40 dagen Broederlijk delen, 365 dagen broederlijk stelen
Samenkomst met 300 mensen in Alma 2 - 1970
met verspreiding van nderstaan pamflet aan
honderden kerken in alle Vlaamse provincies

 

Onderstaande blz 1 voor 1 aanklikken en terug sluiten om terug te keren
link naar .pdf:
40 dagen Broederlijk delen

  


1                   2                  3                  4

 5                  6                  7                  8

 

40 dagen Broederlijk delen, 365 dagen broederlijk stelen

 
Vragen naar de werkelijke achtergronden en oorzaken van de onderontwikkeling naar aanleiding van broederlijk delen.

40 dagen broederlijk delen zijn bijna voorbij. Wij hebben met de mensen van de parochie een inspanning gedaan om gedurende deze 40 dagen een zekere soberheid aan de dag te leggen, afstand te doen van een stukje van onze welvaart. Zo juist: of verleden zondag al, hebben wij 50, 100 of 1.000 fr. in een enveloppe afgegeven in de kerk. Misschien hebben we zelfs een konferentie bijgewoond over onderontwikkelingsproblemen.

Broederlijk delen is bijna voorbij. Dit jaar wordt het wellicht 150 miljoen fr. Hiermee kunnen vele projekten gesteund worden in ongeveer 70 landen. Over deze projekten heb je kunnen lezen in het parochieblad. Men zegt ons dat het geld goed zal gebruikt worden. Kleine groepen mensen op verschillende plaatsen in de wereld zullen beter kunnen leven.

Broederlijk delen is bijna voorbij. En misschien denken wij wel: « Wij hebben weer eens geholpen in het lenigen van de nood in de wereld. Het behoorde tot onze taak als kristen mensen om hier gedurende 40 dagen aandacht en inspanning voor over te hebben ».

40 dagen broederlijk delen zijn dus bijna voorbij.

Intussen blijven de 365 dagen broederlijk stelen rustig verdergaan.

Via radio, tv en krant worden wij regelmatig gekonfronteerd met de nood in de wereld. Wij zijn een rijk land, en men zegt ons dat wij schuld- hebben aan deze onrechtvaardige toestand. Men roept ons op om deze nood te helpen lenigen en onze mentaliteit te veranderen. Broederlijk delen wil hiertoe bijdragen.

Doch zelden stellen wij ons vragen over de juiste waarde en draagwijdte van deze informatie en van akties zoals broederlijk delen. Men zegt ons veel over de derde wereld en men vraagt ons geldelijke bijdragen; doch spreekt men ons over de werkelijke oorzaken van deze toestand ?

Wij zien dat, ondanks het feit van 40 dagen broederlijk delen en de zovele andere akties, de achterstand van de derde wereld vergroot, deze landen armer worden. Anders gezegd, men gaat steeds maar verder deze landen uit te buiten, ondanks alle goedbedoelde geldelijke akties.

Wat zegt 'men' over de derde wereld, en... wat zijn eigenlijk de werkelijke achtergronden en oorzaken ?

1. EEN KLEINE HISTORISCHE SCHETS

Men zegt ons : « Die landen ginder zijn onderontwikkeld omdat de mensen er te dom zijn en te lui, omdat zij over te weinig ondernemingsgeest beschikken of omdat het er veel te warm is ».

Men bedoelt dan eigenlijk dat wij in tegenstelling tot die landen een snelle en suksesvolle ontwikkeling hebben gekend en nog blijven kennen omdat wij nu eenmaal (waarschijnlijk bij de gratie Gods) slimmer en werklustiger zijn, over een uitgelezen ondernemingsgeest beschikken en daarenboven in een uiterst geschikt klimaat kunnen leven.

Minder en minder mensen aanvaarden deze goedkope en voor de volkeren uit de derde wereld zeer beledigende uitleg. De realiteit ligt inderdaad helemaal anders. Wij zien immers hoe er tot voor de 18de eeuw bitter weinig verschil in ekonomisch ontwikkelingspeil vast te stellen viel tussen West-Europa en de rest van de wereld. In vele landen der wereld zien wij rond dit tijdstip een ver doorgedreven handel, welke leidt tot het bijeenbrengen van kapitalen bij handelaars en kooplui. Deze mensen zoeken hun geld rendabel te maken en wij zien de eerste fabrieken oprijzen. De geleerden noemen dit soms de overgang van kommercieel naar industrieel kapitalisme. Deze industriële ontwikkeling werd in westeuropese landen ten zeerste bemoeilijkt door een groot tekort aan grondstoffen, die hoogst noodzakelijk waren om industriële produkten te kunnen maken. Zij beschikten echter (als gevolg van hun geografische ligging aan de zee) over enorme vloten en een sterk ontwikkelde scheepsbouw. Hierdoor is het historisch te verklaren dat landen als Groot-Brittannië en Nederland het eerst in kontakt kwamen met landen als Indië en Indonesië waar zij een enorme rijkdom aan edele metalen en tropische produkten aantroffen. Dit feit op zichzelf moest voor die landen nog niet de dood van hun eigen industriële ontwikkeling betekenen. Wat zien wij echter ? De westeuropese landen gaan in Azië en Afrika al deze rijke grondstoffen voor niets wegroven. Op die manier slagen zij er in hun industriële ontwikkeling en hun technische vooruitgang ten zeerste te versnellen ; immers, gratis grondstoffen garanderen een enorme winst, die in nieuwe fabrieken en in nieuwe machines geïnvesteerd wordt, waardoor nog grotere winsten kunnen gemaakt worden.

Over de negatieve kant van deze medaille, in dit geval de situatie van de geplunderde landen, wordt echter maar weinig gesproken. Die volkeren werden onderdrukt, bijeen-gedreven in mijnen en plantages waar zij aan een uiterst laag loon de grondstoffen ' pakklaar' moesten maken. Zij werden dom en onwetend gehouden opdat zij de oorzaken van hun armoede niet zouden kunnen inzien. Kwam er toch protest dan stuurde het moederland zijn legers, om deze gerechtvaardigde opstanden ongenadig weg te kogelen. Het walgelijkste voorbeeld hiervan is wel Amerika, waar groepen Engelsen de Indianen bijna tot op de laatste man uitmoordden, alvorens er met een eigen industriële ontwikkeling te beginnen, en er de ' Great American Society' uit te bouwen.

Het spreekt dus vanzelf dat er in die landen géén kapitaalvorming kon ontstaan (alle winsten gingen immers naar het moederland) ; zonder kapitaal kon er geen eigen industrie opgebouwd worden. In de mate dat er toch industrie kwam was die volledig gericht op de uitvoer (bv. mijnen). Zo werden er bv. in Indië tussen 1757 en 1855 bij de 1.000 miljoen pond sterling (1 pond = 125 fr.) aan rijkdommen uit Indië weggesleept, terwijl het totale kapitaal van de Engelse naamloze vennootschappen, die hun aktiviteiten in Indië uitoefenden, slechts 36 miljoen pond bedroeg. Wanneer er dan toch bepaalde bevolkingsgroepen uit Indië in slaagden enig kapitaal te verzamelen en eigen produkten (voornamelijk in de tekstielsektor) te produceren, konden zij die praktisch niet verkopen op de Engelse markt omdat zij er voor onoverkomelijke tolrrv.jren stonden. Zo is Engeland industrieel ontwikkeld op de rug van de Indische rijkdom, terwijl het Indië zelf zijn eigen ontwikkeling ontzegde.

Het is deze ' kolonisatie', die wij eveneens kunnen nagaan in Kongo (België), in Indochina (Frankrijk), in Indonesië (Nederland) en in andere landen, die de werkelijke oorzaak is van de onderontwikkeling en die de onderontwikkeling tot uitbuiting maakt; luiheid en domheid hebben er niets mee te maken.

Men kan nu zeggen : ' Jamaar, de meeste van die landen zijn nu toch politiek onafhankelijk geworden ; nu kunnen zij een eigen weg opgaan '. In praktijk is die politieke onafhankelijkheid echter zeer klein. Wij zien immers hoe al die regeringen zich, al dan niet uit eigen beweging, aansluiten bij de belangen van de rijke kapitaalgroepen. De feitelijke toestand is immers zo dat de rijke landrvi de ekonomische macht bezitten (en wij hebben zoeven gezien hoe dit historisch gegroeid is) ; zij kunnen en zullen dus hun wetten aan de arme landen blijven opdringen.

2. HET ZOGENAAMDE BEVOLKINGSPROBLEEM

Men zegt ons : « Er is overbevolking ginder, wij moeten hen leren aan geboortebeperking te doen ».

De bevolkingsdichtheid is er echter veel lager dan bij ons. Wij vergeten hierbij nog dat de bevolking slechts een probleem is in de mate dat men de mensen geen eten kan geven. Het bevolkingsprobleem is dus vooral het probleem van de landbouw. Vele onderontwikkelde landen beschikken over vruchtbare gronden. Hoe komt het dat

de meeste landen er niet toe komen een evenwichtige landbouwkultuur te ontwikkelen ?

— Vele landen kunnen niet voldoende voedsel produceren voor zichzelf doordat de landbouw er op gericht is slechts één produkt te winnen (monokultuur), dat hoofdzakelijk bestemd is voor de uitvoer. Zo bv. Brazilië dat voorname-

lijk koffie voortbrengt. Deze situatie is een overblijfsel van de verovering van de Portugesen op Zuid-Amerika.

Nadat zij de bevolking onderdrukt en onmondig gemaakt hadden, maakten zij van Brazilië hun wingewest voor koffie. Alle landbouwlanden, waar vroeger verschillende pro-dukten gewonnen werden voor de eigen voedselvoorziening, moesten overschakelen op monokultuur om Europa te bevoorraden.

Op dit ogenblik is er in Brazilië een voedselprobleem door de eenzijdigheid van de landbouwteelt. Wij zien hierbij dat de meeste koffieplantages in handen zijn van rijke grootgrondbezitters en van amerikaanse kapitalen, die er enkel op uit zijn de koffie uit te voeren en winsten op te strijken zonder rekening te houden met de noden en behoeften van de eigen bevolking. Brazilië voert tonnen koffie uit, aan een prijs die de rijke landen bepalen en die schommelt naargelang onze noden en behoeften. Hier ingevoerd wordt er o.a. oploskoffie van gemaakt. Wij gaan onze potjes oploskoffie aan Brazilië verkopen, zodanig dat de rijke groepen van bij ons de winsten kunnen optrekken.

Brazilië zou ook oploskoffie kunnen maken, maar als zij die bij ons willen invoeren, dan staan zij voor onoverkomelijke tolmuren. Wij bepalen aldus welke produkten de onderontwikkelde landen mogen produceren en welke niet.

— In andere landen zal de landbouw niet ontwfkkeld worden omdat het veel voordeliger is voor de rijke groepen geld te investeren in de uitbating van mijnen en de oprichting van fabrieken, die veel meer winst opleveren, dan geld te investeren om de landbouw te bevorderen.

— Ofwel zijn alle gronden in het bezit van enkele grootgrondbezitters (die gesteund en geholpen worden door de rijken van bij ons), die alle produkten opeisen welke de landbouwers op hun grond winnen, zodanig dat deze landbouwers bijna geen voedsel voor zichzelf hebben.

— Elders zal de landbouw wel ontwikkeld worden, doch de goederen die gewonnen worden, gaan rechtstreeks naar andere landen. Zo bv. in Sao Paulo (Brazilië) hebben de Japanners enorme kilometers vruchtbare grond opgekocht. Daar hebben zij een intensieve landbouw ontwikkeld met veel verschillende produkten. De landbouwers zijn mensen van de streek. Doch de vruchten worden rechtstreeks per boot in grote frigo's naar Japan gevoerd, om daar verkocht te worden, terwijl er voor de vele inwoners in Sao Paulo een voedingsprobleem blijft bestaan. Wij zien dus dat het voor de rijke landen belangrijk is deze toestand in stand te houden, omdat zij binnen de huidige situatie de meeste winsten kunnen opstrijken. Zij zullen er niet toe overgaan hier verandering in te brengen. Het zal de bevolking van ginder zijn die hierin een radi-kale ommekeer moet brengen.

3. ER ZOU GEEN KAPITAAL ZIJN

Men zegt ons : « In de arme landen zijn meer dan voldoende arbeidskrachten. Er is ook een overvloed aan grondstoffen. Wat ze dus vooral nodig hebben voor de uitbouw van een eigen ekonomie, is kapitaal (d.w.z. geld voor de oprichting van fabrieken, voor de aankoop van machines en voor de betaling van de arbeiders). De rijke landen moeten dus kapitaal ter beschikking stellen van de arme landen. Dit noemt men ' hulp aan de ontwikkelingslanden ' ».

In werkelijkheid is er in die landen echter wel kapitaal aanwezig. Het wordt echter ofwel verkwist door de rijken uit die arme landen (nl. de grotgrondbezitters, de kooplui en de regeringen) ofwel en voornamelijk afgevoerd naar het buitenland.

Vóór de uitbuiting begon, bestonden er in de arme landen reeds zekere ekonomische strukturen zowel op gebied van de landbouw als de industrie. Deze groeiende ekonomie werd echter volledig ontbonden door de uitbuiters die de produktie van die landen volledig afstemden op de uitvoer naar het rijke land. In het geval dat de beginnende ekonomie van die landen niet vernietigd werd door de rijke landen, werd ze afgeremd en verhinderd door konkurrentie van de rijke landen.

Als gevolg van de ineenstorting van hun ekonomie ontstond er in de arme landen een groep mensen die munt sloeg uit deze toestand en die onscheidbaar verbonden zijn met de uitbuiters : de woekeraars en handelaars. De onwetende boer die bijna voortdurend in geldnood verkeert doordat hij de hoge huurprijs van zijn grond niet kan betalen, is een gemakkelijke prooi voor deze handelaars die goederen opkopen van boeren en andere kleine producenten en ze verkopen aan vreemde bedrijven en diens personeel. Deze handelaars hangen dus volledig af van de aanwezigheid van de vreemde uitbuiters. Zij zijn dus allen aanhangers van dat korrupt systeem. Tot deze klasse behoren eveneens de regeringen van de arme landen en de grootgrondbezitters, die echter hun geld veelal verkwisten. Vb. het geld dat Koeweit (een zeer belangrijk petroleumland) ontvangt van buitenlandse petroleummaatschappijen, gaat voor één derde naar de persoonlijke kas van de Sjeik, één derde wordt belegd in het buitenland of in buitenlandse bedrijven, de rest wordt gebruikt voor « kollektieve behoeften » (d.i. het moderniseren van de hoofdstad en zijn haven, de bouw van een waterdistillatiefabriek, en het oprichten van een prachtig nieuw paleis) : nochtans is de bevolking van Koeweit bijna de armste ter wereld (met een inkomen van 2.600 fr. per jaar) en 90% ervan lijdt aan kronische honger en tuberculose !

De enige oplossing voor die arme landen was en is dus : de buitenlandse indringers buiten smijten en zichzelf organiseren om zelf hun eigen ekonomie op te bouwen. Maar dit was en is praktisch onmogelijk gezien de enorme politieke, ekonomische en militaire onderdrukking door de uitbuitende landen. Kuba is hier nochtans in geslaagd onder leiding van Fidel Castro. Kuba heeft zich in een periode van 10 jaar enorm opgewerkt ondanks de systematische politieke boycot en kommerciële chantage van het westen. Nu sterft er tenminste niemand meer van honger, hetgeen men van geen enkel ander onderontwikkeld land, dat uitgebuit wordt, kan zeggen. Mgr. Cesar Zachi, pauselijk nuntius op Kuba: « Ideologisch gezien is Castro geen kristen, maar ik beschouw hem zedelijk, wel als kristen »

Welke zijn de verschillende soorten zogezegde hulp aan de ontwikkelingslanden ?

a) De private geldbeleggingen of investeringen.

Men heeft een private investering, wanneer een private maatschappij (vb. Ford Motor Company) geld steekt in een nieuw bedrijf (vb. Fordfabriek te Genk). In feite zijn de private investeringen in de derde wereld de meest perfekte vorm van uitbuiting.

De investeringen die de meeste garanties hebben voor de ontwikkeling van een ekonomie, zijn de investeringen op lange termijn. Maar nu zien we dat deze geldbeleggingen op lange termijn zich vooral richten tot de rijke landen die reeds een uitgebreide industrie hebben, en niet tot de arme landen die hun eigen industrie nog moeten opbouwen. Zo zullen de U.S.A. bvb. hun investeringen in Europa opdrijven. Europa is verplicht om Amerikaanse investeringen te aanvaarden omdat het moet wijken onder de sterke Amerikaanse druk. Acec is één van de vele gevallen. Zo komt de europese ekonomie langzamerhand in handen van de U.S.A., net zoals dat nu reeds het geval is voor Zuid-Amerika.

Al deze investeringen zijn er natuurlijk op gericht winst te maken. Deze winsten gaan naar het investerende land. Zelfs als de grondstoffen van de arme landen duurder worden, zijn het nog de private maatschappijen van de rijke landen die daarvan profiteren : als het koper van Rhodesië duurder wordt is het niet het volk van Rhodesië dat daarvan profiteert, maar de Engelse aandeelhouders van de Rhodesische mijnen. Nog een voorbeeld : op 13 december van vorig jaar werd de demokratie in Brazilië vervangen door een militaire diktatuur. Op 28 december geeft Washington zijn vertrouwen aan de nieuwe brazi-liaanse politiek «zolang de nieuwe braziliaanse politiek niet raakt aan de private instellingen ». Deze private investeringen hebben dus niets te betekenen voor de volksmassa's van de arme landen. Zij verstevigen gewoon de uitbuitingspolitiek van de rijke landen. Dit geldt natuurlijk ook voor de belgische investeringen in Kongo.

b) Publieke hulp of staatshulp tussen twee landen (bilaterale hulp).

De meeste zgz. hulp gebeurt onder deze vorm. Deze hulpverlening van het ene land aan het andere is gebonden aan bepaalde voorwaarden.

Vb. - om te investeren in een onderontwikkeld land worden door het Verbond der Belgische Nijverheid (V.B.N.) hoge eisen gesteld : de bedrijven waarin men investeert zullen niet mogen genationaliseerd worden, er moeten zeer duidelijke waarborgen gegeven worden voor de rendabiliteit van het geïnvesteerde geld enz... - het land waarin geïnvesteerd wordt mag natuurlijk nooit stemmen tegen het investerende land bij een stemming in de U.N.O.

Het betreft hier zeer dikwijls militaire hulp. Welke is de oorzaak van de perfekte militaire uitrusting van het leger

in praktisch alle landen van de derde wereld ? Daar wordt zó dadelijk uitvoerig op ingegaan. Hier volstaat een voorbeeldje van de band tussen de belgische uitbuitingspolitiek t.o.v. Kongo en onze militaire steun aan dat land : onmiddellijk na het bezoek van de belgische handelsmissie o.l.v. prins Albert, ging onze minister van landsverdediging, P.W. Segers praten met generaal Moboetoe over de belgische militaire steun aan Kongo.

Deze publieke hulp tussen twee landen gaat enkel naar landen met enig strategisch of ekonomisch belang. De bedoeling ervan is : het beveiligen van de voorraadschuren en afzetgebieden van de rijke landen. Een staaltje van dit soort uitbuiting is Vietnam : de burgerlijke steun van de U.S.A. aan dit onderontwikkeld land bedroeg het voorbije jaar zoveel als de hulp tijdens het vorige jaar van de U.S.A. aan Afrika en de hulp aan India gedurende de voorbije 4 jaren samen. (De enorme militaire steun dus niet meegerekend). Een belangrijke reden hiervan is dat de U.S.A., Vietnam en gans Zuid-Oost-Azië kost wat kost wil behouden als afzet- en uitbuitingsgebied van zijn industrie.

Al die hulp gebeurt dus op basis van de behoeften van de rijke landen en die hulp (lees : uitbuiting) is maar mogelijk doordat de regeringen van de arme landen zich ten dienste stellen van de grootmachten en liever hun eigen persoonlijke belangen verdedigen dan die van hun bevolking.

c) Staatshulp of publieke hulp langs bemiddeling van internationale organisaties (multilaterale hulp).

Deze vorm van hulp geschiedt hoofdzakelijk langs de Wereldbank. Deze Wereldbank is een U.N.O.-instelling. De huidige voorzitter ervan is Mac Namara, de vroegere minister van oorlog van de U.S.A. In de Wereldbank hebben de U.S.A., Engeland, W.-Duitsland, Frankrijk en Formosa meer dan 50% van de stemmen. Het doel van de Wereldbank is dus duidelijk : de gezamenlijke belangen van de westerse wereld te beveiligen. De Wereldbank leent trouwens niet enkel aan de derde wereld. In 1963-'64 heeft Europa zelfs meer ontvangen dan Afrika.

Een projekt dat langs de Wereldbank om door een groot aantal westerse landen gesteund wordt, is de kanalisering van de Mekong. De Mekong is een waterloop die zeer belangrijk is voor de ekonomie van Zuid-Oost-Azië. De bedoeling van dit opzet wordt echter duidelijker wanneer men weet dat deze rivier ook van een zeer groot strategisch belang is : zij vloeit nl. op verschillende plaatsen door het oerwoud ; en biedt op die manier een geschikte schuilplaats voor en interessante mogelijkheid tot vervoer en kommunikatie tussen de vele strijdgroepen uit de bevolking, die gewapend verzet willen plegen tegen de vreemde uitbuiting en militaire onderdrukking van hun land.

Door dit projekt zal men de rievier zoveel mogelijk afleiden van deze schuiloorden en zo zal dit projekt bijdragen tot de onderdrukking van de rechtvaardige opstand van verschillende Zuid-Oost-Aziatische volkeren tegen de vreemde uitbuiting.

De gevolgen van de huidige hulp in de derde wereld zijn in feite : grotere winsten voor de rijke landen en daardoor verarming van de derde wereld, vb. - Latijns-Amerika ontving in de periode 1960-62 aan publieke en private hulp samen 12% van zijn totaal aan deviezen, maar moest 17% van zijn totaal aan deviezen teruggeven onder de vorm van dividenden en interesten. West-Azië ontving in dezelfde periode 18% van zijn totaal aan deviezen in de vorm van hulp, maar moest 35 % van zijn totaal aan deviezen weer zien vertrekken onder de vorm van interesten en dividenden. Dit alles noemt men «vrije handel»: de rijke landen kunnen nog slechts handel drijven met als enige doel : een zo hoog mogelijke winst verwezenlijken. Doen zij dat niet, dan worden ze doodgekonkureerd door een andere grootmacht.

Als besluit van deze investeringen kunnen we stellen dat de «hulp» een dubbele vorm van uitbuiting betekent:

— uitbuiting van de gemeenschappelijke goederen der bevolking van de derde wereld door private instellingen uit de rijke landen.

— uitbuiting van de onterfde massa's van de arme landen ten voordele van de plaatselijke rijke groepen die eveneens ten dienste staan van de westerse grootmachten.

4. BIJ ONS ZOU ER DUS WELVAART ZIJN...

Men zegt ons : « wij moeten ervoor zorgen dat de onderontwikkelde landen dezelfde welstand kennen als wij nu hebben. Onze arbeiders hebben het nu goed; dat zij maar een beetje afstaan aan hun broeders uit de onderontwikkelde landen ».

Maar wat houdt deze welvaart eigenlijk allemaal in voor grote groepen uit onze bevolking zoals de arbeiders, de kleine bedienden en de kleine zelfstandigen ?

Op het eerste zicht lijkt het inderdaad allemaal wel luksueus en bijzonder komfortabel met die auto, die frigo, die T.V. en dat huisje. Achter al deze dingen schuilen toch wel enkele negatieve kanten waarover weliswaar weinig gepraat wordt maar die voor velen van ons toch de harde realiteit uitmaken.

— Het verbruikspatroon zoals het ons door de reklame voorgehouden wordt ligt merkelijk hoger dan de financiële koopkracht, waarover deze groepen beschikken ; zo schatte de studiedienst van het A.C.W. na een uitgebreid onderzoek dit verbruikspatroon op 24.000 F per maand. Dit heeft tot gevolg dat deze mensen zich een aantal dingen moeten ontzeggen, die anderen zich wel kunnen aanschaffen. Velen steken zich in schulden (de kredietmogelijkheid worden bij ons alsmaar gemakkelijker) waardoor zij in een grote afhankelijkheidspositie komen te staan. Zij worden min of meer verplicht om overuren te maken (bvb. Ford-Genk), zij moeten zich op hun werk een slechte behandeling laten welgevallen want slecht werk is nog altijd beter dan géén werk. Wij spreken hier dan nog niet over al diegenen waarvoor het loon of de vergoeding bijna onvoldoende is om zich zelfs het levensminimum aan te schaffen zoals bvb. de werklozen (100.000 in België): de gehandikapten, bepaalde groepen van gepensioneerden enz...

— Opdat onze kapitaalgroepen zoveel mogelijk winst zouden kunnen maken, moet er zeer veel geproduceerd worden. Veel van wat geproduceerd wordt heeft de mens echter niet nodig. Een typisch voorbeeld hiervan is Coca-Cola ; spontaan zal de mens géén coca drinken. Wanneer wij echter weten dat Coca-Cola 85% van zijn enorme winsten teruginvesteert in reklame dan leert ons dit dat niet de kwaliteit van het produkt als zodanig doorslaggevend is voor de verkoop maar wel al datgene wat men de mensen wijsmaakt over de zogezegde kwaliteit van dit drankje. Waardevolle fruitsappen worden echter bijna

niet, (of alleszins aan een veel hogere prijs) op de markt gebracht omdat zij een veel kleinere winst garanderen. De wagens, die tegenwoordig gemaakt worden gaan maar een paar jaren mee en vertonen een minimum aan veiligheid. Technisch gezien kan men nochtans veel veiliger wagens van een veel hogere kwaliteit maken. Men verkiest echter de eerste soort omdat er dan veel meer wagens kunnen geproduceerd worden en dus ook meer winsten gemaakt.

— Er wordt dan ook aanhoudend gesproken over de hoge mate aan produktiviteit, die onze maatschappij zou kenmerken. Maar wordt het werk van onze arbeiders, die toch het meest voor deze produktie moeten instaan, voldoende gekend en gewaardeerd ?

Wij vinden de Capri misschien wel een mooie wagen, maar weten wij wel iets over het verschrikkelijk hoge tempo waaran de arbeiders hem hebben moeten maken, over de onmenselijke arbeidsvoorwaarden, die ermee gepaard gingen. Het was niet zomaar dat de arbeiders uit Ford-Genk tijdens hun laatste staking de ' mens op de eerste plaats' eisten.

— Wanneer bedrijven niet meer rendabel zijn worden de arbeiders zomaar op straat gezet (mijnen en tekstiel) zonder dat zij daar ook maar in het minst in erkend worden.

Wanneer de staatsschuld toeneemt mag de kleine man ervoor opdraaien. Want het is toch wel de kleine man die het ergst zal getroffen worden wanneer volgend jaar de B.T.W. (met zijn 10 tot 15% prijsverhogingen) in voege zal treden.

— Het plan Mansholt zal vele kleine boeren verplichten met hun bedrijf op te houden. Ook zij werden hierin helemaal niet geraadpleegd.

Samengevat kunnen wij zeggen dat ook bij ons het grote gedeelte van de bevolking, ondanks de zgn. stijgende welvaart, helemaal niet betrokken wordt in de belangrijke beslissingen, die over hun eigen levensomstandigheden getroffen worden.

5. VORMEN VAN OPLOSSING DIE DIKWIJLS VOORGESTELD WORDEN.

a) Men zegt ons : « wij moeten bekomen dat er hogere prijzen betaald worden voor de grondstoffen uit de ontwikkelingslanden. Deze prijzen moeten vast zijn en niet van jaar op jaar veranderen ».

Afgezien van het feit dat de mijn en plantages dikwijls rechtstreeks uitgebaat worden door kapitaalgroepen uit de rijke landen betekent zulk een prijzenpolitiek nog altijd niet de uiteindelijke oplossing. Misschien zullen er hogere lonen kunnen uitbetaald worden, maar vermits alle afgewerkte produkten uit de rijke landen komen leidt dit dus alleen tot een vergroting van de afzetmarkt van de grote industiële groepen uit de rijke landen.

In geval van genationaliseerde bedrijven zullen de plaatselijke regeringen over meer geld beschikken. Vermits nu echter al deze regeringen omgekocht zijn (wij hebben reed aangetoond hoe dit komt) door de regeringen uit de rijke landen zullen zij met dit geld alleen maar de belangen van de grote industriële groepen dienen, bvb. : door het aanleggen van wegen, telefoonlijnen en havens i.f.v. de noden van de buitenlandse bedrijven en o.a. ook nog door het aankopen van bvb. militair materieel.

b) Men zegt ons : « de oude industrieën (zoals de mijnen, de tekstiel en de staalnijverheid) moeten naar de onderontwikkelde landen overgebracht worden. Wij zullen de dynamische sektoren zoals de auto-mobielsektor (Ford) de elektrotechniek (Philips) en de machinebouw (IBM) wel verzorgen ».

Wat men de oude industrieën noemt zijn deze bedrijven, die bij ons niet langer meer rendabel zijn omdat er in verhouding tot het aantal machines zeer veel mensen moeten werken en er als gevolg van een stijgend aantal werkplaatsen en een aanhoudende arbeidersstrijd steeds meer hogere lonen moeten uitbetaald worden. Deze oplossing komt er dus op neer dat de kapitaalbezitters deze bedrijven gewoon gaan overbrengen naar plaatsen waar zij (door het enorme arbeidersoverschot) een veel grotere winst garanderen. Op die manier worden de volkeren uit de Derde Wereld gedegradeerd tot uitvoerders van het fysisch meest ondankbare werk, dat ook nu al bij ons door buitenlandse arbeiders uit de

arme europese staten (Portugal, Griekenland, Italië, Spanje) gedaan wordt. Daarenboven zullen de winsten van deze bedrijven nog altijd blijven terugvloeien naar de kapitaal-groepen uit het moederland, die erover zullen beslissen in funktie van het vergroten van deze winst en helemaal niet in funktie van de werkelijke noden van de onderontwikkelde landen. De grondstoffen zullen nu misschien een basisverwerking ondergaan in de ontwikkelingslanden zelf (bvb. staalindustrie) maar ook deze verwerkte grondstoffen zullen naar de rijke landen gaan om er verder verwerkt te worden tot produkten, die de arme landen op dit ogenblik zeker niet nodig hebben, bvb. tanks, vliegtuigen, auto's, raketten, atoombommen en T.V.'s.

c) Men zegt ons : « het is heel belangrijk dat mensen van bij ons naar ginder gaan om de landbouw te stimuleren, hospitalen op te richten, onderwijs te geven. Door deze propekten te stimuleren en te zorgen voor het geld om ze te bekostigen helpen wij de arme landen ».

Een 50-tal organismen voor ontwikkelingshulp stimuleren en financieren projekten in onderontwikkelde landen. Doch op dit moment zijn er nog zeer weinig gezamenlijke afspraken gemaakt. Doordat elk organisme op zijn eentje verder gaat met het sturen van mensen en geld zonder tot een voldoende koördinatie te komen, worden vele krachten verspild.

Het steunen van projekten is er meestal op gericht de gevolgen van de onderontwikkeling te verhelpen. Men bouwt hospitalen ter bestrijding van ziekten, die als oorzaak de honger hebben. Men gaat de honger bestrijden door landbouwprojekten te organiseren, die uiteindelijk niets verhelpen wanneer de goederen in handen blijven komen van de grootgrondbezitters. De grootgrondbezitters die niets zullen veranderen omdat de huidige toestand voor hen het gunstigst is.

In vele hulpverleningen is het nog zo dat westerse mensen ginder alles zelf gaan organiseren, zonder de bevolking te leren zelf hun ontwikkeling in handen te nemen.

Dikwijls (en dit is meestal het geval bij projekten gefinancierd door de regeringen van bij ons) worden er

projekten gesteund die er niet op gericht zijn te voldoen in de noden en behoeften van de bevolking zelf, maar wel om de mensen te helpen onze belangen te dienen. Zo bv. in Kongo, waar rijke belangengroepen van België fabrieken hebben opgericht, steunt de Belgische staat projekten om technische scholen op te richten, die het lager personeel moeten leveren voor die fabrieken. Hier is er natuurlijk geen sprake van de mensen bewust te maken hun eigen belangen in handen te nemen. We zien dus dat op dit ogenblik vele onderontwikkelingshulp er op gericht is de onderontwikkeling in zijn gevolgen te bestrijden, ofwel om de mensen te helpen de belangen van de rijke groepen te dienen. Daarom moeten wij vooral die projekten steunen die erop gericht zijn de bevolking bewust te maken van hun situatie, hen te helpen hun eigen ontwikkeling in handen te nemen, en dit zo te doen dat de mensen van ginder zelf voor deze bewustwording zorgen. Wij kunnen wel geldelijke bijdragen geven, maar wij moeten niet zeggen hoe zij zichzelf moeten organiseren, bv. Het projekt M.E.B.-Crateus in N.O. Brazilië. De bedoeling is door de alfabetisatie een proces van bewustwording te bewerken. Konkreet bestaat dit erin de mensen te helpen hun problemen te ontdekken, waardoor zij tot een bewuste inzet komen om hieraan te verhelpen. Op dit ogenblik zal een sterk politiek bewustzijn doorbreken en begint men zich te organiseren in een politieke organisatie van de landbouwersklasse. Dit projekt en deze zelforganisatie is op dit ogenblik echter verboden door de braziliaanse regering en moet dus onwettelijk gebeuren.

d) Men zegt ons : « slechts door geleidelijke evolutie zal er verandering komen in deze toestand. Een revolutie brengt geen oplossing ».

Doorheen het voorgaande is duidelijk geworden dat de rijke groepen van bij ons er niet kunnen toe komen een verandering te bewerken. Enkele van deze groepen zijn : Société Générale de Belgique, American Fruit Compagny, Standard ON Company. Zij kunnen enkel nadenken en handelen vanuit de harde wet meer winsten te maken en hun kapitaal te vermeerderen. Zo zullen de arme landen steeds onderdrukt en blijvend uitgebuit worden. De enige mogelijkheid voor de arme landen om aan deze druk en uitbuiting te ontkomen is het zelf in handen nemen van hun eigen ontwikkeling. Zij moeten zelf bepalen welke fabrieken opgericht worden, welke produkten zullen gemaakt worden om aldus in hun eigen noden en behoeften te voldoen. Dat kunnen zij niet meer verwachten van de rijke landen. Doch wanneer zij hun eigen ontwikkeling in handen nemen, (zichzelf autonoom organiseren in een eigen nationale ekonomie) zullen zij altijd opbotsen tegen de belangen van rijke groepen van bij ons. Er zal steeds strijd zijn, juist omdat het voor de rijke groepen van levensbelang is dat zij de grondstoffen in die landen kunnen weghalen.

Om nu te voorkomen dat de arme landen zichzelf autonoom organiseren, hebben de rijke groepen van bij ons een heel systeem uitgewerkt. Zij hebben eerst gezorgd dat er regeringen kwamen die goede maatjes van hen werden. Door hen geld te geven zijn deze regeringen bereid mee te spelen in deze uitbuiting. Wanneer er gevaar bestond dat deze regeringen niet meer zouden meespelen hebben de rijke groepen van bij ons er voor gezorgd dat er militairen aan het bewind kwamen, zodanig dat elke aktie van het volk tegen deze uitbuiting kon onderdrukt worden, o.a. in Brazilië waar een militaire diktatuur werd gevestigd o.l.v. Costa e Silva, en in Bolivië o.l.v. Barrientos. Deze militaire staatsgrepen gebeurden met militairen die hun opleiding ontvingen in de Verenigde Staten. De U.S.A. leidt op dit ogenblik duizenden mensen van de Derde Wereld op om als het nodig is de regeringen bij te staan om het volk kalm te houden. Konkreet worden in Amerika 1800 Bolivianen tot dit doel opgeleid.

Men zal ook zorgen dat deze regeringen een uitgebreid en goed uitgerust leger hebben. Amerika zal bv. gelden geven als ontwikkelingshulp maar deze landen zijn verplicht vliegtuigen en tanks te kopen, die er enkel voor moeten zorgen dat het volk niet in opstand komt tegen haar onmenselijke situatie.

Beschouwen we nu even de militaire pakten, Nato en Warschaupakt. De tegenstelling tussen Oost en West, Nato tegenover het Warschaupakt, begint steeds maar af te zwakken, terwijl de tegenstelling Noord (rijk, geïndustriali-

seerd) - Zuid (arm, onderontwikkeld) begint toe te nemen. De Nato (waaronder Portugal en Griekenland) bestaat meer en meer om belangen van de westerse landen in Afrika te verdedigen, bv. in Angola, Mozambique en Guinea treedt de Nato op langs Portugal om. In Angola is op bepaalde plaatsn 10% van de mannelijke bevolking uitgeroeid door portugese legers die streden met Nato-wapens. Het Warschaupakt wordt meer en meer een aanvallend pakt, gericht tegen China en Zuid-Oost Azië. Dit wordt o.a. duidelijk door de laatste verwikkelingen tussen Rusland en China. Rusland levert wapens aan Nigeria om haar belangen te verdedigen. Noord-Amerika tenslotte houdt heel Zuid-Amerika in haar greep. bv. Amerikaanse maatschappijen hebben in het Amazonegebied (Brazilië) grote stukken grond opgekocht (omwille van de rijke ondergrond). Daarna hebben amerikaanse legereenheden het grootste deel van de plaatselijke bevolking (indianen) uitgeroeid, zodat men zonder lastig gevallen te worden zijn fabrieken en mijnen kon inplanten.

In verband met de Amerikaanse agressie in Vietnam is een uitspraak van Westmoreland (de vroegere bevelhebber van de Amerikaanse troepen in Vietnam) typisch : «Wij willen in Vietnam alleen maar bewijzen dat revolutie de moeite niet loont». De Amerikanen willen t.o.v. de andere onderontwikkelde landen een voorbeeld stellen. Elke gueril-laoorlog of revolutie kan nooit gewonnen worden. In Vietnam zijn nu al 100.000-en mensen vermoord door napalm bommen, giftgassen en massale vernietiging van rijst en graangewassen.

We zien dus dat gans deze militaire organisatie erop gericht is de derde wereld in zijn situatie van onderontwikkeld gebied te behouden en de rijke landen zullen daarom ook elke aktie van het volk om voor zichzelf in te staan in de kiem en met geweld smoren. Che Guevara en Camillo Torres zijn namen van mensen die opgekomen zijn om hun volk te organiseren en op te roepen tot de strijd tegen de uitbuiting. Zij hebben het moeten bekopen met hun leven. Wat zij in Bolivië en Columbië deden wordt op dit ogenblik verder gezet in Bolivië, Brazilië, Angola (waar amilcar cabral grote groepen van de bevolking achter zich krijgt in de strijd tegen de onderdrukking door Portugal), Vietnam, Palestina, Kongo en nog vele andere landen. Het is duidelijk dat een geleidelijke evolutie deze werelduitbuiting niet zal uitschakelen. Daarvoor zijn de belangen van de rijke machtsgroepen van onze wereld en het geweld dat zij achter zich hebben staan te sterk. De bevolking van ginder moet zichzelf organiseren en dat zal steeds strijd uitlokken.

6. BESLUIT.

Wat betekent deze toestand van werelduitbuiting voor onze konkrete situatie ?

Na dit overzicht van de werkelijke achtergronden en oorzaken van deze uitbuiting (wij noemen dit ontwikkelingshulp of ontwikkelingssamenwerking), is het belangrijk dat we in alles wat we zijn en doen, in ons beroep, zowel als in ons gezin en de parochie, begaan zijn met deze wereldsituatie en onze verantwoordelijkheid opnemen. In de landen ginder gaat het niet zonder strijd (kfr Che Guevara en Camillo Torres). Zij hebben hun verantwoordelijkheid opgenomen in hun land. Wij moeten in onze Westerse wereld, land, provincie, stad of dorp een zelfde aktieve inzet ontplooien tegen deze onmenselijke situatie. « Noch uw ontwikkelingshelpers, noch uw geld hebben wij nodig. Het enige wat U Europeanen moet doen is dit : een revolutie van de ideeën ontketenen in uw eigen wereld», zegde Dom Helder Camara (Zuid-Amerikaans bisschop) tijdens een kongres in Berlijn. Deze vragen moeten wij ons stellen :

* In welke mate werken wij door de uitoefening van ons beroep mee aan het instandhouden van deze toestand ? In welk bedrijf, bank of administratiewezen wij ook werkzaam zijn - wij moeten zoeken naar de belangen die deze banken, bedrijven te verdedigen hebben.

* Op welke wijze is de officiële kerk gebonden aan het kapitaal, de staten of regeringen in de onderontwikkelde landen en hier. Waarom worden progressieve priesters en bisschoppen aangeklaagd in Rome of in staatsgevangenissen gestopt ? Moeten wij hierin onze stem niet laten horen, langs onze bisschop om. (bv. de Kerk van Rome heeft 51 % van de aandelen in de Fiat fabrieken.)

* In welke mate helpt het onderwijssysteem en het orga-nisatieleven mee aan de bewustwording van de jongeren en licht zij hen op de juiste wijze voor ? Als ouders moeten wij hierover onze stem laten horen bij de direkties of leidingen. Als jongeren of studenten hebben wij de plicht onze leraars te vragen hierover te spreken en diskussie te hebben in de klas.

* Binnen het gezin dat wij vormen moeten wij onze kinderen van jongsafaan spreken over deze problemen. Daarom moeten wij, man en vrouw, op de eerste plaats zelf over deze dingen nadenken en zoeken naar vormen om de kinderen op te roepen tot een aktief engagement, en,

wanneer zij ouder worden, moeten wij hen krediet geven om tot studie en aktie over te gaan.

* Wat betekent het konkreet voor onszelf en voor de parochie een kristen mens te zijn en een geloofsgemeenschap te vormen ?

Wij noemen ons kristen mensen. Maar durven wij vragen aan de pastoor dat hij ons 's zondags op de preekstoel zou spreken over de rol van de belgische politici in de uitbuiting van de derde wereld. Durven wij hem vragen om de eisen van het evangelie radikaal aan ons te stellen en ons te helpen onze verantwoordelijkheden op te nemen ?

De handelsmissie o.l.v prins Albert en het bezoek van P.W. Segers aan Kongo zijn een reële bijdrage geweest om Kongo in zijn situatie als onderontwikkeld land te behouden. Hebben wij de moed om dit aan te klagen ? Het pleit niet voor ons als wij in deze dingen passief en lijdzaam blijven toezien.

Wij noemen ons kristen mensen. Doch hebben wij de moed om in de parochieraad of in onze organisaties te spreken over het provinciebestuur, dat uit prestige redenen voor onze bisschop een huis gaat bouwen van om en bij de 20 miljoen fr. Moeten wij daar geen standpunt tegenover innemen en de bisschop vragen hetzelfde te doen ?

Wij noemen ons kristen mensen. Wordt het niet hoog tijd om met de volwassenen in de parochie te gaan nadenken over de politieke en ekonomische toestand, over onze zogezegde welvaart, die slechts kan bestaan ten koste van een blijvende onderontwikkeling en uitbuiting van het grootste deel van de wereldbevolking ? Moeten wij niet gaan nadenken over de rol van de leidende instanties van ons land, die er alle belang bij hebben dat zo weinig mogelijk mensen op de hoogte zijn van de belangen die zij hebben in de verschillende banken en bedrijven, die medewerken aan de onderontwikkeling ? Wij noemen ons kristen mensen. En we doen mee aan broederlijk delen. Maken wij Kristus niet belachelijk wanneer wij ons nog kristen mensen noemen, zonder de inzet op te brengen om op een radikale en uitdrukkelijke wijze te reageren tegen deze wereldsitutatie ?

Voor verdere diskussie en dokumentatie kunt u altijd terecht bij volgende organisaties of personen :

SAK-Genk: Johny Leenaerts, Hasseltweg 282, Genk.
SAK-Hasselt: Kris Hertogen, Oudstrijderslaan 22, Hasselt - Tel. 011/225 03. Aktiekomitee 3de wereld-Maaskant: Ferre Weustenraad, Kerkhofstraat 7, Vucht. PAL-Zuid Limburg: Russelt 33, Wellen - Tel. 011/110 75. Pablo Franssens, missionaris in Bolivië, Kolmenstraat 39, Stevoort.

Verantwoordelijke uitgever: Hugo Biets, Kapelstraat 6, Broekom (Borgloon)