|
Het
tij keren - Herman J. Claeys
De foto's op voor- en achterkant werden respectievelijk in 1993 en 1991 gemaakt door CORINNE TAUNAY. Lay-out, en zetwerk werden verzorgd door wim Strecker. TREK HET JE NIETAAN Zij bestormen een boekhandel, trekken de kasten omver, verwonden de medewerkers en verbranden boeken, triomfantelijk krijsend van "rooie ratten!" - maar zij zijn slechts een minderheid, het is maar een handjevol heethoofden, het zal wel overgaan, trek het je niet aan!
Zij voeren raids uit op cafés bedreigen de bezoekers slaan de inboedel aan diggelen en rukken de affiches af, triomfantelijk krijsend van "linkse honden!" - maar zij zijn slechts een minderheid, het is maar een handjevol heethoofden, het zal wel overgaan, trek het je niet aan!
Zij houden een razzia in een wijk, terrorizeren de straat, isoleren enkele donkerhuidigen en rammen ze vakkundig in mekaar, triomfantelijk krijsend van "vreemd gespuis!" - maar zij zijn slechts een minderheid, het is maar een handjevol heethoofden, het zal wel overgaan, trek het je niet aan!
Zij kraken bij nacht een redaktielokaal, nemen het adressenbestand in beslag, vernietigen machines en materiaal en steken de dokumentatie in brand, triomfantelijk krijsend van "rotte anarchisten!" - maar zij zijn slechts een minderheid, het is maar een handjevol heethoofden, het zal wel overgaan, trek het je niet aan!
Zij schieten vanuit een rijdende wagen bij klaarlichte dag en in vollle straat een passerende inwijkeling neer, triomfantelijk krijsend van 'Vuile makak!" - maar zij zijn slechts een minderheid, het is maar een handjevol heethoofden, het zal wel overgaan, trek het je niet aan!
In den beginne was er een schoft: hij was slechts een minderheid en zijn trawanten maar een handjevol heethoofden, triomfantelijk krijsend van "Juden 'raus!" het zou wel overgaan, we trokken het ons niet aan!
TIJDSPANNE De bloedhonden hebben mijn makker Yussif in mekaar getimmerd in een portiek van het Antwerpse Centraalstation, mijn makker Yussif uit Oran, waar de zon altijd schijnt.
Uit de soundlight-bliksemende muil van een danstent vlakbij jengelen de laatste disco-hits naar buiten en kleuren de onberoerde facie van de gelaarsde, gekepiede portier; - de bloedhonden zijn nu weer naar binnen.
Yussif, mijn makker uit Oran, bloedt. Hij zou geen vlieg kwaad doen, laat staan een blanke medemens, en dansen is toch niet verboden in dit land? Hij ligt in een portiek van het station te kreunen.
Door de stationshal bestijg ik de trappen naar het perron, en daal ik af in de tijd, vijftig jaar terug. Het is drie uur 's morgens, mistig, kil.
Onder de overkapping staan honderden mensen op elkaar gedrumd, mannen, vrouwen, kinderen uit de buurt, zwijgend, angstig.
Een stoomlokomotief duwt een lange trein beestenwagons naar spoor één. Gelaarsde, gekepiede mannen snauwen en stouwen de mensen befehlerig in het konvooi. Ze hebben bloedhonden aan de leiband.
Beneden mij, onder spoor één, in een portiek van de Pelikaanstraat, ligt mijn makker Yussif uit Oran te bloeden.
WANDELGEDICHT op de WATERKERINGSMUUR langs de Scheldekaaien te Antwerpen VORM Witgeschilderde stroken van 2Vz meter lengte en 25 cm hoogte, met tussenruimten van gemiddeld 20 meter, met een rode tekst van 7 cm hoogte aangebracht op ooghoogte tegen de westerzijde van de waterkeringsmuur. TRAJEKT Het gedicht wordt al wandelend gelezen van noord naarzuid. Het vormt één doorlopende tekst, maaris wel zo opgevat dat 4 segmenten op zichzelf staande delen vormen die afzonderlijk afgewandeld kunnen worden. aanvang op de oosterzijde van een bunker op de Scheldeoever nabij het Nederlands Loodswezen (aanmeerplaats 25), vervolgens op het stuk waterkeringsmuur dat haaks op de Schelde staat, vervolgens op de waterkeringsmuur langs de Orteliuskaai tot bij de loopbrug naar het Noorder terras. _____________________________SEGMENT B: parallel met de Jordaenskaai langs de loodsen 23 en 22 tot voorbij Het Steen. _____________________________SEGMENT C: (LANGE-WAPPER-lied) op het Steenplein van Lange Wapper tot het Flandria-paviljoen. SEGMENT D: vanaf de opgang naar het Zuiderterras parallel met de Van Dijckkaai langs de loodsen 21 en 20 tot de zuidelijke loopbrug naar het Zuiderterras (voetgangerstunnel);
A Laat je vrees en beven in deze beklemmende ruimte achter en kruip uit je bunker tevoorschijn, gehavend, haveloos, angsthazige schuilkelderrat, en betreed vrouwmoedig de met kogelinslagen bekraterde bovenwereld, verken, spijts de vergrendelde springtijpoorten, oogknippperend en oorsuizend het spetterend spektakel georkestreerd door de legale waanzin en getoonzet met de wellust van de macht, betreed manmoedig de arena met ontheiligende woorden, ontmasker met verachting de geachte machtigen der aarde en spuw de in hun kielzog deinende goedmenenden in het gezicht want wie een rauwe oorlog ééns gerechtigd vindt, vergelding éénmaal fair, en afstraffing gewenst, wie mede vrede sticht met bommen, is medeschuldig aan barbaarse massamoord ten prooi aan zinsverbijstering; of liegt - ook nu -: ich hab' es nicht gewufit! B Ontstijg de schoot der aarde, bunkermens, zoals weleer de holbewoner, en trotseer het lijfsgevaar, trotseer het moordend vuur en waag je in het schootsveld van de tuigen, want dit staat jou te doen: ontmantel ze, schilder ze roze, of verban ze naar het krijgsmuseum of het stort; fregatten, jagers, mijnenvegers, onderzeeërs: neem ze uit de vaart, zet ze op een sokkel droog, hier op de rede achter je tussen de afgedankte aken en galjoenen, als schrijnende relieken van een oorlogslievend heden, als mensonterende symbolen van een niet-verleden tijd. Kom, droom met mij in deze vroeger geblokkeerde haven: dra is die dag- en nachtmerrie voorbij die voortspruit uit een navelstaarderige eerste-wereldwaan, en wordt het machtsvertoon gestaakt, zoals dit stoere Steen ooit zinloos werd als afschrikking voor volkeren ten westen van de Schelde, of bouw jij hier een nieuwe vesting "Fort Europa" met angstvallig mensendichte muren en schaarse doorgangspoorten zoals deze afsluitbare waterdichte waterkeringswal? C Kijk hier hoe Lange Wapper fluks de wering wijdbeens overschrijdt en op de ruien boeman speelt: als reus, als dwerg, als watergeest neemt hij een rits gedaanten aan, vermomt zich als een vogelschrik of vondeling of schattig wicht, maar steeds ontpopt hij zich als guit die schaterend vol leedvermaak het poenerig gedoe doorprikt van wie in deze goede stee - seigneur of dokker - zich verdwaast in zelfbedrog of eigenwaan of, schijnbaar arm, op weelde aast. D Jij die nu langs de kaai flaneert: sla hier een bres in deze dijk, de dijk van jouw dwangmatige verweer tegen het schielijk springtij van je ongeremde drang, sla hier een brede bres, een niet te dichten gat in jouw verschansing, al te lang getemde wandelaar, en laat je vloedgolf kolkend razen landinwaarts en overspoel de starre stadsbewoners met jouw storm, wees onbeteugelbaar in het onstuimig stuwen van je bloed, sloop bouwsels, muren en strukturen die jou betuttelend bevoogden als 'n schier onmondig kind, - wees windhoos, onweer en orkaan. Maar werp een dam op tegen haat, een keringdam van woede tegen bekrompen rassennijd en stuurse vooroordelen die deze oude metropool, de trotse wereldhaven, een reuk van rottigheid bezorgt, een stank van bruine pest. Bouw hier een dijk tegen het gif dat etnische puristen en vuige volksverlakkers ons het strot induwen, ongestraft: werp daar een keermuur tegen op, en dijk die kanker in! Herman J. Claeys |