|
Rik Poot - Lokeren -
1992
Inleidingen en toelichting
Theo De Meyer,
Schepen van Cultuur Illustraties (interactieve linken): 2 Rik Poot - Foto R. Selleslaghs * Theo De Meyer, Schepen van Cultuur - Inhoud Toen ik na maandenlange voorbereiding rond deze tentoonstelling «Rik Poot», toe was aan het schrijven van het obligate voorwoord vervulde mij dit met een dubbel, zij het enigszins tegenstrijdig gevoel: onzekerheid en toch grote voldoening. Onzekerheid bij het lezen van de recensie van Frans Aerts in NWT (maart/april 1992) over het boek van de Franse cultuurhistoricus Mare Fumaroli «L’Etat culturel»: «De zogenaamde democratisering van de cultuur heeft in werkelijkheid niets uitgehaald. Integendeel. De monumenten, de historische gebouwen, musea, de festivals zijn toeristische pleisterplaatsen geworden waar multimediale evenementen de authenticiteit, de soberheid en de rust van de oorspronkelijke locatie hebben weggedrukt. De conservators hebben zich moeten herscholen tot animators...» Grote voldoening omdat wij met Rik Poot in het Centrum voor Ruimtelijke Kunst, Hof ter Beuken, een kunstenaar ontvangen die in zijn volledig oeuvre blijk geeft van een gevoelsmatig, tijdloos kunstenaarsschap. Rik Poot is nooit op zoek naar goedkope publiciteit. Hij laat zich niet inkapselen in stijlexperimenten om vernieuwend over te komen. Hij blijft integendeel de gedreven kunstenaar die vanuit zijn gevoel, uitdrukking wil geven aan een wereldbeeld waarin de mensen in innerlijke vrijheid en in harmonie met elkaar leven. Deze harmonie is echter nog niet bereikt. En de weg die de mens moet afleggen is er één van onvolkomenheid, van vallen en opstaan in verbondenheid met de natuur. Het brengen van een boodschap die durft in te gaan tegen de gebeurtenissen en de houding van het ogenblik, is geen eenvoudige opgave. Nochtans is het mijn overtuiging dat door de tentoonstelling «Rik Poot» er vanuit ons plaatselijk cultuur beleid een betekenisvolle impuls gegeven wordt om onze samenleving meer diepgang, meer authenticiteit te verlenen. Na de eerste kontakten met de kunstenaar was het onze uitdrukkelijke betrachting voor Lokeren een beeld van Rik Poot te verwerven wat gezien de omstandigheden en de «naam» van de kunstenaar niet vanzelfsprekend was. Dankzij de intense samenwerking met het Vrij Technisch Instituut Sint-Laurentius zijn we in het opzet geslaagd. Het beeld «Feniks» naar het ontwerp van de kunstenaar werd op schaal 1/10 uitgevoerd door VTI Sint-Laurentius. Wij danken hiervoor van harte directeur A. Van Caneghem en zijn medewerkers, leraars en leerlingen die enthousiast aan dit kunstproject werkten. Het beeld zal binnenkort een ereplaats krijgen in onze stad. Wij danken ook uitdrukkelijk de bruikleengevers, de heer gouverneur Kinsbergen van de provincie Antwerpen, mevrouw Vleghels-Rombauts en de heer Meeuwis, respectievelijk directeur en conservator van het Openluchtmuseum Middelheim te Antwerpen. Zonder hun medewerking zou deze tentoonstelling niet dezelfde allure hebben. Tot slot onze dank aan de kunstenaar Rik Poot en «de zijnen» voor de fijne samenwerking, aan de leden van onze Commissie Kunstpatrimonium en aan onze medewerkers van de Technische en Culturele Dienst van de stad Lokeren. Hun gedrevenheid voor deze tentoonstelling was spreekwoordelijk. Wij hopen dat vele kunstliefhebbers - in navolging van onze eerste minister - tijdens de volgende zomermaanden de weg naar de tentoonstelling «Rik Poot» zullen vinden. Dr. Willem Elias, Agogische Wetenschappen V.U.B. - Inhoud Het is allicht een cliché om verwijzend naar de Latijnse «Nomen est omen» spreuk te zeggen dat Poot zijn naam niet gestolen heeft. Het hebben van een «poot» is in de artistieke omgangstaal een compliment om buitengewoon talent aan te duiden. Het oude dualisme dat lichaam en geest scheidde, speelt nog een rol in onze visie over de kunstenaar. De kunstenaar als behorend tot de intellectuelen wordt teveel als creatieve geest bekeken. De kunstenaar is echter lichaam, maar de geest zit in het lichaam. Men spreekt doorgaans van het bijzondere oog van de kunstenaar, en allicht terecht is zijn kijk een andere kijk. Maar vooral de hand is belangrijk, men zou hier gerust van manuele intelligentie kunnen spreken. Oog in oog met Rik Poot komt men vlug tot bovenstaande bedenking : een natuurkracht van wie men nog zou geloven dat hij het metaal kneedt en niet de was. Behorend tot onze beste beeldhouwers leidt zijn robuuste verschijning gemakkelijk tot de overtuiging dat het kunstenaarschap een ras apart is. Geboren in een primitieve maatschappij zou Rik ook de sculpteur van het dorp geworden zijn, vormgeven aan de religieuze gevoelens van de gemeenschap. Het oeuvre van Poot heeft hoofdkarakteristieken die door de jaren heen herkenbaar geworden zijn. Een eerste is alleszins de beweging. Poot maakt zelden statische beelden, maar brengt beweging tot stilstand, echter op een dergelijke wijze dat het lijkt dat die stilstand een tussenmoment is voor een verdere beweging : dynamische stilstanden dus. Dit aspect van zijn oeuvre is best te begrijpen aan de hand van het Griekse filosofische concept: «Dynamis» dat zowel «kracht» betekent als «potentialiteit», mogelijke kracht, kracht in rust. Aristoteles schreef daarover iets dat hier verhelderend is, nl. dat de potentialiteit niet kan gedefinieerd worden maar enkel geïllustreerd. De overgang van potentialiteit naar actualiteit, wat eigenlijk de «energeia» is, gebeurt, volgens de Griekse wijsgeer, doorheen de kunst (Metaphysica - 1048- 1049). Inderdaad begrijpt men beter wat het dynamische is bij Aristoteles doorheen het oeuvre van Poot, zoals men ook beter inzicht in zijn werk krijgt doorheen Aristoteles. Een tweede karakteristiek van zijn oeuvre heeft zich in de jaren zestig ontwikkeld en is niet eenvoudig onder woorden te brengen. Het betreft zijn eigen wijze om de leegte, de open ruimte binnenin zijn sculptuur te vangen. Doorgaans is het kijken naar sculpturen een zaak van confrontatie tussen massa en de ruimte errond. Bij Poot gaat het ook om de ruimte erin, waardoor het beeld minder massa wordt. Deze in- en doorkijkopeningen geven aan de beelden een vreemde dimensie bij; enigszins te vergelijken met het mysterieus effect dat Afrikaanse maskers soms hebben. Eigenaardig is ook dat daardoor de beelden lijken te vervreemden van hun modellen uit bloed en vlees. Er ontstaat een dubbelzinnige speling tussen twee indrukken die in elkaar overspringen, nl. dat het enerzijds soms «geraamten» lijken en anderzijds «pantsers». Het levend wezen wordt aldus voorgesteld als een spel tussen innerlijke substantie (de vrijdenker Poot zal het geraamte wellicht als een meer soliede innerlijkheid beschouwen dan de ziel) en de uiterlijke huid die soms masker wordt. De laatste karakteristiek die ik hier nog even aan bod wil laten komen, is de richting hemel versus aarde of m.a.w. de wijze waarop zijn figuren in de natuur ingebed zijn. Poot heeft iets pantheïstisch in zijn visie op de wereld : het enige principe van de natuur is de natuur zelf en de mens is ook natuur. Dat is zichtbaar aan de houding van zijn beelden. Nu eens lijken ze zich te willen verenigen met de Aarde, dan weer kijken ze uitdagend naar de lucht. Mens en dier zijn gelijk in hun levend wezen zijn. Ruiter en paard zijn met elkaar vervlochten, zoals de centauren. Zijn vrouwen zijn uit de grond gegroeid; godinnen, maar met de voeten op de aarde... wachtend op de ruiter wanneer deze zijn paard verlaat.
Waarde vriend : Toen ik je enkele weken geleden foto’s van werk van Rik Poot toonde (Amère Are: die, Matriarch, Het Laatste Uur, Zwarte Horizon, Lichtend Land), vroeg je enigszins uitdagend ‘wat me daar nu zo in aangreep'. Ik vond de woorden niet. Je verbrak de lange stilte met de suggestie dat ik de emoties die deze beelding bij me oproept dan maar eens schrijvend voor je duidelijk zou maken. Dat probeer ik nu, even vertwijfeld als vermetel, met de faalangst die de woordmens, oog in oog met zulke definitieve gestalten, bekruipt. Maar niet zonder je nog even te herinneren aan het moment waarop ons gesprek stokte. Sprakeloosheid kan bij wijlen luider klinken en meer onthullen dan praten. Wat de verkennende, tastende blik doet beseffen, blijft ontmoedigend buiten het bereik van het ijdele woord. Wel werd over deze beelding al veel zinnigs gezegd en geschreven - zeker, secuur gedocumenteerd en indringend, door Marcel Duchateau -, maar ik kan me voorstellen dat de auteurs na hun publikatie droesemgevoelens overhielden : de ervaring van verwondering en bewondering is groter dan wat verwoording vermag te duiden. Ongehinderd door de deskundigheid van de critici (wier zekerheid ik wel eens benijd) houd ik me dan ook aan mijn verbazing die nauwelijks minder is dan perplexiteit. Of ik het heb gedroomd of horen vertellen of in levenden lijve gezien, - ik weet het niet meer, doch het schouwspel blijft me bij. Rik Poot pakt een eend op, graaft de vingers in de pluimen en vlijt de warmte van dier en dons tegen zijn wang. Levenswarmte. Deze tederheid is ogenschijnlijk niet te rijmen met het ruige, violente gebaar waarmee diezelfde handen beelden van verschrikking, verontwaardiging en strijd maakten. En ‘maken’ is in dit geval een heel zwak werkwoord, ’t Moet veeleer een scheppend gevecht zijn geweest: een in woedend vuur uitgeleefd pathos ligt in de gedaanten geronnen. Levenswarmte. De tegenstelling blijkt dus schijn. Liefde en haat kunnen, samensmeltend in één onbenoembaar culminatiepunt, zichzelf overstijgen - hoe zeldzaam ook, het fenomeen bewijst dat de geschiedenis van mens en wereld periodiek haar apocalyptische momenten telt. Deze beelden zijn felle getuigenissen van een tragisch heden; met de bevangende bijzonderheid dat ze, ontstaan uit een quasi gewelddadige ambachtelijkheid, evenzeer meditatie en ingetogenheid als schreeuw en protest zijn geworden, zowel trots als deemoed, zowel verkramping en agressie, als tot strelen nodende sensualiteit. Eigenlijk zou men deze werken liever niet willen ontmoeten op een ‘tentoonstelling’, - dat benauwende cultuurgegeven. Men zou, wandelend op een horizonwijd, verlaten strand, ze plotseling willen zien opdoemen als voorwereldlijke onbekendheden, -dreigende er fascinerende. Men zou de naam Rik Poot niet kennen. Men zou, gebiologeerd, beangstigd er toch naderend, zich afvragen of deze vormen werden ‘vervaardigd’ ofwel in een ondoorgrondelijk natuurproces ‘geschapen’. Misschien zouden ze bij tientallen, moeten samen staan in een in de atlas onvermelde wildernis, - als een woud van onvermoede menselijkheid. Overigens, waarde vriend, heb je nadat je langdurig en, naar het me toescheen, een beetje dazig de foto’s had bekeken, verlost uitgeroepen : ‘Het zijn ménsen’. Dat was goed gezien. P.S.: Allicht is het je opgevallen dat het woordje 'kunst' geen enkele maal in deze brief voorkomt Dat schromelijk versleten cultuurwoord vertolkt me dunkt, een beledigende onderwaardering van dit authentieke Werk. De vrouw is ook voor jou, in de eerste plaats, een gebogen lijn, een curve, een barok-element, onrustig en gekweld. Klopt dat ? Zij is een draagster van het leven en als opwekster van de mannelijke levensdrift de kern van de natuur. Dat schept spanningen: vreugde en angst, dynamiek en onrust, die zich uiten in barokke elementen. De natuur is het enige dat mij met vreugde vervult. Het gehinnik van een paard maakt op mij meer indruk dan het geloei van straalmotoren. De vlucht van een Condor - waarvan de soort al zo goed als uitgestorven is - vind ik veel mooier dan die van de Apollo 12 of 84. Geen krant verdient het, dat er één boom voor wordt geveld; geen auto dat één mens in onze fabrieken als slaaf wordt behandeld.’ Ik bewonder je nerveuze schetsen, tekeningen en litho’s, rechtstreeks zonder voorstudie op de lithografische steen, om hun interne spanning, om het monumentale, geconstrueerde van de inhoud. Helpen ze je als ‘modello’ voor je sculpturen ? Er treedt inderdaad een wisselwerking op. Tekenen is immers de snelste manier om droombeelden te concretiseren. Wat trekt je aan bij het maken van tekeningen ? De snelheid van de uitvoering met penseel en oostindische inkt.
Schoonheid blijft echter een noodzakelijk element, ook in de wereld van heden. De wereld kan functioneren zonder kunst, maar zou dan ‘onleefbaar’ zijn; een ‘vierkante wereld’, zoals Rik Poot het uitdrukt. Hij wijst naar de blokkendozen die zich in de verte aftekenen. Tegenover die koele berekening stelt hij het intuïtief ondergaan van het onderwerp door de kunstenaar, zodat die er zelf de ziel van wordt. Verwijzend naar de Zen-kunstenaar, geeft hij een voorbeeld : ‘Ik teken alleen paarden omdat ik die door en door ken en in mijn tekeningen word ik een paard. Het is een groeiproces dat niets met de vorm van een hoef of een neusvleugel te maken heeft. Alleen de suggestie telt’. ‘Als het waar is dat in de stijl de persoonlijkheid van de kunstenaar schuilt, dan dient gezegd te worden dat Rik Poot geheel en al in zijn werk aanwezig is, met zijn bedwongen kracht, zijn overweldigende levenskracht; ook met zijn ernst, die echter in genendele zijn levenslust in de weg staat. Zijn wilskracht, rechtzinnigheid en eerlijkheid bezielen zijn beelden. En dit geschiedt met een pathetisch geweld, een uitbundig gevoel, dat verrast in de persoon van de rustige, in zichzelf gekeerde man die we uit de omgang met hem kennen. Maar ook de eenvoudigste sterveling is een vat vol tegenstrijdigheden... Ofschoon het werk van Poot bezield lijkt door een op de spits gedreven expressionisme, heb ik toch de indruk dat het langzaam evolueert naar bepaalde eeuwenoude klassieke vormen; geen dood classicisme, maar de klassieke kunst in haar vroegste stadium : jong, pril, heroïsch en onhandig, vol geweld en gebaren, zonder methode of systeem, boordevol ontelbare mogelijkheden en oplossingen die geen mens kan voorzien en die alle in dezelfde richting wijzen : wat eeuwig is in de schoonheid vatten in vormen van heden, het artistieke drama van alle tijd opnieuw beleven als een glorierijk avontuur in deze tijd, en op dit alles de stempel drukken van zijn persoonlijkheid.’ Ondanks de soms gehavende en gescheurde lichamen zijn de beelden vol beweging, vertonen ze een soepel en lenig ritme, exalteren ze de mens als het middelpunt van het universum. In de beelden die Rik Poot de laatste jaren heeft gemaakt, komt de geest van die woorden in een dubbele gedaante tot uiting. Sommige ervan zijn bezield met een pathetische waarschuwing; andere met een soms indrukwekkende sereniteit. Er is een bewonderenswaardige samenwerking en verstandhouding tussen beide, bovendien beschikt hij over een vindingrijke verbeelding, die spelenderwijs met de vorm tovert. Bovenal is hij begiftigd met een ingeboren zin voor het monumentale, met de kracht aan de vorm hoe klein van formaat die ook zij, het inwendige weerstandsvermogen te geven om zonder vrees zonder aarzeling het hoofd te bieden aan de ruimte.‘Vorm en stijlproblemen’, had hij reeds enkele jaren eerder verkondigd, 'interesseren mij niet meer; daarmee mogen academici en kunstcritici hun dagen slijten. Voor mijn part mogen de filosofen zich verdiepen in hun beschouwingen en intussen vergeten te leven. Van de mensen wil ik ook niets meer horen.' Beschouw je het welslagen van een sculptuur afhankelijk van een dosis geluk of van louter toeval ? Neen, zo eenvoudig is het niet. Soms speelt het toeval een klein rolletje. Maar hoofdzaak is : werk, werk, werk en nog eens werk, opnieuw en opnieuw. Hoe ben je tot beeldhouwen gekomen ? Ik was als kind altijd bezig met knutselen. Toen ik negen was, won ik aan de kust de eerste prijs voor een zandsculptuur. Dan zakte ik weg in het moeras van een atheneum in het grauwe Vilvoorde. Tijdens de oorlog ontsnapte ik aan de verplichte arbeidsdienst en toog naar de Academie in Brussel. Vanaf de eerste dag stond ik ademloos tegenover de góden van het Parthenon. Ik sprak met ze, draaide eromheen, lag ’s middags tegen hun schouders mijn boterhammen op te eten. Op een keer heb ik een architect die er een snorretje op tekende, half gewurgd. Begrijp je nu waarom ik beeldhouwer werd? Ik behoefde het niet te worden, ik was beeldhouwer sedert mijn geboorte. Ik moest echter zonodig naar de Academie om zelf tot die ontdekking te komen. Wat is nu eigenlijk beeldhouwen ? Beeldhouwen is denken met je handen. Een Hottentot die een tak buigt tot een boog en een pijlpunt aanslijpt, is al aardig op weg om te beeldhouwen. Als hij nadien vol ontzag de natuur om zich heen bewondert en dat gevoel vorm geeft in hout of steen, is hij een volwaardig beeldhouwer. Beoogt een sculptuur dat doel ? Vroeger wel. Nu is het nog slechts de waanzinnige droom van een gepassioneerd mens die niet past in het regeringsbeleid, of niet soms ?
Avec, dans sa figuration, une prédilection peut-être caractérisée pour le cheval, ce meilleur ami de l’homme naturel qu'il est avant tout... «Paree que lui au moins Il ne pose jamais !» Mobiles et attractives de par leur structure même, les sculptures de Rik Poot sont comme un appel a l’adhésion. A la rebellion. A la défense et a l’illustration d’une humanité en quête constante de sa liberté. Combat difficile, et semé d’embûches nous aguichant de leurs facilités décadentes. Aujourd’hui, et depuis quelques années déja, il a adopté l’expression par le bronze, fruit d’un labeur à la cire perdue. Son monde, on le connalt: l'homme, la femme, lecheval, le sunset, les autres, frères de coeur, de sang, de race. Les uns, les autres tels qu’ils sont, et seront: hier, aujourd’hui, demain. D’où cet art, quelque part, sans age. A l’abri des modes, a l’abri des courants esthétiques, intempestifs. Paarden op groot of klein formaat in hun soepele en lenige houdingen, neergevleid en rustend in de weide, stappend of dravend langs de weg, fier op hun benen staand, met opgeheven hoofd, onder het gewicht en het bevel van de ruiter. Met andere woorden : het paard als het ideale zinnebeeld van de onverbreekbare band, van het verbond van de beeldhouwer met de natuur; de natuur waarvan hij gezegd heeft, zoals men zich zal herinneren, dat zij op deze wereld het enige is dat hem met vreugde kan vervullen. Een ander aspect van Poots beelden vergt ook de persoonlijke tussenkomst van de kunstenaar: de patine. Bij de meeste van zijn beelden is die zeer onregelmatig. Poot benut ten volle de mogelijkheden van grijs-, groen- en goudtinten. Bovendien wordt het oppervlak dikwijls met de beitel afgewerkt, wat het materiespel nog opdrijft. Dikwijls wekken de beelden een verweerde indruk. Soms is die indruk ook wel op een heel natuurlijke manier ontstaan. Het gebeurt dat Poot beelden buiten laat staan om eventueel achteraf het natuurlijke patine-effect verder bij te werken. Zijn beste werken zullen dan ook nooit een gewoon egaal gepolijste huid vertonen. Bij de kleinste beeldjes kan er wel minder op de patine ingespeeld zijn. Op miniatuurformaat zou een sterk doorgedreven variatie van de patine wat te druk kunnen aandoen. Daarom zijn die kleinere werken soms egaal gepolijst.
RIK POOT Geboren te Vilvoorde in 1924 1944-’45 : studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Brussel 1962-’84 : professor in Monumentale Beeldhouwkunst aan het Hoger Instituut Terkameren Abdij, Brussel Tentoonstellingen in open lucht in binnen- en buitenland, zoals : Middelheim, Biënnale van Sao Paolo, enz. Individuele tentoonstellingen : Den Haag, Hilversum, Maastricht, Keulen, Düssel-dorf, Münich en in vele Belgische steden... Groepstentoonstellingen : Nederland, Engeland, Frankrijk, Duitsland, V.S., Spanje, Hongarije, Canada... Monumentale beelden in open lucht: 1960: St.-Lambertus. Realisatie door V.T.I. Sint-Laurentius Lokeren Cortenstaal 2.90 x 2.20 m. Tot 30/6- VTI Sint-Laurentius; van 1 /7 tot 27/9 - Hof ter Beuken; daarna definitieve plaatsing in het stadscentrum van Lokeren
Catalogus bij de tentoonstelling «Sculpturen Rik Poot» in het Centrum voor Ruimtelijke Kunst, stadspark «Hof ter Beuken», Groendreef 8, Lokeren van 21 juni tot en met 27 september 1992 Concept: Jan Verheyden Druk : NV De Cuyper-Robberecht, Zele Coördinatie : Rik Annerel «Sculpturen Rik Poot» is een tentoonstelling op uitnodiging van de
Stedelijke Commissie Kunstpatrimonium samengesteld uit met dank aan de heer Jean-Luc Dehaene, Eerste-Minister met bijzondere dank aan de heer Arie Van Caneghem, directeur van het Vrij Technisch Instituut
Sint-Laurentius en de leerkrachten en de leerlingen van de afdeling
Lassen-Constructie. de heer Kinsbergen, gouverneur provincie Antwerpen mevrouw S. Vleghels-Rombauts, directeur van het Openluchtmuseum Middelheim en de heer Meeuwis, conservator, voor het in bruikleen geven van «De Grote Ammoniet»
|