprak er in aller naam een «roerend afscheid» uit(17). Een nieuwe proost werd gevonden in Jozef Hanuset, zoals zijn voorganger eveneens leraar aan het Sint-Jozefscollege van Hasselt. In 1955 werd hij opgevolgd door Paul Schruers en drie jaar later nam de Hasseltse collegeleraar Mathieu Gijbels de functie van bondsproost over.

De bond had intussen het uitzicht gekregen van een boom met stevig uitgegroeide takken, zodat alleen vanop enige afstand het geheel nog kon worden overzien. Dat lag vooral aan de fikse uitbreiding van het ledenbestand, een evolutie die begunstigd werd door de veralgemening van de voortgezette onderwijsopleiding (18). In de eerste naoorlogse jaren bleef dat ledenaantal nog schommelen rond de negentig. Tussen 1947 en 1950 was er zelfs een lichte daling tot een 70-tal leden. Maar vanaf 1950 vertoont de in bijlage gepubliceerde grafiek een steil opwaartse lijn, met een piek van 214 Jonge Klauwaarts in 1955-1956, waarna het ledenbestand zich - tot het jubeljaar in 1959 - stabiliseerde rond de 180(19).

Dat leidde tot een verdere organisatorische differentiatie, vooral dan in de jongste geleding, waar de ledentoename het meest spectaculair was. De Jongknapen waren in 1944-1945 o.l.v. Fons Berden beginnen te werken als één ban, zonder nadere indeling en dat bleef wellicht ook zo toen achtereenvolgens Jef Ramaekers en Laurent Vandeschoor de leiding overnamen. In 1948-1949 maakte banhoofdman Jan Quaethoven er twee vendels van, in 1950-1951 - onder het leiderschap van Gerard Michiels - werden dat er drie, en van 1951 tot 1953 had banhoofdman Karel van Nooten wel zes jongknapenvendels onder zijn hoede. Voor zijn opvolger Paul Judo werd het in 1953-1954 zo goed als onmogelijk om het «jonge geweld» van 80 Jongknapen - nu verdeeld over acht vendels - in toom te houden, zodat in het derde trimester van dat schooljaar besloten werd tot een splitsing in twee aparte bannen: één voor leerlingen van het vijfde en zesde studiejaar (met als achtereenvolgende benamingen Burchtknapen (1953-1955), en Savioban (1955-1956)), en één voor leerlingen van het derde en vierde studiejaar (met als achtereenvolgende benamingen jongknapen (1953-1955) en Mariaban (1955-1956))(20).

De groei zette zich nog door. In 1955-1956 waren zowel Savio- als Mariaban (met resp. 38 en 62 leden) ingedeeld in zes vendels. In 1956-1957 bleek het nodig de jongste geleding nog verder te verdelen zodat er toen drie Jongknapenbannen actief werden: één voor leerlingen van zesde en vijfde studiejaar (Burchtknapen), één voor leerlingen van het vierde studiejaar (Savioban) en één voor leerlingen van het derde studiejaar (Mariaban). Het leidde tot een vermenigvuldiging van Jongknapenbanhoofdmannen: Gaston Schruers, Erik Cuppens, Gerard Deturck, Guido Plessers, Paul Quaethoven, Emiel Eyben en Paul Cresens, om van de vele hulpbanhoofdmannen nog maar te zwijgen.

Voor de oudere bannen liep het niet zo'n vaart, maar ook zij kenden vanzelfsprekend een groei door de voortdurende ledenaanvoer uit de jongere geledingen. De Knapen deden er een aantal jaren over om een sterke ban te worden. Tot 1949 - achtereenvolgens onder de leiding van Paul Schruers, Jan Quaethoven en Willy Lemmens - bestonden ze uit één of twee vendels. In 1948-1949 werden ze, bij gebrek aan voldoende ledensterkte voor een zelfstandige ban, tijdelijk samengevoegd met de Jongknapen. De herindeling in drie vendels in 1949-1950 vloeide niet zozeer voort uit een toename van het ledenaantal - dat met 15 nog steeds vrij beperkt bleef - dan wel uit de zorg om wat meer leden als gids (vendelleider) of hulpgids actief bij de werking te betrekken en zo de kernwerking te versterken. Die indeling werd trouwens niet volgehouden. In de tweede termijn van 1951-1952 nam Paul Judo een Knapenban met twee vendels over van Eustache Willems. Tengevolge van de toename van de Jongknapen en inspanningen voor ledenwerving kon vanaf 1952-1953 van start worden gegaan met vier Knapen-vendels en dat werden er zelfs vijf, toen Guido Plessers in september 1955 zijn taak als Knapenleider overdroeg aan Paul Renier.

Schommelend tussen 25 en 36 leden werden de Hernieuwers tot 1952 - onder de banhoofdman Arthur de Maeyer (1944-1948), Gustaaf van Leemput (1948), Laurent Vandeschoor (1948-1949) en René Franssens (1949-1952) - meestal  ingedeeld in drie vendels. De volgende banhoofdmannen Eustache Willems (1952-1954) Fernand Brouwers (1954-1955) en Gaston Schruers (1955-1956) konden met de toen ruim 40 leden de Hernieuwerban - of Alcazarban, zoals hij tussen 1950 en 1955 steevast genoemd werd - steeds in vier vendels verdelen. Van deze Hernieuwerban bleven nog lange tijd de zgn. «Jonghernieuwers» - zij die hun Hernieuwerbelofte nog niet hadden afgelegd - deel uitmaken. Meestal werden zij ondergebracht in een apart Jonghernieuwervendel. In 1951-1952 en 1952-1953 werd er tijdelijk ook een aparte «hoofdman» voor hen aangesteld, met resp. Jaak Bouveroux en Willy Lemmens. Er werden bovendien geregeld aparte activiteiten voor hen voorzien. Toch kwam er pas in 1958 een zelfstandig werkende Jonghernieuwerban tot stand, bestemd voor leerlingen van het derde en vierde humaniorajaar.

In sommige gevallen namen oudere Hernieuwers die het college al verlaten hadden en al dan niet aan een hogere onderwijsinstelling verder studeerden het initiatief voor de oprichting van een eigen ban. Zo was er in 1946-1947 en opnieuw (of nog steeds?) in 1948-1949 een «Voortrekkers»-ban actief. Pas in 1959-1960 vinden we opnieuw sporen van zulke oudere geleding.

Doorheen die diversiteit raakte het vertrouwde verslagboek, waarin sedert vanouds de hartklop van de bond voelbaar was geweest, wat in verdrukking. Met de teloorgang van een gecentraliseerde werking verloor het zijn communicatieve functie. Vele gewone leden kregen het wellicht zelden of nooit in handen. Vanaf ca.1950 begon het leemten te vertonen omdat een of andere banhoofdman nagelaten had zijn trimestrieel of jaarlijks verslag op te stellen. Het verwaterde tot een schrift met knipsels en fragmentarische commentaren bij gebeurtenissen uit het bondsleven tot het 1956 voorgoed verdween.

Intussen  had de bond  een dynamischer orgaan gekregen in het gestencild blad Bergopwaarts, dat inhoudelijk veel gelijkenissen vertoonde met het tussen de oorlog verschenen De Jonge Klauwaert. Toch was Bergopwaarts in oorsprong niet als bondsblad bedoeld. Het eerste nummer, dat in het begin van het kampjaar 1947-1948 verscheen, bevatte een uitvoerig verslag over de werking van de Hernieuwerban tijdens het voorgaande jaar. In de volgende vier afleveringen die in de loop van 1947-1948 door hoofdredacteur Paul Aerts werden uitgegeven bleef Bergopwaarts zich presenteren als banblad van de Hernieuwers. Door opname van citaten uit brieven van leden die tijdens het schooljaar elders verbleven, zoals in het klein seminarie van Sint-Truiden, de normaalschool van Mechelen-aan-de-Maas, het studiehuis van de Witte Paters te Boechout, het groot seminarie van Luik of de Leuvense universiteit, haalde het de persoonlijke banden tussen de Hernieuwers sterker aan. De tweede jaargang - 1948-1949, met Laurent Vandeschoor als verantwoordelijke uitgever - telde wel zes afleveringen en stelde nu ook ruimte ter beschikking voor Knapen en Jongknapen, zodat het vanaf dan als een bondsblad begon te fungeren. Tot 1952 bleef Bergopwaarts alszodanig geregeld verschijnen, met twee tot zes nummers per jaar.

Daarna viel de publicatie voor drie jaar stil. Tegen de grote vakantie 1953 verscheen voor de leden wel een brochure ter voorbereiding van het bondskamp in Sint-Martens-Voeren. In de loop van 1953-1954 ontplooide daarnaast iedere ban afzonderlijk een drukke schrijversactiviteit. De Hernieuwers zagen minstens twee nummers verschijnen van hun banblad Alcazar. In navolging daarvan verzorgde het Knapenvendel de «Baanbrekers» een eigen publicatie jong Alcazar. Het blaadje Knapenfront dateerde wellicht van datzelfde jaar. Jongknapen en Burchtknapen, de twee bannen voor leerlingen uit het lager onderwijs, kregen tegen de grote vakantie 1954 een speciaal voor hen opgestelde Kampbrochure toegestuurd. In september 1954 kwamen de Jonghernieuwers uit met een brochure Naar de toppen, waarmee ze, aldus het editoriaal, hoopten het contact tussen de vier bannen te verbeteren en zo de bondsgeest te verstevigen. Onder dat impuls begon Bergopwaarts op het einde van het schooljaar 1954-1955 opnieuw te verschijnen, maar dan veel onregelmatiger dan voorheen, met maximaal twee nummers en soms ook geen enkel per jaar. Voor de periode 1955 tot 1960 vonden we nog zes nummers van Bergopwaarts terug. De redactie ervan werd nu waargenomen door achtereenvolgens Herman Vanstiphout en Paul Judo(21).

Jongknapen en Knapen op kamp in sint-Martens-voeren, 1949

 

3. Veel zalige uren...

Parallel met de organisatorische differentiatie breidde hel activiteitenprogramma zich uit. Zoals onmiddellijk na de bevrijding gebruikelijk was geworden werd er voortaan het hele jaar door gewerkt. Tijdens het schooljaar troffen de leden elkaar op doorgaans wekelijkse bijeenkomsten. De vakantieperiodes - wanneer alle leden in Hasselt waren - kenden een drukker vergaderschema met bijna dagelijkse activiteiten, zodat een trouwe K.S.A.-er praktisch de hele schoolvrije periode in de bond kon doorbrengen. De veralgemeende gewoonte van de ouders om op vakantie te gaan kon het aanwezigheidscijfer tijdens de zomermaanden wel parten spelen(22). Het college bleef de normale vergaderplaats van de bond. Het in 1942 betrokken klaslokaal kon in 1955 worden ingeruild tegen drie ruimere lokalen die directeur Michiels ter beschikking stelde in de kelderverdieping van de pas voltooide nieuwbouw(23).

Meer dan ooit werd de ban de voornaamste werkingseenheid in de bond. «Hebt gij ook reeds opgemerkt» zo richtte één van de Knapen zich in 1948 tot zijn medeleden-Hernieuwers, «dat er zo weinig contact bestaat tussen de verschillende bannen, om niet te willen spreken van samenwerking. Praktisch weet een Knaap niets af van wat er bij de Jongknapen of Hernieuwers gebeurt, en omgekeerd. ... De enkele keren dat allen dan samen zijn voor een bondsactiviteit blijft nog klein bij klein en groot bij groot»(24). Die situatie zou zich in de volgende jaren nog sterker profileren. Bondsvergaderingen werden enkel nog bij speciale gelegenheden belegd, zoals met Kerstmis. Vooral binnen de oudere bannen van Hernieuwers en Knapen, bleef verder ook een bloeiende vendelwerking bestaan.

Bij een terugblik op de werking van de Hernieuwverban in het eerste trimester van 1947-1948 vinden we volgende activiteiten opgesomde(25):

9 vendelronden (3 door elk vendel)
1 vendeluitstap
2 spelavonden
1 voetbalmatch
3 gymnastieklessen
2 banbladen
5 banstaven
3 bondsraden
1 handbalmatch
1 keer Sint-Niklaas gespeeld
2 maal met ons vlag in 't openbaar verschenen

Op het  programma van  de daaropvolgende kerstvakantie stond:

- Woensdag-Donderdag 24-25 december: Nachtmis in het college
- Vrijdag 26 december, 4.30 uur; spelavond verzorgd door de Burchtridders
- Zaterdag 27 december: oefenmatch of tocht
- Zondag 28 december, 5 uur: kerstzitting (uniform)
- Maandag 29 december, 4.30 uur: spelavond (Troubadours), 8 uur: studieavond: 't schoolprobleem
- Dinsdag 30 december, 4.30 uur: spelavond + kleine ronde (uniform), 8 uur: prestatie der Banstaf en hoogstudenten
- Woensdag 31 december - Donderdag 1 januari: nog vrij
- Vrijdag 2 januari, 4.30 uur: muziekavond, 8 uur: studieavond: spreker Fr. Bijnens
- Zaterdag 3 januari: Driekoningenstoet
- Zondag 4 januari, 5 uur: zang, voordracht, prijskamp + Driekoningenfeest (uniform)

Voor de Knapenban beschikken we voor deze jaren niet over een gelijkaardig schematisch overzicht van de werking. Maar een verslag van Knapenhoofdman Paul Judo over de activiteiten in de derde termijn en de grote vakantie van 1952 geeft ons evenzeer een getrouw beeld van de dagelijkse Knapenwerking. Het gaat als volgt(26):

«Na het prachtig geslaagd paasverlof waren we onmiddellijk gestart voor het derde termijn. Op de spelnamiddagen van 's zondags verbeterde de geest merkelijk, en ook het getal der aanwezigen groeide steeds aan. (Het maximum dat dit termijn gehaald werd was 17). Dank zij het feit dat er nu voldoende aanwezigen waren, kon er nu eindelijk begonnen worden met het Chiro-schrift. Dit gebeurde 's zondags, het eerste half uur van de vergadering (dit kon in de vergadering ingelast worden, daar nog maar één Knaap zijn belofte had afgelegd). Nadat 15 Knapen schitterend hun proeven hadden afgelegd werden allen opgenomen in de Knapenban, en kregen de witte fluitkoord. In de maand mei gingen de Knapen zich te Zutendaal, samen met de ban, toewijden aan Onze-Lieve-Vrouw. Dit vormde wellicht het hoogtepunt van de trimesterwerking. Nadat ons verlof met de klassieke «openingsspelnamiddag» was ingezet, volgden de activiteiten elkander vlot op. Als voorbereiding op het bondskamp werd een trainingskamp van drie dagen gehouden te Zutendaal. Samen met het bondskamp te Lichtaart, waarop niet minder dan 16 Knapen aanwezig waren, vormden dit wel de schoonste dagen van het verlof. Op beide kampen werd vooral gesteund op de vendelgeest, hetgeen een waar succes betekende. Gedurende dit verlof werden er ook meerdere fietstochten gehouden, waaronder een tweedaagse naar Holland.»

De Jongknapen waren niet minder actief. Voor de paasvakantie 1957 kregen de drie bannen waarover ze toen verdeeld waren het volgend programma voorgeschoteld(27):

Eerste week:
Dinsdag: 2u: openingsronde met spel, zang en vertelling
Woensdag: 2u: spelronde met volksspelen, 4u: (na de spelronde) korte stijlronde voor alle gidsen en hulpgidsen - tot 5u
Donderdag: 8u: bondsmis in het college, allen op post
Vrijdag: Mariaban en Savioban: zandspelen en fortenbouw tot 5u. Vertrek om 1.30u stipt aan het college. Schupjes meebrengen. Burchtknapen: trektocht. Vertrek om 1.30u aan het college. Terug rond 7u. Boterhammen meebrengen.

Tweede week:
Maandag: 2u: op het college groot intervendel- en interbansporttornooi. Voetbalcompetitie, atletiek. Turnpantoffels meebrengen. Einde rond 5u.
Donderdag: 8u: bondsmis en toewijding aan O.L.Vrouw. Niemand ontbreke. 2u: grote speurtocht met bosspelen naar Kiewit en omgeving. Terug rond 7u. Boterhammen meebrengen voor 1 maaltijd.
Zaterdag: 4.45u: Jongknapen die naar de alge­mene repetitie van onze oudersavond willen komen kijken komen samen aan het college.
Zondag: grote oudersavond in het Volkstehuis. K.S.A.-ers komen in uniform.

De bannen mochten dan een afzonderlijk activiteitsprogramma ontwikkelen, de aard van die activiteiten liep ten dele parallel. Zeer veel tijd en aandacht ging naar sport en spel: spel namiddagen of -avonden doorheen het jaar en tijdens de vakanties werden doorgebracht met binnenhuisspelen als ping-pong, biljart, kaarten of zeeslag. Voetbal, handbal, atletiek, stads- en bosspelen, waren gegeerde activiteiten in iedere leeftijdsgroep. Op rustiger ogenblikken schoven de  Jongknapen bij elkaar om te luisteren naar een spannend verhaal, en vonden Hernieuwers mekaar voor een gesprek. Waar hun voorgangers bij zulke gelegenheden een pijp bovenhaalden, staken zij nu een sigaret op(28).

Trektochten te voet, per fiets of met tram of bus richting Maastricht, Visé, Kanne, Zutendaal, Bokrijk, Heusden, Genk, Mechelen-aan-de-Maas, Luik, Beringen, Koersel, Diest, Zoutleeuw, Luik, de Antwerpse Kempen, of dichterbij Kiewit, Kuringen en Bolderberg werden schering en inslag. Iedere tocht had zijn eigen pittige bijzonderheden: een lekke band, een kettingbreuk, een onverbiddelijke douanier die de Nederlandse grens gesloten hield, botersmokkelaars met een klein hart, een heroïsche bergsprint. Altijd werden de boterhammen smakelijk «naar binnen gespeeld» en werd er genoten van de mooie Limburgse natuur. Het waren telkens gelegenheden waarbij het groepsgevoel tussen de leden werd versterkt.

Dat gold nog meer voor de kampen die steevast het hoogtepunt vormden in een werkingsjaar of «kampjaar». Hernieuwers, Knapen en Jongknapen trokken er tijdens de zomermaanden een week of wat op uit naar de Ardennen, de Voerstreek of de Kempense bossen. Een kampdag begon met ochtendturnen, wassen, eucharistieviering en een flink ontbijt. Daarna werden de «karweien» uitgevoerd: «patatten jassen», hout klieven, ketels schuren e.d.m. Na het middagmaal volgde een uurtje «platte rust». De tijd vloog voorbij met pleinspelen, bosspelen, allerhande trektochten en soms een nachtelijke «dropping». Het avondlijk duister vormde ook het geschikte kader voor een spannend nachtspel of een hartverwarmend kampvuur. En dan ... het afscheid, waarbij velen ontroerd en met een krop in de keel zongen van «Veel zalige uren sleten wij als broeders hier te gaar».

Ondanks dit algemene patroon groeide ieder kamp uit tot iets aparts, getypeerd door eigen belevenissen en gebeurtenissen die soms een haast legendarische bijklank kregen. Zo werd er nog jarenlang gerefereerd naar het Hernieuwerkamp van 1946 te Wéris, waar de twee concurrerende vendels zich hadden herdoopt in de «Woeste Buzzers» en de «bende van de Stolma Wang», aangevoerd door resp. Paul Donners en Robert Tournelle. In Bergopwaarts van 1948 en 1949 was een rubriek grappige weetjes ingelast onder de titel Dohannaiskes, herinnerend aan het kamp van 1948 in een boerderij te Dohan aan de Semois, waar de Hernieuwers kennis maakten met sigaretten « La Dohannaise », een plaatselijke specialiteit. Wandre, de kampeerplaats van 1949, ging de geschiedenis in als het kamp waarop een groep Belgische soldaten een smadelijke nederlaag opliep in een nachtelijke kompastocht tegen de Hernieuwers. Knapen en Jongknapen maakten datzelfde jaar in Sint-Martens-Voeren kennis met Boer Loop, die aanvankelijk boos was wegens zijn platgetrapte groenten, maar achteraf toch niet de slechtste bleek te zijn. In 1950 betrokken Jongknapen dan hun «paleis» - een barak - op de Hesselsberg te Zutendaal. Het bondskamp te Dorne in 1951 was in verscheidene opzichten merkwaardig. Alle bannen trokken er deze keer gezamenlijk op uit en bovendien was dit «het eerste serieus tentenkamp». In 1952 en 1953 volgden even succesvolle bondskampen resp. te Lichtaart en te Sint-Martens-Voeren. Vanaf 1954 werd er opnieuw per ban gekampeerd(29).

Jongknapen voor hun "paleis" op de Hesselsberg in Zutendaal, augustus 1950

Bondskamp in Dorne (Opoeteren), 10-17 augustus 1951

In deze reeks namen enkele buitenlandse kampen een aparte plaats in. In augustus 1950 sloegen de Hernieuwers voor 15 dagen hun tenten op in het Rijnlandse plaatsje Ittenbach, gelegen in het Zevengebergte. Rond een kampvuur verbroederden ze er met leden van Bund Neudeutschland, een katholieke jeugdbeweging voor studerende jongeren, zowat de Duitse tegenhanger van de K.S.A. De jongeren gaven er uiting aan hun vredeswil temidden van het stilaan uit zijn puin herrijzende en met kerkhoven bezaaide Duitsland(30). In 1957 gingen de Hernieuwers opnieuw voor een week op «Oostlandtocht», een toeristische fietstocht van een week langs Eupen, Keulen, Aken en Maastricht(31). Het kamp van 1950 kaderde in de nauwe bilaterale contacten die het Algemeen Secretariaat van K.S.A.-Jong-Vlaanderen met Bund Neudeutschland onderhield, sedert de oprichting in 1946 van de Internationale Katholieke Studerende Jeugd (I.K.S.J.)(32).

Maar meestal situeerden de contacten van de bond met de bredere K.S.A.-beweging zich binnen de grenzen van de praktisch autonoom werkende gouw of het daaraan ondergeschikte gewest Hasselt. In de eerste naoorlogse jaren woonden Jonge Klauwaarts Limburgse gouwdagen bij in Overpelt (1°47) en Sint-Truiden (1949) en gewestdagen in o.m. Runkst (1947), Hasselt (1949) en Zonhoven (1951). In 1950 en 1951 namen ze telkens deel aan een groots opgezet provinciespel van de K.S.A. tegen de Scouts. In 1955 waren ze present op een provinciaal K.S.A.-Atletiektornooi in Tongeren en twee jaar later trokken verscheidene van hen naar de door de gouw ingerichte Knapendag te Genk(33). Afgezien van deze occasionele ontmoetingsdagen bestond er ook een permanente wisselwerking tussen de bond en de bredere beweging via een groeiend netwerk van beleids- en vormingsorganen die aan de K.S.A. een eigen gezicht gaven.

  

4. Een spiegel voor de bredere beweging

In 1953 stond K.S.A.-Jong-Vlaanderen in het zilver. Vijfentwintig jaar voordien was immers het Jeugdverbond voor Katholieke Actie opgericht, de koepel waaronder de K.A.-werking bij de studerende jeugd van start was gegaan. Op 9 april 1953 waren 30 jlongknapen uit Hasselt aanwezig op de grootse jubellanddag in Brussel, ingericht voor alle Jongknapen uit het Vlaamse land. Tesamen met een 700-tal andere K.S.A.-ers uit hun provincie namen de Jonge Klauwaarts ook deel aan het Jubelkamp dat in augustus 1953 door de Limburgse gouwleiding georganiseerd werd op het terrein Melberg te Genk(34).

Na de oorlog ontplooide K.S.A. zich volop verder tot een volwaardige jeugdbeweging. Afgezien van een belangrijke provinciale autonomie kwam er op organisatorisch, methodologisch en inhoudelijk vlak een grotere eenheid. Richtlijnen van de algemene en provinciale leiding modelleerden de bonden naar hetzelfde specifieke bewegingspatroon, met o.m. eigen structuur, riten, kentekens en symbolen. In de naoorlogse werking van de Jonge Klauwaarts vinden we deze specifieke jeugdbewegingskenmerken weerspiegeld.

Een K.S.A.-er was vooreerst herkenbaar aan zijn uniform: donkerblauw-fluwelen korte broek, blauw hemd met Chiro-schildje, oranje das, grijze kniekousen, eventueel met overslagsokken, en liefst hoge schoenen. Deze uitrusting werd in 1956 nog geperfectioneerd door de invoering van een lederen riem met een blauwvoet op de sluiting, en in 1958 verder afgewerkt met een donkerblauwe K.S.A.-anorak. Bergopwaarts liet niet na om de leden op deze nieuwe uniformstukken attent te maken(35).

Opname van Karel Cuppens in de Knapenban, paasvakantie 1955

Typisch was verder de «cursus honorum» die een lid in de bond te doorlopen had. Wanneer een leerling van het lager onderwijs tot de bond toetrad, werd hij, na het voorbereiden en afleggen van bepaalde proeven, «opgenomen» in de Jongknapenban en ontving daarbij een groene fluitkoord (groen als kleur van de jeugd) die hij om zijn das droeg. Bij zijn overgang naar de Knapen - na het beëindigen van zijn lagere school - waren opnieuw een reeks proefafleggingen vereist om na een aantal maanden in deze nieuwe ban te worden «opgenomen» en de groene fluitkoord te verwisselen voor een witte (wit als kleur van de reinheid en de blijheid). Vanaf het derde humaniorajaar werd hij Jonghernieuwer en kreeg hij na opname normalerwijze een blauwe fluitkoord aan (blauw als kleur van de sterkte en de kranigheid). Hij bereidde zich dan voor op de proeven en de jong-Vlaamse belofte die hij zou afleggen om als Hernieuwer door het leven te gaan. Bij die gelegenheid ontving hij een zwarte fluitkoord (zwart als kleur van de trouw).

Verdienstelijke leden werden door de leiding aangemaand om meer te doen en kernleden te worden. Zo kon een Jongknaap de rang van Hofknaap behalen, een Knaap promoveren tot Schildknaap, een Jonghernieuwer tot Paulusmilitant en een Hernieuwer tot Ridder. Voor het behalen van deze hogere «rang» hadden de kernleden eerst een reeks moeilijkere proeven afgelegd. Voor iedere rang werd een overeenkomstig schildje op het uniform genaaid.

Het waren normalerwijze ook deze kernleden die het tot leider brachten op de verschillende niveaus die er waren: aan het hoofd van een vendel stond een gids, aan het hoofd van de ban een banhoofdman, aan het hoofd van de bond een bondsleider. Ook deze «graden» werden met bepaalde kentekenschildjes uiterlijk geformaliseerd. Sommigen zetten hun «carrière» verder buiten de bond in gewest-, gouw- of misschien algemene leiding.

Overeenkomstig deze gradaties in het leiderskader waren ook de beleidsorganen uitgebouwd. Gidsen, banproost en banhoofdman kwamen samen op «banstaf»ronden om over de gang van zaken in hun geleding te beslissen. De leiding voor de hele bond berustte bij de Jonge Klauwaarts in de handen van de «bondsraad», voorgezeten door bondsleider en bondsproost en verder bijgewoond door banhoofdmannen en -proosten evenals door eventuele verantwoordelij­ken voor de dienstenwerking(36).

De begeleiding bij heel dit vormingsproces gebeurde ten dele in de bond zelf, ten dele ook in gewest- of gouwverband. Zoals we eerder in het verslag van Paul Judo opmerkten, besteedde de Knapenleiding tijdens de vergaderingen veel aandacht aan de voorbereiding op de zgn. «chiro-proeven» die moesten afgelegd worden vooraleer in de Knapenban te worden opgenomen. In 1945 begon Hernieuwerhoofdman Tuur de Maeyer met de organisatie van een vormingskamp voor de Jonghernieuwers in Neerharen. Die gewoonte bleef bestaan tot in 1949, daarna schakelde de bond over naar vormingsronden om Jonghernieuwers op hun Hernieuwerbelofte voor te bereiden(37). Met de jaarlijkse organisatie tijdens de paas- en zomervakantie van studiedagen voor Hernieuwers in Sint-Truiden droeg de gouwleiding het hare bij tot een verdere begeleiding van de Hernieuwerwerking.

In de jaren vijftig kende de bond ook een bloeiende kernwerking. In 1949-1950 vinden we voor het eerst een vermelding van Hofknapenwerking met de drie gidsen van de Jongknapen(38). De kernwerking voor Knapen, die reeds tijdens de oorlog bestond, werd intussen onverminderd voortgezet op de Schildknapenronden, waarbij de aspiranten een Schildknapenschrift aanlegden(39). In 1955-1956 - onder banhoofdman Guido Plessers - werd deze groep tijdelijk herdoopt tot «Parsifalkern». Een jaar eerder was er voor het eerst ook sprake van een kernwerking bij Jonghernieuwers in de zgn. «Pauluskern»(40).

De Ridderslag voor de Hernieuwers bekroonde deze werking. In tegenstelling tot Hofknapen en Schildknapen, die hun belofte op een plechtige bondsvergadering aflegden, vond deze plechtigheid plaats in gouwverband voor alle aspirant-Ridders van Limburg tesamen. Zo werden in 1950 drie Hasseltse Hernieuwers geridderd op het door de gouw georganiseerd Ridderkamp te Caster. Met fierheid constateerde Bergopwaarts dat de Hasseltse bond toen de meeste Ridders in de provincie telde. In 1950-1951 vond de Ridderslag plaats op de Sint-Truidense studiedagen voor Hernieuwers. Op de 80 Hernieuwers die totdantoe in Limburg geridderd waren waren er 9 Jonge Klauwaarts, was opnieuw de trotse vaststelling van Bergopwaart(41).

Naast de gouw droeg trouwens ook de bond het zijne bij tot de begeleiding van Hernieuwers. In 1950-1951 werd door de banleiding van start gegaan met de zgn. «keurhernieuwerwerking». Zoals bij Knapen en Jonghernieuwers kreeg de kernwerking voor Hernieuwers omstreeks 1955 een nieuw impuls. In de loop van het kampjaar 1954-1955 verenigden geëngageerde leden en leiders zich daartoe in de zgn. «Stoottroep», die op geregelde tijdstippen vergaderde en ook verscheidene nummers uitgaf van een eigen blad Stoottroep. Zo werd meteen een nieuwe spoorslag gegeven aan de verslappende Ridderwerking in de gouw. In november 1956 konden na enkele jaren onderbreking opnieuw zes Limburgse Hernieuwers - van wie vijf Jonge Klauwaarts - worden geridderd(42).

Meestal waren diezelfde actieve leden ook betrokken bij de leidersvorming. Vanuit de bond werd zeer geregeld deelgenomen aan de eerste- en tweedeklasleiderskampen van de gouw, die meestal doorgingen in het Heilig-Hartcollege te Heusden en het Virga-Jesse-gouwtehuis te Kiewit. Jonge Klauwaarts waren ook present op de veertiendaagse contactvergaderingen die de gouw in 1949-1950 in Hasselt belegde voor leiders-hemieuwers(43). Ze waren verder geabonneerd op het wellicht vanaf 1949-1950 maandelijks verschijnende provinciale leidersblad Handhaaf en Bouw In hetzelfde jaar kregen ze bovendien kortstondig nog meer «gesneden brood» voorgeschoteld in een apart leidersblad voor het gewest Hasselt Trek aan de riemen. De bond droeg zelf eveneens bij tot een goed functionerend leidersteam door de organisatie van eigen leiderskampen of -weekends, zoals in Visé (1951), Zepperen (1955), Grote Brogel (1956) en Vossenberg (1959)(44).

RICHTEN, het leidersblad van K.S.A., bleef verschijnen tot in 1974. 
Het werd voortgezet met INPIKKER (1974-1981) en OPKIKKER (1981-...).

Intussen groeide het al sinds voor de oorlog verschijnende nationale leidersblad Richten uit tot een jaarlijkse belangwekkende documentatiemap van honderden bladzijden, met grondig uitgewerkte praktische en inhoudelijke richtlijnen voor de werking in de verschillende bannen. Voor verdere ideologische stoffering zorgden nog de nationale ledenbladen: Hernieuwen voor de Hernieuwers en De Knape voor de Knapen. Dit laatste tijdschrift werd van 1952 tot 1954 vervangen door Tijl, een maandblad dat gezamenlijk met de Chirojeugd werd uitgegeven en dat behalve voor Knapen ook bestemd was voor de Jongknapen. In 1954-1955 begon De Knape opnieuw in zijn vroegere vorm te verschijnen en in oktober 1955 startte het nationaal K.S.A.-secretariaat met de uitgave van een eigen ledenblad voor Jongknapen onder de titel Het Vendel. Vanaf 1953 zag ook het proostenblad Floreat het licht(45).

De werking van de Jonge Klauwaarts biedt ons een beeld van de wijze waarop het K.S.A.-vormingsprogramma concreet werd ingevuld. Opvallend in dit verband was de groeiende aandacht voor het aanleren van formele vaardigheden, als onderdeel van de perfectionering van de jeugdbewegingsmethodiek. Vanaf omstreeks 1950 begonnen de Jonge Klauwaarts zich meer dan ooit toe te leggen op woudlopers- en exploratietechnieken. Waar ze totdantoe gekampeerd hadden op een boerderij of in een ander «heem», beleefden ze, zoals vroeger al aangestipt, in 1951 hun «eerste serieus tentenkamp» in Dorne. «Het is daar geweest» herinnerde zich Stache Willems «dat we de wroeters hebben leren kennen, die de voorlaatste dag van het kamp nog maar overal platte knopen legden, die 's nachts droomden van timmermanssteken, van mastworprn en oude wijvenknopen, alsof het kamp er nog jaren moest staan»(46). De indrukwekkende toren die op dit kamp gesjord werd loog er niet om. Door een kaartenverkoop, in 1951-1952 opgezet door bondsleider Laurent Vandeschoor, en verscheidene Vlaamse kermissen in de volgende jaren slaagde de bond er in geleideliik eigen tenten en kamppotten aan te schaffen. Zo konden de Knapen in 1954 met vijf splinternieuwe tenten op kamp gaan naar Lommel (47).

Een heel deel van de doordejaarse werking werd besteed aan het onder de knie krijgen van allerlei vaardigheden: seinen, kompaslopen, sjorren, knopen leggen, zelfs het weer voorspellen. Op herhaalde vaardigheids- en exploratietochten leerden de leden ook hun eigen potje koken, kaarten lezen en uittekenen, dieren en planten observeren. Een voorbeeld daarvan vormde o.m. de door de gouw opgezette W.O.L.B.A.-exploratie waaraan de Knapen tijdens de paasvakantie 1955 deelnamen(48). De lichamelijke conditie werd intussen op peil gehouden door commando-raids, cyclo-cross, voetbal- en atletiekwedstrijden die tussen de bonden van de provincie, tussen de bannen of de vendels werden opgezet. Voor het behalen van een leidersbrevet hielden de Hernieuwers in 1951 o.m. een fietstocht van tachtig kilometer(49).

In al deze activiteiten stonden de Jonge Klauwaarts niet alleen. Al sedert het einde van de oorlog was de K.S.A.-leiding met een «dienstenwerking» gestart die nu verder werd uitgebouwd. Zij bestond aanvankelijk uit drie en later uit vier onderafdelingen: Dienst Openluchtleven (D.O.L.) voor kamp- en woud­loperstechnieken, Dienst Lichamelijke Opvoeding (D.L.O.) voor de sportieve aangelegenheden, Volksdienst (V.D.) voor meer expressieve, verbale, muzische en ritmische vaardigheden en tenslotte Heemdienst  (H.D.) voor knutselwerk allerhande, fotografie en techniek(50). In navolging van andere gouwen begon de Limburgse gouwleiding vanaf 1957 met de inrichting van een jaarlijks dienstenkamp, dat zich aanvankelijk evenwel beperkte tot het uitreiken van D.O.L.-brevetten(51).

Kaart en kompas, onmisbare werkinstrumenten bij een vaardigheidstocht:
W.O.L.B.A.-exploratie, paasvakantie 1955

De Jonge Klauwaarts bekwaamden zich ook in Volksdienstvaardigheden door o.m. geregelde zangstonden in de verschillende bannen. In 1947 organiseerde de bond een zang- en voordrachtenwedstrijd onder de leden. Rond dezelfde tijd vormden de Hasseltse K.S.A.-ers tijdelijk het zgn. «Demerkozakkenkoor» waarmee ze een geslaagde opvoering hielden op de K.S.A.-gouwdag en studiedagen te Sint-Truiden in 1949. In 1957 zou Paul Judo opnieuw met een koor van start gaan(52).

Het in 1944 door Remi Donners opgerichte muziekkorps kwam in 1947 onder leiding van tamboer-majoor Dré Cox, terwijl Fons Berden de functie van korpsaalmoezenier waarnam. Ondanks de nieuwe impuls die het Jonghernieuwervendel in 1948 aan dit muziekkorps gaf,  bleek het vanaf 1949 niet meer te bestaan(53). Pas in de paasvakantie 1956 ging de bond weer de muzische toer op met de oprichting van een zgn. «speelschaar» van blokfluitisten o.l.v. Wilfried Plessers. In 1958-1959 trokken de leden vervolgens met een nieuw trommelkorps de straat op(54).

Na de oorlog werd ook nog tijdelijk - wellicht zolang Bouveroux zich actief met de zaken inliet - de toneeltraditie voortgezet. Zo vond in 1947 de vertoning plaats van De Klucht van Dr. Pantouflus en kwam in 1948 het blijspel 't Kan er van af op de planken. In 1950 werd De klucht van Meester Patelijn opgevoerd ten voordele van de dat jaar door de nationale K.S.A.-federatie opgezette Rome-reis (55). Het was meteen de laatste prestatie van deze toneelgroep die zich sedert de jaren dertig in de bond had gevormd en die nu in feite helemaal uit oud-leden bestond en zeker na het vertrek van Bouveroux - geleidelijk zijn contact met de bond verloor. Het aandeel van de Jonge Klauwaarts zelf in deze opvoeringen beperkte zich voornamelijk tot het voorspel en leidde niet tot de vorming van een nieuwe toneelploeg die de traditie van de ouderen overnam. In de tweede helft van de jaren vijftig was er wel een kortstondige opflakkering van de toneelactiviteit met de opvoering van Tarcitius in Moskou (1956-1957) - een toneelstuk dat door het nationaal K.S.A.-secretariaat was uitgegeven - en van Timmermans' En waar de ster bleef stille staan (1958)(56).

Voor het overige werd er door de Hasseltse jongeren naar hartelust toneel gespeeld, maar dan voor de besloten kring van eigen leden: op de kerstronde of bij het kampvuur. De dramatische expressie kwam nog aan bod in de bij de Jongknapen bestaande vertelcultuur, waarin sommige leiders - o.m. Jongknapenproost Adriaan Claassen - bijzonder begaafd bleken te zijn(57). Knapen en Jonghernieuwers legden zich in sommige jaren toe op poppenspel(58). Dat het de bond niet aan talent ontbrak bleek nog toen het lid Marcel Vangeel in 1956 de eerste prijs behaalde in een inter­collegiaal K.S.A.-declamatietornooi(59). Toch dient opgemerkt dat de in de vroegere studentenbond zo hoog aangeschreven schriftelijke en verbale vorming relatief gezien aan belang verloren had ten voordele van de als meer typisch ervaren jeugdbewegingsvaardigheden die ressorteerden onder de Dienst Openluchtleven en Dienst Lichamelijke Opvoeding.

Knapenban in formatie o.l.v. Guido Plessers op een vaardigheidstocht te Kiewit, paasvakantie 1955

Naast het aanleren van formele vaardigheden wilde K.S.A. zijn leden ook een bepaalde mentale ingesteldheid bijbrengen. Deze als ideaal aangeprezen basishouding lag vervat in drie telkens opnieuw aangehaalde woorden: tucht, stijl en voornaamheid. «Een staalharde tucht verzekert het succes» lezen we in een verslag van 1953(60). In 1956 verzorgde het nationaal secretariaat de uitgave van het boekje Stijl in K.S.A.-Jong-Vlaanderen waarin de jongvlaamse symbolen -het ceremonieel rond de vlag en vendelwimpels, de groeten, alle bijzonderheden van het uniform, - en de «jongvlaamse bewegingsstijl» - de wijze van bevelen geven, fluitsignalen, formaties, standen - uitvoerig werden toegelicht en verduidelijkt met tekeningen. In de Hasseltse banverslagen golden tucht en stijl -gehoorzaamheid aan de leider, stilte op gewenste ogenblikken, iedereen in perfect uniform, goede formaties e.d. - steevast als waardemeters voor de kwaliteit van de werking. Ook het A.B.N.-spreken - waarvoor sedert het begin van de jaren vijftig in de middelbare scholen actie werd gevoerd - vormde een onderdeel van de zo nagestreefde «jongvlaamse voornaamheid»(61). Deze uiterlijke vormen ontleenden evenwel pas hun zin aan een dieperliggende K.S.A.-ideologie.

   

5. Een Keurbende ten dienste van Kerk en Land

«Zit uw uniform goed, en uw kousen? Prachtig! Maar zit vooral uw hele leven goed? Stijl mag geen woord van vijf letters voor u zijn maar een weergave van heel uw hernieuwerwerking» schreef hoofdredacteur Paul Aerts in Bergopwaarts 1948. Het volgend jaar luidde de boodschap «Meer dan ooit blijft 't nodig dat, doorheen ons spel en tocht en kameraadschappelijk samenzijn, de boodschap der beweging met onverminderde kracht blijft doorklinken»(62). Want om die boodschap was het uiteindelijk te doen. De bond wilde meer zijn dan een «eervolle ontspanningsclub» of een sportvereniging. Doorheen de jaren werd telkens opnieuw van leer getrokken tegen de loutere plezierzoekers onder de leden, van wie het uniform altijd «in de was» was en die van de bond een «duivenkot» maakten omdat ze alleen kwamen wanneer ze er zin in hadden. «Hier past 't dat de leiding positie kiest en duidelijk laat verstaan dat wij geen goesting hebben om onze strijdende K.S.A.-Jong-Vlaanderen open te stellen voor enige plezierzoekers die de werking doen verworden tot «een beetje voetballen», slecht bijgewoonde ronden en 'n tucht- en stijlloos gedoe» schreef een vastberaden leidersploeg van de Hernieuwers met Kerstmis 1950 met de bedoeling een nieuwe geest te brengen in de wat verwaterde banwerking. In 1958 sprak de Knapenleiding al even strenge taal tegen de «komedianten» in de ban die enkel naar de vergaderingen kwamen om zich «te amuseren, te profiteren»(63).

Voor de meer ijverige leden klonk de boodschap dat ze nooit de ware betekenis van de beweging uit het oog mochten verliezen. Sportprestaties en vaardigheidsproeven mochten dan verdienstelijk zijn, ze bleven toch altijd maar een middel, een methodiek in de uitbouw van K.S.A. tot een jeugdbeweging en mochten nooit een doel op zichzelf worden. Geregeld werden de leden ervoor gewaarschuwd dat uitingen van stijl en tucht - een piekfijn uniform, een correcte vlaggegroet, een beschaafde omgangstaal - pas zinvol waren in zoverre ze geschraagd werden door, of meer nog een afspiegeling vormden van de innerlijke K.S.A.-overtuiging(64).

Want zoals een Jonge Klauwaart zich door zijn uiterlijke verschijningsvorm van een gewone jongen onderscheidde zo diende hij des te meer een geestelijke kracht te ontwikkelen die het alledaagse oversteeg. «Mannen moeten er zijn, een kern, een elite die het voorbeeld geeft voor offer» klonk het in 1947. Twee jaar later schreef proost Bouveroux in Bergopwaarts: «Gij hebt het recht niet, K.S.A.-er, middelmatig te zijn en kuddemens, gij die in vergelijking met anderen zoveel hebt gekregen van ouders en van Hierboven, die staat in een keurbende ten dienste van Kerk en Land»(65). Een K.S.A.-er moest een «chieke typ» zijn die koos voor de «schone harde weg» en daarbij voortdurend strijd leverde tegen de eigen innerlijke kleinheid: gemakzucht, materialisme en egoïsme. Plichtsbewustzijn, kranigheid, blijheid, kameraadschap, dienstbaarheid, offervaardigheid, zuiverheid werden hem voortdurend als na te streven waarden voorgehouden. Idealisme stond tegenover meeloperij, strijdvaardigheid tegenover halfheid en lafheid, voortrekkers stonden tegenover achterblijvers. In deze «grote strijd» konden de jongeren kracht putten uit de begenadigende werking van de dagelijkse communie en de bijstand van de trouw aanbeden Maria. Eucharistische vroomheid stond in deze kerkelijk strijdende beweging immers als één van de hoogste waarden aangeschreven.

Bij de groei naar een «ploeg van dappere jonge christenen», zoals het in 1955 heette, speelde de hoger beschreven, op de ridderromantiek gebaseerde kernwerking met de «besten» onder de leden - bestemd om te worden opgenomen in de «Graalelite der K.S.A.-Jong-Vlaanderen» - een belangrijke rol, maar ze bleef er niet toe beperkt(66). Gans de jaarwerking was doordrongen van de zorg voor christelijke verdieping bij de leden door de organisatie van wekelijkse bondsmissen, intense voorbereiding op kerkelijke feestdagen (bvb. door het houden van een boetetocht op Witte Donderdag), recollecties georganiseerd door bond, gouw of gewest. De leden werden geregeld herinnerd aan het 3 + 1 gebedsprogramma (dagelijks drie weesgegroetjes plus een vierde voor de bond) en wisten dat van hen een «D.O.» (Dagelijks offer) werd verwacht. Vanaf 1950-1951 werd het gebruikelijk om per maand of trimester in de verscheidene bannen zgn. «wachtwoorden» te lanceren, die een bepaald thema in de werking onder de aandacht brachten en verder nog geconcretiseerd werden in bepaalde actiepunten. «Ik dien» was bvb. het wachtwoord voor de Hernieuwers in juni 1951, geconcretiseerd in het actiepunt «minstens éénmaal per dag iets doen voor een kameraad»(67). Tijdens het Maria-jaar 1954 werd een Mariale bondsronde belegd en zetten Jonghernieuwers een Mariaal Jeugdkamp op in Genk(68). De Mariaverering kwam ook tot uiting in de frequente bedevaarten, naar Scherpenheuvel, Zutendaal, Banneux of Koersel. In 1948 en opnieuw in 1962 gingen Jonge Klauwaarts bovendien met K.S.A.-gouw Limburg naar Lourdes(69).

Priesters en seminaristen, die als bonds- of banproost of als «banseminarist» in het leiderskader waren ingeschakeld, konden een stimulerende invloed uitoefenen op deze religieuze activiteit. Zo kregen we inzage in een deel van een intense briefwisseling die op het einde van de jaren veertig gevoerd werd tussen een in het groot seminarie van Luik verblijvende banseminarist en een banhoofdman. De allesoverheersende zorg die in deze seminaristenbrieven naar voren kwam voor een verdieping van het godsdienstig leven bij de banhoofdman en via hem in de gehele ban kan o.m. blijken uit volgende typerende passage: «Vermeerder op dit uur der doorbraak van de K.S.A.-Jong-Vlaanderen in onze ban en bij de studentenschap, dit euchanstisch-mariaal leven in U. 't Worde een storm,'t worde een fanatisme, 't zij 't uur van de radicale eucharistisch-mariale heiligheid. Laten we ons storten in dit bruisende Christushart vol liefde en ons gooien in Moeders armen. Dan IS ons leiderschap reeds gelukt(70).» In deze sfeer rijpten nieuwe roepingen. Bijna jaarlijks werden één of meerdere oud-leden tot priester gewijd(71).

Leiding op het Knapenkamp te Lommel in 1954, v.l.n.r.: proost Mathieu Gijbels, banseminarist Jan Quathoven en kampleider (en toekomstig gouwproost) Guido Plessers. Zij vormden drie achtereenvolgende priestergeneraties. Tot in 1962 werden bijna jaarlijks één of meerdere oud Jonge Klauwaerts tot priester gewijd. Darna werd de roeping tot het priesterschap een zeldzaamheid in de bond.

In de Katholieke Actie-werking paste ook de eerbied voor de kerkelijke hiërarchie. In het Heilig Jaar 1950 organiseerde K.S.A.-gouw Limburg een bedevaart naar Rome. Een door verloting aangeduide delegatie van twee Hasseltse Hernieuwers, bestaande uit Frans Vandebeek en Gerard Michiels, pelgrimeerde mee naar de Eeuwige Stad en bracht hiervan een Vati­aans document mee dat aan de bond de Apostolische zegen en een «Volle Aflaat» verleende. Nog in 1950 namen enkele Hernieuwers - weliswaar minder talrijk dan de Hernieuwerleiding gewenst had - deel aan een huldebetoging in Sint-Truiden voor de jubilerende Luikse bisschop Kerkhofs. Deze viering was georganiseerd door het Limburgs Jeugdverbond voor Katholieke Actie en opgevat als een manifeste getuigenis van de jongeren «van hun wil om daadwerkelijk mee te strijden in de gelederen der Katholieke Actie»(72).

De apostolische bekommernis die in deze woorden doorklonk, leefde eveneens sterk bij de Jonge Klauwaarts. Ze vormde een derde pijler van hun Katholiek-Actie-ideaal en kon op heel verschillende manieren worden uitgewerkt. Zo nam de Hernieuwer-ban in de Goede Week van 1947 het succesvol initiatief tot uitzending van een dagelijks godsdienstig uurtje dat door de hele collegebevolking te beluisteren viel in de studiezaal van internaat en externaat(73). Maar ook buiten de veilige collegemuren wilden de Hasseltse K.S.A.-ers als «herauten» van hun tijd telkens opnieuw de katholieke aanwezigheid in de maatschappij bevestigen en desnoods in het offensief gaan tegen «wie het geloof weg willen uit school en openbaar leven», zoals ze in 1949 stelden. In de geest van een «moderne kruistocht» namen ze dat jaar deel aan het ronddragen van het «Palestina-kruis» door de Hasseltse straten(74). In 1951 voerde de bondsleiding dan weer een succesvolle actie tegen de vertoning van een «slechte film» in een Hasseltse bioscoop(75). Bij een adventsactie tijdens datzelfde jaar brachten de Jongknapen 300 adventskransen aan de man. In 1951 en opnieuw in 1954 werkte de bond mee aan een door de gouw opgezet «Rozenkransoffensief», gericht op het herstel van het bidden van het rozenhoedje in de huiskring. Tijdens dit laatste Maria-jaar timmerden Knapen en Jongknapen tientallen Maria-kapelletjes in mekaar: ze versierden de Hasseltse straten bij de zevenjaarlijkse Virga-Jessestoet en werden daarna «langs onze Vlaamse wegen ter aanbidding uitgesteld»(76).

Doorheen deze acties openbaarde zich een offensieve mentaliteit, gericht op het behoud of desnoods de restauratie van traditionele katholieke waarden. Ze dient te worden gezien tegen de achtergrond van de links-rechts polarisatie in de naoorlogse Belgische politiek die zich in al zijn explosiviteit manifesteerde in de repressie en de koningskwestie. Een overwegend katholiek Vlaanderen stond tegenover een overwegend socialistisch Wallonië. Onverdraagzaamheid leefde aan beide kanten. Symbolen van katholieke en Vlaamse gezindheid werden in de eerste naoorlogse jaren het mikpunt van agressieve acties, zoals o.m. bleek uit twee aanslagen op de IJzertoren en een poging tot vernieling van een herdenkingskruis voor de Boerenkrijg te Loonbeek. Zulke feiten wekten diepe verontwaardiging bij de Jonge Klauwaarts(77).

Hun trouw aan Leopold III, die ze al in het eerste bevrijdingsjaar in allerhande optochten hadden gemanifesteerd, bevestigden ze nogmaals toen ze op 29 juli 1950 een huldetelegram stuurden naar het Hof om de uiteindelijk teruggekeerde vorst en zijn familie in het land te verwelkomende(78). Op 16 en 17 juli 1951 kende de koningskwestie zijn ontknoping met de troonsaf-stand van Leopold III ten voordele van zijn zoon Boudewijn I. In zijn commentaar bij deze «historische dagen» citeerde het verslagboek uit het herderlijk schrijven van Kardinaal van Roey waarin de troonsafstand van Leopold III werd beschreven als «het gevolg van een ongebreidelde campagne van laster en smaad, zonder bekommering om waarheid, rechtvaardigheid en liefde» en anderzijds werd opgeroepen tot trouw aan «onze jonge koning». In 1953 deelden de Jonge Klauwaarts van harte in de feestvreugde bij de plechtige inhaling van Boudewijn in Hasselt(79). Intussen kondigde zich al een nieuw politiek probleem aan. Van 1954 tot 1958 woedde er een felle schooloorlog. Zoals de meeste van hun geloofsgenoten bleven de Hasseltse K.S.A.-ers bijgevolgd getekend door deze levensbeschouwelijke polarisatie.

Pauselijke zegen voor de Jonge Klauwaarts in het Heilig jaar 1950.

De internationale sfeer van koude oorlog droeg daartoe het hare bij. De Jonge Klauwaarts beschouwden het atheïstische communisme als een levensgrote bedreiging voor Europa en de wereld. Vanaf de eerste naoorlogse jaren waren ze erg begaan met het lot van de Kerk en de Christenen in de Oostbloklanden en in China(80). Tegenover hun afkeer voor de communistische dwaalleer stond hun bewondering voor de strijd van de katholieke Spaanse falangisten, in het bijzonder voor generaal Moscardo, die tijdens de Spaanse burgeroorlog het beleg van het Alcazar te Toledo met succes had doorstaan, al moest zijn zoon er het leven bij inschieten. Niet toevallig herdoopten de Hernieuwers hun geleding tot «Alcazarban» en kozen zij tot strijdkreet «Alcazar, were di». In december 1955 kregen zij vanwege Muscardo een foto aangeboden, voorzien van een eigenhandig geschreven opdracht aan de ban(81). In navolging van de bewonderde Spaanse generaal wilden ook de Hasseltse «Alcazaristen» een voorhoede zijn in het bevechten van het communisme, zij het dat ze deze «heilige oorlog» met vreedzame, ja liefdadige middelen voerden(82).

Actie voor Oostpriesterhulp. Brief van Werenfried van Straaten aan Eustache Willems, 28 november 1951.
Zo werden de Jonge Klauwaarts ijverige medewerkers van Oostpriesterhulp, een steunfonds aanvankelijk voornamelijk bedoeld voor de geestelijke en materiële bijstand van de uit de Oost-Europese gebieden verdreven of gevluchte Duitse katholieken, maar geleidelijk uitgroeiend tot een permanente steun voor de «Kerk in Nood» achter het «Ijzeren Gordijn». Het initiatief was uitgegaan van de Tongerlose Norbertijn Werenfried van Straaten, die als «spekpater» door Vlaanderen trok om voedsel en goederen te verzamelen en tegelijk anti-communistische propaganda te voeren. In de paasvakantie 1951 organiseerden de Hasseltse K.S.A.-ers een pingpongtornooi t.v.v. Oost­priesterhulp, haalde ze in een «spek- en suikerrazzia» 270 kg eetwaren op en adopteerden ze een «Oostpriester», wat er op neerkwam dat ze materiële en geestelijke steun verleenden bij diens inspanningen om een minimale pastorale zorg te verschaffen aan een grote gemeenschap van «ausgetriebene» katholieken, die in de buurt van het protestantse Hannover waren gestrand. De volgende kerstvakantie werd deelgenomen aan de grootscheepse actie die in gans Vlaanderen werd opgezet om 120 Volkswagens ter beschikking te stellen van de Oostpriesters. Gedurende een ganse week haalden de Jonge Klauwaarts bij de Hasseltse bevolking een honderdtal karren op, volgeladen met oud ijzer, vodden, papier en dies meer, waarna ze al dat materiaal tot laat in de avond nog moesten sorteren in de loods van de Boerenbond. Alles tesamen bracht deze actie ca. 20.000 F op, wat goed was voor bijna één Volkswagen(83). In 1954 trok bovendien een groep Hernieuwers o.l.v. Laurent Vandeschoor naar een door Oostpriesterhulp opgezet bouwkamp in het Westduitse Asslar, waar zij gedurende drie weken meebouwden aan de fundamenten van enkele huizen en een kerk(84). Doorheen de jaren vijftig werd het voor Knapen en Jongknapen de gewoonte om in de vastentijd snoep te sparen voor hun «broerkes» in de Duitse diaspora, terwijl de Hernieuwers in 1956 nogmaals een grootse verzamelactie ten voordele van Oostpriesterhulp op touw zetten(85).

Bij dat alles behield de bond zijn traditionele inzet voor de missies. Met missiezondag stonden de K.S.A.-ers aan de Hasseltse kerken voor de verkoop van missielectuur. Inzamelacties van zilverpapier en oude postzegels moesten dienen voor het bekostigen van de seminarieopleiding voor inheemse priesters. De opbrengst van de driekoningen- of sterrenstoeten in 1954 en volgende jaren was bestemd voor het vicariaat Nyundo in Kongo, dat bestuurd werd door de eerstgewijde zwarte bisschop Bigirumwami. In 1957 kwamen verscheidene missionarissen een spreekbeurt houden en werd een missiefilm vertoond. Met een grootscheepse Potosi-actie ten voordele van Bolivië richtte de aandacht zich in 1958 naar Latijns-Amerika(86).

Uit wat voorafgaat valt af te leiden dat de apostolische werking - het bevorderen van de evangelisatie, het versterken van de katholieke aanwezigheid in de maatschappij - heel dikwijls ook meteen een sociaal engagement impliceerde. Die vermenging tussen Katholieke Actie en sociale inzet vinden we nog in andere initiatieven terug. Zo namen Hernieuwers in 1949 de leiding van een door de Christelijke Mutualiteiten opgezet jeugdkamp in Pondröme, waarop ze de volksjeugd niet alleen een aangename ontspanning wilden bezorgen maar haar evenzeer de geest van kameraadschap en de gewoonte van dagelijkse mis en gebed probeerden in te prenten(87). Gelijkaardige motieven lagen ten grondslag aan Milac (Militianen-actie), waarmee in 1953-1954 van start werd gegaan. Door het verschaffen van boeken, het verrenden van kaartjes, de verspreiding van het soldatenblad March werd hier gepoogd om het leven van de dienstplichtige militairen te veraangenamen en tegelijk te veredelen(88). De sociale vorming van de K.S.A.-ers werd verder nog bevorderd door acties van louter caritatieve aard: het organiseren van een kerstfeest voor de arme mensen uit de buurt, zoals de Knapen het in 1947 deden, of het geregeld houden van omhalingen ten voordele van behoef tigen(89).

Aangezien de Hasseltse K.S.A.-ers «midden van hun volk» wilden staan behielden ze als vanzelfsprekend ook een vlaamsgezinde reflexs. Want de beweging wilde de leden niet alleen vormen tot «volwaardige katholieke staatsburgers», maar evenzeer tot «volwaardige Vlamingen», stelde hernieuwerbanhoofdman René Franssens in Bergopwaarts van 1950(90). We hebben er eerder op gewezen hoe de naoorlogse politieke hangijzers de katholieke en Vlaamse belangen trouwens eens te meer naar elkaar toedreven. Bij dat alles bleef de trouw van de Hasseltse jongeren aan het unitaire België buiten kijf.

Indachtig de strijd die ook de voorouders al hadden geleverd «voor outer en heerd» namen de Jonge Klauwaarts in 1948 deel aan een groots jeugdkamp in Westerlo ter gelegenheid van de 150e verjaardag van de Boerenkrijg(91). Op de Sint-Truidense studiedagen van de gouw in 1949 hoorden de Hernieuwers uiteenzetten welke plichten ze te vervullen hadden om «ons volk Vlaams en katholiek te houden»(92). Fier over het feit dat «de K.S.A.-broers van West-Vlaanderen harde handenarbeid» verrichtten bij de heropbouw van de IJzertoren togen 22 Hasseltse jongeren in 1951 zelf op IJzerbedevaart(93). Het volgend jaar, bij de herdenking van de 600e verjaardag van de Guldensporenslag, namen zij op 11 juli deel aan een Vlaamse avond die door de vlaamsvoelende verenigingen van Hasselt in het Casino werd ingericht en organiseerden ze tesamen met de andere Hasseltse jongerenverenigingen een Jeugddag met Guldensporenspel en kampvuur(94). Uit gehechtheid aan eigen aard verkozen ze ook Vlaamse liedjes te zingen in plaats van de zich opdringende «vreemde schlagers»(95). Dosfel en Rodenbach bleven nog steeds inspirerende figuren. In 1956 trokken Jonge Klauwaarts naar de K.S.A.-landdag die ter gelegenheid van dit Rodenbachjaar in Roeselare werd belegd(96).

Het volgend jaar ging de bond voor het eerst sinds lang de revendicatieve toer op, samenhangend met het geleidelijk herstel van de Vlaamse beweging na de oorlog. Op 17 november 1957 stapten de Jonge Klauwaarts namelijk mee op in een protestmanifestatie van Limburgse jongeren ten voordele van het gebruik van Nederlands op de wereldtentoonstelling die in 1958 te Brussel zou geopend worden(97). Intussen begonnen ze stilaan voorbereidselen te treffen voor de eigen bondsfestiviteiten die zouden gaan plaatsvinden bij het 75-jarig jubileum in 1959.

Titelblad van BERGOPWAERTS, het bondsblad van de jonge Klauwaart. 
De tekening vertoont een verweving van katholieke en Vlaamse symbolen.

  

Noten

(1) De aangeschreven «Eerwaarde» of «geachte» werd verzocht tot een financiële bijdrage door het aanvaarden van een Erelid-maatschap (50F ) of van een Steunend lidmaatschap (25F); gedrukte brief, s.d., {ca. nieuwjaar 1945), ondertekend door Raymond Smeets {bondsleider), Robert Rombouts (bondssecretaris), Lode Bouveroux (bondsproost), Tuur de Maeyer, student (banhoofdman van de Hernieuwers), Paul Schruers (banhoofdman van de Knapen), Rik Quaethoven (banhoofdman van de Jongknapen).
(2) Brief van de bondsleiding aan de leden,  9 september 1944; verslag van de Hernieuwerwerking  tijdens de grote vakantie 1944 door Hubert Vanstiphout; verslag van de werking tijdens het eerste trimester 1944-1945 door Tuur de Maeyer, allemaal in het bondsverslagboek.
(3) K. VAN ISACKER, Mijn land in de kering, II, p. 159.
(4) Folder d.d. 26 september 1944 en verslag in verslagboek.
(5) Dat komt overeen met de herinneringen van Raymond Smeets en Paul Aerrs in Gedenkboek KSA Jonge Ktauwaarts Hasselt, 1884-1959, p. 35 en 38.
(6) Verslag over de jubileumvergadering in Het Belang van Limburg, 7 oktober 1944; knipsel ingeplakt in het verslagboek. De komeet komt werd opgevoerd op 11 november (bij de Blauwzusters te Hasselt), 12 en 13 november {te Runkst). Het lokte volle zalen. Op 3 en 4 december werd bovendien  nog een cabaret opgevoerd in Runkst.
(7) Verslag van de trimesterwerking 1944-1945; bestuurslast 1944-1945; brieven van de bondsleiding aan de ouders, 16 januari 1945  en s.d. (ca. nieuwjaar 1945), beide ingeplakt in het verslagboek.
(8) De bestuurslijst van 1944-1945 (geschreven door Tuur de Maeyer) maakt melding van Fons Berden als banhoofdman van de Jonghernieuwers; de later opgestelde gedrukte omzendbrief van ca. nieuwjaar 1945 geeft voor die functie de naam op van Rik Quaethoven.
(9) Tot op  dat   ogenblik had  Hernieuwerbanhoofdman Tuur de Maeyer tegelijk de functie van bondsschrijver uitgeoefend.
(10) Er waren 17 Jongknapen, 28 Knapen en 42 Hernieuwers (inbegrepen 10 Jonghernieuwers); brief van het bondsbestuur aan de ouders, 16 januari 1945.
(11) De term werd voor het eerst gebruikt voor de algemene vergadering van 30 september 1944 waarop het 60-jarig bestaan van de bond werd herdacht. Daarnaast bleef ook de term «bondsronde» in gebruik.
(12) Dankbrief  van  het Sint-Vincentiusgenootschap, 12  december 1944; ingeplakt in het verslagboek.
(13) Het verslagboek geeft een «erelijst» van leden die het meest ophaalden bij eerstgenoemde actie. In volgorde: Paul Donners, Guill. Kelles, Albert Ilsen, Theo Tits,  Hub. Vanstiphout,  A. Vanderlinden, P. Reners, Marc Genotte.
(14) Manifest ingeplakt in het  verslagboek; gesprek met Raymond Smeets; zie ook P. THEUNISSEN, 1950: Ontknoping van de koningskwestie, p.11-13 en T. LUYKX, Politieke geschiedenis van België, p. 416-417.
(15) Gedrukte uitnodiging en programma van het Jeugdcongres; ingeplakt in het verslagboek.
(16) Fragmenten uit het bondsblad Bergopwaarts, IV, 3. Bijkomende informatie en getuigenissen over Bouveroux in o.m. in Bergopwaarts, V, 2. (Op interview te Rapertingcn), in  het Verslagboek, 1951-1952 en in Gedenkboek K.S.A. Jonge Klauwaarls Hasselt, 1884-1959. passim.
(17) Knipsels met verslag over de inhaling van Bouveroux te Rapertingen in Het Belang van Limburg, 13 januari 1952, ingeplakt in het Verslagboek; Bergopwaarts, V, 1, p. 1.
(18) E. WITTE en   A. MEYNEN in Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl. XV, p. 222 e.v.; M. VAN HAEGENDOREN en L. VAN DEN HOVE in Culturele geschiedenis van Vlaanderen, dl. IV, p. 106.
(19) Archief K.S.A. Limburg, nrs. 322 en 353 en 470, KADOC; ledenlijsten in het verslagboek; Bergopwaarts, VII, 1, p.15.
(20) De evolutie van ban- en vendelindeling werd samengesteld op basis van de in voetnoot (19) vermelde bronnen en verder op alle andere fragmentarische informatie die we aantroffen in het verslagboek, Bergopwaarts en andere bondspublicaties, Handhaaf en Bouw, Tijl (februari 1954), Collegiana en het Gedenk­
boek
van 1959, aangevuld met gegevens uit interviews.
(21) Herman Vanstiphout stond als hoofdredacteur vermeld op de afleveringen van mei 1956 (VII, 1), september en   oktober 1957. De laatste aflevering, verschenen in het kampjaar 1959-1960 stond onder redactie van Paul Judo. Bij deze laatste reeks van  zes afleveringen rekenen we ook het  nummer dat  verscheen onder de titel Paasprogramma Jonge Klauwaarts, 1957. Al verscheen dit niet onder de titel Bergopwaarts, het had hetzelfde opzet  en uitzicht. De opsomming van bondsbladen is nog  voor aanvulling vatbaar. Zo moet er volgens Bergopwaarts, I, 1, p. 16 in de loop van 1946-1947 nog een maandblad De Jonghernieuwer bestaan hebben en maakt het verslagboek in 1947-1948   verder  melding van het ons niet nader bekende blad Ons Bergpad.
(22) Zie o.m. het verslag over de werking van de Jongknapenban tijdens de grote vakantie 1951 en het jaarverslag van de Knapenban in 1950-1951, beide in het verslagboek; verder Handhaaf en Bouw, III, 2, november 1951. p. 9, VI, 9, juni 1955, p. 16 en VU, 8, mei 1956, p. 23.
(23) Interviews met Paul en Jan Quaethoven;  Collegiana,  XIV, 2, februari 1956, p. 5; Gedenkboek K.S.A. Jonge  Klauwaarts Hasselt, 1884-1984. p. 55; Dankbaarheid  en  waardering,  p. 233. Ook de Scouts kregen drie nieuwe lokalen in de kelderverdieping toegewezen.
(24) Bergopwaarts, 1, 4, p, 11-12.
(25) Bergopwaarts, I, 3, p. 8-9.
(26) Zie Verslagboek.
(27) Paasprogramma Jonge Klauwaarts (gestencilde brochure, 1957), p. 10.
(28) Zie o.m. Bergopwaarts. I, 2, p. 13, I, 3, p. 7, I, 4, p. 3 en Verslag over de Hernieuwerwerking tijdens de   paasvakantie 1954 in het verslagboek. Het roken van sigaretten werd weliswaar niet altijd positief ingeschat. Het werd soms afgeschilderd als één van de "kleine pleziertjes» die het leven vervlakken, zie Bergopwaarts, II, 3, p. 2. Het Chiroschrift van L. Franssens (ca. 1949-1950) meldt «niet roken in uniform», als een praktische uitwerking van het 9e wetspunt  «Hij buigt zijn wil  in tucht voor God en elk gezag».
(29) Informatie over deze kampen in het verslagboek (waarin o.m. een knipsel uit hel Het Belang van Limburg over het bondskamp te Dorne),  in Bergopwaarts en in Gedenkboek K.S.A. Jonge Klauwaarts 1884-1959, p. 39, 50-52.
(30) Knipsels uit Duitse en Vlaamse kampen met verslagen over dit kamp, ingeplakt in het verslagboek.
(31) Verslag in Bergopwaarts, september 1957, p. 12-13.
(32) Om precies  te zijn ging deze wereldorganisatie in  1946 van start onder de benaming «Internationale  Commissie  van de K.S.J.». Na een tijdelijke inzinking werden de werkzaamheden in 1954 hervat en werd de organisatie herdoopt tot Internationale   Katholieke Studerende Jeugd; Uiteenzetting over de I.K.S.J. (gestencilde nota van K.S.A.-nationaal, 1966, eigen bezit); R. DEPUYDT. Organisatie in K.S.A.-Jong-Vlaanderen, p. 44-45.
(33) Verslagboek 1947, 1951, 1954; Bergopwaarts, I, 1, p. 20, 28; II, 2, p. 7-9; Collegiana, V, 3, maart-april 1947, p. 16-17, V.
4, mei-juni 1947, p. 21, VII, 7, mei 1949, p. 36, XIV, 5, mei 1956, p. 11; Richten, XXI, 3, november 1956, p. 28.
(34) Jubelverslag in Kampbrochure Sint-Martens-Voeren, 1953; Verslagboek 1952-1953; Leidersberichten van gouw Limburg in Richten,XVII, 1952-1953;Collegiana, XII, 1, oktober-november 1953.
(35) Richten, XXI, 3, november 1956, p. 32, XXII, 2, p. 31; Bergopwaarts,  november 1957,  p. 21;  1959-1960,  p. 6. Voor deze en  volgende alinea's maakten we verder gebruik van enkele K.S.A.-uitgaven:  Met  onze jonghernieuwers in de ronde (III, ca. 1944), Stijl in  K.S.A.-Jong-Vlaanderen (1956) en  R. DEPUYDT, Organisatie in K.S.A.-Jong-Vlaanderen (1961).
(36) Op het einde van de jaren veertig bleek de gewoonte verloren te gaan om verantwoordelijken voor de diensten aan te stellen. In 1955-J956 werd gestart met een nieuw dienstenkader en werden naast D.L.O.,  D.O.L, en D.L.S. enkele nieuwe diensten ingevoerd,  nl. «Speel schaar»,  «Bibliotheek en Studiedienst», en «Bondsblad». «Algemene dienstoverste» Eddy Bloemen coördineerde deze diensten; Ledenlijst 1955-1956 in
verslagboek; Bergopwaarts. VII, 1, p. 16; Collegiana, XIV, 4, mei 1956, p. 5. We vermoeden dat deze nieuwe regeling maar een kortstondig bestaan beschoren was; gesprek met P. Quaethoven.
(37) Bergopwaarts, I, 1, p. 25-26, I, 5, p. 4, II, 2, p. 12-13, II, 6, p. 3, III. 6, p. 15.
(38) Verslag over de Jongknapenwerking in het derde trimester 1949- 1950 in het verslagboek.
(39) In het archief  van  K.S.A.-Hasselt  is het  Schildknapenschrift van Gaston Schruers bewaard. Het bevat notities van negen Schildknapenronden met als achtereenvolgende thema's: Betekenis van de kern, Leiderschap, Schildknapenschrift, Verantwoordelijkheid, Vertrouwen, Het gebed, Mis en H. Communie, Maria, Het doel van de Schildknapenwerking.
(40) Verslag uit Collegiana, ingeplakt in het verslagboek, 1954-1955; Richten, XIX, 5, februari 1955, p. 47 e.v., verslag over de Knapenwerking in het eerste trimester en de paasvakantie1955 (-1956) in het verslagboek.
(41) Bergopwaarts, III. 6, p. 14-15, IV, 2, p. 9.
(42) Oproep van de Hernieuwerleiding voor een diepgaande vernieuwing van de werking opdat de ban «een Stoottroep van Christus-Koning» zou worden in Bergopwaarts,  III, 6, p. 12-13. Uit Bergopwaarts, V, 1, p. 6 en uit het verslagboek blijkt dat  de keur- of kernhernieuwerwerking werd  verdergezet  in 1951-1952 en 1952-1953; gesprek met Eustache Willems. Voor 1954-1955 beschikken we over enkele afleveringen van de gestencilde brochure Stoottroep. De vijf Jonge Klauwaarts die in november 1956 tot Ridder geslagen werden waren Eddy Bloemen, Sylvaïn Bouveroux, Guido Plessers, Paul Renier en Gaston Schruers; Richten, XXI, 3. november 1956, p. 27. In 1958 prees Bergopwaarts een abonnement aan op Were di, het riddertijdschrift van gouw Limburg.
(43) Informatie over de leiderskampen in de berichten van gouw Limburg in Richten.  De deelname vanuit Hasselt blijkt o.m. uit  het  verslagboek, paasvakantie 1951; Bergopwaarts,  V, 3, P. 10-11; Handhaaf en Bouw, VI, 9, juni 1955, p. 16; Collegiana, XII, 4, juni 1955, p. 9-10; Bergopwaarts, VII, 1, p. 6. Betreffende de 14-daagse leidersbijeenkomsten, ingericht door de gouw, zie Collegiana, VIII, 6, maart 1950, p. 47, VIII, 5, februari 1950. p. 38, VIII. 7, mei-juni 1950. p. 56, IX, 1, oktober 1950, p. 5-6.
(44) Bergopwaarts, IV, 2, p. 2-4; Collegiana, XIV. 1, december 1955, XVII, 1,. 1959, p. 3.
(45) Een overzicht van deze tijdschriften (met hier en daar onnauwkeurigheden) in Van mensen en dagen en een welig huis, p- 77 e.v.
(46) Gedenkboek K.S.A.-Jonge Klauwaarts Hasselt, 1884-1959, p. 52.
(47) Bergopwaarts, V, 3, p. 2, september 1957, p. 16; Collegiana, XIII. 1. oktober 1954, p. 3, XIV, 1, december 1955, p. 5, XIV, 5, mei 1956, p. 11.
(48) Bergopwaarts, VI, 1. p.15-16. Vermoedelijk stond W.O.L.B.A. voor de beginletters van de vijf Vlaamse gouwen
(West, Oost, Limburg, Brabant, Antwerpen).
(49)Verslagboek, grote vakantie 1951.
(50) De drie diensten  die aanvankelijk bestonden waren  D.L.O., D.O.L. en D.L.S. (Dienst Lekenspel). Deze laatste dienst werd later gesplitst in Volksdienst en Heemdienst.
(51) Richten, XXI, 10, juni 1957, p. 28-29.
(52) Bergopwaarts, I, 1, p. 13, II, 2, p. 9, V, 2, p. 9, september 1957, p. 8. november1957,  p.18; Paasprogramma  Jonge Klauwaarts (1957), p. 6.
(53) Bergopwaarts, VII, 1, p. 8; Collegiana, XIV, 4, mei 1956, p. 5,  XVIII,  2,  1959,  p.  13,  XIX,  1,  1960,  p.  9:  gesprek met Guido Plessers; Gedenkboek K.S.A. Jonge Klauwaarts Hasselt 1884-1959, p. 55, 64-65.
(55) Verslagboek 1947-1950; Collegiana, V, 4, mei-juni 1947, p. 21.
(56) Paasprogramma Jonge Klauwaarts (1957), p.5-6; Bergopwaarts, november 1957, p. 20-21; Gedenkboek K.S.A. Jonge Klauwaarts Hasselt, 1884-1959, p. 55.
(57) Zie o.m. Jaarverslag 1950-1951 van de Jongknapenban in het verslagboek en Bergopwaarts, oktober 1957, p. 8.
(58) Jong Alcazar, 11 juni 1954; Verslagboek 1955-1956.
(59) Bergopwaarts, VI, 1, p. 9; Collegiana, XIV, 4, mei 1956, p. 5.
(60) Collegiana, XII, 1, oktober-november 1953, p. 4.
(61) Bergopwaarts, III, 4, p. 4-5, V, 2, p. 3; Kampbrochure Sint-Maartens-Voeren, 21-29 augustus 1953; Jong Akazar, 11 juni 1954; Collegiana, VIII, 7, mei-juni 1950, X. 2, november 1951, p. 15.
(62) Bergopwaarts, I, 4, p. 6-7, II, 3, p. 2.
(63) Zie o.m. Bergopwaarts, II, 3, p. 2-3; III, 4, p. 5, III, 6, p. 12-13, (november 1957), p. 2-3; Trek aan de riemen, I, 1. (1949-1950); Naar de toppen (1954);  Collegiana, XIII, 4. juni   1955, p. 9-10.
(64) O.m. in  Bergopwaarts, III, 3, p. 2, V, 3, p.2-3 en  in de Kampbrochure Sint-Maartens-Voeren, 21-29 augustus 1953.
(65) Bergopwaarts, I, 1, p. 15, [I, 1, p. 2-3.
(66) Citaten uit Collegiana, XIII, 4, juni  1955, p. 9-10 en uit Bergopwaarts, III, 3, binnenzijde omslag.
(67) Bergopwaarts, IV, 2, p. 1.
(68) Verslagboek, paasvakantie 1954; Kampbrochure Mariaal Jeugskamp, 29 juli - 3 augustus 1954; Handhaaf en Bouw, VI 1, oktober 1954, p. 6.
(69) Collegiana. VI, 8-9, juli 1948, p. 43, VII, 1, oktober 1948, p 3, XXI, 1, 1962-1963, p.14; gesprek met Guido Plessers.
(70) P. Schruers aan J. Quaethoven, 11 januari 1948.
(71) Een benaderende telling leert ons dat er in de periode 1944-1962 minimum 23 oud-leden tot priester werden gewijd.Vijf van hen {allen uit de vroegste jaren 1944-1953) waren regulier (vier Witte Paters en één Norbertijn).
(72) Verslagboek, 1949-1950.
(73) Verslagboek 1946-1947; Bergopwaarts, I, 1, p.18-19; Collegiana, V, 4, mei-juni 1947.
(74) Bergopwaarts, I, 3, p. 9-19, II, 3, p. 3-4.
(75) Het betrof de film «56 Rue Pigalle», die zou worden vertoond in  zaal Palace, Het stadsbestuur verbood de vertoning van deze film n.a.v. een verzoekschrift van de Jonge Klauwaarts; brief van het stadsbestuur aan de bondsleiding, 28 november 1950, ingeplakt in het verslagboek. Mogelijk ging het hier om een gecoördineerde actie van verscheidene katholieke verenigingen in Hasselt.
(76) Verslagboek 1951-1952 en 1953-1954; Richten, XVI, 2, oktober 1951, p.188; Collegiana, XII, 5, mei 1954, p.10. Het vervaardigen van Mariakapelletjes vormde ook een onderdeel van de zgn. «Tijltocht», een intervendelwedstrijd voor Knapen en Jongknapen, die in 1953-1954 voor de vijf gouwen werd ingericht; zie o.m. Richten, XVIII, 1, september-oktober 1953, p. 27-32.
(77) Bergopwaarts, II, 3, p. 4, III, 6, p. 4, 8-9, V, 3, p. 17; H. TODTS, Hoop en wanhoop der vlaamsgezinden,  {1), p. 50 e.v.; P. THEUNISSEN, 1950: ontknoping  van  de  Koningskwestie;  E. WITTE in Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl. XV, p. 205-222.
(78) De grootmaarschalk van het Hof dankte in een brief van 30 juli 1950, zie verslagboek.
(79) Verslagboek, mei 1953.
(80) Verslagboek, 1947-1948; Bergopwaarts, I, 1, p.12, III, 6, p. 4, 12, V, 3, p. 3-4;   Stoottroep (1953-1954), Naar de toppen, 1954.
(81) Bergopwaarts, VI, 1, p. 9, VII, 1, p. 4, 15, september 1957, p. 11; Collegiana, XIII, 4, juni 1955, p. 9-10; Gedenkboek K.S.A. Jonge Klauwaarts 1884-1959, p. 48.
(82) Verslagboek, 1951-1952, Bergopwaarts,  I, 5, p.12 citeerde de woorden van Churchill:  «Als de jeugd van België en Nederland ongeschonden op haar standpunt blijft, dan kan Europa van de val worden gered». Hoewel ze de strijd met vreedzame middelen wilden voeren, toch droomden ze zichzelf soms een hefdhaftige rol toe. Dat bleek uit het stukje Klauwaarts in de strijd, verschenen in Bergopwaarts, V, 2, p. 16-20. Een groepje Jonge Klauwaarts voerde hierbij een succesvolle actie tegen de gefingeerde communistische bezetter.
(83) Verslagboek, paasvakantie 1951, 1951-1952, met ingeplakte brieven van Werenfried van Straaten, en dankbetuigingen van wege de Oostpriesters A. Wawrok en Frans Kister en enkele andere begunstigden. Bergopwaarts, V, 1, p. 3-5 verhaalde de «Geschiedenis van een Volkswagen».
(84) Naar de  toppen; Collegiana. Xlll, 1, oktober 1954,  p. 13: Kranten verslagen ingeplakt in het verslagboek,  1953-1954; Gedenkboek K.5.A. Jonge Klauwaarts 1884-1959. p. 52.
(85) Bergopwaarts, VII, 1, p. 5-6. De snoepactie voor Oostpriesterhulp vormde ook een  onderdeel  van de nationaal  georganiseerde intervendelwedstrijden voor Knapen: de «Tijltocht»  in1954 en de «Cordon-wedstrijd» in 1955. De Hasseltse Knapen namen aan beide wedstrijden deel,
(86) Verslagboek, 1954, 1955, 1956; Bergopwaarts, V, 2, p. 13, V, 3,  p. 3-4;  Collegiana, XIV, 2, februari 1956,  p. 5, XV, 5, 1957, p. 7, XVII, 1, 1958, p. 4; gesprekken met Jan en Paul Quaethoven, Guido Plessers en Paul Judo.
(87) Er werd een speciale aflevering van het bondsblad aan gewijd onder de titel De weergalm. Zie verder ook het verslagboek, 1949, Bergopwaarts, III, 4, p. 6 en Gedenkboek K.S.A.-Jonge Klauwaarts Hasselt, 1884-1959. p. 50.
(88) Verslagboek, 1953-1954; Alcazar, I, 1, maart-april 1954; Collegiana. XII, 5 mei 1954, p. 10, XV, 5, 1957. p. 7.
(89) Bergopwaarts, II, 1, p. 2, III, 3, p. 4; Collegiana, V, 1, januarie 1947, p. 2, XV, 5, 1957, p. 7.
(90) Bergopwaarts, III, 3, p. 4. Een interessante analyse over deze materie bij L. SCHOKKAERT,  De Vlaamse problematiek bij de naoorlogse jeugdbewegingen 1944-1960.
(91) Bergopwaart,. I. 1, p. 5; Collegiana,VI, 8-9, juli 1948, p. 43.
(92) Bergopwaarts,  II,  1,  p.  8-9, Collegiana, VII, 7, mei 1947,  p. 36.
(93) Verslagboek, 1950-1951; Bergopwaarts. II, 6. p. 8; Collegiana, IX, 7-8, juni-juli 1951, p. 40.
(94) Bergopwaarts, V, 3, p. 2.
(95) Bergopwaarts, V, 2, p. 9.
(96) Bergopwaarts,   III, 3, p.2-3, III, 4, p.3-5, VII, 1. p.16; Handhaaf en Bouw, VIII. 2. p.15.
(97) Bergopwaarts,  november 1957,  p.19;  A. MEYNEN in Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl. XV, p. 247-248

     

Bergopwaarts vertelt

Met het Alcazar (de Hernieuwerban) naar Zutendaal (mei 1952)

De maand mei liep ten einde en dus vermeldde 't Alcazarprogramma «Bedevaart naar Zutendaal». Als speciale omstandigheden stonden vermeld: ronde en overnachten te Kiewit en dan in 't nachtelijk duister verder naar O.-L.-Vrouw van Zutendaal.

Om 5u30 stonden 12 Alcazarstrijders met pak en zak en fiets voor de collegepoort (de familie Franssens ging gedeeltelijk met de tram). Na al die uren studie lokten de vrije natuur en de harde tocht de dappersten weer ten strijd. E.P. Verwilghen vergezelde ons. Zo ging 't naar de barak van Kiewit. De fietsen werden geborgen en de ronde over China kon beginnen. Stemmig was 't, zo tegen de flank van de berg te liggen en te luisteren naar al die eigenaardigheden en belevenissen in dat verre China. Terwijl 't zo stilaan begon te schemeren werd er verteld over communisten, borrels, missiewerk en zo vele andere dingen. Na een paar Chinese liederen en gebeden eindigde de ronde met een dankwoordje voor de Pater.

Dan werd in alle haast 't werk verdeeld. Ketel schuren, water halen, hout zoeken en breken, en koken. Het waren geen beginnelingen die aan de slag gingen want na een paar minuten gloeiden de assen reeds onder de papketel. Nadat de slaapplaatsen in orde gebracht en geïnspecteerd waren kwamen de gamellen, de boterhammen en de cacao aan de beurt. En ook de Pater verwisselde voor één keer, met recht en reden,  zijn taske heet water en zijn vogelkens zaad voor enkele pinten cacao en een reeks boterhammen.

Zo kwam de avond. De Pater fietste naar huis en wij kropen onder de dekens. Eer 't licht gedoofd was kwam de kat op de koord. Het begon met een plankenharde, scheefgelegen strozak. Het ging verder met de nachtelijke exploten van Bert en 't eindigde tenslotte na 5 uurkens met 't aflopen van de wekker. Om 2 uur stonden we slaapdronken voor de barak om 2 minuten later onder de kundige leiding van Kamiel te zweten als Brabantse trekpaarden. We wasten ons duchtig in 't nachtelijk duister en later trokken we na een korte formatie op weg naar Zutendaal.

Alles rondom ons was nog stil. Geen windje dat door de bladeren speelde. Geen vogel liet zich horen. Alleen de bedevaarders trokken door de stille nacht langs de wegen en de bossen van de slapende Kempen. Zo bereikten we 't Kasteel van Bokrijk langs de kronkelpaden tussen de vijvers van 't domein. Intussen zat de morgen reeds in de lucht. Wolken waren er genoeg maar gelukkig nog geen regen. Verder ging 't dan totdat een woeste cross ons buiten het domein bracht.

Immer marcheren, nimmer verlieren
immer gelijken tred.

En terwijl we over de grintwegen van Winterslag voort marcheerden baden we tot onze Moeder in de hemel. De volgende statie was Genk en vandaar gingen we weer over de zandwegels  verder naar Zutendaal. De vermoeienis  liet zich voelen en we kregen in de frisse morgen de honger op onze hielen. Erg hinderde dat niet omdat we wisten dat ons gebed er des te schoner om was. Om 6u25 kwamen we te Zutendaal aan. Onmiddellijk naar de Mis en te Communie.

Dan kwam weer de tijd om de inhoud van de rugzak naar binnen te werken. We rustten nog een klein uurtje en na nog een kort bezoekje aan Maria reisden we met bus, tram en te voet over Genk en Kiewit naar huis terug.

Hard was het alles samen; maar in kameraadschap, dienstvaardigheid en blijheid slaagden we er in om van die bedetocht iets echt schoons te maken.

Bedevaarder

Uit Bergopwaarts, V, 3, (juni 1952), p. 3-4

         

Hoofdstuk 7 

Tussen traditie en vernieuwing.
1957-1968

1. Veranderende jeugdcultuur
2. Bouwen aan een modelorganisatie
3. Een zoekende generatie

Noten
Een blik op de geschiedenis van Arendsvlucht.

Op 30 augustus 1959 was het feest in Hasselt. De Jonge Klauwaarts vierden hun 75-jarig bestaan. De jubeldag werd ingezet met een mis, opgedragen door bondsproost Mathieu Gijbels. Daarna volgde een academische zitting waarop heel wat personaliteiten aanwezig waren, zoals gouverneur Louis Roppe - wiens gelijknamige zoon trouwens de vergadering opende met de Psalm van Rodenbach - Monseigneur Broekx, directeur Michiels, senator Hubert Leynen, bestendig député en oud-voorzitter van de bond Jan Gruyters, oud-gouwproost en groot-vicaris Heuschen, burgemeester Bollen en vele anderen. Bondsleider Paul Judo sprak het welkomstwoord uit, daarna volgde een feestrede door de Limburgse schrijver Bernard Kemp (B.F. van Vlierden) over Gezelle en Rodenbach als inspirators van de katholieke Vlaamse studentenbeweging en een slotwoord door minister Paul Meyers, zelf een oud-lid van de bond. De Jonge Klauwaarts begaven zich daarop naar het stadhuis waar ze feestelijk ontvangen werden door burgemeester, schepenen en gemeenteraadsleden en bovendien veertien trommels ten geschenke kregen. Met een gloednieuw trommelkorps o.l.v. tamboer-majoor Marcel Vangeel, vlaggen en wimpels - o.m. het nieuwe vaandel dat de bond speciaal voor deze gelegenheid had laten vervaardigen - trokken de ca. 125 aanwezige leden dan in stijlvolle parademars door de Hasseltse straten. Een gezellig samenzijn in het college, waar nog toespraken gehouden werden door o.m. oud-proost L. Bouveroux en Jan-Baptist Bellefroid, oud-bondsvoorzitter van 1907 tot 1910, rondde deze gedenkwaardige dag af.

Al even geslaagd was het jubelkamp dat enige weken tevoren, van 24 tot 29 juli in Dorne had plaatsgevonden. Met de bouw van een elf meter hoge toren bewezen de Jonge Klauwaarts hier eens te meer meesters te zijn in de sjorkunst. Er namen ongeveer 130 leden aan dit bondskamp deel en af en toe doken ook oud-leden op met de ondeugende bedoeling om de vlag te komen stelen, of zo maar om nog eens even de sfeer van hun jeugdbewegingstijd op te snuiven (1).

Die sfeer konden ze trouwens ook terugvinden in het gedenkboek dat ter gelegenheid van dit jubeljaar werd samengesteld. Dertien oud-leden, met name Jozef Dewit, Clemens van der Straeten, Jan Grauls, Paul Renier, Lode Bouveroux, Albert Roosen, Felix Verwilghen, Paul Schruers, Raymond Smeets, Paul Aerts, Tuur de Maeyer, Stache Willems en Guido Plessers schreven hierin hun herinneringen neer en brachten zo het bondsleven doorheen de jaren opnieuw tot leven. Spirituele en vlotte bindteksten van de hand van Georges Lambrechts regen deze momentopnamen tot een geheel en het boek werd afgesloten met verslagen over het jubelkamp en de jubeldag door resp. Laurent Vandeschoor en Wilfried Plessers. Het werd een boeiend document van blijvende waarde.

 

1. Veranderende jeugdkultuur

Na dit hoogtepunt in de geschiedenis van de Jonge Klauwaarls leek het erop dat de bond even op adem moest komen. De vloed van publicaties die in de jaren vijftig het licht hadden gezien - bondsblaadjes, banblaadjes, kampbrochures e.d. - stokte tussen 1959 en 1962. In 1959-1960 viel het ledenaantal bovendien sterk terug van ruim 180 leden naar 107. Waar de bond in het piekjaar 1955-1956 mei 214 leden even de grootste K.S.A.-bond in Limburg was geweest bekleedde hij in 1959-1960 pas de vijfde plaats na Bree, Maaseik, Heusden en Tongeren. In 1960-1961 herstelde het ledenaantal zich tot ca. 140 (2). De bezielende bondsleider Paul Judo droeg in het begin van dat kampjaar zijn functie over aan Wilfried Plessers, terwijl collegeleraar Mathieu Gijbels bondsproost bleef. Zijn voorganger in die functie, Paul Schruers, was sedert 1959 gouwproost geworden. De Hasseltse aanwezigheid in de gouwleiding zou nog worden versterkt toen Paul Judo in 1961 gouwleider werd in opvolging van Jef Roebben, die deze functie gedurende zeventien jaar had waargenomen(3).

De coördinatie tussen de vijf gouwen, die sedert de oprichting van de nationale K.S.A.-federatie in 1943 behartigd werd door een te Roeselare gevestigd Algemeen Secretariaat, had intussen een belangrijke vooruitgang geboekt. ln 1957 troffen de gouwverantwoordelijken elkaar voor het eerst op een zgn. Jong-Vlaamse Staf te Leuven, waar ze een basiskeure voor K.S.A.-Jong-Vlaanderen opstelden. Voortaan zou om de twee jaar zulke Jongvlaamse Staf worden gehouden. In 1958 verhuisde bovendien het Algemeen Secretariaat van de beweging naar het centraler gelegen Brussel. Zijn toenemende invloed bleek o.m. uit het groeiend aantal vrijgestelden(4).

De werking van de Jonge Klauwaarts ging inmiddels onverminderd verder maar kreeg geleidelijk andere accenten, samenhangend met de zich wijzigende politieke en maatschappeIjjke omstandigheden. Einde 1958 bracht het schoolpact ontspanning in de levensbeschouwelijke strijd, die nu de plaats ruimde voor de sociaal-economische en communautaire problematiek. De televisie, die in 1953 zijn intrede deed in België, opende een blik op de wereld en zijn problemen. De «fifties» waren in het algemeen gekenmerkt door een geleidelijke verhoging van de levensstandaard. De versnelde economische opgang vanaf ca 1960 luidde het begin in van de consumptiemaatschappij(5). In deze commercialiserende wereld, waar een «mooie villa», of een «Sierlijke auto» de nieuwe afgoden dreigden te worden(6), bleven de Hasseltse K.S.A.-ers zich inzetten voor geestelijke verdieping en katholiek engagement. Maar terwijl ze zich in de voorgaande jaren daarbij eerder hadden afgeschermd of restauratief opgesteld tegenover een zich seculariserende samenleving keken ze er nu meer onbevangen tegenaan en integreerden ze geleidelijk moderniserende invloeden.

De eerste signalen van deze stilaan wijzigende mentaliteit vangen we op in 1957. Hernieuwers trokken dat jaar op «Sociale exploratie» naar Leuven, waar ze met eigen ogen het leven in een volkswijk gingen observeren en een bezoek brachten aan de centrale gevangenis. Het volgend jaar trokken ze voor enkele dagen naar Zwartberg en maakten er kennis met de noden van de Limburgse mijnstreek(7). Er groeide een grotere openheid tegenover andersdenkenden, trouwens niet alleen in katholieke jongeren rangen. Op 17 augustus 1957 waren immers enkele leden van de socialistische jeugdbeweging de «Rode Valken» aanwezig op de heropvoering door de Jonge Klauwaarts van het anti-communistische toneelspel Tarcitius van Moskou. Bergopwaarts taxeerde deze aanwezigheid van "onze jonge socialistische broers» als «grootser en prachtiger» dan «een eventuele en hopelijke overwinning van de katholieke op de socialistische partij in de nakende verkiezing» en pleitte niet alleen voor een verdraagzame, maar ook voor een «opbouwende en vooral liefdevolle, geïnteresseerde en edelmoediggevende houding» tegenover andersdenkenden. Tegelijk verruimde ook het culturele blikveld en werd er met waardering gesproken over jazz en negro-spiritual. In de kerstvakantie 1958-1959 belegden Hernieuwers ook een ronde over het existentialisme(8).

Kaart 4: K.S.A.-Bonden en Gewesten in Limburg 1959-'60

Op basis van: Archief K.S.A.-gouw Limburg, nr. 436, KADOC, Leuven

 

Tabel 4: Ledenbestand van Limburgse K.S.A.-bonden 1959-1960

Beringen Hamont Peer
Beverlo
Heusden (vak.)
Heusden (col.)
Kwaadmechelen
Oostham
Tessenderlo

17
35
136
41
30
48

Achel
Hamont
Kaulille
Lommel
Lommel-Barier
Roeland-Lille
33
33
39
92
45
45
Eksel
Grote Brogel
Houthalen
Linde-Peer
Meulenberg-Houthalen
Peer
Wijchmaal

41
39
150
32
30
29

Bilzen Hasselt St.-Truiden
Beverst
Bilzen
Eigenbilzen
Hoeselt
Grote en Kleine Spouwen
Munsterbilzen
Vroenhoven
Waltwilder

36
51
36
60
28
19
21
31

Hasselt
Kuringen
Rapertingen
Runkst
Zonhoven
107
37
32
34
21
Mielen bij Aalst
St.-Truiden
44
63
Borgloon Herk-de-Stad Tongeren
Alken
Borgloon
Heers
Vliermaalroot
Wellen
50
30
15
24
45
Berbroek
Herk-de-Stad
Linkhout
Lummen
Spalbeekl
Zelem
26
27
29
28
18
36
Membruggen
Tongeren
39
113
Bree Maaseik Vlijtingen
Beek-Gerdingen-Reppel
Bocholt
Bree
Ellikom
Gruitrode-Neerglabbeek
Tongerlo-Opitter
22
66
177
16
19
68
Dilsen
Kinrooi
Maaseik
Molebeersel-Neeroeteren
Ophoven
Stokkem

41
39
150
32
30
29

Riemst
Vlijtingen
Zichen-zussen-Bolder
30
51
39
Genk Mechelen a/d Maas  
As
Genk
Opglabbeek
Sledderlo-Genk
Winterslag
Zutendaal

25
43
47
24
17
50

Mechelen a/d Maas
Rekem
     

Globaal

gewesten: 14
bonden: 70
ledenaantal per gewest:
Beringen
Bilzen
Borgloon
Bree
Genk
Hamont
Hasselt
Herk
Maaseik
Mechelen
Peer
St.-Truiden
Tongeren
Vlijtingen

307
281
164
368
206
287
231
164
321
64
247
107
152
120

Totaal

3.020

Grootte van de bonden. Aantal bonden met

1. meer dan 60 leden
2. 60-40 leden
3. 40-30 leden
4. 39-20 leden
5. minder dan 20 leden
11
15
22
14
8

Bond Hasselt neemt de vijfde plaats in na Bree (177), Maaseik (150), Heusden (136) en Tongeren (113)

In vergelijking met 1937 zijn de bonden groter geworden. Vooral de categorie 3 ( 30 a 40 leden) kende een grote uitbreiding. Hasselt is verhoudingsgewijs niet zo sterk gegroeid, want heeft eigenlijk maar evenveel leden als in 1937. Het cijfer van 1959-60 is echter wat misleidend: in 1955-1956 telde Hasselt immers 214 leden, en ook na 1960 steeg het ledenbestand opnieuw.

De jubilerende Jonge Klauwaerts na de ontvangst op het stadhuis, 30 aaugustus 1959
Op de foto klikken voor een vergroting

De visie op wereldproblemen raakte minder gefilterd door een louter kerkelijk uitgangspunt. Hoewel nog verbonden met de angst voor de uitbreiding van het communisme in de wereld of met de zorg voor de missies viel in Bergopwaarts, eveneens vanaf 1957, een groeiende bewustwording te bespeuren van de armoede en het analfabetisme in de «minder ontwikkelde gebieden» tegenover de rijkdom van het Westen. N.a.v. incidenten in het Amerikaanse Little Rock, nog steeds in 1957, werd voor het eerst, in nog voorzichtige bewoordingen, de aandacht gevestigd op de rassendiscriminatie (9). Doorheen het proces van dekolonisatie stelden de Jonge Klauwaarts hun vastenwerking in 1959, 1960 en 1961 telkens in het teken van Kongo. In 1961 werd bovendien een verzamelactie van kledingstukken georganiseerd ten voordele van Algerije, dat gewikkeld was in zijn onafhankelijkheidsstrijd met Frankrijk(10).

De wereld kwam ook dichtbij door een steeds beter draaiende werking van de I.K.S.J. (Internationale Katholieke Studerende Jeugd), die in 1956 een eerste wereldcongres belegde in Rio de Janeiro. Op het tweede in 1958 te Dakar werd de I.K.S.J.-keure opgesteld. Het derde congres vond in 1961 plaats te Mainz(11). Met de «10%-actie», een actie waarbij de leden dat percentage van hun ontvangen kerst- en nieuwjaarsgiften afstonden, wilde de bond aan enkele buitenlandse studenten de mogelijkheid geven om eraan deel te nemen. Eveneens in 1961 richtte de Europese afdeling van de I.K.S.J. bovendien een Europakamp in in België. De Hernieuwers bereidden zich daarop voor door een reeks debatten over «de roeping van de student in de wereld» en twee van hen zouden aangespoord worden om eraan deel te nemen(12).

Intussen bleef er in de bond een grote zorg bestaan voor de godsdienstige verdieping van leiders en leden. De Stoottroepwerking - wekelijkse samenkomsten van leiders en Hernieuwers voor gebed en bezinning - nam hierbij nog altijd een centrale plaats in. Paul Schruers gaf er in 1957 nog een nieuwe impuls aan om de vervlakking op religieus gebied in de bond tegen te gaan(13). Maar ook hier drong zich vernieuwing op. In de lijn van de in 1957 uitgewerkte basiskeure van K.S.A.-Jong-Vlaanderen werd de apostolaatsgedachte in de eigen omgeving gaandeweg betiteld met de term «milieuwerking». Openlijke manifestaties of groots opgezette offensieven maakten plaats voor een meer individuele aanpak, waarbij een K.S.A.-er verondersteld werd te werken als gist in het deeg. De klasgemeenschap gold daarbij als eerste werkterrein. In die geest nam een dynamische ploeg Hernieuwers, onder wie Paul Quaethoven, Herman Vanstiphout, Emiel Eyben, Tony Dethier en Jacques Ools, in 1957-1958 het initiatief tot oprichting van een klasraad in de poësis van het Sint-Jozefscollege. Bepaalde zetels waren voorbehouden aan vertegenwoordigers van jeugdbewegingen, wat in de praktijk neerkwam op vertegenwoordigers van K.S.A. en scouts. Deze raad organiseerde al onmiddellijk tijdens het eerste trimester o.m. een klasdebat, een Christus-Koningfeest en een muziekvergadering en maakte verder plannen voor een klasfeest. Het succes van dit initiatief was mee te danken aan de steun en medewerking van de in 1957 nieuw aangestelde poësisleraar Georges Lambrechts, die toen zelf Jonghernieuwerproost was(14).

Zulke klaswerking verstevigde begrijpelijkerwijze de band tussen bond en college. Niet alle leden waren daar gelukkig mee. Met name zij die niet in het college school liepen, voelden zich soms wat gedegradeerd tot «tweederangshernieuwers». Dat gold in hel bijzonder voor internen die het, wegens de doordejaarse werking, nooit tot leider in de bond konden brengen of nog sterker voor leden die geen humaniora volgden maar technisch of handelsonderwijs. Bij sommigen van hen leefde onbehagen over de volgens hen te gesloten en eenzijdige collegementaliteit en de te ernstige - of mogen we zeggen intellectualistische - en strengreligieuze werking die er het gevolg van was. Zij wilden integendeel vanuit de K.S.A. een brug leggen naar de meer volkse jeugd die zij dagelijks op school ontmoetten en die meestal niet bij een jeugdbeweging aangesloten was.

Uitgaande van die overwegingen besloten Sylvain Bouveroux, leerling in het missiecollege te Aarschot en zijn vrienden Urbain Schrijvers en Hugo Donné, die beiden studeerden aan de Handelsschool, om naast de K.S.A. een nieuwe jeugdvereniging op te richten. Zo kwamen op 4 juli 1958 de «Voort-trekkers» tot stand. Het volgend jaar werd de kring herdoopt tot «Actiegroep voor niet-georganiseerde jeugd». De eerste tien leden, onder wie de drie initiatiefnemers, waren allen leden van de K.S.A. en bleven dat meestal ook, hoewel de bondsleiding hun activiteiten met enige argwaan volgde. Het lag in hun bedoeling culturele en ontspannende activiteiten aan te bieden aan de niet georganiseerde jongeren en ze gaven daartoe o.m. een tijdschriftje uit onder de kenschetsende titel De Brug. Al stonden ze in reactie tegen het naar hun oordeel te religieuze accent in de K.S.A.-werking, toch ademde heel hun eigen initiatief een godsdienstige geest. Het was een vorm van apostolaat, enigszins vergelijkbaar met de vroegere inzet voor de volksjeugd op het vakantiepatronaat, maar dan nu autonoom en origineler, afgestemd op eigen leeftijdgenoten en aangepast aan hun specifieke mentaliteit.

Het opzet slaagde. In 1959-1960 telde de groep al een dertigtal leden. Behalve door nog enkele K.S.A.-ers werd hij ook bijgetreden door losse, soms nozemachtige jeugdgroepjes, o.m. uit een nogal verkrotte buurt in het centrum van Hasselt. Er werden o.m. een bonte avond, een thé-dansant en spreekbeurten georganiseerd. Medio 1960 kwam er hulp van priester Jan Coninx, die een huis van het bisdom ter beschikking stelde en de financies beheerde, evenals van Witte Pater Theo Tits (een ex-Jonge Klauwaart) die de functie van proost waarnam. De door het A.N.G.J. opgezette activiteiten trokken nu drie- tot vierhonderd jongeren aan en er werd gestart met gemengde werking. Met financiële steun van de stad evolueerde de vereniging daarop spoedig, nu los van K.S.A.-invloed, tot «Teeny» één van de eerste grote jeugdclubs in Vlaanderen. Het was een uiting van de nieuwe jeugdcultuur die omstreeks 1960 tot ontwikkeling kwam(15).





Deze wijzigende jongerencultuur beïnvloedde onvermijdelijk ook het bondsleven van de Jonge Klauwaarts. Ze manifesteerde zich het duidelijkst in de vermoedelijk in 1959 opgerichte Alcazarban. Het betrof hier niet meer, zoals in de vroegere jaren vijftig, de Hernieuwergeleding, maar wel een groep van oudere leden die de humaniora al verlaten hadden en die, uit gehechtheid aan hun vriendenkring en aan het jeugdbewegingsleven, nog wilden blijven werken in het kader van de bond, waarin ze trouwens soms nog een leidersfunctie bekleedden. Paul Judo was zowat de mentor van dit vriendengroepje en Laurent Vandeschoor fungeerde als banproost. De werking was gemengd. Al vormden de aangesloten meisjes maar een minderheid in de groep, het betekende toch een totale innovatie in de geschiedenis van de bond. Het ging hier niet om een geïsoleerd feit. De verhouding jongen-meisje was ook in de ruimere beweging aan een herdenking toe. Dat bleek o.m uit het programma van de Limburgse K.S.A.-gouwdag die in april 1960 - na een onderbreking van meer dan tien jaar - te Genk werd georganiseerd onder het motto «Jeugd vandaag». Eén van de sectieronden werd er besteed aan het thema «Dans en contact jongen-meisje»(16).

De leden van de Hasseltse Alcazarban vonden elkaar doorgaans op zaterdagavonden voor discussie over allerhande onderwerpen, of op andere vrije ogenblikken voor een sportieve wedstrijd. Onder leiding van Paul Judo werd een  koor gevormd, dat o m optrad in een bejaardentehuis van Hasselt. Niet minder belangrijk was de gezellige kout in een of ander café of een gezamenlijk bezoek aan een thé-dansant. In de zomer van 1960 brachten de leden een weekend door in Bokrijk. Het volgend jaar gingen ze op vakantie in het «Hotel Brittanique» te Anseremme, een huis van de Leuvense Universitaire Parochie. In de loop van 1961-1962 viel deze werking stil(17). De werking in de lagere bannen was intussen op een lager pitje voortgezet. Vanaf 1962 zou er opnieuw fut komen in het bondsleven.

    

2. Bouwen aan een modelorganisatie

Bij het begin van het kampjaar 1962-1963 kwam de bondsleiding in handen van de energieke seminarist-filosofiestudent Felix Vandersmissen terwijl collegeleraar Georges Lambrechts bondsproost werd. Zij gaven een nieuwe impuls aan de werking . Al onmiddellijk werd van start gegaan met de uitgave van een «oudersbrochure», met de bedoeling een «hechtere band» te creëren tussen ouders en beweging. De brochure bevatte praktische informatie en verslaggeving over de activiteiten in de verschillende bannen evenals beschouwingen over zin en doel van de beweging. Het was in feite een bondsblad in een vernieuwde vorm dat met evenveel, wellicht zelfs met meer nut kon worden gelezen door de leden dan door de ouders.

In die eerste oudersbrochure van september 1962 riep Vandersmissen de leden op tot uitvoering van een «doorbraakprogramma». Het zou bestaan uit de volgende punten:

«1. Op 25 december moeten we 150 leden tellen. Al deze leden zullen lidgeld betaald hebben en een tijdschrift nemen. Voor wervingsactie: richtlijnen door banleiding.
2. Allen volledig uniform dragen.
3. Wij zullen kennen:

- de vereiste standen bij de formaties
- het K.S.A.-gebed
- het jongknapenlied of Kerels der Noordzee

En wij kunnen de mis dienen.

4. Iedere gids zal zijn wimpel hebben en de wimpelstanden kennen.
5. Op onze vergaderingen zal nog slechts A.B.N, ge sproken worden en wij spreken elkaar aan met de
voornaam.»

Met dit «minimumprogramma» stuurde de nieuwe bondsleider aan op een verdere perfectionering van de beweging in organisatorisch, stilistisch en inhoudelijk opzicht.

De werfcampagne waarmee in 1962 werd gestart, en die voortaan jaarlijks in september zou plaatsvinden onder de benaming WEDO (Word één der onzen), bleef niet zonder resultaat. De ledencurve ging opnieuw in stijgende lijn: in 1965-1966 werd de kaap van 150 overschreden en het volgend jaar werd weer een piek van ruim 200 leden bereikt. Zoals in de jaren vijftig leidde dat tot een vermenigvuldiging van het aantal jongerenbannen. Van 1965 tot 1967 werden de Jongknapen verdeeld over drie groepen, in 1967-1968 zelfs over vier. De Knapen waren van 1966 tot 1968 ingedeeld in twee bannen. In 1968-1969 kwam er een herverdeling tussen deze twee leeftijdsgroepen tot stand. Leerlingen van het zesde studiejaar werden vanaf dan ondergebracht in «Knapenban 1» en vormden zo de jongste Knapengroep. Als gevolg daarvan waren zowel Knapen als Jongknapen dat jaar verdeeld over drie bannen(18).

Ook de oudere geledingen kenden een nieuwe ontplooiing. In 1964-1965 namen enkele leden die het middelbaar onderwijs hadden beëindigd - o.m. Kris Hertogen, Jos Eyben, André Gijbels - het initiatief tot heroprichting van de «eens zo roemvolle Alcazarban». Het volgend jaar telde hij al een 25-tal leden. Ondanks de verwijzing naar het vroegere voorbeeld stelde de heringerichte Alcazarban een ander doel voorop dan zijn voorganger. Terwijl bij die laatste de interne groepsbeleving centraal had gestaan, stelden de nieuwe Alcazaristen hun werking veel meer rechtstreeks in functie van het algemene bondsbelang. «Hun eerste taak: public-relations, contact met ouders, de schooloverheid en het stadsbestuur, contact met oud-leden, planning van de jaarwerking, organiseren van grote activiteiten, back-ground voor de jongere geledingen. Binnen enkele jaren hopen wij zo te komen tot een toegewijd kader van ouderen die ook na de humaniora trouw blijven aan de K.S.A.» lezen we in de oudersbrochure van september 1964. In 1965 heette het dat de leden van de Alcazarban «door hun morele en materiële steun de werking van onze leiders mogelijk maken en  hun  van  financiële beslommeringen ontlasten.»

Bergtocht tijdens het kamp van Knapen, Jonghernieuwers en Hernieuwrs in het Lechtal (Tirol), 
26 juli - 8 augustus 1966. Knapen volgen in het spoor van Felix vandersmissen, hun betrouwbare gids.

Deze ouderen gingen ook een belangrijke plaats bekleden in het leiderskader van de bond. Felix Vandersmissen, die in 1963-1964 zijn functie van bondsleider al had gedeeld met retoricaleerling Kris Hertogen werd in 1964-1965 opgevolgd door een driekoppig «bondspresidium» bestaande uit Kris Hertogen, Jos Eyben en André Gijbels. Van 1965 tot 1970 zou vervolgens Jan Hertogen - die in 1965 aan het college afstudeerde - de bond besturen. Als bondsleider maakte hij deel uit van een ruimer «bondspresidium» - vanaf 1968 «bondsraad» genoemd - samengesteld uit leden die het middelbaar onderwijs beëindigd hadden. Zij fungeerden o.m. als hernieuwerleiders of als «ouderen achter de ban» die raad en vorming gaven aan de jongere leiders van Jonghernieuwer-, Knapen- en Jongknapenban. Hun eigen Alcazarban werd - althans in 1966-1967 - geleid door een democratisch verkozen bestuur van praeses, vice-praeses en secretaris, naar het voorbeeld van de faculteitskringen aan de Leuvense universiteit, waar vele Alcazarleden studeerden.

De aanstelling van de «ouderen achter de ban» vormde een onderdeel van de grote inspanningen die de bondsleiding leverde voor de opbouw van een coherente en stevige leidersploeg. Het werd één van de meest in het oog springende kwaliteiten van de Hasseltse bond in de loop van de jaren zestig. Ook in dit opzicht zette Felix Vandersmissen de bakens uit. Kris en vooral Jan Hertogen werkten verder in zijn spoor.

Naast de door gouw en gewest opgezette kadervorming organiseerde Vandersmissen vanaf 1962-1963 veertiendaagse samenkomsten om de leidersvorming bij te schaven en praktische afspraken te maken. «Daarbuiten houden de verschillende bannen dan nog iedere week een banstaf van leiders en banproost om de eigen aangelegenheden te behandelen» lezen we in de oudersbrochure van september 1962. In 1964-1965 werd van start gegaan met de organisatie van trimestriële leidersweekends. Vanaf 1965-1966 werd het bovendien gebruikelijk om daarnaast nog een driedaags leiderskamp te houden tijdens de zomervakantie. Bondsleider Jan Hertogen creëerde dat jaar ook de nieuwe functie van «verantwoordelijke voor leidersvorming» die hij als vanzelfsprekend toevertrouwde aan seminarist Felix Vandersmissen. Eveneens in 1965-1966 werd begonnen aan de «préleidersvorming». Op weekends en speciale vormingsdagen werden Hernieuwers en Jonghernieuwers hierbij voorbereid op hun toekomstige leiderstaak, zodat ze bij het begin van het volgend kampjaar vlot van start konden gaan.

Elke vakantie was er een druk vergaderprogramma voor de leiders voorzien om de voorbije werking te evalueren en de toekomstige activiteiten te plannen. «We vragen wel wat van onze leiders», schreef Jan Hertogen in een oudersbrochure van oktober 1967, «de vergaderingen zelf, elke week, de voorbereiding van de vergadering, verzorgde verwittigingen, huisbezoek, de bijna wekelijkse leiderskring, de bondsstaf iedere maand, het trimestrieel leidersweekend, het jaarlijks leiderskamp. Om dan niet te spreken van de weekends, door de gouwleiding ingericht, en de vormingskampen voor het brevet van monitor. Deze laatste zijn dan ingeschakeld in ons programma van aspirantleidersvorming.»

Het resultaat was er ook naar: een uitgebreide en toegewijde leidersploeg van 15 tot 20 man, een tot in de finesses uitgewerkt activiteitenprogramma, dat rekening hield met de «rangorde der waarden» en voldoende afwisseling bood. Weinig werd aan het toeval overgelaten. Kampprogramma's werden al maanden op voorhand uitgewerkt en kritisch besproken. Van het begin van het werkingsjaar 1965-1966 begon de bondsleiding voorbereidselen te treffen voor het verblijf in Tirol in de zomer 1966 «om van dit kamp te maken wat het moet worden: een modelkamp in een modelorganisatie». Aan  het  bondskamp van 1967 te Lanklaar waren verscheidene leidersbijeenkomsten te Hasselt, ettelijke verkenningstochten en een leidersweekend ter plaatse voorafgegaan. Tijdens het kamp zelf kwamen de leiders iedere avond samen voor een revisie op de voorbije dag. Niet verwonderlijk dat er op dit kamp «geen enkel moment van verslapping» was geweest, zoals in een tevreden terugblik werd vastgesteld.

Ook bij de doordejaarse werking werden de puntjes op de i gezet. De leiders hielden nauwkeurige aantekeningen bij over de aanwezigheden op de vergaderingen en berekenden er op het einde van het trimester een gemiddelde van(19). Voor iedere vergadering kregen de jongens een schriftelijke verwittiging en bij herhaalde afwezigheid van een lid werden de ouders gecontacteerd. De gestencilde oudersbrochure werd het normale contactorgaan tussen de bond enerzijds en ouders en leden anderzijds en verscheen tussen 1965 en 1972 drie tot vijfmaal per kampjaar. Waar de bond het in het verleden zonder secretaris had kunnen stellen, tenzij voor de enkele jaren tussen 1944 en 1948 dat Robert Rombouts die functie had waargenomen, nam de secretaris vanaf 1962 een belangrijke plaats in in de bondsleiding en werden zijn taken met verloop van tijd nog verder verdeeld over een verantwoordelijke voor de kas, een materiaalmeester en een verkoopdienst. Zij behartigden de administratieve, financiële en materiële beslommeringen van de bond: briefwisseling met nationaal secretariaat of gouw, lid- en abonnementsgelden, verzekeringen, verkoop van uniformonderdelen, zorg voor het kampeergerief e.d.m. Wat kon er in zulke goed georganiseerde bond nog mislopen?

Een gebrek aan een bondsproost bijvoorbeeld. Dat probleem bood zich tenminste aan toen Georges Lambrechts zich in 1965 - wegens teveel ander werk? - gedeeltelijk uit de bond terugtrok. Er werd niet onmiddellijk een andere geschikte kandidaat gevonden. Als tijdelijke oplossing werd een soort van «proosten-collectief» gevormd, bestaande uit Lambrechts zelf, Silvester Lamberigts (die voordien als Jonghernieuwer-proost had gefungeerd), Paul Renier, Jozef Smeets en Mathieu Gijbels die allen naar best vermogen de bond bijsprongen. In de zomer van 1967 werd uiteindelijk een nieuwe bondsproost gevonden in de zopas in het college benoemde priester-leraar Edwin Lismont. Hij «was dadelijk toen Z.E.H. Directeur hem vroeg of hij onze bondsproost wilde worden, met een paar dekens en een gamel in zijn auto gekropen om het bondskamp (in Lanklaar) aan te vatten. Na enkele uren was hij bij ons ingeburgerd» stond te lezen in het welkomstwoord dat in oktober 1967 tot hem gericht werd.

Voor de bondsleiding was deze aanstelling eens te meer een teken van de «interesse en daadwerkelijke steun» die de bond vanwege directeur Van Keer mocht ondervinden. Dat kon ook blijken uit het bezoek dat Van Keer aan het bondskamp had gebracht. Bovendien had de directeur eerder al, met Pasen 1966, een vierde ruimte voor de bond ter beschikking gesteld in de kelderverdieping van de collegenieuwbouw, dat dankbaar in gebruik was genomen als leiderslokaal.

De neiging tot perfectionisme van de bondsleiding kwam ook tot uiting in de zorg voor deze lokalen. «Rommelkamers behoren definitief tot het verleden» stond in de oudersbrochure van nieuwjaar 1965 te lezen. Tijdens dat jaar werd één van de toen nog drie lokalen die de bond in het college betrok, heringericht tot een gebedsruimte, het zgn. «oratorium». De andere ruimtes kregen in het voorjaar 1968 een flinke opknapbeurt met een frisse verflaag, nieuwe gordijnen en verlichting.

Dat alles kostte geld. In 1965 waren bovendien 15.000 F besteed aan de aankoop van nieuwe tentzeilen. Vanaf 1964-1965 ontplooide vooral de Alcazarban bijgevolg initiatieven om de steeds behoeftige bondskas te spijzen. Zo werd er verscheidene malen een wafel- of papierslag georganiseerd. Tijdens de Virga-Jessefeesten in augustus 1968 verkochten de Jonge Klauwaarts gedurende drie zondagen pannekoeken en hot-dog met zuurkool. Penningmeester Jos Bouveroux kon daarop een nettowinst van om en bij 50.000 F noteren. Dat lucratieve bedrijf had de aandacht getrokken want het weekblad De Post publiceerde een foto van de K.S.A.-V.K.S.J.-stand en commentarieerde in volle ernst «Een hoogdag voor de middenstanders». Ook de dansavonden of thé-dansants die van 1965 tot 1968 jaarlijks door de bond werden ingericht, waren behoorlijk winstgevend.

Bondsdag o.l.v. bondsleider Jan Hertogen op het vakantiepatronaat 3 april 1967
Jonghernieuwers op fietstocht naar Sankt-Vith, augustus 1965

Een andere jaarlijks weerkerende activiteit in de jaren zestig werd de «bondsdag», een dag waarop alle bannen een gezamenlijke dag doorbrachten te Kiewit of op het vakantiepatronaat(20). Voor het overige bleven de bannen zoals voorheen meestal apart vergaderen: Hernieuwers, Jonghernieuwers en Knapen op zaterdagnamiddag, Jongknapen op woensdagnamiddag. Ook in de aard van de activiteiten kwam er weinig verandering: de zestigers hadden evenveel plezier aan hun voet- of fietstochten, hun spelronden, voetbal- of volleybalmatchen, vertel- of gespreksron­den als hun voorgangers. Het lijstje van sporttakken groeide wel verder aan met o.m. zwemmen - waarvoor nu van een overdekt zwembad kon worden gebruik gemaakt - vissen en tennissen. In 1966 maakten de Hernieuwers zelfs een luchtdoop mee in een vlucht over België. Verscheidene spelen verraadden een grotere impact van de televisie, zoals bij een «tip-topronde» voor de Jongknapen en een «Eén tegen allen»-spel bij de Knapen in 1966. De technologische vooruitgang was o.m. merkbaar toen Jonghernieuwers in 1966 met Hasselt-kermis de straat optrokken met de bandopnemer om voorbijgangers te interviewen.

Toch klonken enkele andere accenten door in de doordeweekse werking. Zo werd er meer dan vroeger aandacht besteed aan culturele activiteiten. Jonghernieuwers trokken in 1965 naar het Openluchtmuseum in Bokrijk, Hernieuwers namen in 1966 deel aan manifestaties in het kader van het festival van Vlaanderen, woonden in 1968 een vertoning bij van Joegoslavische volksdansen in Maastricht en beluisterden enkele maanden later een voordracht door Luk Delaet over «Cultuur in Vlaanderen». Jonge Klauwaarts waren in het voorjaar 1968 ook aanwezig op een door de Hasseltse jeugdraad ingerichte kleinkunstavond in hun stad. Jonghernieuwerleider Jos Vandersmissen trad omstreeks diezelfde tijd trouwens zelf als kleinkunst-zanger op in Alken. Kleinkunst, film, bezoek aan bibliotheek en tentoonstelling kwamen ook aan bod op de eerste Limburgse studentendagen die op 23-24 februari 1968 voor Limburgse Hernieuwers werden ingericht(21).

Enigszins samenhangend met deze ruimere culturele belangstelling werd ook een sterke klemtoon gelegd op creativiteit. Deze modeterm was vanaf omstreeks 1964 niet meer uit de lucht. Traditionele expressiemiddelen werden verder gecultiveerd en ten dele in een nieuw kleedje gestoken. Zo bleek de tijd van de klassieke toneelopvoering voorbij te zijn, of men zou daartoe de vertoning van Beschuldigde sta op (naar de gelijknamige TV-reeks) moeten rekenen, verzorgd door Knapen 2 in de loop van 1966-1967. Vooral bij Knapen en Jongknapen werd er tijdens de vergaderingen overigens ook veel aandacht besteed aan uitbeelding, kleine toneelspelletjes en poppenkast. In 1968 voerden deze jongste twee geledingen een «mini-show» op met o.m. de uitbeelding van het verhaal van de Rattenvanger van Hamelen. Het trommelcorps, waarvan wij nog sporen vinden tot 1966, ruimde geleidelijk plaats voor andere vormen van muziekbeoefening. Zo stelden Jonghernieuwers in 1966 een orkest samen met eigengemaakte instrumenten, een prestatie die zelfs de Beatles ons niet nadoen, schreven ze fier in het verslag neer. In het spoor van de kleinkunstzangers werd voortaan de gitaar bovengehaald bij zangstonden. «Al onze Jongknapen zijn troubadours geworden», lezen we in een oudersbrochure van oktober 1966, «ze zingen een lied van Lodewijk de Beduimelde en dat in hun burcht.» Meer dan ooit tevoren werd de creativiteit nu ook gestimuleerd in lichamelijke en manuele expressie; bewegingsritmiek, volksdansen,  masker  maken, boetseren,  knutselen, tekenen.

Toneelopvoering van Beschuldigde sta op door Knapenban 2, 1966-1967

Verbroedering met leden van de Franse JEC (Jeunesse d'Etudiants Catholiques) en van de 
Duitse katholieke studentenbeweging Bund Neudeutschland in het Franse Le Mans, 1965

Het kamp bleef een hoogtepunt vormen in de jaarwerking. Na het jubeljaar van 1959 te Dorne trokken alle bannen er opnieuw gezamenlijk op uit in 1964 naar Eksel en in 1967 naar Lanklaar. Bij de oudere bannen werden de buitenlandse kampen frequenter. In 1965 namen Hernieuwers en oudere Jonghernieuwers tesamen  met leden van de Franse JEC en de Duitse Bund Neudeutschland deel aan een kamp in het Franse Le Mans(22). Het volgend jaar sloten Knapen, Jonghernieuwers en Hernieuwers zich aan bij een door de gouw georganiseerde veertiendaagse Tiroltocht(23).  In
de zomer van 1968 verbleven Hernieuwers en Jonghernieuwers in  het Zwitserse Grimentz. Intussen onderhielden de Jonge Klauwaarts vriendschappelijke contacten met een bond van Bund Neudeutschland in Minden. Leiders en Hernieuwers werden in de zomer van 1964 gastvrij in Minden ontvangen en speelden in 1966 en 1967 zelf de rol van gastheer voor hun Duitse vrienden(24).

Zoals uit het voorgaande al gebleken is namen de Jonge Klauwaarts geregeld deel aan activiteiten die uitgingen van de gouw- of algemene leiding. Zo sloegen ze geen slecht figuur in de eerste nationale Jonghernieuwerrally die in 1965 werd georganiseerd met onbekende bestemming in stad X, toen Leuven. Samen met duizenden andere Jonghernieuwers uit het Vlaamse land zouden ze ook later deelnemen aan deze nu tot een traditie uitgegroeide tweejaarlijkse activiteit. Vanaf 1966 startte gouw Limburg met een alternerende tweejaarlijkse Jonghernieuwerrally, de Jeetee, ter vervanging van de Jonghernieuwertrefdag die zij sinds enige tijd jaarlijks organiseerde(25). De Hasseltse jongeren ontbraken hier evenmin. Vanaf 1965 vinden we ook sporen van hun deelname aan de jaarlijkse Internationale veldloop voor katholieke jeugdbewegingen die toen voor de dertiende maal in het Antwerpse werd gehouden en waarin zij herhaaldelijk opmerkelijk goede prestaties behaalden(26). De Jongknapen van hun kant waren op het appel op een Jongknapen-gouwdag in april 1966 te Bree, de zgn. «Highway-Patrol-day», waar een «zeepkistenrally» werd gehouden met door de jongeren zelf in elkaar getimmerde go-carts. Twee jaar later namen ze deel aan «Jobo», een nationale Jongknapendag in Bokrijk. Voor de Knapen werd in 1966 een gouwdag georganiseerd in Zonhoven en vond in 1968 een nationale ontmoetings­dag - «Vlam» - plaats in Aalst. De Hernieuwers werden in 1966 opgeroepen tot een nationale trefdag in Brussel en woonden op 23 en 24 februari 1968 de «Eerste Limburgse studentendagen» bij, een provinciale Hernieuweractiviteit ingericht door gouwhernieuwer-hoofdman Kris Hertogen en gouwhernieuwerproost Martin Claes(27).

Hasselt was verder goed vertegenwoordigd op leiders- en vormingsdagen die doorgaans in het kader van gouw of gewest werden georganiseerd: dienstenkampen (D.L.O. en D.O.L.), vanaf 1967 aangevuld met een creatieve sectie, leidersstages in opeenvolgende etappen: gidsen-, monitoren- en hoofdmonitorenkampen in Zutendaal, Heusden, Mechelen-aan-de-Maas of Melveren. Vanaf 1968 werd ook gebruik gemaakt van het nieuwe Cultureel Centrum Dommelhof in Neerpelt. Een in 1967 voor het eerst georganiseerde nationale instructeurscursus in Genval vormde het kroonstuk in deze steeds meer geperfectioneerde leidersvorming. De eisen werden in evenredigheid opgedreven. «Eender welk kamp staat onder leiding van een monitor, gevormd in een K.S.A.-leidersschool en voor tentenkampen zal tenminste één van de leiders houder zijn van het brevet D.O.L.» lezen we vanaf 1962 in de kampvoorschriften van de gouw(28).

Door de inrichting van trimestriële leiders-weekends, bondsleidersdagen - soms gecombineerd met proostendagen - zorgden gouw- en gewestleiding verder voor een permanent geëvalueerde en goed gecoördineerde werking. Met de «Limburgse denkdagen» van 28 tot 30 augustus 1967, tijdens dewelke de leiders terugblikten op het voorbije jaar en de toekomende werking voorbereidden, werd een stap verder op die weg gezet. Het initiatief werd in 1968 gecontinueerd door de «startdagen» te Neerpelt. Handhaaf en bouw bleef intussen fungeren als leidersblad voor gouw Limburg, terwijl het door het algemeen secretariaat uitgegeven leidersblad Richten nog altijd zijn onmisbaarheid bewees. De zorg die we bij de Jonge Klauwaarts vaststelden voor een goed functionerende leidersploeg en een degelijk voorbereide werking bleek een echo te zijn van wat er in de bredere beweging leefde.

De goede contacten die de Hasseltse leiders via al deze initiatieven met gouw- en gewestleiding onderhielden, werden nog bevorderd door persoonlijke banden: Paul Judo bleef gouwleider tot in 1964. Georges Lambrechts verenigde zijn functie van bondsproost met die van gouwproost voor Hernieuwers. Guido Plessers werd in september 1966 gouwproost in opvolging van de andere ex-Jonge Klauwaart Paul Schruers, die hij in de loop van 1965-1966 trouwens al als adjunct-gouwproost had bijgestaan. Jos Martens, Hernieuwer-leider in de Hasseltse bond van 1962 tot 1965 en daarna verantwoordelijke voor Alcazar, was vanaf 1963 betrokken bij de werking van het gewest Hasselt en bekleedde van 1964 tot 1968 de functie van gewestleider. Na zijn activiteiten in de Hasseltse bond stapte Kris Hertogen in 1966 over naar de gouwleiding als verantwoordelijke voor de Hernieuwerwerking(29). Bij de Jonge Klauwaarts bestond niet alleen een grote bereidwilligheid om binnen deze overkoepelende organen te functioneren, maar leefde tegelijk de overtuiging dat ze er één van de belangrijkste steunpunten voor vormden. «Wij zullen trachten baanbrekend te blijven in gouw Limburg» formuleerden ze als één van de besluiten van hun algemene bondsraad in juli 1968. Ze doelden hier niet alleen op het organisatorische of methodologische aspect van hun werking, maar evenzeer op de inhoudelijke kant ervan.

 

3. Een zoekende generatie

In oktober 1962 lichtte proost Georges Lambrechts toe hoe de K.S.A. in de veranderde wereld, met zijn groeiend aanbod van ontspanningsmogelijkheden voor de jeugd, meer dan ook zijn zin behield. Hij betoogde dat deze jeugdbeweging er niet alleen was om ontspanning te bieden of de jongeren van de straat te houden. De betekenis ervan reikte veel verder. In de K.S.A. vonden de jongeren namelijk een nieuw milieu, naast school en gezin. Doorheen spel en zelfactiviteit bouwden ze met hun kameraden een eigen jonge gemeenschap uit, los van de volwassenenwereld waarin ze «veel komedie, veel hoogmoed en veel onnodige ruzie» aantroffen, los ook van het «kleinburgerlijk paraderen» van hun eigen leeftijdgenoten. «Wij verkiezen kampvuur onder de blote hemel boven de helschreeuwende lichtreklamen van de stad. Wij houden van de moeizame tocht te voet boven de autorit van de zoetwater-toerist, van een harde kamp tussen onze Kempense mensen boven een 14-daags verlof in het buitenland. Wij houden van ons spel, ons toneel boven dit der grote mensen dat wil verbluffen en effect zoeken». Kiezen voor een jeugdbeweging betekende kiezen voor een alternatief op de dreigende vervlakking, het materialisme en het egoïsme van de moderne samenleving. Jongeren engageerden zich hier tegenover elkaar voor het vormen van een hechte gemeenschap, behielden er hun ontvankelijkheid voor geestelijke waarden en konden die op hun beurt verder uitdragen in hun samenleving.

Onder die geestelijke waarden bleven de godsdienstige een belangrijke plaats innemen. «K.S.A.-Jong-Vlaanderen is in het diepste van haar wezen de vreugdevolle ontmoeting van elk van ons met de Eucharistische Christus en het uitdragen van deze vreugde bij alle jongstudenten in Vlaanderen» schreef nogmaals Georges Lambrechts in 1962. De religieuze werking had weliswaar wel aan intensiteit verloren sedert het vertrek van Paul Schruers uit de bond in 1959, maar ze nam een nieuwe vlucht in het midden van de jaren zestig. Met het vroegere voorbeeld voor ogen werd in 1964-1965 opnieuw de Stoottroep opgericht. Leiders en oudere leden vonden elkaar op geregelde bijeenkomsten voor gebed en bezinning, mede aan de hand van teksten uit hun Stoottroep-blad(30). Met de inrichting van wekelijkse bondsmissen in hun nieuw ingericht Oratorium werd datzelfde jaar nog aangeknoopt bij een andere «traditie die enige jaren was onderbroken».

Al stelden de Jonge Klauwaarts zich zo in de lijn van de traditie, het karakter van hun godsdienstige werking onderging opvallende wijzigingen. Zo noemden ze zichzelf voortaan - beïnvloed door de vanuit het Concilie aangewakkerde oecumenische gedachte -meestal «christenen» i.p.v. «katholieken». Ze gaven ook niet meer zo openlijk blijk van hun eerbied voor de kerkelijke hiërarchie. Uitdrukkingen als «Dagelijks offer» of «drie weesgegroetjes» verdwenen geruisloos uit de woordenschat van de bondspublicaties. De sterk religieus gekleurde Ridder-, Schildknapen- en Hofknapenwerking raakte in de vergetelheid en de eens zo grote Mariadevotie verdween naar de achtergrond.

In de plaats daarvan deden nieuwe vormen hun intrede en werden er andere accenten gelegd. De traditionele bedevaarten ruimden plaats voor een jaarlijkse per gouw ingerichte «studentenpelgrimage», een gebedstocht die was geïnspireerd op de buitenlandse voorbeelden van Chartres en Den Bosch en die tot doel had de honderden deelnemende jongeren religieuze verdieping bij te brengen via georganiseerde gespreksronden en andere momenten van persoonlijke bezinning en gebed. Richten schreef over die pelgrimages: «De vorige generaties waren in het bezit van de waarden van het leven. De twee wereldoorlogen hebben dit bezit voor een groot deel uit onze handen geslagen. Zo zijn wij een zoekende generatie geworden die op tocht gaat naar de waarheid en het leven. Vooral studenten gaan op zoek naar de waarheid, zij hebben als taak zoekende naar de waarheid door het leven te gaan. Een student aanvaardt zo maar niet klakkeloos wat men hem vertelt, hij wil het zelf verder gaan uitpluizen, ook op het gebied van godsdienst en geloof»(31).

Titelblad van Vandaag, een tijdschrift voor de oudste geledingen van K.S.A. en V.K.S.J., 
weldra ook van V.V.K.S. en V.V.K.M.. Het begon te verschijnen in 1965

Voor deze generatie verloor het geloof inderdaad zijn vanzelfsprekendheid. Zij zocht naar een nieuwe zingeving. Elkaars inzichten en ervaringen uitwisselend en zich herbronnend aan bijbelteksten mediteerden de Jonge Klauwaarts over de vraag «Betekent God iets in ons leven?». Oude, van kindsbeen af vertrouwde gebeden - soms verworden tot uitgeholde en nooit geheel begrepen formules - werden vanuit een drang naar authenticiteit in eigen woorden en herkenbare begrippen opnieuw geformuleerd. Authenticiteit lag ook ten grondslag aan de mededeling van Georges Lambrechts dat de christelijke geest van K.S.A. niet moest blijken uit een «mooie preek» op de vergadering maar uit de dagdagelijkse praktijk van ieder lid. Het normatieve godsbeeld van geboden en verboden maakte plaats voor een «eerlijk voor God»-houding, steunend op de kracht van het persoonlijk geweten. Pasen werd in de bond niet meer voorbereid door een boetetocht, maar door een biechtviering, want «elke ontmoeting met de Heer is een feest» verklaarde de bondsleider bij zulke gelegenheid. God was niet langer hoogverheven, werd ontdaan van zijn sacraliteit en deed zijn werk door mensen. Vertrekkend van de bijbeltekst «Gij zijt het licht der wereld...» stelde Jan Hertogen het bondskamp van Lanklaar (1967) in het teken van «licht en vuur». In de voorbereidende kampbrochure - met originele tekst en lay-out - schreef hij o.m.:

«Licht willen we zijn voor elkaar;
vuur, dat warmte geeft.
in het licht willen wij leven.
kristus
het licht der wereld
zal leven in ons,
in uw jongen.»

Met de wijzigende geloofshouding werden ook andere menselijke kwaliteiten benadrukt. Tucht, strijdvaardigheid, wilskracht, reinheid en andere deugden die in de voorgaande decennia zo intens waren nagestreefd werden nauwelijks of niet meer aangehaald. Daarentegen traden nieuwe waarden als vrijheid, verantwoordelijkheid, eerlijkheid en zelfstandigheid op de voorgrond.

De apostolaatsgedachte werd - althans bij de Hernieuwers - intussen verder uitgewerkt in de richting van milieuwerking, in de lijn van de Jongvlaamse staven van Roeselare (1959), Schoten (1961), Godinne (1963) en Roeselare (1965). De Hernieuwergeleding werd op deze nationale denkdagen meer en meer getypeerd als een «K.S.J.-ploeg», m.a.w. «een gespreksgroep gericht op de actie in het milieu», zoals in de besluiten van Godinne te lezen stond. Traditionele jeugdbewegingsactiviteiten boetten aan belang in ten voordele van het gesprek. Naast interne groepsvorming werd ook openheid nagestreefd naar de niet-georganiseerde jongeren toe, in school en parochie, individueel of in georganiseerd verband. In die geest startten de nationale leidingen van K.S.A. en zijn vrouwelijke tegenhanger de V.K.S.J. (Vrouwelijke Katholieke Studerende Jeugd) in 1965 met een nieuw tijdschrift voor deze oudere leden, dat de grenzen van de eigen beweging overschreed: Vandaag, een tijdschrift voor mensen van morgen verving de vroegere ledenbladen Hernieuwen (van K.S.A.) en Bronnen (van V.K.S.J.). Het kreeg nog een ruimere verspreiding in het katholieke studerende milieu toen ook Scouts en Meisjesgidsen (V.V.K.S. en V.V.K.M.) zich kort daarna bij de redactie aansloten.

Dat alles ging niet ongemerkt aan de Jonge Klauwaarts voorbij, temeer omdat proost Lambrechts zelf een belangrijke stuurman was in de heroriëntering van Hernieuwerwerking naar milieuwerking(33). Zijn invloed was er wellicht niet vreemd aan dat er in Hasselt in de loop van 1963-1964 vier K.S.J.-ploegen actief waren. Dat waren in feite gespreksgroepen die wellicht op gezamenlijk initiatief van Jonge Klauwaarts en de Hasseltse V.K.S.J.-afdeling Arendsvlucht waren gevormd en die samengesteld waren uit jongens en meisjes van de hoogste twee humaniorajaren. Afgaande op de brochure Gesprekken voor K.S.J.-ploegen die in oktober 1964 door K.S.A.-nationaal werd uitgegeven lag het in de bedoeling om in deze gespreksgroepen een ruime waaier van onderwerpen aan bod te laten komen van religieuze, algemeen menselijke, sociale en culturele aard(34).

Vanuit de Hasseltse bond werd ook deelgenomen, aan de succesvolle «open gespreksdagen», die in dezelfde geest al sedert 1962 werden ingericht door de Limburgse gouwleidingen van K.S.A. en V.K.S.J. en waaraan weldra ook de door de diocesane overheid opgerichte Schoolpastoraal zijn steun verleende. Alle laatstejaarsscholieren van Limburg, meisjes en jongens uit vrij en officieel onderwijs werden uitgenodigd op deze gespreksdagen, die doorgaans tweemaal per jaar plaatsvonden. Ze beluisterden er voordrachten en getuigenissen van ouderen en konden zich daarna in gespreksgroepen een persoonlijk idee vormen over onderwerpen als «de psychologie van de jongen en het meisje», «het gezinsleven», «onze taak in het toekomstige Limburg», «beroepsspiritualiteit», «internationale samenwerking» e.d.m.(35). We vermoeden dat gouwproost en vanaf 1966 vicaris-generaal Paul Schruers de drijvende kracht achter dit succesvol initiatief was, zoals hij het ook was achter de door hem opgerichte Schoolpastoraal. Herhaaldelijk benadrukte hij de specificiteit van de K.S.A. naast de andere katholieke jongerenbewegingen als «studentenmilieubeweging»(36).

Behalve in het schoolmilieu had de K.S.A. volgens deze Limburgse gouwproost bovendien ook een specifieke taak te vervullen in de bredere maatschappij. Ze bestond erin «een nieuwe apostolische generatie van Vlaamse intellectuelen te helpen tot stand komen»(37) . Zijn idee vond instemming bij de Jonge Klauwaarts. In hun oudersbrochure van 1962 stond te lezen dat het de «dringende taak» van de beweging was om «katholieke intellectuelen te vormen die niet alleen met het hart maar ook met scherpe geest hun naastenliefde beleven in het volle leven. Daarom debatteren de ouderen regelmatig, bekwamen zich door lezing en studie om later een ploeg intellectuelen te vormen, christelijk bezield en met knap verstand die hun taak ten bate van onze kerkse en volkse gemeenschap ter harte nemen».

Dit zendingsbewustzijn van studerende jongeren als toekomstige leiders van hun volk was vanaf het ontstaan van de bond altijd in één of andere vorm bij de Jonge Klauwaarts aanwezig geweest, maar kreeg nu een eigentijdse betekenis tegen de achtergrond van de universitaire expansie en de nood aan een christelijke intellectuele elite in het zich verder emanciperende Limburg. Zoals hoger al aangestipt kwam dat laatste thema herhaaldelijk aan bod op de «open gespreksdagen» van K.S.A.-V.K.S.J. De aanwezige jongeren hoorden er uiteenzettingen houden over de «knelpunten en problemen in Limburg» en werden er geconfronteerd met de vraag «wat wordt van u verwacht in het Limburg van vandaag en morgen?». Vanaf 1963 begon de gouwleiding ook met de jaarlijkse organisatie van «studentenmissies» naar de mijnstreek om de K.S.A.-jongeren beter voor te bereiden op hun «taak in het groeiende Limburg met zijn economische, sociale en religieuze problemen en kansen»(38).

Drie generaties gouwproosten in Limburg. In diagonaal opwaartse lijn (v.l.n.r.): Monseigneur Jozef Heuschen, Paul Schruers en Guido Plessers. Aan het stuur: pater Karel Cools, proost van de K.S.A.-bond van Maaseik. Vooraan in uniform: gouwleider Jef Stinckens. De foto werd genomen  op een leiderskamp van de gouw te Zutendaal in juli 1966, nadat Paul Schruers zijn functie van gouwproost had overgedragen aan Guido Plessers.
 

Het was een vorm van sociale exploratie die al op het einde van de jaren vijftig bij de Jonge Klauwaarts had bestaan en die door het vanuit de Hasseltse bond afkomstige leidersduo - gouwleider Paul Judo en gouwproost Paul Schruers - werd overgebracht op gouwniveau. Hasseltse Hernieuwers namen trouw aan deze «studentenmissies» deel. Op een vergadering tijdens de paasvakantie 1966 nodigden ze drie Oekraïense mijnwerkers, die ze bij zulke gelegenheid hadden leren kennen, uit voor een gesprek. Ze luisterden geboeid naar het verhaal van deze «vreemdelingen» over de onderdrukking van het communistisch systeem, kwamen onder de indruk van hun diepe religiositeit en voelden zich gevleid door de opmerking van hun gasten dat de Vlamingen «evengoed, zoniet beter waren dan de Walen».

Intussen bleven de bondsleden blijk geven van een daadwerkelijke sociale bekommernis. Met Kerstmis of Sint-Niklaas werd op bezoek gegaan bij arme gezinnen. Door inzamelacties voor «de ontwikkelingsgebieden», voor paters uit Zuid-Amerika of Afrika die over de schrijnende nood in hun missies kwamen vertellen, in het kader van Broederlijk Delen - de interdiocesane Vastenactie, waaraan de bond ten laatste vanaf 1965 begon mee te werken, - of in het kader van de vanaf november 1967 gestarte 11-11-11-Actie, bewezen de Jonge Klauwaarts bovendien «een hart» te hebben «zo wijd als de wereld»(39).




Hernieuwers, Jonghernieuwers en V.K.S.J.-sters op kamp
 
in  Grimentz, Zwitserland, 31 juli - 10 augustus 1968.

Aan deze inzet lag niet eenzelfde ideologische bekommering ten grondslag als vroeger bij de acties voor Oostpriesterhulp. Over het algemeen werd deze periode, die in feite al vanaf 1957-1958 was ingezet en die voortduurde tot de eerste maanden van 1968, overigens gekenmerkt door een zekere ontideologisering, zodat bij het overlopen van de bronnen soms de indruk ontstaat dat doorheen het perfect georganiseerde jeugdbewegingsleven de geestelijke boodschap wat zoek geraakte. In kleine kring - o.m. bij de Jonge Klauwaarts die in 1966 een bespreking wijdden aan de vraag «Wat is Katholieke Actie?» - en in de bredere beweging leefden vragen over de verhouding tussen Jeugdbeweging en Katholieke Actie, twee polen waartussen een - al dan niet «vruchtbare» - spanning groeide(40).

De opkomende scholierengeneraties bleken zich - overigens zonder opstandigheid en kritiek - geleidelijk los te maken van de politieke en maatschappelijke opvattingen waarmee zij in hun kinderjaren waren geconfronteerd. Voor zover van een ideologie kan gesproken worden dient ze te worden gezocht in de christelijke inspiratie en het geloof in «schoonmenselijke» waarden als broederlijkheid, rechtvaardigheid, gelijkheid, gemeenschapszin e.d.m.. Vanuit deze gepersonaliseerde en tegelijk gedepolitiseerde aanpak leefden de jongeren - zoals hoger geciteerd uit het «hart» en tegelijk met een open blik - mee met de problemen van hun tijd. Doorheen milieuwerking en gesprek waren ze daarnaast voortdurend op zoek naar hun eigen individualiteit en naar de uitbouw van interpersoonlijke relaties, niet in het minst met hun medejongeren van de andere sekse. Zoals hoger aangestipt werden in deze jaren - met het tijdschrift Vandaag en gezamenlijk georganiseerde «Open gespreksdagen» - de eerste aanzetten gegeven tot samenwerking tussen K.S.A. en V.K.S.J., zowel op nationaal niveau als in de gouw.

In Hasselt zelf kwam er wat dat betreft schot in de zaak vanaf 1967. Voor het eerst betrokken de Jonge Klauwaarts meisjes van Arendsvlucht bij de organisatie van hun jaarlijkse thé-dansant in februari. In de loop van datzelfde jaar stapten ook twee V.K.S.J.-sters, Monique Stouten en Nicole Nelissen, in de leiding van de Jongknapen en ze gingen alszodanig mee naar het bondskamp van Lanklaar. In 1967-1968 werd die regeling behouden. In de zomer van 1968 gingen V.K.S.J.-sters mee op kamp naar Grimentz. De vroeger aangehaalde verkoop van pannekoeken en hot-dogs met zuurkool op de Virga-Jessefeesten in augustus van dat jaar was eveneens een gezamenlijk initiatief van de Jonge Klauwaarts en Arendsvlucht. Er zat dus muziek in de wederzijdse toenadering. De effectieve stap naar gemengde werking zou weldra worden gezet, maar dan als een onderdeel van een breder programma tot maatschappijvernieuwing. Want in 1968 raakte de bond vrij plots in een maatschappelijke stroomversnelling.

 

Een blik op de geschiedenis van Arendsvlucht

K.S.A. -Jong-Vlaanderen vond zijn vrouwelijke tegenhanger in de V.K.S.]. (Vrouwelijke Katholieke Studerende Jeugd). In Hasselt ontstond zulke plaatselijke V.K.S.].-afdeling onder de benaming «Arendsvlucht». Vanaf de tweede helft van de jaren zestig werden stappen gezet naar een georganiseerde samenwerking met de jonge Klauwaarts. Tegenwoordig is de werking van beide verenigingen geheel versmolten. Over de voorafgaande «aparte» geschiedenis van Arendsvlucht voerde KAREL BAETEN gesprekken met verscheidene directe getuigen, o.m. An Vanrusselt, Chislaine Reners en Lutgarde Lambrechts. Hij las er ook het verslagboek van Arendsvlucht op na. Hier volgt de neerslag van zijn bevindingen.

In de naoorlogse jaren groeide er in Hasselt een jeugdbeweging voor vrouwelijke jeugd, die heel wat gelijkenissen vertoonde met de Jonge Klauwaarts in die tijd. Op initiatief van enkele provinciale medewerksters van V.K.S.J. (Vrouwelijke Katholieke Studerende Jeugd) werd er gestart met een parochiale afdeling voor Hasselt. Tot dan toe was het verenigingsleven voor meisjesstudenten uitsluitend de zorg van de Hasseltse Katholieke Meisjesscholen, zoals de Ursulinen en Kindsheid Jesu.

De nieuwe groep stelde zich tot doel het activiteitenaanbod buiten schoolverband te verruimen. Aanvankelijk ging haar aandacht vooral naar sport en spel, als aanvulling van de studiekringen uit die tijd. Het zou echter niet lang duren eer zij uitgroeide tot een jeugdbeweging in al haar dimensies: via ontspanning, sociale acties, religieuze bijeenkomsten en studiedagen beoogde zij de totale vorming van haar leden.

Een snelle groei

We schrijven 1948. Een twaalftal meisjes uit Hasselt organiseerden een driekoningenronde die diende als financiële actie voor hun pas opgerichte groep.

Van die tijd af moet het pijlsnel omhoog gegaan zijn met het ledenaantal van de groep: het verslagboek maakt in de winter van 1950 reeds melding van een zestigtal actieve leden. De groepsindeling gebeurde op basis van de leeftijd: de roodkapjes (leerlingen van het lager onderwijs), Jong-V.K.S.J. met leden van 12 tot 15 jaar en de V.K.S.J.-groep vanaf 15 jaar. Zij vergaderden elke zaterdag van 2 tot 5 u. in het toenmalige Mariahuis aan de Bonnefantenstraat, op de plaats van het huidige R.T.T.-gebouw. De speelplaats van de school van de Broeders van Liefde diende voor hun sport- en spelactiviteiten.

Op zondag, 22 juni 1952 besliste een algemene vergadering de naam «Arendsvlucht» aan de groep te geven. «Wij willen onze vleugels uitslaan en ruimer denken», luidde het motief. De H. Adelheid werd patrones van de groep en zij formuleerden de leuze: «Houdt U klaar.... Wij klimmen!»

De zomervakantie die daarop volgde getuigde van een bloeiend verenigingsleven. Naast de wekelijkse activiteiten noteren we 11 uitstappen, zoals een fietstocht naar de mijnstreken, een bezinning te Rooierheide, een fietskamp naar Brugge (1-7 oogst), een kamp te Banneux (9-13 oogst) en tenslotte een zelf georganiseerde reis naar Tirool-Oostenrijk (15-25 oogst).

In het najaar kreeg de vlag, waarvan reeds lang sprake was in de groep, haar definitieve vorm. Het ontwerp werd getekend door Juffr. Rüland en de totale kosten beliepen 3371 fr. De wijding vond plaats tijdens een plechtige viering op 23 oktober in de O.L. Vrouwekerk.

Sinds 1951 organiseerde Arendsvlucht jaarlijks een kunstavond in het Casino aan het Leopoldplein. Het werden telkens hoogtepunten van haar werking: muziek, dans en toneel wisselden elkaar af in een boeiend spektakel. De meest gedurfde en groots opgezette voorstelling moet op 17 januari 1954 geweest zijn: Arendsvlucht bracht toen de kinderoperette «Repelsteeltje» voor het voetlicht. Alles werd tot in detail voorbereid: kostuums en pruiken werden gehuurd, E.H. Peters van het St.-Jozefscollege schreef muziek voor een eigen gelegenheidsorkestje en talloze repetities vulden het Kerstverlof. Het resultaat was schitterend; liefst 700 aanwezigen woonden het schouwpel bij. De lovende kritiek van ouders, vrienden en enkele vooraanstaanden gaf de groep de stimulans op de ingeslagen weg verder te gaan. De groep telde op dat moment 105 actieve leden, waarvan 30 roodkapjes en 75 VKSJ-meisjes.

Op 10 oktober 1955 betrokken zij enkele lokalen van het Volkstehuis aan de Kempische Kaai. «Onder leiding van Ghislaine Reners en Denise Schruers werden zij net en verzorgd ingericht. Eindelijk iets waar we echt thuis zullen zijn...», meldt het verslagboek. Omstreeks die tijd verliet An Vanrusselt de groep. Zij was, met hulp van Miet Franssen en   Denise Schruers, vanaf het prille begin de motor achter de groep geweest. Ghislaine Reners nam de taak van afdelingsleidster met evenveel inzet van haar over.

Sociaal engagement.

De jaren die daarop volgden, bleven getekend door een christelijke en sociale inzet. De toestand in Hongarije zette Arendsvlucht in 1956 ertoe aan een grote financiële en materiële actie op touw te zetten in Hasselt. Voor een Hongaars vluchtelingengezin richtte zij zelfs een huis volledig in! Dank zij de blijvende steun van Arendsvlucht vonden deze mensen een weg in hun nieuwe wereld.

Sinds zijn ontstaan toonde de groep ook een onafgebroken inzet voor zieke, bejaarde en arme mensen van Hasselt. Zo kwam hij in 1957 toevallig in contact met Yvonne Bijnens, een 15-jarig ouderloos meisje, dat aan een zware nierziekte leed. Van toen af gingen alle zorgen van de groep naar haar: zij kreeg zelfs haar domicilie bij een van de leden en werd zo een deel van de grote V.K.S.J.-familie. Deze prima opvang gaf weer zin aan haar uitzichtloos leven. De groep zamelde in drie weken tijd 40.000 fr. in, die nodig waren voor haar operatie in Zuid-Frankrijk. Zelfs het verblijf ter plaatse werd volledig begeleid door enkele leden en ouders. Toch moest Yvonne in januari 1962 haar ongelijke levensstrijd opgeven. Zij was gedurende vijf jaar het adoptiekind van V.K.S.J. geweest.


De Roodkapjes op de speelplaats van de lagere school 
van de Zusters Kindsheid Jesu aan de Persoonstraat te Hasselt.

Een nieuwe generatie

De aanvang van het schooljaar 1962-1963 betekende een hele verandering voor Arendsvlucht. Heel wat mensen verlieten, samen met Ghislaine Reners, de groep. Lut Perillieux en Vicky Verseyp namen van dan af de verantwoordelijkheid op zich. Een van hun grootste verdiensten was de vervaardiging van een nieuwe vlag voor Arendsvlucht. De oude had het na 15 jaar dienst al duidelijk laten afweten en vervanging werd een noodzaak. De nieuwe vlag bleef tot op heden bewaard.

In die tijd evolueerde de belangstelling van de groep naar de interne werking, waarbij het groepsleven centraal stond. Sociale en religieuze inzet bleven wel constanten. Maar niet op dezelfde grote schaal als voorheen.

In 1964 werd Lutgarde Lambrechts de nieuwe afdelingsleidster. Op initiatief van V.K.S.J.-nationaal werd Arendsvlucht anders ingedeeld. Voortaan bestond V.K.S.J. uit drie groepen, de roodkapjeswerking bleef hetzelfde. JIM (Jong in Milieu) werd de naam voor de groep 12- en 13-jarigen, SIM (Samen in Milieu) groepeerde de meisjes van 14 en 15 jaar en alle +16-ers luisterden nu naar de naam KIM (Kristen in Milieu).

De roodkapjes kregen een nieuwe speelruimte: de lagere school van Kindsheid Jesu aan de Persoonstraat stelde haar speelplaats ter beschikking van de groep. Die nieuwe nood aan speelruimte had diverse oorzaken: de school van de Broeders van Liefde, waar zij vroeger speelden, was al een hele tijd overgenomen door het St.-Jozefscollege en de ruimte vóór hun lokalen van het Volkstehuis werd, wegens het drukker wordend verkeer, te gevaarlijk.

Onder deze vorm kende de hele groep een bloeiende periode. Een degelijk uitgewerkt kamp sloot telkens een fijne jaarwerking af. Arendsvlucht kende een onafhankelijk bestaan tot 1968, toen de jonge Paula Hertogen de eerste en achteraf blijvende contacten legde met de Jonge Klauwaarts...

    

Noten

(1) Collegiana, XVIII, 2, 1959, p.13;  Gedenkboek K.S.A.-Jonge Klauwaarts Hasselt, 1884-1959, p. 60-65.
(2) Archief  K.S.A-gouw  Limburg, KADOC, nrs. 436, 474; gesprek met Mathieu Gijbels.
(3) Bij zijn afscheidsviering in december 1961 wenste Roebben aan de twee "Pollen" een goede vaart  toe bij het bestuur van de gouw; Richten, XXVI, 6, februari 1962, p. 164-166.
(4) Basiskeure van K.S.A.-Jong-Vlaanderen, Jongvlaamse Staf, Leuven. 1957, eigen bezit; R. DEPUYDT,  Organisatie in K.S.A.-]ong-Vlaanderen, p. 33-34.
(5) E.WITTE, A. MEYNEN en J.STRUYE  in Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl. XV, p.227-228,  232 e.v., V. VAN ROMPUY in Twintig eeuwen Vlaanderen, dl. VIII, p. 216 e.v.
(6) Bergopwaarts, november 1957, p. 8.
(7) Richten, XXI, 10, juni 1957, p. 29; Collegiana, XV, 5, 1957, p. 7; Gesprek met Guido Plessers; Gedenkboek   K.S.A.-Jonge Klauwaarts Hasselt, 1884-1959, p. 56.
(8) Bergopwaarts, september 1957, p. 7-8, november 1957, p. 13, 20-21; Collegiana, XVII, 2, 1959.
(9) Emiel Eyben, resp. Paul Quaelhoven in Bergopwaarts, september 1957, p. 10-11 en november 1957, p. 10.
(10) Vastenwerking 1960,  Knapenban Hasselt,  Verslag van de Leiderskring en bondsraad, 5 januari 1961, (stencils) papieren J. Quaethoven; Collegiana, XVIII, 4-5, 1959, p. 11.
(11) R. DEPUYDT, o.c, p. 45.
(12) Leiderskring en bondsraad, 5 januari 1961, (stencil) papieren J. Quaethoven.
(13) Paul  Schruers in  Bergopwaarts,  september 1957, p. 6:  «De Stoottroep groeide uit 'n ploeg jonge leiders, die op 'n ogenblik dat onze bond uiterlijk schitterend werkte, pijnlijk aanvoelde dat achter die facade van stijlvolle marsjen en achter de geestdrift  van de eerste grote kampen zo weinig vriendschap leefde voor Christus. We hadden alles:  trompetten, trommels, feesten, 'n machtige voetbalploeg, optochten met witte kousen, piekfijne uniformen etc. We werden uitgenodigd voor modelbonden op gouwactiviteïten. Maar op  kampen werd de mis niet  beleefd, zo pijnlijk  weinig communies; er werd nogal geflirt en roepingen waren eerder zeldzaam»; gesprekken met Jan en Paul Quaethoven, Guido Plessers, Paul Judo.
(14) Bergopwaarts, november 1957, p.11: Gesprekken met Mathieu Gijbels en Paul Quaethoven; Gedenkboek  K.S.A.- Jonge Klauwaarts Hasselt, 1884-1959, p.57-58; Basiskeure K.S.A.-]ong-Vlaartderen,  Jongvlaamse Staf,    Leuven, 1957, eigen bezit; J. COCLE, Visie op K.S.A.-Jong-Vlaanderen. p. 33 e.v.; H. CAMMAER in Twintig eeuwen Vlaanderen, dl. IX, p. 304.
(15) We baseerden ons op verslagen van de gesprekken die Jan Quaethoven voerde met Sylvain Bouveroux, Hugo Donné en Urbain Schrijvers evenals op de afleveringen van De Brug die zij ter beschikking stelden.
(16) Brochure K.S.A.-Jong-Vlaanderen, Jeugd Vandaag, Gouwdag 22 april (1960) Genk, p. 13.
(17) Gesprekken met Paul Quaethoven, Paul Judo en Emiel Eyben; Collegiana, XIX, 1, 1960-1961, p. 9. Laurent Vandeschoor was in deze jaren proost van het Limburgs Hoogstudentenverbond voor Katholieke Actie (H.V.K.A.) - met het trefcentrum «De Roerdomp» - in Leuven en was alszodanig ook verbonden aan de Universitaire Parochie aldaar. Verscheidene Alcazarleden studeerden trouwens ook aan de Leuvense universiteit. 
(18) Archief  K.S.A-gouw   Limburg, KADOC Leuven, nr. 458/1, 93/1. Voor deze en volgende paragraaf verwijzen we verder in globo naar de oudersbrochures die verschenen zijn van 1962 tot 1968.
(19) De resultaten van die berekeningen werden meegedeeld in de oudersbrochures. Een voorbeeld van een goed verzorgd dossier was de banfarde van de Jonghernieuwers, 1964-1965, bijgehouden door banleider Jan Hertogen, Archief K.S.A. Hasselt.
(20) Collegiana, XXU, 1963-1964, 3, p. 24.
(21) Richten. XXXII, 1967-1968, 5, p. 207.
(22) Collegiana. XXIV, 1965-1966, 1, p. 41-43.
(23) Richten, XXX, 1965-1966, 1, p. 29.
(24) Collegiana. XXIII, 1964-1965, 3, p. 17; Gesprek met Jan Hertogen.
(25) Richten, XXX, 1965-1966, 1, p. 15; 2e tussennummer, p. 42. In de eerste Joepie-rally kaapten de Jonge Klauwaarts de eerste drie plaatsen in Limburg weg; op nationaal niveau behaalden ze de 6e, 9e en 10e plaats.
(26) In 1965 waren de Jonge Klauwaarts praktisch de enige Limburgse deelnemers aan de Cross. Bij de Miniemen B werd Albert Remans de 9e op 222. Hij  werd zo de 1e Belgische K.S.A.-er in zijn reeks. In 1967 eindigde de bond als zesde in het groepsklassement (op 250 deelnemende groepen). Zo werden  meermaals zeer goede  resultaten  geboekt.   Om  voor de klassering in aanmerking te komen moesten voor elke leeftijd drie deelnemers zijn. Geboortedatums werden bijgevolg nogal eens «geforceerd»; gesprek met Tony Keunen.
(27) Richten, XXX, 1965-1966, 2, p. 115; 2e tussennummer, p. 42; XXXI,  1966-1967,  1,  p.  9; 2,  p.  87;  XXXII,  1967-1968,  2,  p. 71; 3, p. 132; 5, p. 107.
(28) Deze en begin van volgende alinea zijn gebaseerd op de in Richten gepubliceerde berichtgeving van gouw Limburg.
(29) De gouwactiviteiten van Guido Plessers, Kris Hertogen en Jos Marlens werden met enige fierheid vermeld in de Oudersbrochure van Allerheiligen 1965.
(30) We beschikken over één exemplaar van een gestencilde brochure Stoottroep, wellicht daterend uit 1965-1966.
(31) Richten, XXIX, 1964-1965, 3, p. 126.
(32) Werkdocument ter bespreking van de K.S.J.-werking, 20 november 1964 (Bijlage tot F 651 HN 64/51), eigen bezit.
(33) Op de Jongvlaamse Staf droeg hij in de Werkgemeenschap voor Hernieuwers een tekst voor over de opdracht  van de K.S.A. in de klas- en schoolgemeenschap; Werktekst over School- en Klasgemeenschap (in functie van het Leidersboek, dl.  II), 20 augustus 1963, (Bijlage tot F 539 HN 63/39 Doc. HN 5), eigen bezit. Zijn inzet voor Schoolpastoraal bleek o.m. uit de bloemlezing die hij in 1967 uitgaf van door leerlingen zelfgemaakte gebeden; zie Dankbaarheid en Waardering, p. 99.
(34) Collegiana, XXII, 1963-1964, 3, p. 24; XXIII, 1964-1965, 3, p. 17; XXIV, 4, 1965-1966, p. 25; Handhaaf en Bouw, 1963-1964, 1, p. 9; Richten, XXIX, 1964-1965, 1, p. 7-8; 2, p. 74.
(35) Berichtgeving gouw Limburg in Richten.
(36) Schruers' uiteenzetting over Specialisatie en Eenheid op de Jongvlaamse Staf te Roeselare, 26-31 juli 1965, gepubliceerd in Richten, XXX, 1965-1966, 1e tussennummer, p. 2-4. Zie verder de afscheidsrede van de gouwleiding bij Schruers' vertrek als gouwproost, in Richten, XXXI, 1966-1967, 2, p. 64.
(37) Tekst over de Bedoeling van K.S.A.-Jong-VIaanderen, voorgedragen op een Leidersvormingsdag van het gewest Hasselt, vermoedelijk in 1962 of kort daarna; collectie J. Martens.
(38) Citaat uit Richten, XXVII, 1962-1963, p. 171.
(39) Een citaat uit de Oudersbrochure van 1962.
(40) Richten, XXX, 1965-1966, 2, p. 119-120; tekst van Jan Dumon over jeugdbeweging en Katholieke Actie, -  Richten,   XXX, 1965-1966, 1e tussennummer, p. 5-7; Werkdocument Twee-eenheid of vruchtbare spanning, (Bijlage II F. 105/AL), eigen bezit.

Hoofdstuk 8 

Vechters voor een betere wereld.
1968-1976

1. Focus op de Herkimwerking
2. Maatschappijkritiek
3. Contestatiemoeheid
4. Werken aan de «nieuwe mens»

Noten
Uit het archief: een beeld van een activiteit uit 1969.

Vanaf de tweede helft van de jaren zestig begonnen problemen uit de bredere maatschappij opnieuw onweerstaanbaar door te dringen in de leefwereld van de studerende jeugd. Twee aandachtsvelden vormden daartoe de voedingsbodem. Op de eerste plaats de Vlaamse eisen, die na de levensbeschouwelijke pacificatie in het schoolpact, en de rust die op het front van de sociale strijd was ingetreden na de vorming van de travaillistische regering Lefèvre-Spaak (1961-1965) meer op de voorgrond kwamen. Er waren de marsen op Brussel, de initiatieven van de regering om de taalgrens vast te leggen en het taalprobleem Brussel te regelen, en de aantrekkingskracht van de opkomende Volksunie (in 1961 met 5 volksvertegenwoordigers, in 1965 met 12). Als katalysator werkte de «Kwestie Leuven», nl. de vraag of van de  universitaire expansie gebruik zou gemaakt worden om de Franstalige afdeling uit Leuven naar Wallonië te laten verhuizen. Het mandement van de Belgische bisschoppen, waarmee op 13 mei 1966 werd gedecreteerd dat de Leuvense Alma Mater één en ondeelbaar zou blijven en er geen sprake kon zijn van «Leuven Vlaams», werd door de katholieke publieke opinie in Vlaanderen niet geaccepteerd, en lokte in Leuven een anticlericale reactie uit, waarin de kiemen scholen van anti-autoritarisme. In de K.S.A.-leiding, die voor een groot deel uit Leuvense studenten bestond, werkte deze sterkere vlaams-gezinde reflex door toen tijdens de nationale «denkdagen» in december 1966 te Wijgmaal, door de meerderheid van de aanwezige leden van de nationale werkgemeenschappen en algemene leiding gekozen werd voor een jaarthema in het teken van «Vlaanderen»(1).

Een tweede bedding langswaar maatschappelijke problemen binnensijpelden in de werking was typisch Limburgs. De bekommernis namelijk om de ontplooiing van de eigen regio, de bezorgdheid om werk in eigen streek, een slogan die het sociale en het Vlaamse element verbond, en de ongerustheid over de toekomst van Limburg, toen in december 1965 het regeringsbesluit bekend raakte dat behalve vijf Waalse mijnen ook die van Zwartberg gesloten zou worden. Dat besluit leidde tot arbeidersprotest dat niet alleen gesteund werd door de christelijke vakbeweging A.C.V., maar ook door de Volksunie en een aantal Vlaamse drukkingsgroepen als de Vlaamse Volksbeweging, het Vlaams Economisch Verbond en de Vlaamse Ingenieursvereniging. Dat belette niet dat eind januari 1966 de eerste mijnwerkers in Limburg ontslagen werden en de intussen gestarte stakingsbeweging uitgroeide tot een bloedige botsing met de rijkswacht waarbij zelfs twee doden vielen. De incidenten hadden hun wortels in de sociaal-economische situatie, maar werden doorkruist door de Vlaams-Waalse tegenstellingen(2).

Het was hierrond dat uiteindelijk vanaf januari 1968 een radicaliseringsgolf zou beginnen, die op korte termijn een groot deel van de katholieke studerende jeugd in Vlaanderen, en ook de Hasseltse Jonge Klauwaarts, zou meeslepen. Andermaal was Leuven het beginpunt. Toen de expansieplannen van de katholieke universiteit bekend raakten, die voorzagen in een blijvende Franstalige aanwezigheid in Leuven, brak een revolte los die drie weken duurde en die niet enkel het academisch leven in de universiteitsstad lam legde, maar ook scholieren in den lande in beweging bracht. Protestmanifestaties en stakingen culmineerden in een nationale scholierenstaking op dinsdag 7 februari, de dag dat volksvertegenwoordiger Verroken de regering in het parlement over Leuven zou interpelleren, en die door de Vlaamse strijdverenigingen was uitgeroepen tot «Zwarte dinsdag». De regering viel die dag over de kwestie Leuven(3). De Jonge Klauwaarts lieten zich bij deze gebeurtenissen niet onbetuigd. Omdat de Hernieuwers zich volop inschakelden in «al die stakingen en betogingen» vielen verscheidene vergaderingen voor de lagere bannen in januari en begin februari 1968 in het water (4).

De Leuvense revolte was echter veel meer dan de zoveelste actie rond een vlaamsgezind thema. In feite vormde ze het begin van wat later bekend bleef als "mei 68". De vlaamsgezindheid transformeerde zich doorheen de revolte geleidelijk in een contestatie tegen kerk, staat en establishment. «Het regime» en «de gevestigde orde» moesten het ontgelden. Ook vele K.S.A.-leiders die als Leuvense studenten de januari-revolte meemaakten waren doorheen die actie geradicaliseerd, en droomden ervan de plaatselijke Hernieuwer-bannen om te vormen tot studie- en actiegroepen, die samen met de universitaire contestanten, de grote stap voorwaarts zouden zetten naar een nieuwe, meer menselijke samenleving. De evolutie van de Hasseltse Jonge Klauwaarts vanaf 1968 was daarvan een mooi voorbeeld.

1. Focus op de Herkimwerking

De gebeurtenissen in Leuven en het in mei 1968 oplaaiend internationaal studentenprotest leidde tot een vrij plotse en ingrijpende mentaliteitsverandering in de bond. Het terrein daartoe was in de voorgaande jaren weliswaar geëffend door de meer open en vooruitstrevende sfeer die er onder de directie van Van Keer in het Sint-Jozefscollege was gegroeid. Van Keer had de ramen opengegooid. Hij gaf de leerlingen meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid. Door de oprichting van een democratisch verkozen schoolraad {1965) en een leerlingenparlement (1966) verleende hij leraars en leerlingen daadwerkelijke inspraak in het schoolbeleid(5). Dat alles maakte de Hasseltse collegeleerlingen, die nog altijd de grote meerderheid vormden onder de Jonge Klauwaarts, ontvankelijker voor de sterke democratiseringsgolf die over het land sloeg.

De eerste signalen van de mentaliteitsverandering in de bond vangen we op in de zomer van 1968. In juli hield de hoofdleiding tesamen met oudere leiders en leidsters een bondsraad te Kiewit. Er werden de volgende besluiten genomen:

«1. Jeugdbeweging is geen tijdverdrijf, maar een noodzakelijke vorm van opvoeding en heeft een taak van informatie en actie in school en maatschappij.
2. In een gemengde wereld is het noodzaketijk en normaal een gemengde werking te hebben. Wij komen in protest tegen verouderde opvattingen, wij komen in protest  tegen een verdorven bourgeois-mentaliteit van flirten, cafë en  dancings aflopen. Samen met V.K.S.J. zoeken wij naar een zinvolle samenwerking.
3. Wij zullen de structuur van de bond aanpassen aan de nieuwe eisen.
4. Wij hebben geld nodig en mogen niets onverlet laten om het te verdienen.
5. Wij verlangen een nog betere samenwerking met de ouders en besluiten tot oprichting van een oudercomité.
6. Wij zullen trachten baanbrekend werk te blijven leveren voor de gouw Limburg (6).» 

De gemengde werking kende bijgevolg een belangrijke doorbraak in 1968-1969. De oudersbrochure van september 1968 richtte zich tot leden van zowel de V.K.S.J. als de K.S.A. en bevatte verslagen van de grote-vakantiewerking in de verscheidene geledingen van Jonge Klauwaarts en Arendsvlucht(7). Beide bonden - alles bij elkaar meer dan driehonderd jongens en meisjes - werden samengevoegd en kwamen onder leiding te staan van één bondsraad, samengesteld uit vijf jongens: Jan Hertogen (nog altijd bondsleider), Luk Remans, Louis Sneyers, Michel Vandebeek (kassier) en Luk Roggen (secretaris), twee meisjes (Marleen Grauwels en Paula Hertogen), seminarist Felix Vandersmissen (hij zou op het einde van het schooljaar worden gewijd) en de proosten Edwin Lismont en Jan Nevens. De feitelijke gemengde werking beperkte zich tot de oudste geleding aan beide kanten: Hernieuwers (5e en 6e jaar van de humaniora) en Kimmers (Kern in milieu, 4e, 5e en 6e jaar van de humaniora) vormden voortaan één Hernieuwer-Kimgroep - weldra eenvoudig Herkim genoemd - begeleid door een gemengde leidersploeg. De jongere bannen: aan jongenszijde de Jonghernieuwers (3e en 4e jaar van de humaniora), de Knapen (1e en 2e jaar van de humaniora) en de Jongknapen (3e t/m 6e studiejaar), en aan meisjeszijde Jim (Jong in milieu, 1e, 2e en 3e jaar van de humaniora, pas in 1968-1969 zou er ook een Sim-groep gevormd worden) en Roodkapjes (3e-6e studiejaar) bleven nog gesplitst met aparte vergaderingen en een eigen leiding. Bij die leiding werd enkel aan grensoverschrijding gedaan bij de Jongknapen: alle drie de Jongknapenbannen werden aan de hoede van meisjes toevertrouwd, ook om reden van leiderstekort bij K.S.A.

Voetbal in de sneeuw op de speelplaats van het sint-Jozefscollege, Jonghernieuwers, februari 1969

Het lag in de bedoeling om af te stappen van het traditionele leidersbeeld, waarbij de leider vertrok van een reeks opvattingen over de jeugdbeweging die hij aan de leden oplegde. Het nieuwe leiderstype dat in oktober 1968 naar voren werd geschoven was dat van de «begeleider» die vertrok vanuit de behoeften en voorkeur van de leden om zo tot «een levensechte groepsvorming en -beleving» te komen.

De nieuwe aanpak spitste zich vooral toe op de Herkimwerking, die immers in de ogen van de leiding de «voornaamste groep in de bond » vormde. Het was een idee dat blijkbaar ook elders in Limburg leefde want op 15 en 16 februari 1969 richtte de gouw een speciaal weekend in voor Herkimleiders. In de lijn van wat in Hasselt en andere Limburgse bonden gebeurde werd er ook gesteld dat de Hernieuwerban niet alleen mocht gericht zijn op interne groepsvorming maar evenzeer op maatschappelijk engagement. Aan de hand van het Hasseltse voorbeeld bezorgde Jan Hertogen er een richtinggevende nota - die daarna verscheen in Richten - over een evenwichtige verdeling tussen enerzijds het speelse, gezellige en creatieve element in het activiteitenprogramma en anderzijds het meer ernstige aspect: «gesprek, discussie, aandacht voor de actualiteit, een kritische houding aannemen tegenover wat er in ons milieu gebeur (8). Zo waren de Hasseltse Herkimmers tijdens het eerste trimester een tienlal keren samengekomen. «Democratisering van het onderwijs, Ford Genk, volksdans, zang, een boeiende tocht, sport, 11-11-11, Toon Hermans, de kleinkunstavond, ... en het zomaar gewoon samenzijn en met elkaar spreken hebben dit eerste gedeelte van de werking inhoud gegeven» luidde het verslag.

In het voorjaar 1969 stapte de Hasseltse bondsleiding af van het traditionele concept van de oudersbrochure met nieuws over de werking in de verschillende bannen. In de plaats daarvan verscheen een thema­nummer, dat gans gewijd was aan de problematiek van de «gemengde werking». Het heette dat de jeugdbeweging in een tijd van veranderende opvattingen over seksualiteit en lichamelijkheid een alternatief moest bieden voor de gecommercialiseerde «fuifcultuur», waarbij jongens en meisjes elkaar ontmoetten in een onnatuurlijke droomsfeer en «ontspanning» leerden geijkstellen met zinnelijke prikkels. De bond had vanuit die overwegingen besloten om dat jaar geen thé-dansant meer te organiseren, al was dat een harde klap voor de kas. Bij de uitbouw van een gemengde Herkim zou de klemtoon integendeel liggen op samenwerken, zodat jongens en meisjes elkaar in hun hele persoonlijkheid zouden leren kennen en appreciëren. «Het gemengde mag niet «om het gemengde gezocht worden. We leven doodgewoon gemengd» luidde een ander principe. Voor de leden betekenden die eerste gemengde contacten nochtans een allesbehalve «doodgewone» ervaring. In diezelfde oudersbrochure werden uitspraken geciteerd van Herkimmers bij hun terugblik op hun gezamenlijke gespreksronden tijdens het eerste trimester. Er bleek uit dat tussen beide groepen nog een afstand te overbruggen viel, waarbij de meisjes een zekere schroom en maatschappelijke desinteresse moesten overwinnen, terwijl de jongens onbewust wat last hadden van een als vanzelfsprekend overkomend superioriteitsgevoel.

N.a.v. het kamp in Retie, waar alle bannen zouden kamperen maar elk op een ander tijdstip, verscheen in de zomer 1969 een tweede themanummer gewijd aan «Vakantie en de kampen». Het kamp werd erin door Felix Vandersmissen aangeprezen als een opvoedingsmiddel dat alle opvoedingsterreinen bestreek: sport, muziek, handvaardigheid kwamen er uitvoerig aan bod. De jonge deelnemers leerden er «hun plan trekken" en doorzetten. Ze vonden er bovendien een midden waarin ze een "levensecht geloof» konden beleven en waar ze leerden leven voor elkaar. Ze konden er - rekening gehouden met de specifieke behoeften van iedere leeftijdsgroep - hun eigen gemeenschap uitbouwen tot een «maatschappij» waar het goed is om leven». Volgens de sedert jaren opgebouwde traditie muntten de kampvoorzieningen uit door perfectie en zorgde een stevig uitgebouwde leiders-, crea- en dienstenploeg ervoor dat er op het kamp niets zou verkeerd lopen. Sommige ouders vonden het misschien niet zo aangenaam dat er voor hen, tegen de gewoonte in, geen bezoekdag werd voorzien, niet alleen omdat het praktisch onmogelijk was om deze voor al de opeenvolgende kampen te organiseren, maar ook omdat hun aanwezigheid op de kampen «ongewenst» was, zoals proost Edwin Lismont het in de brochure schreef. Voor het merendeel van de deelnemers waren zij immers vreemden, die het kampleven kwamen storen. Het zou in de toekomst normaal worden dat er enkel op de drie- tot vierjaarlijkse bondskampen, waar dus alle bannen gezamenlijk aan deelnamen, een dag voor ouderbezoek zou worden ingelast.

Dat de bond trouwens wel veel belang hechtte aan een goed contact met de ouders bleek o.m. uit de avond die in de eerste maanden van 1969 was belegd voor de ouders van leiders en leidsters. Op 1 mei was - ter vervanging van de afgeschafte kampbezoekdag - bovendien een grootse ouderdag voor leden uit alle bannen gehouden op de Rooierheide te Diepenbeek, met show-nummertjes, een picknick en een toespraak van vicaris-generaal Schruers over het belang van de jeugdbeweging. Bondsproost Lismont lichtte daarna de gemengde werking toe. Dit gevoelige thema was eveneens al uitvoerig aan bod gekomen op de ouderavond voor de leidersploeg en ook hier was gezorgd voor de aanwezigheid van een «hogere autoriteit» in de persoon van gouwproost Guido Plessers, die er het woord voerde en als gespreksleider optrad. Intussen hadden de Herkimleiders Jan Hertogen en Marleen Grauwels hun werking ook voorgesteld op een K.S.A.-«gouwstaf» - of werd hier het hoger vermelde week­end voor Herkimleiders bedoeld? - waar ze «zeer gunstige reacties» hadden ontmoet. De diocesane leiding van V.K.S.J. liet weten eveneens positief te staan tegenover de werking, hoewel ze aanvankelijk wel wat sceptiscisme aan de dag had gelegd en vond dat er «voorzichtigheid geboden» bleef. Die opmerkingen hadden vermoedelijk meer betrekking op het experiment van de gemengde werking dan op de maatschappijkritische toer die de bond opging.

Wat dat laatste betreft poogden nationale en gouwleidingen van K.S.A. de evolutie te volgen. Tege moetkomend aan de sterke democratiseringsgolf onder middelbare scholieren was in 1968 de Commissie voor Democratisering van het secundair onderwijs (C.D.S.O.) van start gegaan en werden in de meeste provincies in het begin van het schooljaar 1968-1969 d..o....e..-dagen voor middelbare scholieren ingericht. In Limburg werd de zaak begeleid vanuit de Werkgroep voor Schoolgemeenschap, een organisme waarin jeugdbewegingen, de werkgroep Schoolpastoraal, schooldirecties, leraars en leerlingen vertegenwoordigd waren en dat in zijn geheel ressorteerde onder de K.S.A., met gouwleider Gerard Aerts als voorzitter. Het was in feite een voortzetting van de christelijk gerichte milieuwerking die K.S.A. en schoolpastoraal in de voorgaande jaren o.m. via de «Open gespreksdagen» hadden ontwikkeld, maar dan op een meer intensieve wijze en met een sterkere klemtoon op democratisering. Zo vonden in de loop van 1968-1969 o.m. dagen voor klasverantwoordelijken en schoolverantwoordelijken en een weekend voor school afgevaardigden plaats. Vanuit de Werkgemeenschap werd ook gestreefd naar oprichting van kerngroepen (bezinningsgroepen) in de scholen(9).

Voor K.S.A. zelf werd door dezelfde mensen - gouwleider Gerard Aerts, gouwproost Guido Plessers en op de achtergrond vicaris Schruers - nagedacht over een hervorming van Hernieuwerwerking, inspelende op wat er daarrond niet alleen in Hasselt, maar ook in andere Limburgse K.S.A.-bonden leefde. Het eerder aangehaalde weekend voor Hernieuwer(-Kim)-leiders in februari 1969 was daartoe een aanzet. Elementen van wat daar door mensen uit verscheidene bonden werd naar voren gebracht waren terug te vinden in de werktekst Naar een vernieuwde Hernieuwerban ... Een beeld van een ideale Hernieuwerwerking, die op de Limburgse startdagen van 30 augustus 1969 te Neerpelt door de gouwleiding aan de Limburgse leiders werd voorgelegd. Daarin werden zes basisprincipes voor de Hernieuwerwerking aangereiktl en toegelicht: groepsbeleving, speelse en creatieve levenssfeer, studie en informatie, maatschappelijk engagement, werking in het schoolmilieu, christelijke inspiratie.

Het geheel ademde een specifieke geest die ook was terug te vinden in teksten van de Limburgse Werkgroep voor Schoolgemeenschap evenals in de studietekst  De leider als kristen jong student die zopas nog in functie van de K.S.A.-leidersvormingsdagen van juli 1969 in Heusden was opgesteld. We vinden er telkens opnieuw dezelfde waarden in geaccentueerd: godsdienstige verdieping, mentale reconversie, sociale belangstelling en engagement, de taak van intellectuelen als "jonge geestesarbeiders»(10). Het waren waarden die Schruers al in de jaren vijftig, als proost van de Jonge Klauwaarts, had hooggehouden in de Hasseltse bond. Ze lagen aan de basis van zijn concept voor milieuwerking en Schoolpastoraal in de Limburgse colleges dat hij, als gouwproost en daarna als vicaris, uitwerkte in de loop van de jaren zestig. Hij bleef er ook trouw aan doorheen deze periode van de contestatie, tesamen met zijn opvolger als gouwproost, de ex-Jonge Klauwaart Guido Plessers. In hoeverre vonden deze waarden nog aansluiting bij de nieuwe generatie van Jonge Klauwaarts?

2. Maatschappijkritiek

In de zomer 1969 bevond de Hasseltse bond zich, wat zijn maatschappelijke opstelling betrof, nog volop in een stroomversnelling, samenhangend met de verdere evolutie van de Leuvense studentenbeweging. In de loop van 1968-1969 was er tegen de Leuvense academische overheid gestaakt en actie gevoerd voor het verkrijgen van informatierecht. SVB (studentenvakbeweging), de organisatie die de meest radicale studenten achter zich schaarde sloeg datzelfde jaar een marxistisch-leninistische koers in en vond aansluiting bij de arbeidersstrijd, o.m. in de Ford-staking te Genk in de herfst van 1968. Tijdens de vasten 1969 ontstond bovendien uit verscheidene Leuvense werkgroepen en actiegroepen in gemeenten en scholen de Derde Wereldbeweging die zich kritisch opstelde tegenover de (officiële) 11-11-11-actie, sympathiseerde met bevrijdingsbewegingen én met de arbeidersstrijd in eigen land. In de loop van 1969-1970 zou de linkse agitatie een nieuw hoogtepunt bereiken rond de Limburgse mijnwerkersstaking van januari 1970, die gesteund werd door Leuvense studentenverenigingen, Derde Wereldbeweging en SVB. Vanuit deze laatste vereniging werd in Limburg de maoïstisch gekleurde Mijnwerkersmacht opgericht (11).

Deze gebeurtenissen, waarbij verscheidene leiders van de bond via de Leuvense studentenbeweging persoonlijk betrokken waren, en die voor een deel hun actiecentrum in Limburg hadden, dreven de werking verder in maatschappijkritische richting. Op de bondsraad van einde juli 1969 werd de «democratisering van de bond» als speciaal studiepunt voor het volgend kampjaar naar voren geschoven. Van 5 tot 12 augustus trokken Herkimmers o.l.v. Jan Hertogen en Marleen Grauwels op een achtdaagse fietstocht Hasselt-Melveren-Antwerpen, waarbij ze contact wilden leggen met «mensen en realiteiten van een gans ander milieu». In de natuurlijke omgeving van het kasteeltje van   Melveren vonden ze elkaar gedurende enkele dagen in bezinning en gesprek over thema's als «gezag en macht», «gezag en liefde» en «creativiteit». In de Antwerpse grootstad verkenden ze het industrie- en havengebied, gingen ze in groepjes «vrije confrontaties» aan met «een advocaat», «een jood», «een verzekeringsmaatschappij» en enkele Latijns-Amerikaanse ambassades. Op een morgen woonden ze de dagelijkse aanwerving van dokwerkers bij en voerden ze gesprekken met deze mensen en met de directie. Ze zochten ook contact met kunstenaars en streken op een avond neer in de alternatieve Muze-kroeg, waar ze gesprekken met andere bezoekers aanknoopten(12).

Enkele weken later, op 28 augustus 1969, dat was twee dagen voor de Limburgse K.S.A.-startdagen in Neerpelt, waar, zoals hoger vermeld, de gouwleiding haar voorstel tot een vernieuwing van de Hernieuwer-werking zou voorleggen, woonden de Hasseltse Her-kimmers bovendien nog een andere startdag bij, namelijk de «startdag voor een geëngageerde derde wereld aktie van en door de jeugd» die zou plaatsvinden in «boksinstuif», de kelderverdieping van de vooruitstrevende normaalschool Sopeac in Bokrijk. Het was in feite de startdag voor de Derde Wereldbeweging Limburg, een initiatief dat mee gedragen werd door Kris Hertogen. Jan Hertogen voerde er voor de meer dan driehonderd aanwezigen het woord namens K.S.A. Vanuit de vaststelling dat derde wereldlanden verdrukt werden door Westerse politieke en financiële structuren pleitte hij ervoor om los te komen van het «vrijblijvend jeugdbeweginkje spelen», fundamentele vragen te gaan stellen over «onze opvoeding en opleiding op school en thuis» en op reële wijze solidair te zijn met uitgebuiten in de samenleving. «Wanneer de Hernieuwer-Kimwerking er niet in slaagt hierop in te haken verwordt ze tot één van de luxes die onze samenleving zich zo veelvuldig kan permitteren»(13).

Vanuit deze optie werd de Hasseltse bondswerking in 1969-1970 aangevat. De themabrochure over «Zin en achtergronden van de jeugdbeweging», die bij het begin van dit nieuwe werkingsjaar verscheen betitelde het voortdurend stellingnemen tegenover maatschappelijke ontwikkelingen als de motor van de jeugdbewegingswerking. Bij deze steliingname wilde de bond vertrekken van «een filosofie waar het geluk van de mens centraal staat, wat veronderstelde dat mensen zich liefdevol en belangeloos inzetten voor anderen en meer belang hechtten aan «zijn» dan aan «hebben»

Daarentegen zagen de jongeren in hun omgeving en in de grote wereld «machtsverhoudingen aanwezig die mensen dood maken of klein houden... In de wereld waren er «tegenstellingen tussen rijke en arme landen, de schandalige uitbuiting, oorlog, racisme», er was honger en onrecht, er was de gruwelijke strijd in Vietnam en de uitmoording van Braziliaanse Indianen uit schrik dat ze in communistische invloedssfeer zouden komen. Intussen was het ook duidelijk wie er in de «Westerse consumptiemaatschappij» de lakens uitdeelde. De producenten knipten er de mensen een materialistisch leefpatroon voor, stelden de mens en zijn arbeid in functie van de produktie in plaats van omgekeerd, en lieten de immateriële behoeften als «vrijheid om zijn leven zelf op te bouwen, gezondheid, leefbaarheid van het milieu», en creativiteit in het werk onbevredigd. Jonge mensen werden «klaargestoomd» voor een diploma zonder enige kennis op te doen van de situatie van de arbeiders waaraan ze, gezien hun voorbestemming als intellectuelen, straks zouden leiding geven. Pedagogen en jeugdleiders mochten dan «mooie termen» hanteren als «vrije expressie, zelfvorming, kritische instelling, persoonlijkheid, democratische geest», dat bleek voorlopig weinig indruk te maken op de «onderwijspotentaten».

Hoofdschuldige voor dit verwerpelijke maatschappelijk bestel was - nog steeds volgens de bondspublicaties van 1969-1970 - het liberaal kapitalistisch systeem dat de «zogenaamd vrije wereld» beheerste. Het manoeuvreerde de «zogenaamde democratische instellingen», hield aan de burger de schijnwereld voor van de reclame, suste zijn geweten door groots opgezette liefdadigheidsacties, drong hem een passieve, consumptieve levenswijze op, zodat hij 's avonds wegzakte in zijn zetel, onverschillig of hoogstens met een gevoel van onmacht tegenover al de onmenselijkheid die hem via de beeldbuis werd voorgeschoteld.

De Kerk vormde een onderdeel van dit systeem en ging hier niet vrijuit. Zij werd getekend door interne machtsverhoudingen, sloot de ogen - mits hier of daar een loffelijke uitzondering - voor praktijken van «lieden, die zich christenen noemen» maar die profiteerden van oorlog en uitbuiting in derde wereldlanden en toonde zich bij moordende gruweldaden van Westerse legers enkel bekommerd om de zonde tegen de onkuisheid. De eerbied voor de kerkelijke hiërarchie, ooit één van de pijlers in de Katholieke Actie­werking, had hier plaats gemaakt voor kritische bevraging, zoniet een afwijzing van het «instituut». Met de woorden van de Franse marxist Roger Garaudy werd de hoop uitgesproken op «een omkering» in de maatschappelijke opties van de Kerk, zodat «niet langer het socialisme in zijn diepste wezen en het kapitalisme in zijn uitwassen wordt veroordeeld, maar het kapitalisme in zijn diepste wezen en het socialisme in zijn uitwassen».

De bond bleef evenwel vasthouden aan de «K» van K.S.A., al werd die letter liever ingevuld met «kristelijk» dan met katholiek. Stoottroep en het oratorium bestonden niet meer maar de leidersploeg hield - althans nog in 1968-1969 - na haar maandelijkse vergadering wel telkens een intens doorleefde eucharistieviering. In de Herkimwerking werd ruimte gemaakt voor «sterke momenten van gebed» en ook in het opstellen van de andere banprogramma's werd erop gelet om het godsdienstige aan bod te laten komen. Proost Lismont achtte het overigens heilzaam dat de jongeren afstand deden van de «onverantwoorde oververzadiging van religie, die ze in hun vroegere jaren hebben moeten ondergaan», dat de tijd voorbij was om «het godsdienstige overal op te plakken en te pas en te onpas af te komen met sacramenten, met preken en klerikale overheersing door een of meerdere proosten.»

De mate van godsdienstigheid werd immers niet bepaald door het aantal missen maar door de waarde van het christelijk engagement, m.a.w. de inzet voor een betere maatschappij. In die mate namen mensen ook deel aan het «bevrijdingsgebeuren» waarin Jezus was voorgegaan. Jezus bleef ook nu een voorbeeld voor de Hasseltse jongeren, «beleeft onze idealen ten volle, durft revolutionair zijn en ingaan tegen gevestigde machten en standen, durft het opnemen voor armen en verdrukten». In zijn navolging stelden de Herkimmers zich tot doel om de kant te kiezen van de uitgebuiten en verdrukten «ook al kan dat ver gaan.» De christelijke inspiratie verdiepte en verabsoluteerde hun maatschappelijk engagement. «Almachtige God» baden ze «sta niet toe dat wij onze ogen sluiten voor de grote problemen, dat wij onze oren stoppen voor het onrecht in de wereld. Wek in ons steeds opnieuw de grote verontwaardiging van Jezus Christus ... Maak van ons vrije mensen, zodat wij ons leven kunnen richten naar het essentiële, ook al grijpt dat diep in, in ons beroepsleven en onze maatschappelijke status». Dat laatste was een niet mis te verstane verwijzing naar de keuze die heel wat linkse studenten in deze tijd maakten om hun studies op te geven en het leven te gaan delen met de arbeiders in de fabriek(14). Het was een uiting van de soms onverbiddelijke trouw van deze generatie aan haar principes, waaraan menselijke gevoelens - van zichzelf of van hun ouders - desnoods ondergeschikt werden gemaakt.

Bezield door een gelijkaardig vuur stelden de oudste Herkimmers hun eerste trimesterwerking van 1969-1970 in het teken van de Derde Weretdproblematiek Op één van hun vergaderingen nodigden ze Jan Talpe en Pablo Franssens uit, twee progressieve priesters die een tijdlang in Latijns-Amerika verbleven hadden  en over de hun daar opgedane ervaringen kwa men vertellen. Enkele weken later brachten ze een bezoek aan het huis dat de Derde Wereldbeweging sedert augustus 1969 betrok in de Isabellastraat te Hasselt. In november trokken zij vervolgens de straat op voor een informatietocht met vignettenverkoop voor 11-11-11. Uit de gesprekken met de mensen, desnoods bij een glas cola met multinational-bijsmaak, concludeerden ze wat ze in feite al bij voorbaat wisten: «de gewone man kan overeenkomen met onze ideeën dat dit (de uitbuiting van de derde wereld) moet aangeklaagd worden, vermits men dan automatisch terugkomt op de eigen problemen, de gematigde middenstander is er ook mee akkoord maar «er is niets aan te doen», de gegoede burger schijnt overal communistische tendensen te vinden waar hun eigen privileges worden aangeraakt».

Op het leidersweekend in Mechelen-aan-de-Maas op 3-4 januari 1970, een ogenblik dat de mijnwerkersstaking in de lucht hing, werd een namiddag ingelast voor contact met mijnwerkers uit de streek. K.S.A.-V.K.S.J. was ongetwijfeld ook de drijvende kracht achter de Hasseltse collegeleerlingen die op 16 januari 1970 uit de school bleven om deel te nemen aan een betoging door de stad ten voordele van de stakende mijnwerkers. Onder de studenten en scholieren die in de volgende weken geld inzamelden en brood bedeelden aan deze mijnwerkers bevonden zich eens te meer leden van de Hasseltse bond. Mogelijk vormden deze activiteiten een beletsel voor de volledige uitvoering van het programma van het tweede trimester, dat overigens voor de oudste Herkimmers in het teken was gesteld van het toepasselijke thema «arbeid». Het zou - volgens de plannen - worden uitgewerkt met o.m. een bedrijfsbezoek aan Ford-Genk en een panelgesprek samen met de ouders. De andere helft van de Herkimmers zou zich intussen buigen over het thema «studie»(15). Tijdens de grote vakantie 1970 bereikte deze van vitaliteit bruisende Herkim-jaarwerking haar hoogtepunt met opnieuw, zoals in 1969, een fietstocht  Hasselt-Melveren-Antwerpen, waar o.m. contact werd gezocht met «de jeugdbrigade, met kunstenaars, met consuls, joden, dolle minas, nozems, middelheim, dokwerkers, haven, muze en nog vele anderen... Verslagen van deze gesprekken en contacten werden - zoals ook in 1969 was gebeurd - samengebracht in een verzorgde brochure.

Grote zorgvuldigheid in voorbereiding en planning bleef overigens een opvallend kenmerk in deze Herkimwerking. Leden ontvingen vooraf een uitgewerkt schema van de volgende vergadering. De uitnodiging voor de bijeenkomst van 4 oktober 1969 van Herkimwerking 1 zag er uit als volgt:

hn kim 1
4 oktober 1969

19h30 een kwartuurtje bezinning

maak mij dienstbaar zonder opdringerigheid
dat ik anderen helpen mag 
zonder hen te vernederen 
maak mij toegewijd aan de grond 
aan alles wat laag en onaanzienlijk is 
dat ik mag behartigen 
wat niemand behartigt 
en leer mij wachten, luisteren en zwijgen 
maak mij klein en arm genoeg 
om zelf geholpen te worden door anderen 
stuur mij op weg in deze wereld 
op zoek naar leeftocht, op zoek naar uw naam 
                                                    (oosterhuis)

19h45  het midden oosten

israel, egypte, jordanië
palestina
amerika, rusland
yoeseri hasmid, egyptenaar
zal ons hierin een inzicht verschaffen
lees bijhorende tekst grondig door*

21h15  we leren kwiksteppen (daar zijn we al mee begonnen)
         en een heel klein beetje walsen

22h    wat hebben we deze week gevolgd 
         wat is er volgende week te doen

22h15 einde

je positie geeft je nooit het recht om bevelen te geven
alleen de plicht om zó te leven 
dat anderen je bevel kunnen aksepteren
zonder vernederd Ie worden.

koos je je woorden goed 
welke indruk maakle je
dachten ze dat je een goede beurt wilde maken
enz.
zijn dat de vragen die je wakker houden?
                                    (dag hammerskjöld)

* Het Palestijnse probleem,  opgesteld aan de hand van Reflector

Al lag de klemtoon in 1969-1970 op de maatschappijgerichte activiteiten, toch bleef de bondsleiding in de programmatie ook acht slaan op de redelijke afwisseling met andere creatieve- of gezelligheidsactiviteïten als sport, zang, dans, kleinkunst, choreografie, beluisteren van poëzie of muziek. Zo bleef ze in zekere mate voortwerken in de lijn van het voorstel dat ze het jaar voordien, op het Herkïmweekend van februari 1969 had geformuleerd en dat Jan Hertogen daarna in Richten had gepubliceerd. Passages uit dat voorstel over het in stand houden van het creatieve en ludieke element in de werking waren trouwens letterlijk overgenomen in het concept voor een vernieuwde Hernieuwerwerking dat de gouwleiding op de K.S.A.-startdagen van augustus 1969 in Neerpelt had voorgelegd.

Het Beeld van een ideale Hernieuwerswerking dat de gouwleiding op die startdagen had gelanceerd, en waarmee ze probeerde de aan de gang zijnde evolutie in goede banen te sturen, legde echter toch fundamenteel andere klemtonen dan die in de Hasseltse Herkimwerking werden gelegd. Waar de gouwleiding opteerde voor concrete sociale inzet en «maatschappijgerichte» werking, die voor een verbetering van de wereld vooral heil verwachtte van bekering van mensen, kozen de Hasseltse Herkimmers voor een gepolitiseerde en maatschappijkritische werking, gericht op verandering van structuren. Terwijl de gouwleiding pleitte voor «haalbare opties» en «intellectuele wijsheid» wilden de Hasseltse jongeren liever «dwaze realisten» zijn en zetten ze zich af tegen hoogdravend intellectualisme Hoewel de gouwleiding zeer uitdrukkelijk de christelijke inspiratie, de geloofsverdieping en het gebed als uitgangspunt van de werking aanprees, werden deze elementen in de Hasseltse bond wat minder geprofileerd.

Vele andere Limburgse bonden zaten trouwens op datzelfde maatschappijkritische spoor als Hasselt en kozen soms voor nog radicalere actiemiddelen. Uit een verslag van de gouwleiding bleek dat 1/3 van de Limburgse K.S.A.-bonden de 11-11-11-actie in 1969 eenvoudigweg had geboycot, terwijl andere groepen zich beperkt hadden tot het geven van informatie over de problematiek van de Derde Wereld (16). Hasselt had hier blijkbaar nog geopteerd voor een mildere vorm, door het geven van informatie nog te blijven koppellen aan vignettenverkoop.

Naast Herkim bleven intussen ook de jongere bannen van de Hasseltse bond verder werken. Sport, spel, verhaal, tochten, knutselronden, m.a.w. de typische jeugdbewegingsactiviteiten vulden praktisch hun hele programma. Hoewel ze relatief aan belang moesten inboeten tegenover de oudste geleding toch behielden ze een duidelijke functie in de bond. «De lagere geledingen zijn een belangrijke basis en voorbereiding op het bewustzijn en engagement dat gevraagd wordt binnen de Herkim, binnen de school en de samenleving. Doorheen programma's, activiteiten, doorheen het groepsleven wordt een waardepatroon doorgegeven waarop kan voortgebouwd worden wanneer deze mensen vijftien, zestien jaar worden, wanneer zij nl. bewust gaan leven», stond te lezen in de Oudersbrochure over «Zin en achtergronden van de jeugdbeweging».

Politisering van de werking bij de Jongknapen. Een verhaal rond de Derde Wereldproblematiek, 1969

Speelsgewijze werden jongere leden daarom attent gemaakt op maatschappelijke problemen. Jonghernieuwers maakten kennis met het leven van foorkramers en leerden een onderscheid maken tussen commerciële en andere muziek. De Knapenwerking werd in hef teken gesteld van de Euromarktdagen en Jongknapen leerden de waarde van onderlinge samenwerking kennen door samen te bouwen aan een ruimtetoestel. Romain Vanhoudt, de oudere achter de Jongknapenban, die actief was in de Derde Wereldbeweging, bracht voor deze jongeren ook een poppenspel rond de Derde Wereldproblematiek en publiceerde dat in hun banblad. Het belang van de Jongknapen 3. Het was het verhaal van Zwiebertje en Zwabbertje op Cuba, waarin «mijnheer Fideel» de uitbuitende speelgoedfabrikant Rijkaard uit zijn land verdreef(17).

In de Knapenban was er van deze maatschappijproblematiek integendeel «weinig of niets» te merken, althans volgens een getuigenis van het toenmalige lid Paul Delwiche. Hij herinnerde zich van de werking in 1969-1970 vooral de tweedaagse fietstocht in het voorjaar naar Heur-le-Romain o.l.v. knapenleider Tony Keunen en het riskante hypnose-experiment dat ze er 's avonds meemaakten. Op het kamp in de zomer van 1970 te Dilsen, waar opnieuw alle bannen zouden kamperen in verschillende periodes, bracht Felix Van-dersmissen de Knapen een valtechniek bij zodat zij zonder breuken van de gesjorde toren konden springen, terwijl leider Keunen hen met stafkaart en kompas leerde werken. "Zodra hij zag dat wij ermee weg waren stuurde hij ons met de stafkaart op stap. De tocht leidde naar de Woutersbron te Opglabbeek, waar we, na een stevige baggermatch een duik in het water deden". Bij een spel rond een voorgewende fourage-diefstal «geraakten de gemoederen zodanig verhit» dat het bijna tot handtastelijkheden kwam met één van de kampleidsters. «Het spel zat zodanig goed in elkaar dat we er allen in gelopen waren». Jongere leden vonden in de bond nog altijd de aantrekkelijkheden van een jeugdbeweging.

Niettemin groeiden er vragen  rond de werking Ouders, die nog maar net of nog niet de stap naar een gemengde Herkimwerking hadden verwerkt moesten er nu ook de in de oudersbrochures onverbloemd naar voren gebrachte maatschappijkritiek bijnemen. De leiding gaf  hen wel «inspraak»  door de inrichting van ouderavonden en door hen - een nieuwigheid in 1969-1970 - zelfs uitdrukkelijk uit te nodigen op de vergaderingen van de bondsraad. Maar in zoverre hier al geen dovemansgesprek werd gevoerd, boden deze mogelijkheden toch meer een uitlaatklep dan een  oplossing voor hun kritische vragen: «Is er wel genoeg begeleiding? Ook van volwassenen? Kan de leiding (vanuit Leuven)  voldoende contact houden met de jongeren? Wat is nu het juiste onderscheid tussen Derde Wereld­beweging en K.S.A.-V.K.S.J.? Wordt er niet te éénzijdig   gewerkt? Maakt men geen «communisten» van onze zonen en dochters?» Allemaal bezwaren die op ouderavonden naar voren werden gebracht. De Hasseltse Derde Wereldbeweging, met haar huis in de Isabellastraa  was formee  wel volledig gescheiden van K.S.A.-V.K.S.J.,  maar dat werd onduidelijk gemaakt door de persoonlijke banden die er - via enkele leden of oud-leden - tussen beide organisaties bestonden (18).

Het wantrouwen bij de ouders, gecombineerd met een functieverlies van de jongere bannen, had merkbare gevolgen voor de ledencurve. Tussen 1968 en 1970 daalde het ledenaantal bij de Jongknapen van 68 naar 24. Mogelijk had de ideologische opstelling van de bond ook iets te maken met het loshaken van de Roodkapjes (van 1e tot 5e studiejaar). Ze werden in 1969-1970 een onafhankelijke schoolafdeling o.l.v. Zuster Vicky Peetcrs bij de Blauwzusters in de Persoonsstraat(19). Vanaf het zesde studiejaar konden de Roodkapjes dan aansluiten bij de Jim 1-groep van de bond o.l.v. Ghislaine Knaepen en Ingrid Janssenst. Er bestond aan meisjeszijde verder nog een Jim 2-groep (1e en 2e jaar humaniora) en nu ook een Sim-groep (Samen in het milieu, 3e en 4e humaniora) Misschien werd op dat moment niet zo zwaar getild aan het ledenverlies bij de jongste bannen, wegens de aandacht die besteed werd aan de + 16-werking. Daar lag trouwens ook het zwaartepunt in het Limburgse gouwbeleid van dat ogenblik(20).

3. Contestatiemoeheid

Jan Hertogen, die van 1965 tot 1970 het gezicht van de bond had bepaald, werd in 1970-1971 als bondsleider opgevolgd door Luk Remans. Het bondspresidium bestond verder uit de Herkimleiders Herwig Janssens, Lieve Grauwels, Liliane Miermans, Mark Journée en Robin Nelissen. Naast proost Edwin Lismont fungeerde al sedert 1969-1970 collegeleraar Paul Truyers als proost voor de lagere bannen. In 1970-1971 kwam bovendien gouwproost Guido Plessers tijdelijk de Herkimwerking mee begeleiden, mogelijk een uiting van de bezorgdheid c.q. de verontrusting die de bondswerking in het Hasseltse had opgewekt. Maar de tijdsomstandigheden wijzigden zich. De studentencontestatie heette «over zijn hoogtepunt» heen te zijn (21). Haar meest radicale vleugel kanaliseerde zich in november 1970 in de politieke formatie Amada, die via haar jon­gerenorganisatie MLB (Marxistisch-Leninistische Beweging) haar aanhang probeerde te continueren in de studenten- en scho!ierenwereld(22).

Tegen deze achtergrond en gezien het «vrij woelig jaar» dat K.S.A.-V.K.S.J.-Hasselt achter de rug had wilde de nieuwe bondsleider Luk Remans bij het begin van 1970-1971 klare wijn schenken over «het politieke aspect van de beweging». Jeugdbeweging, schreef hij, was op de eerste plaats een opvoedingsmilieu. Het was bijgevolg niet haar taak om op te treden als drukkingsgroep en rechtstreeks in te grijpen in het maatschappelijk gebeuren. Anderzijds wilde de bond toch verder gaan dan een «puur emotionele benadering van de sociale problemen» door ruimte te maken voor een kritische vraagstelling en een politiek denken. Met de woorden die nationaal proost Roger Debaillie had uitgesproken op de startdagen te Neerpelt van augustus 1970 werd verder onderstreept dat de beweging vasthield aan haar kritische en dynamische functie in een banale en onverschillige maatschappij, «zonder toegevingen te doen om een hoger ledenaantal te hebben en het spel van de middelmaat  mee te spelen». Trouw aan de «kerk van de exodus» wilden de leden het evangelie waar maken door «zowel sociale hervorming als bezinning en gebed», want «een christendom zonder gebed of liturgie is geen christendom».

De bondswerking bleef in 1970-1971 doortrokken van de geest van '68. Woorden als «consumptiemaatschappij», «verroeste structuren», «engagement», «macht», "materialisme», «provocatie», «hongerstaking», «onderdrukking», «verburgerlijking», «protest», «consequent», «betere wereld» behoorden tot de natuurlijke woordenschat van de bondsredacteurs. Het kamp werd beschreven als een «utopia», «de plaats waar het onmogelijke van het dagelijks teven wordt mogelijk gemaakt». Creativiteit kreeg een maatschappij-betrokken invulling: het vervangen van een consumptieve levenshouding door de opbouw van een «alternatieve gemeenschapsvorm», het verwerken van materiaal tot eigen kultuurschepping.

Een geest die wortelde in '68 dus, maar die zich toch op een andere wijze manifesteerde dan het voorgaande jaar. Toen klonk het «afzetten tegen» feller door, nu werd in een mildere toonaard, in een poging «vechtlust en tederheid te combineren», gezocht naar een concretisering van nieuwe inzichten in een bepaalde levensstijl en sociaal engagement, zonder duidelijke vertaling naar politiek. Zo werden er in de loop van het jaar door de verscheidene bannen optredens verzorgd voor zieken in de Salvatorkliniek, voor spraakgestoorden in het Sint-Jozefsinstituut en voor gehandicapten in Peer. Herkimmers werden ook aangespoord deel te nemen aan de door de gouw ingerichte «sociale stages» in het vakantiepatronaat of het huis Bethanië voor sociaal-verwaarloosde kinderen te Genk. De 11-11-11-actie werd anderzijds op dezelfde wijze opgevat als het voorgaande jaar, met verkoop van vignetten, gekoppeld aan informatie.

Dat laatste was wel besloten na «hevige discussies» binnen Herkim. In deze oudere ban, bestaande uit wel 53 leden, heerste dit jaar een crisissfeer. Terwijl het voorgaande jaar vooral de ouders in reactie gekomen waren tegen de maatschappelijk geëngageerde werking begon die nu los te komen bij leden zelf. De oppositie tegen de door de bond gevolgde koers vloeide voort uit verscheidene beweegredenen: een afwijzing van het maatschappijkritische, soms als « marxistische indoctrinatie» gebrandmerkte uitgangspunt van de werking, een verzet ook tegen de grote inzet die van de leden werd gevraagd voor de bond, zodat sommigen het gevoel kregen geen ruimte meer te hebben voor engagement in klasverband of voor hun persoonlijke ontspanning. Uit reactie gingen een aantal Herkimmers juist meer de verdediging opnemen van de zo versmade «fuifcultuur». De bondsleiding kreeg ook af te rekenen met een weigerachtige houding bij sommigen om nog de verantwoordelijkheden van het leiderschap op te nemen. Deze houding werd mee in de  hand gewerkt  door de numerieke sterkte van de ban en de andere sfeer die er voortkwam uit de invoering van de gemengde werking. Terwijl in het verleden een meerderheid van Hernieuwers tegelijk ook een leiderstaak behartigde in één van de lagere bannen, gold dit nu maar voor een minderheid en waren andere bangenoten van die «last» vrijgesteld. Een derde, hoewel  minde  belangrijke rede  to  ongenoegen kwam voort uit de geleidelijke afbraak  an de jeugdbewegingssymbolen sedert de tweede helft van de jaren zestig. Enkelen verlangden de terugkeer naar het uniform(23).

Die tegenstellingen brachten scherpe discussies en een diepe verdeeldheid teweeg tussen Herkimmers onderling en in de leidersploeg. Guido Plessers, die geregeld de Herkimvergaderingen bijwoonde poogde de potten te lijmen door het beleggen van een Herkim-weekend einde december 1970 in het huis Bethanië te Genk. Het programma voorzag o.m. in een gesprek over «beroep en studiekeuze» en een sinds enkele jaren in onbruik geraakte «sociale exploratie», waarbij de leden, verdeeld in groepjes, een bezoek zouden brengen aan een ziekenhuis, ouden van dagen, gehandicapten, vreemdelingen. Het weekend werd afgesloten met een eucharistieviering in het teken van Welzijnszorg. In maart kwamen de Herkimmers opnieuw samen in een doorleefde Eucharistieviering voor hun overleden medelid Marc Roebben, die nog tot veertien dagen voor zijn dood de Herkimvergaderingen was blijven bijwonen(24). Dat alles leidde niet tot een betere bangeest. Op het einde van het jaar, in juli 1971, dreigden bondsleider Luk Remans en Herkimleiders Herwig Janssens, Lieve Grauwels, Liliane Miermans en Robin Melissen met ontslag omdat het hen niet mogelijk leek om nog langer hun leiderstaak volgens de eigen ziensw ijze uit te oefenen. Ze kregen daarop toch nog voldoende krediet om voor de grote vakantie een gemengd Herkimkamp in het Tirolse Lechtal te organisen, evenals het bondskamp in Holsteen-Zonhoven.

Naast de Herkimwerking drong zich in 1970-1971 de werking van de jongere bannen opnieuw meer op de voorgrond. Alles tesamen ging het om 2 Jongknapenbannen, 3 Knapenbannen die tegen Kerstmis werden gereduceerd tot 2, 2 Jonghernieuwerbannen, 1 Jim en 1 Simgroep. Oudersbrochures ruimden weer plaats in voor verslag en programmatie van deze geledingen en bovendien was er voor zowel Knapen als Jongknapen een regelmatig verschijnend banblad. Knapenleiders Michel Swerts en Rudi Decoutere verzorgden dat jaar een zestal afleveringen van Ons Knapeclantje, voorafgegaan door het eenmalig verschenen Ons Voortrekkertje, dat verlucht werd met tekeningen van longknapenleider Jan de Maeyer. Voor de Jongknapen zelf stelde Paul Marchal een tiental nummers samen van Het boemelke. In deze blaadjes klonk een sterke oproep tot vriendschap door. Ze waren trouwens het resultaat van groepswerk. Behalve de leiders leverden ook vele leden een bijdrage: een verhaal, een gedicht, een raadsel, een mop of een verslag van één of andere activiteit.

Een uitspringer in het gewone activiteitenpatroon bij de Knapen - sport, spel, knutselen, tochten e.d.m. - was o.a. de "onvergetelijke" tweedaagse naar Vliermaal. Hun sociale zin werd aangescherpt door een dia­montage over de nog altijd aanwezige, maar verborgen armoede bij sommige Hasselaars, waarmee ze enige weken later een rechtstreekse «sociale confrontatie» aangingen. Jongknapen knutselden een levensgrote helikopter in elkaar en maakten een uitstap naar de Antwerpse Zoo. S.O.S. natuur was trouwens een regelmatig terugkerende rubriek in de banbladen met uitleg over planten en dieren. De zorg voor het milieu bleek ook uit het attent maken van de jonge leden op lucht- en waterbezoedeling. Woudlopersvaardigheden werden in ere gehouden door een kroniekje over knopen.

In de zomer 1971 trokken alle bannen gezamenlijk op kamp naar Zonhoven. Dat was voor het eerst sinds Lanklaar (1967) en ook voor het eerst sinds de samenvoeging van K.S.A.-V.K.S.J.. De toenmalige Jonghernieuwer Paul Delwiche herinnert zich nog levendig hoe deze bende iedere dag  «een hele Volkswagencamionet brood verorberde». Jongens en meisjes waren van elkaar gescheiden door een brandgang, maar nieuwsjes raakten vlug verspreid door de editie van Het kampvlindertje. Felix Vandersmissen zorgde er voor enige sensatie toen hij onopzettelijk de heide in brand stak met een alarmpistool. Bij een dropping brachten de Jonghernieuwers het er al niet beter van af dan de Simmers. De jongens bleven wegens een gemiste post tot de morgen ronddwalen, terwijl de meisjes tot hun schrik op een militair domein terecht kwamen(25). Er was deze keer wel een bezoekdag voorzien met volksspelen, «een lekkere kampboterham en cacao of koffie». Op de grote slotsamenkomst keken alle bannen met een gevoel van tevredenheid terug op de voorbije dagen.

Bondskamp in Zonhoven (Holsteen), 16-26 juli 1971. Dans bij de dagopening.

In 1971-1972 - het jaar dat de bond geleid werd door Luk en Willy Remans, Lea Janssens en Martine Bertels - was het college niet langer de enige «thuis» voor de bond. Op het einde van het voorgaande jaar had hij een lokaal moeten afstaan, dat het college nodig had voor de inrichting van een klas, bij de overschakeling naar het V.S.O.. Herkim vond daarop een nieuw onderkomen in een huis dat Felix Vandersmissen gehuurd had aan de Kuringers teen weg 217 en dat al vlug gewoonweg «217» werd genoemd. In het begin van het nieuwe jaar werd met man en macht gewerkt om de nieuwe woonst in te richten tot het aanleggen van elektriciteit en verwarmingsinstallatie toe. Op het gelijkvloers bevond zich een keuken en een opslagplaats voor kampeermateriaal, op de eerste verdieping «een salon met geluidsinstallatie en een gezellige living», op de tweede verdieping «het secretariaat van K.S.A.-V.K.S.J., de volksdansgroep Patsjoepel en de interparochiale jeugdvolleybal» evenals nog een vergaderlokaal voor een 25-tal mensen.

Patsjoepel, een nu nog bestaande volksdansgroep, was al sedert 1969 o.l.v. Willy Remans vanuit de Hasseltse K.S.A. ontstaan en begon sedertdien geleidelijk aan een eigen leven te leiden, maar bleef toch voornamelijk samengesteld uit leden en oud-leden van K.S.A. De Interparochiale Volleybaklub Initia was eveneens op het einde van de jaren zestig ontstaan op initiatief van Felix Vandersmissen. Hoewel ze formeel geen banden had met K.S.A.-V.K.S.J.-Hasselt toch vond zij daar haar belangrijkste recruteringsbasis. Het lag in Vandersmissens bedoeling om tussen deze drie verenigingen - met gedeeltelijk dezelfde leden - een grotere organisatorische eenheid te creëren met een gezamenlijk secretariaat en onderlinge afspraken over de werking. Het project bleek niet haalbaar en dreigde een financieel debacle te worden. Einde 1971-1972 werd daarom de huur opgezegd en namen de Herkimmers opnieuw hun intrek in het college, waar ze de jongere bannen vervoegden(26). Edwin Lismont had intussen de bond verlaten en werd als proost opgevolgd door priester-leraar Jef Smeets.

Het was ook toen dat Felix Vandersmissen afscheid nam van de bond. Uit schriftelijke en mondelinge getuigenissen valt af te leiden hoe hij gedurende meer dan tien jaar, als ban- en bondsleider, verantwoordelijke voor leidersvorming of gewoon zonder enige officiële functie een onaantastbare positie had ingenomen in de bond. Hij had zijn stempel gedrukt op de perfectionering van de bondswerking. Zijn fysiek prestatievermogen was bijna spreekwoordelijk. Voor de leidersploeg werd hij na verloop van tijd bovendien een gewaardeerde hoewel soms harde mentor, die erbij was als er belangrijke beslissingen moesten genomen worden, die telkens opnieuw de jongeren aanzette om hun zaken ten gronde uit te praten om tot duidelijke standpunten en effectieve oplossingen te komen, die ook doorheen de periode van contestatie open bleef staan voor de ideologische evolutie van de bondsleiding, maar er tegelijk over waakte dat de bond niet vergleed naar een politieke drukkingsgroep en in eerste instantie zijn functie als jeugdbeweging bleef waar maken.

Het was mede daardoor dat de bond in de volgende jaren, tot in 1976, een goed functionerende jeugdbeweging bleef. De nieuwe leidersploeg die in 1972-1973 aantrad, bestaande uit o.a. Michel Swerts, Robbie Renier, Jean-Marie Schulpen en Vera Janssens, begon met een nieuwe geleding voor «Piepjongknapen», voor jongens van het eerste tot het vierde studiejaar. Ze werd toevertrouwd aan de leiding van Jos Vandeurzen. Parallel daarmee werd ook van start gegaan met een eigen Roodkapjesgroep, waarvan Lieve Persoons de leiding nam. De Roodkapjesgroep bij de Blauwzusters verwaterde immers snel sedert de verplaatsing van Zuster Vicky Peeters. De verlaging van de leeftijdsgrens voor toetreding werd noodzakelijk om de terugloop van het ledenaantal in de jongere bannen op te vangen. Want in 1971-1972 waren de Jongknapen verschrompeld tot één ban. De hervorming bleek vooral aan meisjeszijde tijdelijk succes te hebben: in 1974-1975 was hier al een onderverdeling in Roodkapjes, Pieproodkapjes en Pieppieproodkapjes. Deze laatste geleding werd evenwel al opnieuw afgeschaft in 1975-1976(27).

Deelname aan de Jeetee, een tweejaarlijkse provinciale Jonghernieuweractiviteit, april 1972

Pret tijdens een stadsspel in 1973

Al die bannen werden ingeschakeld in de al sedert 1968 ingevoerde en sindsdien traditioneel geworden wafelslag, die de kas elk jaar een flinke duit opleverde. Een andere groepsbevorderende, jaarlijks weerkerende activiteit was de Internationale Veldloop voor jeugdbewegingen in Antwerpen, de zgn. «cross», waarin de bond meestal eervolle resultaten behaalde. Er ging ook altijd heel wat voorbereiding aan vooraf. Maandenlang werd er op zaterdagvoormiddag door alle bannen getraind in het stadspark van 10 tot 12 uur. Jonghernieuwers bleven daarnaast trouw deelnemen aan de alternerende provinciale Jeetee en nationale Joepie. Vanaf 1973 waren ook de Hasseltse Simmers op deze nationale rally present. Hoogtepunten in de bondswerking in deze beginjaren zeventig waren nog o.m. het kerstfeest van einde 1973 in de leraarskelder van het college, waar een grote opkomst was van ouders en ook een hele groep van Patsjoepel was opgedaagd. Einde mei 1974 vond dan weer een gezellige bondsnamiddag plaats waar de jongere bannen een nummertje ten beste gaven en de ouders zich tnet zulk een inzet aan het touwtrekken overgaven dat het touw het begaf. Het was een activiteit waarbij het hele leiderskader en de niet-leiders van Herkim «geweldig samenwerkten».

Op de kampen bleek eveneens een goede geest te heersen: te Achel in 1972 waar jongere bannen om beurten kampeerden en de geit, die gedurende heel die tijd als mascotte op de kampplaats verbleef, zich bijna te pletter at, ook het goed georganiseerde en door Michel Christiaens, Jos Vandeurzen, Michel Swerts e.a. geleide kamp in Zutendaal in 1973. Oudere bannen kozen soms voor een andere kampvorm. Zo gingen Hernieuwers, Simmers en de oudste Jonghernieuwers in 1972 elk afzonderlijk voor een week op fietstocht. De Jonghernieuwers ondernamen daarbij vanuit Eupen een zoektocht naar het mysterieuze «Duivelsveld». Het waren ook Jonghernieuwers die in 1974 een innovatie binnenbrachten met een vlottenkamp op de Lesse. Sedert het einde van de jaren zestig bestond de gewoonte om van de kampen aantrekkelijke diamonta ges te maken die bij het begin van het nieuwe wer kingsjaar werden vertoond. Het was een dankbaar middel om nieuwe leden te lokken. Die traditie werd ijverig voortgezet(28).

Het leek er op dat de bond zich tussen 1972 en 1974 - in dat laatste jaar 1973-1974 geleid door de ploeg van o.m. Luk Hertogen, Els Keunen, Henri Houben en Lydia Bormans - meer op zichzelf keerde, met een nadruk op groepsbevorderende en speelse activiteiten. Dat werd als het ware veruitwendigd in de herschildering van de lokalen in de loop van 1973 1974 door Michel Christiaens, Michel Swerts, René Sporen en Paul Delwiche. ieder volgens zijn eigen smaak en creatief vermogen(29). Toch bleef de aandacht voor de maatschappij en zijn sociale noden in de Hasseltse bond aanwezig. Tijdens de Herkimvergaderingen kwam de derde wereldproblematiek aan bod zowel in spel als discussievorm. Op de kampen mochten telkens enkele sociaal-verwaarloosde kinderen uit het huis Bethanië meegaan.

4. Werken aan de nieuwe mens

Maatschappelijke betrokkenheid bleef de bond ook typeren tussen 1974-1976, de periode dat Michel Swerts zijn stempel op de bond drukte. In het eerste jaar leidde hij de bond tesamen met Ingrid Janssens, Lydia Bormans, Rita Keunen, Karel Hertogen en Magda Remans, terwijl Jef Smeets nog bondsproost bleef. Swerts behoorde tot de laatste generatie die de «stijl Vandersmissen» inzake leidinggeven nog op Herkimniveau, dus ook in de praktijk had meegemaakt. Hij wilde zich blijven plaatsen in die traditie, of er opnieuw bij aanknopen. In zoverre de bondswerking in het recente verleden enige verslapping mocht hebben gekend in organisatorisch of programmatisch opzicht, werden de teugels weer aangespannen. Een leidersweekend tijdens de grote vakantie 1974 te Rooierheide moest een succesvolle «nieuwe start" verzekeren(30).

Na een onderbreking van twee jaar kwamen in 1974-1975 opnieuw twee lezenswaardige oudersbrochures uit, waarin de structuur van de bond, de doelstellingen en de feitelijke activiteiten werden toegelicht. De bond telde op dat ogenblik, mede dank zij de verlaging van de leeftijdsgrens voor toetreding, nog altijd - of opnieuw - ruim tweehonderd leden, ondanks de steeds sterkere concurrentie die hij ondervond van andere ontspanningsmogelijkheden voor de jeugd, zoals diverse sportverenigingen, crea-groepen, volksdansgroepen, de «zaterdagnamiddagfilm of de TV» en de weekend-gezinsuitstappen(31). De banindeling zag er uit als volgt:

Jongens:
   Piepjongknapen (6-9 jaar)
   Jongknapen (9-12 jaar)
   Knapen {12-14 jaar)
   Jonghernieuwers (14-16 jaar) Meisjes:
   Piep-piep-roodkapjes (6-8 jaar)
   Pieproodkapjes (8-10 jaar)

Meisjes:
   Roodkapjes (10-12 jaar)
   Jim (12-14 jaar)
   Sim (14-16 jaar)

Gemengd:
   Her-Kim ( + 16 jaar)

Secretariaat, zorg voor kas en materiaal - met de jaren samengetrokken tot «Secremat» - waren onmisbare diensten geworden in de werking. De «Secrematters» voor 1974-1975 waren Frans Hendriks en René Sporen (in het tweede trimester opgevolgd door Fons Roebben).

In een uiteenzetting over de doelstellingen van de werking heette het dat «het dynamisme van een jeugdbeweging ligt in de betrokkenheid op het maatschappelijk leven». Andere fundamentele opties waren groepsvorming, zelfontplooiing, het bijbrengen van een verantwoordelijkheidsgevoel bij de jongeren, zowel tegenover henzelf als tegenover de anderen. De wijze waarop dat alles werd gerealiseerd bleek uit verslagen over de activiteiten van de verscheidene bannen tijdens het eerste trimester en de kerstvakantie van 1974-1975. De algemene doelstellingen werden uitgewerkt aan de hand van meer specifieke themata. Zo hadden de Simleidsters Dominique Brabants en Cecile Claes drie aandachtspunten vooropgesteld: «Jij en ik», «Bevrijding», «De anderen ontdekken in hun wereld». Er werd graag gebruik gemaakt van creatieve werkingstechnieken, zoals bij de kennismaking van de Pieproodkapjes: «ze mochten alles over henzelf op een groot blad plakken, tekenen, schrijven», rapporteerden hun leidsters Myriam Streignard en Annelies Schulpen. Onder de «culturele factor van ons programma" vielen o.m. een bezoek van Pieproodkapjes aan de poppenkastvoorstelling Jan weetal en zijn toverstok in het Cultureel Centrum en de filmvoorstelling De eenzame wolf voor de Roodkapjes.

Leidersweekend te Rooierheide, grote vakantie 1974.

Het merendeel van het programma was nog altijd gevuld met heel traditionele jeugdbewegingsactiviteiten als plein- en  stadsspelen, tochten, sport, knutselen, volksdansen en zo meer. Maar aan al die «gewone» activiteiten lag nu, explicieter dan ooit voordien, een bepaalde bedoeling ten grondslag. De werking van Jonghernieuwers, zoals ze beschreven  werd door hun leiders Jos Vandeurzen en Jan Keunen, was hierom een treffende illustratie:

„In het begin van het eerste trimester werkten we aan «groepsvorming» als achtergrond en hoopten op een daaruit voortvloeiende «zelfontdekking». Dit werd verkregen door onze vergaderingen te laten variëren zodat eenieder zich wel in één of andere activiteit kon laten gelden. In onze dropping bvb. werden de groepjes zo ingedeeld dat er vooral aandacht werd geschonken aan diegenen die voordien weinig contact hadden met elkaar. Ze moesten samenspannen om de nacht te trotseren. Dit had tot gevolg dat na de dropping ieder Jonghernieuwer wel enkele kameraden bijgewonnen had. Een ander voorbeeld was de voetbalmatch Jonghernieuwers-Herkim. Door hun inzet en samenspel is deze activiteit zeer goed gelukt. Een tegenvaller was de kwis waarin men individueel te veel lawaai heeft gemaakt. Dit belemmerde de groepsvorming. Alzo kreeg de groep inzicht in de capaciteiten en tekorten van elk individu apart, met als gevolg dat iedere Jonghernieuwer zichzelf ook leerde ontdekken. Hierdoor konden we vertrou­elijker met de groep omgaan en hebben we een revisievergadering gehouden die over het algemeen goed verlopen is.»

Evaluatie vormde inderdaad een onderdeel van deze goed doordachte werking en kon tot gevolg hebben dat het programma werd bijgestuurd. De Herkim-leiders Lydia Bormans, Karel Hertogen en Ingrid Janssens stelden aan het einde van het eerste trimester vast dat «we nog niet tot een hechte groep zijn gegroeid» en besloten daarop in de  activiteiten vooral het groepsvormend aspect aan bod te laten komen. «Een weekend op algemene aanvraag was een stap 'in die « richting». De Roodkapjesleiding berichtte: «We waren van plan te werken rond de natuur- en milieuverontreiniging. Dit d.m.v. onze matroos «Okki». Omdat dit (of de uitwerking ervan) niet zo goed meeviel hebben we het na een paar vergaderingen links laten liggen.» Enkele weken later werd het thema dan met meer succes opnieuw opgenomen. De Roodkapjes hielden van Okkis verhaal enkele eenvoudige boodschappen over: «geen papiertjes op de grond werpen enz.»

Ook de werking van Piepjongknapen, Jongknapen en Knapen stond in het teken van de doorlichting van het leefmilieu: school, huis, stad, natuur. Doorheen spel en verhaal maakte de leiding terloops allusie op enkele actuele hangijzers: de actie «tegen de 30 miljard» die de regering wilde spenderen aan gevechtsvliegtuigen, evenais de succesvolle campagne tegen de aanleg van de A24 ten koste van veel Limburgs groen(32).  De bondsleden bleven ook blijk geven van een concrete sociale inzet door hun "Sint-Niklaasactie», waarbij ze speelgoed verzamelden ten voordele van een Jongenstehuis in Lommel(33). Herkimmers sprongen daadwerkelijk in bij de actie «Help, de boer verzuipt», spanden zich weer in voor 11-11-11 en werkten ook rond de problematiek van de illegale gastarbeiders.

Voetbal in 1974: niet meer alleen voor jongens. Een ploeg van
Simmers  neemt het op tegen een ploeg voor jonghernieuwers.

Terugblikkend op die Herkimwerking oordeelde één van de leiders dat eerstgenoemde actie - waarbij jongeren hielpen bij een overijlde oogst op overstroomde velden - «voor 100% geslaagd » was, «juist omdat we toen vertrokken vanuit de interesse van de 16-jarige. Vanuit dit eerste contact (maïs kappen en bieten uitdoen) was het voor ons mogelijk om de situatie van de landbouwer in onze kapitalistische maatschappij met als uitbuiter de «Boerenbond» te bestuderen » De werking rond illegale gastarbeiders heette integendeel mislukt omdat ze te theoretisch was gebleven en geen aansluiting   had gevonden bij de behoeften van de jongeren. Anderzijds had deze werking de ervaring opgeleverd dat «vele jeugdigen volledig opgeslorpt zijn door onze consumptiemaatschappij, waar alles er louter op gericht is de verbruiker de meest zinloze dingen aan zijn been te lappen» en «zijn creatieve mogelijkheden aan banden te leggen», zonder dat er nog tijd overbleef voor «stilte en bezinning».

Uit deze vaststellingen werd het besluit getrokken dat de leiding in de toekomst zoveel mogelijk zou vertrekken vanuit de noden van de jeugdigen, maar dat ze tegelijk zou blijven proberen om hen tot kritische, creatieve, zelfstandige mensen op te voeden. Doorheen zijn maatschappijbetrokken werking bleek de bond op de eerste plaats begaan met het helpen creëren van een «nieuwe mens», begaan met het menswaardig houden van de wereld. Linkse accenten gaven hierbij de toon aan, maar van een afgelijnde politieke ideologie was geen sprake. «Linkse mensen, lieve mensen. Rechtse mensen, lieve mensen. Allemaal mensen» citeerde de oudersbrochure uit een tekst van de Bond zonder naam:

Stop de verdwazing.
Stop de blokvorming die leidt tot geweld!
Gebruik geen enkele mens als «schietschijf» voor je explosieve woordenarsenaal.
Je hebt twee handen, een linkse en een rechtse.
Steek één hand uit naar links en één naar rechts en verzoen de mensen met elkaar.
Het leven is veel te kort om lang met elkaar in ruzie te leven!

Dat alles had wel met geloof te maken, maar van een concrete vertaling naar het religieuze toe vinden we weinig sporen, in teksten noch in activiteiten. Niet dat er volledig aan werd voorbijgegaan. Rond Kerstmis 1974 wijdden Herkimmers een bezinningsronde aan de betekenis van dit kerkelijk feest. In de loop van het tweede trimester behoorde de vraag «Hoe is de godsbeleving op de verschillende leeftijden en hoe kunnen we daarop inspelen?» tot één van de «nog te behandelen punten» bij de leiderswerking.

Naar die leiders werking ging opnieuw veel aandacht. Bondsverantwoordelijke Michel Swerts stelde het systeem van de «ouderen achter de ban » dat in feite al van het midden van de jarenf zestig bestond maar dat in de laatste jaren wat was gaan slabakken opnieuw bij. In de loop van het eerste trimester vond hij Vera Vandeurzen en Els Keunen bereid om die functie waar te nemen voor Piep- en Piep-pieproodkapjes,  Ingrid Janssens zou  naast  haar taak als leidster in Herkim ook «oudere achter de ban» worden bij de Roodkapjes, René Sporen speelde die rol bij de Jongknapen en Michel  Swerts nam zelf Jonghemieuwers en Simmers voor zijn rekening. Het  was  de bedoeling, zo legde Swerts uit, dat de «oudere achter de ban» een beetje de rol van lastpost voor de banleiding zou vervullen, door de moeilijkheden te helpen voorzien en haar telkens opnieuw kritisch te bevragen. Dat vereiste van de zijde van die oudere het nodige studiewerk.   Diezelfde bevragende functie moest ook uitgaan van de "leidersstaven», met dit verschil dat hier de ganse ploeg werd aangesproken en leid(st)ers ook te maken kregen met de werking in andere bannen.

Swerts wilde weinig onderscheid lussen deze laatste vorm van leiderswerking - de leidersstaven - en Herkimwerking in haar geheel. «Het enige onderscheid ligt in hetgeen centraal gesteld wordt: voor de Herkimactiviteiten lag de klemtoon op zelfopvoeding, «bewust worden en aangrijpen van de kansen om zichzelf daadwerkelijk op te voeden.» Bij de leidersstaven overheerste de taakgerichtheid van de leider: «het kansen gaan bieden aan anderen om aan zichzelf te werken.» De + 16-werking had dus geen finaliteit in zichzelf - hoewel er veel belang gehecht werd aan een goede groepsvorming - maar in de werking van de hele bond. Simmers en Jonghernieuwers werden al volop voorbereid op de «verantwoordelijkheden» die zij als Herkimmers op zich zouden moeten nemen. «Verschillende vergaderingen bereiden Simmers zelf voor»,  rapporteerden Simleidsters Jeanine de Maeyer en Gerda Hertogen, «in groepjes van drie werken ze een eigen gekozen vergadering uit. ... Het materiaal, inhoud, thema, het leiden van een groep, verwittigin­en ... Zo ondervinden de Simmers zelf wat er allemaal bij een Herkimwerking komt kijken».

Tegelijk werd ook nagedacht over de stijl van leidinggeven. Het was één van de thema's die verantwoordelijke Swerts wilde aan bod brengen op de leidersstaven: «welke leidershouding moeten wij aannemen: autoritair, democratisch, laissez-faire?». De Pedagogische parabel, die enkele bladzijden daarvoor werd gepubliceerd gaf daarop in feite al antwoord. Een autoritaire en geforceerde aanpak bleek tot mislukken gedoemd. Alleen die leider zou vruchten oogsten die voldoende tijd nam om zijn leden te leren kennen, die hen naar behoefte mogelijkheden aanreikte om zich in hun volle eigenheid te laten ontplooien. De keuze viel dus op het democratische leiderstype. Hasselt volgde hierin het nationale spoor, dat in september 1974 was uitgezet met als slagzin: «een jaar in het teken van de democratische begeleidingsstijl en de solidariteit(34).

Bij deze aanpak bleek dus niet louter te worden teruggegrepen naar de hoogstaande traditie van leidinggeven in de bond. De «stijl Vandersmissen» werd verrijkt en aangevuld met recente pedagogische inzichten en daaraan gekoppelde begeleidingstechnieken. Dat Michel Swerts, evenals trouwens Ingrid Janssens, op dat ogenblik volop met hun studies in de pedagogiek bezig waren, was hier begrijpelijkerwijze niet vreemd aan. Het maakte de bond ook des te ontvankelijker voor de vernieuwende ideeën over leidinggeven die o.m. door Richten of door Inpikker - het nationale leidersblad dat Richten vanaf 1974-1975 verving - werden aangereikt, evenals voor het ruime aanbod van vormings- en trainïngsmogelijkheden vanuit nationale of gouwleiding of vanuit andere vormingscent ra als bvb. de Lodewijk de Raetstichting(35). Maatschappijvernieuwing  kreeg zo een  pedagogische vertaling en kon een integrerend deel gaan uitmaken van de jeugdbeweging. Op dat punt bleek de bond van Hasselt te zijn beland. Het bondskamp tijdens de grote vakantie 1975 te Dilsen vormde als het ware een apotheose van deze vernieuwde aanpak. Ruim 150 leden namen eraan deel. Het kamp stond in het teken van de duif. In het midden van het kamp stond een duivenkooi, daarrond in een ruime rechthoek keurig de tenten en de gesjorde toren. Elke dag verscheen het kampblad De Postduif. «Bondsspelen, takenverdeling ... alles volgens 'het boekje'» herinnert zich Karel Baeten die toen bij de Knapen was. Iedereen was het er over eens dat dit laatste grote kamp dat de bond zou kennen «zeer geslaagd» was(36).

En toch broeide er wat. Dat het in de loop van het tweede trimester van 1974-1975 nog niet tot een goede groepsvorming gekomen was binnen Herkim was meer dan een voorbijgaande kwaal. Ook in Dilsen bleken onderhuidse spanningen binnen die oudste geleding te bestaan, al brachten ze nog geen schade toe aan de algemene goede geest(37). Pas in het volgend jaar, toen een nieuwe lichting Simmers en Jong-hernieuwers naar Herkim overkwam groeide de mentaliteit in die oudste geleding geleidelijk uit tot een echt probleem. In dat nieuwe jaar, 1975-1976, hielden Michel Swerts en Ingrid Janssens de bondsleiding in handen tesamen met Rik Spaas (die in de voorgaande jaren Jongknapen-, resp. Knapenleider was geweest). Daarnaast was er nog een nieuwkomer, priester Robert Vannoppen, die Jef Smeets in de functie van proost opvolgde. Vannoppen was een studiegenoot van Michel Swerts en Ingrid Janssens. Terwijl ze in Leuven waren bespraken en planden zij met hun drieën de bondswerking. Dat wakkerde de moeilijkheden met Herkimmers aan(38).

Simmers op een bondskamp in Dilsen, 16-24 juli 1975

Het ongenoegen tegen de bondsleiding sproot immers o.m. voort uit het gevoel bij sommige leden dat de werking van bovenuit werd opgelegd. Deskundigheid had blijkbaar zijn keerzijde. Swerts bereidde de leidersvergaderingen grondig voor, voorzag problemen en had al een oplossing uitgewerkt die naar zijn oordeel de beste was en die hij er dus op de vergaderingen probeerde door te krijgen. Dat «doordrukken» wekte wrevel bij andere leiders, die het gevoel kregen geen echte inspraak te hebben. Ten tweede werden de «ouderen achter de ban» inderdaad aangevoeld als « last posten», meer dan wellicht de bedoeling was geweest. De jonge leiders wensten niet te worden gecontroleerd door de naar hun gevoelen «bemoeizuchtige oude generatie». Vervolgens wilden Herkimmers zich ook niet meer plooien naar bepaalde gedragsregels, waar iedereen zich aan te houden had. Een welbepaalde dagindeling, met preciese tijdstippen van opstaan, eten, e.d.m., zoals Swerts er nog een opstelde voor het kamp van 1976 in Sint-Huibrechts-Lille, werd gebrandmerkt als «militaristisch»(39). In zoverre kwamen de moeilijkheden voort uit een al te dirigistisch aangevoeld bondsbeleid, waarbij sommige jonge leiders zich zoniet weerbarstig, dan toch ongemakkelijk voelden.

Maar er was nog een vierde knelpunt, dat eigenlijk veel fundamenteler was. Het wortelde namelijk in de heel verschillende kijk op de Herkimwerking en bijgevolg ook op jeugdbeweging als geheel. Heel wat Herkimmers, zeker onder de nieuwelingen die er in 1975-1976 bijgekomen waren, waren het oneens met het uitgangspunt dat de + 16-werking in dienst moest staan van de andere bannen, net zoals ze ook een als dwingend aangevoeld engagement van de jeugdbeweging tegenover de maatschappij verwierpen. Van '68 hielden ze nog een anti-autoritair trekje over, in die zin dat ze allergisch werden voor ieder reglement en van geen ouderen wilden gezegd zijn. Maar voor de rest hielden ze de contesterende ideeën wel voor bekeken. Het dwingend appel tot engagement tegenover de maatschappij of gewoon tegenover mensen, het geplaatst worden voor eigen verantwoordelijkheden, wat het vroegere gehoorzamen verving, de voortdurende aansporing tot creativiteit en zelfwerkzaamheid, wat beter heette dan het passieve «ingelepeld krijgen», met dat alles hadden zij in alle toonaarden te maken gekregen, doorheen heel hun humanioratijd. Ze waren er blijkbaar ontzettend moe van geworden.

In het bondsleven vertaalde die nieuwe mentaliteit zich in een afwijzen van «verantwoordelijkheden», nl. plicht tot inzet en leidinggeven voor de jongere leden. Wat een aantal Herkimmers op de eerste plaats in de bond zochten was een vriendengroep waarin ze zich thuisvoelden en waarmee ze gewoon plezier konden maken, zonder dwingende idealen of verplichtingen. Kiemen van zulke houding treffen we al aan in 1970-1971, toen Herkim getekend werd door interne discussies. Maar de nieuwe geest was nu, vijf jaar later, fundamenteler en algemener in de ban aanwezig.

Tengevolge van die zich wijzigende atmosfeer begon er vanaf 1976-1977 een nieuwe ontwikkeling in de geschiedenis van de bond. Het is niet duidelijk of deze evolutie intussen al geheel is afgesloten hoewel er aanwijzingen zijn in die richting. Van blijvende betekenis was de invoering vanaf 1977-1978 van de gemengde werking in alle bannen. De jeugdbeweging raakte intussen echter in het defensief. In de late jaren zeventig groeide bij sommigen een jeugdclubmentaliteit die dan weer door anderen werd bestreden. Dat verliep niet zonder spanningen en er waren ogenblikken dat er sprake was van impasse. Maar het bondsleven zette zich door. Een jongere leidersploeg slaagde er vanaf omstreeks 1980 in een nieuw evenwicht te bereiken, met een werking die voornamelijk is afgestemd op de -16-jarigen en die gericht is op een goede groepsvorming zonder dat de bredere maatschappij nog uitgesproken aanwezig is. Voor een nuchtere historische analyse van deze recente ontwikkelingen blijkt de tijd evenwel nog niet rijp te zijn. Daarom legt de historicus hier zijn pen neer. Het woord is nu aan de huidige Jonge Klauwaarts voor hun verhaal over dit onbestorven verleden.

 
Noten

(1) H. TODTS en W. JONCKHEERE, Leuven Vlaams, p. 155 e.v.; T. LUYKX, Politieke geschiedenis van België, p. 519 e.v.; Richten, XXXII, 1967-1968. 1, p. 4.
(2) T. LUYKX, o.c, p. 537-538.
(3) Een eeuw Vlaamse studentenbeweging te Leuven,  p. 152; L. VOS, Terugblik op roerige jaren. De Leuvense studentenbewe ging sinds de jaren zestig, p. 232; H. TODTS en W. JONCK HEERE, o.c, p. 277 e.v.
(4) Oudersbrochure, paasvakantie 1968, p. 7.
(5) Dankbaarheid en waardering, Sint-jozefscollege Hasselt, 1882- 1982, p. 69.
(6) Oudersbrochure, oktober 1968, p. 5. 
(7) De oudersbrochures vor men ook voor de rest van dit hoofdstuk de voornaamste bron. Er zal niet verder meer in detail naar verwezen worden.
(8) Richten, XXXI, 1968-1969, 5, p. 198-200.
(9) De Commissie voor de democratisering van het secundair onderwijs was in feite een transformatie van de al vroeger be staande Werkgroep voor de Schoolgemeenschap, Nationale Commissie. Ze lanceerde op 1 september 1968 een  «Zoek schrift voor studerenden uit het Hoger Secundair Onderwijs», met als titel D..O.......E, waarbij ieder puntje een ontbrekende letter voor het woord «Democratie» vormde. In dit Zoekschrift werden scholieren opgeroepen om aanwezig te zijn op de provinciale dag voor democratisering, de D..O.......E-dagen. Zie verder ook Richten, XXXIII, 1968-1969, 3, p. 98 en gestencilde tekst Verschijningsvorm  K.S.A.-Visie Limburg, voorgedragen op de Algemene Leiding van  19 november 1969,  1e toegevoegd stuk, VZ 69/174, eigen bezit.
(10) Naar een vernieuwde Hernieuwerban  ... Een  beeld van een ideale  Hernieuwerwerking, gepubliceerd in Richten,   XXXIV, 1969-1970, 2, p. 90-92; studietekst De leider als kristen jong student, eigen bezit; verder nog Richten, XXXIII, 1968-1969.
(11) L. VOS,  Terugblik .... p. 232-236; J. BREPOELS,  Wat zoudt gij zonder 't werkvolk zijn?, p. 60-61.
(12) Papieren Jan Hertogen.
(13) Uitnodiging tot deze dag en tekst van de toespraak in papieren J. Hertogen; getuigenis van K. Hertogen in de Oudersbrochure van december 1978.
(14) L. VOS, Terugblik .... p. 234-235.
(15) Behalve van oudersbrochures maakten we voor 1969-1970 dankbaar gebruik van de papieren Jan Hertogen, met veel informatie over programma's en activiteiten. Hierin vonden we ook een brief van directeur Van Keer aan de ouders, d.d. 19 januari 1970. Van Keer tekende protest aan tegen de onwettige afwezigheid van hun zoon wegens zijn deelname aan de mijn werkersbetoging; «een dergelijke eenzijdige democratisering nemen wij niet». Op het einde van het jaar verliet Van Keer het college; Dankbaarheid en waardering, p. 72-73. We steunden verder nog op een gesprek met J. de Maeyer en op J. BREPOELS, o.c, p- 57-62.
(16) Verslag Algemene Leiding 6 december 1969, VZ 69/175.
(17) Gesprekken met Tony Keunen en Jan de Maeyer. We vonden één nummer van Het belang van de Jongknapen 3 in de collec tie Jan Hertogen.
(18) Gesprekken met Tony Keunen, Jan Hertogen en Herwig Jans sens.
(19) Oudersbrochure «Zin en achtergronden van de jeugd beweging»,  p. 23; gesprek met Luk Hertogen. In 1968-1969
was diezelfde Roodkapjesgroep wel een afdeling van de bond geweest. Als reden voor het terugtrekken van de groep werd in de Oudersbrochure  opgegeven dat Zuster Peeters «liever afzonderlijk werkte met haar schoolafdeling en niet goed kon samenwerken met onze groep omwille van haar verplichtingen tegenover haar school, haar kloostergemeenschap en haar familie».
(20) Vergadering van het Nationaal Bureau van 12 november 1968, VZ 68/164; eigen bezit.
(21) Woorden uit de toespraak van R. Debaillie op de Limburgse K.S.A.-startdagen in Neerpelt, augustus 1970; Oudersbrochure, september 1970.
(22) L. VOS, Terugblik .... p. 236-239; J. BREPOELS, o.c, p. 314.
(23) Documenten Herkimwerking 1970-1971, Papieren Robin Nelissen; gesprekken met Herwig Janssens, Lieve Grauwels en Jan de Maeyer. Dezelfde bronnen voor volgende alinea.
(24) Brochure met tekst van de misviering in Archief K.S.A.-V.K.SJ. Hasselt.
(25) Schriftelijke herinneringen van Paul Delwiche.
(26) Oudersbrochures; brochure Patsjoepel, 1969-1970; getuigenis van Rita Keunen in de Oudersbrochure van december 1978, p. 21; gesprekken met Jan Hertogen, Tony Keunen, Herwig Jans sens, Lieve Grauwels, Michel   Swerts, Ingrid Janssens, Rita Keunen, Luk Hertogen, herinneringen van Paul Delwiche.
(27) Gesprekken met Michel Swerts, Rita Keunen, Ingrid Janssens, Luk Hertogen, herinneringen van Karet Baeten en Paul Delwi che; oudersbrochures september 1971, 2e trimester 1974-1975, zomer 1975-1976.
(28) Herinneringen Paul Delwiche en Karel Baeten; gesprek met Luc Hertogen.
(29) Van dat  werk blijken nu nog alleen de «creagang schilderingen» over te blijven. «De blokken-perspectief- tekening komt uit het brein van Michel Swerts, terwijl de iets meer natuurgerichte van de hand van René Sporen is»; herin neringen Paul Delwiche.
(30) Oudersbrochure, 2e trimester 1974-1975, p. 7; Luk Hertogen in de Oudersbrochure van december 1978,  p.  21;  herinneringen Paul Delwiche.
(31) Herinneringen van Luk Hertogen en Rita Keunen in de Oudersbrochure van december 1978;  gesprek met Michel
Swerts.
(32) Al in 1973 hadden studenten en scholieren actie gevoerd tegen de «30 miljard»; in 1975 kreeg de kwestie haar beslag in het parlement;  L. VOS, Terugblik  ..., p. 238-239;  T.   LUYKX, o.c, p. 668-669.
(33) Oudersbrochure, 2e trimester 1975, p. 11; getuigenis van Rita Keunen in de Oudersbrochure van december  1978; gesprek met Luk Hertogen.
(34) Inpikker, I, 1974-1975, 1, p. 3.
(35) Die openheid voor vormingsdagen bestond er ook al wel voorheen in de bond. Zo somde de Oudersbrochure van juni 1972 een reeks van 16 verscheidene vormingsweekends voor de zomer 1972 op, aangeboden door de Stichting  Lodewijk de Raet, Nationale Dienst voor de Jeugd, Hasseltse Volleybal vereniging, K.S.A.-V.K.S.J.-Limburg. Paul  Delwiche nam  in de loop van 1972-1973 als knapenleider deel aan een door de gouw ingerichte «Speelweek» voor leiders. De deelnemers leer den er hoe ze een dag konden vullen al «spelend en zich crea tief  uitend» terwijl tegelijk de   opvoedende waarde in acht werd genomen.
(36) Exemplaar van De postduif in K.S.A.-V.K.SJ.-archief Hasselt; herinneringen Paul Delwiche, gesprek met Michel   Swerts, Ingrid Janssens en Rita Keunen.
(37) Herinneringen Karel Baeten; gesprek met Michel Swerts.
(38) Reconstructie op basis elementen uit de oudersbrochures en gesprekken met Michel Swerts, Ingrid Janssens, Rita Keunen, Robert Vannoppen; herinneringen van Paul Delwiche en Karel Baeten.
(39) De dagindeling van het kamp van Sint-Huibrechts-Lille werd gepubliceerd in de Oudersbrochure van de zomer 1975-1976.

   

Uit het archief, een beeld van een activiteit uit 1969

melveren
antwerpen
even samengevat

deze aktiviteit is onze laatste maar ook onze belangrijkste hernieuweraktiviteit geworden, onze hoofdbedoeling was het kontakt met mensen en realiteiten van een gans ander milieu.

de tegenstelling tussen melveren en antwer­pen was groot, in melveren vonden we de rust en een kalme sfeer rondom ons. het was een voorbereiding op antwerpen en we hebben er opnieuw groep gevormd, deze twee dagen waren niet zo vermoeiend en we hebben er ons kunnen ontspannen, in antwerpen werd die rust ruw doorbro­ken, we vonden ons dadelijk in het jachtig leven van een grote stad. dit wekte in het begin een onbehaaglijk gevoel in ons op. de dagen waren zeer vermoeiend en vroe­gen zeer veel koncentratie. we hebben er de kans gekregen om met vele mensen te spreken, het hele jaar hadden we over arbeidersproblemen, derde wereld, de hui­dige samenleving gesproken in eigen kring, maar nu stonden we plotseling tussen die mensen die rechtstreeks met deze proble­men te maken hadden, dat vindt je verder in de verslagen.

we hebben veel ervaringen opgedaan, het is nu heel belangrijk dat wij deze ervaring doorgeven aan de mensen rondom ons, ouders, medestudenten.

luk

 

verblijf:
    melveren, kasteeltje
    antwerpen,   parochielokalen   st.michiels, amerikalei 165

leiding:
   jan hertogen
   marleen grauwels
   jos vandersmissen
   edwin lismont

koks
   monique stouten
   herwig janssens

de mensen die de dagen gemaakt hebben:
   tony, louis,  paul, mark, ber, luk, robbie,
  
jan, rita, lea, simon, lieve, chris, ghislaine, 
   mariette, gerda, chris, lieve, irene, reinhild




melveren antwerpen
5-12 augustus 1969

programma

dinsdag 5 augustus
   gesprek over gezag en macht
   volley, zwemmen
   zingen en musiceren
   poëzieavond

woensdag 6 augustus
   gesprek over kreativiteit
   voorbereiding gerechtszaak
   volley, zwemmen
   gesprek over literatuur
   zon, groen, water
   zweedse omloop

donderdag 7 augustus
   met de fiets naar antwerpen
   van l0u tot 18u
   wandeling door de oude haven van  antwerpen

vrijdag 8 augustus
   eksploratie vh havengebied
                     vd industriegebieden 60 km
   zwemmen in het noordkasteel
   volksdans met «klaveren haas»
   zanguurtje
   dia's over de voorbije kampen

zaterdag 9 augustus
    plenum van ervaringen in haven en industriegebied
    uurtje rustige tijd
    konfrontatie met 3 kunstenaars in hun atelier:
    jacobs, lauwers, hilde vonk
    spelen van de gerechszaak
    avond  uit: muze, kroeg  ferre, folkcenter,
     havenkwartier

zondag 10 augustus
     vogelenmarkt: aankoop 4 muizen, marmot
     plenum van bezoek kunstenaars
     middelheim
     gesprek rond ervaring van middelheim
     eucharistie: dood en leven gesprek
     vroeg gaan slapen

maandag 11 augustus
     7h eerste schift aanwerving dokwerkers
     in drie groepjes naar portugees
         verantwoordelijke schippers
         onderpastoor Jacobs
     plenum
     vrije konfrontatie in een bep. straat met
             verschillende instanties, burgers
      plenum van kontakt dokwerkers
                        vrije konfrontatie
     avond in muze kwartier
     eucharistie afsluiting

 dinsdag 12 augustus
 terug naar hasselt
 10h30 - 17h30

   

Besluit

De Jonge Klauwaarts in 1884 en K.S.J.-Hasselt in 1984. Begin en voorlopig eindpunt van een stukje jeugdgeschiedenis in Hasselt. Twee werelden, gescheiden door een zee van tijd, maar waartussen, in een wisselwerking van traditie en vernieuwing, doorheen de jaren een brug werd gebouwd. Pijlers die gedurende deze hele eeuw als stut rechtop bleven vallen met moeite te ontdekken: de bond fungeerde altijd wel als een doorgangssluis tussen kinderjaren en volwassenheid voor een groep studerende jongeren van Hasselt, hoewel de samenstelling van die groep lang niet altijd dezelfde was. Doorheen de hele geschiedenis bevond de kring zich bovendien in een katholieke invloed­sfeer, al dient ook die laatste algemeenheid met enig voorbehoud te worden gesteld. Alleen de naam Jonge Klauwaarts bleef onveranderd doorheen die honderd jaar behouden, zij het dat hij sedert enkele jaren als in de echt verbonden is met die van zijn vrouwelijke tegenhanger Arendsvlucht. De Jonge Klauwaarts zelf veranderden voortdurend doorheen de jaren. Ze manifesteerden zich telkens opnieuw als kinderen van hun tijd.

Hun geschiedenis valt uiteen in twee grote perioden: tot 1928 vormden ze een stukje van de katholieke Vlaamse studentenbeweging, daarna maakten ze deel uit van het J.V.K.A. en rekenden ze zichzelf alszodanig geleidelijk tot de K.S.A. Toen Eugeen Leen in september 1884 - in navolging van wat in andere provincies, vooral dan Antwerpen en West-VLaanderen gebeurde - leerlingen van het Hasseltse Sint-Jozefscollege en het atheneum in een bond verenigde was de Vlaamse beweging in volle gisting. De flamingantische agitatie voor het verkrijgen van wettelijke toegevingen ging naar zijn hoogtepunt ten gevolge van de katholieke verkiezingsoverwinning eerder in dat jaar. Het was rond één van de belangrijkste verzuchtingen die toen in katholieke flamingantische kringen leefde, het verkrijgen van vernederlandsingsmaatregelen voor het katholiek onderwijs in navolging van de zopas verkregen taalwet op het officieel onderwijs, dat de Jonge Klauwaarts zich al zeer snel na hun oprichting in het openbaar manifesteerden. Doorheen de jaren tachtig waren zij niet alleen de enige vlaamsgezinde studentenvereniging in Limburg maar speelden ze ook een voorhoederol in heel de Vlaamse beweging van hun provincie.

Die directe beïnvloeding van de maatschappij was er minder bij toen de kring na enkele jaren onderbreking omstreeks de eeuwwende werd heropgericht. In de lijn van de nieuwe taak die o.m. de toenmalige studentenleider Frans van Cauwelaert voor de katholieke Vlaamse studentenbeweging aanwees als een vormingsschool voor leiders van het Vlaanderen van morgen, legden de Hasseltse jongeren zich in de eerste jaren van dit decennium meer toe op zelfstudie. Omstreeks 1910 drong zich opnieuw de taalstrijd op de voorgrond, met hete hangijzers als de vernederlandsing van de Gentse universiteit en de toestanden in het leger. Dezelfde jaren waren gekenmerkt door een sterke sociale bewogenheid. Van taalstrijd had de Vlaamse beweging zich verbreed tof een strijd voor culturele, sociale en economische ontplooiing van Vlaanderen. De Jonge Klauwaarts droegen het hunne bij tot die «volksontwikkkeling», tesamen trouwens met de verscheidene andere Limburgse studentenbonden die in het eerste decennium van deze eeuw ontstonden. In 1903 was voor deze plaatselijke bonden een overkoepelende structuur opgericht met het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond, waarvan de Limburgse gouwbond en op hun beurt de Jonge Klauwaarts deel uitmaakten.

Toch vormde de Hasseltse bond in sommige opzichten een buitenbeentje in het geheel van die studentenbeweging. Vooreerst wal de samenstelling van haar ledenbestand betrof. Zoals bij andere studentenbonden bestond het uit middelbare scholieren, studenten en seminaristen. Die laatste twee oudere groepen speelden normalerwijze ook een leidinggevende rol in de kring: Paul Bellefroid, Victor Nickmans Jan Grauls, Jan Gruyters, Frans Dewit, Clemens van de Straeten, Karel Jans en anderen bepaalden alszodanig de koers van de vereniging. Minder normaal voor een studentenvereniging was ook de actieve deelname in sommige periodes van jongvolwassenen. Een voor de hand liggend voorbeeld daarvan was Eugeen Leen zelf, die op het ogenblik dat hij de vereniging oprichtte in 1884 al niet meer studeerde en die nog in functie van drukker-uitgever het voorzitterschap van de Jonge Klauwaarts zou waarnemen. Tijdens en gedurende enkele jaren na de eerste wereldoorlog zou kortstondig opnieuw plaats worden gemaakt voor zulke jongvolwassenen door de oprichting van een oud-studentenafdeling.

Een ander verschilpunt met de meeste andere bonden van de studentenbeweging was dat de Jonge Klauwaarts het niet altijd eens waren over het levensbeschouwelijk karakter van hun vereniging. In de jaren tachtig, in het eerste decennium van deze eeuw, aan de vooravond en opnieuw tijdens de eerste wereldoorlog dook telkens weer de vraag op of de bond zich als katholiek zou afficheren, of liever of het katholiek karakter van de beweging nevengeschikt dan wel ondergeschikt moest zijn aan het vlaamsgezinde karakter. De discussie werd aangewakkerd door de gemengde samenstelling van het ledenbestand, dat immers bestond uit leerlingen van zowel het Sint-Jozefscollege als het atheneum van Hasselt. De facto waren alle leden katholiek en oriënteerden ze zich naar de katholiek-flamingantische leefwereld. Ze vonden ook altijd meer steun bij priester-leraars van het Sint-Jozefscollege die zich vanaf de beginperiode opwierpen als ereleden en tegelijk beschermers van de kring. Zoals de vele leden-seminaristen die de bond steeds telde waakten ze er bovendien nauwlettend over dat de bond de «goede koers, behield. Dat laatste betekende tijdens de eerste wereldoorlog niet alleen dat hij katholiek bleef, maar evenzeer dat hij de «gevaarlijke weg» van het sympathiseren met het activisme zou verlaten. In 1917 liet de bond zijn gematigd activistische opstelling inderdaad varen.

Toen de bond in 1921, na bijna twee jaar onderbreking werd heropgericht, vertoonde hij enkele andere kenmerken dan voordien. Terwijl de vergaderingen tot dan toe heel het jaar door plaatsvonden werd er voortaan alleen tijdens de vakanties samengekomen. Oud-studenten en atheneumleerlingen verdwenen uit het ledenbestand. De band met het Sint-Jozefscollege werd ook nauwer aangehaald door de goede verstandhouding die er tijdelijk bestond met de padvindersgroep van het college en de samenwerking met de op het college vergaderende Erewacht, waarvan de meeste Jonge Klauwaarts trouwens tegelijk lid waren. De ernstige werking werd voorbehouden voor de «studentenbond», terwijl de Erewacht het kader bood voor ontspannende activiteiten. Meer formeel werd ook de band met een priester-leraar van het college die in feite als proost fungeerde. Niettemin bleef de studentenbond nog altijd een vrije vereniging en schaarde ze zich onder leiding van het dynamische duo Paul Cools en Jan Wilms, die zelf een actieve rol speelden in de Leuvense studentenbeweging, trouwer dan ooit achter het vaandel van het A.K.V.S. Maar toen deze studenten in 1925 de nationalistische koers poogden door te drukken in de Hasseltse bond kwam het tot een tijdelijke scheuring waarbij de studenten aan het kortste einde trokken. Seminaristen leidden de bond in de door bisschop Rutten gewenste bedding van het L.K.V.S. (Limburgs Katholiek Vlaams Studentenverbond).

Met de inschakeling van het L.K.V.S. in het in 1928 opgerichte Jeugdverbond voor Katholieke Actie (J.V.K.A.) ving een tweede fase aan in de geschiedenis van de bond. Hij werd een deel van een ander geheel: niet meer van de Vlaamse beweging, zoals hij van bij zijn oprichting was geweest, maar van een kerkelijk strijdende beweging. Van een «vrije» jeugdbeweging stapte hij over naar een door de kerkelijke hiërarchie geleide jeugdformatie. Het Katholieke Actie-ideaal drong zich vanaf de jaren dertig op het voorplan maar bleef verbonden met een niet-nationalistische vlaamsgezinde werking, onder de koepel van het in 1934 opgerichte K.S.A.-Jong Limburg en vanaf 1943 onder die van de toen opgerichte nationale federatie K.S.A.-Jong-Vlaanderen. Naast deze twee pijlers in de ideologische opstelling van de Jonge Klauwaarts in de jaren dertig en tijdens de tweede wereldoorlog treffen we ook een sterk gevoel van volksverbondheid aan dat zich vooral uitte in een sociaal-caritatieve inzet.

Parallel met deze ideologische en organisatorische ontwikkeling transformeerde de verenigingsvorm van de Jonge Klauwaarts zich geleidelijk van studentenbond naar jeugdbeweging. De aanzetten daartoe werden vanaf de jaren dertig gegeven met de invoering van uniform en vendelwerking en grotere aandacht voor openluchtleven en groepsvormende activiteiten. Dat alles raakte in een versnelde ontwikkeling sedert de oprichting in 1943 van de nationale federatie K.S.A.-Jong-Vlaanderen. Hernieuwers en Knapen, die er net hun eerste kampervaringen hadden opzitten, stapten de oorlog uit in tuchtvolle formatie, met verzorgd en veralgemeend uniform, stijlvol achter vaandel en trommelcorps. Onmiddellijk na de oorlog, in 1944, werd opnieuw van start gegaan met een werking doorheen het jaar. Op hetzelfde ogenblik werd nog een andere beslissende stap naar een volwaardige jeugdbeweging gezet door het openstellen van de bond voor leerlingen vanaf het derde leerjaar, die als Jongknapen konden toetreden. Voor het eerst in hun bestaan recruteerden de Jonge Klauwaarts zulke jonge leden Het veranderende aanzien van de bond bewees zijn aantrekkingskracht door een groeiend ledenaantal. Op het einde van de jaren dertig was dit al opgeklommen tot meer dan honderd, tegen het midden van de jaren  vijftig zou  het schommelen rond de tweehonderd, met vooral een spectaculaire aangroei in de jongere bannen.

Doorheen het grootste deel van de jaren vijftig bleef de bond trouw zijn Katholieke Actie-ideaal belijden. Individuele kernwerking diende de persoonlijke heiliging, terwijl de naar goddeloosheid afglijdende wereld met groepsgewijze offensieven werd te lijf gegaan. Een mengeling van apostolische en sociale bekommernis bracht de bondsleden tot een belangloze inzet voor het «goede doel»: Oostpriesterhulp, Milac, de missies en andere zaken. Vlaamsgezindheid bleef als een vanzelfsprekende waarde behouden, zij het op meer gevoelsmatige dan revendicatieve wijze. Vaardigheidsproeven, sportmanifestaties, hoger wordende kamptorens wezen intussen op een steeds vorderende jeugdbewegingsmethodiek, terwijl de bond zich ook trouw hield aan rituelen en symbolen die precies de specificiteit van de K.S.A. in dat jeugdbewegingslandschap uitmaakten.

Verdere programmatische en organisatorische perfectionering van de jeugdbeweging werd het overheersende kenmerk in de bondswerking van de begin- en middenjaren zestig. De aandacht ging nu minder naar uiterlijke stijlkenmerken dan wel naar de kwaliteiten van het leidersschap, de onberispelijke planning, de zorgvuldige voorbereiding, de perfecte uitvoering. Deze stijl van «nieuwe zakelijkheid» paste bij een generatie die zonder veel gerucht, eerder met de zacht relativerende ironie van de in die tijd opkomende kleinkunst, afstand nam van «grote idealen» van weleer en zocht naar een nieuwe zingeving. Tegen de achtergrond van een veranderende jeugdcultuur, met jeugdclubs en fuifavonden, verloor de jeugdbeweging zijn monopoliepositie in het aanbieden van een groepsleven voor jongeren, vooral dan voor de +16-jarigen. Zoekend naar nieuwe werkingsvormen voor die oudste geleding heette Katholieke Actie voortaan milieuwerking en werd de Hernieuwergroep opengetrokken op klas en school waarin hij verondersteld werd te werken als gist in het deeg. Leden van de Hasseltse bond vonden nieuwe woorden voor hun religieuze beleving, waren emotioneel begaan met het lot van onderdrukten in de wereld, lieten zich aanspreken door het beroep dat op hen werd gedaan als de toekomstige intellectuelen van het zich emanciperende Limburg maar trokken zich anderzijds terug in hun kleine wereld, waarin ze doorheen gesprek en ontspanning op ontdekkingstocht  gingen naar zichzelf en «de andere».

De grote wereld kwam onweerstaanbaar weer naar voren vanaf 1968. De maatschappelijke belangstelling werd deze keer niet aangedreven door het Katholieke Actie-ideaal - zoals van de jaren dertig tot de jaren vijftig het geval was geweest - maar door de nog altijd aanwezige vlaamsgezinde component in het ideologisch patroon van de beweging. De revolte deinde evenwel snel uit tot een brede maatschappijkritiek, die vooral in 1969-1970 sterk in de bond naar voren kwam. Opnieuw grepen de Hasseltse jongeren, zoals hun voorgangers uit de Katholieke Actie-tijd naar «grote idealen», maar in tegenstelling tot die voorgangers plaatsten ze zich daarbij buiten de door hun opvoeding aangereikte kaders en zetten er zich zelfs scherp tegen af. Tussen 1970 en 1976 klonk een mildere maatschappijkritische toon en werd gezocht naar integratie van maatschappijvernieuwing en jeugdbeweging, vertrekkende van een doordachte stijl van leidinggeven en gericht op het vormen van een «nieuwe mens». In deze «totaalmenselijke rijping» paste ook de invoering van de gemengde werking, een proces dat in 1968 werd ingezet voor de + l6-jarigen, de Herkimmers, en dat in 1977-1978 verder werd doorgevoerd voor alle bannen. Van de meer dan driehonderd leden die K.S.A. en V.K.S.J. in 1968 tesamen vormden bleven er in 1975-1976 nog ruim tweehonderd over, mede dank zij de verdere verlaging van de leeftijdsgrens tot het eerste leerjaar. De jeugdbeweging begon aan functieverlies te lijden, zowel voor volwassenen als voor de leden zelf.

Vanaf 1884 tot in 1976 stond de werking van de Jonge Klauwaarts altijd wel op één of andere wijze in dienst van een   verder liggende doelstelling, in het kader van de Vlaamse beweging of de Katholieke Aktie, gericht op beïnvloeding van  het milieu of op het verkrijgen van een betere samenleving. De evolutie sedert 1976 lijkt te wijzen op een breuk met die traditie. Jeugdbeweging als een vormschool tot  inzet voor een  maatschappelijke doelstelling blijkt voorlopig te hebben  afgedaan. Anderzijds wordt haar groepsvormende functie sedert het begin van de jaren tachtig geherwaardeerd.

De Jonge Klauwaarts zijn hoe dan ook erflaters van een gedenkwaardige bond, de enige in Vlaanderen die op een zo lange geschiedenis kan terugblikken. Want al was hij niet de eerste Vlaamse studentenbond die werd opgericht, hij is wel de enige die in een praktisch onafgebroken lijn zolang al bestaat. De Hasseltse bond dwingt trouwens niet alleen eerbied af door zijn ouderdom. Herhaaldelijk in zijn geschiedenis drong hij zich naar de voorste rangen: na het vervullen van zijn voorhoederol in de beginjaren stemde hij de Jonge Klauwaarts van kort voor de eerste wereldoorlog evenzeer tot fierheid als leden van «de enige studentenkring in gans Limburg die geheel het jaar door werkt». In de beginjaren twintig, onder leiding van Cools en Wilms, gold de Hasseltse bond zowat als een model in de hele gouw. Ook als K.S.A.-ers bleven de Jonge Klauwaarts blijk geven van een opvallend dynamisme. In 1937 was hun bond veruit de grootste in Limburg. Elementen uit de bloeiende bondswerking in de jaren vijftig werden via gouwproost Paul Schruers in de jaren zestig tot gemeengoed gemaakt in heel de provincie. Nog op het einde van de jaren zestig hadden Jonge Klauwaarts de ambitie om «baanbrekend» te zijn in K.S.A.-gouw Limburg. Die rijke bondstraditie blijft een dankbaar uitgangspunt voor de werking van K.S.J.-Hasselt in de toekomst.

   Huidige Jonge Klauwaarts

Zoals de historica wordt de pen, voor wat de webpublicatie betreft, ook hier neergelegd. (nvdr)
  Het Boek Honderd Jaar Katholieke Studerende Jeugd 1884-1984, de geschiedenis van de Hasseltse Jonge Klauwaerts is nog te bestellen aan 16€ bij het Kadoc: bestelformulier
In het jubuleumboek wordt verslag gedaan van de werking 1976-1984.

De "Jonge Klauwaarts" tijdens het jubeljaar
Ontvangst op het stadhuis 17 maart 1984
 ...
Bijlagen
Bijlage 1 Ledenbestand
Ledenbestand Jonge Klauwaarts 1885-1924
(maximum aantal aanwezigen op één vergadering in het aangegeven jaar)*

* Wegens het ontbreken van gegevens over het precies aantal ingeschreven leden zijn deze cijfers gebaseerd op het aantal aanwezigen op de vergaderingen zoals dat in het verslagboek werd geregistreerd. We kozen de vergadering met het grootste aantal aanwezigen van het aangegeven jaar. Dat cijfer ligt lager dan het aantal leden, maar benadert het toch enigszins. Het gaat hier om jaren waarin de Jonge Klauwaarts nog een Vlaamse studentenbond vormden.
 

Ledenbestand Jonge Klauwaarts 1936-1985
(Aantal ingeschreven leden)*

* Wij beschikken niet over cijfers voor alle jaren. Over de tijd vóór 1936 ontbreken de gegevens. Bij de interpretatie moet er rekening worden mee gehouden dat vanaf 1969-70 de vrouwelijke leden van Herkim ook zijn meegeteld, en vanaf 1972-73 ook de VKSJ-ers van de jongere bannen (wat mee het hoge ledenaantal van 1974-75 verklaart)
 

Ledenbestand: Leeftijdsstructuur 1939-1985
(procentueel aandeel van + 14-jarigen (Hernieuwers, Kim, Jonghernieuwers, Sim) in het hele ledenbestand)*

% leden ONDER de doorlopende curve: Hernieuwers + Jonghernieuwers (later ook Kim en Sim)
 leden ONDER de gestippelde curve: uitsluitend Hernieuwers ( + 16) (later ook + Kim)
* Voor de jaren waarover we gegevens hadden berekenden we de verhouding lussen ouderen en jongeren. We maakten daarbij abstractie van de schommelingen in het ledenbestand. Lage percentages in deze grafiek kunnen in absolute cijfers toch hogere aantallen aanduiden afhankelijk van het totale ledenbestand op dat moment (zie vorige grafiek). Tot 1958 (in onze cijfers: tot 1959) vormden Jonghernieuwers en Hernieuwers één ban. Om de lange termijn-evolutie te laten zien, moesten we ze na 1959 er bij blijven betrekken. Wel kan vanaf dat jaar het aandeel van de +16 groep precies worden aangegeven.
 
Bijlage 2
Bestuurs- en leiderskader Jonge Klauwaarts 1884-1984
1884-1885
Initiatiefnemers: Eugeen Leën, Jozef Philippen, Lodewijk  Roelants, Leo Leynen
1885-1886
Voorzitter:
Schrijver: 
Penningmeester:  
Schâbeletter:    
Boekbewaarder:  
Eugeen Leën
Jozef Claes
Jules Reynkens
Ferdinand Hendrickx
Huibrecht Swennen
1886-1887
Voorzitter: 
Schrijver: 
Penningmeester:
Schabeletter:
Jozef Claes → Huibrecht Swennen
Huibrecht Swennen Jozef Claes
Gilissen → Oswald Robijns
Jozef Speelmans → Gilissen
1887-1888
Voorzitter
Schrijver: 
Penningmeester:
Schâbeletter: 
Jozef Speelmans → Huibrecht Swennen
Oswald Robijns
Karel Croonenberghs → Jozef Claes
Gilissen
1889-1889
Voorzitter:
Schrijver: 
Penningmeester:
Schâbeletter:  
Eugeen Leën → Jozef  Swennen → Huibrecht Swennen
Jozef Swennen → Reynkens → Dirix → Jozef Claes
Jozef Goovaerts → Juliaan Leën
Jozef Claes → Haeven
1889-1890
Voorzitter:
Boekbewaarder:
Juliaan Leën
Alfons Jeurissen
1