De blauwe ridders, van rijkswacht tot
eenheidspolitie
, Jos Vander Velpen, Epo, 1998

  
Mail  Inhoud  Boeken/Livres
 
Web-versie: blz, doorlopend
 PDF-versie: blz, doorlopend

Voor Hanna, Ruud, Hanne en Ilde

Omslagontwerp: Jan Depover Illustratie: Malevich Toekomstige sterke man Vormgeving: epo Druk: drukkerij epo [98/0074J] © Jos Vander Velpen en Uitgeverij epo 1998 2600 Berchem isbn 90 6445 050 1 d 1998/2204/3 Nugi 661 Verspreiding voor Nederland Centraal Boekhuis nv Culemborg

Index: de weergegeven blz zijn deze onderaan de paginas in het boek

INHOUD

Woord vooraf 7

I Herstel van de orde 13

Een pretoriaanse garde 13
De verlokking van extreem-rechts 19
Collaboratie en verzet 26
De grote verandering?
32
De rijkswacht- en eenheidswet 38
Zwartberg en Leuven 44
Speciale eenheden en computer 52
Het Nationaal Drugbureau (NBD) en de Groep G 59
Commissie-Wyninckx 63

II De grauwe sluier van de bende

De aanslagen op de rijkswacht 70
De Bende van Nijvel 77
Van WNP tot CCC
83
Strategie van de spanning 95
De ontsporing van een onderzoek 104
De Bende-commissie 116

III De verbouwing van de NV Politie

Het masterplan van Team Consult 124
Community policing 130
Het Bende-rapport 134
Het Pinksterplan en Schengen 141
Herwaardering van de gemeentepolitie 148
De militarisering van de rijkswacht 152
Een machtig veiligheidsministerie 157
Een nieuwe bedrijfscultuur 162
De veiligheidscontracten 166
Integrale Kwaliteitszorg (IKZ) 7 70
De georganiseerde misdaad 175
Een falend veiligheidsbeleid 181
Interpolitiezones (IPZ’s) 187
De Vlerick-boys 191

IV De kronkelige weg naar een eenheidspolitie

Het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) 198

Operatie-Othello 204
Tweehonderd jaar rijkswacht 211
De affaire-Dutroux 219
De Witte Woede 226
Het Sinterklaasconclaaf 232
Een nieuwe cultuur? 240
Een geïntegreerde politie 247
De Commissie-Huybrechts 255
Het doek valt 262

Noten 269
Namenregister 279

A B C D E F G H J K L M N O P Q R S T V W X Z
Achterblad

Woord vooraf

Veel van wat over de politie bekend is, heeft een tweedehands en anekdotisch karakter. Het zijn snippers gefilterde informatie, afkomstig van enkelen die bereid zijn het begrip discretie ruim uit te leggen. ‘Toch springt bij de beschouwing van de geschiedenis van de moderne politie één ding in het oog’, schrijft de Leuvense criminoloog Cyrille Fijnaut. ‘De politie wordt steeds maar weer versterkt en wordt zodoende een steeds belangrijker onderdeel van het politieke regime.’ Deze woorden vertolken de werkelijkheid heel wat duidelijker en welsprekender dan de gebruikelijke officiële teksten van een of andere parlementaire onderzoekscommissie. Fijnaut wijst er voorts op dat zich al lang een proces aftekent, dat de kant uitgaat van de vorming van een nationale, meer centraal gestuurde politie. Motor daarbij vormt de rijkswacht, die vanaf 1830 geleidelijk haar macht uitbreidt.

Deze machtsuitbreiding wordt aanvankelijk gevoed door angst voor de arbeidersbeweging en links. Zolang die een ‘bedreiging’ vormen, hebben de autoriteiten geen behoefte om steeds te kijken of de rijkswacht niet net zo bedreigend is. Zolang dit militair korps de orde weet te handhaven, ziet het er allemaal keurig uit en wordt haar geen strobreed in de weg gelegd. In feite beschouwt de militaire rijkswacht zich als het ware in oorlog met het volk, al hoedt zij er zich zorgvuldig voor dat in het openbaar te zeggen. Voor de sociale strijd heeft die feitelijke oorlogstoestand grote gevolgen. Bij de ordehandhaving worden soms methoden gebruikt, die in een rechtsstaat niet thuishoren. Natuurlijk, waar gehakt wordt vallen spaanders, maar waarom vallen er in België zoveel meer slachtoffers dan in de omringende landen? Ondanks de tekortkomingen - de doden, het onzinnige geweld, de extreem-rechtse kuiperijen - vinden de autoriteiten dat de ‘prestaties’ van de rijkswacht best meevallen. Het product is goed. De controle haast onbestaande.

Zo heerst er lang bij het korps een cultuur van rechts en zeer rechts. In de jaren tachtig groeit er zelfs een Weimar-achtige sfeer. De rijkswacht, die zo efficiënt is wanneer het gaat om de verdediging van de openbare orde, heeft opeens te weinig middelen en expertise nu het gaat om het oprollen van de Bende van Nijvel. Dat baart het Parlement wel degelijk zorg. Het rapport van de Bende-commissie schept een onthutsend beeld van het politie- en justitieapparaat, dat de democratische rechtsstaat moet bewaken.

De militaire rijkswacht is eind van de jaren tachtig echt ‘uitontwikkeld’. De arbeidersbeweging en links zijn verzwakt. Meteen komt de demilitarisering van de rijkswacht aan de orde. Maar deze verburgerlijking vormt, paradoxaal genoeg, eerder het beginpunt van nieuwe problemen. Want de hervormingen van de jaren negentig stellen de ‘nieuwe’ rijkswacht in staat de gemeentelijke en gerechtelijke politie moeiteloos kapot te concurreren en geleidelijk de misdaadbestrijding en de basispolitiezorg in te palmen. Dit is in hoge mate het werk van generaal Willy Deridder en een nieuwe generatie managers. Op basis van een helder strategisch concept bouwen zij het ‘rijkswachtbedrijf’ planmatig uit tot de marktleider inzake veiligheid. In samenspel met Binnenlandse Zaken volgen de managers een compleet draaiboek met een stap-voor-stapstrategie. In de praktijk worden telkens weer, haast onzichtbaar, voorschotjes genomen op de gewenste eenheidsstructuur, zodat de zaak uiteindelijk vrijwel niet meer valt terug te draaien. Zo dreigt de democratisering van de rijkswacht uit te lopen op een ondemocratisch resultaat: een eenheidspolitie.

De kansen liggen goed, want de voor velen nogal vage ‘georganiseerde misdaad’ is een ideaal bestrijdingsobject, een vijand die onmiddellijke afkeer opwekt, zodat de rijkswacht zich kan voordoen als de grote dienstverlenende organisatie, die het land voor groot onheil behoedt en zodoende recht heeft op ieders steun, respect en dankbaarheid. De rijkswacht is dan ook volop bezig de westerse visie van een heilige oorlog te scheppen, in de traditie van Hoover. Om een oorlog, heilig of niet, te kunnen voeren moet een zwart-wit tegenstelling worden geschapen, in casu de zwakke politie tegen de modern georganiseerde misdaad. Het ‘actieplan’ van de regering-Dehaene is een afspiegeling van dit soort oorlogsmentaliteit.

Een onvermijdelijk effect daarvan is dat de verwachting wordt gewekt dat er ook weer een eind aan de oorlog komt, met een overwinning, natuurlijk. Maar de rijkswacht weet dat een totale overwinning de eerste decennia niet behaald kan worden, als het er al ooit van zal komen. Wat zal de houding van het publiek en van de politieke wereld zijn als een dergelijke oorlog eindeloos doorgaat met marginale successen en er geen aanwijsbare hoop is op een spectaculaire overwinning? Sommigen zullen het dan zonder twijfel opgeven, maar anderen zullen naar escalatie streven, naar meer eenheidspolitie, een hardere tactiek, meer onconventionele opsporingsmethoden - een overwinning tot elke prijs. Daar zijn zelfs al enkele gevaarlijke aanwijzingen voor. Sommige politici zijn bereid een paar vrijheden op te geven ter ondersteuning van de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Onconventionele opsporingsmethoden zoals telefoontap, infiltratie en geheime observatie worden gemeengoed. Uiteenlopende soorten informatie over criminaliteit, vluchtelingen en ordeverstoring worden via TREVI en Schengen met buitenlandse diensten uitgewisseld.

De affaire-Dutroux heeft het eenmakingsproces versneld. Door de blunders in de zaak-Dutroux wordt een geïntegreerde politiestructuur opeens heel acceptabel. De commissie-Dutroux verkleint en versimpelt het gehanteerde denkraam. Begrippen zoals democratische controle, die niets met efficiëntie te maken hebben, verdwijnen uit het gezichtsveld. De vele aspecten en nuances van een geweldsapparaat als de politie worden teruggebracht tot slechts enkele kreten. Deze verarmde, stereotiepe en mediagenieke opvatting van de werkelijkheid en deze overdreven zucht naar doelmatigheid halen het klassieke systeem van checks and balances onderuit.

Bewindslieden en academici die voorheen nog zegden dat een dergelijke machtsconcentratie een gevaar voor de democratie vormt, lijken die woorden inmiddels helemaal vergeten. De regering heeft voorlopig de integratie beperkt tot het federale niveau. Voorlopig zal de nieuwe nationale politie, een versterkte versie van de rijkswacht, op een cohabitatie met de gemeentepolitie zijn aangewezen. Maar op termijn worden alle statuten gelijkgeschakeld, zodat de twee diensten op een natuurlijke wijze in elkaar zullen schuiven. De regering heeft haast, zoals regeringen die iets door willen drukken, altijd haast hebben. Het parlement moet vlug vlug akkoord gaan. Premier Dehaene voorziet dat de reorganisatie al in 1998 haar beslag moet krijgen.

Welke conclusies moeten uit dit alles worden getrokken? Het parlement en de justitie zullen samen met onder meer de arbeidersbeweging de bestrijding van het democratisch tekort ter hand moeten nemen. Dat vraagt om politici die de democratische moraal hooghouden, die hun controlerende taak naar behoren vervullen en die het maatschappelijke debat over de politie intensief voeren. De politie is nu eenmaal iets anders dan het bedrijf om de hoek. Ze heeft het geweldsmonopolie. Dat betekent dat men bijzondere eisen inzake democratische controle mag en moet stellen. Controle via een gepolitiseerd orgaan als het Comité P is niet genoeg meer.

In vele Westerse landen gaan de politici van de realistische premisse uit dat politiemensen net zo feilbaar zijn als gewone stervelingen. Vandaar ook dat een systeem van checks and balances, de middelen om het evenwicht tussen de diverse politiediensten te bewaren, intact moet blijven. Een politieapparaat, opgebouwd rond een lokale gemeentepolitie en een federale gerechtelijke politie, verdient dus verreweg de voorkeur op een sterk centralistisch model, dat de politie afschermt van maatschappelijke beïnvloeding en effectieve controle van parlement, lokale besturen en justitie.

Vooral de justitie wordt in het politiegeweld weggedrukt. Dat proces moet worden omgebogen. Justitie moet veel meer bij het pro-actief rechercheren worden betrokken. Opsporingsmethoden, die inbreuk maken op de grondrechten van de burger, moeten worden verboden. Bijzondere aandacht verdient de onderzoeksrechter. Hij kan zijn onafhankelijke en controlerende functie alleen waarmaken als hij met voldoende middelen wordt toegerust. Het Openbaar Ministerie moet deel blijven uitmaken van de rechterlijke macht. Dat betekent dat het tot de taak van de verantwoordelijke procureur behoort zelfstandig te oordelen over zowel de doelmatigheid als de rechtmatigheid van het politieoptreden. De politie moet de effectieve sturing van de gerechtelijke instanties aanvaarden. De verhouding tussen politie en justitie is nu niet zoals het hoort. De justitie is nu net als de intendance. Zij volgt. Het is de hoogste tijd dat de rollen worden omgedraaid.

Jos Vander Velpen
Antwerpen, 5 januari 1998

I Herstel van de orde - Inhoud

Een pretoriaanse garde - Inhoud

De rijkswacht is niet alleen de machtigste maar ook de oudste politiedienst in het land. Ze is 35 jaar ouder dan België zelf en dient aanvankelijk vreemde heersers. Op 10 oktober 1795 wordt België bij Frankrijk ingelijfd. De Franse ‘gastheren’ voeren hun gecentraliseerd politiestelsel in: een nationale gendarmerie en een net van gemeentelijke politiekorpsen, het geheel overkoepeld door een ministerie van Politie. Generaal Wirion krijgt op 30 oktober 1795 opdracht de nationale gendarmerie in België te stationeren. Hij loopt hard van stapel. Op 10 juli 1796 telt de gendarmerie al 200 brigades en 1.080 man. Op 17 april 1798 worden haar bevoegdheden wettelijk geregeld. In datzelfde jaar onderdrukt de gendarmerie de eerste grote opstanden. In 1814, na de Europese campagne tegen Frankrijk, wordt België een deel van de Verenigde Provinciën der Nederlanden. Koning Willem I behoudt het napoleontische politiestelsel en noemt de gendarmerie voortaan marechaussee.

Het volk, gesteund door een handvol intellectuelen, neemt in augustus 1830 de wapens op tegen Willem I. Diens leger moet het afleggen tegen de spontane volksopstand.(1) Op 4 oktober 1830 roept het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid uit. Door zijn loyale houding in de strijd tegen de Hollandse overheerser hoopt het volk de felbegeerde democratische rechten in de wacht te slepen, maar het komt bedrogen uit.

De regering neemt twee Nederlandse instellingen over: de Generale, de grootste holding, en de marechaussee, die op 19 november 1830 wordt omgedoopt tot de nationale rijkswacht, 1.201 man sterk. De grondwet van 7 februari 1831 mag dan voorschrijven dat ‘de organisatie en bevoegdheden van de rijkswacht in een wet zullen worden vastgelegd’, de wet zelf komt er pas in... 1957. De bewindslieden in 1830 moeten niets weten van één geïntegreerde politiemacht. Zoiets achten zij absoluut gevaarlijk voor een democratisch staatsbestel. De rijkswacht valt onder drie ministers (Binnenlandse Zaken, Justitie en Landsverdediging) en de gemeentepolitie komt onder de hoede van de burgemeester. Daarnaast berust de macht van de voorlopige regering nog op het leger en de burgerwacht. De burgerwacht, waarin verschillende lagen van de bevolking samen tegen het Nederlandse leger vochten, wordt snel gezuiverd van minderbegoede en onbetrouwbare elementen.

De democratische staat, waarin het volk via haar verkozen vertegenwoordigers de macht uitoefent, bestaat niet in 1831. Op 29 augustus van dat jaar wordt het eerste parlement gekozen door precies 46.099 welgestelde cijnskiezers. De wetten die dit select gezelschap in naam van het volk opstelt, moeten in eerste instantie de eigen privileges veilig stellen. Zulke onderdrukking moet protest uitlokken.

De geschiedschrijving van de ontwakende arbeidersbeweging vindt men dan ook vooral in de grauwe politiearchieven. Januari 1831: opstootjes van werklozen te Namen; juli 1831: het leger arresteert 28 mijnwerkers te Luik; maart 1832: schippersoproer te Wetteren. Het houdt niet op. Oktober 1836, Borinage: mijnwerkersstaking, één dode, talloze gewonden. In deze roerige tijden informeert de rijkswacht de staatsveiligheid maandelijks over de ‘openbare gemoedstoestand’.

De arbeidersbeweging zoekt, met vallen en opstaan, een uitweg uit de ellende. Eind 1845 vestigt Karl Marx zich in Brussel. Hij heeft er contact met andere politieke vluchtelingen en revolutionairen en wordt vice-voorzitter van de Democratische Beweging. In 1848 broeit de revolutie in heel Europa. De ordetroepen worden in opperste staat van paraatheid gebracht en bespieden de linkse opposanten. Op 2 maart 1848 wordt Marx veiligheidshalve het land uitgezet. Kort daarop, op 29 maart, steekt een legertje van zo’n 1.500 Franse en Belgische republikeinen in de buurt van Moeskroen de grens over. Deze operetteachtige vertoning verschaft de conservatieve burgerij een goed excuus om de Democratische Beweging uit te schakelen; zeventien leden worden door het assisenhof ter dood veroordeeld. Het eerste hoofdstuk van het Belgische socialisme is hiermee afgelopen.

In de tweede helft van de 19de eeuw wordt de rijkswacht niet zo vaak bij ‘volksoproer’ ingezet, om de eenvoudige reden dat het leger en de burgerwacht die karwei opknappen. De gendarmerie verzekert vooral de rust op het platteland. De economische crisis van 1866 verandert de Waalse mijnstreek in een kruitvat. In februari 1867 gaan de mijnwerkers van Charleroi in staking. Ze plunderen graanvoorraden en de ordetroepen openen het vuur: drie doden. De lonen blijven dalen en in het voorjaar van 1868 wordt dezelfde streek door een staking stilgelegd. De stakers koelen hun opgekropte woede op de mijninstallaties. Aan de mijn L’Epine te Montigny-sur-Sambre botsen ze op een groep soldaten. Ditmaal vallen er zes doden. De publieke opinie reageert geschokt. Het ‘sociale vraagstuk’ kan niet langer zomaar worden genegeerd.

In 1885 wordt de Belgische Werkliedenpartij (bwp) gesticht. Een van haar voornaamste doelstellingen is het bereiken van het algemeen stemrecht. Vlak voor Pasen 1886 breekt een staking uit in de Waalse mijnbekkens. ‘Het lijkt de beeldenstorm wel’ schrijft de historicus Henri Pirenne. Op 18 maart 1886 verzamelen duizenden demonstranten zich op de Place Saint-Lambert in Luik om de vijftiende verjaardag van de Commune van Parijs te herdenken. Gendarmes chargeren met de blanke sabel en het geweer. Er vallen twee doden. De volgende dag ligt heel het kolenbekken stil. Het leger bezet Luik en schiet nog een demonstrant dood. De onrust slaat over naar de Borinage, waar de bevolking door werkloosheid en honger tot wanhoop wordt gedreven. Stakers vallen fabrieken en kastelen aan. Op 26 maart steekt een woedende menigte het kasteel van Eugène Baudoux, die net arbeidsbesparende ovens geïnstalleerd heeft, in brand. De regering stuurt in allerijl een massale troepenmacht. ‘Het heeft geen zin in de lucht te schieten’, aldus de beruchte generaal Vandersmissen. Honderden gewapende militairen overspoelen ’s nachts het Zwarte Land en grendelen een groot gebied rond Charleroi af. De zaak wordt met oorlogsmiddelen ‘opgelost’. Op 27 maart 1886 schiet het leger in Roux op een groep stakers. Hierbij komen tien arbeiders om. Op een paar dagen is de orde hersteld. De prijs is hoog: 24 doden en ontelbare gewonden.

De enige manier waarop de conservatieve regering aan de macht kan blijven, is door de duimschroeven nog wat verder aan te draaien. Maar de sociale en economische vooruitzichten zijn rampzalig, zodat meer repressie alleen maar kan leiden tot een nieuwe gewelddadige golf van protesten. Tijdens de staking van mei 1887 houden de Waalse mijnwerkers het drie weken lang vol. De bwp blijft buiten de strijd. Soldaten schieten drie stakers dood. De radicale woordvoerder van de stakers, Alfred Defuisseaux, roept in december 1888 een nieuwe staking uit. Het gaat hard tegen hard. Verschillende bommen ontploffen. Na veertien dagen bloedt de staking dood. De stakingsleiders worden beschuldigd van samenzwering tegen de staat en komen voor het assisenhof. In de rechtszaal ontploft de zwaarste bom: uit de verhoren blijkt dat verschillende bomaanslagen het werk waren van agenten van de staatsveiligheid, die de arbeidersbeweging in Henegouwen in diskrediet wilden brengen. Met dit wapenfeit beantwoordt de staatsveiligheid aan de beschrijving die de Franse schrijver Victor Hugo ooit van deze geheime dienst gaf. ‘De Belgische staatsveiligheid’, aldus Hugo, ‘is een jezuïetenclub, een mengelmoes van Russische en Oostenrijkse politie.’

Het leger en de burgerwacht kunnen beter schieten dan de orde handhaven, zo begint de overheid zich te realiseren. De rijkswacht slaat langzaam maar zeker de vleugels uit. Ze telt nu, in 1886, 51 officieren en 2.181 manschappen, heeft een eigen begroting en is een gesloten bolwerk. Het parlement krijgt geen inzage in haar werkzaamheden en minister van Oorlog, generaal Pontus, verzet zich met hand en tand tegen de aanstelling van een inspecteur-generaal.

In april 1893 breekt op initiatief van de bwp voor het eerst een algemene staking uit. In een oogwenk komt het hele land tot stilstand. De arbeiders trekken massaal de straat op. Zij hebben slechts één eis: algemeen stemrecht. Er is geen stad waar niet op zijn minst een paar duizend mensen demonstreren. Het leger en de gendarmerie proberen de staking met geweld te breken, zonder pardon. Bij een handgemeen in het Luxemburgse plaatsje Jolimont komt op 14 april 1893 een vrouw om het leven en raken vier stakers gewond door geweerschoten van de rijkswacht.(2) Het conflict escaleert. In Wallonië bezet het leger om ‘veiligheidsredenen’ de Borinage, het centrum van de actie. De BWP-leiding maant tot kalmte, maar de gevechten worden almaar grimmiger. Op 17 april 1893 beschiet de burgerwacht in Bergen een groep stakers. Zeven doden en 26 gewonden blijven achter. In Borgerhout proberen stakers de ‘bougiefabriek’ stil te leggen. Ze gooien met stenen naar de ordehandhavers. De gendarmes reageren direct en schieten met scherp. In totaal vallen er vijf doden en zeker dertig gewonden.(3) Het is buigen of barsten. En de BWP-leiding buigt, uit vrees dat de staking uit de hand zal lopen. De acties worden afgelast en als antwoord op dit ‘positieve gebaar’ keurt de Kamer het algemeen meervoudig stemrecht goed.

De rijkswacht was in de staking actiever dan ooit. In het parlement laakt Jules Destrée (bwp) de willekeurige arrestaties, het bruut geweld en de politieke spionage. Ietwat gekscherend zegt hij: ‘Het is jammer dat er niet meer rijkswachters naar onze bijeenkomsten komen, want dan zouden we hen kunnen bekeren.’(4)Destrée tracht - tevergeefs - een verhoging van het rijkswacht-budget tegen te houden.(5) De rijkswacht verwerft zich gewapenderhand een reputatie als ‘pretoriaanse garde’ van het conservatieve regime. Zo jaagt de rijkswacht op 11 april 1899 te Houdeng een vreedzame arbeidersbijeenkomst uiteen. Hierbij vallen twee doden, onder wie een meisje van zeventien.

Aan het eind van de 19de eeuw heeft het kapitalisme heel de maatschappij in zijn greep; de arbeidersbeweging van haar kant zet onverminderd de strijd voor het algemeen stemrecht voort om zodoende zelf zijn zeg te krijgen. Op 8 april 1902 begint een staking in de mijnstreek van het Centrum. Dagenlang wordt er hevig gevochten in verschillende steden. De regering wil korte metten maken met de sociale onrust en rijkswacht en burgerwacht krijgen de vrije hand. Op 18 april 1902 weigert de Kamer een wijziging van de kieswet in overweging te nemen. Dezelfde avond richt de burgerwacht een bloedbad aan te Leuven: zes doden, veertien gewonden. De katholieke regering geeft de stakers de schuld; ze hadden maar moeten thuisblijven.

Het prestige van de rijkswacht neemt toe. In 1904 wordt de zeer katholieke ridder Antoine-Maurice de Selliers de Moranville tot bevelhebber van de rijkswacht benoemd. De man komt uit een familie met een rijke militaire traditie en vertegenwoordigt als dusdanig de Belgische reactionaire kaste die weinig op heeft met de moderne tijd. In 1869 trad de Selliers toe tot het leger, het begin van een briljante militaire loopbaan. Hij bekleedt verschillende posten bij het ministerie van Oorlog en de Krijgsschool. Met lede ogen moet de ridder toezien hoe de socialisten mogen meedoen aan de verkiezingen. Zijn virulente haat tegen links vormt de drijfveer voor zijn vechtlust. België dient gered te worden door de rijkswacht. Onder zijn bewind wordt veel nadruk gelegd op militaire vorming en oefeningen. De justitiële autoriteiten mopperen want het echte politiewerk wordt verwaarloosd, maar de minister van Oorlog steunt de militaire aanpak.(6) Vanaf februari 1908 opteert de rijkswacht, die inmiddels 400 brigades telt, voor een betere spreiding over het land. Dit valt samen met de oprichting van nieuwe districten en van vier territoriale groepen (Brussel, Gent, Luik en Bergen).(7) De conservatieve katholieken regeren nu al sinds 1884 onafgebroken, in het zadel gehouden door het ondemocratische kiesstelsel. De bwp rekent op een kartel met de liberalen om aan deze klerikale heerschappij een einde te maken. Maar deze tactiek loopt in 1912 uit op een pijnlijke electorale nederlaag. Daarop breken overal spontaan stakingen en rellen uit. Zowel in Brugge als in Verviers komt een betoger om het leven. De gevechten bereiken op 3 juni 1912 een hoogtepunt: te Luik worden rijkswachters bestookt met glazen en stoelen; het volkshuis Le Populaire beleeft daarop een schietpartij die in het Wilde Westen niet zou misstaan. Rijkswachters spelen met grof geweld voor eigen rechter. Kogels doorzeven de gevel en versplinteren de ruit. Er vallen drie doden en acht gewonden. De volgende dagen is de hele Waalse arbeiderswereld op de been. Doch de regering-de Broqueville blijft - voorlopig - het politieke steekspel beheersen. Met een feilloos instinct voor de aarzelingen van de BWP-leiding, weigert zij de geringste toegevingen. De staking bloedt dood.

Met het neerslaan van de staking in 1912 overhandigt de rijkswacht in feite haar geloofsbrieven. Ze krijgt begin 1913 haar eerste mobiele eenheden, die uitgerust zijn om de territoriale eenheden te steunen bij grootschalige ordeverstoringen en de reorganisatie wordt afgerond op 7 oktober 1913 met de oprichting van een vijfde groep in Antwerpen. Aldus wordt België opgedeeld in vijf gebieden. De rijkswacht beschikt nu over 3.695 man. Leger en burgerwacht zijn hun ordehandhavingsfunctie kwijt; aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog heeft de rijkswacht het rijk alleen.

De verlokking van extreem-rechts - Inhoud

Op 4 augustus 1914 vallen Duitse troepen België binnen. De rijkswacht trekt zich met het leger terug achter de Uzer, waar ze voornamelijk als militaire politie functioneert. In november 1918 hervat de gendarmerie haar dienst overal in het land.

De geslaagde Oktoberrevolutie veroorzaakt een revolutionaire koorts in heel Europa. In Duitsland worden arbeiders- en soldatenraden opgericht. Ook de Belgische behoudsgezinde elites beseffen nu dat samenwerking met de socialisten noodzakelijk is om erger te voorkomen. De voorzitter van de Société Générale, Emile Francqui, wil een regering van nationale eenheid. Socialisten komen voor het eerst terecht op sleutelposities: Emile Vandervelde krijgt Justitie; Edward Anseele Openbare Werken en Joseph Wauters Arbeid. Het algemeen stemrecht wordt zonder slag of stoot toegekend.

Na de oorlog gaat de bevolking gebukt onder een hoge inflatie en werkloosheid.(8) De economische malaise gaat hand in hand met een groeiende criminaliteit. In plaats van het kwaad met de wortels uit te graven en sociale programma’s op te zetten, onder meer voor de bestrijding van de massale werkloosheid, kiest Vandervelde voor de oprichting van een gerechtelijke politie. Het wetsontwerp wordt op 26 februari 1919 op het agenda van de Kamer geplaatst en nog dezelfde dag goedgekeurd. Op 28 maart 1919 neemt de Senaat het ontwerp in behandeling en ook daar wordt het dezelfde dag, haast met eenparigheid van stemmen aangenomen.(9)

De gerechtelijke politie, direct ondergeschikt aan het Openbaar Ministerie en de minister van Justitie, vormt nauwelijks een bedreiging voor de rijkswacht, die zich in een groeiende belangstelling van de regering mag verheugen. Op 14 augustus 1919 krijgt het korps een nieuw elan: de getalsterkte wordt drastisch verhoogd tot 5.995 man, verdeeld over zes territoriale groepen, die elk over een mobiele eenheid van zo’n 120 man beschikken. Daarenboven krijgt de commandant de beschikking over een mobiel legioen, zo’n 590 man sterk. Met een mobiele macht van ruim 1.000 man wordt de rijkswacht een heus binnenlands leger. In 1921 wordt de getalsterkte nogmaals verhoogd tot 156 officieren en 6.674 gendarmes. De nieuwe bevelhebber, kolonel Constantin Blondiau, komt voor het eerst uit de rangen van de rijkswacht zelf.

De bescheiden sociale maatregelen die de regering Poullet-Vandervelde na 1925 doorvoert, zetten kwaad bloed bij de bevoorrechte klasse. Allerlei uiterst rechtse groeperingen beginnen te stoken tegen de parlementaire democratie en vinden gehoor bij hoge militairen en politici. De Jeunesses Nationales krijgt schouderklopjes van de voormalige rijkswachtcommandant Antoine de Selliers de Moranville. Het Légion Nationale, opgericht door generaal Graff, een vertrouweling van de katholieke senator Pierre Nothomb, bespiedt links en infiltreert in leger- en rijkswachtkringen. Ook de Société d’Etudes Politiques, Economiques et Sodales (sepes), gul gefinancierd door de Belgische werkgeversorganisatie, onderhoudt rechtstreekse contacten met de politie- en inlichtingendiensten.

Begin van de dertiger jaren is het kapitalisme totaal ontredderd. De economische crisis neemt apocalyptische proporties aan. Ongeveer 40 procent van de beroepsbevolking zit zonder werk.(10) De situatie in de grote industriële centra is bijzonder explosief; in juli 1932 doen loonsverlagingen de boel ontploffen. Een wilde staking breekt uit, ze krijgt snel een revolutionair karakter en verspreidt zich als een inktvlek. De staatsveiligheid en de katholieke-liberale regering van Jules Renkin gewagen van een ‘communistische samenzwering’. Overal raken de stakers slaags met rijkswachters, die uitgerust zijn met machinegeweren en pantserwagens. De rijkswacht kan het niet alleen af. Het leger wordt ingezet om strategische punten te bewaken. Op 8 juli 1932 kondigt de gouverneur van Henegouwen een samenscholingsverbod af. Rijkswachters kammen de dorpen leeg. Deze schoonmaakacties kosten twee stakers het leven. Tientallen personen, onder wie ook onschuldige toeschouwers, raken ernstig gewond. Linkse parlementsleden hebben geen goed woord over voor het ‘kozakken-optreden’ van de rijkswacht, maar de regering geeft de ordehandhavers nog meer mankracht.(11) De rijkswacht krijgt de beschikking over een reserve-eenheid van 1.000jonge militairen, die assistentie kunnen verlenen als er ergens een brandhaard moet worden geblust. Het onevenwicht tussen de diverse politiediensten neemt hierdoor nog toe. De centrale overheid bekommert zich nauwelijks over de belabberde toestand van de gemeentepolitie en beoogt vooral een betere coördinatie tussen de verschillende politie- en veiligheidsdiensten ten behoeve van de ordehandhaving. Daarom wordt op 25 juni 1934 de Algemene Rijkspolitie opgericht.

Ondertussen klinken de laarzen van het fascisme steeds dichterbij. Op 30 januari 1933 komt Hitler aan de macht; alle politieke vrijheden worden onderdrukt, de socialistische en communistische partij verboden en opposanten overgeleverd aan de geheime diensten. De snelle opkomst van nazi-Duitsland en van de extreem-rechtse partijen REX en Vlaams Nationaal Verbond (VNV) laat de Verbroedering van de Rijkswacht niet koud. Deze Verbroedering, een belangenorganisatie voor gepensioneerde gendarmes en rijkswachters in actieve dienst, staat in de gunst van de rijkswachttop.(12) In 1935 sluit de Verbroedering zich aan bij 1’Union des Fratemelles de Campagne (ufac), een vereniging van oudstrijders, die zich geleidelijk in antiparlementaire richting ontwikkelt. De voorzitter van de Verbroedering, kolonel Georges Vigneron, staat bekend als leider van de ordedienst van REX, de partij van Léon Degrelle.(13) Vigneron wordt niet tot de orde geroepen, hoewel de regering op 29 juli 1934 een wet heeft aangenomen die medewerking aan privé-milities verbiedt.

De Verbroedering komt op voor de bouw van 200 nieuwe rijkswachtkazernes en een drastische versterking van de mobiele eenheden. Ze verwijst naar een studie van de extreem-rechtse denktank sepes om aan te tonen dat de rijkswacht onvoldoende gewapend is om ‘communistische agitatie’ de kop in te drukken, verder eist de Verbroedering doodeenvoudig het verbod van de kp. In de beangstigende sfeer van de tweede helft van de jaren dertig heeft de rijkswacht het eerder op links dan op extreemrechts gemunt. De gevolgen zijn funest.

Extreem-rechts beheerst de woelige verkiezingsstrijd in de lente van 1936. Léon Degrelle lanceert met succes het thema van de ‘grote schoonmaak’ en Staf de Clercq, de leider van het VNV, speelt in op Vlaamse sentimenten. In Antwerpen worden twee socialistische sympathisanten, Pot en Grijp, doodgeschoten door een lid van een kleine fascistische groepering. De verkiezingen van 24 mei 1936 herschikken het politieke panorama: de drie traditionele partijen lijden een verpletterende nederlaag; REX triomfeert met 33 parlementszetels; het VNV verovert 24 zetels.

De begrafenis van Pot en Grijp groeit uit tot een indrukwekkende antifascistische demonstratie en daar blijft het niet bij. De Havenarbeidersbond roept op tot een proteststaking, die in de kortste keren overslaat naar de rest van het land; 350.000 arbeiders leggen het werk neer. In het heetst van de strijd, op 13 juni 1936, komt een regering van nationale eenheid tot stand. Premier Paul van Zeeland, voormalig vice-gouverneur van de Nationale Bank, benoemt de rechtse socialisten Hendrik de Man en Paul-Henri Spaak op sleutelposten.

De rijkswacht tracht met alle middelen de boel onder controle te houden; zoals de heersende klasse denkt ze dat iedereen naar haar pijpen moet dansen. De toestand is het alarmerendst in de Borinage. Arbeiders blokkeren er op verschillende plaatsen de wegen en leveren felle gevechten met de rijkswacht. In Quaregnon komt een vrouw om het leven door een verdwaalde rijkswachtkogel. In het parlement spreken socialisten en communisten hun afkeuring uit. ‘De ordetroepen zien in iedere arbeider een subversief element’, sneert Collard.14

Hoewel het fascisme bijna voor de deur staat, wordt links nog steeds geviseerd. Vanaf 1936 ficheert de politieke afdeling van de Luikse gerechtelijke politie zo’n 20.000 antifascisten op last van procureur-generaal Alfred De Stexhe. De staatsveiligheid, geleid door de katholiek Robert De Foy, doet er een schepje bovenop en verzamelt ijverig informatie over politieke vluchtelingen en opposanten van het nazisme.

De extreem-rechtse partijen kunnen de democratische schijn niet meer ophouden. Midden 1936 overlegt REX in het geheim met vertegenwoordigers van het Nationaal Legioen, de middenstandsorganisatie Burgerwelzijn en ufac over de uitschakeling van de parlementaire democratie. De samenzweerders rekenen op militaire hulp van de Ardeense Jagers en welwillende afzijdigheid van de rijkswacht. Over de precieze aanhang van extreem-rechts bestaat onduidelijkheid, maar zeker is dat verscheidene officieren en gewone gendarmes bezwijken voor de avances van REX. Tijdens betogingen scanderen REX-aanhangers te pas en te onpas: ‘Les gendarmes avec nous.(15)

Degrelle, een mini-Mussolini, en zijn getrouwen hopen hun doel te bereiken door middel van de UFAC-betoging, die op 25 oktober 1936 in Brussel is gepland, REX en VNV organiseren grote meetings en het partijblad van REX, Le pays rM, wordt op grote schaal in de rijkswachtkazernes verspreid. Het blad roept ongegeneerd de rijkswachters op tot solidaire actie.(16) Extreem-rechts is van plan duizenden betogers uit het hele land naar de hoofdstad te sturen. Eenmaal in het centrum moeten die onderweg op temperatuur gebrachte demonstranten ‘spontaan’ op de gedachte komen om het parlement in te nemen: de Mars op Rome in een karikaturale lachspiegel.

Dit keer grijpt de regering in. Met de ‘legale’ activiteiten van Degrelle kunnen de traditionele partijen leven, maar nu hij het parlement en dus de gevestigde partijen zelf buitenspel wil zetten, kunnen de politici zich niet afzijdig houden. Spaak, minister van Buitenlandse Zaken, veroordeelt REX op 16 oktober 1936. In één adem bepleit hij een drastische versterking van de staat. Op 22 oktober 1936, drie dagen voor de betoging, beantwoordt premier Van Zeeland de fascistische kuiperijen met een anticommunistische geloofsbelijdenis. Net als Spaak zwijgt hij in alle talen over de infiltratie van extreem-rechts in het veiligheidsapparaat.

Op 25 oktober 1936 is Brussel een bezette stad. De ordetroepen zijn op de situatie voorbereid. Op verzoek van de regering vaardigt de gouverneur een samenscholingsverbod uit. De rijkswacht krijgt bevel alle verkeer rond Brussel te controleren en de neutrale zone rond het parlement hermetisch af te grendelen. Legereenheden worden achter de hand gehouden.

De bussen met betogers komen Brussel niet in. De vooruitgereisde prominenten, Degrelle op kop, brengen een paar benauwde uren door. De ordetroepen arresteren zo’n 250 betogers. Kolonel Vigneron, voorzitter van de Verbroedering, wijkt niet van Degrelles zijde.

Deze ontknoping betekent voor de leider van REX een politieke en psychologische klap. Niettemin is er ook na deze krachtmeting nog weinig opgelost. Extreem-rechts heeft een slag verloren, maar zet de strijd voort. De regering legt de rijkswacht niets in de weg, integendeel, de mobiele eenheden worden nogmaals versterkt. Vigneron moet aftreden als voorzitter van de Verbroedering, maar ziet de kans schoon REX in de Senaat te vertegenwoordigen. Extreem-rechts wint aan invloed in politieke kringen. Eind 1936 split de katholieke partij in een Franstalige en Vlaamse vleugel. In de Katholieke Vlaamse Volkspartij (KVV) sturen leidende figuren aan op toenadering tot het VNVnv. De inspanningen van Paul Willem Segers, topman van het Algemeen Christelijk Werkersverbond (ACW), Leo Delwaide en Gaston Eyskens monden op 8 december 1936 uit in een samenwerkingsakkoord KW-VNV.

Ook in het veiligheidsapparaat wordt grote schade aangericht. Begin september 1937 woont de baas van de staatsveiligheid, Robert De Foy, in Berlijn een geheim nazi-congres bij. Reinhard Heydrich beweert in een verslag van 22 augustus 1938 dat hij een geheime overeenkomst met België heeft gesloten om samen het communisme en andere subversieve bewegingen te bestrijden. Florent Louwage, commissaris-generaal van de gerechtelijke politie, werkt probleemloos samen met Interpol. Deze organisatie wordt nochtans vanaf 1938 geleid door Otto Steinhausel, een lid van de Gestapo. Ook de rijkswacht is politiek bijziend. De Verbroedering hamert steeds weer op de ‘onbetrouwbaarheid’ van de antifascistische vluchtelingen. Tot het allerlaatst houdt de Verbroedering vol dat een linkse ‘vijfde colonne’ op het punt staat de macht te grijpen.(17)

Collaboratie en verzet - Inhoud

Kort na de inval van de Duitse troepen in de vroege ochtend van 10 mei 1940 geeft minister van Justitie Paul-Emile Janson het hoofd van de staatsveiligheid opdracht alle ‘staatsgevaarlijke’ elementen op te pakken. Robert De Foy stuurt een telegram naar alle rijkswachtcommandanten en politiecommissarissen. Naar schatting 6.000 vluchtelingen, communisten, antifascisten en rechtse extremisten worden gearresteerd. De autoriteiten slaan blind om zich heen en keren zich hoofdzakelijk tegen de ‘binnenlandse vijand’.

Tijdens de Achttiendaagse Veldtocht vechten de mobiele eenheden aan de zijde van het Belgische leger. Op 28 mei 1940 capituleert het leger. De regering vindt dat België ook na de overgave de strijd moet voortzetten aan de zijde van de Geallieerden; zijzelf verlaat vrijwel onmiddellijk het land. Koning Leopold weigert echter de regering te volgen en ondertekent de capitulatie. De in het land gebleven elites begrijpen wel waar de Duitse bezetter het meest naar snakt: naar samenwerking, zodat de Belgische economie in de Duitse oorlogsindustrie kan worden ingeschakeld. Kortom, samenwerking als ‘het kleinste kwaad’.

Maar er staan nog andere belangen op het spel. De ‘perverse’ parlementaire democratie zou nu kunnen worden vervangen door een autoritair koninklijk bewind. Kardinaal Van Roey laat in de kerken een herderlijke brief voorlezen waarin hij stelling neemt voor Leopold en dus tegen de wettige regering. Hoge officieren, magistraten, politici en edellieden maken de koning het hof. Hendrik De Man verwelkomt de nazi’s en ontbindt de socialistische partij.

Op 30 mei 1940 wordt de rijkswacht gedemilitariseerd op last van de Duitse bezetter, voortaan zal het korps de ordeverstoring en criminaliteit bestrijden. De rijkswacht valt onder het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar vanaf begin 1941 een notoire VNV’er, Gerard Romsée, het voor het zeggen heeft. Ook in rijkswacht en leger zijn royalistische officieren te vinden voor autoritaire experimenten. In het kamp Luckenwalde maken heel wat Vlaamse officieren, onder wie luitenant-kolonel Adriaan Van Coppenolle, deel uit van de Luitenant De Windekring. Ze juichen het nationaal-socialisme toe. Het aanhangsel van de statuten verraadt een rotsvast geloof in de ‘Nieuwe Orde’ en in de overwinning van de nazi’s.

Op 22 juni 1941 valt Duitsland de Sovjetunie aan. Dezelfde dag worden in België honderden communisten en antifascisten opgepakt. Ondanks Duitse druk doet de rijkswacht niet mee. Commandant Oscar Dethise vindt dat te riskant. Maar kort daarop slaat hij groot alarm, er zou een groot ‘terroristisch’ probleem dreigen. Hij vraagt aan Romsée meer manschappen om het verzet eronder te houden. Dit maakt pijnlijk duidelijk dat de rijkswacht weinig manoeuvreerruimte heeft. Het valt de reactionaire en overwegend Belgisch-gezinde rijkswachttop niet mee zich staande te houden tegenover de geslepen machtspolitiek van de nazi’s.

In augustus 1941 laten de nazi’s Van Coppenolle en zowat 150 andere Luckenwalders vrij; 62 onder hen belanden op sleutelposten bij de rijkswacht (41) en bij de Algemene Rijkspolitie (21), anderen bij extreem-rechtse milities. Romsée benoemt Van Coppenolle op 10 oktober 1941 tot hoofd van de Algemene Rijkspolitie. Even later, op 4 december 1941, presenteert het duo een pakket DuitSVRiendelijke hervormingen: verhoging van de sterkte met 10 procent, oprichting van nieuwe opleidingscentra, benoeming van Luckenwalders op vooraanstaande posities en aanwerving van nazi-gezinde kandidaten. Commandant Dethise komt onder vuur te liggen omdat hij kritiek heeft op de inlijving van de Luckenwalders. Hij wordt in december 1941 door de bezetter aan de kant gezet en sluit zich daarna bij het rechtse verzet aan.(18) Verscheidene Luckenwalders spelen een rol in de nieuwe opleidingsschool te Antwerpen en in de officierschool te Tervuren. Ze hebben voldoende gezag om de nazi-ideeën niet alleen uit te dragen, maar om er ook nog weerklank voor te vinden. Eind 1941 besluit Romsée de getalsterkte van de rijkswacht op te voeren tot 250 officieren en 9.200 manschappen. De Algemene Rijkspolitie onder leiding van Van Coppenolle is verantwoordelijk voor de werving en selectie van de nieuwe rijkswachters. Dat verklaart de toevloed van Duitsvriendelijke krachten, onder wie Vlaamse Wachten die zich schaamteloos tooien met partij-insignes van ss, VNV of De Vlag. Na de basisopleiding, in de kazerne van de Tweede Mobiele Groep te Antwerpen, vervoegen de nieuwe rijkswachters zich bij een van de vijf mobiele eenheden, die van de bezetter als blijk van vertrouwen hun wapens mogen behouden. De territoriale eenheden daarentegen worden met argwaan gadegeslagen hoewel de nazi’s ook hier heel wat sympathisanten tellen. Zo verschijnt de commandant van de territoriale groep Antwerpen, majoor De Koninck, keurig in uniform op feesten en défilés van het VNV. Hij is onder meer aanwezig op de festiviteiten die de Zwarte Brigade op 12 september 1942 op de Antwerpse Meir organiseert ter ere van de VNV-leider.

Op dat ogenblik wordt Groot-Antwerpen bestuurd door vijf leden van de Nieuwe Orde en zeven vertegenwoordigers van traditionele partijen, onder wie Paul Willem Segers. Voor oorlogsburgemeester Leo Delwaide en oorlogsschepenpw Segers, boegbeelden van de katholieke rechterzijde, is dit stadsbestuur het logische vervolg van het uit 1936 daterende samenwerkingsakkoord KVV-VNV.

Eind 1942 slaat de stemming in het land om. Het verzet wint snel aan kracht en de dreiging van aanslagen maakt de Duitse bezetter steeds zenuwachtiger. Het militair gezag eist een hardere aanpak van het ‘terrorisme’. Op 25 november 1942 vormt Van Coppenolle een bijzondere opsporingsdienst. Daar blijft het niet bij. In overleg met de Duitse bezetter benoemt Romsée op 6 februari 1943 Van Coppenolle tot bevelhebber van de rijkswacht. De nieuwe commandant blijft ook de Algemene Rijkspolitie leiden. Verzetsdaden verschillen in zijn ogen nauwelijks van misdaden van gemeen recht. De politieke partijen REX en VNV hebben niets dan lof voor de hervormde rijkswacht. ‘De rijkswachtscholen brengen onze nieuwe wetsdienaars een gezond plichtsbesef bij’, schrijft Le pays réel begin 1943.

Van Coppenolle verzekert dat hij met het verzet zal afrekenen, er zal kost wat kost een einde gemaakt worden aan ‘de terreur’. Verzetsmensen moeten onderduiken om aan de klopjacht van de Duitse politie en de nieuwe rijkswacht te ontkomen.

Toch slaagt Van Coppenolle er niet in het tij te keren. In het voorjaar van 1943 waarschuwt hij voor keiharde maatregelen als de aanslagen tegen de bezetter en de collaborateurs aanhouden. Zijn confrontatiepolitiek leidt in mei 1943 tot een nieuwe uitbreiding van het korps met 1.000 man en tot het inzetten van de antismokkeleskadrons tegen het verzet. De Duitse bezetters voeren de pressie op. Op 1 juni 1943 eisen ze dat de rijkswacht alle ‘criminele’ inlichtingen zonder uitzondering aan de Feld-gendarmerie doorspeelt. De Duitse druk werkt. Midden september 1943 forceren de Duitsers het aftreden van de secretarisgeneraal van Justitie, Gaston Schuind, die niet meegaand genoeg is; in zijn plaats komt de omstreden Robert De Foy. Op 13 november 1943 krijgt de rijkswacht in duidelijke taal te verstaan dat ze moet meewerken aan de opsporing en arrestatie van geallieerde piloten. Van Coppenolle schikt zich naar de Duitse orders. Dit schiet de Londense regering-Pierlot in het verkeerde keelgat. Voor het eerst haalt ze scherp uit naar de ‘landverrader’.

Op het slagveld zijn de Geallieerden aan de winnende hand. De regering-Pierlot haast zich om het rechtse verzet, het Geheim Leger, te steunen en dropt een bedrag van 1.280.000 dollar. Het linkse Onafhankelijkheidsfront krijgt aanvankelijk niets. Zeker, het Geheim Leger wil ook de bezetter buiten, maar eigenlijk is het haar vooral te doen om het herstel van de oude orde en de vestiging van een autoritair regime. Hoe langer hoe meer rijkswachters verlaten het zinkend schip en sluiten zich bij het Geheim Leger aan. Van Coppenolle geeft vruchteloos af op de ‘verdwazing’ en ‘het gebrek aan plichtsbesef’. De desertiegolf gaat onverminderd door en bereikt een hoogtepunt in het voorjaar van 1944. Met de landing van de Geallieerden in Normandië nadert de eindstrijd. De positie van de rijkswachtcommandant wordt almaar hachelijker. Op 30 augustus 1944 ontvluchten Jungclaus en Canaris de hoofdstad. Ook Van Coppenolle wil niet blijven, de dag nadien zoekt hij toevlucht in Berlijn bij SS-Gruppenführer Kaltenbrunner die hem nog wil promoveren tot commandant van de Division Flandren met de graad van SS-Brigadeführer, maar Van Coppenolle houdt het voor gezien.(19)

Heeft de rijkswacht zichzelf niet gediskwalificeerd met haar op zijn minst passieve samenwerking met de bezetter? De regering in Londen heeft redenen genoeg om zich aandachtig over het probleem te buigen, al is het uit zelfbehoud, want het is duidelijk dat de democratie, en in de eerste plaats de antifascistische linkerzijde niet veilig zullen zijn voordat de rijkswacht grondig gezuiverd is. Op 1 september 1944 besluiten premier Hubert Pierlot en minister van Binnenlandse Zaken August De Schrijver de rijkswacht te reorganiseren. Deze katholieke politici willen wel een deel van het door Van Coppenolle aangeworven personeel vervangen in ruil voor het voortbestaan van de rijkswacht in haar vooroorlogse structuur. Opvallend is dat zij over het lot van de rijkswacht beslissen zonder inspraak van het parlement. Waarom die haast? Kennelijk vinden Pierlot en De Schrijver dat de rijkswacht in deze kritieke periode van vitaal belang is om de orde te handhaven en links buiten de deur te houden.

Op 8 september 1944 keert de regering-Pierlot naar Brussel terug; een regering van nationale eenheid met de communisten wordt gevormd. Voorlopig deelt echter het hoofdkwartier van het geallieerde leger, de SHAEF, feitelijk de lakens uit. De SHAEF stippelt een ‘verzekeringssysteem’ uit: herbewapening van de - nog niet gezuiverde - rijkswacht en ontwapening van het verzet. Het is het begin van een slopende loopgravenoorlog tussen het linkse verzet en de SHAEF. De Geallieerden droppen in het geheim 10.000 geweren en 3.000 stenguns op het vliegveld van Grimbergen. Rijkswachters in burger halen de wapens op. Later volgen er nog andere wapenleveringen voor de rijkswacht.

Nog voor Hitler definitief verslagen is, laait de rivaliteit tussen het Onafhankelijkheidsfront en het door vele rijkswachters gesteunde Geheim Leger op. Zo stuurt de rijkswachtcommandant van Ciney op 25 september 1944 een rapport naar de provinciecommandant in Namen en naar de zonecommandant van het Geheim Leger. Hierin dringt hij aan op de ontbinding van het ‘subversieve’ Onafhankelijkheidsfront. Het Geheim Leger stemt in met de ontwapeningsvoorstellen van de SHAEF. Haar leider, generaal Pire, geeft op 15 oktober 1944 het startschot voor de inkrimping van zijn organisatie tot 7.000 gewapende manschappen. Hij raadt zijn ontwapende aanhang aan dienst te doen in het reguliere leger.

Op 13 november 1944 beslist de regering dat alle verzetslieden hun wapens moeten inleveren, elk ingeleverd geweer brengt duizend frank op. Het verzet kan er niet mee lachen. Op 25 november 1944 stappen de communisten uit de regering en het Onafhankelijkheidsfront organiseert een protestdemonstratie in Brussel; duizenden verzetsmensen trekken door de hoofdstad. Bij de Wetstraat proberen ze door de buitenste schil van de veiligheidszone heen te dringen. Met mitrailleurs gewapende rijkswachters voeren een charge uit om hen terug te dringen en wanneer dat mislukt, opent de rijkswacht het vuur. Achtendertig betogers raken bij de schermutselingen gewond; vijf zijn er slecht aan toe. Het bloedbad schendt het imago van de rijkswacht.

De regering beseft nu, november 1944, dat een zuivering niet kan uitblijven. De autoriteiten spelen daarbij een even raar als riskant spel. Ze benoemen kolonel Dethise tot nieuwe bevelhebber, eigenaardig want de autoritaire Dethise heeft veel krediet verloren door in het begin van de oorlog op te roepen tot een forse aanpak van het linkse verzet. Dethise krijgt de delicate opdracht zijn korps te zuiveren, maar hoe zal iemand met zo’n omstreden verleden dat aanpakken? In de schoot van de rijkswacht worden drie onderzoekscommissies opgericht, ze oordelen vaak strenger over het lager dan over het hoger personeel.

Een echte zuivering blijft uit. Tijdens de oorlog werden 3.200 nieuwe rijkswachters aangeworven, eind december 1944 worden er al 1.000 goed voor de dienst bevonden.(20) Romsée krijgt 20 jaar gevangenisstraf en Van Coppenolle krijgt de doodstraf, maar beiden komen spoedig vervroegd vrij.

Pisart, de hofschrijver van de rijkswacht, probeert het korps van elke blaam te zuiveren door alle schuld in de schoenen van Van Coppenolle te schuiven. ‘Het gros van de officieren en van het lager personeel heeft zich tijdens de bezetting voorbeeldig gedragen’, concludeert hij. ‘Vele rijkswachters hebben door hun activiteiten in geheime diensten en verzetsorganisaties tot de overwinning bijgedragen.’

De grote verandering? - Inhoud

Op 2 augustus 1945 verlaten de katholieke ministers de regering. Voor het eerst regeert een linkse coalitie met communisten het land. Niet dat de rijkswacht echt bezorgd hoeft te zijn. Want nauwelijks één dag na het aantreden van de regering-Van Acker ligt een ontwerp voor een ‘grote’ rijkswacht op tafel. Op 3 augustus 1945 tekent de regent prins Karei een besluit waardoor de rijkswacht drastisch georganiseerd wordt, alweer zonder bemoeienis van het parlement. Ordehandhaving is zo belangrijk voor de nieuwe regering dat het democratisch debat achterwege wordt gehouden. Het besluit van 3 augustus 1945 bevat uitgebreide en ver reikende hervormingen. Op het terrein van de ordehandhaving moeten de krachten worden gebundeld. Vandaar dat de rijkswacht wordt verdeeld over vijf grote gebieden. De mobiele eenheden worden versterkt en tellen 3.659 man. Daar een efficiënte ordehandhaving staat of valt met politiek inlichtingenwerk, krijgen de districten bijzondere opsporings-brigades (BOB) om het land tegen binnenlandse vijanden te beschermen. In rijkelijk vage termen luidt het dat ze inlichtingen inwinnen over ‘iedere vreemdeling, verdachte of individu wiens activiteit een gevaar betekent voor de openbare orde of de staatsveiligheid’. De kersverse bob telt 486 man. De zelfstandigheid van de rijkswacht, nu 12.250 man sterk, neemt fors toe. Zo wordt de post van inspecteur-generaal voortaan bekleed door een rijkswachtofficier. De rijkswacht mag dus zichzelf controleren. Verder krijgt het korps een eigen school en een aparte hogere directie bij het ministerie van Defensie. Sinds de bevrijding sluimert de Koningskwestie: velen vinden het koningschap van Leopold onaanvaardbaar. Communisten, socialisten en een deel van de liberalen eisen troonsafstand; alleen de katholieken blijven Leopold onvoorwaardelijk steunen. Ondanks hun meningsverschillen over de positie van Leopold, vormen socialisten en katholieken in maart 1947 een regering onder leiding van Paul-Henri Spaak. Deze benoemt generaal Raoul de Fraiteur tot minister van Defensie om zijn krediet bij rechts op te krikken. Deze overtuigde aanhanger van Leopold stak in het begin van de bezetting zijn bewondering voor de Nieuwe Orde niet onder stoelen of banken. De komende drie jaar zal de Fraiteur de strategische post van Defensie bezetten, zodat hij medeverantwoordelijk is voor de rijkswacht en voor de Service de Recherche et d’Action (SDRA), de militaire inlichtingendienst. De SDRA verzekert zich van de steun van dezelfde groepen en soms ook van dezelfde personen die tijdens de bezetting al hand- en spandiensten voor de geheime dienst hadden verricht. Zo werkt de sdra samen met extreem-rechtse privé-inlichtingendiensten zoals Milpol, in 1946 opgericht en gefinancierd door de Société Générale en Brufina. De leiding van Milpol berust bij André Moyen, een vroegere SEPES-agent, met goede entrees bij de rijkswacht. Moyen voert in het uiterst rechtse blad Septembre een lastercampagne tegen de ‘door links geïnfiltreerde staatsveiligheid’.(21) Met succes. In 1948 moet de toenmalige chef van de staatsveiligheid, de socialistische magistraat Pol Bihin, het veld ruimen voor de katholieke Robert De Foy, de vooroorlogse baas van de staatsveiligheid die in opspraak kwam door zijn betrekkingen met de Gestapo.

Nog in 1948 ondertekenen Spaak en minister van Justitie Paul Struye een samenwerkingsakkoord met de cia en de Britse sis. Sindsdien heeft de cia definitief een voet in huis bij de Belgische inlichtingendiensten. In de nasleep van het samenwerkingsakkoord ontstaat het embryo van Gladio, een organisatie die kennelijk zo geheim moet blijven, dat haar bestaan slechts uitlekt na de val van de Berlijnse Muur. Gladio moet inlichtingen verzamelen voor het geval België ooit zou worden bezet. Hoe ruim vat Gladio haar taak op? En met welke wapens en welke andere middelen wordt er gewerkt? Spaak wint voorgoed het vertrouwen van de VS eind september 1948 met een opmerkelijke toespraak op de algemene vergadering van de Verenigde Naties. Spaak neemt hierin scherp stelling tegen de Sovjetunie, de vroegere bondgenoot, met de pathetische uitroep: ‘Wij zijn bang.’ In april 1949 loodst Spaak België in de NATO.

De toetreding heeft belangrijke gevolgen voor de rijkswacht. Deze krijgt de taak om in oorlogstijd de rust in het binnenland te verzekeren en de aanvoerlijnen van de NATO te beveiligen. De militaire oefeningen van de mobiele eenheden zijn dan ook gericht op het onderdrukken van de ‘binnenlandse vijand’.(22)Midden 1949 wordt rijkswachtcommandant Louis Leroy in onopgehelderde omstandigheden vervangen door Maurice Godfroid, een ‘havik’ die de militarisering aanzwengelt. Godfroid weigerde tijdens de oorlog zelfs tot het rechtse verzet toe te treden. Hij heerst met ijzeren vuist en legt een Spartaanse discipline op. Rijkswachters mogen niet dicht bij huis werken en worden voor futiliteiten zwaar gestraft. Officieren noteren de sancties nauwgezet in een ‘tuchtboekje’.(23)

In 1949 behaalt de CVP de absolute meerderheid in de Senaat. Gaston Eyskens vormt in maart 1949 een katholiek-liberale regering. Voor de katholieke rechterzijde is de tijd rijp om de terugkeer van Leopold door te drukken. Er ontstaat een grijze zone tussen rechts en uiterst rechts, dat aangesterkt door een harde kern van vrijgelaten incivieken en door de Koude Oorlogsgeest, een opvallende heropstanding beleeft. In Brussel maakt Paul Vanden Boeynants zijn entree in de politiek. Zijn gangmaker Jo Gérard is hoofdredacteur van het extreem-rechtse Leopold-getrouwe blad Vrai. Nog belangrijker is Albert De Vleeschauwer, sinds 1945 in het parlement één van de vurigste verdedigers van Leopold. Hij behoort tot de grootste aandeelhouders van de nv Société Bruxelloise d’Edition, die het blad Le Phare uitgeeft.

De Vleeschauwer heeft nauwe banden met het extreem-rechtse Eldrie Verbond, dat bij de terugkeer van Leopold de orde wil helpen handhaven. Zo er een opstand uitbreekt, dan moet de goed uitgeruste rijkswacht in actie komen en in geval van nood zal het Eldrie Verbond optreden als ‘hulp-rijkswacht’. Een dergelijke rolverdeling wordt afgesproken op een geheime vergadering die op 7 oktober 1949 te Brussel plaatsvindt. De rolverdeling komt ook ter sprake in de instructies die op 23 februari 1950 aan het privé-legertje van Eldrie-leden worden verstrekt.

Kort daarop, op 12 maart 1950, organiseert de regering-Eyskens een volksraadpleging over de terugkeer van Leopold. Een krappe meerderheid stemt voor de terugkeer, waarna de regering valt omdat de liberalen blijven dwarsliggen. Begin juni 1950 behaalt de CVP de absolute meerderheid in het parlement. Jean Duvieusart vormt een homogene katholieke regering met Albert De Vleeschauwer op Binnenlandse Zaken. Het ministerie van Defensie wordt toevertrouwd aan Henri Moreau de Melen, wiens broer actief is bij de Mouvement Léopold. Op 20 juli 1950 stemt het parlement in met de terugkeer van de koning. Op 22 juli komt hij in alle vroegte aan op de luchthaven van Melsbroek. De razendsnelle rit naar het paleis van Laken - de weg erheen wordt bewaakt door meer dan 10.000 rijkswachters en soldaten - heeft meer weg van een vlucht dan van een blijde intrede.(24)

De onrust neemt snel toe. Op verschillende plaatsen zijn er botsingen met de rijkswacht. Volgens de veiligheidsdiensten zijn er in de week na de terugkeer 59 aanslagen, die vooral het werk zijn van socialistische vakbondsmensen. De spoorwegen zijn het uitverkoren doelwit van de actievoerders. De protesten worden almaar heviger. Op 26 juli 1950 rijdt er geen openbaar vervoer, zijn de meeste winkels dicht, wordt er niet gewerkt in fabrieken en mijnen. André Renard zegt dat de staking zal blijven duren; de socialistische vakbondsleider dreigt de mijnen onder water te zetten en het onderhoud van de hoogovens te staken.

De aanslagen en de massa-acties gaan onverminderd door. Enkele kopstukken van de veiligheidsdiensten spelen hun laatste kaart uit om de regering tot nog grotere daadkracht aan te zetten. Hoewel de KP-leiding publiekelijk gewelddaden afkeurt, strooit André Moyen het verhaal rond dat een harde kern op een burgeroorlog aanstuurt. De staatsveiligheid van De Foy beweert op haar beurt over bewijzen te beschikken dat de communisten op het punt staan een gewapende staatsgreep te plegen. Op 28 juli 1950 bespreekt de regering deze ‘informatie’, roept meteen de staat van beleg uit en trekt de Belgische bezettingstroepen uit Duitsland terug. Paracommando’s bewaken vanaf 29 juli overheidsgebouwen, elektriciteitscentrales, communicatiecentra en stations. Daardoor komen rijkswachters vrij voor de strijd op het terrein. De publieke opinie wordt langzaam klaargestoomd voor gewelddadig politieoptreden.

De rijkswacht ontvangt haar orders direct van de royalistische minister van Binnenlandse Zaken De Vleeschauwer. Op 29 juli 1950 valt een zwaargewonde in Luik. In Brussel komt het tot een harde confrontatie met de rijkswacht. Op 30 juli negeren de arbeiders uit Grace-Berleur een samenscholingsverbod. Ze houden een protestbijeenkomst voor het volkshuis waar de socialistische parlementariër Paque het woord voert. Na zijn toespraak wordt Paque door de rijkswacht opgeleid. Toehoorders proberen dit te verhinderen waarop de rijkswachters onverhoeds het vuur openen op de menigte. Voor café La Boule Rouge blijven vier doden en acht gewonden achter.(25) Paque hoort één van de rijkswachters opgelucht mompelen: ‘Ziezo, nu is de staking afgelopen en kunnen we eindelijk gerust zijn.’(26) Interpellanten in het parlement vinden het een schande dat korPSChef Godfroid gelukwensen ontving.(27) Zonder nader onderzoek zegt de premier dat de rijkswacht handelde uit ‘zelfverdediging’.

De oppositie tegen Leopold doet een uiterste poging - een noodgreep - om pressie uit te oefenen. Ze plant op 1 augustus 1950 een ‘mars op Brussel’. Het land staat aan de rand van een burgeroorlog. Voor De Vleeschauwer, de baas van de rijkswacht, gaan geen zeeën te hoog om de tegenstanders van Leopold onderuit te halen, maar nu zijn het de hogere kringen die de politici onder druk zetten om Leopold tot aftreden te bewegen. Op 11 augustus 1950 legt zijn zoon Boudewijn in het parlement de kroningseed af. Het verzet ebt nu snel weg, maar niet zonder dat er nog een dode valt. Bij de plechtige installatie van Boudewijn weerklinkt luid in het halfrond: ‘Leve de Republiek.’ Iedereen gelooft dat die woorden door het communistische parlementslid Julien Lahaut werden geroepen. Een week later, op 18 augustus 1950 omstreeks half tien ’s avonds, gaat de bel bij Lahaut in Seraing. Hij opent de deur en twee onbekenden schieten hem met een legerrevolver neer. De moordenaars verdwijnen in een klaarstaande vluchtauto.

Justitie doet weinig moeite om de zaak op te helderen. Het gerechtelijk onderzoek loopt spoedig dood. Moet de verantwoordelijkheid voor de politieke moord zo hoog worden gezocht, dat het ‘staatsbelang’ een serieus onderzoek verhindert? Speurwerk van twee historici geeft uiteindelijk de beste aanwijzingen over de moordenaars en hun opdrachtgevers. Etienne Verhoeyen en Rudy Van Doorslaer ontdekken dat de daders behoren tot een royalistische groep en dat een zekere ‘ Adolphe’ innige banden heeft met André Moyen en de Brusselse rijkswacht.(28)

Het proces van isolering van de kp komt in september 1950 goed op gang. Het voortouw wordt hierbij genomen door CVP-premier Joseph Pholien zelf. Volgens hem horen communisten of leden van het Onafhankelijkheidssfront niet in overheidsfuncties thuis. In schril contrast hiermee staat de milde bejegening van de collaborateurs. In mei 1951 komt Gerard Romsée vervroegd vrij en het jaar daarop ook Adriaan Van Coppenolle. De meningen van de rijkswacht-historici over Van Coppenolle zijn verdeeld. Pisart, een Franstalig officier, bestempelt de oud-commandant als een ‘verrader’. Volgens de Vlaamse kolonel Willy Van Geet daarentegen heeft Van Coppenolle enkele politieke beoordelingsfouten gemaakt, maar is hij in werkelijkheid een ‘idealist’.(29)

De rijkswacht- en eenheidswet - Inhoud

Na de koningskwestie treedt begin 1952 een nieuwe homogene CVP-regering aan onder leiding van premier Jean van Houtte. Op Defensie belandt Eugène de Greef, luitenant-generaal en commandant van de krijgsschool. Deze partijloze technocraat smeedt plannen voor een reorganisatie van de rijkswacht. Hij stelt een wet voor die het militair karakter van de rijkswacht moet veiligstellen en het korps extra bevoegdheden moet verschaffen. In mei 1951 benoemt de Greef een commissie die de nieuwe wet voorbereidt. De commissie wordt gedomineerd door hoge rijkswachtofficieren, die verder in gezelschap verkeren van vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en het leger. Op 27 maart 1952 legt de commissie een ontwerp op tafel.

In april 1954 wordt het homogene CVP-kabinet afgelost door de socialistisch-liberale regering Van Acker. De onderwijsplannen van minister Leo Collard doen de CVP steigeren. Tussen februari en juli 1955 houden de katholieken drie massale ‘marsen’ in Brussel, die door de rijkswacht in goede banen worden geleid. De rijkswacht beschikt bij alle traditionele partijen nu over voldoende goodwill. De socialistische minister van Defensie Albert Spinoy dringt er dan ook bij het parlement op aan het wetsontwerp op de rijkswacht te accepteren.

De wet wordt zeer snel door het parlement gejaagd. De Senaat neemt op 4 juni 1957 het wetsontwerp aan. Slechts 8 afgevaardigden, onder wie 2 socialisten en 6 CVP’ers, onthouden zich van stemming. Het debat duurt nauwelijks enkele minuten. Daarin brengt de fractieleider van de CVP, Dewulf, hulde aan ‘het keurkorps dat doorgaans in uitermate ondankbare omstandigheden haar opdrachten vervult’.(30) Ook in de Kamer laten de parlementariërs zich degraderen tot slaafse volgers van de partijlijn. De kamerleden gedragen zich eerder als klap- en stemvee dan als democratische controleurs. Op 28 november 1957 gaat de Kamer, eveneens zonder noemenswaardig debat, met een meerderheid van 170 tegen 4 (1 CVP’er en 3 KP’ers) met de wet akkoord.

Na 127 jaar is de wet op de rijkswacht eindelijk een feit en hierdoor krijgt de rijkswacht een bevoorrechte plaats binnen het Belgische politiebestel. In de Memorie van Toelichting benadrukt minister Spinoy de preventieve opdracht van de rijkswacht, wat wil zeggen dat zij bovenal een verstoring van de openbare orde moet verhinderen. ‘De rijkswacht moet constant inlichtingen inwinnen inzake ordeverstoring. Preventie gaat boven repressie. Zo nodig moet de rijkswacht uit eigen beweging ingrijpen zodra de openbare rust, veiligheid en volksgezondheid worden bedreigd of zodra misdrijven worden gepleegd’, aldus Spinoy. Kortom, de nieuwe wet bezegelt het eigenmachtig optreden, het ambtshalve ingrijpen en de onafhankelijkheid van de rijkswacht ten aanzien van de burgerlijke overheden.

De preventieve taak van de rijkswacht wordt beschreven in een paar ogenschijnlijk onschuldige paragraafjes. Artikel 41: ‘De rijkswacht heeft de opdracht ongeoorloofde samenscholingen te voorkomen.’ Artikel 32: ‘De rijkswacht houdt zich op in de nabijheid van iedere grote volks toeloop.’ Burgemeesters, of ze nu zelf de rijkswacht oproepen of niet, hebben geen enkele zeggenschap. Weliswaar moeten de rijkswachters bij demonstraties overleg plegen met de lokale autoriteiten, maar zij beslissen autonoom over de te voeren strategie en ook over de vraag, welke middelen ze zullen inzetten. Zij zijn uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de generale staf.

De zelfstandigheid van de rijkswacht is buiten alle proporties. Oorspronkelijk onderdeel van de landmacht krijgt het korps nu de status van vierde krijgsmacht naast de land-, lucht- en zeestrijdkrachten met een eigen bevelstructuur en inspectie-apparaat. De rijkswacht kan zelfs de andere krijgsmachten gebieden om bijstand te verlenen als ze het niet alleen aankan. De zelfstandigheid van de rijkswacht heeft ongetwijfeld ook te maken met de vorm van toezicht. Theoretisch staat zij onder voogdij van de ministers van Defensie, Binnenlandse Zaken en Justitie. Dit betekent dat geen enkele minister op eigen houtje de rijkswacht kan commanderen en dit komt er in de praktijk op neer dat ze voldoende ruimte heeft om te laveren, volgens sommigen zelfs te veel. In de wet wordt het probleem van de controle in enkele regels afgedaan, al de rest handelt over de werking van het korps zelf. In andere beschaafde landen bevatten de politiewetten zeer nauwkeurige bepalingen inzake controle, bescherming van de rechten van de burgers, overleg en samenspraak met de burgerlijke overheden. Dankzij de nieuwe wet kan de rijkswacht zich ontwikkelen tot een nieuw soort staatspolitie voor het onderdrukken van sociale onrust. Dat zal spoedig duidelijk worden.

Eind 1960 brengt de Eenheids wet, waarmee de regering-Eyskens een aantal sociale verworvenheden terugdraait, honderdduizenden op de been. Op 20 december 1960 steken de ambtenaren het vuur aan de lont.(31) In de volgende dagen legt de stakingsbeweging heel Wallonië en een deel van Vlaanderen stil. De rapporten van de rijkswacht doen denken aan de hete julidagen van 1950. Ze maken melding van verschillende technische initiatieven van stakende spoormannen: een geblokkeerde wissel, een losgeschroefde rail, doorgesneden kabels. De beweging krijgt een opstandig karakter, zoals elke algemene staking die de arbeiders met de staat confronteert.

Dat behalve voetbal ook grootschalige politieactie oorlog is, valt het duidelijkst te zien aan de manier waarop de regering de ordehandhaving coördineert. Een beperkt ministercomité, een soort oorlogskabinet, onder leiding van de liberale minister van Binnenlandse Zaken René Lefèbvre, bepaalt de algemene strategie en de ‘tolerantiegrenzen’ terwijl commandant Urbain Thiel, een militair in hart en nieren, de algemene leiding heeft.

Op 23 december probeert het beperkt ministercomité het tij te keren; 3.600 reserve-rijkswachters worden opgeroepen en legertroepen worden in groten getale vanuit Duitsland aangevoerd. Het militair vertoon heeft een averechts effect. De stakers hebben hun passiviteit en angst verloren en geven een demonstratie van hun macht. Met massale mobilisatie dringen ze vanaf 27 december de regering in het defensief. Het optreden van de rijkswacht wordt bitsiger. Op 28 december dringt de rijkswacht binnen in de gebouwen van het abvv te Gent. Twee dagen later valt in Brussel de eerste dode. Een wapenmaniak schiet in het heetst van de strijd toeschouwer François Van der Trappen neer om ‘een in het nauw gedreven rijkswachter te ontzetten’.

De strijd belandt in een beslissende fase. De regering geeft geen krimp en rekent erop dat de rijkswacht een einde maakt aan de staking zonder dat ze politieke concessies moet doen. Pantservoertuigen van de rijkswacht doorkruisen Brussel en Luik. Het machtsvertoon leidt tot een tegenactie: op nieuwjaarsdag telt men al 540 ‘sabotageacties’. Op 3 januari 1961 zwaait minister van Defensie Arthur Gilson in de Kamer met een 27 pagina’s lang rapport waarin de rijkswacht met boekhoudkundige ijver alle gewelddaden sinds het begin van de staking met uur, plaats en datum genoteerd heeft. De acties variëren van het uitstrooien van klompnagels tot het omgooien van auto’s en bussen. Ook een beetje humor ontbreekt niet. Als eerste ‘sabotageactie’ vermeldt de rijkswacht bijvoorbeeld: ‘20 december 1960, 16.30 uur, station van Piéton: stakers brengen 5 treinen tot stilstand door zich op de spoorlijn neer te vleien.’

Gilson herkauwt in de Kamer braaf wat de rijkswacht hem heeft ingefluisterd. Zo werkt de regering al dan niet bewust naar een harde confrontatie toe. En die komt er op 6 januari 1961. Na 7 uur bittere straatgevechten tussen betogers en rijkswachters in en rond het door het leger bezette Guilleminstation, vallen dodelijke schoten. Zeven stakers worden getroffen; Laurent Rodder en Albert Bouttet overleven het niet; 113 betogers worden gearresteerd. In totaal zijn op dat ogenblik al meer dan 1.000 stakers aangehouden.

Vooral in de Borinage broeit de opstand. Er worden aanslagen gepleegd op hoogspanningsmasten en bruggen. Het water stijgt de regering tot aan de lippen. Op 8 januari 1961 beslist het ministerieel veiligheidscomité 3.000 soldaten uit Duitsland over te brengen om de bewaking van spoorlijnen en bruggen te versterken. In Bergen bevestigen militairen grote spandoeken aan de gevels van openbare gebouwen met de waarschuwing: ‘Men gaat schieten’. Sommige socialistische parlementariërs zoeken stilletjes naar een uitweg. ‘Ik begrijp dat de regering de orde tracht te handhaven. Dat zou ik ook doen. Maar waarom een olifant gebruiken als een vlieg volstaat’, zegt Achille Van Acker op 9 januari in de Kamer.

De storm is inmiddels wat gaan liggen. Naarmate de staking afbrokkelt, treedt de rijkswacht hardhandiger op. Op 16 januari 1961 vindt een ernstig incident plaats in Chenée bij Luik. Stakers zien een rijkswachtjeep naderen. De rijkswachter die naast de bestuurder zit, gooit het portier open en vuurt op de massa. Drie stakers worden geraakt, onder wie Jo Woussem, een oud-bokskampioen. De rijkswacht bestormt daarna nog het socialistisch vakbondsgebouw en verwondt verscheidene stakers met kolfslagen. Le Peuple, dat verwijst naar tientallen ooggetuigen, noemt de schietpartij een ‘onuitgelokte moordaanslag’. Minister Lefèvre zegt dat de rijkswachter zijn wapen ‘ondeskundig’ gebruikt heeft.(32) Na de schietpartij in Chenée stuurt het beperkt ministercomité de helft van de opgeroepen rijkswachtreservisten weer naar huis. De strijd is gestreden.

Op 8 februari 1961 feliciteert de minister van Defensie, CVP’er Gilson, de ordetroepen in de Commissie voor Landsverdediging . Hij vindt dat de 11.000 rijkswachters, 3.600 reserve-rijkswachters en 20.000 militairen prachtig werk hebben verricht. Hij looft vooral de ‘bewonderenswaardige loyaliteit, kalmte, koelbloedigheid en tact’ van de rijkswacht. Want, zegt hij niet zonder cynisme, het is een wonder dat er maar vier dodelijke slachtoffers gevallen zijn. Gilson haalt uit tegen de stakers die, althans volgens de schattingen van de rijkswacht, zo’n 1.500 ‘opstandige handelingen of misdaden’ op hun kerfstok hebben. De minister stapt losjes heen over de wanverhouding tussen 4 dode en honderden gewonde stakers en de 95 lichtgewonde rijkswachters. Langzamerhand tekent er zich een verdere ontspanning af tussen regering en socialistische oppositie. Op de bijeenkomst van de Commissie van Landsverdediging, op 8 februari 1961, ontzien de socialisten de rijkswacht als korps en herleiden ze de bloedige schietpartijen tot ‘individuele uitwassen’ . ‘Niet de rijkswacht maar de regering schoot tekort’, menen de socialisten. ‘De rijkswacht is een gedisciplineerd korps, dat meer dan eens bewezen heeft dat het tegen een stoot kan’.

En welke lessen trekt de rijkswacht uit het grootste sociale conflict sinds de oorlog? Als de oproerlingen hun acties perfect op elkaar hadden afgestemd, dan had de rijkswacht het tegen hen moeten afleggen’, concludeert Pisart. Hij heeft een boodschappenlijstje: de rijkswacht wil meer politieke inlichtingen, meer telefoon- en radioverbindingen, meer mankracht.(33)

Kort daarop valt de CVP-liberale regering uit elkaar, totaal gediscrediteerd. De Eenheidswet is gestemd in het parlement, maar kan niet in koninklijke besluiten worden omgezet. Afzonderlijke maatregelen uit de kaderwet worden wel doorgevoerd door de nieuwe CVP-BSP regering die op 25 april 1961 aantreedt. Spaak ruilt de post van commissaris-generaal van de navo voor die van vice-premier. De rijkswacht krijgt 3 nieuwe voogdijministers: Paul Willem Segers (CVP, Defensie) Piet Vermeylen (BSP, Justitie) en Arthur Gilson (CVP, Binnenlandse Zaken). De staking laat diepe sporen na. In de regeringsverklaring zegt premier Theo Lefèvre op 2 mei 1961 dat ‘recente gebeurtenissen hebben aangetoond dat de staat onvoldoende gewapend is om het raderwerk van overheidsdiensten en bedrijfsleven aan de gang te houden’ .(34)

De rechterzijde concludeert dat de rijkswacht moet worden versterkt. Op 31 mei 1961 trekt Verbaendert (CVP) bij de bespreking van de begroting van de rijkswacht dezelfde conclusie als Pisart. Hij schaart zich onvoorwaardelijk achter de eisen van de rijkswachttop. De begroting voorziet in de aankoop van nieuwe pantservoertuigen. Dit verwekt grote beroering in socialistische vakbondskringen. Doch op 20 december 1961, precies een jaar na het begin van de historische staking, keurt de socialistische fractie de begroting goed, op het punt van de pantservoertuigen na.

De liberale oppositie en CVP-voorzitter Vanden Boeynants zijn niet van plan zich tot het likken van de wonden te beperken. Begin 1962 oefenen ze grote pressie uit op de regering om nieuwe ordehandhavingswetten aan te nemen. De liberalen houden zich niet in en dienen een wetsvoorstel in dat de regering in staat moet stellen de noodtoestand uit te roepen!(35)

De onderhandelingen tussen regeringspartijen leiden midden 1962 tot een overeenkomst. Op 16 augustus 1962 dient de regering vier wetsontwerpen in die de bevoegdheden van de lokale besturen beperken en procedures vastleggen om stakers op te eisen. Verder wil de regering de strafwet moderniseren waardoor een serie stakingsfeiten zoals bedreigingen en belemmeringen van het verkeer efficiënter bestraft kunnen worden. Als compensatie is de regering bereid de straf van naar schatting 900 veroordeelde stakers ‘uit te wissen’. Ondanks het protest van een deel van de socialistische vakbond worden de ontwerpen, zij het in een enigszins afgezwakte vorm, in mei 1963 aangenomen.

Zwartberg en Leuven - Inhoud

Intussen timmert rijkswachtofficier Fernand Beaurir op het kabinet van Defensieminister Segers in alle stilte aan de weg. Hij is de architect van een reeks ‘historische’ koninklijke en ministeriële besluiten. Via een koninklijk besluit van 27 september 1963 staat de minister een aanzienlijk deel van zijn bevoegdheden af aan de rijkswachtcommandant. Nadien volgen nog ministeriële besluiten (3 december 1963, 17 januari en 26 april 1967), alleen ondertekend door Defensieminister Segers. Het parlement komt er in het geheel niet aan te pas, sterker, de ministeriële besluiten worden niet eens gepubliceerd! De commandant van de rijkswacht krijgt hierdoor ongekende volmachten op het gebied van organisatie, personeelsopleiding, aankoop van materieel, tuchtstatuut en informatievergaring.(36) In feite kan de commandant heersen zoals het een krijgsheer betaamt.

In 1964 doekt commandant Thiel 56 kleine brigades op zodat de rijkswacht beter kan blijven functioneren in geval van grootschalige ordehandhavingsopdrachten.(37) Het is al ordehandhaving wat de klok slaat. Volgens het ‘reglement voor de algemene dienst’ moet de rijkswacht ‘de gezonde politieke, economische en sociale toestand en de inwendige stabiliteit van de staat’ waarborgen. Vandaar dat de lokale commandanten de activiteiten van ‘subversieve verenigingen’ nauwkeurig in de gaten moeten houden.

Sinds de staking van 1960 is de slagkracht van de rijkswacht gevoelig toegenomen. Eind 1964 beschikt ze over 350 officieren en 12.500 manschappen, waarvan een derde dient in één van de zes mobiele eenheden. Iedere rijkswachter krijgt er een militaire opleiding en vorming. Het is een geducht apparaat: één druk op de knop en binnen de kortste keren kan de commandant beschikken over een geoliede machine om de orde te herstellen. Daarenboven beschikt de rijkswacht thans over een indrukwekkend radionet; een wapenarsenaal (traangasgranaten, gevechtswagens, machinegeweren, mortieren); een wagenpark (2.600 voertuigen) en speciale op ordehandhaving gerichte kledij (nieuwe gezicht- en oogbeschermers).(38)

Voor commandant Thiel is militaire tucht heilig. Dat laat geen ruimte aan vrije vakbondswerking. Eind 1964 willen enkele Franstalige rijkswachters een eigen vakbond; ze stichten het Syndicat Unique du Personnel de la Gendarmerie (SUPG). De stichters worden meedogenloos hard aangepakt en aan de kant gezet.(39) Tegelijkertijd reikt Thiel de hand aan een ‘bazenvakbond’: de Verbroedering. Deze wordt omgevormd tot het Nationaal Syndicaat van het Rijkswachtpersoneel (NSRP). De rijkswacht is nu in theorie voorstander van de tactiek van ‘de dialoog en de beredeneerde soepelheid’.(40) De feiten spreken echter andere taal. Op 22 december 1965 kondigt de roomsrode regering-Harmel aan dat de kolenmijn van Zwartberg dicht moet; 4.300 kompels zullen geen werk meer hebben want ook alternatieve werkgelegenheid is er niet. De Limburgse mijnwerkers vechten voor hun leven; ze bezetten meteen de ondergrond. Op zondag 30 januari 1966 wordt de strijd rond de mijn grimmiger. Driehonderd extreem-rechtse Vlaamse Militanten, nazaten van de vroegere vmo, zakken naar Zwartberg af. Na hun vertrek keert de rijkswacht zich tegen de mijnwerkers, die 2 voertuigen in brand steken. Minister van Binnenlandse Zaken Alfons Vranckx (BSP) zendt zijn adjunct-kabinetschef Mark Chatel, de toekomstige voorzitter van het Hof van Cassatie, op 31 januari naar Zwartberg zodat hij voortdurend op de hoogte blijft van de bewegingen van rijkswacht en stakers.

De kompels voelen zich gefrustreerd door het uitblijven van enig perspectief op werk en zijn hun opgekropte emoties niet langer de baas. Op 31 januari ’s middags trekken 500 mijnwerkers van Zwartberg naar de nabijgelegen mijn van Winterslag om er hun makkers tot solidaire actie aan te sporen.(41) Ze raken vrijwel dadelijk slaags met zo’n 48 rijkswachters, die ‘hun gebied’ hardnekkig verdedigen. De rijkswachters slagen er echter niet in om de menigte met traangas te verspreiden. Zo’n zes belaagde gendarmes schieten daarop in het wilde weg 23 ‘veiligheidspatronen’ af, kogels van een lichter kaliber dan gewone oorlogsmunitie, maar het effect is op korte afstand niet minder gruwelijk. Jef Heylen blijft zwaargewond achter. Hij zal voor altijd verlamd blijven.

Vervolgens rukken de mijnwerkers op naar de mijn van Waterschei, waar ze met geweld door het rijkswachtkordon proberen te dringen. De rijkswachters vechten voor elke centimeter. Dat het soms wijzer kan zijn terug te trekken dan op te treden, wordt door een militair korps als de rijkswacht niet gepratikeerd. ‘Weglopen’ ligt niet in de lijn van een militair. Dus schieten de rijkswachters de ene na de andere traangasgranaat af. De kompels zitten in een wolk van gas en brandende rook. De rijkswachters zijn uitgerust met wapens die zo goed als elke bedreiging aankunnen. Plotseling vuren ze zo’n 100 ‘veiligheidspatronen’ af.(42) In de ontstane paniek probeert iedereen zo goed als het kan weg te komen. Maar de rijkswachters blijven schieten op de vluchtende menigte. Jan Latos komt om door ‘een kogel die langs achteren binnendringt en langs voren buitenkomt’.(43) Mevrouw Souveryns, een moeder van zes kinderen, krijgt een kogel in het hoofd. Ze heeft een schedelbreuk. Antonio Arcila wordt in de linkerdij geraakt. Hij hinkt weg, het bloed stroomt uit zijn broekspijpen. Theo Van Hecke snelt zijn makker ter hulp, maar wordt geveld door een kogel in de rug.(44) Zijn benen slaan onder hem weg. Hij kan nog net zijn makker Frans Wouters waarschuwen. Die draait zich instinctief om en krijgt twee kogels in de buik. Een journalist van Het Algemeen Dagblad ziet met lede ogen hoe de rijkswachters de bevelen van hun commandant negeren. ‘Woest achtervolgen ze de vluchtelingen. Met tientallen stuiven ze de omliggende cafés en huizen binnen. Ouden van dagen, vrouwen en kinderen worden niet meer ontzien. In een oogwenk worden tientallen mensen met geweerkolven tegen de grond geslagen. Geschreeuw en gehuil van kinderen markeren dit bestiaal optreden. In café Bij Harrie, een honderdtal meter van de mijningang ontzien de politiemannen zich zelfs niet de getroffen vrouw Souveryns, die daar de eerste hulp krijgt, met geweerkolven te bewerken’, aldus de Nederlandse journalist.

Er komt geen einde aan de ‘collectieve bestraffing’. Enkele uren later krijgt toeschouwer Valère Scelp bij een nieuwe schermutseling een horizontaal afgeschoten traangasgranaat op zijn hoofd. Hij is het tweede dodelijke slachtoffer. In het ziekenhuis liggen nog 7 zwaargewonden. Theo Van Hecke, verlamd aan de onderste ledematen, zal het ziekenhuis niet meer verlaten en 7 jaar later overlijden.

De nacht na dit bloedige drama van Shakespeareaanse allure gaan de regering en de rijkswachttop in conclaaf op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Commandant Thiel, kolonel Beaurir (kabinetsmedewerker van Defensieminister Ludovic Moyersoen) en majoor Praet (adjunct van de rijkswachtcommandant van Genk) geven hun versie van de feiten. De regering kondigt een soort noodtoestand in de mijnstreek af. Dezelfde nacht worden rijkswachtversterkingen aangevoerd en de volgende morgen bewaken 350 paracommando’s bruggen, elektriciteitscentrales en andere vitale punten.

Tijdens het debat in het parlement, op 3 februari 1966, is er weinig verontwaardiging over de bijzondere vorm van ijver en toewijding van de rijkswacht. Minister van Justitie Pierre Wig-ny (CVP) feliciteert de rijkswacht voor het ondankbare en gevaarlijke werk. Ook minister Vranckx tracht te sussen. ‘Vreemde beroepsagitatoren’ uit kringen van extreem-rechts (VMO) en extreem-links (pro-Chinese communisten) zouden met een ‘geraffineerde techniek’ het oproer hebben uitgelokt. Daarmee appelleert Vranckx aan een mening die ook bij de rijkswacht zeer sterk aanwezig is: onvrede kan niet uit de maatschappij voortkomen, er zit altijd een complot achter. Hij betoogt - met als bron de rijkswacht zelf - dat de betrokken gendarmes zich in zo’n bedreigende positie bevonden dat een ‘schietwaardige positie’ en een situatie van ‘zelfverdediging’ ontstond. Eigenlijk laat minister Vranckx alle vragen die het drama oproept onbeantwoord. Waarom werd zo’n enorm hoog aantal granaten afgevuurd? Waarom werden sommige granaten horizontaal afgeschoten, hetgeen indruist tegen de voorschriften? Waarom hebben zoveel mijnwerkers schotwonden in de rug? Waarom werd er tweemaal, zowel in Waterschei als Winterslag, agressief gereageerd? ‘Ik beweer niet dat de rijkswacht nooit te ver gaat, maar ik stel u de vraag: mag ons iets vreemd blijven, wat menselijk is?’, besluit Vranckx. Waarop de Senaat haar vertrouwen in de regering bevestigt en ‘overgaat tot de orde van de dag’.

Zwartberg krijgt nog een staartje. Verschillende actievoerders worden beticht van het opbreken van straten en het omgooien en in brand steken van auto’s. Ze worden vervolgd op grond van de nieuwe antistakingswetten van 1963. Minister Vranckx en de rijkswachters ontspringen de dans. Ze worden door de raadkamer van Tongeren buiten vervolging gesteld.

Ogenschijnlijk heeft de rijkswacht iets geleerd uit Zwartberg. Zo zegt commandant Thiel in zijn afscheidsrede: ‘We dienen onze macht trapsgewijs en zonder hartstocht aan te wenden. Onze tegenstoten moeten kort zijn en de kracht ervan moet in verhouding staan tot de aanval. Na onze actie moeten we weer een onverstoorbare houding aannemen.’ Toch wil dit niet zeggen dat de generale staf de grondregel van het democratische spel heeft geleerd: de erkenning van de sociale bewegingen en de stakingsvrijheid.

Onder de volgende commandant, Alexis Lorgé, veranderen de zeden nauwelijks. De opleiding blijft in technisch en tactisch opzicht grimmig en militaristisch. Men wil rijkswachters vooral leren om in groep op te treden ‘bij het bestrijden van rellen’. Het is dus niet verwonderlijk dat op de betoging van het Algemeen Boerensyndicaat, op 27 november 1967 in Oudenaarde, weer een dodelijk slachtoffer valt, al beweert minister van Binnenlandse Zaken Herman Vanderpoorten (pvv) dat het slachtoffer aan een hartaanval bezweek.(45)

Het is de hoogste tijd dat de geweldsspiraal wordt doorbroken. Maar hoe? In de woelige jaren 1967-’68 opereert de rijkswacht op een militaristische manier met groot materieel om het studentenprotest eronder te houden. De ‘voortreffelijke’ wijze waarop Paul Reviers, commandant van het district Leuven, de orde weet te handhaven, vestigt de aandacht op zijn kwaliteiten en leidt al spoedig naar een succesvolle loopbaan. Reviers gaat graag prat op zijn ‘humane’ benadering van de ordehandhavingsproblemen en op zijn goede relaties met sommige studentenleiders. De Revue van de Rijkswacht is maar al te graag bereid zijn waarschuwende vinger op te heffen voor ‘beroepsrevolutionairen die hun samenzwering proberen te koppelen aan een actie van de massa.(46)

In 1968 wordt P.W. Segers opnieuw minister van Defensie in de regering Eyskens-Merlot. In april 1969 voert hij de sterkte van de rijkswacht op van 12.860 tot 15.600 man. De bob breidt zich uit tot in totaal 721 man en is aldus bijna even sterk als de gerechtelijke politie, die net als de gemeentepolitie stiefmoederlijk wordt behandeld; toch wordt het aantal manschappen van de gerechtelijke politie in 1970 verhoogd van 654 naar 803. Al bij al worden de perspectieven op een politieel evenwicht steeds ongunstiger.

In 1970 kronkelt de ordehandhavingsspiraal weer verder omhoog. Op 5 januari 1970 gaan 18.000 Limburgse mijnwerkers spontaan in staking om loonsverhoging af te dwingen. Het Permanent Comité en ook Mijnwerkersmacht, een groep van revolutionaire studenten en mijnwerkers, dingen naar de gunst van de kompels. De rijkswacht is massaal aanwezig.

Hoge rijkswachtofficieren leven geïsoleerd van de rest van de bevolking; ze voelen zich doorgaans ver boven de gewone man verheven. De straatgendarmes daarentegen leven soms in schamele omstandigheden. De gendarmes die in Zolder worden ingezet, worden gelegerd in Helchteren. Midden in de winter verblijven ze er in afgedankte legerbarakken. Het regent er gewoon binnen, ze slapen op natte matrassen. De rijkswachters rijden rond in versleten jeeps, met kapotte zeilen, zodat ze met hun voeten in het water staan. Met zeven man in een jeep met daarbij nog granaten, geweren en helmen, rijden ze naar de mijn.(47)

Zo worden omstandigheden geschapen waarin men echt zin heeft om een vreemdeling of een langharige student te molesteren. De schrijver Weverbergh noteert in Vrij Nederland de lotgevallen van enkele studenten, die op 23 januari 1970 in Zolder hun solidariteit met de stakende mijnwerkers komen betuigen. ‘Wij vluchten voor het aanstormende geweld in een café, maar worden er buiten gesleurd. Het regent stokslagen en schoppen.

Wij moeten op de buik blijven liggen, met de handen in de hals en mogen niet opkijken. De rijkswachters verplichten ons dan naar een bosje te gaan aan de overkant van de weg. Loop eens als varkens, wordt ons bevolen. Op handen en voeten kruipen wij over de weg en wie te weinig op de handen steunt krijgt schoppen en slagen. Nu luchtalarm, wordt gezegd, en we moeten plat gaan liggen. We worden daarna verplicht in ganzenmars te lopen, een liedje te zingen, en in een boom te klimmen. Terwijl wij dit doen regent het hevige slagen met de gummiknuppel op ons achterwerk en op onze benen. Af en toe worden wij bij het haar gegrepen en meer dan tien meter over de grond gesleurd. In pas moeten we dan naar de mijn. Onderweg krijgt één van ons met de punt van de laars zulk een hevige schop in de onderbuik, dat hij kreunend achterblijft. In de mijn moeten wij de handen tegen de muur plaatsen met de voeten zo ver mogelijk achteruit. In deze schuine stand komt de vermoeidheid snel. Wie valt krijgt slagen.(48)

Zo treedt de rijkswacht op 23 januari 1970 in Zolder opeens verbijsterend hard op, eerst tegen de ‘harde kern’, vervolgens tegen de hele stakingsbeweging. De rijkswachters drijven met traangas en waterkanonnen de kompels op de vlucht. Rond 11 uur ’s avonds gooien ze een traangasgranaat in een herberg tegenover de mijningang.(49)

De spontane staking wordt met harde hand onderdrukt en bloedt midden februari 1970 dood.

Het proces van ‘isolering’ van de linkse contestatiebeweging komt duidelijk op gang. De neutraliteit van de rijkswacht gaat van rechts tot zeer rechts. Enkele maanden na de staking houdt kolonel Bellenge, commandant van de territoriale groep in Hasselt, op het jaarlijkse Feest van de Rijkswacht een opmerkelijke rede. Enkele passages zijn veelzeggend. ‘De contestatiebeweging valt met forse mokerslagen het gezin, de Kerk en onze democratische structuren aan’, stelt de kolonel met afschuw vast. Hij onderscheidt wel ‘een ontaarde extremistische minderheid die onze maatschappij wil vernietigen’ van ‘een idealistische rechtzinnige meerderheid die zich laat meeslepen’ en besluit met een oproep tot vastberadenheid: ‘Wie de wet overtreedt, moet weten dat hij aan het kortste eind zal trekken, dat er onverbiddelijk zal worden opgetreden en dat hij zijn verdiende straf zal krijgen.(50)

In Zolder kon op het nippertje een nieuw drama vermeden worden, maar op 23 maart 1971 heeft België er weer een affaire bij. Op die dag betogen boze boeren in Brussel tegen het plan-Mansholt. De 39-jarige Waalse boer Adelin Porignaux wordt door een traangasgranaat gedood. Ooggetuigen verklaren dat de traangasgranaten horizontaal werden afgeschoten, en niet in een hoek van 45 graden, zoals wordt voorgeschreven. Maurice Denève, inspecteur-generaal, kijkt toe. Enkele maanden later, op 21 oktober 1971, wordt hij de nieuwe commandant van de rijkswacht. Over de geweldsspiraal in het algemeen en over Zwartberg in het bijzonder zegt hij onthutsend eerlijk: ‘De fout op tactisch gebied is niet zozeer dat er geschoten werd, maar dat de rijkswacht te zwak was.(51)

Speciale eenheden en computer - Inhoud

De opkomst van de rijkswacht versnelt begin van de zeventiger jaren door de toename van een aantal spectaculaire gevallen van criminaliteit als kapingen, gijzelingen, drughandel en dergelijke. Na enkele kapingen in het buitenland stationeert de rijkswacht een brigade van 60 man in de nationale luchthaven te Zaventem.

De gemoederen omtrent de nationale en internationale misdaad worden opgeklopt. De vs exporteert zijn drugmoraal en -bestrijding. Medio 1971 houdt president Richard Nixon een toespraak voor het Congres waarin hij een meedogenloze ‘oorlog’ tegen de drugs afkondigt. Ter ondersteuning van deze ‘oorlog’ zwermen agenten van het Bureau of Narcotics and Dangerous Drugs (BNDD), later de Drug Enforcement Agency (DEA) genoemd, in groten getale over de gehele wereld uit, vaak opererend vanuit Amerikaanse ambassades.

Het is niet simpel DEA-agenten buiten de deur te houden omdat ze zogenaamd strijden voor een edele zaak: het terugdringen van de drughandel. Deze agenten willen de plaatselijke politie ‘professionaliseren’, waardoor ze ook uitstekend bekend raken met de capaciteiten van deze diensten. Voorts worden allerlei gegevens over drugs, criminaliteit en linkse bewegingen ingezameld en die worden naar believen uitgewisseld met collega’s van de cia of verwante diensten. Anders gezegd, via de export van zijn drugbestrijdingsmodel, probeert de vs zijn morele en politieke macht te vergroten, waardoor met name de bestrijding van links nog efficiënter kan verlopen.

Geen wonder dat minister van Justitie Alfons Vranckx (BSP) de wereld door de Amerikaanse realiteitstunnel ziet. In het parlement laat hij zijn morele verontwaardiging de vrije loop. Hij spreekt dramatisch van een ‘om zich heen grijpende zedenverwildering’.(52) Met al zijn demagogisch talent sensibiliseert hij de publieke opinie voor de toenemende golf van zware misdadigheid, die moet worden tegengegaan met ‘morele herbewapening’ en nieuwe repressieve middelen.

Op 15 juni 1971 publiceert Vranckx in het geniep een koninklijk besluit ‘tot oprichting van een Bestuur Criminele Informatie’(BIC). In overleg met zijn kabinetschef Mare Chatel schept Vranckx een dienst van undercover-agenten, net zoals het Amerikaanse Bureau of Narcotics. De undercover-agent is een nieuw fenomeen voor het Belgische rechtssysteem: het is een staatsagent, maar geen politieman;, hij is wel gewapend maar niet gemachtigd om arrestaties te verrichten; het is een agent die - ongestraft - misdrijven mag begaan om misdadigers op te sporen. Zijn taak is infiltratie in het misdadige milieu. Met een koninklijk besluit geeft minister van Justitie Vranckx de undercover-agenten een officiële status. Precieze richtlijnen over dit infiltratiewerk komen er niet. De Rotterdamse commissaris Blaauw is verstandiger: ‘Infiltratie is je vrouw de hoer laten spelen en verwachten dat ze maagd blijft.’ Het bic moet uitsluitend verantwoording afleggen aan de minister van Justitie. De agenten hebben geen gerechtelijke bevoegdheden en dus al evenmin verantwoordelijkheden; corruptie en onwettelijke praktijken liggen voor de hand. De pers slaat alarm en partijgenoot Willy Callewaert interpelleert hoogdringend. ‘Waarom een parallelle dienst oprichten, die onze democratische instellingen in gevaar brengt, terwijl men de gerechtelijke politie kan versterken?’, vraagt Callewaert. Vranckx geeft een nietszeggend antwoord en gaat voorbij aan de grond van de vraag. Ook de normale recherchediensten maken gretig gebruik van de ‘verruimde bevoegdheden’. De bob stuurt een aantal jonge leden, bijgenaamd ‘de Beatles’, op pad. Ze rekruteren tipgevers, schaduwen verdachten en zetten infiltratie-operaties op.

Begin 1972 organiseert de rechtervleugel van de Brusselse PSC zich in het Centre Politique des Indépendants et des Cadres Chrétiens (CEPIC). Eind januari 1972 maakt Vanden Boeynants, beroemd of berucht als vdb, opnieuw zijn entree in de landelijke politiek als minister van Defensie in de regering Eyskens-Cools. Met vdb, boegbeeld van de CEPIC, hoeft de vs niets af te dwingen. VDB trekt op politiek en militair gebied één lijn met de Amerikanen en de navo. ‘Integrale eerbiediging van onze verplichtingen ten aanzien van de navo’ is de basis van onze defensiepolitiek’, zegt hij op 25 mei 1972 in de Senaat, VDB wil de troepen voorbereiden op een ‘subversieve oorlog’ en op de verdediging tegen ‘de binnenlandse vijand.(53)

De legerhervormingen van VDB stuiten echter op veel verzet bij de jongeren. De CEPIC is een zeer rechtse pressiegroep binnen de PSC, die er zelfs in eigen kamp van beschuldigd wordt de reikende hand uit te steken naar ultra-rechtse krachten, waaronder baron Benoit De Bonvoisin. Dankzij deze intieme raadgever van VDB krijgt majoor Jean Bougerol opdracht een ‘bureau van offïcieren-sprekers’ op te richten om de antimilitaristische groepen te bestrijden. Hieruit groeit later het Public Information Office (PIO), een inlichtingen- en actiegroep tegen de ‘linkse subversie’.

PIO functioneert, officieel althans, naast de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid (SGR) en de daarvan afhangende Dienst Inlichtingen en Actie (SDRA). Ook de SGR-SDRA speelt onder VDB een prominente rol in de strijd tegen de subversie. De SDRA houdt meer bepaald toezicht op de militairen en levert veiligheidscertificaten af voor vertrouwensfuncties. Zij telt een zestigtal rijks wachters die helpen bij de uitvoering van de veiligheidsonderzoeken. De sdra gaat na of militairen die toegang krijgen tot geclassificeerd materiaal geen linkse elementen zijn. Bij het screenen wordt niet alleen gekeken naar de politieke activiteit van de militair zelf, maar ook naar die van zijn familie en kennissen. De veiligheidsonderzoeken gebeuren op grond van geheime NATO-richtlijnen.

De rijkswacht heeft eigen officieren bij NATO en shape, het militaire hoofdkwartier van de Atlantische Bondgenoten. Het rijkswachtdetachement bij de shape telt 130 man.(54) De NATO-taken van de Rijkswacht zijn geheim, maar vast staat dat de mobiele eenheden instaan voor de bewaking van vitale installaties en gebouwen en het openhouden van alle ‘communicatielijnen’ naar en van het front. De mobiele eenheden oefenen ook voor deze taak. Een vast onderdeel van dergelijke oefeningen bestaat uit het onderdrukken van verzet vanuit de bevolking. De mobiele eenheden krijgen ook zwaar militair materieel.

Volgens een document uit 1972 is een marseskadron van 100 rijkswachters als volgt uitgerust voor ‘straatgevechten’: 123 pistolen met 6.150 kogels, 4 seinpistolen, 54 geweren met 540 nylonkogels, 5.400 gewone kogels, 9 machinegeweren met 5.400 kogels, 60 machinepistolen met 18.000 kogels, 141 gewone offensieve granaten, 216 traangasgranaten om te werpen, 216 traangasgranaten om af te schieten, 144 defensieve granaten en 72 rookgranaten. Je zult het als demonstrant maar over je heen krijgen!(55)

Er komt geen eind aan de expansie van de rijkswacht. Na de overval van ‘Zwarte September’ op Israëlische sporters tijdens de Olympische Spelen in München, zet Vanden Boeynants op 28 november 1972 het licht op groen voor de oprichting van het Speciaal Interventie Eskadron (sie), in de volksmond bekend als groep Dyane. De Dyane is een militaire elite-eenheid, naar het model van gelijksoortige buitenlandse antiterreureenheden zoals de Britse sas en de Franse gign. De vijf secties scherPSChutters behoren tot de absolute top.(56) De Dyane is gespecialiseerd in het uitvoeren van ‘bevrijdingsoperaties’ en gevaarlijke arrestaties. De eerste bevelhebber is majoor Arseen Pint, houder van het brevet paracommando en in 1960 vijfkamper op de Olympische Spelen te Rome. Over het sie zijn slechts enkele details bekend. Training, werkwijze, uitrusting en bewapening worden angstvallig uit de publiciteit gehouden. Van majoor Pint weten we dat het veelzijdig onderricht en de Spartaanse training gedicht zijn op close combat, beklimmings- en indringingstechnieken, het gebruik van explosieven en helikopteroperaties. De leden van het sie krijgen een speciale wapen-, schiet- en observatieopleiding. Het ‘schieten om te doden’ is een onderdeel van de scherPSChuttersopleiding. De risico’s voor een ‘snel-vonnis-op-straat’ en voor ‘Stürmen und Schiessen’ nemen daardoor vanzelfsprekend toe. Om de vijand te kunnen uitschakelen moet het inlichtingenteam informatie verzamelen, schaduwen en infiltreren. De leden van het inlichtingenteam van het sie verplaatsen zich in burger met anonieme wagens die uitgerust zijn met uiterst gesofistikeerd elektronisch materieel. Zij schaduwen, observeren, verifiëren, fotograferen en maken film- en videobeelden. Het sie telt enkel vrijwilligers. Het profiel van deze super-rijkswachters: jong, doorgaans ongehuwd, bikkelhard, gemotiveerd, niet dom. De groep Dyane geldt als het allerbest getrainde en opgeleide onderdeel van de rijkswacht.

De computer heeft de toekomst, ook bij de politie. Tot op zekere hoogte is automatisering zeker begrijpelijk: de surveillance wordt minder lukraak. Jarenlang heeft de rijkswacht op ambachtelijke wijze fiches gemaakt, maar op den duur wordt het werken met zo’n systeem toch wel omslachtig. In juli 1973 installeert de rijkswacht haar eigen ‘commissaris-computer’, een Siemens 4004, in de kazerne aan de Fritz Toussaintstraat in Brussel. Dan is de centrale computer van het ministerie van Justitie al meer dan een jaar voorzien van een databank met gerechtelijke informatie en krijgen verscheidene rijkswachteenheden meermaals per week microfiches van het Commissariaat-Generaal van de gerechtelijke politie.

De rijkswacht schrijft de gegevens uit de kaartenbakken over naar het computersysteem en bepaalt daarbij zelf welke gegevens in het geheugen van de computer worden opgeslagen. Volgens luitenant-kolonel Saint-Viteux slaat de rijkswacht enkel gegevens op die betrekking hebben op haar gerechtelijk werk en verkeerstaken.(57) Met de hand op het hart benadrukt hij dat de computer geen informatie op het gebied van ordehandhaving bevat. De burger moet hem op zijn woord geloven, want echte controle is er niet. Een privacy-wet en concrete richtlijnen van de voogdijministers ontbreken, hetgeen natuurlijk een riskante zaak is want ervaringen met grote computersystemen in de VS hebben laten zien hoe gemakkelijk deze kunnen misbruikt worden. De medewerkers van het Centrum voor Informatieverwerking (CVI), stuk voor stuk rijkswachters, zijn verplicht tot geheimhouding; ze kunnen dus nooit of nimmer inbreuken op de privacy in de openbaarheid brengen.

Hoe dan ook blijkt uit een uitgelekt rapport van Sobemap dat de rijkswacht oorspronkelijk voornemens was op grote schaal politieke informatie in haar computer te stoppen. Het zou concreet gaan om zo’n 1.000 vakbondsmensen, 10.000 ‘verdachte individuen’ en 500 politieke groepen per district! Om een of andere reden ging dit plan niet door, zodat politieke inlichtingen enkel volgens het ambachtelijke systeem worden bewaard in de 52 BOB-afdelingen.

Het CVI draait 24 uur op 24. In de nabije toekomst zullen alle rijkswachtbrigades de gegevens rechtstreeks op het computerscherm kunnen aflezen en zal het systeem ook met mobiele computerterminals - dus in de surveillancewagens zelf - worden uitgebreid. De automatisering heeft ingrijpende gevolgen zowel voor de burgers als voor de politie. Lang niet iedereen is er gelukkig mee dat op deze manier persoonlijke gegevens worden bewaard, temeer omdat een privacy-wetgeving ontbreekt. Gevreesd wordt dat de door George Orwell geschetste staat - waarin een computer iedereen in de gaten houdt - nu al werkelijkheid begint te worden. Het door het Bundeskriminalamt (BKA) ontwikkelde ‘Inpol’-informatiesysteem is alleszins verontrustend. BKA-president Horst Herold zegt terecht dat de mogelijkheid om grote hoeveelheden gegevens te onderzoeken een keerpunt in het politiewerk betekent. ‘De politie hoeft zich niet te beperken tot opsporing, maar heeft op een breed front de mogelijkheid om gericht preventief te kunnen optreden’, aldus Herold.

De automatisering beïnvloedt ook de organisatie van de politie. Door de servicefunctie van het cvi ontstaat een nieuwe bevelslijn van boven naar beneden, waardoor het CVI zich kan ontwikkelen tot een belangrijk stuurmechanisme voor de hele politie. De kleine straatgendarm voedt in feite dag in dag uit de computer zonder het te beseffen. Bovendien wordt de rijkswachtcomputer ook gevoed met waarnemingen van de gemeentepolitie. In 1975 stuurt minister van Binnenlandse Zaken Joseph Michel (PSC) een brief naar de gemeentebesturen met de dringende vraag om de politiekorpsen aan te sluiten op de rijkswachtcomputer. De gemeentelijke overheden reageren over het algemeen zeer terughoudend, uitgezonderd Gent, waar burgemeester Vanden Daele op zijn eentje deze zaak bedisselt.

De computer werkt een ‘vervreemding’ van de politie in de hand, want de pc registreert net zo min de ‘objectieve werkelijkheid’ als een gewone straatgendarm. Maar het verschil is, dat de computerinformatie wel als de objectieve stand van zaken wordt verkocht en dat het beleid erop wordt afgestemd.

Zo zegt de rijkswacht overdonderd te zijn door de drugcriminaliteit. De publiciteitsspiraal die hierover ontstaat, maakt dat de omvang van dit probleem overdreven wordt.

Het Nationaal Drugbureau (NBD) en de Groep G - Inhoud

Begin 1974 neemt de DEA, gespecialiseerd in infiltratietechnieken, de opleiding van de 80 narcotica-agenten van de rijkswacht in handen. Dit gebeurt niet in het geniep, maar op een plechtige bijeenkomst in de kazerne van het Mobiele Legioen die door niemand minder dan de Amerikaanse ambassadeur persoonlijk wordt opgeluisterd.

Commandant Léon François en het NBD krijgen groen licht van de nationale staf. In de Revue van de Rijkswacht bepleit François een totale confrontatie zowel met de ‘mieren’ (‘hippies die de gramruilhandel bedrijven’) als met de ‘drugbendes waarin ongure arbeiders of vreemdelingen het voor het zeggen hebben’. Zijn methoden doen denken aan de Big Brother-samenleving: hinderlagen, controle van hippiefestivals, razzia’s om de ‘oprichting van heiligdommen te voorkomen’, schaduwen, mobiele of statische bewaking, fotografische of cinematografische opnamen en gebruik van registreertoestellen en zelfs van PUMA-helikopters.(58)

Al onmiddellijk na de eerste infiltratie-operaties is er twijfel over de resultaten. In 1975 raakt François op het hellend vlak, wanneer hij in een actie met de beruchte gangster Touboul ruim anderhalf miljoen Belgische frank uit de rijkswachtkas verspeelt. De actie, een onwettige provocatie, vindt plaats met medeweten van de oversten Maurice Denève en Robert Bernaert. Om dit gat de dichten verzeilt Fran?ois in een vicieuze cirkel van valse rapporten en illegale drugtransacties. Het blijft niet bij een incidentele uitglijder. Andere agenten van het ndb en het bic raken betrokken bij drughandel op grote schaal. François zelf gaat in zee met de Pakistaanse drughandelaar Khan.

François heeft een autoritaire en xenofobe reputatie. De rijkswacht is nu eenmaal voor handhaving van recht, wet en orde en wie daaraan wil meewerken is best een beetje rechtsgezind. Maar wat te denken van commandant Maurice Denève, die op 1 januari 1976 met pensioen gaat en daarna meteen toetreedt tot Protea, een pressiegroep van André Vlerick (CVP) ten voordele van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime? Onder de 142 stichtende leden is ook Karei Dillen, voorzitter van het Vlaams Blok.

En wat te denken van Fernand Beaurir die op 21 september 1978 korPSChef wordt? Beaurir is een vertrouweling van VDB. Onder Beaurir knoopt Francis Dossogne, de leider van het Front de la Jeunesse (FJ) nauwe banden aan met Didier Mievis, die werkt op het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO), de politiële en gerechtelijke documentatiedienst van de rijkswacht. In samenspraak met de FJ-leider richt Mievis in het diepste geheim de Groep G (van gendarmerie) op. Hij rekruteert hiervoor een handvol collega’s, onder wie Thierry Maquet, Jean-Louis Galetta, Madani Bouhouche, Daniël Ponchelet en Martial Lekeu. Mievis verklapt aan Lekeu dat de groep G ook een geheime cel heeft bij de generale staf en bij de Koninklijke Militaire School.

Wellicht om uit te vissen wat de rijkswachtleiding over de groep G weet, neemt Lekeu op 17 september 1976 contact op met adjudant Tratsaert van de info-cel van de Brusselse bob. Op 16 oktober 1976 neemt Lekeu in de woning van Mievis deel aan een vergadering van de groep G. Tratsaert stelt hierover op 22 oktober 1976 een rapport op, dat hij overmaakt aan zijn superieur, adjudant-chef Louis.(59)

Op 9 december 1976 verneemt kapitein Bruggeman, hoofd van het CBO, dat Mievis en Maquet CBO-documenten aan Francis Dossogne hebben doorgespeeld. Ze worden op het matje geroepen en slaan door. De rijkswachtleiding doet de zaak af als een bagatel. Kolonel Paul Reviers, lid van de generale staf, plaatst de twee CBO-medewerkers gewoon over naar de Vijfde Mobiele Groep. Daarbij blijft het. Er wordt zelfs geen disciplinair dossier geopend. Het gerecht wordt helemaal niet geïnformeerd. De rijkswachtleiding meent dat ze daarmee de groep G in de kiem heeft gesmoord. Maar Martial Lekeu beweert dat de Groep G haar activiteiten onverdroten voortzet. Lekeu werkt op dat ogenblik bij de drugsectie van de Brusselse bob, die nauw samenwerkt met Frank Eaton en James Guy. Deze Amerikaanse DEA- agenten hebben de afgelopen jaren hun infiltratietechnieken gesleten aan een heleboel politiemensen, zoals Frans Reyniers, oprichter van de Groep Repressie van het Banditisme (GRB) en lesgever aan de politieschool te Washington. Wanneer op politioneel-technisch gebied één lijn wordt getrokken en wanneer de bevriende politiemensen de Amerikaanse ideologie van drugbestrijding aanhangen, is alles mogelijk. Leden van het ndb en van de drugsectie van de Brusselse BOB leveren de DEA zowel inlichtingen omtrent criminaliteit als over politiek links.(60) Er ontwikkelt zich een clandestien relatienetwerk, dat zich uitstrekt tot extreem-rechts. De twee voornaamste leiders van het Front de la Jeunesse, Francis Dossogne en Daniël Gilson, dikke vrienden van sommige Brusselse BOB’ers, werken mee aan Inforep, een nieuwsbrief van pio, de door legerofficier Jean Bougerol geleide parallelle militaire inlichtingendienst. In feite wordt Inforep gefinancierd door de firma pdg van baron De Bonvoisin. Eind 1978 wordt pio opgeheven. Bougerol hevelt PIO en vermoedelijk de archieven ervan gewoon over naar het hoofdkwartier van de CEPIC.(61) Een andere kennis van de Brusselse bob, Paul Latinus, richt in de schoot van het Front de la Jeunesse een inlichtingendienst op om links te bespieden. Latinus is van alle markten thuis. Hij werkt ook als informant voor de Brabantse brigade B-2 van de staatsveiligheid, een buitendienst die in de hoofdstad ‘subversieve’ groepen in de gaten houdt.

De drugbestrijding loopt uit de hand. Léon François, de belangrijkste drugbestrijder van het land, is al lang werkzaam op de misdaadmarkt. François en sommige medewerkers kopen en verkopen drugs voor persoonlijk profijt en zijn niet vies van illegale opsporingsmethoden. François Raes, een integer rechercheur, smeekt zijn superieuren meerdere keren in te grijpen. In januari 1979 meldt Raes zich bij kolonel Andrianne. De generale staf reageert niet. Of toch, in maart 1979 stuurt Beaurir zijn chef bij de Hogere Directie van de Operaties, kolonel Haesaerts, incognito naar Nederland om er een belangrijke informant uit te horen over de ‘lekken’. In april 1979 vertelt Raes nogmaals het hele verhaal aan gebiedscommandant Majerus. Nog steeds steekt de generale staf geen vinger uit. Majerus verlaat kort daarop de rijkswacht en wordt beheerder van European Institute of Management (EIM), een firma die nauwe banden heeft met majoor Bougerol, de stuwende kracht van pio. Op 7 juni 1979 informeert Raes generaal Beaurir persoonlijk. Geen reactie. Op 16 juli 1979 stuurt hij een rapport naar majoor Bruggeman, hetgeen evenmin direct resultaat oplevert. Intussen doen sommige officieren hun best Raes ervan te overtuigen de vuile was niet buiten te hangen. Corruptie is kennelijk voor de generale staf pas een probleem als het in de krant staat. Ironisch genoeg klaagt ze tegelijk over de misdaadgolf die het land overspoelt.

Ten einde raad licht Raes op 28 augustus 1979 het Brusselse Openbaar Ministerie in. Het is een ongekende stap in een korps, waar de commandant doorgaans garant staat voor vertrouwelijke behandeling van wetsschendingen. Het parket vertrouwt de leiding van het onderzoek-François toe aan een rijkswachter, kolonel Herman Vernaillen, districtcommandant van Brussel en voormalig bevelhebber van de Dyane. Het eerste wat Beaurir Vernaillen ongeveer zegt over de actie van Raes is: Tn vroeger tijden zou hij er allang geweest zijn.’(62) Met andere woorden: ‘verklikker’ Raes moet uitkijken. Met Raes loopt het ook slecht af. Hij wordt aanhoudend gesard, vernederd, bedreigd en gedegradeerd tot een bureaufunctie op het auditoraat. Hij mag er zich alleen met instemming van zijn overste verplaatsen. Een ‘overtreding’ kost hem een disciplinaire straf.

Ook kolonel Vernaillen, die het onderzoek-François coördineert, moet het ontgelden. Hij wordt afgeschilderd als een ‘inquisiteur’ en loopt tegen een muur. De generale staf verbiedt hem een belangrijke getuige in Gent te verhoren en kolonel Boone, gesteund door generaal Beaurir, houdt in eerste instantie de boekhouding achter. De verdachten François en Cammermans spelen op de man. Zij manen Vernaillen tot behoedzaamheid en laten verstaan dat ze in bescherming worden genomen door Vanden Boeynants en baron De Bonvoisin, schatbewaarder van de CEPIC en verbindingsman met extreem-rechts. Ze zien evenwel één ding over het hoofd: de macht van VDB taant, ook al is dat niet zo duidelijk, VDB heeft zijn zetel in het parlement opgegeven maar hij weet zich voorlopig als PSC-voorzitter te handhaven.

Als je wilt overleven, moet je meewaaien met de wind van de machthebbers. Dat weet Vernaillen wel, maar hij gaat moedig met het explosieve onderzoek door. In januari 1980 wordt François gearresteerd. Met hem worden nog twee andere rijkswachters en twee leden van het Bestuur Criminele Informatie (BIC) aangehouden. Zij worden ervan beschuldigd zelf in drugs te hebben gehandeld. In afwachting van hun proces worden zij snel op vrije voeten gesteld. De rijkswachtleiding kan het schandaal nu niet langer uit de publiciteit houden. Toch wijst ze elke kritiek hooghartig van de hand. De schandalen van François en de zijnen worden als individuele fouten afgedaan, verschrikkelijk opgeblazen en met allerlei beweringen aangedikt, met het doel de rijkswacht in diskrediet te brengen. Volgens korpscommandant Beaurir is deze kritiek dan ook ‘onrechtvaardig en kwetsend’.

Commissie-Wyninckx - Inhoud

Eind 1979 staat de rijkswacht voor het eerst echt onder druk. In weinig landen met een parlementaire democratie beschikt een militair of politieel apparaat over zo’n sterke monopoliepositie. In totaal telt het korps rond de 15.000 officieren en manschappen en commandant Beaurir wil in de nabije toekomst minstens 20.000 man. Voor de ordehandhaving heeft de rijkswacht de beschikking over zes mobiele groepen van elk 550 man, te Antwerpen, Brussel, Gent, Luik en Charleroi gelegerd. Qua materiaal beschikt zij behalve over waterkanonnen over zo’n 80 pantserwagens voor het vervoer van personeel, de grote rollen prikkeldraad achterop kunnen op enkele minuten afgerold worden om straten af te zetten. De rijkswacht is belast met de bewaking van vliegvelden, de bestrijding van terrorisme en verdovende middelen en de bewaking van kerncentrales.

Deze ongebreidelde macht wordt scherp veroordeeld door professor Lode Van Outrive. ‘De rijkswacht’, zo verklaart hij in Humo, ‘bedreigt onze vrijheid, want ze is zo sterk dat ze een staatsgreep kan uitvoeren als men de zaak uit technisch oogpunt beschouwt. De rijkswacht is absoluut selfsupporting. Ze heeft alles in huis: helikopters, wapens en tanks. Via de wegpolitie controleert ze het hele wegennet. Er bestaan alarmplannen waarin sprake is van het vrijhouden van de wegen bij ordehandhavingsoperaties. De rijkswacht heeft ook voldoende mankracht en logistiek. Via de computer en andere verdachtenbestanden weet ze precies wie ze moet oppakken.’ En Van Outrive verzucht: ‘Als er nu nog enige controle zou bestaan, dan zou ik me al een stuk geruster voelen.’

Feit is in ieder geval dat er nauwelijks controle op de activiteiten van de rijkswacht wordt uitgeoefend. Het blad De Standaard: ‘Echte parlementaire controle hoeft de rijkswacht niet te vrezen. Interpellaties van de voogdijministers en besprekingen in de bevoegde commissies gaan in de regel over personeelsproblemen, een enkele keer over verkeersveiligheid en gestegen misdadigheid of over een politieruzie.’ De controleur, inspecteur-generaal Robert Bernaert is ook luitenant-generaal zodat de rijkswacht eigenlijk zichzelf controleert. Sterker, de controleur staat in de militaire hiërarchie zelfs een trede onder korpscommandant Beaurir. Zesmaandelijks rapporteert de inspecteur-generaal aan de minister van Landsverdediging over het reilen en zeilen van het korps, maar het parlement krijgt die verslagen nooit te zien. Bernaert profileert zich graag als een koele technicus, maar deze societyfiguur is een lobby op zichzelf. Is Bernaert dan niet neutraal? Zeker, net zo neutraal als de hele rijkswacht. De voormalige medewerker van de Defensieministers P.W. Segers en Vanden Boeynants vertoeft graag in Vlaams-nationalistische kringen als lid van de Marnixring.

De rijkswacht is nooit bijzonder populair geweest, maar krijgt nu, begin 1980, steeds meer kritiek. De snuffelactiviteiten van de bob, die aan werkgevers informatie over vakbondsafgevaardigden vraagt, beginnen velen langzamerhand op de zenuwen te werken. De rijkswacht doet dit ‘incident’ simpel af met: ‘In geval van sociaal conflict moeten wij onze gesprekspartners toch kennen.’ Als een noodverband tegen die politieke bespieding komt Louis Tobback op 12 juni 1980 met een wetsvoorstel dat de rijkswacht verbiedt inlichtingen over ‘levensbeschouwelijke, culturele, syndicale of politieke activiteiten’ in te winnen of te bewaren.(63) In de toelichting bij het wetsvoorstel legt Tobback de vinger op de wonde. ‘Bovendien heeft de technologische vooruitgang die zich sedert de wet van 1957 heeft voorgedaan een onvermoede wereld van mogelijkheden geopend. En het is bekend dat de rijkswacht die technologische vooruitgang in de uitoefening van haar preventieve taak heeft ingeschakeld en dat in de waaier van databanken de zogeheten rijkswacht-computer een niet onaanzienlijke plaats bekleedt. Bovendien kan men door het samenbrengen van gegevens tot bepaalde profileringen komen.’

De cursus ‘Informatie’ die wordt gebruikt in de rijkswacht-school toont aan dat het inwinnen van politieke en syndicale informatie als het ware de tweede natuur van de rijkswacht is. Ook politici ontsnappen niet aan haar alziend oog. Een passage: ‘De rijkswacht moet zich informeren over de vorming van elke nieuwe regering en haar politiek, economisch en sociaal programma alsook over de manier waarop het door de oppositie wordt onthaald.’ Overigens kan het de aandachtige lezer van de cursus ‘Informatie’ niet ontgaan dat in de bijlagen uitsluitend sprake is van betogingen en bijeenkomsten van communisten, socialisten en zelfs ‘sociaux-chrétiens’. De cursus rept met geen woord over extreem-rechtse groepen als het Front de la Jeunesse en de VMO, wier terreuracties begin 1980 nochtans opschudding verwekken. Zo gaan de ‘wandelingen’ van de vmo in Komen en in de Voerstreek met grof geweld gepaard.

De achtergrond voor het feit dat de rijkswacht zich ondanks alle kritiek en schandalen weet te handhaven, is dat zij als het ware het machtsvacuüm in België opvult. Hoe meer de Belgische staat als gevolg van de opeenvolgende staatshervormingen uiteen valt, des te groter wordt de behoefte om nog enkele nationale verbindingsmiddelen in stand te houden. Een daarvan is de rijkswacht, die zich ook als zodanig probeert te profileren.

Het parlement lijkt haar afwachtende houding inzake de rijkswacht en extreem-rechts te laten varen. Op 19 juni 1980 stelt de Senaat haar eigen commissie in om de almaar escalerende extreem-rechtse activiteiten alsook het functioneren van de rijkswacht inzake ordehandhaving te onderzoeken. De commissie wordt aanvankelijk door velen gezien als een gebaar voor de publieke tribune, maar in de daarop volgende maanden wordt echter duidelijk dat commissie-voorzitter Jos Wyninckx (SP) zijn taak serieus opneemt. De commissie hoort tientallen getuigen. Ze stuit echter op de weigering van de hoofdrolspelers om daadwerkelijk mee te werken. De commissie verwekt hevige ontstemming wanneer zij de justitiële autoriteiten verzoekt het zwijgen te verbreken. Het democratische uitgangspunt dat de politie- en veiligheidsdiensten verantwoording verschuldigd zijn aan de volksvertegenwoordiging is nog steeds niet aanvaard. Hele beleidsterreinen worden afgeschermd op grond van vermeende ‘veiligheidsbelangen’, zodat een openbaar onderzoek niet mogelijk is. De rijkswacht bestempelt zelfs de eigen cursussen onnodig tot ‘geheim’ of ‘vertrouwelijk’ en weigert officiële stukken zoals de verslagen van de inspecteur-generaal mee te delen - een schandaal waarover commissieleden met enig verantwoordelijkheidsbesef zich bitter beklagen.

En wat nog erger is, de politie- en veiligheidschefs kunnen een handvol drukbezette en op dit punt zelden gespecialiseerde parlementariërs wijs maken wat ze willen. De grondige aanpak die nodig is kan beslist niet worden verwacht van functionarissen die vergroeid zijn met een systeem dat hun de bescherming van geheimhouding biedt.

De getuigenis van commandant Beaurir op 12 februari 1981 is illustratief. Uitleg over extreem-rechtse infiltratie in de rijkswacht geeft Beaurir niet. Hij praat over de politieke bespieding van vakbondsmensen heen: ‘Voormannen van vakbonden worden niet als zodanig op fiche gezet. Wel kunnen ze bij de rijkswacht bekend zijn voor andere feiten.’ Hij geeft alleen toe wat zonneklaar blijkt uit documenten die anderen per ongeluk boven water hebben gehaald. Beaurir komt maar op dreef als hij spreekt over zijn eisenpakket. Gesteund door minister van Defensie Frank Swaelen (CVP) hamert hij nogmaals op de noodzaak van uitbreiding van de rijkswacht. Tevens pleit hij voor een wijziging van de wet op de privé-milities, zodat uiterst links beter kan worden aangepakt.

Beaurir en de generale staf deinzen er niet voor terug de commissie om de tuin te leiden. Vlak voor de commissie de Brusselse bob bezoekt om ter plaatse na te gaan of de rijkswacht de regels inzake het politiek ficheren van burgers respecteert, krijgt kolonel Vernaillen, districtscommandant in Brussel, opdracht het meest delicate deel van de steekkaartenbak voor de parlementsleden te verstoppen.(64)

Dezelfde Vernaillen krijgt in 1980 van bankier Leon Finné, een aanhanger van de CEPIC, informatie over staatsgreepplannen van de gespierde rechterzijde. Hij citeert de namen van Vanden Boeynants, diens opvolger minister van Defensie José Desmarets, voormalig para-officier Jean Militis, legerbevelhebber Vivario, procureur Raymond Charles en ... commandant Beaurir. De commissie verneemt niets over deze explosieve kwestie.

Generaal Paul Tichon, hoofd van SGR-SDRA, kan niet achterblijven. Hij verstrekt aan de commissie maar weinig substantiële informatie over het extreem-rechtse netwerk in het leger. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk want het beleid van de veiligheidsdiensten berust al lang op angst voor links. Maar dit is nog geen reden om extreem-rechtse figuren te beschermen. Tichon krijgt in 1980 van de staatsveiligheid een rapport over de innige samenwerking tussen Jean Bougerol en de firma PDG van De Bonvoisin, uitgever van het extreem-rechtse blad Nouvel Europe Magazine (NEM) waarvan Emile Lecerf hoofdredacteur is. Slechts onder druk van Albert Raes, de chef van de staatsveiligheid, overhandigt Tichon de nota aan de enquêtedienst van de SDRA.(65)

Zoveel is zeker. Het lukt de commissie niet te achterhalen welke sectoren in het staatsapparaat zich medeschuldig maken aan samenwerking met of bescherming van extreem-rechts. Naarmate de tijd verstrijkt, ontwikkelt de commissie zich tot een teken van goede wil dat weinig consequenties met zich meebrengt. Als zoenoffer voor de publieke opinie vaardigt minister Philippe Busquin (PS) op 30 maart 1981 nieuwe richtlijnen uit die zelf weer geheim zijn en op grond waarvan de rijkswacht haar bespiedingsijver wat moet intomen. En dan zijn er begin mei 1981 nog de veroordelingen van de extreem-rechtse privé-milities, VMO en Front de la Jeunesse, na oppervlakkige processen waarin de politieke beschermheren buiten schot blijven.

Elke keer als de commissie een draadje te pakken denkt te hebben, breekt het af. Tot Albert Raes even onvervaard een tipje van de sluier oplicht. In een nota, bestemd voor minister van Justitie Philippe Moureaux, wijst het hoofd van de staatsveiligheid erop dat het Front de la Jeunesse en aanverwante extreemrechtse projecten al een poos jaarlijks zo’n 1,2 miljoen ontvangen van de firma PDG van baron Benoit De Bonvoisin, schatbewaarder van de CEPIC.

19 mei 1981. Die datum zal de baron niet licht vergeten. Op die dag lekt de vertrouwelijke nota van de staatsveiligheid via De Morgen uit en doet het parket op last van het ministerie van Financiën huiszoeking in de kantoren van pdg, in de Brusselse privé-woning van De Bonvoisin, in zijn kasteel in Maizeret en ten huize van majoor Jean Bougerol. Ze worden er ernstig van verdacht een rol te hebben gespeeld bij een internationaal opgezet net voor belastingontduiking. Sindsdien zijn VDB en De Bonvoisin erop uit om de staatsveiligheid en Albert Raes in diskrediet te brengen.

De commissie-Wyninckx staat nu voor de uitdaging om het uiterst rechtse adderkluwen grondig te ontwarren, maar de commissie breekt abrupt haar werkzaamheden af. Ironisch genoeg is een aanhanger van de cepic, Georges Gramme, verantwoordelijk voor het eindrapport. De commissie berispt of sanctioneert niemand. Rijkswacht en leger opereren na de commissie-Wyninckx nagenoeg hetzelfde als vroeger. Korpschef Fernand Beaurir en Bob Bernaert, inspecteur-generaal, zijn en blijven ‘van ons’. De twee hoogste officieren van de rijkswacht zijn op 30 oktober 1981 te gast bij P.W. Seghers, die een Flandria-boottocht op de Schelde organiseert voor een select gezelschap van CVP-bankiers en -ministers, ACW- en ACV-leiders, generaals in uniform en vijf voormalige premiers. Vanden Boeynants is er niet bij. Zijn dagen zijn geteld. Op 1 december 1981 verlaat VDB de landelijke politiek. Tegen hem en baron De Bonvoisin lopen fraudeonderzoeken, VDB zou de fiscus voor zo’n 200 miljoen getild hebben.

De val van de onaantastbaar geachte ‘dinosaurus’ met al zijn machtige vrienden, zal in heel het land nadreunen en is volgens sommigen de katalysator van heel wat vreemde dingen die zich de komende jaren zullen afspelen.

II De grauwe sluier van de bende - Inhoud

De aanslagen op de rijkswacht - Inhoud

In de herfst van 1981 lijkt de Brusselse rijkswacht rustig maar onderhuids broeit het. De spanning en het wantrouwen liggen dicht onder de oppervlakte. Commandant François is niet op non-actief gesteld. Sommige leden van de generale staf vinden dat François’ zonden hem moeten worden vergeven. In feite is de rijkswacht het toneel van een steekspel tussen het pro- en anti-François-kamp. Naarmate het gerechtelijk onderzoek vordert - de laatste verhoren moeten in oktober 1981 worden gehouden - nemen de onderhuidse ergernissen, pesterijen en kuiperijen toe. Kolonel Vernaillen krijgt van gebiedscommandant Devos en groepscommandant Delbecque de wenk om het François niet te moeilijk te maken. Devos laat ook weten aan Guy Goffinon, de rechterhand van Vernaillen, dat VDB naar Beaurir heeft gebeld.(66)VDB heeft zakelijke relaties met Jacqueline Ghysels wiens naam in verband is gebracht met het dossier-François. Maakt de ex-premier zich ongerust over het onderzoek?

In de herfst van 1981 werkt het extreem-rechtse duo Bouhouche-Beijer bij de Brusselse bob. Zij zijn voor geen kleintje vervaard. Zo smeden zij volgens Martial Lekeu louche plannen om grootwarenhuizen geld af te persen, waarmee allerlei subversieve projecten kunnen worden gefinancierd. Het spreekt vanzelf dat zij de ontwikkelingen in het onderzoek-François op de voet willen volgen. Daarom plaatsen zij ongemerkt afluisterapparatuur in het kantoor van Vernaillen. Deze verwijdert hen daarop uit de bob, tot ongenoegen van sommige superieuren, die niets tegen die ‘hardwerkende’ collega’s hebben, integendeel zelfs.

Midden oktober 1981 is het gerechtelijk onderzoek in de zaak-François afgerond. Op 16 oktober 1981 moet de Brusselse raadkamer beslissen of François en 11 andere verdachten op de beklaagdenbank terechtkomen. De nakende rechtszaak geeft aanleiding tot onverkwikkelijke toestanden.

Op 11 oktober 1981 belt een onbekende het team van Guy Goffinon vanuit de Brusselse kroeg ‘Drug Opera’, welbekend bij onder meer DEA-agenten. De onbekende tracht Goffinon te lokken met de mededeling dat hij interessante informatie kan verschaffen over een recente dubbele moord in Anderlecht. Goffinon heeft toevallig een vrije dag. Zijn drie collega’s slagen er niet in hem thuis te bereiken en begeven zich met Goffinons dienstauto, een Peugeot 404, naar de plaats van afspraak. Onderweg explodeert de wagen. In de kofferruimte vindt men een bompakket, dat gelukkig slechts gedeeltelijk ontplofte. De daders zijn hoogstwaarschijnlijk geen onbekenden, want ongemerkt een bom in de kofferbak van een rijkswachtauto plaatsen, dat is geen kinderspel. Het lijdt geen twijfel dat de aanslag een ernstige waarschuwing is aan het adres van de speurders in de zaak-François.

Op 15 oktober 1981 ontvangen Goffinon en Vernaillen anonieme telefoontjes met doodsbedreigingen. Een week later, op 23 oktober 1981, wordt de Amerikaan Jean-rançois Buslik opgepakt. Hij is een vriend van Frank Eaton en Madani Bouhouche. Buslik bekent dat hij het ontstekingsmechanisme voor de bom heeft geleverd. Drie dagen later, op 26 oktober 1981, rond tien uur ’s avonds rijdt Vernaillen naar zijn villa in Affligem-Hekelgem. De kolonel heeft een lange dag achter de rug, want hij stond in voor de ordehandhaving op de massale antiraketten-betoging. Even na middernacht bellen onbekenden aan de voordeur. Voor Vernaillen de deur kan open doen, schieten zij 12 kogels naar binnen. De voormalige baas van de Dyane gooit zich instinctief op de grond. Hij krijgt een kogel in de rug. Zijn echtgenote loopt zware verwondingen op. Het is een wonder dat het echtpaar de kogelregen overleeft.

Deze goed beraamde moordpoging tast het moreel van de rijkswacht nog meer aan, want alles wijst erop dat de daders - alweer - geen onbekenden zijn en dat zij Vernaillens handel en wandel uitstekend kenden. De bob stelt een onderzoek in en het is uitgerekend Bouhouche die aan de woning van Vernaillen onderzoeksrechter Bellemans opwacht en die naar verluidt de projectielen bezorgt aan de ballistische deskundige, commandant Claude Dery, een voormalig inlichtingenofficier van de militaire veiligheidsdienst (SGR) en een oude vriend van majoor Jean Bougerol.(67) Het onderzoek wijst uit dat de daders met twee karabijnen 9 kogels 222 Remington afvuurden. De exploderende kogels zijn van een zeldzaam soort waarmee de Dyane oefent. Voorts werden er drie kogels afgevuurd met een pistool 9 mm. Tevens blijkt uit het onderzoek dat de daders zich verplaatsten in een bruine Mazda 626. Deze wagen wordt op 28 oktober 1981 te Sint-Lambrechts-Woluwe teruggevonden. Achteraan is een gaatje geboord voor de antenne van een radio waarmee de rijkswacht kan worden afgeluisterd. Wellicht gaat het om een JET-radio die begin mei 1981 uit een auto van de Dyane werd gegapt. In de Mazda vinden de rechercheurs identiek dezelfde plakband die twee weken voordien gebruikt was bij de aanslag op de auto van Goffinon. De Mazda behoort toe aan de Saoedische ‘journalist’ Faez Al Ajjaz, een vriend van de voormalige rijkswachtofficier Majerus en naar later blijkt de occulte financier van een nieuwe neo-nazimilitie Westland New Post ((WNP), geleid door Paul Latinus. Op 23 november 1981 wordt Jean-Marie Dehaut, een garagist, gearresteerd. Hij leende de Mazda uit aan de onbekende daders. Daarna valt het onderzoek raadselachtig genoeg geheel stil.

Inmiddels heeft de Brusselse raadkamer François en consorten naar de strafrechter verwezen. De Amerikaanse ambassadeur reageert direct en richt een brief aan het Openbaar Ministerie, waarin hij de aandacht vestigt op de diplomatieke onschendbaarheid van DEA-agent Frank Eaton. Ondanks deze perikelen krijgt François in het najaar van 1981 de versierselen behorend bij de ‘Officier in de Kroonorde’ voor de grote diensten die hij het vaderland heeft bewezen.

Oudjaar 1981 weten inbrekers door te dringen tot de zwaar bewaakte rijkswachtkazerne te Etterbeek waar de elite-eenheid Dyane is gehuisvest. Dat moet bijna wel gebeuren met medeweten of hulp van rijkswachters zelf. De rijkswachtleiding staat erop dat de Dyane binnen de tien minuten inzetbaar is. Daarom liggen de zeer gespecialiseerde wapens klaar in de auto’s, die geparkeerd staan in de kazerne van het Mobiele Legioen in Brussel. De dieven hebben geen interesse voor de traditionele wapens. Met een geperfectioneerde techniek breken de dieven vijf Taunus cargocombi’s open en gaan er vandoor met een handvol gesofistikeerde en kostbare wapens, waaronder 15 mitrailleurs Heckler und Koch, 5 ultramoderne riotguns en 5 fal machinegeweren en een pak laders en munitie, goed voor een totale waarde van een half miljoen. De inbrekers laten daarbij geen enkel spoor achter. Zij vertrekken met de buit in een ‘stille’ auto van de Dyane, een groene Mazda. Om langs de wacht naar buiten te komen moeten zij in theorie een ‘reisblad’ tonen. De daders slagen erin ongemerkt de kazerne te verlaten. De gewaagde wapendiefstal geeft het prestige van de rijkswacht een nieuwe opdoffer. Het gaat immers om zeer speciale wapens waaronder een totaal nieuw wapen van de Duitse firma Heckler und Koek, exclusief bestemd voor de bestrijding van terroristen.

De drie aanslagen, allemaal in een tijdsbestek van drie maanden, maken kennelijk deel uit van een strategie om het elitekorps te vernederen, te provoceren en in verlegenheid te brengen.

Bruggeman, toenmalig hoofd van het CBO, beaamt dit: ‘De rijkswacht is nooit meer in diskrediet gebracht. De diefstal bij de groep Dyane betekent een echte kaakslag.’(68) De generale staf, die toch al de handen vol heeft met de zaak-Frangois, probeert met alle middelen de aanslagen uit de publiciteit te houden. Daarom dringt de rijkswacht zich aan onderzoeksrechter Guido Bellemans op. Deze durft het onderzoek niet aan de gerechtelijke politie toe te vertrouwen. ‘Dat zou een oorlog ontketenen’, verklaart hij.(69) De Brusselse bob neemt dan ook vanaf 4 januari 1982 het onderzoek zelf in handen, bijgestaan door enkele leden van het gerechtelijk detachement van het krijgsauditoraat. De gerechtelijke politie mag enkel het technisch onderzoek op de plaats van het misdrijf uitvoeren.

Twee ‘pistes’ liggen voor de hand. Het mogelijke verband met de zaak-François is snel gelegd. En voorts kan men zich inbeelden dat Bouhouche en Beijer zich na hun verwijdering uit de bob ‘geslachtofferd voelen’. Tevens zijn Bouhouche en Beijer bevriend met adjudant Collard, die bij de groep Dyane verantwoordelijk is voor het materieel. Het is logisch dat de rijkswachtleiding het onderzoek op die ‘pistes’ richt, maar dat gebeurt niet. Bouhouche wordt geen seconde verontrust. Zijn antecedenten worden niet nagetrokken. Sterker, hij wordt zelfs in het onderzoek ingeschakeld en neemt aan minstens een huiszoeking deel.

Op 12 januari belast de rijkswachtleiding majoor Demessemakers, adjudant van Bruggeman, met de coördinatie van het onderzoek. Hij brengt een beleefdheidsbezoek aan onderzoeksrechter Bellemans. De ‘sheriff’, zoals Bellemans algemeen wordt genoemd vanwege zijn doorgaans doortastend optreden, komt er verder niet aan te pas. Bellemans berust overigens in zijn lot: ‘Als onderzoeksrechter heb je geen zicht op de interne keuken van de rijkswacht.’(70) Er start een oppervlakkig intern onderzoek. Personeel van het Mobiel Legioen en leden en ex-leden van de groep Dyane worden ondervraagd. Rijkswachters met extreem-rechtse sympathieën krijgen weinig of geen aandacht. De leden van de Groep G worden niet verontrust. Weliswaar stelt het CBO op 19 januari 1982 een lijst op van zes rijkswachters, waarop de namen prijken van Johan Demol (lid van het Front de la Jeunesse) en Claude Godin (een ex-lid van de Dyane), maar in het betrokken document wordt met geen woord gerept over hun politieke achtergrond.

Op 22 januari 1982 stemt Claude Godin in met een huiszoeking. Die levert geen resultaat op. Opmerkelijk is dat Bouhouche bij deze huiszoeking betrokken is.(71) Een geplande huiszoeking bij Johan Demol wordt zomaar geschrapt, met als motief dat Demol inmiddels werkzaam is bij de gemeentepolitie van Brussel. Demessemakers vindt al dat gewroet in extreem-rechtse kringen vervelend. Bekende, uiterst rechtse rijkswachters als Michel Vanhove, betrokken bij de brandstichting van het blad Pour en Lucien Marbaix ((WNP) worden ongemoeid gelaten. Informatie over de interne onderzoeken in het rijkswachtkorps wordt aan Bellemans niet doorgegeven.

Op 2 februari 1982 vangt het proces aan tegen François en zijn kompanen. Het Openbaar Ministerie heeft François alleen vervolgd voor feiten die dateren van voor 1975. De justitie heeft opzettelijk de ergste excessen en gewichtigste dossiers tegen François onaangeroerd gelaten om de generale staf te ontzien. Raes had de justitie nochtans de gegevens bezorgd. Hij weet nu zeker dat er verder niets mee zal gebeuren. Het tribunaal roept Raes niet eens als getuige op. Sterker, hij wordt zelfs belet in de rechtszaal aanwezig te zijn door een plotselinge overplaatsing naar het Mobiele Legioen, waar de gevierde speurder van 8 tot 17 uur onder meer auto’s mag wassen.

Op 18 februari 1982 neemt luitenant-kolonel Gerard Lhost, tweede commandant van het Mobiel Legioen, de leiding van het onderzoek naar de wapenroof over. Lhost is bijna in ieder opzicht precies het soort officier van wie de rijkswachtleiding het moet hebben als ze een schandaal wil bezweren. Marchoul, topman van de info-cel van de BOB-Brussel, suggereert in elk geval dat Lhost iemand is die op een of andere manier sympathie heeft voor uiterst rechts.(72) Lhost is vastbesloten het ‘onderzoek’ onder zijn controle te houden. Hij laat zich niet door onderzoeksrechter Bellemans voor de voeten lopen en neemt niet eens contact op met de info-cel van de BOB-Brussel. Lhost schort op 27 april 1982 zelfs de coördinatievergaderingen op. Het onderzoek valt in feite zo goed als stil. Conclusie van de Leuvense professoren Cyrille Fijnaut en Raf Verstraeten: ‘Het extreem-rechtse spoor werd ernstig verwaarloosd.’

Uiteindelijk wordt commandant François op 14 april 1982 voor het bijklussen in de misdaad tot de symbolische straf van één jaar voorwaardelijk veroordeeld. De ‘kleinere vissen’ krijgen veel zwaardere straffen. Men zou verwachten dat na zo’n schandaal alles zou veranderen, maar alles blijft bij het oude. François kan na een korte periode van non-activiteit opnieuw aan de slag. De rijkswachtleiding blijft op dezelfde voet doorgaan. Zij rekent niet af met het verleden. Zij laat extreem-rechtse rijkswachters nog steeds hun gang gaan.

Bouhouche is inmiddels actief in Westland New Post ((WNP). Dat wordt tenminste beweerd door Lucien Marbaix en de WNP-kaderleden Marcel Barbier en Michel Libert. Latinus maakt er geen geheim van dat hij WNP stichtte in opdracht van Amerikaanse geheime diensten. Die liggen al jaren overhoop met het hoofd van de staatsveiligheid, Albert Raes, die het Amerikaanse juk probeert af te werpen.

WNP heeft kennelijk een tweeledig doel, WNP tracht Albert Raes en diens medewerker Christian Smets, die de val van Vanden Boeynants en De Bonvoisin veroorzaakten, in diskrediet te brengen. Voorts poogt WNP een versterking van leger en militaire veiligheidsdiensten uit te lokken. De diefstal door WNP-leden van geheime NATO-documenten in het extra beveiligde communicatiecentrum van de generale staf van het Belgisch leger in Evere in de periode van maart tot juni 1982, en de publicatie ervan in het eerste nummer van het tijdschrift Althing, passen perfect in deze strategie. De kopstukken van WNP, Michel Libert en Paul Latinus, komen er rond voor uit dat de diefstal bedoeld is om aan te tonen dat het Belgisch leger niet afdoende beveiligd is tegen spionage van de kgb. Alles wijst erop dat ze de protectie genieten van enkele Amerikaanse opdrachtgevers en Belgische militairen. Een pikant detail: de documenten bevatten vertrouwelijke gegevens afkomstig van de Marine Intelligence Summery van de NATO. Informatie om van te watertanden als je terroristische plannen hebt.

Bouhouche is niet alleen een sympathisant van WNP, hij heeft daarnaast nog een andere liefhebberij: practical shooting. Bouhouche en Alain Weykamp, een vooraanstaand lid van het Front de la Jeunesse, zijn de oprichters van de practical shooting club Parabellum. Daar geeft de rijkswachter speciale trainingen aan extreem-rechtse militanten. Een kennis van hem, Jean Bultot, de adjunct-directeur van de gevangenis van Sint-Gillis, heeft ook een eigen practical shooting club: Phenix. De schietclubs van Bultot en Bouhouche zijn berucht vanwege agressieve schiet-methoden die meer met terrorisme dan met sport te maken hebben, er heerst een militaristische sfeer. Wapenfanaten, rechtse extremisten getooid met nazi-emblemen en personeelsleden van particuliere bewakingsfirma’s en allerlei politiediensten zijn er kind aan huis.

Begin 1983 verlaten Bouhouche en Beijer de rijkswacht en richten het detectivebureau ari op. Hun vertrek is niet het gevolg van een vertrouwensbreuk met de generale staf, laat staan het gevolg van het onderzoek naar de drie spectaculaire aanslagen op vitale onderdelen van de rijkswacht. Nog altijd zijn de daders niet gevonden. Hoe is het mogelijk dat die onderzoeken op niets uitlopen? Het gaat nochtans om zwaarwichtige feiten, kennelijk goed gecoördineerde pogingen om de rijkswacht belachelijk te maken, chaos en angst te creëren en daardoor een versterking van het korps uit te lokken. De rijkswacht die zo efficiënt is wanneer het gaat om de handhaving van de orde en de bestrijding van links heeft plotseling te weinig expertise nu het gaat om aanslagen tegen haar eigen officieren. En tenslotte is de grote vraag: wat zullen de extreem-rechtse wapenliefhebbers doen? Zullen die braaf voor de sport terrorist spelen?

De Bende van Nijvel - Inhoud

In het voorjaar van 1983 zijn een aantal supermarkten het doelwit van gewapende overvallen. Op 11 februari 1983 dringen drie misdadigers de Delhaize van Genval binnen. Onder bedreiging van vuurwapens maken ze ongeveer 700.000 frank buit.

Voor ze het warenhuis verlaten, rukken ze de telefoonkabels stuk en beschieten ze de computerterminal. Op 25 februari 1983 overvallen twee gemaskerde personen de Delhaize te Ukkel, maken zich meester van zo’n 600.000 frank en schieten een voorbijganger neer. Het geweld gaat in stijgende lijn. Op 3 maart 1983 overvallen drie zwaar gewapende gangsters de Colruyt te Halle. Ze dwingen de zaakvoerder onder bedreiging van een vuurwapen de brandkast te openen en schieten hem daarna zonder pardon dood. Buiten vuren ze op verscheidene geparkeerde wagens. De buit bedraagt welgeteld 704.077 frank.

Ondanks de schijn van het tegendeel, is het de daders nauwelijks om de buit te doen. Het zijn geen roofovervallen, maar aanslagen. Vanwege hun onderlinge overeenkomsten worden de brutale aanslagen toegeschreven aan één en dezelfde groep, de ‘Bende van Nijvel’. De politiediensten komen onder steeds grotere druk te staan om de daders te vinden. De arrestatie van de Bende zou een enorme opluchting zijn, die de mensen in staat zou stellen de collectieve nachtmerrie de rug toe te keren.

De bob van Bergen gaat uit eigen beweging op onderzoek uit. Ze identificeert de kandidaat-Bendeleden verrassend snel. Het gaat om Michel Cocu, een voormalig politieman, en diens entourage van Vierdewereldfiguren uit de Borinage. In de bob van Bergen loopt een zekere Christian Amory rond, een ex-lid van de Dyane, en net als Bouhouche actief in extreem-rechtse kringen.

De Bergense bob laat de ‘Borains’ (Michel Cocu, Michel Baudet, Adriano Vittorio, Jean-Claude Estiévenart en Kaci Bouaroudj) schaduwen. De informatie wordt niet meegedeeld aan onderzoeksrechter Guy Wezel, die verantwoordelijk is voor het onderzoek naar de Bende van Nijvel. De BOB’ers maken zelfs geen procesverbalen op en laten Wezel in het ongewisse. Er gebeuren nog rare dingen. Onder druk van de bob van Bergen en uit angst voor Amory, bezorgt Josiane Debruyn op 25 mei 1983 de Rüger-revolver P38 van haar man, Jean-Claude Estiévenart, aan de bob in Colfontaine.(73) Het wapen, aangekocht door Michel Cocu, wordt dezelfde dag aan de bob van Bergen bezorgd, waar het tegen alle regels in blijft rondslingeren en op 10 juli 1983 zelfs voor proefschieten wordt gebruikt. Pas op 29 juli 1983 sturen de Bergense BOB’ers het wapen naar Halle. Via onderzoeksrechter Kesteloot laat de bob een ballistisch onderzoek uitvoeren door commandant Claude Dery, een voormalig officier van de militaire veiligheid. Dery legt een verband tussen de Rüger-revolver en de overval in Genval. Nog steeds weet onderzoeksrechter Guy Wezel van toeten noch blazen. Kennelijk aanvaardt de bob geen leiding door de justitie, die de geleverde informatie en de wijze van vergaren moet kunnen controleren, zeker als die niet berust op klassiek speurwerk maar op onconventionele observatietechnieken van de Dyane.

Het moorden gaat door. Op 10 september 1983 breken drie Bendeleden binnen in het bedrijf Wittock te Temse, waar kogelvrije vesten voor de politiediensten worden geproduceerd. De conciërge wordt vanop korte afstand met vier schoten in het hoofd afgemaakt. De drie overvallers laten de echtgenote van de conciërge met verwondingen aan het hoofd en de rechterhand voor dood achter. Ze gaan er vandoor met 7 gesofisticeerde kogelvrije vesten, die nog niet in de handel zijn.

In de nacht van 16 op 17 september 1983 verschijnt de Bende aan de Colruyt van Nijvel. De zakenman Jacques Fourez is maar net het parkeerterrein opgereden of hij wordt zonder pardon geëlimineerd met een kogel in het hoofd. Zijn vriendin tracht te ontkomen, maar wordt met twee kogels in het hoofd afgemaakt. De overvallers dringen de supermarkt binnen, waardoor ze het elektronisch alarmsysteem in werking zetten. Een combi met twee rijkswachters draait even later het parkeerterrein van de Colruyt op en wordt vrijwel onmiddellijk aan weerszijden onder vuur genomen en met 20 kogels doorzeefd. De rechterduim van rijkswachter Lacroix wordt afgerukt. De man werpt zich op de grond en houdt zich dood. Het is zijn redding. Zijn collega, Marcel Morue, valt zwaar gewond neer en wordt met een nekschot afgemaakt, ijskoud. Daarna vluchten de gangsters in de Mercedes van Fourez en een Saab, maar de politie van Eigenbrakel komt hen al snel op het spoor en zet de achtervolging in met een ordinaire Golf. Ter hoogte van nachtbar Le Diable Amoureux speelt zich een merkwaardig tafereel af. In plaats van te verdwijnen, zoals het gewone gangsters betaamt, vatten de Bendeleden post aan weerskanten van de weg en veranderen in getrainde commando’s. Ze nemen de naderende politiepatrouille met hun riotguns onder vuur en doorzeven de Golf met 10 kogels van 7,65 en 6 mm. Een politieman raakt gewond. De Bende ontsnapt. Balans: 3 doden. Buit: 50 kilo koffie, 25 bussen olie en de wapens van de twee rijkswachters. De Bende schiet mensen koelbloedig neer, spaart niemand. Minimaal geweld is een heilige regel voor traditionele gangsters; die erecode bestaat niet vpor de Bende.

De rijkswacht zet haar zoekactie naar de Bende op haar eentje verder alsof de justitie niet te vertrouwen is. Op 4 oktober 1983 richt rijkswachtcommandant Beaurir zonder overleg met de justitiële autoriteiten een speciaal team op, dat gebruik mag maken van onorthodoxe onderzoeksmethoden om de Bende te ontmaskeren.(74) Majoor Maurice Gilbert, de chef van de Dyane, krijgt de leiding van het team; hij wordt geassisteerd door één officier en twee onder-officieren. Kolonel Peter Berckmans, de gebiedscommandant van Brabant, zit op 5 oktober 1983 de eerste vergadering voor. Twee dagen later, op 7 oktober 1983, overvallen drie gemaskerde Bendeleden, net voor sluitingstijd, de supermarkt Delhaize te Beersel. Een salvo weerklinkt en een jonge kassierster wordt in de schouder getroffen. Een collega wordt vervolgens onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen de kassa’s leeg te halen, waarna de zaakvoerder zonder plichtplegingen uit de weg wordt geruimd.

Voorlopige balans van de Bende: 10 doden, meerdere zwaar-gekwetsten en een buit van amper 3 miljoen. Eén zaak is zeker: het gruwelijke geweld is buiten proporties; de Bendeleden passen niet in het profiel van ordinaire misdadigers. Waarom de rijkswacht het voorlopig houdt op de Bende-Cocu, is niet te begrijpen. Het speciale rijkswachtteam verdenkt de ‘Borains’ ervan betrokken te zijn bij de overval op de Delhaize van Genval. De verdenkingen berusten hoofdzakelijk op het feit dat de Rüger P38 volgens deskundige Claude Dery gebruikt zou zijn bij de roofoverval. De rijkswacht doet alle mogelijke moeite om haar onderzoek geheim te houden. Ze maakt zelfs geen procesverbaal op van de geheime vergaderingen en onderzoeksactiviteiten van het speciale team, waaraan verscheidene BOB’ers uit Bergen meewerken. Het is een sprekend voorbeeld van de eigengereidheid van de rijkswacht, die zich boven de justitie verheven acht. Op 17 oktober 1983 komt de geheime onderzoekscel op de nationale staf in Brussel bijeen.(75) Majoor Gilbert leidt de vergadering. Het speciale rijkswachtteam besluit de Bende-Cocu nog intenser te schaduwen en op korte termijn op te rollen. De rijkswacht is nu wel verplicht Guy Wezel op de hoogte te brengen van haar bevindingen, want de onderzoeksrechter is nu eenmaal de enige die een bevel tot aanhouding kan afgeven.

Wezel staat perplex. Hij voelt zich voor de gek gehouden door de rijkswacht, die gehandeld heeft alsof hij niet bestond. Hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de bob van Bergen het dossier zonder enige inspraak ‘voorkookte’ en met de Rüger P38 van Estiévenart knoeide. Dat wringt des temeer omdat de bob niet eens een procesverbaal opmaakte van illegaal wapenbezit. Het lijkt wel een slechte politiefilm. Toch geeft Wezel na een gesprek met Claude Dery toestemming om de ‘Borains’ een week lang te schaduwen. Drie dagen later meldt de rijkswacht hem dat Estiévenart onraad ruikt. Wezel wordt verzocht een aanhoudingsbevel af te geven, wat hij noodgedwongen doet.(76) Estiévenart wordt op 23 oktober 1983 ingerekend door de extreem-rechtse BOB’er Christian Amory. Vanaf eind oktober 1983 zit de bende-Cocu achter de tralies.

De rijkswacht gaat met de eer lopen, zij heeft de Bende van Nijvel uit de anonimiteit gehaald. En hoe zit het met het bewijsmateriaal? De ‘Borains’ worden dagen en nachten verhoord; ze beweren geschopt en geslagen te worden zonder evenwel uiterlijke letsels op te lopen. Baudet wordt door de gerechtelijke politie van Charleroi ondervraagd met een zak over het hoofd. Hij krijgt zelfs een vuistslag in het gezicht waardoor zijn gebit in tweeën breekt.(77) Cocu zegt over zijn verhoren: ‘Maar nee, ik heb nooit een verhaal verteld. Ik hoefde zelfs niks te verzinnen, dat deden de rechercheurs wel. Ze stelden me vragen, ik antwoordde met ja en nee, en aan de hand daarvan schreven zij de kroniek van de Bende van Nijvel.’ En hij vervolgt: ‘De rechercheurs bedreigden me voortdurend. Ze zegden dat mijn ouders en mijn vrouw problemen zouden krijgen, en dat mijn dochter in een instelling zou worden geplaatst. Maar het ergste was dat de verhoren zo lang duurden. Meestal 24 uur, soms 36 uur aan een stuk. In Charleroi hebben ze me geslagen, dat is waar. En in Nijvèl en in Brussel ook. Op een bepaald ogenblik hebben ze me uitgekleed tot aan m’n slip, en me met handboeien aan een stoel vastgemaakt. Als ik niet zei wat mijn ondervragers wilden horen, kreeg ik een trap tussen m’n benen.(78)

Onderzoeksrechter Wezel stelt vast dat de beklaagden groggy zijn en protesteert bij procureur Jean Deprêtre tegen de ‘onconventionele’ verhoormethoden. Onder die omstandigheden is het niet verwonderlijk dat sommige ‘Borains’ eerst ‘bekennen’ en later hun ‘bekentenissen’ weer herroepen. Op 27 oktober 1983 is de maat vol; Wezel zegt de samenwerking met het speciale rijkswachtteam op en besluit voortaan te vertrouwen op de gerechtelijke politie van Nijvel en op een paar BOB’ers die hij zelf zorgvuldig selecteert.

Eind 1983 draait de benoemingscarrousel volop; commandant Fernand Beaurir gaat immers met pensioen. De generale staf is al een poosje in de weer met de opvolging. Eerst dient er een nieuwe korpschef te worden aangesteld om in het korps orde op zaken te stellen. Bij de benoeming spelen politieke factoren een overwegende rol. Uiteindelijk komt de naam van Robert Bernaert uit de bus, een man die de ondemocratische filosofie en cultuur van zijn voorganger in stand kan houden, al is het omdat Bernaert het omstreden optreden van de generale staf in de zaak-François rechtvaardigde. Hoogstens zal voortaan een Vlaamse wind door de rijkswacht waaien, want in tegenstelling tot Beaurir, een zeer behoudende PSC’er en vertrouweling van Vanden Boeynants, draagt Bernaert het etiket van conservatief CVP’er. Bernaert passeert de oudere Paul Reviers, sinds april 1983 hoofd van de generale staf, die als een meer gematigde CVP’er aangeschreven staat. De bevordering van Reviers tot tweede commandant - een nieuwe post - moet het leed verzachten. De carrousel staat in het teken van de continuïteit. Reviers maakt plaats voor zijn adjunct, generaal-majoor Saint-Viteux, een Franstalige PSC’er, die zich graag beweegt in de Brusselse salons.

Vlak voor zijn afscheid, op 29 december 1983, neemt De Standaard Beaurir de biecht af. De commandant onthult dat de generale staf onlangs een ‘studie- en documentatiecentrum inzake terrorisme’ in het leven heeft geroepen. Op dat ogenblik moet de eerste ‘terroristische’ aanslag nog plaatsvinden, want Beaurir bestempelt de Bende van Nijvel als ‘ordinair gangsterdom’. ‘De rijkswacht beschikt over de beste papieren om het onderzoek naar de Bende te coördineren’, aldus Beaurir. De commandant tikt en passant de justitie op de vingers. ‘Ze staat een efficiënte coördinatie in de weg’, aldus Beaurir, ‘want hier is onderzoeksrechter één bevoegd en daar, een kilometer verder, onderzoeksrechter twee en die kan er dan nog anders over denken.’ Tot slot kijkt Beaurir met heimwee terug op een rijk gevulde carrière, die begon in de Tweede Wereldoorlog. ‘Als piepjonge rijkswachter kwam ik in het oorlogsgeweld terecht. Het was de meest tragische periode van mijn hele loopbaan. Ik werd van dichtbij geconfronteerd met dood en miserie.’ En als uitsmijter: ‘Maar het was een goede leerschool op het gebied van antiterreurbestrijding.’

Van WNP tot CCC - Inhoud

Op 19 februari 1982 ontdekt de politie op een appartement aan de Herdersliedstraat 97 te Anderlecht de vreselijk toegetakelde lijken van Alfons Vancfer Meulen en Francesca Arcoulin. Dezelfde dag doorzoekt de politie de woning van Marcel Barbier, de vriend van de echtgenote van Vander Meulen, en vindt een reeks wapens: twee geweren, een pistool, allerlei munitie, een bajonet en dolk. Het alibi van Barbier, een oudgediende van het Front de la Jeunesse (FJ), wordt niet nagetrokken. Bij een nieuwe huiszoeking op 9 maart 1982 vindt de gerechtelijke politie nog een zwarte commando-dolk, die volgens Barbier toebehoort aan Michel Libert. Op 17 maart 1983 - dertien maanden na de dubbele moord - meldt de gerechtelijke politie in een proces-verbaal dat Barbier en Libert gekende extreem-rechtse figuren zijn.(79)

Op 16 augustus 1983 bedreigt een dronken Barbier zijn broer met een geladen pistool in de Edisonstraat te Vorst. Tijdens twee huiszoekingen vindt de politie twee revolvers, een hoop munitie, een ‘cagoule’, het tijdschrift Althing, een Duitse militaire helm met ss-kentekens, een reproductie in hout van het hakenkruis en geheime NATO-telexen. Barbier zegt dat de telexen afkomstig zijn van Michel Libert en dat enkele wapens toebehoren aan Paul Latinus. Barbier onthult dat Latinus na de veroordeling van het FJ Westland New Post oprichtte. Latinus wordt hierover ondervraagd op 21 en 22 september 1983. Hij geeft haast glimlachend toe dat hij op verzoek van zijn ‘Amerikaanse oversten’ sinds 4 juni 1979 als betaalde informant van de staatsveiligheid werkt. Volgens dezelfde ‘Amerikaanse bazen’ zouden de kopstukken van de staatsveiligheid (Raes, De Vlieghere en Smets) voor het Oostblok werken. Latinus bekent dat hij WNP heeft opgericht met de bedoeling de top van de staatsveiligheid in diskrediet te brengen.

Latinus verklapt in één adem de militaire structuur van de nazi-organisatie: Latinus is maarschalk, Libert (leider van de ‘inlichtingendienst’) en Barbier (chef van de ‘veiligheidsdienst’) hebben de graad van kapitein, sommige leden (‘junkers’) vormen de ‘Sicherheitspolizei’. Latinus geeft ook de namen van een aantal actieve leden prijs. Hiertoe behoren onder anderen 7 beroepsmilitairen die werken in het transmissiecentrum van de generale staf te Evere, waar ze vanaf 1982 in totaal 87 vertrouwelijke en geheime NATO-documenten hebben gestolen, die gedeeltelijk gepubliceerd werden in Althing om aan te tonen dat de beveiliging van het transmissiecentrum niets voorstelde.

En dan komt de klap op de vuurpijl: volgens Latinus zou Christian Smets, commissaris bij de staatsveiligheid, de WNP-leden hebben ingewijd in de geheimen van de schaduwtechnieken. De cursussen werden gegeven ten huize van Barbier twee maanden voor de dubbele moord en de leden beschouwden Smets als kolonel in de organisatie.

Zo ontdekt de justitie per ongeluk het bestaan van WNP. Op 20 oktober 1983 begeeft onderzoeksrechter Francine Lyna zich naar de zetel van de staatsveiligheid, maar het WNP-dossier is er niet. Tijdens het verhoor op 28 oktober 1983 zegt Raes dat hij Smets opdracht had gegeven in WNP te infiltreren. Het beloofde WNP-dossier overhandigt hij niet aan de onderzoeksrechter. Latinus blijft honderduit praten. Op 10 november 1983 bevestigt Latinus dat zijn ‘kapiteins’, Marcel Barbier en Eric Lammers, de dubbele moord in de Herdersliedstraat hebben gepleegd. Latinus slaagt erin Christian Smets en de baas van de staatsveiligheid, Albert Raes, in verlegenheid te brengen, want het is een koud kunstje Christian Smets af te schilderen als een actief WNP-lid. Het WNP-schandaal leidt tot de feitelijke ontbinding van de sectie B2C, die de handel en wandel van extreem-rechts volgt. Aan enkele WNP-vrienden laat Latinus verstaan dat sommige leden van zijn nazi-organisatie wel eens zouden kunnen betrokken zijn bij de raids van de Bende van Nijvel. Op 25 april 1984 heeft Latinus een onderhoud met Georges Marnette van de Brusselse GP om over ‘belangrijke zaken’ te praten. Zover komt het niet.

Op 24 april 1984 wordt Paul Latinus dood aangetroffen in de kelder van zijn woning in Court-Saint-Etienne met een telefoonsnoer rond de nek. Zijn vriendin, Mireille Van Houtvinck, verwittigt de rijkswacht. Twee uur later brengt de rijkswacht telefonisch verslag uit bij het Nijvelse parket, dat terstond toestemming geeft om het lichaam te begraven. Het Nijvelse parket maakt van het onderzoek een rommeltje: er worden geen foto’s gemaakt van de verhangene, er gebeuren geen vaststellingen door een geneesheer-deskundige, het lijk wordt verplaatst door de vriendin van de overledene en wordt niet gewogen enzovoort. Na tussenkomst van de Brusselse onderzoeksrechter Lyna doet de gerechtelijke politie huiszoeking in Latinus’ woning. Ze vindt er een bericht waarin sprake is van een geheime WNP-bijeenkomst op 26 mei 1984 ten huize van rijkswachter Lucien Marbaix.

Moord of zelfmoord? Volgens de Nijvelse procureur Jean Deprêtre heeft Latinus zich verhangen; het is zo klaar als een klontje: Latinus heeft zich van kant gemaakt in een dronken bui, na een ruzie met zijn lief. Wat hem betreft is een diepgaand onderzoek geheel overbodig en hij werkt niet samen met Lyna die in Brussel het WNP-onderzoek uitvoert. De onderzoeksrechters Lyna en Schlicker achten een zelfmoord weinig waarschijnlijk: Latinus was er niet in de stemming voor; testen wijzen uit dat het telefoonsnoer zijn gewicht niet kon dragen, bovendien was de draad zo lang en de kelder zo laag dat hij de grond raakte. Ook de bob van Waver gelooft niet in een zelfmoord. Met instemming van de rijkswachttop zoekt ze de daders bij de staatsveiligheid. Ze doet alle mogelijke moeite om te bewijzen dat Albert Raes en zijn medewerker Christian Smets de eigenlijke opdrachtgevers van de politieke moord op Latinus zijn.

Onderzoeksrechter Schlicker kan de autoritaire Deprêtre niet aan. Deze duldt geen tegenspraak, ook niet van een in principe onafhankelijke onderzoeksrechter. De ultra-katholieke Deprêtre is het schoolvoorbeeld van een slecht functionerend justitieel apparaat, waarin de kleur van de partijkaart vaak een belangrijker criterium is dan bekwaamheid, integriteit en democratische gezindheid. Deprêtre was eerst magistraat in Brussel, waar hij op goede voet stond met Vanden Boeynants. Op zijn voorspraak kreeg Deprêtre naar verluidt de job in Nijvel. Deprêtre maakt Schlicker op alle mogelijke manieren het leven zuur en aarzelt zelfs niet en plein public te zeggen: ‘Och, meneer Schlicker jaagt op extreem-rechts omdat hij een jood is.’ Uiteindelijk legt de getergde Schlicker zich neer bij de zelfmoordtheorie van Deprêtre.

Aldus wordt nooit ernstig nagegaan wat er klopt van de bewering van enkele WNP’ers dat Latinus hun kort voor zijn dood liet verstaan dat enkele leden van zijn nazi-organisatie betrokken waren bij de raids van de Bende van Nijvel. Het lopende Bende-onderzoek staat inmiddels ook onder leiding van Jean-Marie Schlicker want zijn collega Guy Wezel is gepromoveerd naar het Hof van Beroep. Schlicker ondervraagt een aantal leden van de staatsveiligheid over de werking van FJ en WNP en over de bizarre rol van commissaris Smets. Deze verhoren vinden plaats in het kader van de zaak-Latinus. De processen-verbaal worden niet gevoegd bij het dossier van de Bende van Nijvel.

Toevallig of niet, op 17 september 1984 installeert de liberale minister van Justitie, Jean Gol, de Antiterroristische Gemengde Groep (AGG). Alle politiediensten (rijkswacht, gerechtelijke politie, algemene rijkspolitie) en inlichtingendiensten (staatsveiligheid, militaire veiligheid en politieke info-secties van de BOB) zitten zij aan zij in de AGG. Alleen de gemeentepolitie mag aanvankelijk niet meedoen.

De AGG doet het ‘veldwerk’ voor het Antiterreurcollege, dat door Gol al eerder, op 27 juni 1983, in het geheim was opgericht. Het College organiseert op het hoogste niveau een driehoeksoverleg van gerechtelijke overheden (Van Honste, de oudste procureur-generaal), regering (kabinet van Gol), politie (generaal Paul Reviers van de rijkswacht; Robert Van Hove, commissaris-generaal voor gerechtelijke opdrachten en hoofd van Interpol-België) en veiligheidsdiensten (Albert Raes, de administrateur-directeur-generaal van de Openbare Veiligheid; generaal Paul Tichon, chef van de militaire inlichtingendienst SGR en zijn ondergeschikte, kolonel Detrembleur, hoofd van de SDRA).

Zo heeft Gol onder het mom van terreurbestrijding voor het eerst de samenwerking van de diverse politie- en inlichtingendiensten geïnstitutionaliseerd in twee centrale structuren; ze zijn met geheimzinnigheid omhuld en ontsnappen aan elke democratische controle. Deze nieuwe antiterreurstructuren zijn vreemd genoeg niet bedoeld om de Bende van Nijvel op te rollen, want Gol doet, net als het parket van Nijvel, de Bende af als ‘ordinair gangsterdom’. Gol is een supporter van de Amerikaanse president Ronald Reagan, die het terrorisme gebruikt als aanleiding, alibi en rechtvaardiging om democratische vrijheden en controlemechanismen terug te schroeven. Nochtans heeft België tot dusver nog geen last van zogenaamd links terrorisme. Is de oprichting van de AGG een kwestie van een vooruitziende blik?

Voor de rijkswacht opent het terrorisme alvast nieuwe perspectieven. De AGG, gevestigd in de Brusselse rijkswachtkazerne, wordt geleid door een rijkswachtofficier en met aanvankelijk 12 leden op 18 heeft de rijkswacht de touwtjes in handen.(80)De AGG geeft de rijkswacht alle ruimte om haar invloed te vergroten ten koste van de staatsveiligheid. Informatie omtrent terrorisme stroomde vroeger veelal van de rijkswacht naar de staatsveiligheid. Door de AGG hoopt commandant Bernaert dat daarin verandering komt. De politie en geheime diensten beschikken over een eigen registratiesysteem, dat nuttige gegevens voor de terreurbestrijders kan bevatten. Bij de AGG in Brussel wordt alle informatie nu centraal verzameld. Kortom, dankzij de AGG krijgt de rijkswacht zomaar de regie over een gesloten en oncontroleerbaar circuit van politieke en criminele gegevens.

Twee dagen voor de officiële stichting van de AGG, op 15 september 1984, meldt de doorgaans goed geïnformeerde Le Soir dat de arrestatie op til is van de daders, die op 3 juni 1984 816 kg springstof in Ecaussinnes pikten. Volgens de krant worden de daders gezocht in kringen van RAF-sympathisanten. Zover zal het evenwel niet komen. Zeventien dagen later, op 2 oktober 1984, ontploft bij de firma Litton in Evere de eerste bom van de Cellules Communistes Combattantes (CCC), een organisatie die uit het niets te voorschijn komt. Het is het begin van hun zogenaamde ‘anti-imperialistische campagne’, gericht tegen de NATO en de plaatsing van de kruisraketten. In oktober 1984 staat de vredesbeweging voor de uitdaging de katholiek-liberale regering-Martens te dwingen zich te conformeren aan het antirakettenstandpunt van de meerderheid van de bevolking. De opgang van de vredesbeweging heeft veel onrust veroorzaakt in de NATO en in Washington. Op dat cruciale moment verschijnt de CCC onaangekondigd op het toneel. Wie de CCC zijn, weet vrijwel niemand. Over wat ze vertegenwoordigen, is alleen bekend wat ze schrijven in ‘anti-imperialistische’ pamfletten, bestemd voor de media. De pamfletten ademen de geest van de Duitse raf en de Franse Action Directe, al springen voornamelijk de foute citaten en de loze revolutionaire retoriek in het oog. Op 8 oktober 1984 rond vier uur ’s ochtends vindt een nieuwe CCC-aanslag plaats, ditmaal tegen de vestiging van Honey well te Evere.

In de voormiddag vergadert het Antiterreurcollege. Het beslist een aantal ‘kwetsbare punten’ te laten bewaken. Op 9 oktober 1984, juist 7 dagen na de eerste CCC-aanslag, verschaft de staatsveiligheid aan de AGG en de gerechtelijke overheden een lijst van een stuk of 15 verdachten. Verdachte nummer één is Pierre Carette, zoon van een ambtenaar van de vreemdelingenpolitie, die eind van de zeventiger jaren enkele solidariteitsacties opzette voor RAF-gevangenen en nadien onder het toeziende oog van politie en antiterreurspecialisten een intense gedachten- en briefwisseling had met Frédéric Oriach, een in de Parijse gevangenis La Santé opgesloten mistige terrorist.

Na de bloedige aanslagen van de Bende van Nijvel bleef een gecoördineerde reactie van politiële en justitiële autoriteiten uit. Hoe anders gaat het eraan toe na de eerste aanslagen van de CCC. Premier Wilfried Martens en minister van Justitie Jean Gol bereiden een tegenaanval voor, maar er heerst verdeeldheid over de aanpak in de regering, het Antiterreurcollege en de Antiterroristische Gemengde Groep. Vooral de rijkswacht en de Franstalige liberalen willen het net wijd uitwerpen en het hele uiterst linkse kamp aanpakken. Maar de CVP en de PSC zetten een domper op de liberale verwachtingen. Een compromis komt uit de bus: behalve de kleine kring rond Ligne Rouge en het vroegere RAF-comité van Carette zal de tegenaanval worden gericht tegen anarchistisch links, dat klein, versplinterd en zonder politieke steun het gemakkelijkst aan te vallen is en te vereenzelvigen met linkse terreur.

Op 19 oktober 1984 om 5 uur ’s morgens begint ‘Operatie Mammoet’. Tot de tanden bewapende politiemannen en rijkswachters doen 120 huiszoekingen, die gepaard gaan met ondervraging, inbeslagname van publicaties, adressen, foto’s, enzovoort. Anarchisten, antimilitaristen en zelfs Latijns-Amerikaanse vluchtelingen worden van hun bed gelicht. Voor het CCC-onderzoek is deze razzia een slag in het water - onderzoeksrechter Eloy vaardigt geen enkel aanhoudingsbevel uit - maar de rijkswacht en de terreurbestrijders hebben een rijke oogst aan informatie binnengehaald en minister Gol heeft zijn zin gekregen, namelijk hard terugslaan en links als potentieel terroristisch stigmatiseren.

Achter de schermen krijgt ‘Operatie Mammoet’ nog een eigenaardig verlengstuk. Op dezelfde dag keurt de ministerraad een bijkomend budget van 251 miljoen voor 1985 goed. Hiermee kan de rijkswacht 180, de staatsveiligheid 20, de gerechtelijke politie 30 en de algemene rijkspolitie 24 man aanwerven. De rijkswacht en de gerechtelijke politie maken van de gelegenheid gebruik om gespecialiseerde eenheden op stapel te zetten. De gerechtelijke politie vraagt al jaren om een Nationaal Observatieteam (NOT) met vijftien inspecteurs, maar dat is klein bier in vergelijking met de plannen van de rijkswacht. Op 17 december 1984 wordt de rijkswachtbegroting voor 1985 in de Kamer behandeld. Op dat ogenblik beklemtoont de liberale minister van Defensie Freddy Vreven dat in het licht van de terroristische aanslagen het personeelstekort van de rijkswacht langzamerhand ondraaglijk wordt. Er zullen, aldus de minister, 180 onderofficieren aangeworven worden met het oog op de oprichting van gespecialiseerde POSA-eenheden, belast met de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad. Het is wel opvallend hoe gemakkelijk de rijkswacht zonder parlementaire controle nieuwe eenheden kan oprichten.

Na de uitleg van de bewindsman weet het parlement nu tenminste dat posa de afkorting is van prospection, observation, sécurité en arrestation. Vreven zegt niet wat de POSA-pelotons precies zullen moeten doen. Uit vertrouwelijke rijkswachtdocumenten blijkt evenwel dat de POSA-pelotons ‘multifunctioneel’ zijn. Ten behoeve van geïnteresseerde buitenstaanders wordt gezegd dat de POSA-pelotons opgericht zijn tegen het terrorisme en zware criminaliteit a la Bende van Nijvel, maar in werkelijkheid wil de rijkswacht ze ook als observatie- en arrestatieteams inzetten. De POSA-rijkswachters opereren als ‘stillen’, in burger, realistisch vermomd met versleten jeans en truien met rolkraag. Ze moeten de ‘gevaarlijkste ordeverstoorders’ of ‘harde kernen’ aanhouden, soms nog voor er sprake is van ongeregeldheden. Zo wijkt de rijkswacht grondig af van de tot dusver geldende regel dat pas mag worden opgetreden als er strafbare feiten zijn gepleegd. De pro-actieve methoden, in de drugbestrijding uitgetest, zijn gemeengoed geworden. De POSA-pelotons tellen elk zo’n dertig man en zijn samen met de mobiele eenheden gelegerd in de belangrijkste industriële centra: Brussel (Brabant), Gent (Oost- en West-Vlaanderen), Antwerpen (Antwerpen, Limburg), Vottem (Luik, Luxemburg) en Charleroi (Henegouwen, Namen). Ze krijgen een uitrusting en opleiding die erg lijken op die van hun grote broer, het Speciaal Interventie-Eskadron.

Inmiddels zetten de CCC-leden hun ‘anti-imperialistische’ campagne verder. Naarmate de begindatum van de stationering van de kruisraketten nadert, stijgt de politieke koorts in Washington. Ondanks de druk van de Atlantische bondgenoten lijkt de massale vredesbeweging vooralsnog de bovenhand te halen, want op 26 november 1984 zegt het CVP-partijbureau dat de regering niet definitief moet beslissen over de plaatsing, zolang er uitzicht is op een gunstige afloop van de vredesbesprekingen. Dezelfde dag slaat de CCC weer toe. Ditmaal blazen ze twee telecommunicatiemasten op, nabij de vliegbasis van Bierset. Bij die gelegenheid hekelt de CCC het ‘pluralistische’, ‘democratische’ en ‘massale’ karakter van de vredesbeweging. Deze ongezouten uitval kan alleen maar leiden tot verdeeldheid in de pacifistische gelederen en een verzwakking van de massabeweging. Op de koop toe versterken de CCC-bommen de positie van ministers Jean Gol (PRL) en Leo Tindemans (CVP), de voormannen van de pro-Atlantische en conservatieve rechterzijde, voorstanders van onmiddellijke plaatsing van de kruisraketten en een versterking van staat en politie.

De ‘anti-imperialistische’ campagne van de CCC eindigt op 15 januari 1985 met een bomaanslag tegen de shape. Op dat ogenblik bevinden premier Martens en minister van Buitenlandse Zaken Tindemans zich in Washington. De Amerikaanse regering en de NATO bekritiseren de Belgische ‘laksheid’. De regering zet dan ook de hakken in het zand. Op 18 januari 1985 worden honderden rijkswachters naar de kazerne geroepen. Zo’n 1.500 gendarmen en politieagenten bewaken allerlei ‘vitale’ punten in de hoofdstad. BDX-pantservoertuigen en vrachtauto’s met zandzakjes roepen de sfeer van een bezette stad op. De rijkswachtleiding en het corporatistisch Nationaal Syndicaat van het Rijkswachtpersoneel (NSRP) eisen meer middelen en meer manschappen. In januari 1985 brengt het NSRP een nationale actie op gang, die de gevoelens van onveiligheid in een welbepaalde richting wil sturen. Het NSRP verspreidt, naar eigen zeggen, één miljoen pamfletten, waarin de regering keihard wordt aangevallen: ‘Wat kan de rijkswacht doen als meer dan 2.000 manschappen ontbreken in het operationeel korps? U wordt slecht gediend, slecht beschermd, en slecht geholpen.’(81) NSRP-voorzitter François Sterck draagt overal zijn boodschap uit. In april 1985 voert hij het woord op bijeenkomsten van het Vlaams Blok in Overijse en Dilbeek. Hij trakteert er zijn gehoor op passages uit vertrouwelijke rijkswachtrapporten. Sterck is kennelijk zo gecharmeerd van het VB-betoog voor ‘wet en orde’ dat hij uitroept: ‘Onze campagne strookt perfect met die van uw partij.’ De liefde is wederzijds. Voorzitter Dillen: ‘Linkse, pacifistische, gezagverwerpende en revolutionaire krachten hechten een haast symbolische betekenis aan de strijd tegen de rijkswacht. Wij verwerpen alle strekkingen die de gevoeligheid voor recht, orde en gezag willen vernietigen. In Vlaanderen is een belangrijke rol weggelegd voor dit elitekorps.’(82) De liberale minister van Defensie Freddy Vreven laat de oplevende romance tussen het Vlaams Blok en de NSRP-voorzitter over zijn kant gaan. ‘Sterck ging zijn boekje niet te buiten’, verklaart Vreven in de Kamer, ‘hij heeft het recht als vakbondsman informatie te geven.’ Daarmee is de kous af. Sterck krijgt kort daarop promotie; hij mag voortaan werken op het secretariaat van de inspecteur-generaal.(83)

Eind april 1985 brengt de regering de ordetroepen in opperste staat van paraatheid. De patrouilles worden verscherpt bij 65 ‘waarschijnlijke’ en 300 ‘mogelijke’ doelwitten. Toch weet de CCC op 1 mei 1985 een bom te leggen bij het gebouw van de werkgeversorganisatie vbo in Brussel. De CCC waarschuwt de rijkswacht, vertelt plaats en straat, maar de brandweer wordt niet verwittigd. Twee brandweerlieden komen bij de ontploffing om het leven. De CCC legt de schuld voor hun dood volledig bij de rijkswacht en plaatst bij wijze van wraak op 6 mei 1985 een bom bij een gebouw van de rijkswacht in Sint-Pieters-Woluwe.

De regering neemt nu het initiatief de telefonische alarmnummers 906 van de gemeentepolitie en 901 van de rijkswacht samen te smelten. ‘Het drama van 1 mei heeft het verzet tegen de fusie van de alarmnummers doen opgeven’, merkt minister Pierre Nothomb tevreden op. Voortaan zullen alle oproepen rechtstreeks belanden in één centrum, van waaruit het bericht wordt doorgezonden naar één van de politiediensten. Waar wringt de schoen? Vele gemeenten zijn financieel niet bij machte een permanente wachtdienst bij hun politiekorps te organiseren. Het onvermijdelijke gevolg hiervan is dat de meeste oproepen naar de rijkswacht zullen worden doorgeseind.

Na 5 maanden CCC-terrorisme is de tijd rijp voor een versterking van de rijkswacht. Het is alleen nog wachten op een goede gelegenheid. Bij de finale van de Europacup voor landskampioenen tussen Juventus Turijn en FC Liverpool op woensdag 29 mei 1985 in het Brusselse Heizelstadion lopen gevechten tussen voetbalsupporters tragisch af. De onmiddellijke aanleiding is een charge van Liverpool-supporters, waaronder neofascisten van het National Front. In het gedrang bezwijkt een betonnen zijmuur. In de ontstane paniek stikken verscheidene personen, anderen worden vertrapt. Majoor Kensier, commandant van het district Brussel, is afwezig en kapitein Mahieu bevindt zich buiten het stadion. Pas 20 minuten na de noodlottige stormloop herstellen twee reservepelotons de orde. Daarna brengt de rijkswacht zelfs een troepenmacht van 2.290 man op de been. Maar dat is lang te laat. Inmiddels zijn er 39 doden en 459 gewonden gevallen. Zelden heeft de rijkswacht zo gefaald inzake ordehandhaving! Een parlementaire commissie onder voorzitterschap van PS-kamerlid Collignon stelt een onderzoek in naar de oorzaken van het Heizeldrama. Op 6 juli 1985 maakt de commissie haar besluiten bekend.(84) Ze zijn, zacht uitgedrukt, weinig vleiend voor de rijkswacht. Commandant Bernaert reageert alsof hij onverhoeds in de rug is aangevallen. Volgens hem mogen de tekortkomingen van zijn ‘ondergeschikten’ niet overdreven worden: ze zijn immers het gevolg van een gebrek aan manschappen en middelen. Een leidmotief dat Bernaert tot in den treure herhaalt. Zijn wensen worden snel verhoord. De ministerraad beslist op 26 juli 1985 dat de rijkswacht ruim 1.700 man mag aantrekken voor het ‘operationeel korps’. Op het Feest van de Rijkswacht tracht Bernaert het gekneusde moreel van zijn troepen op te krikken: ‘De rijkswacht mag zich sieren met de eretitel ‘elitekorps’ omdat de gendarmen van oudsher de beste, de meest overtuigde en meest verdienstelijke dienaren van de staat zijn. Het zijn elite-soldaten met een onwankelbare verknochtheid aan Vorst, Natie en Wet.’(85)

Strategie van de spanning - Inhoud

Naar aanleiding van het feit dat de rijkswachter Lucien Marbaix ontmaskerd wordt als lid van WNP, stelt de districtscommandant van Brussel, Kensier, op 4 oktober 1984 een rapport op, waarin hij de aandacht van de rijkswachttop vestigt op de rechts-extremistische carrière van Marbaix, Vanhove, Demol en Godin.(86)Hij bezorgt zijn rapport aan luitenant-kolonel Lhost, die het onderzoek naar de wapenroof bij de groep Dyane coördineert.

Ook de commandant van de groep Brabant, Vanderborght, en de commandant van het gebied Brabant, Berckmans, ontvangen een exemplaar. Lhost neemt evenwel geen enkel initiatief om het onderzoek naar de wapendiefstal nieuw leven in te blazen. En de rijkswachttop? Ze reageert al evenmin.

De rijkswacht neemt ook weinig initiatieven in het onderzoek naar de Bende van Nijvel. Alleen wordt eind 1984 een sectie ‘Waals Brabant’ binnen het CBO opgericht om het onderzoek beter te coördineren. De sectie bestaat aanvankelijk slechts uit twee onderofficieren.(87)

Op 15 mei 1985 wordt een kostbare collectie vuurwapens gestolen uit de woning van Juan Mendez in Overijse. Minstens 51 moderne wapens van divers kaliber, waaronder een Heckler und Koch mitrailleur, behoren tot de buit. Mendez, een wapenliefhebber met een uitgebreide collectie, is ook ingenieur bij de wapenfabriek FN, waar hij belast is met de verkoop in Zuid-Amerika. Hij doet geen aangifte van de wapenroof en tracht zelf de dieven te ontmaskeren. Als verwoed liefhebber van practical shooting staat Mendez op vriendschappelijke voet met Bouhouche.

Madani Bouhouche is een veelzijdig man: succesvol beoefenaar van practical shooting, wapenhandelaar, specialist van afluisteren en telefoontap. Bouhouche telt nog heel wat vrienden bij de rijkswacht, die soms nietsvermoedend hand- en spandiensten verlenen. Maar BOB’er Gérard Bihay doorziet Bouhouche. Madani Bouhouche en Martial Lekeu zouden een neo-nazi-kern binnen de rijkswacht vormen en zinnige dingen over de Bende van Nijvel weten. Dat schrijft Bihay op 14 augustus 1985 in een vertrouwelijk rapport bestemd voor onderzoeksrechter Schlicker, die nog steeds geen spoor van de Bende van Nijvel heeft ontdekt.(88)

Bihay citeert in het rapport nog de namen van andere rijkswachters die lid zouden zijn van de geheime WNP-cel, onder anderen Martial Lekeu (ex-Dyane), Christian Pattyn (ex-Dyane) en Lucien Marbaix. Voor het eerst wordt duidelijk de mogelijke betrokkenheid van extreem-rechtse rijkswachters bij de Bende van Nijvel geponeerd. Later onderzoek zal uitwijzen dat het ophefmakend rapport op sommige punten niet helemaal klopt. Zo staat het niet vast dat Bouhouche werkelijk lid is van WNP. Maar het is wel opmerkelijk dat de Waverse bob’er in augustus 1985 diens naam laat vallen. Want op dat ogenblik wordt Bouhouche in de rijkswacht allerminst als een potentiële ‘verdachte’ behandeld.

Procureur Deprêtre en de entourage van commandant Bernaert reageren uitermate negatief op het rapport. De opzienbarende beschuldigingen worden niet onderzocht. Bihay en zijn collega Frans Balfroid krijgen de wind van voren en worden op alle mogelijke manieren gepest.

Nu de algemene verkiezingen van 13 oktober 1985 snel naderbij komen, worden de terroristen, de ‘linkse’ en de rechtse, bijzonder actief. Op vrijdagavond 27 september 1985, omstreeks 10 over 8, parkeert een Golf gti voor de Delhaize-supermarkt te Eigenbrakel. Een gemaskerd trio gijzelt een kind en schiet op een nietsvermoedende klant. Daarop lopen de gangsters naar de ingang van de supermarkt. Een persoon die voor de deur staat te wachten wordt neergeschoten. Bij de kassa’s gebieden de terroristen het publiek op de knieën te gaan zitten. Een man die niet snel genoeg gehoorzaamt wordt doodgeschoten. Ze vuren nog enkele schoten af op een telefoontoestel en gaan er vandoor met enkele honderdduizenden frank.

Nog geen half uur later rijden ze de parkeerplaats van de Delhaize-supermarkt van Overijse op. Ze nemen een fietsend kind onder vuur en schieten een toeschouwer zonder aanleiding dood. De terroristen gijzelen een aanwezige en betreden dreigend de supermarkt. Een kassierster, die even aarzelt om haar kassa leeg te halen, sterft in een plas bloed. Een klant naast haar . wordt neergeschoten. De gemaskerde terroristen staan onder leiding van een zwaargebouwde man van bijna twee meter met een karnavalsmasker, een ware commando. De overvallers halen kassa’s en de brandkast leeg. De buit bedraagt 2,5 miljoen, waarvan 1,5 miljoen aan cheques die niet kunnen worden verzilverd. Bij het verlaten van de supermarkt vermoorden ze een autobestuurder. Voor ze wegvluchten in de richting van Brussel maken ze hun gijzelaar af.

Het resultaat van een uur terreur: 8 doden en een buit van nauwelijks 2 miljoen frank. Het is de overvallers duidelijk niet te doen om de buit maar om het moedwillig terroriseren van onschuldige burgers. Dat komt perfect overeen met het patroon van fascistisch terrorisme. Voor traditionele gangsters zijn vrouwen en kinderen heilig, moorden is voor mannen. Die erecode bestaat niet voor de Bende. En waarom dat buitenproportionele geweld? Criminelen proberen altijd een maximum aan buit te veroveren met een minimum aan geweld, kwestie van de strafmaat zo laag mogelijk te houden.

Het is heel bizar dat het parket van Nijvel de thesis van politiek terrorisme uitsluit, temeer omdat nog een paar politieke details opvallen. Een van de acht slachtoffers is bankdirecteur Léon Finné, voormalig lid van de CEPIC, die in 1980 bij kolonel Vernaillen werd geïntroduceerd door de twee topmannen van de Brusselse gerechtelijke politie, Frans Reyniers en Christian De Vroom. Finné verklapte aan Vernaillen dat hij geruchten had opgevangen over staatsgreepplannen van hoge rijkswachtofficieren en politici, onder wie rijkswachtcommandant Fernand Beaurir, Paul Vanden Boeynants, procureur-generaal Raymond Charles en generaal in ruste Vivario. Tweede politiek detail: de terroristen waren goed op de hoogte van het gebrek aan coördinatie tussen de rijkswachtdiensten. Eigenbrakelen Overijse liggen minder dat twintig kilometer uit elkaar, maar worden door de taalgrens gescheiden. Wie de militaire communicatiestructuur van de rijkswacht goed kent, weet dat districten aan weerszijden van de taalgrens elkaar niet rechtstreeks alarmeren, dit gebeurt via de nationale staf in Brussel. Precies dit hiaat in het alarmsysteem wist de Bende uit te buiten; het leverde de nodige voorsprong op de politie.

Dat de leden van de Bende nog altijd vrij rondlopen, leidt bij de familieleden van de slachtoffers tot bittere kritiek op de politie. Op een persconferentie verwijten ze de politie laksheid. ‘We vragen niet om een politiestaat’, zo zegt één van de aanwezigen, ‘maar we willen leven in een land waar onschuldigen veilig zijn. Sinds twee jaar kunnen de Bendeleden straffeloos doorgaan met hun misdaden. Dat is niet normaal. Worden zij beschermd?’ Ook in de Belgische kranten neemt de kritiek op politie en justitie toe. In De Standaard zegt een Brusselse politieman: ‘Het is een schande. Zo’n geklungel heb ik nog maar zelden gezien. Er worden acht mensen vermoord. En in plaats van alles af te sluiten en centimeter na centimeter op zoek te gaan naar alle mogelijke sporen, laat men iedereen maar wat rotzooien.(89)

Minister van Justitie Gol, de generale staf van de rijkswacht en de procureurs-generaal onder leiding van Van Honsté, beseffen dat ze eindelijk iets moeten ondernemen. Terwijl bijna het gehele veiligheidsapparaat wordt opgetrommeld om de CCC op te sporen, is de reactie op de veel bloediger terreur van de Bende ondermaats.

Op 1 oktober 1985 vindt in het Brusselse gerechtsgebouw een ‘spoedberaad’ plaats, waaraan wordt deelgenomen door de procureurs en onderzoeksrechters van Brussel en Nijvel, leden van de generale staf van de rijkswacht en topmannen van de gerechtelijke politie.(90) Het resultaat van dit conclaaf is teleurstellend. Het gerechtelijk onderzoek naar de Bende wordt niet gecentraliseerd en de anti-terreurcel AGG, waarbinnen alle politie- en inlichtingendiensten samenwerken, wordt helemaal niet ingeschakeld. Om het geweld van de Bende te keren, worden twee zeer bescheiden maatregelen genomen. Er komt een ‘informatiecel Brabant’, samengesteld uit leden van de rijkswacht en de gerechtelijke politie, die alle nuttige inlichtingen verzamelt, analyseert en in de computer stopt. Daarnaast richten de rijkswacht en gerechtelijke politie elk een afzonderlijke ‘task force’ op. Die van de gerechtelijke politie bestaat uit 23 rechercheurs van Brussel en Nijvel en opereert vanuit de hoofdstad. Die van de rijkswacht telt enkele BOB’ers uit verschillende districten en heeft haar hoofdkwartier in Nijvel. Ondanks de wekelijkse vergaderingen onder leiding van procureur Deprêtre potten de ‘task forces’ hun informatie op. Sterker, extreem-rechtse figuren zoals de BOB’er Christian Amory blijven bij het onderzoek betrokken. Zo mag Amory na de aanslagen in Eigenbrakel en Overijse de alibi’s van Cocu en de andere ‘Borains’ natrekken. De generale staf neemt evenmin indrukwekkende maatregelen. Ze besluit zo’n 50 supermarkten in het weekeinde extra te bewaken. Daar blijft het bij.

De Bende heeft een ware angstpsychose veroorzaakt en de CCC vindt het geraden daar nog een schepje bovenop te doen. In de nacht van 8 oktober 1985 pleegt de CCC een aanslag op Sibelgaz te Laken. In de vroege morgen van 12 oktober 1985 volgt een aanslag op het gebouw van Fabrimetal en het daarnaast gelegen belastingkantoor in Charleroi. De aanslag vindt plaats daags voor de algemene verkiezingen. Minister Nothomb roept onmiddellijk een ‘crisiscomité’ bijeen en vordert alle beschikbare rijkswachters en politieagenten op. Op zondag 13 oktober 1985 zijn zowat 30.000 politiemannen paraat om te patrouilleren en de stemburelen te bewaken. Na de reeks aanslagen vertoont de publieke opinie een ruk naar rechts. De katholiek-liberale coalitie komt versterkt uit de verkiezingen te voorschijn. Tijdens de regeringsvorming zet de CCC haar campagne voort. Op 19 oktober 1985, daags voor de massale antirakettendemonstratie, ontploft in Namen een bom voor Infosermi, een informatiedienst van het leger.

De escalatie van geweld groeit naar een hoogtepunt. Vanaf 4 november 1985 spoelt een golf van terreur zonder weerga over België. Die terreur is buitengewoon goed getimed want de formatiebesprekingen zijn in een beslissende fase gekomen. Kortom, alles wijst op een welbewuste destabilisatiepolitiek om antidemocratische maatregelen uit te lokken. In de nacht van 3 op 4 november 1985 ontploft een bomauto voor het gebouw van de Bank Brussel-Lambert in Etterbeek. Een wagen van Securitas wordt met 24 kogels doorzeefd. Het is de eerste CCC-aanslag waarbij de daders vuurwapens hanteren. Kort daarop, op 4 november 1985 omstreeks 11 uur, ontploft een bom in de hal van de Generale Bank in Charleroi. Na middernacht wordt de Hannover Bank in Charleroi getroffen door een bomexplosie. De volgende middag gaat op klaarlichte dag een bom af bij de Kredietbank in Leuven. De hallucinante week is echter nog niet vöorbij.

De Bende van Nijvel lost de CCC af. Gewone beroepsmisdadigers doen alles om te voorkomen dat er een verwijzing naar vorige misdaden, een ‘visitekaartje’, ontstaat; de Bende doet precies het tegenovergestelde. Ze treedt steeds weer op in grootwarenhuizen en bij voorkeur in de weekends. Zaterdagavond 9 november 1985 is het bijzonder druk bij de Delhaize in Aalst. Het is minder dan een half uur vóór sluitingstijd. Vandaag is de rijkswacht verantwoordelijk voor het toezicht. De rijkswachtpatrouille van drie man, uitgerust met twee UZI-machinepistolen en twee kogelvrije vesten heeft de sluitingstijd niet afgewacht en is net weggereden. Om 19.37 uur precies verlaten drie gemaskerde lieden een Volkswagen GTI en stappen in het wilde weg schietend het parkeerterrein op. Twee inzittenden van een wagen worden meteen doodgeschoten, een gezin wordt onder vuur genomen: man, vrouw en kind zijn op slag dood. De terroristen dringen het warenhuis binnen en nemen een ‘baby-kluis’ met amper 737.777 frank mee. Buiten executeren ze nog drie klanten. De bendeleden schieten op al wat beweegt.

Gealarmeerd via het nummer 900 komen vrijwel gelijktijdig 2 wagens van de gemeentepolitie en de rijkswacht in de buurt van de Delhaize aan. De terroristen slagen erin weg te komen in hun donkerkleurige GTI, waarvan de achterklep openblijft zodat een vurende ‘reus’ de aftocht kan dekken in ware commando-stijl. Een officier van de gemeentepolitie vuurt nog vergeefs enkele schoten af. De rijkswacht lost geen schot. Er wordt niet meteen een klopjacht ingezet. Het duurt nog bijna drie kwartier eer het politiealarm wordt gegeven, waardoor de vluchtwegen en kruispunten in de buurt van Aalst worden afgesloten. Dan zijn de terroristen allang weg. De balans van de aanslag: 8 doden en 6 gewonden.

Ook nu gaat het weer om willekeurige slachtoffers in wie iedereen zich kan herkennen. Dit heeft geen zin voor wie buit wil, dit heeft alleen maar zin voor wie een angstpsychose onder de bevolking wil veroorzaken. Het zwarte terrorisme wil paniek zaaien om de democratie te verbouwen.

De bloedigste week uit de recente Belgische geschiedenis valt samen met de beslissende fase in de formatiebesprekingen. Op zondagmorgen 10 november 1985 komt op verzoek van formateur Wilfried Martens een crisiscomité in allerijl bijeen. Deelnemers zijn: rijkswachtcommandant Bernaert en 6 demissionaire ministers, onder wie de voogdijministers van de rijkswacht: Gol (Justitie), Nothomb (Binnenlandse Zaken) en Vreven (Landsverdediging). In Aalst heeft de rijkswacht geblunderd en allicht de kans verkeken om de Bende van Nijvel een beslissende slag toe te brengen, maar dat lijkt het crisiscomité niet te storen. De bevoegdheid voor het geven van een politiealarm wordt overgeheveld van de magistratuur naar de rijkswacht.

De zaak escaleert. Op 19 november 1985 kondigt minister Nothomb aan dat de regering onmiddellijk 740 para’s zal inzetten, ter ondersteuning van de rijkswacht. De maatregel impliceert een regelrechte machtsoverdracht aan de rijkswachtcommandant vermits de rijkswachtofficieren de operationele leiding over de para’s krijgen. Dezelfde dag dringt de sp aan op een parlementaire enquête naar het onderzoek van politie en justitie naar de nog steeds voortvluchtige CCC en Bende van Nijvel. De PS en de groene partijen stemmen daarmee in, maar premier Martens (CVP) en vooral minister van Justitie Gol (PRL) verzetten zich hardnekkig. Het hevig verzet van Gol is vreemd. Wil de minister van Justitie blunders en foute taxaties toedekken? Op 17 december 1986 zal de Kamer debatteren over de aanslagen en de opsporing van de daders. Zover komt het niet. Toevallig of niet, op 16 december worden Pierre Carette en 3 andere CCC-leden in het Naamse Quick-restaurant geklist na een gecoördineerde actie van de gerechtelijke politie en de staatsveiligheid. Beide diensten staan onder de supervisie van minister Gol. De rijkswacht, die nochtans het leeuwendeel van het CCC-onderzoek voor haar rekening nam, wordt op het cruciale moment buitenspel gezet.

Zelden kwam een arrestatie op een zo opportuun moment. Het vertrouwen in politie en justitie wordt in één klap goeddeels hersteld, en belangrijker nog, de arrestatie voorkomt de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie, die de rol van de opsporingsdiensten en de verantwoordelijke politici kan belichten en een antwoord kan zoeken op de centrale vraag waarom het zo lang heeft geduurd voordat Carette werd gearresteerd en waarom de Bende na zo’n 15 aanslagen, waarbij in totaal 28 doden vielen, nog steeds voortvluchtig is.

De bevolking zit nog na te trillen van angst, wanneer de regering op 14 februari 1986 een pakket ‘veiligheidsmaatregelen’ afkondigt om het terrorisme en de zware misdaad terug te dringen. Het voorziene budget van 7,6 miljard wordt voornamelijk ingepikt door de rijkswacht. De ironie wil dat automatische wapens en Golfs, ‘visitekaartjes’ van de Bende, nu gemeengoed worden. Wie de rijkswacht te vlug af wil zijn, zal snel moeten rijden, want ze krijgt 675 Golfs gti en 130 exemplaren bmw 315 i. Daarnaast neemt het wapenarsenaal angstaanjagend toe, alsof de rijkswacht in een staat van ‘gewapende vrede’ leeft. Het korps krijgt 5.300 FAL-geweren, 3.100 UZI-machinepistolen, 2.700 riotguns, 6.000 open pistoolholsters en een hoop kogelvrije vesten.

De rijkswacht ziet in het nationale en internationale terrorisme nieuwe groeikansen. Commandant Bernaert neemt terzake geen blad voor de mond. ‘Wij constateren spijtig genoeg dat voor de georganiseerde misdaad de landsgrenzen niet bestaan’, aldus Bernaert. ‘De politiediensten daarentegen zitten verstrikt in hun nauwe nationale keurslijven. Zodoende kunnen handel in verdovende middelen, wapensmokkel en terrorisme welig tieren in onze Westerse wereld. Een nieuwe Europese strafwetgeving, beperkt tot de bestrijding van bepaalde vormen van zware criminaliteit, zou moeten worden geschraagd door een politie die bevoegd is in alle Europese landen en bestaat uit manschappen van de verschillende lidstaten.(91)

Bernaerts pleidooi voor een Europese politie (Europol) valt in goede aarde bij sommige EG-ministers, die mekaar op 24 april 1986 ontmoeten in Den Haag in het kader van TREVI (Terrorisme, Radicalisme en Internationaal Geweld). Sinds 1975 beraadslagen de veiligheidsministers regelmatig over terrorisme en ordehandhaving, TREVI werkt in het schemerdonker. Democratische controle en juridische kaders ontbreken. Daarenboven roepen de geïntegreerde samenwerking tussen politie- en veiligheidsdiensten en de combinatie van terreurbestrijding en openbare ordehandhaving ernstige vragen op. Hoge functionarissen van politie en geheime diensten en van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie bevolken de drie werkgoepen. De eerste werkgroep houdt zich bezig met de uitwisseling van gegevens over terroristische plannen en activiteiten. Welke informatie over wie wordt uitgewisseld blijft ‘top secret’. Er is alle reden tot ongerustheid, want TREVI hanteert geen officiële definitie van ‘terrorisme’. De tweede werkgroep dient voor uitwisseling van meer technische informatie, zowel over bestrijding van terrorisme als over verstoring van de openbare orde. De laatste snufjes inzake organisatie, opleiding en uitrusting van de politie worden hier meegedeeld. De rijkswacht is vooral geïnteresseerd in werkgroep drie, waarin rijkswachtkolonel Duchateau zit. Deze werkgroep richt zich op zware criminaliteit met internationale aspecten als handel in verdovende middelen, gewapende overvallen, ontvoeringen en voetbalvandalisme. Hiermee wordt de weg vrijgemaakt voor de door Bernaert zo gewenste oprichting van een Europese politie (Europol), TREVI heeft de politiesamenwerking in West-Europa verder gebracht dan ooit. Als gevolg van de samenwerking is bijvoorbeeld de computer van het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) van de rijkswacht rechtstreeks verbonden met het Westduitse Bundeskriminalamt (BKA) te Wiesbaden en met het Londense Home Office.

Als gevolg van de recente golf aanslagen in diverse Europese landen gaan de TREVI-ministers op 24 april 1986 in Den Haag weer een stuk verder. In het communiqué is er sprake van uitwisseling van namen van verdachten, gegevens over verdachte en gestolen voorwerpen en zaken die de veiligheid op de luchthavens in het gedrang brengen.

Het is onwaarschijnlijk dat de aanslagen van de Bende op de TREVI-vergadering ter sprake zijn gekomen. De aanslagen blijven een mysterie. Nog steeds zijn de daders niet gepakt. En waarom stopte de Bende even plotseling met haar terreur als ze ermee begon? Is het politieke doel misschien bereikt?

De ontsporing van een onderzoek - Inhoud

Arseen Pint, rijkswachtcommandant in het gebied Gent, is snel ter plaatse na de Bende-overval in Aalst. De oprichter van de Dyane constateert dat de Bendeleden vertrouwd zijn met de Pirat-Mammoth-Sniper-techniek, aangeleerd om bijvoorbeeld gijzelaars te bevrijden. De manier waarop de Bende omspringt met vuurwapens verraadt een speciale commandotraining die slechts gegeven wordt aan sommige elite-eenheden van leger en rijkswacht. Pint grijpt naar de telefoon: ‘Bob’, zegt hij ontdaan tegen Bernaert, ‘ik hoop maar dat de daders niet uit onze rangen komen’. Dat getuigt van lef, want de hypothese van extreem-rechts is gewoon onbespreekbaar voor Bernaert; hij vindt al dat gewroet in zijn trotse dienst uitermate vervelend. De mogelijke betrokkenheid van rijkswachters bij de Bende wordt langzamerhand een nachtmerrie, Bernaert realiseert zich immers dat het voortbestaan van het korps op het spel staat. Maar hij is er de man niet naar om zichzelf en zijn korps in het gedrang te brengen.

Nog dat weekend stelt Bernaert een ‘administratief onderzoek’ in. Het heeft niet veel om het lijf. Er wordt discreet in de kaartenbak met Dyane-leden gebladerd, want zelfs de computerdeskundigen mogen er niks van weten. Het ‘onderzoek’ levert niets op. Toch sluit de rijkswachttop, althans binnenskamers, een link tussen de wapendiefstal bij de Dyane en de aanslagen van de Bende niet helemaal uit. Achter de rug van de justitie start de Hogere Directie der Operaties (HDO) een grondiger onderzoek, waarbij de klassieke namen vallen van extreemrechtse rijkswachters als Johan Demol en Martial Lekeu, leden van het Front de la Jeunesse, en Lucien Marbaix, lid van Westland New Post.(92) Opmerkelijk is dat dit ‘diepgaander’ intern onderzoek niet wordt gericht op ex-leden van het in opspraak gekomen Nationaal Drugbureau van commandant François en van de afdeling drugs van de Brusselse bob. Bouhouche en Beijer blijven buiten schot. Hoe staat het er eigenlijk voor met het gerechtelijk onderzoek naar de Bende na de bloedige raid in Aalst? Wie dat probeert uit te zoeken, raakt totaal verdwaald. Verschillende onderdelen van het Openbaar Ministerie zijn namelijk tegelijk met het onderzoek bezig: het Franstalig parket van Nijvel, het Nederlandstalig van Dendermonde en ook nog het tweetalig van Brussel. Ieder parket werkt afzonderlijk en schakelt zijn eigen politiediensten in. Na de aanslag in Aalst richt het parket van Dendermonde het Delta-team op, samengesteld uit 11 BOB’ers en 7 leden van de gerechtelijke politie. Het team opereert vanuit de rijkswachtkazerne en de samenwerking is voorbeeldig. In het begin komen de rechercheurs elke avond samen met onderzoeksrechter Freddy Troch. Het Delta-team kan rekenen op loyale medewerking van rijkswachtkolonel Arseen Pint van Gent. Het opsporingsteam onderzoekt van meet af aan iedere hypothese, ook die van het politiek terrorisme. In Nijvel zit procureur Deprêtre op een andere golflengte. ‘De Bende is niet meer dan een vlaag van banditisme, die ieder land helaas wel eens kan teisteren’, verzekert hij.

In het Bende-onderzoek gaat van alles mis. Op 9 november 1985 ontdekken enkele wandelaars in het bos van La Houssière enkele verkoolde spullen, waaronder een paar hulzen en een groot aantal cheques die afkomstig zijn van de overval op de Delhaize in Overijse. Op 11 november 1985 om 1.35 uur, ontdekt een passant in hetzelfde bos een brandende Golf gti en 8 hulzen, kaliber 12. Deze tweede viNDPlaats ligt op amper 200 meter van de vorige vuurhaard en op een steenworp afstand van het' kanaal te Ronquières. Een andere getuige zag diezelfde nacht iemand vanuit een vw Golf allerlei in het water gooien. Deprêtre vindt het niet de moeite waard deze belangrijke tip grondig na te trekken. Hij laat een bevriend duiker enkele uren dreggen op een amateuristische manier. Zonder resultaat.

Onder de op 9 november gevonden voorwerpen bevindt zich ook een gedeeltelijk verkoolde tekst van de hand van Claudine Falkenburg, de vriendin van Jean Bultot, adjunct-directeur van de gevangenis te Sint-Gillis, berucht rechts-extremist, wapenfanaat en kennis van Bouhouche. Zijn naam kwam al op 12 maart 1985 in opspraak. Toen werden Bultot en Léopold Van Esbroeck te Brussel gearresteerd door de gerechtelijke politie op verdenking van heling en afpersing. Het onderzoek wees uit dat Bultot een partij effecten ter waarde van anderhalf miljoen frank trachtte te verzilveren. Hij had die effecten gekregen van Van Esbroeck, een goede klant in de gevangenis van Sint-Gillis. Bultot zat in voorarrest van 8 mei tot 30 augustus 1985. Op 14 november 1985, kort na de Bende-aanslag in Aalst, vindt de politie in Bultots vertrekken in de gevangenis van Sint-Gillis een heleboel laders van vuurwapens, verscheidene honderden patronen en zes bussen buskruit. Bultot wordt op 16 november 1985 aangehouden. Heel wat bezwarende feiten komen boven water. Het geschrift dat in het bos van La Houssière werd aangetroffen is maar gedeeltelijk verkoold. Sommige woorden zijn nog goed leesbaar en worden door deskundige Guillaume toegeschreven aan de vriendin van Bultot. Bovendien kent Bultot de beruchte gangster Philippe De Staerke, die door enkele getuigen werd herkend als één van de overvallers op de Delhaize in Aalst. Het Delta-team heeft de Bende-De Staerke herhaaldelijk aan de tand gevoeld over de aanslag. Er is ook een getuige die Bultot heeft zien joggen in de omgeving van de Colruyt te Nijvel kort voordat de Bende er toesloeg. En Bultot is ook een liefhebber van practical shooting, een agressieve Amerikaanse schiettechniek. De voormalige gevangenisdirecteur schoot in het verleden bij Target 121. Na de slachtpartij in Aalst krijgt onderzoeksrechter Schlicker stilaan belangstelling voor een aantal practical shooting clubs, de afgelopen jaren enorm in opkomst en ideale ontmoetingsplaatsen voor politieambtenaren en rechtse extremisten.

Behalve Jean Bultot is ook Juan Mendez, werknemer van FN-Herstal, een geestdriftig beoefenaar van practical shooting. Op het ogenblik van de moordpartij in Aalst maakt Mendez een dienstreis in Puerto Rico. De aanslag komt ook daar in de pers. Hij belt naar huis, wat hij bijna nooit doet, en is helemaal in de war. Hij vreest dat de Bende in Aalst gebruik heeft gemaakt van wapens die in mei bij hem gestolen zijn, zo laat hij in elk geval verstaan aan de babysitter. Mendez breekt met zijn vroegere vriend Bouhouche, een kennis van Target 121, de grootste particuliere schietclub in het land.

Op 7 januari 1986 omstreeks 16.20 uur wordt het lijk van Mendez aangetroffen in zijn auto bij de autoweg E 40 in Rosières. Hij werd vermoord met zes 9 mm-kogels, vier in het hoofd, twee in de borst. Een willekeurige roofoverval is uitgesloten: Mendez was een weloverwogen doelwit. Is hij het negenentwintigste en laatste slachtoffer van de Bende? Werd hij geëlimineerd omdat hij al dan niet toevallig het pad van de Bende heeft gekruist?

Uit de autopsie blijkt dat Mendez omstreeks 8 uur ’s morgens werd omgebracht. Mendez werkte sinds 10 augustus 1981 bij FN. Het onderzoek, dat vooral bij de Brusselse bob berust, wijst uit dat Mendez en Bouhouche betrokken waren bij dubieuze wapentransacties. In het huis van het slachtoffer ontdekken de speurders trouwens een klein wapendepot. Ook in de woning van Bouhouche aan de Lahayestraat te Jette vinden de rechercheurs op 8 en 10 januari een heleboel wapens, waaronder een GP 9 mm-pistool. Vier dagen na de moord brengt de familie Mendez zelf een Heckler und Koch-wapen naar de rijkswacht, het blijkt gestolen bij de antiterreurgroep Dyane.

De echtgenote van het slachtoffer vertelt de politie dat haar echtgenoot de ochtend van 7 januari een afspraak had met Bouhouche langs de autoweg in Rosières. De ex-BOB’er zou 130.000 frank meebrengen voor drie wapens die hij twee weken tevoren had gekocht. Dat verhaal wordt bevestigd door de loodgieter van het gezin. De ballistische deskundige Dery besluit dat het GP 9 mm-pistool van Bouhouche als moordwapen werd gebruikt. Deze conclusie wordt bevestigd door een college van drie experts. Het college beaamt tevens dat de kogels in het lijk overeenstemmen met de munitie die in de woning van Bouhouche werd aangetroffen.

Op 26 januari 1986 houdt Schlicker Bouhouche aan voor de moord op Mendez. De ex-BOB’er houdt vol dat hij onschuldig is en dat hij zijn GP-pistool aan niemand heeft uitgeleend. Over de wapendiefstal bij de Dyane zwijgt hij als vermoord. De speurders vinden bij hem nog een FN Auto 5-pistool, dat bij de antiterreureenheid werd ontvreemd. Tevens komen ze erachter dat Bouhouche een karabijn en oude pistolen, die bij Mendez waren gestolen, aan een Brusselse wapenhandelaar heeft verkocht.

Toeval of niet, Jean Bultot neemt nu opeens de benen naar Paraguay.

Met de arrestatie van Madani Bouhouche komt de rijkswacht in het middelpunt van de belangstelling te staan. Vragen over een verband tussen de zaak-Mendez en de Bende worden hardop en met de dag luider gesteld, ook door de hoogste justitiële autoriteiten. Op dit cruciale ogenblik, begin 1986, laat commandant Bernaert aan procureur-generaal Victor Van Honsté weten dat zijn korps een grondig intern onderzoek heeft ingesteld naar mogelijke betrokkenheid van (ex-)rijkswachters, onder wie Bouhouche, bij de misdaden van de Bende, maar dat er geen bezwarende feiten werden ontdekt. De commandant leidt met zijn brief van 31 januari 1986 de justitie bewust om de tuin. De professoren Fijnaut en Verstraeten tonen dat in opdracht van de Tweede Bende-commissie glashelder aan. Ze schrijven: ‘Er werd met betrekking tot de wapendiefstal bij de groep Dyane nimmer gericht gerechercheerd op (ex-)rijkswachters met extreem-rechtse opvattingen.’ En verder: ‘De suggestie dat er in dit kader grondig onderzoek is gedaan naar Marbaix, Godin, Vanhove, Demol en naar leden van het Nationaal Drugsbureau (ndb) is misplaatst.(93)

Bernaert, bevreesd voor de naam van zijn korps, neemt op dezelfde dag een opmerkelijk initiatief. Hij benoemt André Michaux tot algemeen coördinator in het Bende- en Mendez-onderzoek. Michaux, een militair in hart en nieren, krijgt de taak alle materiaal en procesverbaals te verzamelen, uit te pluizen en in de computer te stoppen. Zoals het water naar het laagste punt, zo stroomt alle informatie naar Michaux, de persoonlijke adviseur van Bernaert. De man, alias ‘de kleine generaal’, staat aan het begin van een lastige klus. De twee megadossiers zijn omvangrijk en verspreid over verschillende onderzoeksrechters in Charleroi, Dendermonde en Nijvel en ze dijen steeds verder uit. Onderzoek naar overeenkomsten in de dossiers is braakliggend terrein vermits de onderzoeksrechters onderling nauwelijks of geen informatie uitwisselen, temeer omdat de justitie geen link legt tussen het de zaak-Mendez en het Bende-dossier. De onderzoeksrechter die belast is met het Bende-onderzoek heeft geen flauw benul van wat er in het dossier-Mendez zit. De onderzoeksrechters kunnen in feite enkel gegevens halen bij Michaux, de enige die over goed geordend materiaal beschikt.

Het geeft de generale staf een ruime voorsprong op de onderzoeksrechters, met wie Michaux haast wekelijks vergadert.

Michaux geniet aanzienlijke privileges. Hij werkt onder bevel van korpschef Bernaert en kan zeven dagen op de week een beroep doen op de Dyane en de POSA-eenheden om allerlei verdachten te observeren. Een categorie die volgens Walter De Bock, journalist bij De Morgen, door Michaux wordt opgerekt van Francis Dossogne, de leider van het Front de la Jeunesse, tot sommige hoge rijkswachtofficieren. Het monopoliseren van informatie, zoals Michaux tracht te doen, gaat zelfs sommige collega’s te ver. Ze luchten hun ongenoegen bij De Bock. Michaux weigert, aldus deze getuigen, de observatieverslagen ter beschikking te stellen aan het Centraal Bureau voor Opsporingen. De verslagen belanden alleen op de schrijftafel van Michaux en Bernaert, die beslissen of ze al of niet worden doorgespeeld aan de bevoegde magistraten. Het is een staaltje van de vergaande verzelfstandiging van het korps. Eén zaak is zeker: de generale staf onder Bernaert houdt niet van loyale samenwerking met justitie.

Het is eigenaardig dat Michaux en de generale staf met hun brede kennis van het Bende- en Mendez-dossier er niet in slagen paal en perk te stellen aan het extreem-rechtse gekonkel. Na de arrestatie van haar man roept Bouhouches echtgenote, Anne Quittner, de hulp in van bob’er Christian Amory om een wapencollectie veilig weg te bergen. ‘Pas op, je kan het met het assisenhof bekopen’, waarschuwt zij. Amory neemt daarop contact op met Asmaoui, een bevriend informant uit Bergen, en belt terug: ‘Bob n’a pas le moral.’ Het is de afgesproken code voor: ‘Ik waag het niet.’ Amory gaat Bouhouche verscheidene malen opzoeken in de gevangenis en bezorgt de hoofdverdachte in de zaak-Mendez vertrouwelijke informatie uit de bestanden van het Centraal Bureau voor Opsporingen, waardoor hij hem gelegenheid geeft zijn verklaringen ‘bij te kleuren’.

En hoe zit het met Bouhouches makker, Robert Beijer? Tijdens een huiszoeking in diens woning vinden de speurders allerhande afluisterapparatuur en zelfs folders over het aanmaken van atoombommen. De in beslag genomen spullen verdwijnen in de kast van bob’er Jacques Rousseau in Waver, die de justitie in het ongewisse laat. Rousseau wordt later zelf opgepakt wegens poging tot afpersing van een zakenman.

Het dossier-Mendez kent te veel parallellen met de Bende-zaak om ze te negeren, doch procureur Jean Deprêtre en de rijkswacht komen er niet op een vergelijkend onderzoek te verrichten. Deprêtre legt zijn eigen accenten. Voor hem draait alles rond Cocu en consorten, die na een lang voorarrest op vrije voeten zijn gesteld. De procureur verbergt zich achter het ballistisch onderzoek van commandant Dery, die ervan uitgaat dat de Rüger P38 van Cocu werd gebruikt bij overvallen op de supermarkten in Genval en Halle. Een andere deskundige, Tombeur, spreekt dat tegen. Om eens en voor altijd klaarheid te scheppen, wordt een beroep gedaan op het wereldberoemde labo van het Duitse Bundeskriminalamt. Op 13 februari 1986 brengt Baudesson van de Brusselse gerechtelijke politie de Nijvelse speurders op de hoogte van de bevindingen van het BKA. Het BKA-rapport ontkracht in één klap de veronderstelling dat het pistool van Cocu gebruikt werd in Genval en Halle. Op 6 maart 1986 informeert de Nijvelse substituut Yves de Prelle de la Nieppe, een kritische ondergeschikte van Deprêtre, advocaat-generaal Henri Jaspar. Niettemin belanden de leden van de groep-Cocu twee weken later opnieuw in de gevangenis. Jean-Pierre Tilmant van de gerechtelijke politie van Brussel ondervraagt Cocu onafgebroken van 20 maart om 9.15 uur tot 21 maart om 6.45 uur. Van uitputting legt Cocu opnieuw ‘bekentenissen’ af en onderzoeksrechter Schlicker neemt de ‘Borains’ opnieuw in hechtenis.

Het onderzoek naar de Bende gaat gepaard met een schrikbarend aantal kapitale en zelfs onbegrijpelijke ‘vergissingen’. Onderdelen van het Bende-dossier en van het dossier-Pinon raken op een mysterieuze manier zoek. Het dossier-Pinon gaat over wilde seksfuiven met vooraanstaande personen en is niet onbelangrijk voor het onderzoek. Paul Latinus en procureur Deprêtre waren in het bezit van een kopie van dit dossier. Andere vergissingen: het sporenonderzoek gebeurt op een stuntelige manier; verklaringen van slachtoffers en getuigen worden genegeerd; reconstructies van de overvallen gebeuren laattijdig, enzovoort. Boven het Bende-dossier hangt de schaduw van procureur Deprêtre. Deze aartsconservatieve magistraat geniet de steun van de Brusselse procureur-generaal Van Honsté en lijkt de meest geëigende figuur om weerbarstige onderzoeksrechters een toontje lager te laten zingen. Zo woont Deprêtre vaak zonder gewetensbezwaren werkvergaderingen van onderzoeksrechter en speurders bij. Hij is ook meerdere keren aanwezig wanneer de onderzoeksrechter verdachten ondervraagt of op de raadkamer verslag over het onderzoek uitbrengt. Dit is geen manier van doen en het al broze evenwicht tussen verdediging en Openbaar Ministerie wordt gebroken. Maar Deprêtre gaat verder dan wie ook. Op de zittingen van de raadkamer rept hij met geen woord over het ballistisch rapport van het BKA, dat ontlastend is voor de Borains en hun aanhoudingsmandaat wordt maandelijks verlengd. Het rapport blijft ongelezen in de bureaulade van onderzoeksrechter Schlicker liggen.

Ook in het dossier-Latinus dringt Deprêtre de onderzoeksrechter zijn mening op. Schlicker hecht weinig geloof aan de zelfmoordthesis en wordt daarom ononderbroken door het parket op de huid gezeten. In maart 1986 moet de onderzoeksrechter zich bij Van Honsté melden, hoewel het ongebruikelijk is dat een procureur-generaal zich rechtstreeks met een onderzoeksrechter onderhoudt. Nu raakt het dossier in een stroomversnelling. Op 20 mei 1986 laat Deprêtre het parket-generaal weten dat de onderzoeksrechter het dossier afsluit en dat hij afziet van strafvervolging. Op 27 oktober 1986 dringt het parket-generaal op spoed aan. Vier dagen later vordert Deprêtre persoonlijk de buitenvervolgingstelling op grond van zelfmoord. Hij ondervindt geen weerstand, want Schlicker zit op het assisenhof en zijn vervanger, onderzoeksrechter Baeyens, is niet vertrouwd met het dossier.

Zo behandelt Deprêtre het ene politiek-criminele dossier wat slechter dan het andere, terwijl het Brusselse parket-generaal doet of haar neus bloedt. Er is echter een lichtpunt. Het Dendermondse rechercheteam, opererend onder de naam Delta, vindt het hoe langer hoe absurder dat Nijvel de hypothese van een politiek motief negeert. Dit team werkt efficiënt en secuur. Zo weten duikers op 6 november 1986 een belangrijke partij wapens en ander belangrijk bewijsmateriaal op te vissen uit het kanaal in Ronquières, waar één jaar eerder de Nijvelse procureur Deprêtre al een stuntelig onderzoek liet doen. De duikers vinden een zak vol munitie, onderdelen van een 357 Magnum, 2 gedemonteerde pistolen 7,66 mm, de kluis van de Delhaize, diverse kledingstukken en twee onderdelen van een kogelvrij vest. Met behulp van de voorwerpen die in het bos van La Houssière en in het kanaal te Ronquières werden gevonden, kan eindelijk het verband worden aangetoond tussen diverse Bende-overvallen: wapenhandel Dekaise (30 september 1982); Wittock Temse (10 september 1983); Colruyt Nijvel (16 september 1983); Delhaize Beersel (7 oktober 1983); Delhaize Eigenbrakel en Overijse (27 september 1985) en Delhaize Aalst (9 november 1985).

Op 17 november 1986 onthult Le Soir, geseind door gefrustreerde justitiemedewerkers, dat het BKA-rapport negen maanden ongelezen in de bureaulade van onderzoeksrechter Schlicker heeft gelegen. Naar aanleiding hiervan ontlast het Hof van Cassatie op 21 januari 1987 de Nijvelse onderzoeksrechter van het Bende-onderzoek, ten voordele van collega Jean-Claude Lacroix uit Charleroi. Op 2 februari 1987 gaat in de rijkswachtkazerne van Jumet een gemengd rechercheteam van 12 BOB’ers en 13 leden van de gerechtelijke politie aan de slag. Het team begint wel op zeer bijzondere wijze haar werk. De rechtse extremist Christian Amory, werkzaam bij de bob van Bergen, neemt deel aan de eerste vergadering. Zijn taak: het natrekken van de alibi’s van de verdachten. Amory was voorgedragen door de districtscommandant van Bergen. Onderzoeksrechter Lacroix is

niet op de hoogte van het politieke verleden van Amory, niemand heeft hem verteld dat Amory in de zaak-Mendez werd verhoord, ook André Michaux niet. Het is voor de alwetende ‘kleine kolonel’ kennelijk heel moeilijk een roemruchte rechtse extremist als Amory te ontmaskeren. Onderzoeksrechter Lacroix heeft het geluk dat Frans Reyniers, de topman van de Brusselse gerechtelijke politie, het wel weet en Amory wordt op staande voet uit het team gezet.(94)

Er loopt in Charleroi nog wel meer mis. Het schrijnende gebrek aan middelen begint vervelend te worden. Het team in Jumet beschikt in het begin slechts over 7 typemachines, pc’s en fax-apparaten ontbreken. Het team moet het in de belangrijkste politiek-criminele zaak van de eeuw klaarspelen met een man of vijfentwintig: de helft uit de rijkswacht en de andere helft uit de gerechtelijke politie. De cel vergadert wekelijks maar kampt met ernstige structurele problemen: de gerechtelijke politie is per arrondissement georganiseerd terwijl de rijkswacht een nationaal korps is, waarin elk lid aan zijn meerderen verantwoording verschuldigd is. En dan is er nog de eeuwige rivaliteit tussen de twee politiediensten, die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Een voorbeeld: opperwachtmeester Lionel Ruth van de rijkswacht en zijn collega Alain Lachlan willen de gevluchte Jean Bultot in Paraguay verhoren, maar Christian De Vroom, hoofd van de gerechtelijke politie in Charleroi, vindt de twee onderofficieren ‘uit de provincie’ te min voor zo’n belangrijke opdracht. De Vroom gaat liever zelf naar Paraguay. Hij vertikt het zelfs om de ondervraging van Bultot met de rijkswachters voor te bereiden.

In Nijvel zit iedereen nog onder de plak van Deprêtre. Pikant is de manier waarop de procureur met behulp van commandant Bernaert enkele onbuigzame rechercheurs aan de kant zet. De Waverse BOB’ers Gérard Bihay en Frans Balfroid zijn de Nijvelse procureur des Konings allang een doorn in het oog. Ze denken niet zoals hij, ze nemen de hypothese van extreem-rechts serieus en maken al op 18 maart 1985 een opmerkelijk rapport, waarin gedetailleerd de gebeurlijke betrokkenheid van extreemrechts bij de Bende uit de doeken gedaan wordt. Hun visie wordt niet gewaardeerd door de rijkswachttop en Deprêtre. Deze eist hun overplaatsing. Wanneer hij niet onmiddellijk zijn zin krijgt, beschuldigt de Nijvelse procureur de twee BOB’ers van diefstal van pistoollopen en van het verpatsen van die lopen aan Daniël Dekaise, een wapenhandelaar uit Waver, die op 30 september 1982 door de Bende werd overvallen en die relaties onderhoudt zowel met ciA-agenten (Bob Gray en Robert Schuster) als met Beijer en Bouhouche.(95)

Gérard Bihay en Frans Balfroid krijgen het zwaar te verduren. Na 20 jaar dienst worden ze voortdurend voor allerlei futiliteiten disciplinair gestraft. De verziekte verhoudingen maken de twee BOB’ers bij tijd en wijle het werken onmogelijk. Uiteindelijk worden ze wegens ‘beroepsfouten’ door commandant Bernaert de bob uitgezet en naar verkeersbrigades in Gembloers en Oudergem verbannen. Ze hebben geen verhaal want het gaat om een ‘administratieve’ maatregel. In feite gedraagt Bernaert zich als een grootgrondbezitter die overal op zijn terrein branden constateert en de brandweer de schuld geeft. De commandant slaagt er echter niet meer in de brand te blussen, het is een echte veenbrand geworden.

Het pas opgerichte Syndicaat voor het Rijkswachtpersoneel (SVR) trekt op oorlogspad. SVR-voorzitter Lucien Naegels bruuskeert doelbewust de rijkswachttop. Zijn boodschap is duidelijk: de rijkswachttop, de militaire ‘nomenclatuur’ gaat te ver; het autoritaire machtssysteem, typerend voor een militair corps, heeft een elite voortgebracht die niet actief is op het terrein en die verzinkt in machtsmisbruik en corruptie. Naegels verwijst naar zeven officieren die kort tevoren van corruptie zijn beschuldigd. Zo rekent de nieuwe vakbond SVR, die vooral gewone rijkswachters groepeert, grondig af met het beleid van het corporatistische Nationaal Syndicaat van het Rijkswachtpersoneel (NSRP) dat wel eens haar tanden laat zien, maar als puntje bij paaltje komt de rijkswachttop vrijwel altijd gelijk geeft.

Die tijd is voorbij. Ook de Syndicale Federatie van de Belgische Rijkswacht (sfbr), een afscheuring van het NSRP, neemt steeds meer afstand van de generale staf. Formeel gaat het conflict eind 1987 over de invulling van het syndicaal statuut - het SVR eist dat rijks wachters zouden kunnen aansluiten bij de traditionele vakbonden - maar in feite draait het om de militaire structuur van de rijkswacht. De vakbonden SVR en sfbr hebben genoeg van de willekeur, de machtsconcentratie en de autoritaire manier van leidinggeven. Vele jonge rijkswachters, opgegroeid in de jaren zestig, willen een burgerlijke politiedienst, die soepel kan inspelen op de misdaadbestrijding.

De Bende-commissie - Inhoud

Op 7 september 1987 verwijst de Kamer van Inbeschuldigingstelling van Bergen de bende-Cocu naar het assisenhof. Ze wordt onder meer beticht van overvallen op warenhuizen in Genval (11 februari 1983); Ukkel (14 februari 1983); Nijvel (17 september 1983) en Halle (3 maart 1983).

Inmiddels werkt een rechercheteam onder leiding van bob’er Guy Goffinon vlijtig verder in het dossier-Mendez. Eind 1987 geeft het team een spectaculaire wending aan de zaak. Het vindt op 9 november 1987 twee garages in de buurt van de Louizalaan. In de garage aan de Welgelegenlaan kunnen de speurders een gestolen bestelwagen met allerlei materieel in beslag nemen. Aan de Hippocrateslaan in Sint-Lambrechts-Woluwe vinden ze een gestolen wagen en heel wat wapens, die afkomstig zijn van diefstallen bij de Dyane (oudejaar 1981) en bij Juan Mendez (mei 1985). De garages werden onder een valse naam gehuurd.

Beetje bij beetje worden de contouren van een goed gestructureerde bende rond Bouhouche duidelijk. De speurders vinden niet minder dan tien verdachte garages, een heleboel gestolen auto’s, drie appartementen die voor onderduikadres kunnen dienen, grote partijen explosieven en een stuk of 70 wapens van een arsenaal dat op minimaal 155 exemplaren wordt geschat. De bende-Bouhouche bestaat voornamelijk uit voormalige rijkswachters, voor wie het een koud kunstje is valse papieren en paspoorten te ‘regelen’, telefoons af te luisteren, afluisterapparatuur te installeren, vluchtroutes op te zetten en gerechtelijke onderzoeken op het verkeerde spoor te zetten. Ten slotte bezit de bende-Bouhouche geld, veel geld. Op een gegeven ogenblik heeft ze volgens insiders zo’n slordige 90 miljoen frank ter beschikking, waarvan het merendeel afkomstig zou zijn van een aanslag op bewakingsagent Francis Zwarts in 1982.

Na de parlementsverkiezingen van december 1987 bestaat voor het eerst sinds lang een reële mogelijkheid dat de socialisten weer tot de regering zullen toetreden. Tijdens de formatiebesprekingen staat de bende-Cocu terecht voor het assisenhof in Bergen. In die periode, begin 1988, gebeuren er verrassende dingen.

Op 8 januari 1988 nodigt onderzoeksrechter Schlicker Beijer uit voor verhoor. Via zijn advocaat laat Beijer weten dat hij niet kan komen omdat hij dringend zijn zieke moeder in Torremolinos moet bezoeken. De onderzoeksrechter vaardigt daarop een internationaal aanhoudingsbevel uit. Op 13 januari 1988 ontdekken de speurders ten huize van Anne Quittner een GP 9 mm, verstopt in Bolognaisesaus. De vrouw van Bouhouche zou in de zomer van 1987 dit wapen en valse identiteitspapieren gekregen hebben van Beijer omdat de criminele organisatie toen van plan was Bouhouche uit de gevangenis te bevrijden. In de kelder van Beijers woning vinden de speurders een kist met munitie en lopen van een Ingram-machinegeweer, een deel van de buit die de Bende van Nijvel naar verluidt in 1982 bij een overval op de Waverse wapenhandelaar Dekaise in de wacht sleepte. Is de ontknoping nabij?

Op 15 januari 1988 worden Anne Quittner en de BOB’er Christian Amory aangehouden. Ze worden beschuldigd van bendevorming, heling en inbreuken op de wapenwetgeving.

Kern van Amory’s verdediging is dat hij vanaf 1981 Bouhouches criminele projecten steunde om vroeg of laat te kunnen bewijzen dat Bouhouche de Bende van Nijvel van wapens voorzag. Amory geeft concrete details over de verschillende moorden chantageplannen van Bouhouche. Zo wou Bouhouche al in 1982 supermarkten aanvallen en afpersen. Volgens Amory bezat Bouhouche wapens, door Juan Mendez in de FN-fabriek gejat. Nog volgens Amory telde de Bende 3 niveaus: de opdrachtgevers (hij wist niet wie dat zijn); de tussenpersonen (onder anderen Bouhouche, zij die zorgden voor wapens, voertuigen enzovoort) en ten slotte de moordenaars (onbekende buitenlanders). Harde bewijzen levert Amory niet. Zeker, hij laat niet het achterste van zijn tong zien en denkt aan zijn eigen hachje, maar dat neemt niet weg dat hij de speurders een hoop waardevolle informatie bezorgt. Zo vinden de rechercheurs een ondergronds wapendepot nabij het Brusselse Zuidstation.

Op 19 januari 1988 wordt Chang Wai Ling aangehouden. Hij geeft toe dat hij de wapens uit de garage van de Welgelegenlaan in Ukkel heeft verstopt. De speurders vinden er de wapens, waaronder twee Heckler und Koch-pistolen, afkomstig van de diefstal bij de Dyane. Chang geeft, net als Amory, toe dat Bouhouche en Beijer plannen hadden ontworpen om supermarkten onder bedreiging van brandstichting af te persen.

Wapenexpert Dery laat onderzoeksrechter Schlicker mondeling weten dat het Bolognaise-pistool gebruikt werd bij de Bende-overvallen op Dekaise (1982) en op de Delhaize-supermarkten van Overijse en Eigenbrakel (1985). Het bericht slaat in als een bom. Voor het eerst is nu officieel bewezen dat er een verband bestaat tussen het Bende-dossier en de zaak Mendez. Onderzoeksrechter Schlicker en BOB-adjudant Goffinon geven het spectaculaire nieuws op 20 januari 1988 door aan het assisenhof in Bergen. De voorzitter schort meteen het proces op en stelt een college van drie ballistische experts aan.

Twee dagen later vlucht Jean-François Buslik, een boezemvriend van Bouhouche, spoorslags naar de vs. Deze informant van de DEA was in 1981 betrokken bij de bomaanslag op het voertuig van Goffinon. In april 1986 werd de DEA-agent een tijdlang aangehouden in het dossier-Mendez. Een getuige beweerde dat de dader reed met een type jeep dat Bouhouche en Buslik gebruiken. Voor zijn aanhouding kreeg Buslik nog een telefoontje van Beijer met de mededeling: blijf weg van de jeep. Op de koop toe verklaarde een commissaris van de staatsveiligheid dat Buslik hem informatie omtrent de aanmaak van bommen had gevraagd.

Na zijn terugkeer uit Spanje roept Beijer op 24 januari 1988 in zijn woning een nachtelijke persconferentie bijeen. In het bijzijn van journalisten van Le Soir, de RTBF en La Libre Belgique verklaart hij, overeenkomstig een goede extreem-rechtse traditie, dat de staatsveiligheid achter de bende rond Bouhouche zit. Sterker, volgens Beijer maakte commissaris Christian Smets in 1983 geheime afspraken met zijn detectivebureau ari, en financierde de staatsveiligheid de garages en onderduikadressen van de bende-Bouhouche. Na deze smakelijke verklaringen, die breed in de media worden uitgesmeerd, meldt Beijer zich bij onderzoeksrechter Schlicker, die de ex-BOB’er op 25 januari 1988 in preventieve hechtenis neemt op verdenking van heling, inbreuken op de wapenwet en ‘bendevorming’.

Sommige parlementariërs beseffen dat ze nu in actie moeten komen, want dat ze anders straks het verwijt krijgen dat ze niets hebben ondernomen. Midden in de formatiebesprekingen, op 2 februari 1988, bepleit Luc Van Den Bossche (SP) de dringende oprichting van een parlementaire commissie die een onderzoek moet uitvoeren naar het misgelopen speurwerk naar de Bende van Nijvel. Minister Gol is vierkant tegen.

De nieuwe rijkswachtbond SVR steunt de oprichting van een parlementair onderzoekscommissie. SVR-voorzitter Naegels voert een geslaagde mediacampagne. Een publiek debat over de rijkswacht is onvermijdelijk geworden. Op 11 februari 1988 noemt Bernaert in de radio-uitzending Actueel de corruptie in zijn korps een volstrekt marginaal verschijnsel. ‘Enkele appels zijn rot, maar de mand is nog gaaf’, aldus de commandant. Volgens hem is er niets aan de hand en is de rijkswacht slechts de afspiegeling van de ‘verloederde’ materialistische maatschappij. Dat klopt natuurlijk niet. Een politiedienst behoort geen afspiegeling van de maatschappij te zijn. Een politiedienst heeft immers het geweldsmonopolie, dat betekent dat men bijzondere eisen aan politiemensen mag en moet stellen.

Het komt een tikje ongelukkig uit voor Bernaert dat het Brusselse Openbaar Ministerie een week later twee officieren en twee onderofficieren van de rijkswacht laat arresteren op verdenking van corruptie, diefstal, heling en verduistering. De vier zouden onder meer radio-apparatuur van de rijkswacht hebben gestolen. Door het uitdijend corruptieschandaal raken hoge officieren hun status van ‘onaanraakbaren’ kwijt. Er komt zelfs een onderzoek op gang naar mogelijke corruptie van de socialistisch georiënteerde generaal Francis Devos en de CVP-gezinde generaal Pieter Berckmans, die in een nek-aan-nek-race verwikkeld zijn om Bernaerts op te volgen. De benoeming laat op zich wachten omdat dat kennelijk een onderdeel is van de formatiebesprekingen.

Als reactie op de rotte-appelen-uitspraak onderneemt NSR-voorzitter Naegels een ludieke actie voor de woning van Bernaert. De commandant apprecieert de humor niet en minister van Defensie Xavier de Donnéa (PRL) sanctioneert Naegels op grond van koninklijke besluiten die pas enkele maanden oud zijn. Als ontslagnemende minister had de Donnéa in januari 1988 nog stiekem het syndicaal statuut ingevuld en de minister van Landsverdediging het recht gegeven vakbondsafgevaardigden in het belang van het korps uit hun functie te ontzetten. De sanctie wakkert de strijd bij sp en Volksunie tegen de ‘militaire’ structuur nog aan.

Op hetzelfde moment woedt ook een hevig debat over de halvering van het rechercheteam van Jumet, belast met het Bende-onderzoek.

Met instemming van de procureur-generaal van Bergen, Georges Demanet, trekt commissaris Christian De Vroom op 15 februari 1988 zeven GP’ers van Charleroi uit het team van Jumet terug.(96) De Vroom verplaatst de speurders naar de rechtbank in Charleroi ‘om hen aan de invloed van de rijkswacht te onttrekken’. Vier dagen later, op 19 februari, worden ook de overige GP’ers, inclusief die van de 23ste brigade uit de rijkswachtkazerne van Jumet verwijderd. De Vroom koestert het plan om de zaak-Mendez en het Bende-dossier door de 23ste brigade te laten uitspitten zonder de medewerking van de rijkswacht. Maar dit plan gaat de mist in. De 23ste brigade is immers maar een vrij kleine brigade, nog geen zestig man sterk. Bovendien is deze brigade in de GP zelf omstreden en kost het haar chefs bloed, zweet en tranen om de brigade operationeel te maken. Door het afhaken van de gerechtelijke politie krijgt de rijkswacht voorgoed de leiding in het Bende-onderzoek.

De rol van ‘nationaal coördinator’ Michaux neemt daardoor nog toe. De ‘kleine kolonel’ beweert wel dat zijn rol en die van het CBO beperkt blijven tot ‘logistieke ondersteuning’ van de rijkswachters en magistraten bij de diverse onderzoeksteams, maar sp-parlementariër Luc Van Den Bossche ziet dat anders. Hij hekelt tijdens een persconferentie op 19 februari 1988 het streven van de rijkswacht om ‘haar’ onderzoek intern te centraliseren. ‘De enige centralisatie van de informatie in het Bendedossier vindt plaats in een interne nationale cel van de rijkswacht’, analyseert Van Den Bossche. ‘Deze methode is principieel verwerpelijk want ze strookt niet met het wettelijke beginsel dat elk gerechtelijk onderzoek rechtstreeks door een magistraat moet geleid worden. Geen enkele magistraat heeft controle op de werking en de informatie van deze nationale cel. Bovendien heeft die tot nu toe het onderzoek niet wezenlijk vooruit geholpen.’(97) Wat wil Van Den Bossche dan wel? Hij stelt voor het hele Bende-onderzoek toe te vertrouwen aan één onderzoeksrechter die de beschikking moet krijgen over een nationale task force met de beste speurders uit de verschillende korpsen. Deze task force moet de informatie van de ‘parallelle rijkswachtcel’ overnemen. De leiding ervan moet berusten bij een college van zes magistraten. Van Den Bossche wil dus simpelweg de speciale nationale rijkswachtcel opdoeken. Geen wonder dat deze voorstellen Michaux en de rijkswachttop koud op hun dak vallen.

Op deze beslissende dag, 19 februari 1988, krijgt minister van Justitie Gol een verslag van commandant Bernaert over het interne rijkswachtonderzoek naar onder meer de wapendiefstal bij de groep Dyane. Hierin verzekert Bernaert dat de rijkswacht de mogelijke betrokkenheid van extreem-rechtse rijkswachters serieus heeft nagetrokken, maar geen bezwarend materiaal heeft gevonden.(98) Nadat hij begin 1986 procureur-generaal Van Honsté al verkeerd heeft voorgelicht, doet hij nu voor de tweede maal de waarheid geweld aan.

Het Bende-onderzoek manifesteert als nooit tevoren het falen van politie en justitie. Na de onthutsende voorvallen van de afgelopen maanden lijkt het parlement eindelijk te willen breken met een oude traditie. Al ongeveer 150 jaar overheerst bij politici de gedachte dat de rijkswacht het goed meent en dus goed is. Daadwerkelijke controle bleef uit. Eind februari 1988 gaan er dan toch kamerbreed stemmen op voor een grootschalig parlementair onderzoek naar het functioneren van de politiediensten. Ontslagnemend minister van Justitie Jean Gol blijft zich met hand en tand tegen een parlementaire enquête verzetten. In het geval van het ‘linkse’ terrorisme van de CCC zorgde Gol ervoor dat het onderzoek gecoördineerd werd door het anti-terreurcollege, de AGG en nationaal magistraat, André Vandoren. In de zaak van de Bende van Nijvel greep Gol niet in. Hij maakte geen gebruik van het ‘positief impulsierecht’ waarmee hij de procureurs-generaal kon gelasten om een ernstig onderzoek in de richting van extreem-rechts te beginnen. Hij ondernam niet eens stappen om het onderzoek te coördineren bij één magistraat. Daar wijken het college van procureurs-generaal en Gol nu plotseling vanaf. In een ultieme poging de instelling van een parlementaire enquêtecommissie af te wenden en de voorstellen van Van Den Bossche te neutraliseren, benoemen ze op 24 februari 1988 substituut Jean-François Jonckheere tot nationaal coördinator.(99) Het verandert niets aan de gang van zaken. Het college van de procureurs-generaal en de rijkswachttop behandelen Jonckheere als het vijfde wiel aan de wagen.

Begin april 1988 wordt de assisenzaak tegen de bende-Cocu hervat. Het college van experts trekt de bevindingen van Dery omtrent het Bolognaise-pistool in twijfel. Er zijn nog geen keiharde bewijzen van betrokkenheid van Bouhouche en de zijnen bij de terreur van de Bende van Nijvel, maar wel een heleboel aanwijzingen, concludeert Guy Goffinon. Het assisenhof van Bergen spreekt Cocu en Co vrij. Het speurwerk naar de grootste politiek-criminele zaak in de moderne Belgische geschiedenis is uitgelopen op een fiasco.

Het parlement neemt het van de justitie over. Op 22 april 1988 keurt de Kamer na een urenlang debat de oprichting van de onderzoekscommissie goed. Leden van de liberale partij reageren met scepsis en argwaan op de koerswijziging van de CVP. Vooral Gol verzet zich met hand en tand.

Hoewel de Bende-commissie zich beperkt tot een ‘onderzoek naar het onderzoek’, lijkt het er haast op dat de parlementariërs het speurwerk naar de Bende zelf moeten opknappen, omdat de rijkswacht en de justitie daartoe niet in staat zijn. De commissie bestaat uit goedwillende parlementariërs die dit werk vaak combineren met hun vele andere politieke bezigheden. De Bende van Nijvel vinden ze zeker niet en zo lang de Bende vrij rondloopt, zal een grauwe sluier over de rechtsstaat en de rijkswacht blijven hangen.

III De verbouwing van de nv politie - Inhoud

Het masterplan van Team Consult - Inhoud

Op 9 mei 1988 treedt een regering van christen-democraten en socialisten aan. Deze laatsten zijn nu zo pragmatisch geworden, dat zij een strikte begrotingsdiscipline en bezuinigingen aanvaarden. Na het instorten van het Oostblok zijn ook de grootste wrijvingspunten inzake binnen- en buitenlands veiligheidsbeleid glad gestreken, zodat niemand ervan opkijkt dat socialisten de scepter zwaaien over Binnenlandse Zaken (Louis Tobback) en Defensie (Guy Coëme). Bijna tegelijkertijd begint de Bendecommissie onder leiding van André Bourgeois (CVP) het disfunctioneren van politie en justitie te onderzoeken. En dan is er nog de wisseling van de wacht bij de rijkswacht. De conservatieve generaal-majoor Saint-Viteux begint een carrière bij Siemens en generaal Piet Berckmans neemt op 1 juli 1988 de plaats in van Bernaert.

De nieuwe commandant moet al onmiddellijk een smoezelig schandaal bezweren. Hugo Coveliers (VU) verklaart over aanwijzingen te beschikken dat een geheime rijkswachtcel informatie over politici verzamelt en hun ‘niet-conventioneel seksueel leven’ onderzoekt.(100) Tobback gelast een onderzoek door de generale staf. Dat levert niets op, men constateert wel dat een aantal steekkaarten ontbreken.(101)

De nieuwe commandant, Piet Berckmans, is geen representant van een democratische traditie. Gedurende tien jaar werkte deze weinig frivole bureaucraat als verbindingsofficier van de generale staf op het kabinet van de minister van Landsverdediging. Hij diende Vanden Boeynants en andere ministers, kent het politieke wereldje door en door en heeft een gevoelige antenne voor maatschappelijke veranderingen. Berckmans wil de rijkswacht optuigen om met de modernste middelen en managementtechnieken een dam tegen de groeiende zware misdaad op te werpen. In zijn beleidsnota ligt de nadruk op preventie en gerichte informatieverzameling. ‘De algemene teneur is die van een sterker en meer zelfstandig korps’, concludeert Leo Marynissen in Het Volk.

Het is geen toeval dat de nieuwe korpschef zich afficheert als manager van een groot ‘veiligheidsbedrijf’. Zojuist is immers het eindrapport De politiediensten in België verschenen.(102) Het onderzoek werd uitgevoerd door de multinational Team Consult (TC) - gespecialiseerd in politieaudits - na het ‘rampjaar’ 1985 (CCC, Bende van Nijvel, Heizeldrama) in opdracht van de vorige rooms-blauwe regering-Martens v. Het eindrapport is vooral het werk van Frank Denis, een voormalig officier van de luchtmacht, die een opleiding volgde aan het befaamde Vlerickinstituut, een kweekschool voor managers.

Het verslag, dat de belastingbetaler 23 miljoen kost, is een aardig etalageproduct: het bevat hoofdzakelijk algemene wetenswaardigheden, stof voor een basiscursus criminologie. Eén: de drie grote Belgische politiediensten tellen samen bijna 36.500 personeelsleden, verspreid over de gemeentepolitie (589 korpsen), de gerechtelijke politie (23 brigades) en de rijkswacht (52 districten, elk onderverdeeld in 5 tot 8 brigades). Twee: België scoort met 1 politieambtenaar op 270 inwoners erg hoog qua politieomkadering. Drie: België telt niet minder dan 60 bijzondere politiediensten met beperkte opdrachten. Samen stellen die nog eens 16.234 ambtenaren te werk. Vier: ondanks dit alles is het oplossingspercentage van de gemelde misdrijven laag en neemt het onveiligheidsgevoel onder de bevolking toe. In feite zou het ‘Belgische politiebedrijf’ zich kapot moeten schamen over zijn belabberde ‘productiviteit’.

TC is wél enthousiast over de rijkswacht: ‘Alleen deze politiedienst vormt een eenheid, is bevoegd voor het hele grondgebied en heeft statuten en opdrachten die precies zijn omschreven. Zij verricht alle politietaken. Slechts de wetenschappelijke politie beheert zij niet. Alle leden krijgen een opleiding op basis van een coherente filosofie. Het militair statuut bevordert de discipline en politieke onafhankelijkheid, waardoor het korps zich opwerpt tot een neutrale instelling met een stabiliserende invloed.’ De managers van TC noteren slechts een paar schoonheidsfoutjes: een te logge bureaucratische structuur, onvoldoende promotiekansen voor de hogeropgeleiden en een te grote invloed van de vakbonden.

Aan de gemeentepolitie maakt het rapport niet veel woorden vuil en de GP deugt duidelijk niet: er zijn geen goede criteria voor de inzet van mensen en middelen, het ontbreekt aan fatsoenlijke planning en sturing. De bevindingen van TC lijken wel een doodvonnis.

Pij een dergelijke toestand van inefficiëntie klinkt al snel de roep om een nieuwe strakke organisatie onder leiding van een sterke man. Wat politici nooit eerder hardop hebben durven zeggen, is voor de managers van TC de ultieme oplossing: België is rijp voor één nationale politie, onder leiding van een algemeen directeur van Politie, een soort vijfsterrengeneraal. De TC-strategen verhelen nauwelijks dat de rijkswacht model staat voor deze slagvaardige, op high-tech drijvende superpolitie, die de uitdagingen van de 21ste eeuw moet aankunnen. Ze beseffen echter wel dat zo’n radicale en antidemocratische herverkaveling van het politielandschap niet onmiddellijk kan worden doorgevoerd, daarom ontwikkelen ze een stap-voor-stap strategie volgens het patroon van ‘procesmanagement’. Het betekent dat in de praktijk telkens, liefst geruisloos, voorschotjes genomen worden op de gewenste eenheidsstructuur, zodat de zaak uiteindelijk vrijwel niet meer valt terug te draaien, TC wil onmiddellijk een aantal maatregelen doorvoeren zoals uniformisering en centralisering van de informatica, de uitbouw van een gemeenschappelijke telecommunicatie-infrastructuur, gelijkschakeling van opleiding en selectie, groepering van gemeentelijke politiekorpsen. Op korte termijn bepleit TC de invoering van een centrale computer, een gemeenschappelijk labo, 24 uur beschikbaarheid via samenwerking van gemeentepolitie en rijkswacht, oprichting van nationale eenheden voor ordehandhaving. Op middellange termijn worden dan alle statuten en arbeidsvoorwaarden gelijkgeschakeld. Het einde van het liedje is een eenheidspolitie.

Dat behalve voetbal ook grootschalige politieactie oorlog is, valt het duidelijkst te zien aan het door TC ontworpen organisatieschema van deze eenheidspolitie. Dat zou niet misstaan op het prikbord van een militair hoofdkwartier: een strakke hiërarchie van boven naar beneden. Helemaal bovenaan staat de algemene directeur van Politie, heersend zoals het een krijgsheer betaamt; daaronder staan de drie componenten van de eenheidsstructuur: de interventie- en opsporingspolitie en de logistieke diensten.

De politiechefs moeten hooguit hun beleid ‘verantwoorden’ op een nationale, gewestelijke en lokale ‘veiligheidsraad’. Van effectieve politieke en justitiële controle op deze superpolitie is in de verste verte geen sprake. Democratische overwegingen zoals het gevaar van een buitensporige machtsconcentratie en het respect voor gemeentelijke autonomie en checks and balances verdwijnen uit het gezichtsveld. De superpolitie mag ook niet worden gehinderd door onderzoeksrechters of procureurs. Onderzoeksrechters mogen hooguit het politieonderzoek ‘controleren’. ‘Een politie die door een magistraat geleid wordt, komt in een staat van half-verlamming terecht’, orakelt Denis.

De politiechefs moeten een nieuwe ‘bedrijfscultuur’ invoeren: in een snel veranderende samenleving moeten werknemers op meerdere plekken inzetbaar zijn; wereldwijd slankt de bureaucratische top van grote bedrijven af, de politie mag wat dat betreft geen uitzondering zijn; in de concurrentieslag is de kwaliteit van het personeel en van de dienstverlening doorslaggevend. Denis wil dat het ‘politiebedrijf’ luistert naar de ‘klant’. De ‘politiemanagers’ moeten hun product (veiligheid) ‘op de markt brengen’, juist zoals een nieuw waspoeder.

De Leuvense hoogleraar Lode Van Outrive veroordeelt het gevaarlijk geklets van Team Consult: ‘Iedereen weet dat privé-marktonderzoekers rekening houden met de verwachtingen van hun opdrachtgevers. Welnu, de opeenvolgende katholiek-liberale regeringen tussen december 1981 en oktober 1987 toonden een voorkeur voor de rijkswacht en dat is duidelijk merkbaar in het eindrapport.’(103) De politiechefs daarentegen houden zich opvallend op de vlakte en reageren niet op de ondemocratische basisfilosofie van tc. Willy Bruggeman, één van de rijzende sterren bij de rijkswacht, volstaat met de vaststelling dat een eenheidspolitie theoretisch wel de beste oplossing is, maar dat men vooralsnog rekening moet houden met de gemeentelijke en gerechtelijke autonomie, evenals met de historische achtergrond van de verschillende politiediensten.(104)

De politici zwijgen zedig. Toch veroorzaakt het rapport van TC een cultuurbreuk. In de discussie over de politie gaat het ineens over de organisatie. Die doet het niet goed, is hopeloos ouderwets, inefficiënt; de politiediensten beconcurreren elkaar in plaats van samen te werken. De nieuwe minister van Binnenlandse Zaken zit op dezelfde golflengte. Op 24 november 1988 houdt Tobback in Genk zijn eerste grote toespraak, waarin hij meteen zijn intenties min of meer duidelijk maakt. ‘Kwaliteit moet weer boven kwantiteit gaan’, betoogt Tobback. Met andere woorden: niet almaar nieuwe blikken agenten opentrekken, maar de efficiëntie en het rendement verhogen. Hij vergelijkt de huidige situatie met een voetbalploeg die slecht presteert omdat alle spelers op het middenveld samenklitten en de vleugels onbezet laten. ‘Zo’n club moet niet roepen om een twaalfde en een dertiende speler, maar moet meer lijn in haar spel brengen. En dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de coach’. Tobback zou Tobback niet zijn als hij die rol niet zou ambiëren.

Volgens hem moeten rijkswacht en gemeentepolitie een algemene bevoegdheid behouden, zodat ze op hetzelfde grondgebied dezelfde opdracht kunnen vervullen. Wie wat doet, hangt nu af van in de praktijk gegroeide machtsverhoudingen. Tobback hoopt via ministeriële omzendbrieven een betere coördinatie te kunnen realiseren. Voorlopig blijft de coördinatie beperkt tot de ordehandhaving bij ‘risicowedstrijden’. Volgens omzendbrief OOP 7 moet de gemeentepolitie optreden binnen het stadion, de rijkswacht erbuiten. Wanneer de gemeentepolitie het niet alleen aankan, moet de rijkswacht bijspringen. De operaties moeten geleid worden vanuit een gemeenschappelijk commandocentrum.

Tobback is goed op dreef in Genk. Sommige uitspraken vallen de rijkswacht koud op haar dak. ‘De gemeentepolitie moet in principe instaan voor alle politietaken, behalve als die het lokale niveau overstijgen’, benadrukt Tobback. ‘De politie moet in eerste instantie lokaal worden georganiseerd zodat ze zich goed kan integreren in de bevolking. Daarom moet de gemeentepolitie de kern van het politiebestel vormen’.(105) Nochtans betekent dit allerminst dat Tobback aan de macht van de rijkswacht wil tornen. Om de enorme voorsprong van de rijkswacht te verkleinen, wil hij fors investeren in de modernisering van de gemeentepolitie en bepleit hij samenwerking van de kleine korpsen, zodat de gemeentepolitie 24 uur per dag bereikbaar is.

Op 28 april 1989 wordt Tobback hartelijk ontvangen op het elfde nationaal congres van de Nationale Federatie van Politiecommissarissen en Adjunct-commissarissen van België. Voorzitter Frans Keppens, korpschef te Asse, wijst erop dat slechts 88 van de 589 politiecommissariaten een dag- en nachtpermanentie hebben. Om dat op te lossen, zo zegt Keppens, zijn er 2.000 extra agenten nodig en moeten er vroeg of laat regiokorpsen komen.(106) Met plezier herinnert Keppens de minister aan de spilfunctie van de gemeentepolitie. ‘De GP en de rijkswacht moeten volstaan met een aanvullende rol en zich alleen met gespecialiseerde en boven-lokale opdrachten bemoeien’, aldus Keppens. Deze taakverdeling zou in een algemene politiewet moeten vastgelegd worden, want zo lang een wettelijke regeling ontbreekt kan de rijkswacht doen wat zij het best vindt. Tobback houdt echter de boot af. ‘Dat is onbegonnen werk’, vindt hij.

Community policing - Inhoud

Op het congres van de politiecommissarissen speelt Tobback in op de algemene roep om de ‘politie weer dichter bij de burger’ te brengen: zichtbaar en aanspreekbaar op straat aanwezig. De traditioneel te voet of op de fiets surveillerende agent is immers al lang uit het straatbeeld verdwenen. De surveillance is de automobiel in gejaagd. Er opereren gemotoriseerde preventie- en assistentiesurveillance met eigen specifieke methodieken. De automatisering en andere technische ontwikkelingen leiden tot een grotere doelmatigheid, maar dat alles heeft een bedenkelijk neveneffect: het zo noodzakelijke contact met de burger wordt gaandeweg minder.

Daarenboven heeft het aanzien van de Belgische politie zo ongeveer het nulpunt bereikt als gevolg van het aan alle kanten rammelende Bende-onderzoek, de slechte dienstverlening, de stijgende criminaliteit en wijdverspreide corruptie. In de lente van 1989 kan niemand nog heen om de ernstige legitimiteitscrisis. De ravage is tot in de rijkswachttop voelbaar. Op dat moment onderzoekt namelijk een ‘antifraudecel’ van de Brusselse bob corruptiepraktijken binnen het hogere officierenkorps. De BOB’ers ondervragen gepensioneerd luitenant-kolonel Herman Vernaillen omtrent het opknappen van een Golf gti voor de zoon van generaal Bernaert; ook generaal Berckmans wordt aan de tand gevoeld over het onderhoud van zijn centrale verwarming. Daarop plaatst de generale staf drie ‘waakhonden’ bij de antifraudecel, die na een tijdje tot twee man wordt teruggebracht.(107)

Deze corruptie-affaire steekt het gewone volk, dat moet leven met een ernstige economische recessie en met bezuinigingsronden, die een soort eeuwige terugkeer lijken te beleven. Een efficiënte politie kan met de beste wil van de wereld niet zonder medewerking van de burgers. Het is dan ook geen toeval dat Tobback zich schaart achter ‘community policing’, in politietaal vrij vertaald als ‘gemeenschapspolitiezorg’. Community policing staat nu plotseling in de schijnwerpers, dit moet de verstoorde relatie met de bevolking oplappen. Professor Christiaan Eliaerts erkent dat volmondig op een studiedag over Politie, visies en beleid, in aanwezigheid van Tobback, op 25 mei 1989 aan de VUB.

De nieuwe trend is uit Engeland overgewaaid. Daar verliest de politie vanaf 1960 steeds meer het vertrouwen van het publiek. Het beeld van de gedisciplineerde bobby, die zijn boekje nooit te buiten gaat, blijkt niet meer te kloppen. Groot-Brittannië wordt opgeschrikt door tal van politieschandalen. Met name de cid, de recherche van de Londense Metropolitan Police is in opspraak. Onwettige praktijken zoals corruptie en het inzetten van criminelen als ‘agents provocateurs’ komen aan het daglicht. De cid blijkt ‘een staat in de staat’. In 1981 schrijft Lord Scarman een rapport over de rassenrellen in Brixton. Zijn conclusie: de politie ligt mede aan de basis van de rellen want grootscheepse opsporingsacties, systematische huiszoekingen en veelvuldige aanhoudingen deden de emmer overlopen.(108)

Scarman stelt dan ook een hele reeks hervormingsmaatregelen voor. Naast voorstellen op het vlak van de opleiding van agenten en de rekrutering van etnische minderheden toont hij zich ook een voorstander van community policing, het tegenovergestelde van het zogenaamde ‘hard policing’ zoals men dat in Brixton toepaste. Hij voegt er echter onmiddellijk aan toe dat het te simplistisch zou zijn om in het politiewerk slechts deze twee stijlen te onderscheiden. Community policing is volgens hem politiewerk met de instemming van de bevolking.

Net als Scarman benadrukt Eliaerts dat community policing eigenlijk weinig invloed heeft op de criminaliteit, het is vooral bedoeld om het imago van de politie op te poetsen. De gemeentepolitie staat midden 1989 open voor community policing, men wil de dienstverlening en preventieve aanpak in eer herstellen. Er komen wijkteams, migrantenpolitiemannen en buurtobservatieprojecten, waarbij vrijwilligers verdachte feiten melden.

Voor de rijkswacht daarentegen is community policing nog niet prioritair. De relatie tussen rijkswacht en gemeentepolitie is windstil, al kan dit zeker niet worden geïnterpreteerd als voorbode van een langdurige periode van mooi weer. De rijkswacht wil etappegewijs expanderen. Eerst wil ze de GP opzij zetten, voor commandant Berckmans kan dat niet snel genoeg gaan, hij heeft grote ambities. In juni 1989 maakt hij de Bende-commissie duidelijk dat zijn korps de spil van de misdaadbestrijding wil worden. Hij geeft zonder schaamtegevoel een verkeerde interpretatie aan de wet van 1919 om de rol van de GP te beperken tot zeer gespecialiseerde criminaliteit waarvoor de rijkswacht - voorlopig - de expertise niet in huis heeft. Er gaan steeds meer stemmen op om GP en bob samen te voegen tot één criminele politie. Dat is niets voor Berckmans. ‘Zodoende zou de broodnodige eenheid van ordehandhaving en criminaliteitsbestrijding teloor gaan’, argumenteert hij. Berckmans wil af van de militaire opdrachten en van een aantal minderwaardige taken zoals het bewaken van transporten van gevangenen en fondsen. Ook de justitie moet het ontgelden. Procureurs en onderzoeksrechters houden volgens hem een fictie in stand; ze doen alsof ze verantwoordelijk zijn voor de politie, maar in de grond hebben ze weinig verstand van politiewerk. Hij zou het daarom beter vinden de politie in de eerste fase van het onderzoek vrij spel te laten.

Kamerlid André De Beul (VU) vindt dat wat te gortig. ‘Er zijn grenzen. Over het vervolgingsbeleid mag de rijkswacht niets te zeggen hebben.(109)

Het verst gaat Hugo Coveliers (VU). In zijn boek Securitas Belgica tekent hij een politielandschap zonder rijkswacht. Tobbacks coördinatieplannen ziet Coveliers niet zitten, want: ‘De politieoorlog zit in ons scheefgegroeid systeem ingebakken’ en ‘als verschillende politiediensten op hetzelfde terrein actief zijn, dan zijn botsingen onafwendbaar. Hoe kan een coördinatie slagen met politiediensten die de taken niet willen verdelen? De rijkswacht is gewoon alles te doen. Dus moeten we met een schone lei zonder rijkswacht beginnen.’

In november 1989 valt de Berlijnse Muur. De snelheid waarmee de wereld daarna verandert, is adembenemend en dit is allicht maar een voorproefje van wat iedereen, de rijkswacht inbegrepen, nog te wachten staat. De generale staf snapt beter dan wie ook dat hervormingen meer dan ooit nodig zijn om de nieuwe uitdagingen aan te kunnen.

Dat verklaart de belangrijke verschuivingen die eind 1989 in de rijkswachttop plaatsvinden. Twee generaals (Bernaert en Saint-Viteux) hebben in de loop van het voorbije jaar het korps verlaten. De nieuwe benoemingen zijn geïnspireerd door de gedachte dat het korps nodig in de revisie moet. Iedereen krijgt in de pers een etiket opgeplakt. Robert Quinet (PSC) en Willy Deridder (SP) worden bevorderd tot generaal-majoor; Deridder wordt de nieuwe baas van de generale staf; vier van de vijf gebieden krijgen een nieuwe chef: Brabant (Germain Audoor, CVP), Oost- en West-Vlaanderen (Arseen Pint, SP), Antwerpen en Limburg (Alfons Van Laethem, CVP), Luik en Luxemburg (Gabriel Muller, PSC).

Vooral de bliksemcarrière van Deriddder wekt wantrouwen in conservatieve kringen. Hij begon zijn loopbaan bij de rijkswacht in 1959, studeerde aan de Militaire School en werd aan de Vrije Universiteit van Brussel doctor in de rechten. In 1980 was hij verbindingsofficier bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en nadien werkte hij op de Directie van de Studiën van de generale staf. Eind 1989 is hij assistent aan de faculteit Rechten van de vub; de studenten noemen hem de ‘Rode Ridder’. ‘Hij is uit progressief hout gesneden, hetgeen schril afsteekt bij het traditionele conservatisme dat de officieren, op enkele uitzonderingen na, kenschetst’, verzucht Willy Van Geet.(110)

Deze behoudsgezinde kolonel - gekoesterd door ’t Pallieterke - moet met pijn in het hart toegeven dat Deridder het best geschikt is voor een reddingsactie. ‘Hij kan in de toekomst de rijkswacht behoeden voor de banbliksems waarmee zij in het verleden nogal eens door sommige politici werd bestookt.’

Het Bende-rapport - Inhoud

Midden 1989 tracht de commissie-Bourgeois nog steeds het mislopen van het Bende-onderzoek te ontrafelen. De commissie voert vraaggesprekken met een serie magistraten en moet harde noten kraken. Het Brussels parket reageert zeer formalistisch en weigert aanvankelijk gerechtelijke dossiers ter beschikking te stellen. Steeds weer wordt er geschermd met ‘de scheiding tussen politiek en recht’.

Sommige magistraten zoals de Nijvelse procureur Jean Deprêtre en de Brusselse procureur-generaal André Van Oudenhove leggen ziel en zaligheid niet op tafel. Ze verontschuldigen zich niet, zelfs niet voor hun dwalingen, want het toegeven van het geringste foutje zou een onvergeeflijke bedreiging voor het hele rechtssysteem zijn. Buitenstaanders begrijpen nu wel waarom de magistratuur, ‘bijgekleurd’ door zuiver politieke benoemingen, niet bijzonder succesvol is bij de opheldering van politiek-criminele zaken. Andere getuigen leggen een tot niets verplichtende beleefdheid aan de dag. Maar er zijn ook heel wat getuigen, onder meer lagere magistraten, die de commissie moedig en openhartig te woord staan. Zo noteert de commissie tal van onthullende uitspraken van Deprêtres substituten, Yves de Prelle de la Nieppe en Van Lierde.

De commissie ontmoet ook de hoogste politiechefs. Ze zijn zich veelal van geen kwaad bewust. Oud-commandant Bernaert meent dat hij zich ‘buiten de politiek’ heeft gehouden. Hij vindt geen graten in de manier waarop hij François Raes nekte, nadat deze de zaak-François aan het rollen bracht. Dat hij het gerechtelijk onderzoek naar de Bende beïnvloedde door de Waverse BOB’ers Bihay en Balfroid uit te rangeren, omdat ze het spoor van extreem-rechts volgden, vindt hij pure larie. Hij hoort het in Keulen donderen wanneer de commissie hem ondervraagt over de Groep G, meer dan wat ‘vage geruchten’ weet hij daar niet over. Onderzoeksrechter Jean-Claude Van Espen heeft nochtans heel wat onthullende stukken in beslag genomen bij de gepensioneerde kolonel Victor Dossonge, de vader van de leider van het Front de la Jeunesse. In een koffer ontdekten de speurders onder meer verslagen van bijeenkomsten van de Groep G. Meer dan honderd kandidaat-officieren en onderofficieren van leger en rijkswacht, die vrijwel ongestoord carrière maakten, zouden volgens De Morgen lid van het FJ zijn geweest. De Bende-commissie krijgt evenwel geen inzage van de ledenlijsten.(111)

Ook bob’er Guy Goffinon bevestigt het bestaan van de Groep G. Hij herinnert zich nog levendig hoe de overste van de afdeling ‘informatie’, Ben Abdallah, hem het bestaan van de Groep G onthulde. Het dossier bevatte foto’s van de leden en gegevens over een bijeenkomst bij een rijkswachter van de brigade van Ganshoren. De bekende rechercheur betreurt dat het extreemrechtse spoor nooit grondig werd uitgeplozen. Hij had erop aangedrongen het bij Bouhouche aangetroffen Bolognaise-pistool opnieuw aan een ballistische expertise te onderwerpen, maar de magistraten van Nijvel vonden dat te duur. Goffinon vindt een groter toezicht op de politiediensten noodzakelijk.

De commissie wil wel eens weten of ook Roger Moens, de commissaris-generaal van de gp, voor meer controle is. Tot ieders verbazing weigert Moens te antwoorden, ook niet op aandringen van de voorzitter. Pas na schorsing van de zitting komt het antwoord. Moens klaagt - terecht - over de stiefmoederlijke behandeling van de gp. Dat neemt niet weg dat het Bende-onderzoek voor de GP nooit een prioriteit is geweest. Het commissariaat-generaal bezorgde na de Bende-overval in Aalst aan de Brusselse gemeentepolitie de dossiers van de personen die aan het signalement van ‘de reus’ beantwoorden. Wat is er met die dossiers gebeurd? Moens heeft er geen flauw idee van.

Al het gewroet van de commissie heeft vreemd genoeg geen effect op het eigenlijke onderzoek. Terwijl de commissie zwoegt om het kluwen te ontwarren, blijft het gerechtelijk onderzoek steken in onderlinge naijver en regelrechte tegenwerking. De superspeurders van de 23ste brigade trekken snel hun handen af van het Bende-dossier. En de federale magistraten avant la lettre, André Vandoren en Patrick Duinslaeger, die op de 23 ste brigade toezicht houden, laten de GP’ers begaan. Nochtans zou deze brigade, door Gol opgericht op 20 juli 1987, een hoofdrol kunnen spelen, want zij is in het hele land bevoegd voor drugs, terrorisme en zwaar banditisme en zij bestaat uit 56 man, waarvan de helft werkzaam is in de Groep voor Observatie (GSO).

De rijkswacht maakt het nog bonter. Magistraat Jean-François Jonckheere, die het Bende-onderzoek coördineert, kan er over meespreken. Op 1 juli 1988 stelt Jonckheere in een rapport, bestemd voor het college van procureurs-generaal, dat de gerechtelijke autoriteiten de controle over het Bende-onderzoek dreigen te verliezen als gevolg van de machtspositie van de rijkswacht.(112)

Jopckheere zelf is met handen en voeten gebonden aan de rijkswacht. Deze beheert de centrale databank, die alle processen-verbaal uit Charleroi, Dendermonde en Nijvel verwerkt. De rijkswacht zit als een kloek op deze informatie. Ze kan of wil de gegevens van het dossier-Mendez, waarin de ex-rijkswachters Bouhouche en Beijer betrokken zijn, niet overmaken aan de Bende-magistraten in Dendermonde en Charleroi. Onderzoeksrechter Hennart zou daar niets voor voelen, ofschoon Bouhouche sinds eind 1988 weer vrij is. Kortom, het gerechtelijk onderzoek is en blijft een zootje. Alsof sommige hoge magistraten en rijkswachtofficieren de Bende-commissie compleet belachelijk willen maken.

Inmiddels slepen de zittingen voort. Maar opeens gebeurt er iets onverwachts. Als een zoveelste personage in een film duikt Martial Lekeu op. De voormalige rijkswachter, lid van de Groep G, werkt sinds 1984 als privé-detective in Orlando (Florida) bij de gratie van de Amerikaanse veiligheidsdiensten. Dankzij een Amerikaanse verblijfsvergunning kan Lekeu uit handen blijven van de Belgische justitie, die hem aan de tand wil voelen over de Bende-aanslag in Temse. Precies vier jaar na de moordpartijen van de Bende in Overijse, Aalst en Eigenbrakel begint Lekeu uit de biecht te klappen. ‘De aanslagen vormden een onderdeel van een omvangrijk extreem-rechts plan om België te destabiliseren en een autoritair regime te vestigen’, verklaart hij op 3 maart 1989 in La Dernière Heure. Lekeu is bereid meer details bekend te maken mits de Belgische justitie voor een tegenprestatie zorgt. Lekeu wordt in Atlanta ondervraagd door de onderzoeksrechters Freddy Troch en Jean-Claude Lacroix. Maar daar blijft het bij; het gerecht laat na zijn uitlevering te vragen. Lekeu neemt zijn geheimen mee in het graf, want hij overlijdt plots op vijftigjarige leeftijd.

De tongen komen los. Groot is de opschudding in de Bendecommissie als kolonel Vernaillen op 10 mei 1989 verklapt dat prominenten, onder wie Paul Vanden Boeynants (VDB) en rijkswachtcommandant Beaurir plannen voor een staatsgreep beraamd hebben. De Brusselse bankier Leon Finné, een relatie van vdb, zou dat verteld hebben. Minister Tobback en andere regeringsleden doen de ‘jeugdherinneringen’ van de kolonel af als politieke science fiction. ‘Het is bizar dat de regering de politieke betekenis van de Bende-terreur blijft bagatelliseren’, reageert De Morgen. ‘Het heeft veel weg van roekeloze lichtzinnigheid. Als de politieke klasse nog lang talmt komt de waarheid nooit meer boven.’

De Bende-commissie heeft voldoende argumenten om de ophefmakende getuigenis van Vernaillen serieus te nemen. Begin 1990 is ze immers nog altijd niet klaar met de gebeurtenissen tussen 1978 en 1983. In die jaren werd de rijkswacht geleid door commandant Fernand Beaurir, een van de laatste officieren die tijdens de Duitse bezetting trouw zweerde aan de Nieuwe Orde. Tijdens zijn bewind had extreem-rechts de handen vrij. Zowel in de Koninklijke Militaire School als in het Mobiel Legioen werd het fascistische weekblad Nouvel Europe Magazine (NEM) openlijk verspreid. Via dit blad maakte Francis Dossogne openlijk propaganda voor de zogenaamde NEM-clubs, gefinancierd door een aantal prominenten uit de omgeving van VDB. In maart 1983 publiceerde NEM een artikel onder de kop: ‘Bereidt de staatsveiligheid een extreem-rechtse staatsgreep voor?’ Het artikel verscheen kort nadat WNP werd ontdekt. Op dat ogenblik heerste een soort ‘Weimar’-achtige stemming in de rijkswacht. Tientallen officieren werden sympathisant van het FJ en de NEM-clubs, die onder defensieminister Vanden Boeynants goed in de markt lagen. In die kringen circuleerden allerlei geruchten over een staatsgreep. Bankier Finné, een kennis van vdb, praatte erover met Vernaillen. Op 27 september 1985 kwam Finné om het leven bij de aanslag van de Bende op de Delhaize te Overijse. Werd hij terechtgesteld of toevallig vermoord?

Op 21 februari 1990 verschijnt Vanden Boeynants op eigen verzoek voor de Bende-commissie. VDB is al lang afgeschreven door de politieke klasse, maar hij garandeert altijd rumoer, spektakel en dus mediabelangstelling. De ogenschijnlijk getergde slagerszoon slaat van zich af tegen de zogeheten halve waarheden, roddel en achterklap met de ondertussen gevleugelde woorden: ‘Trop is te veel en te veel is trop’. Maar VDB wil meer. Hij haalt uit naar zijn kwelgeest Albert Raes en beschuldigt het hoofd van de staatsveiligheid van alles wat mooi en lelijk is.

VDB is meteen de laatste belangrijke getuige. De commissie vindt het nu welletjes. Op 30 april 1990 presenteert ze haar lijvig rapport. In ongewoon klare taal zet ze de gebeurtenissen in het catastrofale Bende-onderzoek op een rij. Volgens het rapport is het niet uitgesloten dat extreem-rechts achter de Bende zit. Haar motief: de staat ontwrichten en een versterking van het veiligheidsapparaat uitlokken. Het rapport stelt wel dat harde bewijzen hiervoor alsnog ontbreken. Vast staat dat het onderzoek ernstig werd bemoeilijkt door de aanwezigheid van extreem-rechtse elementen, die de opsporingswerkzaamheden stelselmatig hebben gefrustreerd door middel van desinformatiecampagnes en het in diskrediet brengen van politiemensen. ‘Het bestaan van extreem-rechtse groepen in de Belgische politiediensten moet terdege worden onderzocht’, aldus de commissie.

Aan een concrete beschouwing over de rol van sommige magistraten zoals Deprêtre heeft de commissie zich niet gewaagd. Nochtans laat de commissie er geen misverstand over bestaan dat het gerechtelijk onderzoek van bij het begin werd georiënteerd naar de thesis dat het om gewoon banditisme ging. Andere hypothesen werden a priori veronachtzaamd en onvoldoende of geheel niet onderzocht. De commissie besluit om zich over de hele lijn te onthouden van aanklachten tegen functionarissen van justitie en politie, ook niet wegens meineed, in het geval van de getuigen die zij heeft gehoord. Ze houdt zich op dit punt strikt aan haar politieke opdracht, zo zegt voorzitter Bourgeois. Hij laat het initiatief over aan de verantwoordelijke korpsoversten, het parket en de tuchtinstanties, die stappen in die zin kunnen ondernemen indien nodig. Zover komt het echter niet. Degenen die blunder op blunder begingen, blijven zitten.

In het algemeen is het oordeel van de parlementariërs over de controle op de rijkswacht vernietigend. ‘De commandant organiseert het korps naar eigen goeddunken. De voogdijministers krijgen volgens verscheidene getuigen geen greep op de rijkswacht. De parlementaire controle gebeurt voornamelijk via de goedkeuring van de begroting. Per slot van rekening controleert de rijkswacht zichzelf.’ En zo gaat het verder. ‘De info-secties van de bob handelen op eigen initiatief en verzamelen allerlei politieke informatie over zogenaamde subversieve groeperingen. Niemand kan zeggen of hun steekkaarten geen andere informatie bevatten.’ Er komt geen einde aan de litanie. ‘De magistraten kunnen slechts in zeer beperkte mate de gerechtelijke secties van de bob controleren. Deze opereren liever zonder inmenging van buitenaf. In de bob worden de beslissingen genomen door de hiërarchische overste. De rijkswachters zijn verplicht al hun informatie in de eerste plaats aan de eigen superieuren (district, CBO) over te maken. Daardoor beschikken de generale staf en het CBO over het meest volledige informatiesysteem. En hierop bestaat geen wettelijk toezicht’.

Door de vele tekortkomingen en blunders van politie en justitie aan het licht te brengen, bevredigt de commissie de eerste zucht naar gerechtigheid, maar maakt ze tegelijkertijd ook de geesten rijp voor een ingrijpende reorganisatie en versterking van het politieapparaat. Kan dat zonder de garantie dat de versterkte politie controleerbaar is voor de rechter, voor de volksvertegenwoordiging en voor de hele natie? Helaas speelt die vraag nauwelijks een rol. Natuurlijk is de commissie voor een extern controleorgaan, maar daar blijft het bij.

Verschillende voorstellen van Team Consult, die lange tijd als een utopie werden afgedaan, worden nu door de Bende-commissie als voor de hand liggend ervaren. De aanbevelingen van de commissie zijn niet mis. De commissie wil op termijn de gerechtelijke secties van de bob en de GP samenvoegen. Het commissariaat-generaal van de GP en het CBO zijn als schepen die elkaar in de nacht passeren. De commissie wil ze samenvoegen tot één centrale databank, want ze beschikken allebei over een schat aan gegevens. Daar moeten de politiediensten gezamenlijk uit putten en niet elk voor zich, zoals nu gebeurt. De gemeentepolitie zou haar gerechtelijke taken verliezen en zich als eerstelijnspolitie beperken tot louter preventief werk. De commissie erkent dat dit een langetermijnvisie is en stelt daarom voor op korte termijn de samenwerking tussen de politiediensten te verbeteren onder meer door een geïntegreerd communicatiesysteem. De arrondissementscommissarisen, bijgestaan door een politieprefect, moeten erop toezien dat de samenwerking vlot verloopt.(113)

De ultieme droom van Team Consult, een eenheidspolitie, wordt door de commissie afgewezen. ‘Verschillende getuigen hebben opgemerkt dat de groepering van alle politiediensten in één nationale politiedienst de democratie in gevaar zou brengen. Thans controleren de politiediensten elkaar. Bovendien zou de macht van één politiedienst veel groter zijn dan die van de huidige politiediensten samen’. En ze besluit in stijl: ‘Door de oprichting van één enkel politiekorps zou de doeltreffendheid ongetwijfeld stijgen. Efficiëntie is alles bij een particuliere onderneming, maar voor de politie is ook een democratische rechtsbescherming niet zonder belang.’

Het Pinksterplan en Schengen - Inhoud

Hoe hevig de dreunen van de Bende-commissie ogenschijnlijk ook zijn, uiteindelijk komt zij toch in hoge mate tegemoet aan de eisen van de politie in het algemeen en die van de rijkswacht in het bijzonder. Zo stelt de Bende-commissie voor ‘bijzondere politietechnieken’, telefoontap inbegrepen, toe te staan om de zware criminaliteit te bestrijden. De traditionele methoden en bewijsmiddelen, zoals de bekentenis en de getuigenverklaring, zouden niet langer volstaan. Kortom, de Bende-commissie steunt de nieuwe politietrend om ‘pro-actief’ op te treden.

Enige huiver is hier natuurlijk op zijn plaats. De pro-actieve politiewerking is erop gericht door vroegtijdig ingrijpen mogelijke misdrijven of ordeverstoringen te voorkomen. Vooral het Duitse Bundeskriminalamt (BKA), de belangrijkste politiecentrale in Europa, speelt een pioniersrol, waarbij de grens tussen criminele en politieke politie gevaarlijk vervaagt. Mede onder impuls van het BKA evolueert de criminaliteitsbestrijding snel naar een systeem van gespecialiseerd toezicht: systematische observatie, telefoontaps, betaalde informanten, undercover-operaties, systematische ‘doorlichting’ van hele bevolkingsgroepen om ‘potentiële’ terroristen of misdadigers op te sporen (Raster-fahndung). De aldus verzamelde informatie wordt opgeslagen in ontzaglijke databanken.

Door zich onverbloemd voor pro-actieve recherche uit te spreken, helpt de commissie geesten uit de fles te halen en wellicht krijgt niemand die er nog terug in. Kennelijk heeft de commissie geen flauw idee van de bestaande chaos. De ravage in het opsporingsland is nochtans al tijden zichtbaar. Er is een wildgroei van onrechtmatige, onwettige opsporingsmethoden, met als toppunt van verloedering het zogeheten ‘gecontroleerd doorleveren’ van drugs. Als gevolg daarvan ontpopt de overheid zich, bewust of onbewust, tot een illegale handelaar in verdovende middelen. Eigenzinnige of losgeslagen rechercheurs handelen naar eigen goeddunken, storten zich in absurde avonturen met criminele handlangers, terwijl resultaten veelal uitblijven. Ze kunnen hun gang gaan doordat hun chefs, justitiële autoriteiten en de minister van Justitie niet op de hoogte of niet geïnteresseerd zijn.

Het rapport van de Bende-commissie heeft toch even effect, want op 20 april 1990 loopt Frans Reyniers, hoofdcommissaris van de Brusselse GP, tegen de lamp. Deze door de Amerikanen geknede ‘crimefighter’ wordt aangehouden op verdenking van valsheid in geschrifte, passieve omkoping en schending van het beroepsgeheim. De samenwerking met een dubieuze infiltrant, de Duitse privé-detective Werner Mauss, heeft Reyniers de das omgedaan.

De aanhouding heeft een schokeffect. Amper vier dagen later, op 24 april 1990, institutionaliseert minister van Justitie Wathelet in een geheime circulaire de ‘bijzondere opsporingstechnieken’. De circulaire bevat richtlijnen inzake pseudokoop, gecontroleerde zending, contacten met informanten, informantenbeheer, infiltratie en het gebruik van ‘bijzondere fondsen’. Volgens de circulaire zal er meer verantwoording moeten worden afgelegd over de gebezigde methoden. De ‘nationale magistraten’, André Vandoren en Patrick Duinslaeger, zullen zich daadwerkelijk moeten buigen over de weerbarstige praktijk voordat ze de port inschenken. De meest risicovolle acties, zoals ‘gecontroleerde doorlevering’, moeten voortaan hun schriftelijk fiat hebben.

Blijft de vraag of er voldoende controle mogelijk is. Het antwoord is negatief. Controle kan alleen aan de hand van duidelijke richtlijnen en wettelijke regels, die vooraf kunnen worden getoetst door onderzoeksrechters en parketmagistraten. Rechters en verdedigers krijgen slechts een heldere kijk op de zaak indien het pro-actief rechercheren een duidelijke plaats krijgt in. het wetboek van strafvordering. De geheime circulaire van Wathelet voldoet dus duidelijk niet. Erger nog, met zijn circulaire plaatst Wathelet iedereen voor voldongen feiten. Zodoende kan het parlement niet meer zinnig discussiëren over de vraag of de rechtsstaat zich door de toenemende en zwaardere misdaad mag verlagen tot het niveau van de criminaliteit door de inzet van infiltranten, die binnen hun opdracht strafbare handelingen verrichten.

De circulaire biedt ruime mogelijkheden en bevoegdheden en de rijkswacht aarzelt geen seconde om pseudokopers aan het werk te zetten. Over het algemeen wordt sneller naar onconventionele methoden gegrepen. ‘Het is een kwestie van gemakzucht’, bekent Duinslaeger, ‘want iemand observeren is natuurlijk eenvoudiger dan de aanwezige sporen benutten’.(114)

Behalve Wathelet, maakt ook Tobback werk van de aanbevelingen van de Bende-commissie. Deze signaleert dat het politiebestel een kruitvat is vol smeulende, conflicterende taken. Om de ordediensten beter op elkaar af te stemmen publiceert Tobback op 26 april 1990 omzendbrief OOP

13, welke een vage taakverdeling inhoudt.(115) De gemeentepolitie moet zich richten op lokale kwesties en de rijkswacht op zaken met nationale en internationale draagwijdte, zoals zware criminaliteit en verkeersongevallen op de grote autowegen. De rijkswacht is opgetogen.(116) Als best georganiseerde en meest dynamische politiedienst kan zijzelf het beleid invullen, het boeiendste werk wegkapen, in de grootsteden opereren en tegelijkertijd het terrein van de kleine politiekorpsen bezetten.(117) De gemeentepolitie daarentegen vreest het ergste. Terecht, want volgens de circulaire zullen voortaan dringende oproepen via het nummer 101 alleen maar naar de gemeentelijke korpsen worden doorgestuurd als ze alleen of in groep 24 uur per dag beschikbaar zijn. De Antwerpse politiechef Jozef Engelen reageert furieus. ‘Verschillende korpsen werken dagelijks tot 1 uur ’s nachts. Onze mensen maken overuren, maar er komt geen oproep meer binnen’, klaagt hij.(118)

De regering heeft plotseling haast. Op 4 juni 1990 keurt ze het Politie Informatica Project (pip) goed, pip vergemakkelijkt in de toekomst de toegang tot de databanken van de rijkswacht, de GP en het Rijksregister. Dankzij pip zullen ook meer agenten de straat op kunnen.(119) Twee dagen later, op 6 juni 1990, ontvouwt premier Martens het ‘Pinksterplan’, voortbordurend op het rapport van de Bende-commissie. Het is een moeizaam politiek compromis tussen de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie; de eerste komt als overwinnaar uit de bus. De regering wil in de komende twee jaar de NV Politie grondig verbouwen; de lijst voornemens is alleszins indrukwekkend.

De rijkswacht zal onder het gezag vallen van Binnenlandse Zaken, dat al de gemeentepolitie onder haar hoede heeft; bz zal ontwikkelen tot een soort veiligheidsministerie, de dienst Vreemdelingenzaken wordt ingepalmd en bz krijgt ook een vinger in de pap bij de staatsveiligheid (baas Albert Raes wordt ‘eervol’ ontslagen). Voorts wordt een ‘vijfhoeksoverleg’ ingesteld tussen politieke overheid, parket, gemeentepolitie, rijkswacht en gp. Er komt extra geld voor de bestrijding van de criminaliteit en de ‘verhoging van de veiligheid van de burger’. Ten slotte zullen er speciale comités komen om de politie- en inlichtingendiensten te controleren en zullen de communicatiesystemen, documentatie en opleiding van de verschillende politiediensten eenvormig gemaakt worden. Tobback kan gloriëren.

Opponent minister van Justitie Wathelet moet met minder genoegen nemen. De GP krijgt een 24ste brigade om de internationale misdaad de pas af te snijden. Deze brigade past in het kader van de internationale afspraken, die België met de Europese Gemeenschap en met GAFI (Internationale Financiële Actiegroep) heeft gemaakt. De minister van Justitie en de vijf procureurs-generaal zullen het vervolgingsbeleid uitstippelen en jaarlijks aan het parlement rapporteren.

‘Wat we nu zien’, glundert Tobback, ‘is de meest ingrijpende inrichting van België sinds de staatshervorming’. Serge Moureaux (PS) is haast de enige parlementariër die bij de bespreking in de Senaat, op 19 juni 1990, vindt dat de versterking van de politie onvoldoende wordt gecompenseerd door democratische controlemechanismen. ‘Eerlijk gezegd, de belangrijkste prioriteit voor het beleid moet het controleren van het politieapparaat zijn’, aldus Moureaux.

Het ‘Pinksterplan’ heeft ook een internationale achtergrond. Door het uiteenvallen van het Oostblok en de groeiende stroom van migranten en vluchtelingen raakt de internationale politiesamenwerking in een stroomversnelling. Op 19 juni 1990, ondertekenen de Benelux, Duitsland en Frankrijk in Dublin het Aanvullend Schengenakkoord. Tegelijkertijd nemen de twaalf TREVI-ministers een ‘actieprogramma voor een hechtere politiesamenwerking’ en het ‘asielverdrag van Dublin’ aan.

De ondertekening van het Aanvullend Schengenakkoord is de bekroning van moeizame en uiterst geheime onderhandelingen, op gang gekomen na 14 juni 1985, toen in het Luxemburgse plaatsje aan de Moezel het eerste Schengenakkoord werd afgesloten. De voortgang in de besprekingen werd voor de buitenwereld vakkundig verborgen gehouden. Het hoogste onderhandelingsniveau werd gevormd door de verantwoordelijke ministers, die halfjaarlijks bijeenkwamen. Daaronder kwam de Centrale Onderhandelingsgroep (COG), belast met de coördinatie van vier werkgroepen: personenverkeer, politie en veiligheid, vervoer, douane en goederenverkeer. De gevoelige problemen lagen op het terrein van de werkgroepen één (onderverdeeld in vier subgroepen: drugs, wapens, grensbewaking en gegevensuitwisseling) en twee (eveneens onderverdeeld in vier subgroepen: grenscontroles, visa, vreemdelingenbeleid en asiel). Deze werkgroepen werden vooral bevolkt door vertegenwoordigers van politie, openbaar ministerie, vreemdelingenen veiligheidsdiensten. Niet gehinderd door enige democratische controle boetseerden ze het Schengenakkoord. Dit moet nog geratificeerd worden door de nationale parlementen, maar op de inhoud van het verdrag zullen de volksvertegenwoordigers niet de minste invloed hebben. Ze hebben immers slechts de keuze tussen slikken of afwijzen. De parlementen zullen het verdrag vrijwel zeker bekrachtigen, omdat niemand uit de Europese pas durft te lopen.

Schengen regelt het ‘vrije’ personenverkeer en heft met veel tamtam de wachthuisjes aan de grens op. Aan ‘compensatiemaatregelen’ is er evenwel geen gebrek. Heden ten dage worden vreemdelingen uit Europa geweerd en wordt de misdaad bestreden door het verzamelen, bewerken en analyseren van informatie. Schengen voert de moderne bewaking in via het Schengen Informatiesysteem (SIS). Vanuit een centraal sis (CSIS) krijgt elk nationaal sis (NSIS) zijn gegevens. Schengen bepaalt dat in elke verdragsstaat één centrale dienst kan worden aangesproken voor het krijgen van informatie. Uitzondering op deze regel vormt België. Gezien de concurrentiestrijd tussen rijkswacht en GP stelt de regering een compromis voor. De rijkswacht krijgt de beste brok en mag de Belgische component van het SIS uitwerken. De GP moet het stellen met het Belgische deel van SIRENE, een databank met bijkomende informatie over gesignaleerde personen.

Het gezamenlijke opsporingsregister (CSIS), gevestigd in Straatsburg, brengt een revolutionair element in de politiesamenwerking. Als nu ergens in Europa iemand gezocht wordt, dan gaat er eerst een telex naar het Interpolbureau in eigen land. Dat gaat dan weer naar het hoofdkantoor in Lyon en die stuurt het door naar Interpol in de verschillende landen en die weer naar de politiekorpsen. Met het CSIS zal deze informatie binnen vijftien minuten bekend zijn in alle aangesloten landen.

In het sis zullen gegevens over voorwerpen (voertuigen, wapens en identiteitspapieren) en personen worden opgenomen. Over welke categorieën gaat het? Eén: personen die dienen te worden aangehouden ten behoeve van uitlevering. Twee: vreemdelingen die geen toegang hebben tot het Schengengebied. Let wel: deze weigering kan worden gebaseerd op ‘het gevaar voor de openbare orde en veiligheid’ of ‘op een ernstig vermoeden dat de vreemdeling zware misdrijven heeft gepleegd of voornemens is te plegen’. Drie: vermiste personen. Vier: personen die als getuigen of verdachten in een strafproces worden gezocht. Vijf: personen die dienen te worden gecontroleerd.

Een dergelijk signalement is zelfs op verzoek van de veiligheidsdiensten mogelijk ‘met het oog op het beletten van strafbare feiten en ter voorkoming van gevaar voor de openbare veiligheid’. Deze formulering slaat op politieke activisten die door de geheime diensten in de gaten worden gehouden. Ten slotte bevat het sis ‘zachte’ gegevens die verzameld worden bij ‘onopvallende controles’, waarbij de modernste optische en akoestische technieken te pas kunnen komen. Die gegevens hebben betrekking op plaats, tijd of aanleiding voor de controle, reisroute, begeleidende personen, gebruikt voertuig en meegenomen voorwerpen.

Opmerkelijk is dat Schengen politiesamenwerking en gegevensuitwisseling ook verplicht ‘ter voorkoming van strafbare feiten’ of ‘ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid’. Daardoor kan iedere burger nu het object zijn van politietoezicht. Schengen weerspiegelt aldus de ontwikkelingen naar een pro-actieve politie en legitimeert ze tegelijkertijd.

Schengen ziet zichzelf als ‘trendsetter en motor’ voor de Twaalf. De Schengen-vertegenwoordigers zorgen ervoor dat alles wat ze afspreken in de sfeer van de criminaliteits- en immigratiebestrijding past in het opzet van TREVI, een overlegstructuur die net zo undercover is als Schengen. Geen wonder dus dat tegelijkertijd met de ondertekening van het Schengenakkoord, de TREVI-ministers in Dublin een ‘actieprogramma voor de versterking van de politiesamenwerking’ aannemen. Het ziet er uit als een verdrag, met hoofdstukken en artikelen. Het is de bedoeling dat dit programma uitwerking krijgt in de vorm van nadere bilaterale of multilaterale afspraken. Voor de internationale drugsbestrijding wordt een nieuw coördinerend orgaan op het niveau van de Twaalf in het leven geroepen: het Comité Européen pour la Lutte Anti-Drogue (CELAD), dat ook fungeert als gesprekspartner met andere niet-EG-landen, in het bijzonder de vs. Voorts komen de TREVI-ministers in Dublin overeen een National Drugs Intelligence Unit en een Europees Informatiesysteem (EIS), een vergroot SIS, op te richten. Frankrijk, dat ook al een grote rol heeft gespeeld bij het opstellen van het haalbaarheidsrapport over het sis, wordt belast met de voorbereiding van dit eis.

Schengen is werkelijk de motor voor TREVI. Nog op 19 juni 1990 wordt in Dublin een asielverdrag ondertekend, dat als het ware een doorslag van het Aanvullende Schengenakkoord is. Binnen het Schengengebied kan een vluchteling nog slechts in één van de landen een asielverzoek indienen. Met dit one-chance-only-beginsel wil Schengen afrekenen met wat in de ambtenarentaai ‘asylum-shopping’ heet.

Herwaardering van de gemeentepolitie - Inhoud

Sinds zijn aantreden als minister heeft Tobback zich geconcentreerd op de reorganisatie van de politie. En die operatie is niet simpel. Vele lokale bestuurders hebben genoeg van de bemoeizucht van Binnenlandse Zaken en beginnen zich te roeren. Ze vrezen dat Tobback de rol van gemeenteraden en burgemeesters geleidelijk maar beslist wil terugdringen. Daarom zijn er tot nu toe weinig samenwerkingsakkoorden tussen kleinere korpsen of tussen gemeentelijke korpsen en rijkswacht afgesloten. Binnenlandse Zaken houdt vast aan de stap-voor-stap theorie. Het ministerie is ervan overtuigd dat de gemeentepolitie vastgeroest is en een schokbehandeling kan gebruiken. Het is tijd voor een nieuwe zet. Begin november 1990 komt Tobback in actie. Hij organiseert per provincie een rondetafelconferentie, waarop de burgemeesters, de gouverneur, de politiecommissarissen, de Vereniging voor Belgische Steden en Gemeenten, de vakbonden en de politieverenigingen worden uitgenodigd. Tobback stelt zich op als een echte coach, met harde eisen, die al onderhandelend kunnen worden afgezwakt.

Herwaardering van de functie van de gemeentepolitie,

dat is de titel van de nota waarmee Tobback naar de conferenties trekt. Tobback wil ‘meer blauw op straat’, ook ’s nachts en in het weekeinde. De administratieve rompslomp is sinds jaar en dag enorm. Politieagenten moeten exploten bezorgen en het is geen uitzondering dat ze zelfs de burgemeester moeten vervoeren. Daar wil Tobback een streep onder. Daarnaast moet de gemeentepolitie volcontinu werken, wat nu in slechts 88 van de 589 korpsen het geval is. Om dat te verhelpen pleit Tobback voor politiezones: kleinere korpsen kunnen dus samensmelten en krijgen één korpschef, één kader en één korpsbeheerder: de burgemeester.

Tobback wil ook sleutelen aan de opleiding. Hogere politiemensen zouden een universitair diploma moeten hebben en om de gemeentepolitie op een aanvaardbaar niveau te krijgen, geeft hij in 1991 90 miljoen aan de opleidingsinstituten, 110 miljoen aan scholing van nieuwe kandidaten en 250 miljoen voor automatisering en communicatiemiddelen. Tobback haalt wel de zweep boven. ‘Kunnen we de gemeentepolitie niet opkrikken, dan zie ik me gedwongen de rijkswacht te versterken’, dreigt hij.(120)

Tobbacks doortastend optreden werpt hier en daar vruchten af. Begin 1991 sluiten politie en rijkswacht in Gent en Antwerpen samenwerkingsakkoorden af. In de Antwerpse binnenstad zal de politie de orde handhaven, in het havengebied wordt de rijkswacht dan weer als eerste ingeschakeld. De politie sluit ook aan op de centrale rijkswachtcomputer en daarnaast worden ook dagelijks computerschijfjes uitgewisseld met nieuwe gegevens over actuele dossiers. De samenwerking wordt al meteen in praktijk gezet wanneer Binnenlandse Zaken tijdens de Golfoorlog antiterreurfase 3 afkondigt en opdracht geeft mogelijke doelwitten in de haven extra te beveiligen. Terwijl de oorlog tot een inhumaan computerspelletje verwordt, strooit de cia het verhaal rond dat Saddam Hoessein 1.400 terroristen naar Europa heeft gestuurd. Tobback en de Europese TREVI-ministers vergaderen op 18 januari 1991 en het veiligheidsbeleid wordt op elkaar afgestemd. Centraal staat een scherpe controle op de migranten. ‘Ik wil me op het ergste voorbereiden’, onderstreept Tobback. ‘Daarom laat ik zonder complexen de rijkswacht informatie inwinnen in migrantenkringen. Politiemensen van vreemde komaf zouden nu goed van pas komen.(121)

Kort daarop, in mei 1991, breken in Brussel zogenaamde ‘rassenrellen’ uit naar aanleiding van een gespierde identiteitscontrole van een Marokkaanse motorrijder. De volgende dagen doen de ‘rellen’ één voor één de armoedige buurten in Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Joost-ten-Node, Schaarbeek, Vorst en Sint-Gillis aan. Nog nooit hebben politici de behoefte aan ‘integratie’ zo van de daken geschreeuwd en nog nooit wordt die met zulke repressieve woorden en middelen bevochten. Zonder de oorzaken - de rassendiscriminatie, de verpaupering van de binnenstad, de jeugdwerkloosheid en, in het algemeen, de klassenmaatschappij - te onderzoeken, komen de autoriteiten met de voorspelbare beschuldiging van ‘agitatoren’ en ‘misdadigers’.

De liberalen voeren tijdens het debat in de Kamer een race tegen extreem-rechts om het de kiezers naar de zin te maken, PVV-fractievoorzitter Ward Beysen: ‘Dit land is al te lang voorbijgegaan aan het principe van law and order.’ Roger Nols: ‘Sommige migranten leven aan de rand van de maatschappij. Voor hen is er slechts één oplossing: ze moeten het land uit, zo vlug mogelijk. Indien de tarieven van Sabena te hoog liggen, kan dan niet een c-130 van het leger worden ingezet voor de repatriëring van illegale inwijkelingen?’ Gerolf Annemans (Vlaams Blok) gebruikt de ‘rellen’ als een wapen tegen de ‘integratie’. Volgens Annemans ‘uiten de moslims stelend, brandend en plunderend hun mening en laat de regering de broeiende kwaal van tienduizenden ontwortelde moslims ongemoeid’.

De rijkswacht draagt ook het hare bij. Ze maakt een ‘socio-demografische analyse’ van de 196 personen, op 12 mei 1991 in Vorst opgepakt, en komt tot de conclusie dat de rellen het werk waren van drugsverslaafden en criminelen. Het ‘lekken’ van dit vertrouwelijke rapport stelt de geloofwaardigheid van het korps verder op de proef. Enkele behoudende kranten citeren gretig uit de ‘geheime’ studie.(122) Over de dieper liggende oorzaken van de malaise wordt niet meer gesproken. Tobback onthoudt zich van commentaar, hij wil de identiteitscontroles niet verminderen. De roep om meer politie is hij voor door onmiddellijk geld toe te zeggen voor het aantrekken van zestig allochtone hulpagenten. Zijn collega Wathelet van Justitie komt op de proppen met ‘snelrecht’ voor relschoppers.

‘Ach, het is allemaal electoraal voer’, constateert Paula D’Hondt, Koninklijk Commissaris voor het Migrantenbeleid.(123)Op 24 mei 1991 houdt ze in het Limburgs Universitair Centrum een toespraak over ‘de rol van de politie in de multi-etnische samenleving’. Voor een publiek van politiemensen beveelt ze de deugden van community policing aan. D’Hondt wil meer allochtone hulpagenten, een geregeld informeel overleg tussen politie en minderheidsgroepen, één buurtagent per duizend inwoners en speciale sociale werkers voor de opvang van jongeren, die verzand zijn in het drug- of bendecircuit. Lode Van Outrive valt D’Hondt bij. ‘Klachten over dierenmishandeling worden serieuzer genomen dan die over racisme’, zegt de Leuvense professor.(124)

Op 24 mei 1991 informeert Tobback de ministerraad over de resultaten van de 12 rondetafelconferenties, waaraan het afgelopen halfjaar in totaal zo’n 1.500 mensen hebben deelgenomen. Vele burgemeesters en lokale politiecommissarissen zien helemaal niets in politiezones hoe hard Tobback ook op tafel slaat. Ze zijn zeer gehecht aan de gemeentelijke autonomie en zijn niet bereid van filosofie te wisselen. Sommige hogere politiechefs denken er anders over. Frans Keppens, voorzitter van de Nationale Federatie van Politiecommissarissen, kan Tobback goed begrijpen en foetert tegen de ‘besluiteloze’ burgemeesters en de ‘individualistische’ collega’s. ‘Als de gemeentepolitie niet overschakelt op een zonale organisatie dan zal ze niet lang meer meegaan’, oppert Keppens.(125) Ondanks de meningsverschillen blijft Tobback vastbesloten op zijn standpunt staan. Tevens lanceert hij een aantal ‘pilootprojecten’.

De verkiezingen naderen en Tobback voelt de hete adem van extreem-rechts, dat het ‘veiligheidsprobleem’ met alle middelen opblaast. Om ‘het gevoel van onveiligheid’ bij de bevolking weg te nemen, kondigt Tobback een reeks maatregelen aan. Hij wil de aanwerving van agenten, die moeizaam verloopt, verbeteren door wedden en toelagen op te trekken. Bovendien wil hij meer hulpagenten ten behoeve van de verkeersveiligheid. Ook in eigen huis wordt orde op zaken gesteld. Het budget van de Algemene Rijkspolitie wordt opgetrokken tot 813 miljoen frank en de dienst wordt omgevormd tot een Algemene Directie.(126)

De kleine criminaliteit is vooral een zaak van de gemeenten en het parket. Ook daar verwacht Tobback meer inspanningen. Hij nodigt alle gemeenten uit een project voor criminaliteitspreventie in te dienen en preventiewerkers aan te werven. Ook komt er een ‘gemeentelijk comité ter beheersing van de criminaliteit’. Tobback klaagt de ‘laksheid’ van het parket aan. Hij stelt voor om ‘snelrecht’ en ‘alternatieve sancties’ in te voeren, waardoor bijvoorbeeld voetbalvandalen verplicht kunnen worden ‘de boel zelf op te kuisen’.

Demilitarisering van de rijkswacht - Inhoud

De rijkswacht heeft de afgelopen decennia veel krediet verloren en zit met een ernstig legitimiteitsprobleem. Tobback weet als geen ander dat de militaire rijkswacht echt ‘uitontwikkeld’ is. Er moet iets anders in de plaats komen: verburgerlijking. Vooruitlopend op de demilitarisering wordt de generale staf van acht tot vijf hoofddirecties afgeslankt. Tevens wordt de top verjongd. Luitenant-generaal Francis Devos gaat met pensioen en wordt vervangen door Luc Closset, een figuur uit de omgeving van Guy Coëme, minister van Defensie. Closset wordt de vierde generaal van de rijkswacht naast Pieter Berckmans (Nederlandstalig en algemeen bevelhebber), Willy Deridder (Nederlandstalig en chef van de generale staf) en Pierre Kinet (Franstalig en inspecteur-generaal).

Vlak voor de vakantie van 1991, één jaar na het Pinksterplan, overspoelt de regering het parlement met een serie belangrijke wetsontwerpen: de controle op de politie- en inlichtingendiensten, de demilitarisering van de rijkswacht en het nieuwe tucht-statuut. Deze wetsontwerpen zijn volgens commandant Berckmans de ‘pijlers’ van het ‘nieuwe politiële bouwwerk’; Tobback is de belangrijkste architect van de constructie.

De aangekondigde demilitarisering wordt niet door iedereen op gejuich onthaald. Een deel van de oude garde heeft grote moeite om afscheid te nemen van het ‘roemrijke’ verleden. ‘De militaire rijkswacht heeft grote en oude adelbrieven. Het lijkt wel of men dat vergeet’, moppert oud-commandant Bernaert. ‘Het is de vraag of de gedemilitariseerde rijkswacht niet zal bezwijken aan interne politieke tegenstellingen.’(127) Ook het Nationaal Syndicaat voor het Rijkswachtpersoneel (NSRP) heeft argwaan. Tijdens het congres, op 8 juni 1991 in Sint-Niklaas, dragen de corporatistische vakbondsleiders gewone kleren ten teken van protest. ‘Als we geen inspraak krijgen, rest ons niets anders dan de zaak op straat uit te vechten’, dreigt voorzitter Paul Van Keer.(128)

Maar Willy Deridder, chef van de generale staf, heeft voldoende diplomatieke kwaliteiten om de weifelaars over de streep te trekken. Hij staat stevig in zijn schoenen. Alles pleit voor een demilitarisering. Zowel nationaal als internationaal is de traditionele vijand weggevallen. In eigen land is links geen echte ‘bedreiging’ meer en de socialistische partijen vinden het kapitalistische systeem uitermate acceptabel. In het ‘nieuwe Europa’ heeft de navo geen tegenstander van formaat; de organisatie heeft er dan ook niets op tegen dat de rijkswacht haar militaire taken afstoot. Daardoor kan het korps volgens een rekensommetje van Hugo Coveliers een slordige 3 miljard besparen. ‘Dat geld kunnen we nu in ons politiewerk steken’, verduidelijkt Deridder.(129)

De nieuwe ‘vijand’ is snel gevonden want de nogal bedreigende professionele en zware misdaad lijkt een ideaal bestrijdingsobject, een vijand waarmee men alle kanten op kan. De militaire structuur en mentaliteit moeten dus verdwijnen: ze hebben een vernietigend effect op de creativiteit en doeltreffendheid, zo gewenst in een moderne politiedienst, die ook internationaal niet uit de toon wil vallen.

De door Deridder en Binnenlandse Zaken zorgvuldig geregisseerde demilitarisering bezorgt de regering in het parlement geen problemen. Na een kort en tam debat in volle vakantiesfeer keuren Kamer en Senaat begin juli 1991 in recordtempo de demilitarisering goed.(130) Alleen een paar rechtse liberalen stribbelen tegen. ‘De regering maakt onder druk van SP en vu de rijkswacht kapot’, dondert De Decker (PRL). Coëme en Tobback weerleggen de kritiek. ‘De rijkswacht afbouwen? Geen sprake van!’, betoogt Coëme. ‘We experimenteren niet met een goedfunctionerend korps van 16.790 man. De overheid en de bevolking krijgen een efficiëntere politiedienst. We behouden de sterke punten van de oude rijkswacht: de beschikbaarheid, het hiërarchische gezag en het verbod aan te sluiten bij vakbonden en politieke partijen’. Tobback windt er geen doekjes om: ‘Geen stakingsrecht voor de rijkswacht, want dat is precies hetzelfde als l’abandon de l’outil’!

Door de demilitarisering wordt de rijkswacht overgeheveld van Defensie naar Binnenlandse Zaken, dat hierdoor de allure krijgt van een echt veiligheidsministerie. Rijkswacht en gemeentepolitie wonen nu onder hetzelfde dak. Deridder loopt al even op de zaken vooruit: ‘Het zal de coördinatie bevorderen’, voorspelt hij.(131) De demilitarisering van de rijkswacht valt niet toevallig samen met de oprichting van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten, kortweg Comité P.(132) Haar belangrijkste taak: het parlement over de doelmatigheid en de coördinatie van de politie van advies dienen. De regering wil dat er een einde komt aan het vruchteloos naast elkaar manoeuvreren. Daarnaast moet het Comité erop toezien dat de politie de grondwettelijke rechten van de burgers eerbiedigt. Het Comité rapporteert aan het parlement, maar zal ook ministers en burgemeesters aanspreken op het functioneren van de politie. Een Comité I vervult dezelfde functie voor de inlichtingendiensten.

Beide Comités beschikken over een Dienst Enquêtes. De leden ervan hebben uitgebreide onderzoeksbevoegdheden, ze kunnen klachten van burgers over misplaatst politieoptreden onderzoeken. De regering benadrukt dat de Comités er echter niet in de eerste plaats zijn om agenten aan de schaNDPaal te nagelen.

Het wetsontwerp inzake de oprichting van de Comités P en I ondervindt geen noemenswaardige weerstand. ‘De rijkswacht ijvert er al lang voor’, beweert commandant Berckmans. Hij vervolgt vermanend: ‘Ik hoop dat de controleorganen hun vergaande bevoegdheden met wijsheid en bedachtzaamheid zullen aanwenden.’(133) Zelfs oud-commandant Bernaert vindt dat de nieuwe wet op tijd komt om ‘de steeds weer oplaaiende doch ongegronde kritiek op de rijkswacht de kop in te drukken’.(134)Over de Dienst Enquêtes laat hij zich minder diplomatisch uit dat zijn opvolger. ‘Deze nieuwe police des polices lijkt meer op een Polizeigestapo’, fulmineert Bernaert. ‘Wie zal de mogelijke heksenjacht van deze dienst kunnen controleren en intomen? In ieder geval zal men voorzichtig moeten omspringen met dergelijk inquisitie-instrument.’

Bernaert vreest kennelijk dat de onderzoekers van de Dienst Enquêtes ’s nachts zullen rondsluipen op de politiebureaus. Hij maakt zich nodeloos zorgen. Bij de samenstelling van de Comités en de Diensten Enquêtes wil de regering hoofdzakelijk mensen met een politiecultuur binnenhalen. Zeker, de wet betekent een vooruitgang, want tot nu toe was er in België nauwelijks sprake van een adequaat of extern toezicht op de politie. Toch is het een feit dat de politiemensen in de eerste plaats door ex-collega’s zullen worden gecontroleerd. Dat is een probleem. Een ander probleem is dat het Comité P zijn vingers niet zal verbranden aan onderzoeken naar ondemocratische opsporingsmethoden, deze delicate kwestie blijft voorbehouden aan het openbaar ministerie en aan de nationale magistraten.

Met de demilitarisering keert direct het tij voor de rijkswacht. Frans Keppens, de topman van de gemeentepolitie, is opgelucht. ‘We moeten de banden met de rijkswacht nauwer aanhalen’, onderstreept hij. ‘Hun lokale commandanten moeten onze behoeften beter leren kennen’. Hij steekt ook Tobback een hart onder de riem. ‘Het zou spijtig zijn indien de lokale autoriteiten diens stem niet zouden horen.’ En jubelend besluit Keppens: ‘De politieoorlog is voorgoed voorbij.(135)

Keppens misrekent zich. De demilitarisering lijkt paradoxaal genoeg eerder het beginpunt van nieuwe problemen. De rijkswacht heeft nu het predikaat politiedienst. Vooral de GP ziet de bui al hangen. Om de GP te wapenen tegen de onvermijdelijke concurrentie voert minister van Justitie Wathelet op 2 september 1991 met een gewoon koninklijk besluit, zonder raadpleging van het parlement, een piramidale herstructurering uit.(136) De traditionele losse verzameling van eenheden op arrondissementeel niveau wordt vervangen door een nationaal gestructureerd korps onder de hoede van de commissaris-generaal. Het is wellicht de meest ingrijpende hervorming van de GP sedert 1919. Opvallend is de koppeling van de bestaande laboratoria aan het Nationaal Instituut voor Criminalistiek.

De toenemende centralisatie van de GP gaat gepaard met een identieke evolutie bij het parket. De twee nationale magistraten, Patrick Duinslaeger en André Vandoren, krijgen steeds meer armslag: ze coördineren de onderzoeken inzake terrorisme, georganiseerde criminaliteit en drughandel; ze leiden de nationale brigade van de GP; ze fungeren als de bevoorrechte gesprekspartners van de buitenlandse gerechtelijke autoriteiten bijvoorbeeld in geval van ‘gecontroleerde doorleveringen’ en sinds november 1991 zijn ze ook medeverantwoordelijk voor het commissariaat-generaal van de GP en de Antiterroristische Gemengde Groep (AGG).(137)

In de verkiezingscampagne eind 1991 gaat het veel over de ‘welig tierende misdaad’. De regeringspartijen liggen onder vuur van de liberale en extreem-rechtse partijen wegens de in hun ogen te slappe aanpak van het probleem. Het Vlaams Blok pakt uit met de verkiezingsslogan ‘Uit zelfverdediging’, verbeeld met een paar bungelende oranje bokshandschoenen.

Een van de vijf centrale thema’s van het programma is de criminaliteitsbestrijding. ‘Het Vlaams Blok kiest voor de slachtoffers, niet voor de aanranders. Het kiest voor politie en rijkswacht, niet voor dieven en moordenaars’, luidt het demagogisch.

Met haar agressieve racistische reclame jaagt het Vlaams Blok - met succes - de traditionele partijen op. De liberale PW adverteert met de veelzeggende slogan: ‘Het belangrijkste land is het binnenland.’ ‘Migranten moeten zich aanpassen aan onze waarden. Wie dat niet doet, moet worden aangemoedigd naar zijn land van oorsprong terug te keren,’ aldus de PVV. Door achter het Vlaams Blok aan te lopen, hoopt de PVV stemmen terug te winnen. Maar die verwachting wordt op pijnlijke wijze gelogenstraft. Op 24 november 1991 behaalt extreem-rechts de grootste zege sinds 1936. Bijna een half miljoen burgers stemt op Vlaams Blok, AGIR en Front National Beige (FNB). De grote overwinnaar is ontegensprekelijk het Vlaams Blok, dat met 10,3% ineens de vierde partij van Vlaanderen en de grootste van de stad Antwerpen wordt.

Een machtig veiligheidsministerie - Inhoud

Op 7 maart 1992 treedt een nieuw kabinet aan met dezelfde coalitiepartijen. Tobback blijft op zijn post. De verkiezingszege van extreem-rechts kwam hard aan. Opeens vinden vele politici dat de criminaliteit moet stoppen onder het motto: iedereen moet veilig op straat kunnen lopen. De ‘onveiligheid’ wordt meer dan ooit een politiek hoofdpunt. Het kabinet reageert op 19 juni 1992 met een ‘tweede Pinksterplan’. Hierin zijn versterking van de politie en een wet op het politieambt de belangrijkste elementen.

De herverkaveling van het politielandschap is nog lang niet af. Tobback en de politiechefs zijn in de ban van de nieuwe technologie. Dat was ook zo toen de politie met auto’s ging rijden (‘dat zal het geboefte afschrikken’), bij de invoering van mobilofoon en portofoon (‘een onhoorbaar gestuurde politie’) en nu ook weer bij de ingebruikneming van de computer (‘Sherlock Holmes zou er zijn vingers bij aflikken’).

Hoe dan ook, het kabinet besluit miljoenen te investeren in automatisering en verbindingsmiddelen. Tobback brengt het project ‘Astrid’ formeel op gang, waarmee de rijkswacht haar verouderde radioverbindingen wil moderniseren. ‘Astrid’ mag gezien worden: het biedt een ‘geïntegreerde basisstructuur’, waarvan op termijn de gemeentelijke en gerechtelijke politie gebruik kunnen maken. Het project is uniek, het prijskaartje navenant. Zo werpt de rijkswacht zich op als het kloppend hart van de hele politie. ‘Astrid’ houdt ook rekening met de toekomstige samenwerking op internationaal niveau (Schengen, TREVI). In dat verband beslist de regering het Belgische deel van het geautomatiseerde Schengen Informatiesysteem (SIS) verder uit te bouwen. De rijkswacht zal deze klus klaren. Dit korps vergroot nog haar ruime voorsprong op het gebied van automatisering. Zo wordt haar informaticanetwerk geactualiseerd en worden steeds meer gemeentelijke politiediensten aangesloten. Vanaf eind juni 1992 krijgen onder andere alle gemeentelijke korpsen van de provincie Antwerpen toegang tot de rijkswachtcomputer.

De regering wil de gemeentepolitie toelaten de achterstand wat in te lopen en investeert daarom de volgende vier jaar één miljard in het Politie Informaticaproject (PIP), waardoor de gemeentelijke korpsen in verbinding zullen staan met elkaar, met de rijkswacht en de GP. Het PIP-project wil geen eigen netwerk inzake gerechtelijke informatie opzetten. De gerechtelijke gegevens zullen worden doorgestuurd naar de twee subsystemen van het NCIS (Nationaal Crimineel Informatiesysteem), met name ‘POLIS’ (rijkswacht) en ‘CODEX’ (GP) De bestuurlijke informatie gaat via een afzonderlijke lijn naar het departement Binnenlandse Zaken (Algemene Rijkspolitie). Het PIP-project staat nog in de kinderschoenen, maar de gemeentelijke politiekorpsen beschikken al over een registratie ‘Openbare Orde’ en ‘Betoging’.(138)

In juli 1992 bespreekt het parlement het wetsontwerp op het politieambt. Er zijn volgens de regering een paar simpele redenen waarom de nieuwe wet nodig is: tot nog toe zijn zaken als identiteitscontrole, fouilleren van personen en doorzoeken van voertuigen niet wettelijk geregeld; de burgers moeten er zeker van kunnen zijn dat de politie haar macht niet misbruikt en de politie moet doelmatiger kunnen samenwerken. Met het wetsontwerp heeft de regering naar eigen zeggen het juiste evenwicht gevonden tussen de rechten van de individuele burger en de plicht om de openbare orde te handhaven.

Voor het eerst worden de bevoegdheden en opdrachten van de drie ‘algemene politiediensten’ in één wet vastgelegd. Deze eenvormige regeling is van groot belang voor een goede coördinatie en samenwerking. Tegelijkertijd past het wetsontwerp in een strategie om het vertrouwen van het publiek in politie en justitie te herstellen. Daarom wordt in het eerste artikel de taak van de politiediensten gekaderd in de ‘naleving en bescherming van de individuele rechten en vrijheden’ en de ‘bijdrage aan de democratische ontwikkeling van de maatschappij’. Tevens wordt uitdrukkelijk bepaald dat de politiediensten steeds optreden ‘onder het gezag en volgens de richtlijnen van de bevoegde overheden’. Kortom, de politie is er voor de democratie en niet andersom. Een zeer eerbiedwaardig uitgangspunt en een belangrijke vooruitgang vergeleken met de wet van 1957 op de rijkswacht. Jammer genoeg komen deze beginselen verder in de tekst onvoldoende aan bod.

De wet regelt de belangrijkste bevoegdheden en dwangmiddelen van de politie. Goeddeels legaliseert de wet de bestaande praktijk, maar per slot van rekening is er toch sprake van een wettelijke machtsuitbreiding voor de politie. Welke bevoegdheden krijgt ze? De politie mag iemand ‘administratief’ arresteren als ze vermoedt dat iemand ‘het verkeer hindert’ of ‘de openbare orde verstoort’. Op die grond werden honderden stakers in de staking van 1960 aangehouden. De politie mag de arrestant 12 uur vasthouden. Als een agent ‘goede redenen’ heeft om aan te nemen dat iemand een gevaarlijk voorwerp bij zich heeft, dan mag hij hem of haar fouilleren. De politie kan auto’s doorzoeken als zij vermoedt dat er een inbreuk op komst is. De politie mag betogers die de openbare orde kunnen bedreigen aan identiteitscontroles onderwerpen. Ze mag vuurwapens gebruiken als dit nodig is om ‘personen, posten of plaatsen te beschermen’. De rijkswachters in Zwartberg hebben destijds op deze bepaling een beroep gedaan.

Al bij al biedt de wet onvoldoende waarborgen tegen politioneel machtsmisbruik. De politie kan de wet naar eigen inzicht interpreteren. Daarvoor is ruimte genoeg met vage omschrijvingen als ‘een redelijk vermoeden’ of ‘bedreigen van de openbare orde’. Bovendien zwijgt de wet in alle talen over de speciale opsporingstechnieken. En ten slotte legaliseert de wet de politie-computers en de bespieding van links en de arbeidersbeweging. Artikel 39 luidt: ‘Bij het vervullen van hun opdrachten mogen de politiediensten inlichtingen inwinnen, gegevens van persoonlijke aard verwerken en een documentatie bijhouden, meer bepaald met betrekking tot de gebeurtenissen, de groeperingen en de personen die een concreet belang vertonen voor de uitoefening van hun bestuurlijke en gerechtelijke politietaken’. Het artikel biedt nauwelijks waarborgen tegen misbruiken en inbreuken op het privé-leven. Artikel 39 vervolgt immers met volgend staaltje van loze ambtenarentaai: ‘De inlichtingen moeten in een rechtstreeks verband staan met de bestaansreden van het gegevensbestand en moeten beperkt blijven tot de vereisten die eruit voortvloeien’. De Belgische burger mag wel op zijn rechten gaan passen.

De wet op het politieambt regelt niet alleen de bevoegdheden van de politiediensten, maar bevordert ook hun onderlinge samenwerking. In dat verband zijn twee zaken van cruciaal belang: de coördinerende rol van de minister van Binnenlandse Zaken en het ‘vijfhoeksoverleg’ tussen politie, overheid en openbaar ministerie. De wet kadert dus in het proces van eenmaking van de politie. Waar dat toe zal leiden is midden 1992 nog onduidelijk. Maar men ziet wel dat de macht steeds meer naar Binnenlandse Zaken verschuift. Artikel 9 belast de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie met de coördinatie van het beheer van de drie algemene politiediensten. Hierdoor krijgt de minister van Binnenlandse Zaken officieel de macht om de prioritaire taken van de diverse politiediensten af te bakenen.

Ook de Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten vreest dat Binnenlandse Zaken langzaam de macht van het lokale bestuur verder reduceert. Slechts enkele parlementariërs, onder wie burgemeester en kamerfractieleider Paul Tant (CVP) plaatsen tijdens het kamerdebat kritische kanttekeningen.(139) Senator Quintelier op zijn beurt vreest dat het eigen karakter van de gemeentepolitie door de vele samenwerkingsakkoorden zal teloorgaan.(140)Tobback sust: ‘Ik verzeker dat de rijkswacht en de gemeentepolitie nooit zullen worden samengevoegd.’ De minister wijst naar Nederland waar na lange discussie de 148 gemeentekorpsen en de 17 districten van de landelijk en militair geschoeide rijkspolitie in elkaar geschoven zijn en verbouwd tot 25 nieuwe regiokorpsen. Tobback stelt iedereen gerust: ‘België is Nederland niet. Bij ons heeft de gemeentelijke autonomie een totaal andere inhoud. Ik ben niet van plan een eenheidspolitie tot stand te brengen, want dat zou het einde van de gemeentepolitie betekenen.’

Nochtans geldt Nederland als het lichtend voorbeeld. Het ‘vijfhoeksoverleg’, dat door de wet op het politieambt wordt geïnstitutionaliseerd, is geïnspireerd op het Nederlandse ‘driehoeksoverleg’. Tobback liet Jan Cappelle een studie van het Nederlandse model maken.(141) Vermits België drie politiediensten telt, nemen vijf partners aan het overleg deel: de burgemeester, de procureur des Konings en vertegenwoordigers van rijkswacht, gemeentelijke en gerechtelijke politie. Ze gaan geregeld aan tafel zitten om hun beleid en activiteiten op elkaar af te stemmen. De twee delen van de politiezorg, de preventieve en de repressieve, komen in het lokaal en provinciaal vijfhoeksoverleg aan bod. Zo kunnen de gesprekspartners afspraken maken over een taakafbakening tussen gemeentepolitie en rijkswacht, bestrijding van kleine criminaliteit, voorlichtingcampagnes enzovoort.

In het parlement is stilaan een consensus gegroeid over de richting van het politiebeleid. De liberale oppositie levert nauwelijks kritiek op het wetsontwerp op het politieambt. Dat wordt uiteindelijk probleemloos op 15 juli 1992 door de Senaat aangenomen.(142) De voorstanders van de gemeentepolitie verliezen steeds meer terrein. Kenmerkend is bijvoorbeeld het standpunt van Hugo Coveliers. ‘De regering blijft zweren bij de oude structuren en bij een plejade van grote, minder grote, kleine, al dan niet efficiënte politiediensten. Dat is een vergissing. Gelet op de ontwikkelingen in Europa zal men over een paar jaar de politiestructuren grondig moeten herzien.’ En profetisch voegt hij eraan toe: ‘We dienen wellicht te wachten op een aantal gebeurtenissen die duidelijk zullen aantonen dat de huidige politiestructuren niet werken.(143)

De macht van de minister van Binnenlandse Zaken groeit zienderogen. Op 15 juli 1992 krijgt hij de zeggenschap over de dienst ‘Vreemdelingenzaken’, die onder meer verantwoordelijk is voor gezinshereniging en de behandeling van asielaanvragen. In 1991 waren dat er ongeveer 20.000. De dienst, geleid door Stéphane Schewebach, een PS-figuur, functioneert erbarmelijk slecht. Het werk stapelt zich op - zo’n 36.000 documenten zijn niet gerangschikt - hoewel het aantal personeelsleden sinds 1989 bijna is verdriedubbeld tot 700 man. Tobback beslist het personeel nog uit te breiden en de asielwetgeving te verscherpen.(144)

Professor Cyrille Fijnaut waarschuwt: ‘De minister van Binnenlandse Zaken is de hoofdbeheerder van de rijkswacht en kan via subsidies invloed uitoefenen op het beheer van de gemeentepolitie. Hij heeft een machtspositie verworven die uniek is in de Belgische politiegeschiedenis.(145)

Een nieuwe bedrijfscultuur - Inhoud

30 september 1992. Het Feest van de Rijkswacht in de kazerne te Etterbeek trekt veel publiek. Ook minister Tobback is present.

Het is een gedenkwaardige dag want commandant Berckmans gaat met pensioen. Hij kan nu gaan denken aan zijn plaats in de geschiedenis, waarin hij ongetwijfeld te boek zal staan als een overgangsfiguur, die voorzichtig het midden hield tussen de oude conservatieve garde en de jonge hervormers. Het einde van de Koude Oorlog, gecombineerd met het aantreden van de socialisten, betekende het einde van de militaire rijkswacht. De schandalen, het rampzalige Bende-onderzoek, de corruptie en de Europeanisering van de politie deden de rest. Berckmans steunde de demilitarisering, maar niet van harte. Hij dacht erover zoals over het weer: over iets waarvan je maar moet afwachten wat het morgen wordt.

Het publiek is echter vooral gekomen om de nieuwe commandant toe te juichen, de 52-jarige Willy Deridder, die 4 dagen tevoren door de koning tot luitenant-generaal is bevorderd. Het moest ervan komen, op een dag zou een uitgesproken SP-figuur de rijkswacht aanvoeren. Nu het zover is, geven velen toe dat Deridder de man is die het veelgeplaagde korps weer acceptabel kan maken.

De benoeming van Deridder gaat gepaard met een wisseling aan de top. Closset en Herman Fransen, beiden generaal-majoor, worden chef en onderchef van de generale staf. Vroeger stond de weinig veranderlijke generale staf garant voor intellectuele en creatieve bloedarmoede; altijd dezelfde mensen bepaalden het beleid. Hierdoor ontstonden zelden vernieuwende ideeën en impulsen. Deridder breekt met deze traditie. Hij omringt zich met gen ander type medewerkers: ambitieuze jonge officieren, georiënteerd op actie, over het algemeen deskundig, hardwerkend en vertrouwd met het bedrijfsleven. Ze hebben genoeg van de heroïek, ze willen een normale slagvaardige politiedienst. Het klinkt bijna als een contradictie, normaal was de rijkswacht nooit. En dat is ze nog niet, maar Deridder wil zo snel mogelijk van het negatieve imago af. Daarom is een nieuwe ‘bedrijfscultuur’ noodzakelijk.

Het kan toeval zijn, maar de term lijkt zo overgenomen van Frank Denis, de ‘mentor veiligheid’ van Team Consult. Deze veel geraadpleegde expert stort op hetzelfde ogenblik in het politieblad Politeia zijn hart uit: ‘Net als in het bedrijfsleven bieden nieuwe managementtechnieken en technologie de kans om de uitdagingen van een snel veranderende omgeving aan te nemen.’(146) Succes staat of valt volgens hem met het uitstippelen van een helder strategisch concept en een herkenbare ‘bedrijfscultuur’. Hij geeft de voornaamste trefwoorden: pro-actief werken, integratie in de samenleving, hoogwaardige dienstverlening, openbare controle, operationele autonomie van de leiding, management, spitstechnologie, geavanceerde uitrusting en onafhankelijkheid ten aanzien van personeel, politiek, vakbonden en pressiegroepen. ‘Meer markt en marketing’ dus, zoals de tijdgeest dat voorschrijft. Democratische en sociale bewogenheid moetje van Denis niet verlangen.

Ook ambitieuze rijkswachtofficieren ruilen steeds meer de tucht en de ideologie van het leger in voor die van de kapitalistische markt. In Een bedrijfscultuur voor de rijkswacht schrijft majoor Degroote: ‘We zijn als overheidsbedrijf te vergelijken met een privé-bedrijf.’ Zijn credo luidt: de rijkswacht biedt ‘diensten’ (interventies, onderzoek, hulp) aan haar ‘klanten’ (de autoriteiten, particulieren); zoals ieder bedrijf moet de rijkswacht voortdurend controleren of haar product wel op goedkeuring van de consument kan rekenen, zo niet, dan volgt aanpassing.

De rijkswacht is nog niet zover dat ze Denis als expert inhuurt, maar het strategische concept waarmee de nieuwe commandant de ‘oude rijkswacht’ te lijf gaat, vertoont onmiskenbaar trekken van Denis’ denken. ‘Op alle niveaus moet een helder omschreven bedrijfscultuur heersen, die vooral berust op kwaliteit, beschikbaarheid, persoonlijke inzet, onpartijdigheid en onkreukbaarheid’, schrijft Deridder in het intern informatieblad.(147)

Deridder wil de verstarde structuren bij de tijd brengen. Het onbenaderbare militaire korps van weleer moet plaatsmaken voor een klantgerichte, open organisatie. De groei van het korps en de toegevoegde waarde zitten in het bieden van service. ‘Onze bedrijfscultuur’, zegt de conunandant, ‘staat voor kwaliteit van de dienstverlening, voortdurende verbetering van de efficiëntie, respect voor de fundamentele rechten en vrijheden van iedere burger en terughoudend gebruik van onze macht. Ze steunt op gemotiveerde medewerkers die voor hun werk waardering krijgen en iedere vorm van partijdigheid of corruptie schuwen.’(148) Met deze ‘nieuwe waarden’ valt niet te spotten: ‘Ze zijn onze leidraad en de sleutel van ons succes. Wie ze verloochent, zet het vertrouwen van de burger in de rijkswacht op het spel. En dit vertrouwen is de meest fundamentele voorwaarde voor een samenwerking met het publiek.’ Hij pakt hiermee de lijn van community policing op; basispolitiezorg wordt een strategisch doel.

Het klassieke probleem - hoe krijg je de basis mee in de politiecultuur, door een duur betaalde generaal uitgedragen - wordt aangépakt op twee manieren: door de basis mee te laten praten en door de militaire manier van leidinggeven aan te passen. Deridder: ‘We moeten eens peinzen over een nieuwe stijl om leiding te geven. Sommigen onder ons moeten dringend hun mentaliteit veranderen.’ En verder: ‘Onze personeelsleden verwachten dat ze hun mening kunnen geven, dat men naar hen luistert en dat ze kunnen meepraten over het beleid. Er moet ruimte komen voor vernieuwing en creativiteit.(149)

De nieuwe bevelhebber gaat voorzichtig te werk. Te bruuske veranderingen kunnen leiden tot tegenkanting. Het hervormingsproces moet geleidelijk verlopen, maar wel non-stop. Het onderwijs verandert langzaam maar zeker. Rijkswachters in spe hpeven op de Koninklijke Rijkswachtschool niet meer intern te zijn. ‘Het internaat’ wordt afgeschaft. Het vak ‘militaire verdediging van het grondgebied’ vervalt. Onderdeel van het lespakket is de persoonlijkheidsvorming. Belangrijke nieuwe aspecten: sociale vaardigheden, slachtofferhulp, multiculturele samenleving en het ‘handvest van de gebruiker van de openbare diensten’. De Koninklijke Rijkswachtschool, die instaat voor de voortgezette vorming, begint een experiment met ‘slachtofferhulp’. Deridder schakelt een geograaf, een socioloog, een criminologe, een sociaal assistente en twee islam-specialisten in om een migrantenbeleid voor de rijkswacht uit te stippelen.

De democratisering en de omvorming tot een zogeheten ‘service-organisatie’ zijn bedoeld om de marktwaarde van de rijkswacht te verhogen. De essentie is dat in de hevige concurrentieslag met de andere politiediensten de kwaliteit van de dienstverlening doorslaggevend is. Of om het oneerbiedig te zeggen: het eten bij Mac Donald is misschien niet geweldig, maar de dienstverlening is perfect en daar zijn mensen heel gevoelig voor.

De veiligheidscontracten - Inhoud

Ondertussen pompt de regering een heleboel geld in de gemeentepolitie. Vanaf eind 1992 sluit de federale regering ‘veiligheidscontracten’ af met 12 ‘probleemsteden’. Het budget voor 1992 beloopt ruim 1 miljard, waarvan ongeveer tweederde gaat naar politie- en de rest naar preventie-projecten. Voor 1993 trekt de federale regering zelfs meer dan 2,5 miljard frank uit. Daarnaast blijft de regering investeren in uitrusting en opleiding, in communicatie (Astrid) en informatica (PIP).(150) Dankzij de veiligheidscontracten gaat de reorganisatie van de gemeentepolitie in versneld tempo door. Er komen meer wijkteams, meer agenten - Tobback wil de gemeentepolitie met 800 man uitbreiden - en meer burgerpersoneel, met name in de administratie. Het doel: ‘meer blauw op straat’ en de gemeentepolitie ‘dichter bij de burger’ brengen. De liberale en uiterst rechtse partijen leggen traditioneel de nadruk op meer cellen, grotere bevoegdheden voor de politie, zwaardere straffen en beperking van de voorwaardelijke invrijheidstelling. In de veiligheidscontracten benadrukt Tobback vooral de noodzaak om iets te doen aan de criminaliteit langs de weg van de preventie. Dus meer sociale controle, meer politiesurveillance, maatregelen tegen kleine criminaliteit en een betere opvang van mensen die aan de zelfkant van de maatschappij terechtkomen.

De basisgedachte is dat misdaadbestrijding geen verantwoordelijkheid van de politie alleen is, maar mede gedragen moet worden door de bevolking: stimulering van publieke betrokkenheid is het doel geworden. Onderdeel van de nieuwe strategie is de ‘multidisciplinaire aanpak’: samenwerking met overheidsinstellingen en andere (particuliere) instanties, die een rol vervullen in de economische, sociale, culturele of educatieve sfeer. Andere onderdelen zijn de invoering van overlegorganen waarin burgers vertegenwoordigd zijn, buurtwachtprogramma’s, slachtofferhulp en een intensiever gebruik van reservepolitie en een poging meer allochtonen te rekruteren. Dat alles kadert in het concept van community policing.

De plannen voor de misdaadpreventie zijn indrukwekkend, maar de uitvoering ervan lijkt veel verder weg. In de steden die een veiligheidscontract afsluiten, komen er consultatieve preventieraden en preventieambtenaren. Opeens ontdekt men de jeugdcriminaliteit in de grote stad en de achterstand waarmee tweede en derde generaties buitenlandse jongeren kampen. Deze ‘risicogroepen’ en ‘maatschappelijk kwetsbare bevolkingsgroepen’ worden extra omkaderd. ‘Buurtcomités’ trachten in de kansarme wijken de samenlevingsproblemen op te sporen en op te lossen. Andere projecten zijn gericht op bemiddeling tussen autochtonen en allochtonen en op begeleiding van jonge delinquenten, die alternatieve straffen (dienstverlening) krijgen in plaats van gevangenisstraffen. Voorts worden ‘buurttoezichters’ aangesteld en worden gespecialiseerde mensen belast met de opvang en begeleiding van druggebruikers.

De veiligheidscontracten moeten dus een tweesporenbeleid ‘bevorderen: de gemeentepolitie moet niet alleen ‘boeven pakken’ maar vooral voorkomen dat mensen gaan stelen. Natuurlijk is voorkomen beter dan genezen. Bijna iedereen hoort te weten dat de gevangenis het antwoord niet is. Amateurs leren er van professionals, er worden contacten gelegd en eens ontslagen heeft men tweemaal zoveel goede bekenden als voordien.

Maar ook het veiligheidsbeleid van de regering, de verhoogde aandacht voor preventie, is te simpel om mooi te zijn. De regering weigert bij zichzelf te rade te gaan en zichtbaar te maken hoe ordinaire criminaliteit kan ontstaan. Ze wekt de illusie dat ‘meer blauw op straat’ kan voorkomen dat criminaliteitssoorten als geweldsmisdrijven en vermogensdelicten toenemen. De witteboordencriminaliteit (belastingontduiking, milieuverontreiniging enzovoort) tiert weliger dan ooit, maar valt geheel buiten het gezichtsveld van de overheid. Criminologen hebben allang gedetailleerd onderzoek gedaan naar de oorzaken van gewone misdaad. Niemand beweert dat deze criminaliteit uitsluitend een gevolg is van sociale ongelijkheid, maar structurele onrechtvaardigheid is ongetwijfeld een fundamentele factor..Criminaliteit is in hoge mate een sociaal probleem dat opgelost moet worden door herverdeling van welvaart en welzijn. Het inzicht dat criminele politiek voor alles sociale politiek is, lijkt vergeten in Brussel. De regering geeft al jarenlang de voorkeur aan repressieve en preventieve vormen van criminaliteitsbeheersing boven sociaal-economische maatregelen. Het denken over criminaliteit als een sociaal verschijnsel met maatschappelijke oorzaken lijkt ook in de academische wereld steeds meer veld te verliezen.

Patrick Hebberechts van de Gentse universiteit is één van de weinigen die het veiligheidsbeleid op de korrel neemt. ‘Hoewel de overheid het niet openlijk durft toe te geven, houdt haar veiligheidsbeleid allereerst een tewerkstellingsplan in’, constateert Hebberechts zuur.(151) ‘Vele laagopgeleiden krijgen werk als hulpagenten, stadswachten, buurttoezichters. Sociale werkers, criminologen en humane wetenschappers komen aan de bak als preventieambtenaar, -coördinator of -werker of als staflid bij de politie.’ Hij slaat de veiligheidscontracten niet hoog aan. Ze bestrijden de symptomen, niet de oorzaken. Hebberechts legt de vinger op de wonde: ‘De sanering van de overheidsfinanciën trof grote groepen, vooral in de steden. Onder de dictatuur van de vrije markt werd een economische herstructurering doorgevoerd, die de arbeidsmarkt ingrijpend veranderde. De samenleving werd dualer en sociaal ongelijker.’

Hij heeft gelijk: de tweedeling in de samenleving verdient veel meer aandacht. Aan de ene kant worden steeds meer miljonairs nog rijker en is een zeer groot deel van het nationale vermogen in handen van 5 procent van de bevolking. De andere kant van de medaille is echter dat honderdduizenden burgers in de financiële marge van de samenleving verkeren omdat zij niets of weinig verdienen. Armoederapporten van de Koning Boudewijnstichting leggen deze wrange werkelijkheid pregnant bloot: vanaf de jaren tachtig is de kloof tussen de sociale minima en de rest voortdurend toegenomen. De stijging van de arbeidsproductiviteit als gevolg van arbeidsdeling, globale concurrentie en een permanente stroom van reorganisaties heeft geleid tot een massale uitstoot van zowel laag- als hooggeschoolde arbeid. Als alle categorieën inactieven worden meegeteld, bedraagt de werkloosheid bijna 20 procent van de beroepsbevolking.

Onder het mom van de veiligheidscontracten groeit de invloed van de politie en neemt de sociale controle alleen maar toe. Dus gaat het vooral om ‘windowdressing’ - niks meer, niks minder. ‘De afbouw van de sociale verzorgingsstaat leidt tot de opbouw van de veiligheidsstaat’, concludeert Hebberechts. En verder: ‘De overheid neemt de problemen pas serieus, wanneer probleemmensen voor overlast zorgen, de openbare orde verstoren, delicten plegen en een bedreiging voor welgestelden vormen.’ Misdaadbestrijding is niet langer een kwestie van de politie alleen, maar moet mede worden gedragen door de economische, sociale, culturele en educatieve politiek, die als het ware de voortzetting van het politiewerk wordt. Hebberechts: ‘Sinds 1993 wordt het beleid op het gebied van tewerkstelling, onderwijs, gezondheid, huisvesting en stedelijke vernieuwing ondergeschikt gemaakt aan de veiligheidspolitiek. De federale minister van Binnenlandse Zaken vervult hierbij steeds meer een voortrekkersrol.’ En verder: ‘Via de veiligheidscontracten pogen de centrale autoriteiten, niet altijd zonder slag of stoot, deze veiligheidslogica aan steden en gemeenten op te dringen. Net als op federaal niveau definiëren nu heel wat lokale besturen op hun beurt de nieuwe sociale en culturele problemen in eerste instantie als criminaliteits- en onveiligheidsproblemen. (...) De politie bevoogt in veel gevallen de bestuurlijke preventiediensten en beschouwt allerhande welzijnswerkers als haar verlengstuk.’

Hebberechts stelt dat de veiligheidsprojecten vaak niet ten goede komen aan de minderbegoeden. Zelfs de veiligheid blijft ongelijk verdeeld. ‘Vele projecten mikken op een betere bescherming van de beter gesitueerden’, schrijft hij. ‘Als ze met criminaliteit worden geconfronteerd, dan zijn er weer projecten van slachtofferhulp om hun materieel en psychisch leed te lenigen.’

Integrale Kwaliteitszorg (IKZ) - Inhoud

Sinds 17 maart 1993 heeft België eindelijk een wet, die ‘de persoonlijke levenssfeer’ beschermt.(152) Eigenlijk heeft het Schengenverdrag een doorbraak geforceerd. Immers voordat het geautomatiseerde Schengen Informatiesysteem (sis) in werking kan treden, moeten de deelnemende staten over een privacywet beschikken.

De Belgische wet verbiedt de verwerking van ‘algemeen gevoelige gegevens’ (ras, etnische afstamming, lidmaatschap van een vakbond, seksueel gedrag of politieke, levensbeschouwelijke en godsdienstige overtuiging) tenzij wanneer een bepaald onderzoek het vereist. De verontruste burger krijgt de kans om na te gaan of hij in een of ander bestand zit en om zo nodig een verwijdering of verbetering van sommige gegevens af te dwingen. Doch dit geldt niet voor politiebestanden. Daarvoor moet hij aankloppen bij de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer. Die controleert zelf wat er in het politiebestand zit, maar houdt de resultaten van dit onderzoek voor zich. Hoe de wet in de praktijk uitpakt, moet nog worden afgewacht, maar ze is hoe dan ook een aanwinst voor de bescherming van de burger.

Na de privacywet keurt het parlement op een drafje het Schengenverdrag goed. Het Centraal Schengen Informatiesysteem (CSIS), gevestigd in Straatsburg, had al in bedrijf moeten zijn, maar voorlopig staat de computer nog proef te draaien. Het CSIS krijgt zijn gegevens via de rijkswacht. Deze is inmiddels al klaar met het nationale sis.

Internationale informatie-uitwisseling geschiedt ook via TREVI. De internationale politiesamenwerking speelt zich geheel in de nevelen van de diplomatie af. Sinds zijn oprichting in de tweede helft van de jaren zeventig heeft TREVI, dat zich aanvankelijk alleen bezig hield met terrorismebestrijding, zo’n veertig besluiten genomen met betrekking tot diverse aspecten van politiesamenwerking. Het merendeel ervan is niet officieel gepubliceerd.(153)

Het is een publiek geheim dat het Duitse Bundeskriminalamt (BKA) voorstander is van Europol, een Europese politiedienst, belast met de samenwerking tussen politiediensten uit de twaalf lidstaten. Europol zou moeten bestaan uit één centraal bureau en een buitenbureau in iedere lidstaat en zou in de hele eg eigen opsporingsbevoegdheid moeten krijgen voor drugsdelicten en andere vormen van georganiseerde criminaliteit. Onder druk van de Duitse kanselier wordt het principe eind 1992 in het Verdrag van Maastricht ingeschreven. Het Verdrag voorziet ‘de politiële samenwerking met het oog op het voorkomen en bestrijden van terrorisme, de illegale drughandel en andere ernstige vormen van internationale criminaliteit’.(154)

Vooruitlopend op de daadwerkelijke realisatie van Europol, beslissen de TREVI-ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie op 2 juni 1993 in Kopenhagen om de Europol Drugs Eenheid op te richten. Blijkens de tekst van de ‘ministeriële overeenkomst’ van Kopenhagen, die ook al niet algemeen toegankelijk is, zal deze dienst fungeren als een politie-informatiebeurs voor drugsdelicten en zwartgeldpraktijken. De drugsbrigades van de Europese lidstaten zullen elkaar via dat adres inlichten over internationale drugsbendes. Uit alle lidstaten zullen verbindingsambtenaren (liaison-officieren) bij Europol worden gestationeerd. Zij moeten zich in afwachting van een formeel oprichtingsverdrag beperken tot bilaterale samenwerking en individuele zaken. Ieder van hen heeft zich daarbij te houden aan de grenzen die zijn eigen privacywetgeving hem stelt. Er zal voorlopig geen centraal archief met persoonsgegevens worden aangelegd, zo is afgesproken. Wel mag Europol zich bezighouden met misdaadanalyses, op basis van ‘niet-persoonlijke informatie’. De rijkswacht deint verstandig mee op de golven van de internationale politiesamenwerking en raakt steeds meer in de ban van de ‘georganiseerde misdaad’. ‘Het is één van de belangrijkste uitdagingen’, aldus commandant Deridder op De Dag van de Rijkswacht. Dit nieuw PR-initiatief vindt voor het eerst plaats op 15 september 1993 in aanwezigheid van koning Albert en minister Tobback. Meer dan 100 brigades zetten die dag voor het eerst de deuren open voor het grote publiek. Deridder laakt de onmacht van de Europese politie: ‘De criminele organisaties zijn momenteel zo goed als ongrijpbaar, omdat we hun samenstelling, doelstellingen en werkmethoden onvoldoende kennen en omdat de internationale politiële en justitiële samenwerking achterop hinkt.’ Tussendoor legt hij slim de nadruk op nieuwe wettelijke bevoegdheden. Het afluisteren van de telefoon en het bestrijden van witwasoperaties zijn hooguit ‘stapjes in de goede richting’.(155)

Op De Dag van de Rijkswacht spreekt Deridder ook over ‘basispolitiezorg met kwaliteit’, een variant van community policing, in zijn eigen woorden ‘een adequate dienstverlening voor de lokale bevolking, waarbij de burger resoluut centraal staat’. Daarmee bewijst de commandant dat hij als politiemanager de regels van het spel zelf bepaalt. In de omzendbrief oop 13 van Tobback kreeg de gemeentepolitie een eerstelijnsfunctie en de rijkswacht een aanvullende en ondersteunende rol. Nu wil de rijkswacht op eigen houtje deze rolverdeling doorbreken en zich omvormen tot een volwaardige eerste- en tweede-lijnspolitie.

De voogdijministers lopen er met open ogen in. De rijkswacht drijft dan ook bliksemsnel haar plannen door. Al in september 1993 beginnen dertien brigades te experimenteren met Integrale Kwaliteitszorg (IKZ), een consumentvriendelijke aanpak, afkomstig uit de bedrijfswereld. De grote man van het experiment, Roger Van De Sompel, geeft grif toe dat hij zijn licht vooral bij de bankwereld heeft opgestoken. De 13 brigades mogen volgens de nieuwe psychologische benadering zelf creatief zijn. Dat is goed voor het ego van het personeel en opent voor vele klanten de weg naar de rijkswacht. De brigades mikken op een betere dienstverlening. Het heeft allemaal met presentatie te maken: vriendelijke medewerkers aan de balies, een nette omgeving, een duidelijk logo. Het is belangrijk de klanten net zo te behandelen als ze van hun bank gewend zijn, redeneert Van De Sompel.

Het is een bescheiden begin. Maar de zaak breidt zich uit als een olievlek. Een poos later zetten 14 districten en 30 brigades projecten op, die de burger nauwer betrekken bij de bestrijding van lokale problemen.(156) Stimulering van de publieke betrokkenheid is het doel van deze ‘probleemgerichte’ benadering. Zo krijgt de lokale rijkswacht een heel andere taak, waaraan ze duidelijk nog moet wennen. Voorheen was haar werk vergelijkbaar met dat van de brandweer: uitrukken als er iets aan de hand was, hulp verlenen als daarom gevraagd werd en de rest van de tijd wachten op meldingen. Maar intussen is de maatschappij veel complexer geworden, onveiliger ook en is er veel meer behoefte aan sociale en maatschappelijke hulp en ‘probleembeheersing’.(157) De lokale rijkswacht speelt daarop in en mikt daarmee op de ‘klandizie’ van de gemeentepolitie.

De ombouw van de rijkswacht tot een ‘dienstverlenend bedrijf’ heeft ook consequenties voor de aanwerving en opleiding. Zo’n bedrijf heeft andere werknemers nodig dan een militaire organisatie. Om potentiële sollicitanten van het John Wayne-syndroom af te helpen, pakt de rijkswacht uit met slogans als ‘Beschermen, helpen, dienen; daarom moeten ook de vrouwen hun mannetje kunnen staan’. Het nieuwe leitmotiv wordt: je mond is je beste wapen. Nieuwkomers worden geselecteerd op hun sociale vaardigheid, persoonlijkheid en psychologisch doorzicht.(158) Tegelijkertijd worden de rijkswachters aan de basis massaal omgeschoold. ‘Contacten en Conflicthantering’ heet de cursus. Het is vooral een training in ‘contactvaardigheden’.

Tevens start de rijkswacht in de herfst van 1993 een campagne om meer vrouwen en allochtonen aan te werven. Momenteel telt de rijkswacht 86 vrouwen. Tegen 1998 moeten dat er minstens 600 zijn. Het korps is nog niet gewend aan de multiculturele samenleving. Een cursus, de werking van een multiculturele cel en de werving van allochtonen moeten die gewenning geleidelijk bevorderen. Deridder opent persoonlijk de tentoonstelling Wit over Zwart in de Koninklijke Rijkswachtschool en de Revue van de rijkswacht presenteert het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding.(159)

Via het ‘vijfhoeksoverleg’ tracht de rijkswacht haar positie als tweedelijnspolitie uit te bouwen. De verschillende politiediensten van de hoofdstad (gemeentepolitie, rijkswacht en gp), zeven Brusselse burgemeesters en het parket sluiten een ‘protocol’ af om de jeugdcriminaliteit harder aan te pakken.(160) Intensief toezicht is de kern van het protocol. Criminele jongeren moeten bijtijds worden gecorrigeerd of opgespoord. De maatregelen zijn niet van de poes. De gemeentepolitie patrouilleert meer in de ‘probleemwijken’, al dan niet met honden, richt ‘wijkantennes’ op en voert geregeld ‘pacificatie-operaties’ uit. De rijkswacht op haar beurt verhoogt de patrouilles te paard in de ‘risicozones’. Een speciale parketmagistraat coördineert de politionele acties. Om ‘groepsincidenten’ te voorkomen, worden ‘overlegassistenten’ ingezet en lijsten van ‘harde kernen’ aangelegd.

Tobback vindt de samenwerking van de Brusselse gemeentepolitie beneden peil. Op 1 december 1993 vertrouwt hij de bewaking van de Brusselse metro toe aan een team van 90 rijkswachters. Tn tegenstelling tot de 19 Brusselse politiekorpsen, waarborgt de rijkswacht tenminste een eenheid van commando, van optreden, van middelen en van organisatie’, betoogt de minister. Tegelijk maakt hij bekend dat de kredieten voor de veiligheidscontracten worden verhoogd tot 3 miljard. Dit geld zal allereerst de gemeentepolitie ten goede komen.(161) Voor de politie, een overheidssector die bij bezuinigingsrondes nogal is ontzien, is er kennelijk nog genoeg geld. Veiligheid lijkt wel de enige nationale sector waar nog groei in zit.

De georganiseerde misdaad - Inhoud

Begin 1993 lijkt de politieke werkelijkheid kleurrijker en grilliger dan de fictie. Onderzoeksrechter Véronique Ancia concentreert zich in haar onderzoek naar de moord op André Cools op het Agusta-spoor. Ancia laat een huiszoeking uitvoeren in het kantoor van Agusta en trekt naar Italië, waar ze gegevens vindt over illegale betalingen van Agusta aan het Belgische politieke milieu. Het is op dat ogenblik nog steeds niet duidelijk of de gewelddadige dood van Cools verband houdt met het verstrekken van steekpenningen bij de aanschaf in 1988 van 46 Italiaanse Agusta-helikopters. Het staat wel vast dat zonder de moord op Cools er waarschijnlijk geen Agusta-affaire zou zijn. En vast staat ook dat de mogelijke infiltratie door maffia-achtige groepen in de Belgische samenleving aanmerkelijk meer aandacht in de media krijgt dan voorheen. Zo ontstaat opeens het beeld van een grootschalige en in de samenleving gewortelde ‘georganiseerde misdaad’.

Het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) is trendgevoelig en gaat zich bezighouden met de analyse van dit nieuw fenomeen. Maar gaat het wel om een nieuw iets? Moeten we criminaliteit opeens ‘georganiseerd’ gaan noemen, omdat zij een internationaler karakter heeft gekregen? Beroepscriminelen bestaan al lang. Dat zij zich bedienen van de mogelijkheden van moderne communicatie in een internationale kapitalistische markt, is onvermijdelijk. Dat doet elk bedrijf. Dat er grote bedragen mee gemoeid zijn, is ook niets nieuws. In 1993 schat het imf de jaarlijkse omzet van de georganiseerde misdaad in de wereld op 21 a 30.000 miljard frank. Wapenhandel, Euro-fraude, drugs - er is allemaal groot geld mee te verdienen en in België wordt het meeste geld aan de economie onttrokken door belastingóntduiking.

Eigenlijk is zware, georganiseerde misdaad een kameleon die zich aanpast aan de kapitalistische omgeving waarin het opereert. De dereguleringsgolf heeft, drastischer dan op enig ander terrein, de belemmeringen voor het kapitaalverkeer grotendeels opgeruimd. Door misdaad verkregen miljoenenbedragen kunnen vrijelijk als water naar die plaatsen stromen waar het hoogste rendement te halen is en alle controle ontbreekt, namelijk naar tropische en andere belastingparadijzen. Zelfs een land als Luxemburg onttrekt zich aan sluitende afspraken over bestrijding van belastingontduiking en het witwassen van criminele winsten. Zowel in Oost- als West-Europa worden duizenden bedrijven opgericht uitsluitend om de belasting te ontduiken. De zwarte economie bedraagt een aanzienlijk procent van het bruto nationaal product. Door allerlei vernuftige vormen van fraude en milieucriminaliteit verrijken zakenlui zich uit pure hebzucht, veelal ten koste van de staat en dus van de belastingbetaler. Fabelachtige sommen geld, uiteraard belastingvrij, worden zo binnengehaald. Geld dat weer met behulp van gevestigde instituten zoals banken wit kan worden gemaakt. In Oost-Europa is de misdaad schrikbarend gestegen sinds de ineenstorting van het vermolmde communisme. Veel daarvan, is het werk van internationaal opererende bendes, die handelen in drugs, uranium, gestolen auto’s, enzovoort.

Al voor de val van de Berlijnse Muur drong professor Fijnaut aan op wetenschappelijk onderzoek naar de georganiseerde misdaad.

Zo’n onderzoek moest een rem vormen op al te overspannen politiële en justitiële reacties. Hij waarschuwde voor het ontketenen van een ‘oorlog’. Ten eerste omdat oorlogen tegen de misdaad gewoonlijk op een fiasco uitlopen. Ten tweede omdat zulke oorlogen - paradoxaal genoeg - welhaast onvermijdelijk leiden tot een betere organisatie van de criminaliteit. En ten derde omdat in oorlogen tegen de misdaad vooral in de lagere politionele gelederen de nodige slachtoffers vallen.(162)

Het onderzoek is er niet gekomen en het CBO en de rijkswacht slaan de waarschuwingen van Fijnaut in de wind. Zij maken zich op voor de confrontatie met - een deel - van de georganiseerde misdaad. In zekere zin kan de rijkswacht niet anders. Een kostbaar en machtig politieapparaat eist nu eenmaal een afschuwelijke vijand, die onpasselijkheid kan opwekken bij elke rechtgeaarde landgenoot. Wanneer de rijkswacht dat spel goed speelt, kan ze uitgroeien tot de grote dienstverlenende organisatie die het land behoedt voor groot onheil en zodoende recht heeft op de steun, het respect en de dankbaarheid van de natie.

Op een congres over Mensenrechten en Misdaadbestrijding, op 10 december 1993, roept luitenant-kolonel Henri Berkmoes, chef van het CBO, een zeer dreigend beeld op van de zware, georganiseerde criminaliteit. Berkmoes suggereert dat er een lawine op ons afkomt vanuit Oost-Europa (‘de rode maffia’). Voorts zouden Italiaanse en Colombiaanse maffiagroepen in ons land actief zijn. Hij moet toegeven dat de dreiging meer op vermoedens dan op harde feiten gebaseerd is. Volgens Berkmoes vinden die vermoedens wel bevestiging in de successen van het CBO. ‘Tsjechische prostitutienetten, Ghanese filières van vrouwenhandel en autozwendel naar de Oostbloklanden werden in kaart gebracht of ontmanteld’, constateert hij trots.

De hamvraag is: wat verstaat Berkmoes onder ‘internationale misdaad’? De CBO-baas hanteert een brede definitie, waarin de nadruk ligt op het ‘stelselmatig plegen van strafbare feiten’ en het gebruik van onder meer ‘bedrijfsmatige structuren’, geweld en beïnvloeding van media en politiek. Dat heeft hij overigens niet zelfbedacht. De definitie is afkomstig van de Duitse politie. Professor Fijnaut is er niet over te spreken: deze definitie is zo ruim, dat er van alles en nog wat kan worden in ondergebracht, zelfs het geweld van politieke groepen (de iIRA, de PKK bijvoorbeeld) en van radicale jongeren- of vakbondsorganisaties. Zo kan de georganiseerde criminaliteit tot gigantische proporties worden opgeblazen en kunnen politiek gemotiveerde groepen op één hoop worden geveegd met drugshandelaars en andere criminelen.(163)

Voor Berkmoes telt maar één zaak: doeltreffendheid. Het is verontrustend dat hij met geen woord rept over de andere poot van de rechtshandhaving: de rechtsbescherming. In een democratische rechtsstaat moet nochtans elk politieoptreden voldoen aan drie voorwaarden: controleerbaarheid, rechtmatigheid en voldoende bescherming voor de individuele burger. Ter wille van de doeltreffendheid van de misdaadbestrijding moet echter alles wijken, ook deze democratische waarborgen. Daardoor dreigen hele bevolkingsgroepen onder preventieve verdenking te worden geplaatst en de grenzen tussen politieke en criminele opsporingsactiviteiten verder te vervagen. Als het van Berkmoes afhangt zal de aanpak van de zware misdaad, net als de terreurbestrijding in de jaren tachtig, leiden tot ingrijpende veranderingen op operationeel-technisch en juridisch vlak: een geweldige groei van de nationale en internationale informatiebestanden en de invoering van ‘onconventionele’ informatie- en observatiemethoden zoals het aftappen van telefoons en de continue observatie van verdachte personen.

Dat hoort allemaal bij het ‘pro-actief rechercheren’. ‘Afluisteren levert bruikbare gegevens op voor het gerechtelijk onderzoek en geeft ons een beeld van de criminele organisatie’, legt Berkmoes uit. Hij verkiest een combinatie van afluisteren en observatie, zodat men minder aangewezen is op ‘informanten die tot de onderwereld behoren en niet altijd betrouwbaar zijn’. De kans neemt daardoor toe dat misdadigers en rijkswacht in een ongestuurde technologische wedloop verwikkeld zullen raken. De klassieke telefoontap is immers al goeddeels onbruikbaar, omdat elke ervaren crimineel een speciaal GSM-toestel heeft. Steeds meer in zwang raakt daarom het gebruik van de richtmicrofoon. Ook de observatietechnieken worden verfijnd door de inzet van bijvoorbeeld audio- en video-observatie. Eén zaak is zeker: het wetsontwerp ‘afluisteren’ dat wordt aangeboden aan het parlement gaat in de ogen van Berkmoes lang niet ver genoeg en ook het strafrecht is aan vernieuwing toe, want de betichting ‘vereniging van misdadigers’ vindt hij voorbijgestreefd.

Het is opmerkelijk dat Berkmoes de rol van de financiële wereld in de misdaad negeert, of op zijn minst zwaar onderschat. Politie en justitie kunnen nochtans alleen succes hebben als de factoren die leiden tot het ontstaan van de georganiseerde misdaad zichtbaar worden gemaakt in alle geledingen van de maatschappij en dan ook zoveel mogelijk worden uitgebannen. Dus een goede controle op de banken, zodat het bijvoorbeeld niet meer kan voorkomen dat grote drugshandelaren die een vrijheidsstraf uitzitten comfortabel vanuit hun verblijf met behulp van duur betaalde adviseurs hun financiële zaken regelen. Dus een gecoördineerd optreden tegen belastingparadijzen. Dus verstrenging van de wet van 17 juli 1990 die het witwassen wel strafbaar stelt, maar van beperkte praktische betekenis blijkt. Als de politie thans al bij de vermoedelijke daders komt, dan is het geld meestal al lang verdwenen en gewit opnieuw in de circulatie gebracht. Berkmans pleit evenwel niet voor een verscherping van de witwaswetgeving of voor infiltratie in de directies van grote concerns, financiële instellingen en beleggingsinstituten. ‘De vermogensaanpak is geen wondermiddel’, ziedaar zijn visie.

In de strijd tegen de georganiseerde misdaad moet de rijkswacht op de internationale toer gaan. Berkmoes klaagt over een gebrekkige ‘intelligencewerking’. De rijkswacht heeft zo’n 8 verbindingsofficieren in het buitenland, onder wie luitenant-kolonel Serge Hauppe in Moskou, maar dat is een druppel op een gloeiende plaat. De rijkswacht verwacht meer van Europol. Deze dienst moet de speerpunt worden in de strijd tegen de internationale misdaad. Nederland heeft zich veel moeite getroost om Europol naar Den Haag te krijgen. De dienst betrekt het gebouw dat de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) in Den Haag heeft achtergelaten. Het biedt ruimte aan 600 mensen en het beschikt over de gewenste beveiliging en communicatiesystemen.

Begin januari 1994 gaan de eerste medewerkers van de Europol Drugs Eenheid in het oude CRI-gebouw aan de slag onder leiding van de Duitser Jürgen Storbeck, die diverse functies bij het Bundeskriminalamt achter de rug heeft. Storbecks rechterhand is rijkswachtkolonel Willy Bruggeman, die als adjunct-coördiinator fungeert. Op 16 februari 1994 volgt de officiële opening in aanwezigheid van tal van politie- en justitiefunctionarissen uit de 12 lidstaten. Zestig medewerkers telt de Europol Drugs Eenheid. Maar Bruggeman vertelt de internationale pers dat het er over enige maanden zeker 120 zullen zijn.(164) De groei van het aantal medewerkers zal de eerste maanden vooral afhangen van het aantal verbindingsofficieren dat de lidstaten naar Den Haag zullen afvaardigen.

Het voordeel van een flexibele organisatie als Europol is dat de gewenste informatie aan de verzoekende lidstaten soms al binnen enkele uren kan worden gegeven. Interpol, waarmee overigens nauw wordt samengewerkt, is wat dit betreft veel trager. Of Europol in de toekomst meer wordt dan een databank ten dienste van de opsporing maar ook zelf executieve taken krijgt, zegt Storbeck niet. De Duitsers zouden graag zien dat Europol zelf operaties kan uitvoeren, zoals het Bundeskriminalamt of de fbi, maar dat staat nog niet op de officiële agenda. Met misdaadanalyse en uitwisseling van gegevens in de eerste fase, moet Europol wel uitgroeien tot een expertisecentrum voor de politie in Europa.(165)

Nu aan de kleine criminaliteit weinig eer meer te behalen is, storten ook de politici en beleidsmakers zich, in het kielzog van de rijkswacht, op de georganiseerde criminaliteit. Op 21 april 1994 presenteren de vrouwelijke parlementariërs Merckx-Van Goey (CVP) en Nathalie de T’Serclaes (PSC) de bevindingen van de parlementaire onderzoekscommissie over de ‘mensenhandel’. Deze commissie kwam tot stand op initiatief van Johan Vande Lanotte (SP) na de publicatie van een geruchtmakend boek van journalist Chris De Stoop.166

Getuigenissen zat, maar weinig substantieel onderzoek, zo kan men het werk van de commissie samenvatten. Eén van de belangrijkste getuigen is rijkswachtkolonel Willy Bruggeman, de tweede man van Europol, die een alarmerend beeld van de Russische maffia schetst. Vragen naar de aard en de omvang van de georganiseerde criminaliteit brengen aan het licht dat het dreigingsbeeld nog steeds niet op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd is. Parlementariër Tony Landuyt merkt terecht op dat de commissie zich moet verlaten op informatie van de rijkswacht, die via haar CBO-cel ‘mensenhandel’ systematisch alle gegevens in handen krijgt.

Na de commissie ‘mensenhandel’ lijkt stilaan de tijd rijp voor ingrijpende hervormingen van justitie en politie. De woordvoerders van CVP en sp laten daarover geen misverstand verstaan. Volgens Renaat Landuyt (SP) moet een steeds meer centraal beheerde politie gestuurd worden door een landelijk parket met nationale taken en bevoegdheden. Hij wil korte metten maken met het verbrokkeld en ineffectief optreden van 27 onafhankelijke procureurs. Tony Van Parys (CVP) maakt de cirkel rond. ‘Het is voor mij zonneklaar dat een gecoördineerde samenwerking tussen de politiediensten niet haalbaar is binnen de bestaande organisatorische, bestuurlijke en democratische structuren’, betoogt hij. ‘Mijn besluit staat vast: ‘Wij moeten komen tot een geïntegreerde politie, waarbij de drie politiediensten tot een eenheidspolitie samensmelten’.

Een falend veiligheidsbeleid - Inhoud

De monopolie-strategie van de nieuwe rijkswacht tikt als een tijdbom onder het politiebestel. De oriëntatie op basispolitiezorg en misdaadbestrijding moet onherroepelijk tot conflicten leiden met respectievelijk de - versterkte - gemeentepolitie en de gp. Vooral de GP zit in slechte papieren. Ze zakt langzaam weg in een poel van intriges, slecht beheer en ordinaire ruzies nadat de Brusselse hoofdcommissaris Frans Reyniers en de commissarissen Yves Zimmer en Jean-Paul Peelos wegens gesjoemel en ondeontologisch gedrag tegen de lamp liepen. De GP is als een vogel wiens veren en vleugels worden geplukt totdat hij niet meer kan vliegen.

Tobback en Wathelet helpen duchtig mee. Na veel tegengestribbel van de GP roepen ze op 5 mei 1994 de Algemene Politie-steundienst (APSD) in het leven. Een vernietigend rapport van een team, samengesteld uit onder meer leden van de rijkswacht en de Vlerick School voor Management, betekent de doodsteek voor het commissariaat-generaal, dat haar algemene korps-overstijgende bevoegdheden verliest en alleen nog voor de eigen GP-brigades mag werken. Het ‘betreurenswaardige lot’ van de GP wekt zelfs de deernis op van Politeia. ‘De rijkswacht heeft bij de start van de APSD een voorkeursbehandeling gekregen’, erkent het politieblad.(167)

Tobback masseert de weerstand weg met de belofte dat de APSD niet ‘het voorgeborchte van een toekomstige eenheidspolitie’ zal worden, maar slechts zal optreden als een service-instantie ten behoeve van de hele Belgische politie. Niettemin neemt de APSD van het begin af aan een bijzondere positie in. De nieuwe dienst valt onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, maar het is uiteindelijk de minister van Binnenlandse Zaken die, na advies van zijn collega, de leden van de raad van bestuur aanduidt. Je kunt wel raden wie erin zit: de commandant van de rijkswacht (Willy Deridder), de commissaris-generaal voor gerechtelijke opdrachten (Roger Moens) en de hoofdcommissaris van Namen (Warny), een voormalig kabinetsmedewerker van Tobback. De drie politiechefs zullen beurtelings voor een periode van drie jaar het voorzitterschap waarnemen.

De molen maalt automatisch door. De reorganisatie gaat steeds meer de kant op van een federale, door de rijkswacht gestuurde politie. De APSD is een tekenend voorbeeld. De dienst bestaat uit vier overkoepelende afdelingen: Operationele Ondersteuning, Internationale Politiesamenwerking, Telematica en Politiebeleidsondersteuning. De rijkswacht pikt de beste brokken in: Internationale Politiesamenwerking en Telematica. De eerste afdeling, geleid door majoor Patrick Zanders, centraliseert de betrekkingen met Europol, Interpol, Schengen en de in het buitenland gestationeerde verbindingsofficieren. Verder is ze verantwoordelijk voor sirene, de mensenhandel en de internationale politiesamenwerking. In feite is de rijkswacht voortaan de enige gesprekspartner op internationaal niveau.

Rijkswachtkolonel Van Damme krijgt de touwtjes in handen van de afdeling Telematica. Hij moet een gemeenschappelijke ‘informatica-architectuur’ realiseren om te voorkomen dat de diverse politiediensten op eigen houtje aan het automatiseren slaan en voor systemen kiezen waardoor ze niet met elkaar kunnen communiceren.

De leiding van de afdeling Operationele Ondersteuning wordt toevertrouwd aan Michel Cappelle (GP). De rijkswacht is er handig in geslaagd haar CBO buiten deze afdeling te houden, zodat hierin vooral delen uit de boedel van de gepluimde GP zijn ondergebracht: het wapenregister, het centraal signalementenbulletin, de dienst gerechtelijke identificatie van wapens en munitie, de dienst voor valse identiteitsdocumenten, de berichten aan het publiek, de AGG, het centraal documentatiebureau, en de nieuwe nationale politiebrigade die de georganiseerde financieel-economische criminaliteit te lijf moet gaan. Voormalig journalist en criminoloog Paul Ponsaerts ten slotte wordt de baas van de afdeling Beleidsondersteuning, die instaat voor de verzameling van politiestatistieken en het vijfhoeksoverleg. Kortom, de rijkswacht domineert, de GP krijgt de kruimels en de gemeentepolitie telt helemaal niet mee. De commentaar van Politeia is beeldend genoeg: ‘De wolf wordt opgesloten met twee lammeren, waarvan er één kreupel is.’

Met de oprichting van de APSD en het Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid is de verbouwing van de nv Politie goed opgeschoten. Maar een essentieel onderdeel, de controle op de politie- en veiligheidsdiensten, wil niet vlotten. De wet dateert al van 18 juli 1991. Pas in 1993 worden de leden van de Comités P en I door het parlement geïnstalleerd. De vijf leden ervan, allen afkomstig uit politie en justitie, zijn zoals gebruikelijk door de grote politieke partijen voorgedragen. Het comité P wordt geleid door de voormalige Dendermondse onderzoeksrechter Freddy Troch (CVP). Andere leden zijn: ondervoorzitter Georges Pyl (SP, politiecommissaris te Antwerpen), Arille Cornet ,(PSC, adjunct-politiecommissaris te Luik), Waker De Smedt (VLD, onderzoeksrechter te Antwerpen) en Valère De Cloedt (PS). Troch en de zijnen krijgen op 6 mei 1994 een huishoudelijk reglement. Met bijna drie jaar vertraging kan het gezelschap eindelijk aan het werk. De onderzoeken van het Comité P worden uitgevoerd door de Dienst Enquêtes, die bestaat uit veertien voormalige politiemensen. Het team staat onder leiding van Patrick Vandenbruwaene, afkomstig van het openbaar ministerie in Dendermonde.

Met de Europese en de gemeenteraadsverkiezingen voor de boeg, klinkt luider dan ooit de roep om meer veiligheid en om meer politie op straat. Het luidruchtigste is het Vlaams Blok. Het wil als het ware op iedere straathoek een agent stationeren. Juist dezer dagen, op 8 juli 1994, beslist de ministerraad enkele honderden extra miljoenen beschikbaar te stellen voor de gemakkelijkste ‘oplossing’, namelijk de uitbreiding van de politie. De rijkswacht vangt 317 miljoen voor de aanwerving van personeel, dat zich zal bezig houden met bureauwerk en slachtofferhulp. De gemeenten ontvangen van Binnenlandse Zaken financiële steun als ze personeel aanwerven voor de begeleiding van drugverslaafden of alternatief veroordeelden en als ze voldoen aan de criteria die bij de veiligheidscontracten worden aangelegd.

Hoe ziet de voorlopige balans van de met grote tamtam gelanceerde veiligheidscontracten er nu uit? Die contracten moesten het veiligheidsgevoel van de burger verhogen en de filosofie van community policing promoten. Is dat loffelijk doel bereikt? Onderzoekers van de vub nemen de situatie in Antwerpen en Gent onder de loep.(168) In Antwerpen ging 227 miljoen op aan aanwerving van hulpagenten, opleiding van wijkagenten, preventie, een klantvriendelijker onthaal, verbetering van de permanente opleiding, beveiliging van commissariaten, misdaadanalyse en uitbouw van het informaticanetwerk. In Gent werd de pot van 109 miljoen bestemd voor dezelfde doeleinden. Het ziet er allemaal goed uit, maar volgens de onderzoekers is men er nog lang niet. Community policing, het zogezegde redelijk alternatief voor hard policing, is alsnog niet doorgedrongen tot het dagelijkse politiewerk. Community policing vereist een mentale en organisatorische omschakeling van de korpsen en die blijft uit, want er is veel twijfel over de toekomst van de gemeentepolitie en er is voortdurend spanning tussen de ‘boevenvangers’, die hameren op het traditionele opsporingswerk, en de ‘sociale agenten’, die zich storten op doelgroepen en projecten. Voor het surveilleren doet de gemeentepolitie steeds meer een beroep op goedkope krachten, de zogenaamde ‘hulpagenten’. Daarnaast zet Antwerpen 22 buurttoezichters in. Ze dragen geen uniform en zijn ongewapend en noteren in de achtergestelde wijken de klachten van de bewoners.

Onderzoek van Synergie wijst uit dat het in Charleroi, Luik, Vorst, Molenbeek en Schaarbeek nog slechter gaat met de uitvoering van de veiligheidscontracten.(169) Eén van de doelstellingen: een politie die dichter bij de bevolking staat, wordt vooral in Schaarbeek op een originele wijze geïnterpreteerd. Hoofdcommissaris Johan Demol, ex-Dyane en ex-Front de la Jeunesse, propageert een ware Starsky and Hutch-aanpak van de misdaad.

Tegen die achtergrond is enige scepsis over het effect van de veiligheidscontracten op zijn plaats. Zeker, er is meer politie en toezicht op straat, maar tegelijk lijken de gevoelens van onveiligheid bij de burger hoger dan ooit tevoren. En dat kan niet anders, want Binnenlandse Zaken is één zaak vergeten: criminele politiek is voor alles sociale politiek. Een politieagent is geen superman, geen belichaming van ‘het goede’, die de bevolking tegen ‘het kwade’ kan beschermen. Hij is geen bulldozer, die de puinhopen van een tekortschietend sociaal beleid kan opruimen.

Welnu, sinds de jaren dertig zijn er nooit zoveel signalen geweest die duiden op een sociale, economische en morele malaise: de economische recessie; het hoge percentage verslaafden; de langdurige en hardnekkige werkloosheid; de grote technologische veranderingen, die de arbeidsmarkt ontwrichten door flexibiliteit, mobiliteit en internationalisering; de door de commerciële media opgehemelde ikzucht; de toenemende discriminatie en corruptie. Elk voor zich zijn dit verschijnselen die ernstig en moeilijk oplosbaar zijn, maar wanneer zij tegelijkertijd optreden ontstaat er een voedingsbodem voor fascistoïde en fascistische bewegingen. Toch lijken de politici daar nauwelijks van wakker te liggen. Ze blijven de misdaadproblematiek simpelweg reduceren tot een ‘veiligheidskwestie’.

Zo spreiden ze het bedje van extreem-rechts, dat tijdens de verkiezingscampagne uitpakt met de gebruikelijke demagogische clichés over onveiligheid en immigratie. Bij de Europese verkiezingen, op 12 juni 1994, geven 700.000 Belgen hun stem aan extreem-rechts, verspreid over het Vlaams Blok (463.000) en het Front National Beige (FNB) en AGIR (218.000). Op 9 oktober 1994 vinden de gemeenteraadsverkiezingen plaats. Een nieuwe ‘zwarte zondag’ blijft niet uit. Het Vlaams Blok boekt flinke winst en behaalt 204 raadszetels. In 1988 waren dat er nog maar 23. De uitslag die het hardst aankomt is die van Antwerpen. Weliswaar blijft het Blok daar nog net onder de 30 procent, maar het wordt de grootste partij in de stad en alleen een lappendeken van vier partijen kan het Blok uit het college van burgemeester en schepenen houden. Zelden heeft een veiligheidsbeleid zo gefaald.

Interpolitiezones (IPZ’s) - Inhoud

In september 1994 publiceert minister Tobback een beleidsnota die - achteraf gezien - voor zijn politiek testament kan doorgaan.(170) Hij somt één voor één zijn prestaties op: de veiligheidscontracten, de Algemene Politiesteundienst, de samenwerkingsakkoorden tussen gemeentelijke politiekorpsen - 39 op 15 juli 1994 - en tussen rijkswacht en gemeentepolitie. De minister herinnert eraan dat dit laatste gebeurde op basis van zijn omzendbrief OOP 13, die het beginsel van de complementariteit benadrukt: de gemeentepolitie oriënteert zich prioritair naar lokale fenomenen en de rijkswacht naar zaken van nationale of internationale draagwijdte.

Professor Cyrille Fijnaut vind deze passage wel wat vreemd. ‘De minister doet of zijn neus bloedt. Hij laat uitschijnen dat het complementariteitsbeginsel overeind bleef, maar tegelijkertijd schaart hij zich achter de rijkswachtcommandant, die in maart 1994 heeft verklaard dat de interne reorganisatie er vóór alles op gericht is om meer rijkswachters te kunnen inzetten voor het lokale politiewerk’, aldus de Leuvense criminoloog. En hij concludeert: ‘Dus niks complementariteit! Maar gewoon de uitbouw van twee volwaardige (ook gelijkwaardige?) politiediensten die op hetzelfde territorium met dezelfde politietaken zijn belast.(171)

Het Comité P komt tot dezelfde conclusie in haar eerste jaarverslag, dat op 11 oktober 1994 verschijnt.(172) Dit parlementair adviesorgaan zwaait de rijkswacht eerst veel lof toe: het is ‘het best georganiseerde en opgeleide korps van België’, maar merkt daarna scherpzinnig op dat zij haar projecten Integrale Kwaliteitszorg ook opzet in streken waar een efficiënte gemeentepolitie voorhanden is. ‘Daar moet de wijkpolitie zich nu meten met sector-rijkswachters’, aldus het Comité P. De kritiek is lang niet mals: ‘Deze evolutie druist in tegen de omzendbrief OOP 13. Twee politiediensten die hetzelfde doen, dat is een overbodige weelde.’

Het rapport van het Comité P valt de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Johan Vande Lanotte, koud op zijn dak. De voormalige kabinetsmedewerker van Tobback zet prompt de tegenaanval in: ‘Ik ben niet voornemens te werken met een eerstelijnspolitie (de gemeentepolitie) en een complementaire politie (de rijkswacht). Ze moeten allebei de straat op en de taken onder elkaar verdelen’, repliceert hij. Politeia vraagt: ‘Zal dit op den duur niet op een eenheidspolitie uitlopen?’ Waarop Vande Lanotte laconiek antwoordt: ‘Nee, wij gaan politiezones creëren, waarin rijkswacht en gemeentepolitie verplicht zijn samen te werken.(173)

In deze turbulente oktoberdagen mengt ook commandant Deridder zich in het debat. Tk denk dat er in ons land altijd twee politiediensten zullen bestaan’, zegt hij in Humo. ‘Er is nu eenmaal in België een diep gewortelde traditie van gemeentelijke autonomie. Maar zoals de zaken nu staan met de georganiseerde misdaad, is het ondenkbaar dat rijkswacht en GP uiteindelijk niet zullen samengaan.’(174) Daarmee geeft de sterke man van de rijkswacht een interessant kijkje in zijn keuken. De snuggere politiemanager hanteert een salamitactiek: in het huidige politieke klimaat zit een gehele eenheidspolitie er niet in, dus heeft hij voorlopig vrede met een halve oplossing.

De GP weet stilaan hoe laat het is. Toevallig of niet, precies op dat ogenblik lekt een doorlichting van het commissariaat-generaal in de media uit. De audit is uitgevoerd door een team, samengesteld uit onder meer de rijkswacht en de Vlerick School voor Management. De doorlichting laat geen spaan heel van het beleid van commissaris-generaal Roger Moens en diens adjunct Christian De Vroom. Zij zouden een heldere strategie missen, geen benul van management hebben en in een berg papier verzuipen. Moens verdedigt zich nijdig tijdens een persconferentie op 13 oktober 1994. Hij houdt minister van Justitie Melchior Wathelet (PSC) en het college van procureurs-generaal verantwoordelijk voor de aftakeling van het commissariaat-generaal, dat de werking van de verschillende GP-korpsen coördineert.

Zij zouden zijn herhaalde verzoeken om meer middelen en mankracht systematisch genegeerd hebben. Het is een veeg teken dat alleen de PRL het voor Moens en de GP opneemt.(175)

Inmiddels broeit in eigen gelederen het ongenoegen. Een aantal misnoegde GP’ers richten de Autonome Vakbond van de Gerechtelijke Politie (AVGP) op. Ze zijn woedend op de top van de gp. Voorzitter Mare Callu van de Brusselse GP neemt geen blad voor de mond: ‘De GP-leiders zijn onbekwame carrièremakers, die intriges belangrijker vinden dan een serieus politiebeleid. We moeten ze eruit trappen voordat ze de GP onherroepelijk verknoeien.(176)

In weerwil van vijfhoeksoverleg en allerlei ministeriële omzendbrieven blijven de relaties tussen de politiediensten nog voortdurend verslechteren. De rijkswacht praat aan één stuk door over samenwerking, maar breidt intussen haar invloed uit. Sinds het aantreden van Vande Lanotte laat ze zich van haar agressiefste zijde zien. De gemeentepolitie krijgt in oktober 1994 een gemene trap onder de gordel. De rijkswacht becijfert dat de staat ongeveer 56,7 miljard in de politie investeert, waarvan bijna 30 miljard naar de gemeentepolitie, 24 miljard naar de rijkswacht en 2,5 miljard naar de GP zou gaan. Een rijkswachter zou gemiddeld 400.000 frank per jaar minder kosten dan een politieagent, die bovendien minder bereikbaar zou zijn.(177)

In een Open protestbrief ontkrachten verscheidene politiecommissarissen de misleidende kostprijsberekening. Tevens klagen zij de verontrustende rijkswachtexpansie aan.(178) De lijst van klachten is indrukwekkend. De rijkswacht is erop uit zelf sporenonderzoek te verrichten. Sinds kort mogen de politiecommissarissen alleen nog maar overleg plegen met de chefs van de rijkswachtbrigades. Zij mogen zich niet meer rechtstreeks tot de officieren op districtsniveau wenden. In sommige gebieden weigert de rijkswacht aan sommige acties van de gemeentepolitie mee te werken. In enkele gemeentehuizen mag de rijkswacht zelfs een soort lokale hulppost inrichten. Ook een op 4 juli 1994 door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie afgesloten protocolakkoord over de bilaterale politiesamenwerking met de buurlanden zit de politiecommissarissen erg hoog. Het akkoord, een uitvloeisel van het Schengenverdrag, kwam tot stand buiten medeweten van de gemeentepolitie en bepaalt dat een rijkswachtdistrict als ‘contact- en invalspunt’ de honneurs zal waarnemen voor alle politiediensten.

De gemeentepolitie ziet ook de interne reorganisatie van de rijkswacht met lede ogen aan. Deze reorganisatie, die op 9 december 1994 wordt aangekondigd, zal over verschillende jaren gespreid worden, zodat de nieuwe structuren langzaam kunnen ‘inzakken’, en iedereen de tijd krijgt aan zijn nieuwe stoel te wennen. Maar eens dat achter de rug, zou de productiviteit moeten stijgen. In ieder groot bedrijf is efficiëntiewinst te boeken, dus ook bij de rijkswacht. Twee dingen moeten daartoe bijdragen: afbouw van de logge commandostructuur en schaalvergroting, waarbij evenwel niet wordt getornd aan de Pruisische en hiërarchische stijl, die het korps van oudsher kenmerkt.

De rijkswacht is nu opgedeeld in 5 gebieden, 9 territoriale groepen, 52 districten en 427 brigades. Elk gebied heeft een mobiele groep. Wat blijft hiervan na de reorganisatie nog over? De meest opvallende ingreep is de uitbouw van mega-districten, die grotendeels samen zullen vallen met de gerechtelijke arrondissementen. Het aantal districten zal op termijn tot 21 worden verminderd. Voorts worden de mobiele groepen afgeslankt en in een Algemene Reserve (arg) verenigd. Deze centralisatie maakt personeel vrij voor politiewerk. De Algemene Reserve, die in geval van nood kan worden aangevuld met ‘marspelotons’ uit andere eenheden, waarborgt een efficiënte ‘relbestrijding’, doordat de leden als een hechte groep opereren, binnen een duidelijke communicatie- en commandostructuur.

Ten slotte worden de gebieden opgedoekt. Hierdoor wordt de bevelslijn tussen het algemene commando en de lokale eenheden korter en kan er extra mankracht verkast worden naar de sectorwerking van de 427 lokale brigades. Daarmee hoopt de rijkswacht vaste voet te krijgen in de wijken en de gemeentepolitie de loef af te steken. De sector-rijkswachters richten zich vooral op criminele fenomenen (autodiefstallen bijvoorbeeld) of doelgroepen (jeugdbendes enzovoort). Voor de wijkagenten blijft vooral het kleine, nare werk over: geluidsoverlast, buren- of café- of andere ruzies, kleine inbraakjes en berovingen.

De sector-rijkswachters zijn ook toegesneden op de Interpolitiezones (IPZ’s), die een deel van een grootstad of meerdere gemeenten omvatten. Op 25 januari 1995 stuurt minister Vande Lanotte een Discussienota over de IPZ’s aan commandant Deridder en Carlos De Troch, de voorzitter van de Federatie van Commissarissen en Adjunct-commissarissen. De nota wakkert de onrust van de gemeentepolitie nog aan. De IPZ’s vegen in één klap de intergemeentelijke samenwerkingsakkoorden van tafel, door Tobback gefinancierd om de gemeentepolitie in de gelegenheid te stellen grensoverschrijdend en doelmatig op te treden. Vande Lanotte dwingt de gemeentepolitie in de IPZ’s samen te werken met de rijkswacht. Per IPZ moeten burgemeesters, procureur des konings en de politiediensten een ‘veiligheidscharter’ afsluiten, waarin onder meer een taakverdeling wordt uitgestippeld.

Zo helpen de IPZ’s mee de weg effenen voor de nationale regie over de politie waarop van oudsher zo’n taboe rust. Als er een eenheidspolitie moet komen, dan liefst via een natuurlijk proces, is kennelijk de onuitgesproken visie van Vande Lanotte. Naarmate gemeentepolitie en rijkswacht nauwer samenwerken, zullen de ‘culturele verschillen’ wel vanzelf vervagen, zodat er een moment komt, waarop de minister van Binnenlandse Zaken kan zeggen: okay, we maken er ook in de wet één politieorganisatie van en we doen er een nationale strik omheen.

De Vlerick-boys - Inhoud

Commandant Deridder heeft van meet af aan doorgewinterde managers om zich heen verzameld, zoals kolonel Jacques Van Belle en kapitein Michel De Smedt, een lesgever aan de bekende Vlerick School voor Bedrijfsmanagement. Ze zijn ambitieus, pragmatisch en veeleisend. En dat zijn precies de eigenschappen die nodig zijn om deel uit te maken van de zogenaamde cel ‘corporale management’, die vastlegt waar de rijkswacht en het hele politiebestel heen moeten.(179)

Alles verloopt planmatig, zonder improvisatie. En de plannen schieten goed op. Zelfs sneller dan gedacht. De ‘Vlerick-boys’ hebben de boel al aardig op de rails. De demilitarisering, de interne reorganisatie en de ‘publieksvriendelijke’ aanpak verlopen vrijwel rimpelloos. Presentatie en marketing worden daarbij niet geschuwd. ‘Bij een goed product hoort nu eenmaal een moderne verpakking’, geeft kolonel Willem Vanden Broeck toe.(180) ‘De nieuwe waarden’ worden dan ook op aantrekkelijkheid beoordeeld. En aantrekkelijk zijn ze. Ze sieren de muren van alle rijkswachtbrigades. ‘Eén: de individuele rechten en vrijheden van elke burger eerbiedigen, in het bijzonder door een doordachte en tot het strikte minimum beperkte aanwending van onze macht. Twee: de democratische instellingen eerbiedigen, onder meer door openlijk verantwoording voor onze acties af te leggen. Drie: blijk geven van een volstrekte onpartijdigheid, onkreukbaarheid en integriteit’. Het oude logo, het wapenschild met daarop een zilverkleurige granaat, moet naar het museum. ‘De uitstraling van het nieuwe logo getuigt van interne degelijkheid of om het in communicatietermen te stellen: het corporale image en de corporale identity van het korps reiken mekaar de hand’, schrijft Vanden Broeck zonder een spoor van ironie. De woordvoerder van de rijkswacht geeft hiermee een staaltje van de bloedeloze taal, die gebruikelijk is sinds de Vlerick-boys de dienst uitmaken.

De Vlerick-boys kijken al naar de toekomst. Hun ‘bedrijfsstrategie’ is erop gericht de concurrenten één voor één weg te spelen en de rijkswacht uit te bouwen tot de ruggengraat van een eenheidspolitie. In de grond lijken hun opvattingen als twee druppels water op die van Frank Denis, mentor van Team Consult en ook een product van de aan de Gentse universiteit gelieerde Vlerickschool. Het komt de politiemanagers goed uit dat op politiek vlak, althans in Vlaanderen, de instemming voor een eenheidspolitie zienderogen groeit. Er zijn begin 1995 verscheidene signalen dat het die kant op gaat. Kamerlid Tony Van Parys grijpt op een CVP-studiedag de door de rijkswachttop aangewakkerde ‘politieoorlog’ aan om een integratie van de politiediensten te bepleiten.(181) Ook VLD, vu en Vlaams Blok toonden zich al eerder voorstanders van zo’n integratie.

Een eenheidspolitie hoort er dus wel te komen, zij het niet op korte termijn, maar langzaamaan, liefst in stilte, geheel conform de recepten van het procesmanagement, waarin de rijkswachttop zeer goed thuis is. In de praktijk betekent dit dat telkens nieuwe stappen worden gezet in de richting van de gewenste eenheidsstructuur, zodat er geen weg terug meer is. De minister van Binnenlandse Zaken kent als geen ander de strategie van de rijkswachttop, met wie hij wekelijks om de tafel zit. En zoals altijd worden de belangrijke zaken in de wandelgangen afgehandeld. Niet voor niets wordt Deridder door insiders de ‘schaduwminister voor politiezaken’ genoemd. Nooit voorheen heeft een politiechef zo ostentatief de Brusselse Koningstraat 62 plat gelopen.

Maar Vande Lanotte en Deridder kunnen niet vrijuit spreken. Dat zou de tegenstanders maar in de kaart spelen. Dus laten ze dat over aan de Gentse hoogleraar Brice De Ruyver, een collega van Vande Lanotte en medewerker bij het politieblad Politeia, dat door Binnenlandse Zaken wordt gepatroneerd. Begin 1995 spreekt hij in Deinze voor een publiek van politieambtenaren. Het is alsof de mist optrekt. Menigeen is op zijn zachtst gezegd onaangenaam verrast door De Ruyvers manoeuvre. Het rapport van Team Consult krijgt alvast goede cijfers. ‘Als we zien door de bril van een manager is er veel te zeggen voor een eenheidspolitie’, vindt De Ruyver.(182) Eigenlijk sleutelt hij niet veel aan de blauwdruk van Team Consult. Hier een regeltje erbij, daar er een af, maar de hoofdlijnen en de ‘stap-voor-stap strategie’ blijven overeind.

Een belangrijke stap, zo betoogt hij, is de gedwongen samenwerking van gemeentepolitie en rijkswacht in de IPZ’s. Tegenstribbelende gemeentebesturen en politiechefs krijgen het verwijt ‘onverantwoordelijk te handelen’, ‘niet over de veiligheid in te zitten’ en ‘een steriele interpretatie van de gemeentelijke autonomie te cultiveren’. In een volgende fase moeten de bob, de GP en de servicediensten (APSD, CBO) in een federale politie worden samengevoegd. En dan komt de kroon op het werk: de integratie van alle diensten in een eenheidspolitie. De Ruyver ruimt hierbij een centrale plaats in voor de rijkswacht, die hij kenschetst als ‘een moderne, efficiënte organisatie die de misdaad van de volgende eeuw aankan’. Alarm over de georganiseerde misdaad is het ultieme argument. De Ruyver: ‘Als de krachten niet worden gebundeld, dreigt België te vervallen tot een wingewest van Oost-Europese en Noord-Franse dievenbendes.’

In de aanloop naar de parlementsverkiezingen wordt er hoog ingezet op het thema criminaliteitsbestrijding. Blijkens opinieonderzoek scoort het thema onveiligheid hoog bij de burger. Dus besluit de regering-Dehaene op safe te spelen. Binnenlandse Zaken investeert volop in het Politie Informatica Project (pip). Begin 1995 heeft dit project, waarvan de bekende firma’s CSC en Team Consult de architecten zijn, al 900 miljoen frank gekost.(183)Het wordt nu, na een lange voorbereiding, langzaamaan uitgerold over alle gemeentelijke politiekorpsen, die daardoor toegang krijgen tot de databanken van de rijkswacht, pip betekent een enorme sprong vooruit in de informatieuitwisseling tussen de korpsen en maakt heel wat administratief werk overbodig, zodat er meer agenten de straat op kunnen.

Daarnaast injecteert de regering op 3 februari 1995 een slordige 3 miljard extra in het lokaal veiligheidsbeleid. Zowat 1,54 miljard wordt uitgetrokken voor de verlenging van de 29 ‘veiligheidscontracten’. Hierdoor krijgt de politie in de 29 ‘risicogemeenten’ er zo’n 1.500 agenten bij. De aanwerving van extra burgerpersoneel in het kader van drugpreventie kost 200 miljoen. Voor 1995 leggen de ‘veiligheidscontracten’ het accent op de aanpak van vermogenscriminaliteit en de ‘harde-kern-jongeren’.(184) ‘Geen enkele regering stopte ooit zoveel geld in de veiligheid’, constateert Tony Van Parys (CVP) voldaan.(185) Ook Mare Harmegnies (PS) is trots op de ‘veiligheidscontracten’, hoewel ze eenzijdig de nadruk op veiligheid leggen en ze de greep van Binnenlandse Zaken op preventie en op gemeentelijke aangelegenheden enorm vergroten.

De belofte ‘meer blauw op straat’ lijkt door de politiek per opbod te worden verkocht. Volgens Ward Beysen deugt er helemaal niets aan het veiligheidsbeleid. ‘De regering moet nu maar eens door de zure appel van de politie-reorganisatie bijten en resoluut voor modern politiemanagement kiezen’, aldus de VLD-leider, die opkomt voor één korps per arrondissement en de IPZ’s slechts als een ‘tussenfase’ naar zo’n eenheidspolitie ziet.

Op 6 april 1995 vaardigt Vande Lanotte de eerste richtlijnen uit met betrekking tot de IPZ’s. Een Vaste Stuurgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van rijkswacht en gemeentepolitie, moet onder de vleugels van Binnenlandse Zaken het hele IPZ-project ‘sturen’. Maar wie kan de gemeentepolitie vertegenwoordigen? De gemeentepolitie en de GP hebben geen aanspreekpunt voor de rijkswacht en de regering. Deze kunnen niet adequaat met die politiediensten overleggen als ze niet een soort generale staf krijgen.

De door Vande Lanotte op 5 april 1995 ingestelde Vaste Commissie van de Gemeentepolitie moet daarin voorzien. Het nieuwe orgaan krijgt het recht om te spreken in naam van de hele gemeentepolitie. De nationalisering van de lokale politie lijkt wel onstuitbaar. De minister van Binnenlandse Zaken zelf wijst de 14 leden aan. Hoofd van de Vaste Commissie wordt Carlos De Troch, hoofdcommissaris in Aalst. De commissarissen van Luik, Jette en Mechelen worden vice-voorzitter. De andere leden komen uit de rangen van de korPSChefs van de grote gemeenten.

Leden van de Vaste Commissie worden meteen in de Centrale Stuurgroep gedropt. Zo brokkelt het verzet tegen de IPZ’s af. Het gaat nu heel snel. Op 9 mei 1995 keurt de Centrale Stuurgroep al een document goed met de veelzeggende titel Naar een vernieuwde samenwerking van de politiediensten. De tekst bezegelt het einde van de ‘complementaire’ rol van de rijkswacht.

Ook de GP krijgt een soort generale staf. Minister van Justitie Wathelet reorganiseert het commissariaat-generaal, zodat de opvolger van Roger Moens, Christian De Vroom, voortaan in naam van de hele GP mag spreken. In feite verandert dit weinig aan de positie van het commissariaat-generaal, dat lamgeslagen is sinds het grootste deel van haar boedel en bevoegdheden naar de APSD is gegaan.

De nieuwe GP-baas is bovendien niet voor zijn taak berekend, want eerlijk gezegd, een briljante strategie houdt De Vroom er niet op na. Hij wil de GP meer losmaken van haar belangrijkste bondgenoot, de justitie. ‘We willen niet langer de knechtjes van de magistraten zijn’, zegt hij.(186) En van meer democratische controle moet hij niks hebben. ‘Dat zal de problemen niet oplossen, wel integendeel’. Als het om de toekomst van de GP gaat, wordt zijn toon even aanvallend. ‘Ik neem het niet dat de rijkswacht een openbaar bod doet op de twee andere politiediensten’. Ideaal zou zijn wanneer de GP de bob zou opslokken. Maar De Vroom gelooft er niet echt in. De GP en ‘haar’ minister van Justitie vormen geen blok zoals de rijkswacht en Binnenlandse Zaken. Berouwvol slaat De Vroom zich op de borst: ‘Hadden we maar even duchtig politiek gelobbyd als de rijkswacht’.

Toch krijgt de GP begin mei 1995 een steuntje in de rug. De zogenaamde Deva-commissie, onder leiding van procureur-generaal Georges Demanet uit Bergen en de Gentse advocaat-generaal Vandeputte, stelt voor om zware criminele dossiers zoals moord, doodslag, nachtelijke brandstichting, fraude en seksmisbruik van kinderen bij voorkeur aan de GP toe te vertrouwen. ‘Over mijn lijk’, reageert Vande Lanotte. ‘De GP moet zonder meer in de rijkswacht opgaan’.(187) Gewoontegetrouw is de eensgezindheid tussen rijkswacht en Binnenlandse Zaken volmaakt. Op 5 mei 1995, De Dag van de Rijkswacht, herhaalt Deridder in het bijzijn van de premier nog eens de woorden van zijn voogdijminister.

Intussen woedt de verkiezingsstrijd volop. Premier Dehaene heeft de verkiezingen vervroegd omdat hij een zachte landing wenst voor zijn rooms-rode regeringsploeg, nu de Vlaamse en Waalse socialisten tot aan hun nek in het Agusta-omkoopschandaal bitten. Eerst moeten drie PS-ministers - Guy Coëme, Guy Spitaels en Guy Mathot: de ‘drie Guy’s’ - ontslag nemen. Daarna pakt onderzoeksrechter Véronique Ancia de sp aan. Ze beveelt de aanhouding van de financieel adviseur en de voormalige secretaris-generaal van de partij. De SP-kopstukken Willy Claes, Louis Tobback en Frank Vandenbroucke weten eerst van niks en niemendal, maar moeten ten slotte openlijk toegeven dat er wel degelijk in de partijtop over het Agusta-smeergeld gesproken is.

Te midden van deze affaires roept extreem-rechts op tot ‘de grote kuis’. Het Vlaams Blok voelt zich in het politieke krachtenveld zo veilig dat het zonder enige schaamte de parlementaire democratie aanvalt. Onder de slogan ‘Nu afrekenen’, met het beeld van een vuist die hard op tafel slaat, zet het Blok zich af tegen ‘de heersende, corrupte politieke klasse’. Op 22 mei 1995 slaat het Blok zijn vleugels verder uit. Voor de Vlaamse Raad scoort het Blok 12,3 procent. Met 11 zetels in de Kamer en 15 in de Vlaamse Raad wint het Blok aan politieke invloed. De bruine vlek spreidt zich uit tot Brussel en Wallonië, waar het FN 138.213 kiezers achter zich verzamelt, goed voor 2 kamerzetels.

Desondanks overleeft de regeringsploeg van Dehaene de electorale storm. In het kabinet-Dehaene II blijft Vande Lanotte op post. Melchior Wathelet heeft sinds 1988 niet veel gedaan op het ministerie van Justitie. Hij heeft het ‘Pinksterplan’ niet uitgevoerd. Erger nog, het justitieel apparaat raakte verwaarloosd en gedemoraliseerd. Wathelet schoof zijn dossiers van de ene tafel naar de andere en waste zijn handen in onschuld. Premier Jean-Luc Dehaene kiest daarom in zijn nieuwe regeringsploeg de West-Vlaming Stefaan De Clerck, afkomstig uit de rechterzijde van de CVP, om ‘de stal uit te mesten’.

IV De kronkelige weg naar een eenheidspolitie - Inhoud

Het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) - Inhoud

Het CBO, opgericht op 5 juli 1965, is het zenuwcentrum van de misdaadbestrijding. Het fungeert als criminele databank, die wordt gevoed met gegevens door lokale rijkswachters, gespecialiseerde POSA-eenheden, informanten en buitenlandse diensten. Met de informatie van de surveillerende straatgendarm kan het CBO al praktisch aan het werk, want de misdaadbestrijding begint en eindigt toch op straat. De lokale rijkswachter weet veel over individuele criminelen. Het is heel belangrijk om die gegevens goed op elkaar af te stemmen. De meerwaarde van het CBO is dat het de ‘harde’ en ‘zachte’ informatie bij elkaar zet, analyseert en verwerkt.

‘Harde’ informatie blijkt uit procesverbalen. Deze komt terecht in het POLIS-informaticasysteem. De rijkswacht wordt steeds meer een informatieverwerkend bedrijf. Zij beschikt in 1995 over 3.600 pc’s, waarvan 1.041 bestemd zijn voor het POLIS-project. Voor de burger hebben deze technologische ontwikkelingen weinig betoverends. Dankzij de automatisering, zo blijkt, vergaart de rijkswacht steeds meer inlichtingen. Dat leidt tot een grotere doelmatigheid, maar het verscherpt ook de sociale controle en het roept stilaan het beeld op van een Orwelliaanse samenleving, waarin de politie als Big Brother over zoveel gegevens beschikt dat de vrijheid van de burger in het geding komt.

De cijfers spreken boekdelen, polis bevat eind 1994 ‘harde’ informatie over 432.533 personen, 2.332.865 feiten, 248.361 voertuigen, 710.224 voorwerpen en 5.342 plaatsen. Concreet betekent dit dat meer dan een flink deel van de bevolking in de rijkswachtcomputer zit. Het aantal personen is opgesplitst in 380.993 ‘verdachte’, 48.176 ‘op te sporen’ en 1.579 ‘te volgen personen’. Daarnaast slaat de rijkswacht ook ‘zachte’ informatie op over misdrijven die men in het vizier heeft, maar die nog niet zijn gepleegd. Het CBO beschikt daarvoor over de databank ‘Megasys’.(188) Tussen haakjes, ook de GP beschikt over een indrukwekkend geïnformatiseerd bestand, waarin ruim 1,3 miljoen dossiers zijn verwerkt en dat behalve ‘harde’ ook ‘zachte’ informatie bevat.(189)

Informatie is macht. Dat beseft de rijkswacht beter dan geen ander. ‘Alles draait om informatie’, bekent Alain Duchatelet volmondig. ‘Eigen korps eerst’ is nooit ver weg. ‘Wie slooft zich nu uit om informatie voor een andere politiedienst te verzamelen?’, aldus de kolonel. ‘Het is een illusie dat de politiediensten alle informatie met elkaar delen, want het echte politiewerk steunt op zachte informatie, die niet zomaar kan worden doorgegeven. Daarom is de werking van de sector-rijkswachter nodig.(190)

Informatie is dan ook de inzet van toenemende rivaliteit onder de politiediensten. Het is tekenend dat de rijkswacht voortdurend de mond vol heeft van samenwerking, wederzijds vertrouwen en respect, maar in feite de informatiemarkt steeds meer monopoliseert. Informatie is handel en de rijkswacht wil er wat voor terug. Zo krijgt de gemeentepolitie wel toegang tot polis, maar ze moet dan wel haar informatie afstaan. De Antwerpse politiecommissaris Tony Dyck, lid van de afdeling Politiebeleidsondersteuning bij de APSD, is daarover niet te spreken. ‘De gemeentepolitie verstrekt alle informatie die zij heeft, maar het CBO geeft nooit enige feedback onder de vorm van analyses’, klaagt hij.(191)

Het CBO is er nu eenmaal voor de rijkswacht alleen, in tegenstelling tot de APSD, dat een service-dienst is ten behoeve van de hele Belgische politie. Doordat het CBO veelal als een kloek op de zelfverzamelde informatie zit, wil Dyck de dienst in de APSD opnemen. Maar daarvan wil de rijkswacht niets weten. Zij beweert dat CBO en APSD elkaar niet overlappen. Overigens neemt de rijkswacht in de APSD zo’n dominante positie in dat ze er met gemak een stokje voor kan steken. De gemeentepolitie daarentegen legt niet veel gewicht in de schaal. Van de 330 personeelsleden van de APSD is er amper een twintigtal afkomstig van de gemeentepolitie. En die bekleden dan nog een ondergeschikte functie.

Over het algemeen betaalt de APSD tol aan het snelgroeiende CBO. Onder de huidige baas, luitenant-kolonel Henri Berkmoes, trekt het CBO het beste personeel aan. Het telt nu 43 officieren, 130 onderofficieren en 29 burgers. Het CBO breidt zijn werkgebied voortdurend uit.(192) De dienst heeft thans 5 grote afdelingen: Drugs, Mensenhandel, Leefmilieu, Criminele organisaties en Vermogens, en ten slotte Eigendommen en Personen. Deze laatste is onderverdeeld in Nationale Cel Hormonen, Hold-up en Wapens, Autozwendel, Gijzeling, Ontvoering, Afpersing, Misdrijven tegen Personen en Diefstallen.(193) Het CBO ondersteunt de lopende onderzoeken van de lokale eenheden. De vijf verschillende afdelingen kunnen ieder vanuit hun eigen deskundigheid een specifieke waarde toevoegen aan deze informatie-uitwisseling.

De wildgroei van het CBO kan niet alleen worden geweten aan expansiedrift van de rijkswacht. Ook de politieke overheid is hiervoor verantwoordelijk. De voogdijministers hebben de afgelopen jaren nooit op de rem getrapt of een wettelijke regeling uitgedokterd. Het CBO is derhalve alleen onderworpen aan interne richtlijnen, gedragscodes en toezichtsystemen. Zo wordt een cruciale kwestie als de ‘zachte’ informatie ‘geregeld’ door een geheime omzendbrief, die onder meer voorschrijft hoe een ‘runner’ met zijn informant moet omgaan en wat een informantenbeheerder hoort te doen.(194) Het reilen en zeilen van het CBO ontsnapt ook aan de controle van de justitiële autoriteiten. De dienst voert zelf geen gerechtelijke onderzoeken uit, zodat ze de procureurs en onderzoeksrechters niet als gesprekspartners erkent. Het CBO overlegt alleen met de nationale magistraten, los van de gewone parketten. In 1995 legt het CBO niet minder dan 502 dossiers aan de nationale magistraten voor. Vaak gaat het om grote internationale opsporingsonderzoeken die een vertakking naar België hebben.

Het CBO is immers de aangewezen partner voor buitenlandse politie-instanties en trekt steeds meer de kaart van de georganiseerde misdaad. Het houdt zich bezig met de analyse van trends en ontwikkelingen en experimenteert met het ‘pro-actief rechercheren’. Waar gerechtelijke onderzoeken pas starten als er sprake is van een delict, begint het CBO aan de andere kant, daar waar via analyse, observatie, infiltratie en andere technieken verdachte bewegingen of geldstromen van criminele netwerken in kaart zijn gebracht. Het CBO geeft leiding aan undercover- en infiltratieoperaties van de posa en het Speciaal Interventie Eskadron (sie), die alles weten van afluister- en video-apparatuur en andere technische snufjes.

Na de ervaringen met het nazi-regime is in democratische rechtsstaten de gedachte erin gehamerd dat geheime diensten en politie twee separate taken dienen te vervullen en verschillende methodes dienen toe te passen. Nu raken ze weer overal met elkaar verstrengeld. De ‘nieuwe’ staatsveiligheid, 370 man sterk, onder leiding van de voormalige Brusselse parketmagistraat Bart Van Lijsebeth, begeeft zich nu ook op het gebied van de bestrijding van de georganiseerde misdaad. En het CBO en de rijkswacht bedienen zich van undercovertechnieken die kenmerkend zijn voor geheime diensten.(195)

Het CBO gaat gaandeweg lijken op een recherche-inlichtingendienst, die de pro-actieve fase beheerst en het inlichtingenwerk monopoliseert vooraleer er concrete verdachten en procesverbalen zijn. De speurders van het CBO gaan ongehinderd hun gang tot het moment dat de onderzoeksrechter toestemming moet geven dwangmiddelen (huiszoekingen enzovoort) tegen concrete verdachten toe te passen. Zo kan het CBO een dossier geheel klaarmaken zonder inspraak en controle van het gerecht. Dit alles is illustratief voor de toenemende verzelfstandiging van de rijkswacht. Uiteindelijk bepalen niet de minister van Justitie of het college van procureurs-generaal de prioriteiten inzake misdaadbeleid maar CBO en rijkswachttop. Zij maken veelal zelf de selectie van zaken die zij wel of niet in onderzoek nemen.

Door het ontbreken van een wettelijke regeling en van een voldoende toezicht gebeuren er dingen die niet in de haak zijn. Twee voorbeelden. De CBO-afdeling Illegale Immigratie en Mensenhandel registreert wekenlang alle reizigers, vrouwen en kinderen inbegrepen, die naar Thailand vliegen. De toeristen zouden wel eens sekstoeristen kunnen zijn, redeneren de CBO-speurders.(196)

Voorbeeld twee. Om netwerken van clandestiene immigratie op te sporen, onderzoekt het CBO onder het mom van ‘wetenschappelijk onderzoek’ de visumaanvragen van alle Mauritiaanse toeristen.

‘Hoe bemachtigt het CBO in godsnaam de dossiers van visumaanvragen en hoe zit het met de eerbied voor de privacywet’, vraagt Ecolo-kamerlid Vincent Decroly. ‘Geen enkele minister kan ervoor zorgen dat de wet wordt nageleefd’, bekent minister Vande Lanotte ootmoedig. ‘Een politiekorps als de rijkswacht met 16.000 man beschikt over een zekere autonomie op dit gebied.’ En hij vervolgt: ‘Een dienst van de generale staf is belast met het toezicht op de toepassing van de wet en met de contacten met de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer.’ Kortom, de rijkswacht controleert nog steeds zichzelf.

De generale staf is zich bewust van het ‘privacyprobleem. Midden 1995 vaardigt ze richtlijnen uit voor het aanmaken van geautomatiseerde en manuele bestanden. Er worden nobele principes geformuleerd zoals ‘opportuniteit’ en ‘evenredigheid’, waarmee de rijkswacht suggereert dat zij het opslaan van gegevens tot een ‘noodzakelijk minimum’ zal beperken om de ‘wettelijke en welomschreven doelen te bereiken’. Maar de vage principes zijn voor velerlei uitleg vatbaar en worden geïnterpreteerd door de rijkswacht zelf. Wat de manier van vernietigen en de duur van het bijhouden van ongeoorloofde informatie betreft, houden de auteurs van de richtlijnen zich op de vlakte.

Kortom, er zijn geen garanties dat de rijkswacht zich aan de privacywet zal hóuden.

Waartoe zoiets kan leiden, wordt enkele weken later duidelijk.

Op 25 en 26 september 1995 wonen speurders uit België, Nederland en Duitsland in het Antwerpse Carlton-hotel de zogenoemde ‘Turkenconferentie’ bij. Luitenant Piet Van Gestel van het CBO onthult ‘Operatie-Rebel’, een grondige doorlichting van de Turkse gemeenschap. De bedoeling van de grootscheepse pro-actieve actie is verdachte drughandelaars op te sporen. De operatie is al ruim een jaar aan de gang. Niet alleen de aangewende technieken zijn verontrustend, maar ook het gebrek aan politieke en justitiële controle erop.

Buiten medeweten van Justitie worden in juni 1994, na raadpleging van het Rijksregister, zo’n 95.000 Turken gescreend.(197)Dit wordt pas op 10 oktober 1994 schriftelijk en op 23 mei 1995 mondeling aan de nationale magistraat gemeld. Mede op basis van een Europees onderzoek worden 12 Turkse families geselecteerd en wordt het Rijksregister opnieuw geconsulteerd. Volgens de eigenzinnige interpretatie van commandant Deridder breekt nu pas de pro-actieve fase aan.(198) Daarmee erkent hij dat aan Justitie niets is verteld wat zich in het ‘voortraject’ heeft afgespeeld. De nationale magistraat geeft op 27 augustus 1995 zonder verpinken zijn fiat aan de uiterst omstreden Operatie-Rebel.

De buitenlandse speurders staan versteld van Van Gestels uiteenzetting want zo’n acties kunnen in hun land niet door de beugel. Ze stellen dan ook pertinente vragen. Is zo’n Operatie wettelijk in België? Worden niet alle buitenlanders op die manier als ‘potentiële’ verdachten gebrandmerkt? Hoe lang mag de rijkswacht die informatie bijhouden? ‘Vermoedelijk 5 jaar’, reageert Van Gestel voorzichtig. Enkele weken later verandert de rijkswacht het geweer van schouder. Tijdens een werkvergadering bij Interpol, eind oktober 1995 in Lyon, kondigt een officier van het CBO aan dat de rijkswacht Operatie-Rebel inmiddels heeft voorgelegd aan de Belgische Commissie ter Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer. Dit argument volstaat om aanvaard te worden als enige Belgische gesprekspartner met betrekking tot alle internationale Turkse onderzoeksdossiers. Zo zet de rijkswacht - alweer - de APSD buiten spel.

Operatie-Rebel toont een paar dingen duidelijk aan. Het bewijst dat een alles omvattende controle van parket en onderzoeksrechter op het pro-actief onderzoek dringend noodzakelijk is. Het onderscheid tussen re-actief en pro-actief rechercheren betreft nu eenmaal geen ‘academische kwestie’, want daardoor verschuift het zwaartepunt van het onderzoek en het gerechtelijk werk steeds meer van justitie naar politie. De kwestie is dan ook veel te belangrijk om over te laten aan de nationale magistraat, die doorgaans te zeer in de ban van de politiecultuur is. , Verder toont Operatie-Rebel aan dat tegenwoordig veel geoorloofd lijkt uit naam van het bestrijden van de georganiseerde misdaad. Dit is kennelijk het alibi bij uitstek geworden om inbreuk te maken op grondrechten van de burger. Maar rijkswacht en CBO houden vol dat de openbare veiligheid en de democratie bedreigd worden door de georganiseerde criminaliteit. Die notie wordt vervolgens verbonden met het gevoel dat die misdaad niet uit België zelf komt, maar van buiten. De Turken, de maffia, het Oostblok - op die manier wordt het onderwerp ‘vreemdelingen’ en ‘immigratie’ één en hetzelfde als ‘georganiseerde misdaad’.

En de politieministers vinden dat wel handig en buiten het uit voor eigen gewin. Het idee dat de burger beschermd dient te worden tegen een te machtig geweldsapparaat - dat debat gaat daardoor geheel verloren.

Operatie-Othello - Inhoud

Op 24 juni 1995 worden Julie Lejeune en Mélissa Russo in Grace-Hollogne ontvoerd. De ouders zijn op van de zenuwen en waarschuwen de rijkswacht, die een oppervlakkig buurtonderzoek verricht. Het CBO signaleert de verdwijning. En de Luikse onderzoeksrechter Martine Doutrèwe? Zij droomt van vakantie. Kortom, het onderzoek komt traag op gang. Het duurt twee weken voordat de rijkswacht in actie komt. Op 7 juli 1995 tipt wachtmeester Didier Bouvy van Charleroi zijn collega’s uit Grace-Hollogne over Mare Dutroux. Deze gevaarlijke zeden-misdadiger, veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien en een half jaar wegens kinderverkrachting, kon op 8 april 1992 vervroegd de bak verlaten omdat hij eerst strafvermindering kreeg ter gelegenheid van een jubileum van wijlen koning Boudewijn en vervolgens in aanmerking kwam voor de wet-Lejeune, die de voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk maakt als een gevangene, na goed gedrag, een deel van de straf effectief heeft uitgezeten. Het bestuur van de gevangenis in Bergen, waar Dutroux was opgesloten, was voor voorwaardelijke vrijlating, maar de procureur-generaal was tegen. Wathelet hakte de knoop door en steunde de vrijlating. Dutroux kon gaan.

Bouvy en de rijkswacht van Charleroi weten veel over deze nietsontziende en psychopathische crimineel, die al sinds 21 oktober 1993 in de gaten wordt gehouden, omdat op die dag een informant, Claude Thirault, aan wachtmeester Christophe Pettens vertelt dat Dutroux zijn huis in Marchienne-au-Pont verbouwt om er kinderen in onder te brengen tot ze naar het buitenland vervoerd kunnen worden. Bij een bliksemactie op 8 november 1993 worden vijfhuizen van Dutroux onderzocht. De rijkswachters constateren dat hij inderdaad zijn kelders verbouwt en nemen foto’s. Daar blijft het niet bij. In januari 1994 wordt Dutroux geschaduwd door de zogenoemde posa, maar deze operatie onder de codenaam Décime levert niets op. Een nieuwe huiszoeking op 13 juni 1994 wijst uit dat de werkzaamheden aan de kelders niet zijn opgeschoten. Al bij al is de rijkswacht van Charleroi dus goed op de hoogte van de bizarre gewelddadigheid van Dutroux.

Op 7 juli 1995 maakt wachtmeester Bouvy alle informatie over aan adjudant Jean Lesage van de brigade van Grace-Hollogne. Tien dagen later vraagt deze brigade aanvullende informatie over Dutroux bij het CBO. De gegevens komen ruim een week later. ‘Dutroux staat bekend als verkrachter’, schrijft het CBO. De informatie wordt telkens informeel doorgegeven. Er worden geen procesverbalen opgemaakt, waardoor de rijkswacht onderzoeksrechter Doutrèwe deze bijzonder relevante inlichtingen onthoudt. Adjudant Lesage beweert dat hij eind juli 1995 Doutrèwe over het spoor-Dutroux spreekt, maar deze ontkent dat.

Het lijdt geen twijfel dat de rijkswacht Dutroux ervan verdenkt de spil te zijn in de ontvoeringszaak. Op 8 augustus 1995 nodigt CBO-topman Guido Van Rillaer collega’s van Charleroi, Thuin, Namen, Seraing en Grace-Hollogne uit voor een bijeenkomst de volgende dag in de lokalen van de bob te Charleroi. Letterlijk schrijft de CBO-topman in het geheime faxbericht: ‘De vergadering heeft betrekking op Dutroux en de verdwijning van Julie en Mélissa.’ Doutrèwe en de GP worden niet ingelicht. Op de besloten vergadering stippelt de rijkswacht haar strategie uit: Dutroux zal worden geschaduwd op verdenking van diefstal.

De aanwijzingen tegen deze topcrimineel stapelen zich iedere dag op. Op 10 augustus 1995 duikt er een tweede tipgever op die de beweringen van Claude Thirault - kelders voor kinderen - bevestigt. De rijkswacht moet nu Doutrèwe wel van het spoor-Dutroux op de hoogte brengen. Op 16 augustus 1995 heeft Lesage contact met de Luikse onderzoeksrechter. De één beschuldigt de ander achteraf van vaagheid over dit gesprek. De dag erop meldt de adjudant dat de rechter niet erg gebrand is op een onderzoek naar de gangen van Dutroux.

Het gaat met de affaire van kwaad tot erger. Op 22 augustus 1995 worden An Marchal en Eefje Lambrechs in Oostende ontvoerd. Twee dagen later verspreidt het CBO ‘een niet-dringend opsporingsbericht’. Dergelijke berichten circuleren alleen onder de rijkswachtbrigaden. De Brugse GP die het onderzoek naar de twee Hasseltse meisjes doet, krijgt ze niet. Ook bij deze verdwijning komen de speurders langzaam op gang. De ouders, die te horen krijgen dat tienermeisjes wel vaker een tijdje ‘zoek zijn’, starten uit wanhoop zelf een speuractie. Ze delen affiches uit aan de kust.

Op 25 augustus 1995 tekent Jean-Paul Legros het document waarbij Operatie-Othello wordt aangevraagd. De kapitein preciseert dat ‘sinds 1993 het gerucht gaat dat Dutroux zijn kelders verbouwt om er kinderen in onder te brengen’. De posa begint Dutroux te schaduwen, zij het zonder veel overtuiging. Dutroux wordt ’s nachts niet gevolgd, zijn telefoon wordt niet afgeluisterd enzovoort. Stilaan begint de kwestie surrealistische proporties aan te nemen. Op 4 september 1995 meldt de moeder van Dutroux aan onderzoeksrechter André-Jules Lorent dat er in het huis van haar zoon een tijdje twee tienermeisjes hebben gewoond. Zij voelt zich verplicht dit te vertellen, omdat er steeds vaker verdwijningen voorkomen. Maar de rijkswacht stelt een optreden tegen Dutroux tot nader order uit. Het korps heeft reden tot enige tevredenheid, want dezelfde dag, 4 september, krijgt het CBO - de GP wordt weer gepasseerd - opdracht van minister De Clerck een Nationale Cel Verdwijningen op te richten. De 1.019 onopgehelderde verdwijningen sinds 1980 verklaren het initiatief. Een week later is de vijfkoppige cel, geleid door majoor Daniël Decraene, operationeel. De rijkswacht vervult nu meer dan ooit een sleutelrol bij de onderzoeken naar verdwenen kinderen.

Onderzoeksrechter Doutrèwe, die niets weet van Operatie-Othello, wendt zich onmiddellijk tot de nieuwe cel en vraagt alle nuttige informatie. Majoor Daniël Decraene belooft beleefd haar op de hoogte te houden, maar daar komt niets van. Dutroux kan gewoon doorgaan met zijn criminele activiteiten. Op 25 september 1995 steelt hij een vrachtwagen. Inspecteur Georges Zicot van de GP van Charleroi, een specialist inzake de bestrijding van autodiefstallen, is op de hoogte maar komt niet in actie. De inspecteur wordt in sommige politiekringen verdacht van te nauwe samenwerking met het criminele milieu.

Tot dusver heeft de rijkswacht de justitiële autoriteiten van Luik en Charleroi nog steeds niet precies verteld wat ze over Dutroux allemaal weet en wat Othello heeft opgeleverd. De posa heeft tot nu toe slechts zes weinig diepgaande observatie-acties uitgevoerd en maakt op 16 oktober om duistere redenen een einde aan de operatie. Het contact tussen het parket van Charleroi en de rijkswacht wordt toevallig hersteld. Opperwachtmeester René Michaux loopt op 24 oktober 1995 substituut Viviane Troch tegen het lijf, die dossiers van kindermishandeling behandelt. Michaux vertelt haar dat hij Dutroux ervan verdenkt zijn kelders in te richten om er kinderen in te verbergen. Troch trekt zich het dossier aan. Ze informeert de pas benoemde procureur Thierry Marchandise en vraagt kapitein-commandant Legros uitleg over Operatie-Othello, maar krijgt slechts een wazig antwoord.

De flaters in deze onthutsende en dramatische zaak blijven zich opstapelen. De manier waarop Dutroux ongestoord zijn gang kan gaan, is op zijn minst verdacht. Op 5 november 1995 ontvoeren Dutroux en zijn maat Bernard Weinstein drie jongeren, twee jongens en een meisje. De drie worden verdoofd en in één van zijn woningen vastgehouden. Ze kunnen echter na enige bange uren ontsnappen en de gemeentepolitie waarschuwen. Deze spoort Dutroux niet op maar ontbiedt hem schriftelijk.

Op 22 november 1995 krijgen politie en rijkswacht een nieuwe kans om Dutroux te klissen. In Obaix wordt een 17-jarig meisje verkracht en de keel doorgesneden. Ze overleeft het wonder boven wonder. Rijkswachter Daniël de Thuin verdenkt Dutroux, maar zijn collega’s en de GP’er Zicot maken er een zootje van. Dutroux wordt nauwelijks aan de tand gevoeld. Huiszoekingen worden niet gedaan, hetgeen tragische consequenties heeft, want op dat ogenblik zitten Julie en Mélissa niet in Dutroux’ geheime kelder in Marcinelle. Zij worden vastgehouden op een bovenverdieping, waar de speurders de meisjes gemakkelijk hadden kunnen terugvinden. Dutroux heeft zijn handlanger Bernard Weinstein in de kelder opgesloten. Later zal Dutroux hem verdoven en levend begraven.

Zowel het parket als de rijkswacht van Charleroi laten onderzoeksrechter Doutrèwe, die officieel het onderzoek naar Julie en Mélissa leidt, in het ongewisse. Het is geen toevallige communicatiestoornis. Dit verzuim maakt deel uit van een trend. Mede door de versterking van de gedemilitariseerde rijkswacht en het stilzwijgend dulden van diens ‘pro-actief rechercheren’ is in de loop der jaren de toestand op het justitiële schaakbord grondig veranderd. Van de afzonderlijke schakels van de justitiële keten - politie, openbaar ministerie en zittende magistratuur (rechters) - is de positie van de politie, vooral de rijkswacht, zodanig versterkt dat zij de magistratuur gaandeweg opzij zet.

De rijkswacht verwerft stilaan een hegemonie op de onderzoeken omdat in de eigenlijke fabriek van Justitie heel veel mis gaat. De politisering is zo doorgeschoten dat competentie, beroepsijver en controle op de politiemethoden vaak achterwege blijven. De samenwerking tussen de diverse parketten is gebrekkig. De procureur is koning in zijn eigen rijk. Hij trekt zich doorgaans weinig aan van wat er elders gebeurt. Maar er zijn verzachtende omstandigheden want Dutroux ontvoert de kinderen op uiteenlopende plekken - Luik, Oostende, de Ardennen - en de parketten zijn geheel afhankelijk van de analisten van het CBO, die over de informatie beschikken om een verband tussen al die dossiers te leggen. Het Luikse gerecht, dat door de rijkswacht wordt gepasseerd en ook wel bekend staat om zijn onvermogen, geeft al snel de hoop op dat Julie en Mélissa nog leven. In november 1995 komt de Luikse procureur Anne Bourguignon bij de ouders om hen ‘te condoleren’ met het verlies van hun kinderen. Maar dan leven ze nog in één van de huizen van Dutroux.

De rijkswacht buit iedere zwakheid en incompetentie van het gerecht uit. Op 29 november 1995 schrijft Legros in een brief aan procureur Marchandise dat tipgever Z in de buurt van Mare Dutroux’ huis in Marcinelle woont. Nog dezelfde dag vraagt substituut Troch de rijkswacht de identiteit van de tipgevers vrij te geven en een procesverbaal op te maken. Maar de rijkswacht weigert de alarmerende informatie over haar onderzoek naar Dutroux in een PV vast te leggen omdat de ‘bescherming’ van

informanten hoog in haar vaandel staat en zij koste wat het kost de regie van het onderzoek wil behouden.

Uiteindelijk wordt Dutroux op 6 december 1995 door de gemeentepolitie van Charleroi voor verhoor opgepakt en door onderzoeksrechter Lorent aangehouden op verdenking van het opsluiten en mishandelen van de drie jongeren. De gemeentepolitie vraagt een huiszoekingsbevel, maar na tussenkomst van het parket laat Lorent de zoekactie over aan opperwachtmeester René Michaux van de bob van Charleroi. Onderzoeksrechters moeten onafhankelijk zijn en de touwtjes van het onderzoek in handen houden. Maar dat gebeurt niet altijd omdat ze te weinig talrijk zijn en veel te weinig middelen hebben. Zodoende raken ze bedolven onder de dossiers en moeten ze noodgedwongen hun eigen prioriteiten stellen.

De rijkswacht wil nog steeds de boel verdoezelen en onderzoeksrechter Doutrèwe ontwijken. Van de weeromstuit gaat Lorent buiten zijn boekje. Op 12 december 1995 geeft hij aan Michaux huiszoekingsbevelen af om gestolen waar te ontdekken, wetende dat het slechts een voorwendsel is om Julie en Mélissa op te sporen. Tot overmaat van ramp gaat Michaux bij de huiszoekingen uitermate onzorgvuldig en knullig te werk. De schuilplaatsen in de kelder worden niet grondig doorzocht. De rijkswachters vinden niets omdat ze niet letten op een blinde muur waarachter Dutroux zijn slachtoffers verstopt. In de overvolle kelder van Dutroux’ huis in Marcinelle worden kinderstemmen gehoord, maar Julie en Mélissa worden niet gevonden.

‘We moeten onze oogappels beschermen’, schrijft kolonel Willem Vanden Broeck in december 1995 in een merkwaardig hoofdartikel van de Revue van de rijkswacht. Kort daarop, op 25 januari 1996 staakt het korps Operatie-Othello. De ouders zetten dan maar zelf met affiches en mediacampagnes een actie op touw om hun kinderen te zoeken. Op 6 februari 1996 laat het kabinet van de koning de Algemeen Afgevaardigde voor de Rechten van het Kind, Claude Lelièvre, weten dat de koning het dossier ter harte neemt. Langzaam ontstaat de ‘witte vloed’. Op 14 februari 1996 interpelleert mevrouw Jacqueline Herzet (PRL) in de commissie voor Justitie over de verdwenen kinderen. ‘Julie en Mélissa zijn al meer dan een half jaar spoorloos en het onderzoek levert niets op. De moedige ouders willen op de hoogte worden gehouden. Is dat te veel gevraagd?’, aldus Herzet. En zij concludeert: ‘Het gerecht werkt slecht of werkt helemaal niet.’

Voogdijminister De Clerck weet van geen kwaad. ‘De rijkswacht doet alles wat ze kan en de Cel Verdwijningen coördineert het onderzoek’, sust hij. De Clerck had beter kunnen weten.

Tweehonderd jaar rijkswacht - Inhoud

‘Nieuwe waarden’, zo denken de optimisten, hebben zich van de rijkswacht meester gemaakt. Tijdens de opleiding van de Algemene Reserve (ARG) staat ‘het beperken van geweld’ centraal. Redelijkheid moet de norm zijn. De Luikse studenten, die op 28 november 1995 demonstreren, moeten er treurig om lachen. Wanneer ze de tunnel van de Boulevard D’Avroy in willen, voert de rijkswacht enkele brutale charges uit. ARG’ers verjagen de demonstranten met veel machtsvertoon, omsingelen een telefooncel en knuppelen een betoger neer. Vele tv-kijkers zijn geschokt. ‘De jongeren hebben het afgesproken parcours niet gevolgd. Ze waren erop uit een rel te schoppen’, reageert Vande Lanotte.(199) Toch krijgen twee ARG’ers van bevelhebber Jules Koninckx een tuchtsanctie opgelegd. Clemmens, voorzitter van het Algemeen Syndicaat voor de Rijkswachtdiensten, doet zijn beklag. ‘Koninckx heerst met ijzeren hand’, zegt Clemmens. ‘De ARG’ers hebben allerlei militaire plichten, maar geen rechten. Zelfs de paarden zijn beter af. Soms werken de ARG’ers 12 tot 16 uur aan één stuk. Ze moeten ’s avonds bellen om te weten waar ze de volgende morgen aan de slag moeten gaan. En bij het minste of geringste worden ze gestraft.(200)

Minister Vande Lanotte ligt van die kritiek niet wakker. Geholpen door de chronische mediacampagnes rond onveiligheid, schuift hij heen en weer met rijkswacht en gemeentepolitie alsof het schaakstukken zijn. Op 14 december 1995 trekt de regering 1,8 miljard uit voor de 29 veiligheidscontracten.(201) Daardoor kunnen vooral de grote gemeentelijke korpsen verder reorganiseren. De managementsfilosofie van de rijkswacht breekt op alle fronten door in de gemeentepolitie. Voor de politiechefs in Antwerpen, Brussel en andere grootsteden worden efficiëntie, flexibiliteit, klantgerichtheid en wijkwerking meer en meer de toverwoorden. De bezem gaat vaak tot aan de hoogste regionen door de korpsen tot afgrijzen van de politiebonden.

Intussen doet Vande Lanotte zijn best om de rol van de lokale bestuurders geleidelijk maar beslist terug te dringen. Vooral de kleinere gemeentekorpsen verdwijnen in de hutspot van de Interpólitiezones (IPZ’s), waarin ze met de rijkswacht moeten samenwerken. In Brussel, waar geen IPZ’s bestaan, kan burgemeester François-Xavier de Donnéa (PRL), makkelijker de rijkswacht op afstand houden. Hij laat commandant Deridder weten dat hij en niemand anders voor de ordehandhaving verantwoordelijk is en dat de rijkswacht hem tijdig van haar acties op de hoogte moet brengen. De situatie van de IPZ’s wordt niet bij wet vastgelegd, zodat het parlement buiten spel wordt gezet. Vande Lanotte verkiest immers het proces via omzendbrieven te regelen, zodat hij het op ieder ogenblik kan bij sturen.

Op 29 december 1995 publiceert hij een nieuwe omzendbrief. De minister gebruikt de karwats. Tegen uiterlijk 1 maart 1996 moet heel België in IPZ’s zijn ingedeeld. De gouverneur moet in samenspel met de politiediensten en het Openbaar Ministerie (om) een voorstel uitwerken. De gemeenten mogen daarover hun mening geven, maar uiteindelijk beslist de minister van Binnenlandse Zaken zelf, na advies van zijn collega van Justitie.(202) Vande Lanotte dreigt ermee de subsidiekraan dicht te draaien als de gemeenten blijven tegenstribbelen. Vooral in Limburg, Namen en Luik is er bij vele burgemeesters weinig animo om aan de IPZ’s mee te werken. Zij vrezen dat deze de weg zullen effenen voor de sector-rijkswachters, op wie ze geen directe invloed hebben. Bovendien zijn ze beducht voor een integratie van de gemeentepolitie in een eenheidsstructuur.

Vande Lanotte gaat de boer op om de weerbarstige lokale bestuurders gerust te stellen. ‘De IPZ’s staan niet in verband met de op handen zijnde politiehervorming’, verzekert hij.(203) Zijn inspanningen werpen vruchten af. Op 1 maart 1996 zijn al 140 IPZ’s afgebakend. Ze groeperen 351 gemeenten. Twee maanden later is al driekwart van het Belgische grondgebied ingedeeld over 179 IPZ’s. Alleen de provincie Luxemburg loopt achter.(204) De bewuste onduidelijkheid van Binnenlandse Zaken leidt bij de gemeentepolitie tot frustraties. Ts de IPZ de voorbode van de integratie?’, vraagt de hoofdcommissaris van Waregem, Dirk Steelandt, zich vertwijfeld af.(205) Berustend haalt hij Willem de Zwijger aan: ‘Je hoeft niet te hopen om aan iets te beginnen’. Ook de Vaste Commissie van de Gemeentepolitie wil graag weten waar ze met de IPZ’s op de iets langere termijn aan toe is. ‘Het is nog te vroeg voor een antwoord’, repliceert Michel De Smedt, rechterhand van Deridder en ‘directeur programma corporate management’,(206)

Deridder en De Smedt zeggen minder naarmate ze meer over samenwerking en wederzijds vertrouwen praten. Eigenlijk zeggen ze constant hetzelfde lesje op: de gemeentepolitie moet niet denken dat de rijkswacht alles wil inpalmen, iedereen wil een goede politiezorg, tijdens het werk zijn we allemaal politiemannen. ‘Agenten en rijkswachters moeten elkaar’, zo beklemtoont De Smedt, ‘als gelijkwaardige mensen gaan zien. Als partners zelfs.’ Een historische verzoening lijkt wel nabij. Als de gemeentepolitie tenminste soepel is. Tndien de gemeentepolitie met ons om de tafel gaat zitten met een open, niet op concurrentie gerichte agenda, zal zij een flexibele, constructieve partner zonder meerderwaardigheidsgevoel aantreffen’, verzekert hij. Maar, voegt De Smedt er enigszins dreigend aan toe: ‘Wie met een andere agenda aan komt zetten, zal oogsten wat hij zaait.’ De topmanager wordt zelfs even lyrisch, al valt te betwijfelen of de gemeentepolitie het ook zo ziet. ‘Een olifant kun je alleen maar met kleine hapjes opeten’, aldus De Smedt.(207

Op 9 mei 1996 is het zover. Deridder is bij de Vaste Commissie te gast. De commandant is een man met een zwierige charme. Er komt geen onvertogen woord over zijn lippen. ‘Niets is taboe, alles is bespreekbaar’, zegt hij. ‘Problemen moeten worden uitgepraat en bijgelegd. Dialoog is noodzakelijk.’ Men hoort haast iedereen denken: wat aardig! En voorzitter De Troch zegt het ook op het eind. Hij bedankt de rijks wachtcommandant voor zijn ‘open en constructieve opstelling’. ‘We hebben dezelfde visies inzake politiewerk en samenwerking’, besluit hij opgelucht.208

Terwijl er vrijblijvend over samenwerking wordt gepraat, breidt de rijkswacht haar macht constant uit. Inzake internationale samenwerking komt de gemeentepolitie er in het post-Schengen-tijdperk niet meer aan te pas. Schengen draait al op volle toeren. Het sis bevat een jaar na de start al 3.587.378 signalementen.(209) Politiemensen van Nederland, België en Frankrijk komen een paar maal per jaar gezamenlijk in actie tegen drugtoeristen, waarbij onder de regie van het CBO, duizenden voertuigen en personen worden gecontroleerd. ‘Vliegende brigades’ van de rijkswacht houden personen aan die België illegaal proberen binnen te komen, althans niet over geldige papieren beschikken. De rijkswacht heeft ook veel expertise ontwikkeld met het overvliegen van afgewezen asielzoekers en illegalen. In 1995 waren dat er 466.(210) Knevelen, dwangbuis en kalmeermiddelen zijn middelen die daarbij niet worden geschuwd.

De rijkswacht heeft nu aan de grens met de buurlanden 11 Operationele Invalspunten (OIPG’s) voor grensoverschrijdende informatieuitwisseling, observatie en achtervolging. Volgens een protocolakkoord moeten de andere politiediensten steeds langs de oipg’s gaan. Deze coördinatiepunten voor operationele acties en deze knooppunten van informatienetwerken met buitenlandse evenknieën - de Duitse Verbindungsstellen en de Nederlandse Informatie en Coördinatiecentrales - leveren de rijkswacht een grote voorsprong op wat betreft de kennis van de buitenlandse korpsen.(211) De afdeling Internationale Samenwerking van de APSD, geleid door rijkswachtofficier Patrick Zanders, ziet van op afstand rustig toe.(212) De APSD, eens bedoeld als ‘dak op het politiehuis’, heeft niet veel in de melk te brokken.

In mei 1996 viert de rijkswacht haar 200-jarig bestaan op luisterrijke wijze. De koning, de premier, de voogdijministers en een duizendtal genodigden wonen de plechtigheid bij.(213) Vele aanwezigen hebben het gevoel dat voor de rijkswacht nog een mooie toekomst is weggelegd. De voldaanheid overheerst. Sinds de demilitarisering vormt de rijkswacht meer dan ooit een centrale schakel in het Belgische politienetwerk. Ze telt nu 16.887 man, waarvan 677 officieren en haar begroting bedraagt 27,6 miljard. Haar rivaal, de gp, 1.648 man sterk, moet rondkomen met 3,1 miljard. De rijkswacht staat onder een nationaal commando en blijft ondanks alle veranderingen strak - bijna als een leger - georganiseerd.

Eind mei 1996 wordt het Algemeen Commando gereorganiseerd.(214) Voortaan bestaat het uit vijf algemene directies: Politiezorg, Operationele Steun, Personeelsbeheer, Logistiek Beheer en Algemeen Beheer. Nieuw is de Algemene Directie van de Politiezorg (dgo), dat in handen komt van kolonel Jacques Van Belle, APSD-topman en gezaghebbend lid van de cel ‘corporate management’.(215) Kort daarop wordt Van Belle door minister Vande Lanotte tot generaal bevorderd.(216) De ‘burgerlijke’ rijkswacht telt nu 5 generaals, terwijl haar ‘militaire’ voorganger het steeds met hooguit vier heeft moeten stellen. Het is typerend voor de groei van het korps en voor de overrompelende wijze waarop de ‘Vlerick-boys’ één van de grootste overheidsbedrijven overnemen. Op hetzelfde ogenblik presenteren de ‘Vlerick-boys’ van het kernteam ‘corporate management’ het zogenoemde ‘Strategisch Plan van de Rijkswacht 1996-2000’.(217) Ondanks de magische klank die het heeft, stemt het plan tot nadenken. De decentralisatie wordt doorgezet. De ‘gebieden’ zijn nauwelijks afgeschaft of de rijkswacht beslist de ‘provinciale groepen’ af te bouwen. Langzaam maar zeker komen ‘mega-districten’ tot stand, die samenvallen met de gerechtelijke arrondissementen.

Paradoxaal genoeg dreigt deze decentralisatie uit te lopen op een nog sterkere machtsconcentratie. De rijkswachttop is van plan de mega-districten geregeld aan een ‘audit’ en een ‘rendementsproef’ te onderwerpen. Zo wordt beetje bij beetje de oude militaire mentaliteit ingeruild voor een modern management.

Zolang de politiemanagers maar zelf mogen beslissen en voldoende ‘operationele vrijheid’ krijgen, zijn ze altijd bereid hun beleid ter beoordeling voor te leggen aan de politieke en justitiële instanties. Deridder: ‘Ik heb er niets op tegen geregeld voor een parlementaire commissie te verschijnen. En ik vind dat de brigadecommandant aan de burgemeester of de gemeenteraad verantwoording dient af te leggen.’ De commandant is er vooral op gebrand de bewegingSVRijheid tijdens het pro-actief onderzoek te versterken. ‘Ik vraag een operationele autonomie, waardoor we zelf kunnen uitmaken hoe, wanneer en met hoeveel man we optreden’, zegt hij.(218) Een wet inzake de bijzondere politietechnieken en een landelijk parket staan ook nog op zijn verlanglijstje. De ‘bloei’ van de georganiseerde misdaad geldt als het zwaarwegend argument. Volgens de eerste onderzoeksresultaten van het CBO zouden zo’n 90 misdaadgroepen in België actief zijn.(219)

Is dat niet iets te veel van het goede? Bij de Nederlandse parlementaire enquêtecommissie Opsporingsmethoden, de zogenaamde commissie-Van Traa, ingesteld na de iRT-affaire, haalde een groep criminologen onder leiding van Cyrille Fijnaut het cijfer van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) onderuit. Slechts enkele tientallen groepen verdienen echt het predikaat ‘criminele organisatie’, aldus Fijnaut. De parlementaire enquête Van Traa is een leerzame ervaring. Uit de enquête blijkt dat de politie en de Criminele Inlichtingendienst maar raak rommelden met de opsporingsregels. ‘Van Traa’ adviseert zeer terughoudend te zijn met bijvoorbeeld de infiltratie van agenten, het runnen van burgerinformanten, het afluisteren en het doorlaten van grote drugspartijen. De aantasting van de privacy en de kans op corruptie van geïnfiltreerde agenten wegen volgens ‘Van Traa’ kennelijk niet op tegen de vangst van een paar boeven.

Na de commissie-Van Traa heeft Nederland een serie maatregelen getroffen om de positie van de justitie te versterken. Het om bepaalt in eerste instantie welke onderzoeken ter hand worden genomen en speelt ook al vroegtijdig een rol bij de proactieve opsporing. ‘Aansturing’ heet dat. Voor de aanpak van de zware misdaad komen de directieven van het College van Procureurs-generaal, dat zich laat adviseren door het Coördinerend Beleidsoverleg (CBO). Voorts moeten rechercheteams hun riskante opsporingsmiddelen eerst laten toetsen door de Centrale Toetsingscommissie (CTC). En om zeker te zijn dat de zware misdaad op de juiste manier wordt aangepakt, komt er nog een ‘Weegploeg’. Ten slotte wordt veel aandacht besteed aan het afbreken van de grote illegale geldcircuits. De financiële rechercheanalyse, die met de steun van boekhoudkundige, fiscale en andere financiële deskundigen, criminele geldstromen bij witwaspraktijken tracht bloot te leggen, levert klinkende resultaten op. Het onderzoek naar de beruchte Hakkelaar-bende bijvoorbeeld was vooral het werk van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD).

De Belgische regering steekt echter weinig op van Nederland. Dit blijkt op 28 juni 1996. Die dag lanceert de regering-Dehaene een ambitieus ‘actieplan tegen de georganiseerde criminaliteit’.(220) Daarbij hanteert de regering, net als het CBO, een uiterst ruime definitie. Volgens het ‘actieplan’ zal vooral de rijkswacht de nationale en internationale misdaad en wat daarop lijkt in kaart brengen. Met observatieteams, met het aftappen van telefoons of ander kijk- en luisterspel, met undercover-acties en infiltratie, en met het ‘inhuren’ en begeleiden van ‘spijtoptanten’. Het ‘actieplan’ geeft de politie extra wettelijke mogelijkheden om op te treden. De wetboeken van strafrecht en strafvordering worden op een paar essentiële punten aangepast: ‘spijtoptanten’, criminelen die informatie doorgeven, krijgen een status; twee onorthodoxe technieken vinden ingang: de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen en de ‘omgekeerde bewijslast’. Dit laatste betekent dat verdachten zelf een sluitende verklaring moeten geven voor de rechtmatige oorsprong van hun vermogen. Behalve de bijzondere opsporingsmethoden wil de regering in één ruk de pro-actieve recherche, het College van Procureurs-generaal en de functie van nationaal magistraat wettelijk regelen.

De ministerraad keurt alvast twee wetsontwerpen goed, waarop de rijkswacht al een tijdje zit te wachten. Het eerste wetsontwerp wil het afluisteren van telefoongesprekken versoepelen. Het tweede wetsontwerp stelt ‘deelneming aan een criminele organisatie’ strafbaar. Als dit wetsontwerp wordt aangenomen, zal er ook gebruik van worden gemaakt. Tegen wie en wanneer? Wat zijn de criteria? Hoe hard moeten de aanwijzingen zijn? Hoe groot het ‘gevaar?’ De regering gebruikt in ieder geval een zeer ruime formulering, zodat het wetsontwerp vele diensten kan bewijzen en niet alleen ingezet kan worden tegen zware criminelen, die in georganiseerd verband opereren, maar ook tegen allerlei ‘potentiële ordeverstoorders’, zoals vakbondsmensen, radicale of linkse activisten. Misbruik is dan ook niet denkbeeldig.

In Nederland bedienen politie en justitie zich overigens van het gelijksoortige artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht om krakers, voetbalsupporters en andere ‘relschoppers’ aan te pakken en zelfs ‘preventief’ te arresteren. Verschillende Nederlandse specialisten in het strafrecht hebben hiertegen al geprotesteerd. ‘Een democratische rechtsstaat moet niet alleen de orde handhaven, maar bovenal de rechten van de burgers respecteren’, zegt de Leidse hoogleraar A. ’t Hart. Zijn Amsterdamse collega F. Rüter is nog scherper. ‘Het einde van zo’n ontwikkeling is de Schutzhaft, zoals die in de jaren dertig en veertig in Duitsland bestond. Iedereen die ervan werd verdacht dat hij iets tegen de staat zou ondernemen, kon worden opgepakt.(221)

Het ‘actieplan’ roept heel wat bedenkingen op. Het verstevigt de positie van de rijkswacht ten koste van de magistratuur. Verder ruimt het slechts een bescheiden plaats in voor de GP en voor het ‘financieel rechercheren’. De Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Georganiseerde Economische en Financiële Delinquentie (CDGEFID), thans verbonden aan de Algemene Politiesteundienst (APSD), doet dan ook maar weinig van zich spreken. De dienst, geleid door Jean-Pierre Doraene, bestrijdt onder meer het witwassen van criminele winsten, doch beschikt slechts over een budget van een tiental miljoen en over welgeteld 18 medewerkers.(222) De documentatieafdeling wordt bemand door Nederlandstalige rijkswachters, terwijl de onderzoeksploeg vooral uit Franstalige GP’ers bestaat. De samenwerking is ronduit bedroevend. Geen wonder dat naar zeggen van minister De Clerck tot nu toe amper 500 miljoen frank in beslag werd genomen.(223)

Op3juli 1996, nauwelijks een week na het ‘actieplan’, ondertekenen de minister van Justitie De Clerck en de chefs van de drie politiediensten in stilte een ‘consensusnota’, waarin een taakverdeling wordt afgesproken. Het lijkt wel het voorspel tot de integratie van de GP in een federale eenheidsstructuur. Volgens de nota moet de rijkswacht zich specialiseren in zware criminaliteit, de GP in witteboordencriminaliteit en de gemeentepolitie in het voorkomen van kleine criminaliteit. Tot verbijstering van de basis draagt de nota de handtekening van Christian De Vroom en Carlos De Troch. De hoofdcommissarissen van Brussel, Gent, Antwerpen, Luik en Charleroi protesteren luid. ‘We geven onze traditionele recherche-bevoegdheden niet op’, melden ze.(224) Het gemeenschappelijk vakbondsfront van de GP reageert nog furieuzer want de GP is, in tegenstelling tot de gemeentepolitie, wel bij de verdeling van het federale politiewerk betrokken en moet zich steeds meer laten welgevallen. ‘De consensusnota raakt de GP in het hart. Als de plannen doorgaan zoals ze nu voorliggen, belandt de GP als zelfstandige dienst in de laatste levensfase’, zegt een woordvoerder van het vakbondsfront.

De affaire-Dutroux - Inhoud

Naar aanleiding van het 200-jarig bestaan van de rijkswacht interviewt De Standaard Guido Van Rillaer. De speurder maakt van zijn hart geen moordkuil. ‘Het klinkt grof’, bekent hij, ‘maar ik lig niet wakker van een verdwenen kind. Engagement? Idealisme? Misschien is dat er wel, maar dat zijn termen die ik niet gebruik. De rijkswacht is mijn leven.’(225) Voor een lid van de Nationale Cel Verdwijningen van het CBO is dat niet zo’n gelukkige uitspraak, want op 28 mei 1996 wordt de 12-jarige Sabine Dardenne in Kain ontvoerd.

Julie en Mélissa zijn inmiddels al bijna een jaar spoorloos. Het wordt hun ouders stilaan te veel, maar ze blijven vechten met de moed der wanhoop. Ze eisen inzage in het onderzoeksdossier, maar ondanks een toezegging van de Luikse procureur-generaal Léon Giet, krijgen ze het niet te zien. De ouders stellen daarop publiekelijk 58 vragen aan het Luikse gerecht. Een antwoord blijft uit. Dat heeft even tijd nodig. Ze moeten niet zo zeuren en ‘de beroepsmensen aan het werk laten’. Ook minister De Clerck maakt er zich gemakkelijk van af. ‘De Nationale Cel Verdwijningen werkt uitstekend’, zegt hij op 2 juli 1996 in het parlement. Dat is alles.

Op vrijdag 9 augustus 1996 verdwijnt de 14-jarige Laetitia Delhez in het stadje Bertrix. Gelukkig komt een getuige met een nummerplaat van een verdachte bestelwagen. Het CBO komt uit op Mare Dutroux. Deze is sinds 20 maart 1996 weer vrij. Het CBO geeft nu wel direct alle informatie over Dutroux aan procureur Michel Bourlet en onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte. Omdat ze zelf kan scoren? In het provinciale Neufchateau heeft de rijkswacht in ieder geval het rijk alleen. Hier is geen GP actief. Hoe het ook zij, het gaat nu allemaal bliksemsnel.

Op 12 augustus 1996 tegen de avond wordt Dutroux opgepakt. Drie dagen later worden Laetitia en Sabine, net op tijd, bevrijd uit een betonnen kerker, die Dutroux gebouwd had in zijn gruwelhuis in Marcinelle. Drie verdachten worden ingerekend: de vrouw van Dutroux, zijn handlanger Michel Lelièvre en de louche Brusselse zakenman Jean-Michel Nihoul, bekend om oplichterij en bedrog. Langzaam doemen de vage contouren op van een netwerk met veel geld - Dutroux bezit als werkloze 7 huizen - en met Nihoul als financier achter de schermen. Op 17 augustus vinden de speurders ook Julie en Mélissa in de tuin van Dutroux’ huis in Sars-la-Buissière. Voor hen komt elke hulp te laat. De Bende-Dutroux heeft ze gewoon laten verhongeren. Dutroux bekent dat hij een jaar geleden ook An Marchal en Eefje Lambrechs aan de Belgische kust ontvoerde en opsloot.

Het tragische nieuws schokt iedereen. Kranten en tv-joumaals verschijnen met extra edities; zelfs cnn bericht erover. De verslagenheid is algemeen. De tuinen van de ouders worden bedekt met bloemen; vele mensen leggen er bloemen neer als een laatste eerbetoon aan de omgekomen kinderen. Op 22 augustus 1996 worden Julie en Mélissa onder massale belangstelling begraven. Duizenden verzamelen zich bij de Luikse basiliek Saint Martin. Wanneer de lijkwagens met de twee witte kistjes arriveren, kijkt de menigte zwijgend toe. Overal wordt een minuut stilte in acht genomen. Verschillende bedrijven houden een werkonderbreking. Alle kerken van Luik luiden hun klokken.

Het land lijkt wel in shock. Voorlopig overheersen ontsteltenis en rouw, maar de woede over de onkunde van politie en gerecht is groot. Sommigen vragen zich af of de dood van de meisjes niet had kunnen worden voorkomen als de rijkswacht alert had geopereerd en loyaal met justitie had samengewerkt. Anderen tekenen, eerder uit frustratie dan uit overtuiging, een petitie om de net in juni afgeschafte doodstraf opnieuw in te voeren. De ouders reageren bewonderenswaardig. Ondanks hun immense verdriet slagen zij erin de tragedie niet alleen op zichzelf te betrekken. Zij willen doorgaan tot de wortels van het kwaad zijn blootgelegd, om andere kinderen te besparen wat hun eigen kinderen is overkomen.

Minister De Clerck tracht de ‘witte woede’ te kanaliseren. Hij wentelt zich in spijtbetuigingen voor de vervroegde vrijlating van Dutroux en kondigt een ‘onderzoek naar het onderzoek’ aan. De Luikse procureur-generaal Anne Thily en de procureur-generaal van het Hof van Cassatie, Jacques Velu, moeten nagaan welke fouten de justitie van Luik en Charleroi hebben begaan.

De minister kondigt spoorslags een herziening van de wet-Lejeune aan. ‘Alleen als we uit dit drama lessen trekken om het juridisch optreden te verbeteren, zullen Julie en Mélissa niet voor niets gestorven zijn’, zegt hij. ‘De schokgolven die het drama heeft veroorzaakt moeten ons ertoe aanzetten om nog harder te ijveren voor een modem strafbeleid, adequate middelen tegen de georganiseerde criminaliteit en betere samenwerking van alle politiële en justitiële instanties.(226)

Justitie ligt onder vuur maar mensen als Michel Bourlet en Jean-Marc Connerotte leveren puik werk en worden door het publiek op handen gedragen als ‘de witte ridders’. In 1994 leken zij goed op weg om de moordenaars van André Cools te ontmaskeren. De privé-secretaris van ex-minister Alain Van der Biest, Richard Taxquet, en zijn Italiaanse maffia-vrienden werden opgepakt voor een zwendel met aandelen en waardepapieren. De speurders van Neufchateau kwamen erachter dat de minister of zijn dubieuze medewerkers iets te maken hadden met de moord op Cools. De vermoorde ‘peetvader’ wist namelijk ook van de aandelenzwendel en had reeds het politieke doodvonnis over Van der Biest uitgesproken in een paar socialistische volkshuizen. Daarop gingen Taxquet en de chauffeur van Van der Biest, Pino Di Mauro, hun Italiaanse vrienden opzoeken. Cools moest verdwijnen. En zo gebeurde. Onderzoeksrechter Connerotte zette het gezelschap rond Van der Biest achter slot en grendel. Maar toen werd het bepaalde hogere kringen blijkbaar te heet onder de voeten. Het Luikse gerecht eiste de Cools-affaire op. Na een niets of niemand ontziende guerrilla maakte het Hof van Cassatie een einde aan de ‘magistratenoorlog’ en onttrok het hele dossier aan Neufchateau, Bourlet en Connerotte gefrustreerd achterlatend. In Luik belandde het dossier bij de door Wathelet geparachuteerde onderzoeksrechter Véronique Ancia. De verdachten werden vrolijk vrijgelaten.

Bourlet kan dus meepraten over het dwarsbomen van onderzoeken van hogerhand. Hij zoekt dan ook nadrukkelijk politieke dekking voor het lopende onderzoek naar de bende van Dutroux. Voor de Franstalige televisie verklaart Bourlet dat hij alle volwassen personen zal vervolgen die op de seksvideo’s van Dutroux te herkennen zijn. ‘Als men mij tenminste laat doen’, voegt hij er geheimzinnig aan toe. Minister De Clerck begrijpt het signaal en verzekert hem alle medewerking. Maar Bourlet neemt ook krachtig stelling tegen diegenen die scherpe kritiek op de rijkswacht hebben. Die kritieken zouden niet alleen ongenuanceerd zijn, maar zouden ook het lopende onderzoek kunnen verstoren. Het succes hiervan - een opmerkelijk feit gelet op het geklungel in het verleden - is immers te danken aan de vlotte samenwerking tussen de rijkswacht en de tandem Bourlet-Connerotte. De rijkswacht zet dit dik in de verf. ‘Het onderzoek-Dutroux is het resultaat van ons gezamenlijk professioneel werk’, schrijft de Revue van de rijkswacht trots.(227)

Nu het te laat is, werkt de rijkswacht zich uit de naad. Op middelen of mensen wordt niet gekeken. Onder het oog van de tv-camera’s zet het korps in Neufchateau een staf op met eigen communicatiemiddelen en glimmende computers als een leger tijdens een veldtocht. In het provinciestadje strijken tientallen manschappen neer, onder wie analisten van het CBO en leden van het DVI-team (Disaster Victim Identification). Het CBO zet in samenspraak met Connerotte een ‘groene kliklijn’ op. Iedereen kan hierop anoniem dag en nacht zijn hart luchten. De belangstelling is veel groter dan het CBO had verwacht. Per uur komen meer dan 35 tips binnen.(228) Daarbij blijft het niet. Er wordt Britse infraroodapparatuur aangesleept, eerder gebruikt in het onderzoek van het ‘gruwelhuis’ in Gloucester, waar bouwvakker Fred West en zijn vrouw twaalf lichamen van misbruikte meisjes verborgen. Bij de zoekactie naar An en Eefje komen er ook buitenlandse specialisten aan te pas zoals de inspecteur die de zaak-West leidde en de Nederlandse luitenant Harry Jongen, een man die naar eigen zeggen aan monsters aarde kan ruiken of er stoffelijke resten begraven zijn. De ouders van Julie en Mélissa snappen het niet. ‘Waar waren al deze middelen toen onze kinderen nog leefden’, vragen ze zich beduusd af.

Inmiddels lokken de graafwerkzaamheden bij de woning van de vermoorde Bernard Weinstein dagelijks tientallen journalisten naar Jumet. Ze maken jacht op primeurs en onthullingen. Het publiek en de rijkswacht worden zelden teleurgesteld. De leider van het DVi-team, Joan Dewinne, is niet meer van het tv-scherm af te slaan. Dit ex-lid van de Dyane wordt langzaam maar zeker een nationale beroemdheid. Ondanks operatie-Othello lijkt het erop dat de rijkswacht bij de publieke opinie op meer vergeving kan rekenen dan de justitie. Doorslaggevend is wellicht het feit dat de rijkswacht in haar publiek optreden blijk geeft van een professioneel - sommigen zeggen cynisch - gevoel voor public relations.

Net als tussen de media woedt ook een bittere concurrentiestrijd tussen rijkswacht en gp. In het onderzoek-Dutroux zijn ze soms eikaars tegenpolen. Jean-Marc Connerotte laat op 25 augustus 1996 Georges Zicot aanhouden. Deze hoofdinspecteur van de GP te Charleroi zou Dutroux bij autodiefstal en verzekeringsfraude hebben geholpen. De arrestatie leidt tot een betoging van GP’ers voor het gerechtsgebouw in Neufchateau. Zij geloven rotsvast dat Zicot het slachtoffer is geworden van een zoveelste afrekening in de politieoorlog. Deze ‘oorlog’ wordt al te vaak als de normaalste zaak van de wereld beschouwd. De oorlog zou immers inherent zijn aan het bestaan van diverse politiediensten. Daarbij wordt echter uit het oog verloren dat de politieoorlog alleen maar winnaars en verliezers telt en dat alleen de winnende partij, de rijkswacht, belang heeft bij het aanwakkeren en aanslepen van de oorlog.

In een paar weken tijd heeft de zaak-Dutroux zich ontwikkeld tot een affaire, die de overheid in grote verlegenheid kan brengen.

Op de eerste kabinetsraad na de vakantie neemt de regering een aantal maatregelen om de volkswoede te temperen. Het gerecht moet kijken onder welke voorwaarden seksuele delinquenten zijn vrijgekomen en of ze nog steeds aan de condities voldoen. Zo niet, dan kan de vervroegde invrijheidstelling worden ingetrokken. Bovendien zullen seksuele misdadigers in een speciale gevangenis worden ondergebracht en zal de familie bij ontvoeringszaken nauwer bij het onderzoek worden betrokken. Premier Dehaene moedigt het parket in Neufchateau aan de zaak-Dutroux tot op het bot uit te zoeken. Als blijkt dat politie en justitie fouten hebben gemaakt, zullen de verantwoordelijken gesanctioneerd worden.

Op 3 september 1996 worden de stoffelijke resten van An en Eefje in Jumet opgegraven. Daarmee wordt de hoop van de ouders de bodem ingeslagen. De kinderontvoerder heeft, zo blijkt, op een gruwelijke manier met de gevoelens van de nabestaanden gespeeld want de Limburgse meisjes zijn vermoedelijk al een jaar geleden omgebracht. De gruwelijke ontdekking wekt verbijstering en dompelt de bevolking in diepe rouw. Duizenden mensen tekenen het condoleanceregister. In Hasselt worden de vrolijke vaandels en wimpels ijlings verwijderd. Precies als in het geval van Julie en Mélissa betuigen duizenden mensen hun medeleven. Op de dag van de begrafenis, 7 september 1996, is de kerk veel te klein. Enkele dagen later ontvangt koning Albert de ouders van alle vermoorde en verdwenen kinderen. In een ongebruikelijk scherp communiqué eist de koning volledige opheldering in de zaak-Dutroux en een ‘menselijke en efficiënte justitie’.

Al of niet toevallig komt er opeens schot in de affaire-Cools. Onderzoeksrechter Ancia, die bijna twee jaar lang het spoor van de aandelenzwendel veronachtzaamde, laat de gewezen socialistische minister Alain Van der Biest arresteren. Nog andere verdachten verdwijnen achter de tralies. Onder hen voormalige medewerkers van de ex-minister Giuseppe Di Mauro en Richard Taxquet. Sommige verdachten bekennen de praktische organisatie van de moord te hebben geregeld, zoals het vervoer en de verblijfplaats van twee Tunesische huurmoordenaars.

De Witte Woede - Inhoud

Sinds de arrestatie van Dutroux duiken met de regelmaat van de klok berichten op over betrokkenheid van ‘hooggeplaatsten’ bij het ‘pedofilie-netwerk’. Sommige politiemannen willen nu eindelijk wel eens koppen zien rollen. Vice-premier Elio Di Rupo, van wie bekend is dat hij regelmatig Brusselse homobars frequenteert, is een ideaal doelwit. Op 10 september 1996 stelt inspecteur Grégory Antipinne van de Brusselse GP een zogeheten ‘informatierapport’ op. Daarin staan diverse getuigenissen van pedofiel gedrag tegen prominente personen. Onder hen zijn Elio Di Rupo en de Waalse Gewestminister Jean-Pierre Grafé (PSC). De verklaringen zijn vooral afkomstig van een homoseksuele jongeman, ene Olivier Trusgnach. Antipinne bezorgt zijn verslag aan commissaris Georges Marnette, een goede kennis van Jean-Paul Dumont, ex-CEPIC en advocaat van rechtse extremisten.

Intussen stijgt de spanning tussen de GP en de rijkswacht. Connerotte trommelt rijkswachters op voor een grootschalige huiszoeking bij 23 collega’s en kennissen van Zicot. Neufcha-teau attaqueert ook André Verhaegen, hoofdcommissaris van de GP van Charleroi. Hij wordt verdacht van heling en schending van het beroepsgeheim. Verhaegen heeft Zicot steeds in bescherming genomen. Om een einde te maken aan de ‘politie-oorlog’ stelt de GP voor met de bob samen te gaan. De rijkswacht wimpelt het voorstel met enig gehoon af. ‘De GP mag zich immers met recht het zwakke broertje noemen’, zegt Lode Van Outrive.(229) ‘De GP moet boeten voor het feit dat justitie een eeuw achterloopt. Tachtig procent van de magistraten is politiek benoemd. En alleen België en Brazilië hebben geen school voor magistraten.’ Zijn eindoordeel: de magistratuur is niet bekwaam leiding te geven aan het gerechtelijk werk. Daarom wil de Leuvense criminoloog eerst de justitie hervormen. ‘Want een goed magistraat kan er zelf wel voor zorgen dat de politiemensen samen werken en informatie uitwisselen.’ Over de machtshonger van de rijkswacht laat Van Outrive geen misverstand bestaan: ‘Deridder wil de baas van alle politiediensten worden. Dat is zijn ultieme ambitie.’

De zwaarste verantwoordelijkheid voor de ellende bij justitie ligt bij de regering en de wetgevende macht. Decennialang hebben zij justitie als een Assepoester behandeld. Er was geen geld, noch voor personeel, noch voor moderne uitrusting. Er waren zoveel interessanter zaken aan de orde: de Maastricht-norm, de orthodoxe begrotingen, de sociale deregulering... De politieke wereld staat nu echter met de rug tegen de muur. Ze kan in ieder geval niet zomaar terug naar het vroegere ‘arrangeren’. Ze moet rekening houden met de - vage - agenda van de Witte Woede en een mea culpa slaan. Voor premier Jean-Luc Dehaene, een man die niet veel last heeft van nederigheid, is dat geen eenvoudige opgave. Toch geeft hij op 19 september blijk van ootmoedigheid. ‘We werden vijftien jaar lang door het sociaal-economisch beleid in beslag genomen’, bekent hij in het parlement. ‘Daardoor heeft de regering misschien te weinig aandacht gehad voor justitie’. Hij wil een half miljard frank ter beschikking stellen om de werking van het gerecht te verbeteren. Het is een zoethoudertje.

Minister De Clerck heeft inmiddels de onderzoeksrapporten van Anne Thily en Jacques Velu gekregen. De hoogste magistraat van het land is opmerkelijk mild voor de rijkswacht. Er was van meet af aan één enkele verdachte van de ontvoeringen en dat was Dutroux. De rijkswacht van Charleroi wist het. Zij voerde een ‘parallel’ onderzoek naar de handel en wandel van Dutroux, de zogenaamde operatie-Othello. Dus kende zij zijn antecedenten en plannen: Dutroux had onder meer aan ene Thirault 150.000 frank per ontvoerd kind beloofd, hem aangeraden zijn slag in de omgeving van scholen te slaan en hem verzekerd dat hij over schuilplaatsen beschikte voor hun verzekerde bewaring. Die informatie werd niet in procesverbalen neergeschreven. Onderzoeksrechter Martine Doutrèwe, die het onderzoek naar Julie en Mélissa leidde, werd in het ongewisse gelaten. Velu tilt er niet zwaar aan. Hij toont ook veel begrip voor het parket van Charleroi omdat daar tijdelijk een ‘machtsvacuüm’ bestond.

De procureur-generaal van Luik, Anne Thily, denkt er anders over. Zij vindt dat de rijkswacht wel cruciale informatie heeft achtergehouden. Volgens haar ontdekte Doutrèwe het bestaan van Othello pas bij de lijkschouwing van Julie en Mélissa. het schiet minister Vande Lanotte in het verkeerde keelgat. Hij verwijt Thily ‘eenzijdigheid’. Paul Van Keer reageert nog een graadje erger. Hij waarschuwt dat de rijkswacht ‘een boekje over geseponeerde zaken van hogergeplaatsten zal opendoen’, als de kritiek op het korps aanhoudt. Duidelijker kan het bijna niet. De voorzitter van het Nationaal Syndicaat voor het Rijkswachtpersoneel (NSRP) geeft zonder meer toe dat de rijkswacht zaken van vooraanstaande personen aan de kant legt.

Begin oktober 1996 stelt het Comité P zijn jaarverslag voor; onder meer het straffeloos politiegeweld wordt op de korrel genomen. Intern woedt een strijd tussen de vijf leden van het Comité. Een van hen, Walter De Smedt, komt zelfs naar buiten met een afwijkend rapport van 51 bladzijden. Het ergert hem dat het Comité P hoofdzakelijk politiek ongevaarlijke klachten behandelt en geen adequaat toezicht op de rijkswacht uitoefent. De voormalige onderzoeksrechter is een omstreden figuur. Eerder lag hij onder vuur in het

nrc Handelsblad. Hij zou de Antwerpse bob’er Willy Van Mechelen hebben beschermd, die containers drugs vrije doorgang naar Nederland zou hebben verleend. De Smedt ontkent dat. Het Comité P moet ook oordelen over de blunders en de miscommunicatie van de politie in de affaire-Dutroux. Midden oktober 1996 lekt de inhoud van dit onderzoek uit.(230) Volgens Anne Thily voerde de rijkswacht een ‘parallel’ onderzoek achter de rug van het Luikse gerecht. Onzin, zegt het Comité P. De rijkswacht vergaderde in augustus 1995 driemaal met Doutrèwe, maar de onderzoeksrechter toonde weinig interesse. Conclusie: de rijkswacht heeft niet opzettelijk informatie achtergehouden. Haar mondelinge rapportage keurt het Comité P evenwel af.

Midden oktober 1996 barst de bom. Het Hof van Cassatie besluit de populaire onderzoeksrechter Connerotte van de zaak-Dutroux te halen omdat hij de schijn van partijdigheid heeft gewekt door spaghetti te eten op een benefietavond voor slachtoffers van Dutroux. Daarmee geven de dames en heren in hermelijn blijk van heel eigen ideeën over de rechtsbedeling. Het gedwongen vertrek van Connerotte roept een storm van protest op. Spontane stakingen barsten uit. Scholieren en studenten betogen bij de gerechtshoven. ‘Stop operatie doofpot’ schreeuwen ze en ‘weg met het spaghetti-gerecht’. De eindeloze reeks onopgehelderde fraude- en corruptiezaken heeft het idee van een klassenjustitie kracht bijgezet.

De ouders van de verdwenen kinderen kondigen een ‘Witte Mars’ in Brussel aan om te voorkomen dat de politici onverrichter zake weer tot de orde van de dag overgaan. Een antwoord van de politiek kan niet uitblijven. Het eerste antwoord komt van het parlement, het zwakke broertje, dat zo gewillig volmachten verleende aan de regering-Dehaene om de normen van Maastricht te halen.

De Kamer besluit op 17 oktober 1996 de commissie-Dutroux in te stellen, om na te gaan wat er allemaal is misgelopen. Het voorzitterschap komt de liberale familie toe. De PRL is kandidaat, maar de Vlaamse partijen vinden dat niet zo’n goed idee. Het leeuwendeel van het dossier-Dutroux, het onderzoek naar de verdwijning van Julie en Mélissa, is door de Luikse justitie gedaan en onderzoeksrechter Doutrèwe heeft een PRL-etiket. ‘Alle justitiespecialisten van de PRL komen uit het Luikse’, zegt Mare Verwilghen, ‘daarom ben ik voorzitter geworden. We hebben geen risico willen nemen’.(231) Zo komt het roer van de commissie in handen van een lid van de VLD, een partij die allang opkomt voor een of andere eenheidspolitie.

De protestacties krijgen een steeds grimmiger karakter. Op tal van plaatsen rijdt het openbaar vervoer niet meer. Overal demonstreren scholieren, studenten en arbeiders. Op vrijdag 18 oktober 1966 doet iedereen - de premier, de koning en de getroffen ouders - een oproep om de Witte Mars waardig te laten verlopen. Aan de vooravond van de betoging ontvangt de koning andermaal de betrokken ouders. Hij eist volledige klaarheid in het onderzoek en moedigt de betogers aan.

De Witte Mars van 20 oktober 1996 wordt de grootste volksmobilisatie uit de Belgische geschiedenis. Meer dan 300.000 betogers — Vlamingen, Walen, Brusselaars en migranten - stromen samen in het centrum van Brussel. De brede boulevards die de stations Noord en Zuid verbinden zien wit van de mensen. Witte ballonnen, witte bloemen, witte kledij, zelfs honden dragen witte zakdoeken als halsband. Alles en iedereen is in het wit, want de demonstratie staat in het teken van de hoop. Opdat nooit meer zou gebeuren wat de bende-Dutroux de meisjes heeft aangedaan. Opdat overheid en justitie eindelijk wakker geschud worden. Opdat zij passende maatregelen treffen.

Premier Dehaene neemt twee uur de tijd om naar de klachten en wensen van de families te luisteren en noemt de massale mars ‘een indrukwekkend signaal waar iedereen oor moet naar hebben’. Hij doet enkele toezeggingen, die veeleer thuis horen in de categorie: sus de volkswoede. Zo belooft de premier het gerecht te depolitiseren, een Onderzoekscentrum voor Vermiste Kinderen in te stellen en een beter evenwicht tussen de rechten van de verdachten en die van de slachtoffers te bewerkstelligen. Hopelijk kan de Witte Mars een louterende uitwerking hebben, is de teneur van de commentaren.

De Witte Mars krijgt nog een bizar staartje. Op 20 oktober 1996 keert Olivier Trusgnach uit Engeland naar België terug. De informant van de Brusselse GP’er Antipinne wordt verdacht van diefstal bij zijn vorige werkgever. Kennissen noemen hem een fantast en mythomaan. Trusgnach laat zich bijvoorbeeld met ‘baron’ aanspreken. Hij heeft een uitgebreid netwerk van vrienden, ook in de hoogste kringen; Hij bezoekt met regelmaat bekende homo-gelegenheden, zoals Le Garage in Brussel, waar Di Rupo een geziene gast is. Trusgnach is de man waarop enkele Hasseltse rijkswachters en Brusselse GP’ers hebben zitten wachten. Ze storten zich op de ‘kroongetuige’.

De rijkswachters van Hasselt ondervragen hem eerst. Dat staat de Brusselse GP’er Marnette niet aan. Die haast zich naar Hasselt en maakt het parket wijs dat er in Brussel een ernstig onderzoek tegen Di Rupo is geopend. Daarmee krijgt hij op 23 oktober 1996 toestemming om Trusgnach in de gevangenis van Hasselt te ondervragen. De gevangen ‘baron’ vertelt honderduit over zijn liefdesleven en over seksfuiven van diverse ‘hooggeplaatsten’. Ook de Waalse minister Grafé wordt genoemd. De politiemannen weten Trusgnach steeds meer belastende verklaringen te ontlokken. Volgens de eerste verklaring had hij op 20-jarige leeftijd een verhouding met de vice-premier. In zijn tweede verklaring, op 24 oktober 1996, was hij 17 jaar ten tijde van het contact. En dan komt de aap uit de mouw. Op 28 oktober beweert hij tegenover de rijkswacht van Hasselt dat hij al als 15-jarige een relatie had met Di Rupo. Seks met jongeren onder de 16 jaar is strafbaar. Een nieuwe, sappige affaire ligt in het verschiet.

Begin november 1996 laat de politie het ‘pedoseksnieuws’ over Di Rupo in enkele Vlaamse kranten uitlekken. Op 4 en 5 november 1996 verschijnen de eerste artikelen in De Morgen en Het Belang van Limburg. Het Brusselse parket beslist onmiddellijk prioriteit aan het dossier te verlenen. Nationaal magistraat André Vandoren en onderzoeksrechter An Gruwez worden bij de operatie betrokken. De rijkswacht doet op 15 november 1996 huiszoeking bij twee Brusselse homofielen maar vindt geen seksvideo’s of bezwarende gegevens. De dag daarop geven de kranten van De Standaard-groep de naam van Di Rupo prijs. Het hek is nu van de dam. Het liefdesleven van Di Rupo wordt in de media uitgespeld. De schandknapen van het Fontainas-plein worden doodmoe van de stroom verslaggevers, op zoek naar sfeer. Het gerecht vraagt het parlement de onschendbaarheid van de vice-premier op te heffen. Op 20 november 1996 moet de vice-premier voor een speciale kamercommissie verschijnen. Tegenover elf parlementsleden, onder wie Annemans, moet hij opbiechten wat hij allemaal seksueel heeft uitgespookt. De inmiddels tot een man van de politieke wereld uitgegroeide Annemans steunt het pleidooi van de liberale fractieleider Herman De Croo, die Di Rupo aanraadt om tenminste tijdelijk terug te treden. Het is een storm in een glas water. Het Hof van Cassatie ‘spreekt’ uiteindelijk de vice-premier ‘vrij’, maar diens reputatie is voorgoed geschonden.

De affaire rond Di Rupo is ongekend. Op 23 november 1996 zegt de Franstalige socialist Serge Moureaux tegen de tv-zender RTL-Tvi dat de rijkswacht sommige leden van de commissie-Dutroux schaduwt, om hen onder druk te kunnen zetten.

Het Sinterklaasconclaaf - Inhoud

De commissie-Dutroux overschaduwt eind 1996 het parlement. De publieke opinie volgt de hoorzittingen op de voet en kijkt met een mengeling van verbijstering en amusement naar de parade van gerechtelijke en politionele miskleunen: het gebrek aan samenwerking tussen de parketten van Luik en Charleroi, de falende communicatie tussen rijkswacht, GP en justitie. Nog twee andere commissies draaien op volle toeren: de Tweede Bende-commissie onder voorzitterschap van Tony Van Parys (CVP) en de commissie inzake de georganiseerde criminaliteit.

De opdracht van de commissies is tweeledig: voorstellen doen om de werking van politie en justitie te verbeteren en het vertrouwen in de instellingen herstellen. ‘Vooral de commissie-Dutroux is voor de publieke opinie zo’n beetje de laatste strohalm’, merkt Van Parys op.(232) ‘De politiek wordt verafschuwd, maar in de commissie bestaat nog enig geloof. Als wij er niet in slagen de eenheid te bewaren, dan denk ik dat de traditionele partijen definitief afgedaan hebben.’

Terwijl de rijkswacht verder zoekt naar mogelijke slachtoffers van Dutroux in een oude mijn bij Jumet, worden op 3 december 1996 de CBO-kopstukken Daniël Decraene en Jacques Van Rillaer over operatie-Othello aan de tand gevoeld. Eigenlijk, zo meent Vande Lanotte, is er niets aan de hand. Nog voor de commissie- Dutroux een oordeel kan vellen, bestrijdt hij dat de rijkswacht onderzoeksrechter Doutrèwe en het parket van Charleroi onzorgvuldig zou hebben ingelicht.(233) De sp ontziet de rijkswacht, maar geeft het ‘archaïsche’ gerecht de volle laag. Het zou aan een algehele inertie lijden. ‘Er valt geen land mee te bezeilen. De rechters willen niet bewegen, ze zitten in een ivoren toren’, dondert Tobback. Zijn geduld is op. ‘Sinds het Pinksterplan in 1989 weet ik wat we moeten doen om justitie te moderniseren. Inmiddels is het luik politie voor 100 procent gerealiseerd, het luik justitie voor amper 20 procent.(234)

De rijkswacht heeft zich in snel tempo gemoderniseerd. Het is deze professionalisering die tot een radicale hervorming van justitie dwingt. ‘De rijkswacht is de boeman omdat ze ver voorop loopt in vergelijking met het gerecht’, analyseert Vande Lanotte.(235) Hij wil een ‘interactieve justitie’, die gelijke tred houdt met de gewenste super-politie. ‘Als er morgen één grote federale politiedienst komt, wat ik uit de grond van mijn hart wens, dan moet de parlementaire en gerechtelijke controle navenant verbeteren.’ Het laatste wat Vande Lanotte wil is de rijkswacht verzwakken. Neen, het komt erop aan het gerecht te reorganiseren.

Deze hervorming staat of valt met het Openbaar Ministerie (OM), dat een cruciale plaats in de misdaadbestrijding inneemt vermits het meer dan 90 procent van de onderzoeken afhandelt. De sp heeft het gemunt op de onpartijdige positie van het om als afzonderlijk, tot justitie behorend orgaan. De sp ziet het om als een ‘mandataris van de uitvoerende macht’. Het om mag de opdrachten, die zij van de minister van Justitie krijgt, niet zomaar naast zich neer leggen. Daardoor krijgt de regering een ongekende macht binnen ons constitutioneel bestel. De sp probeert de andere regeringspartijen deze kleine revolutie aan de praten met mooi klinkende leuzen als ‘efficiëntie tegen de zware criminaliteit’ en ‘parlementaire controle op het strafrechtelijk beleid’.

Maar er is meer. De SP wil ruimere bevoegdheden aan de nationale magistraten toekennen. Tevens streeft de partij naar de afschaffing van de barrières, die de 27 arrondissementen met ieder een eigen procureur, van elkaar scheiden. Alles staat in het teken van de doelmatigheid en de ‘operationele beweeglijkheid’ van de politie. Dus moet ook de onderzoeksrechter inleveren. Volgens het huidige wetboek van strafvordering zou de onderzoeksrechter daadwerkelijk leiding aan het onderzoek moeten geven. In feite vervullen echter de procureur en de politiediensten die sleutelrol. De procureur schakelt slechts een onderzoeksrechter in indien hij het geval ernstig genoeg vindt voor een gei;echtelijk onderzoek of wanneer dwangmiddelen zoals voorlopige hechtenis noodzakelijk zijn. Dit gebeurt vaak op het einde van het onderzoek, zodat de ruim negentig onderzoeksrechters die ons land telt nauwelijks anders kunnen dan het spoor volgen dat de politie al uitstippelde. Hun greep op het onderzoek en de politie neemt stelselmatig af sinds de rijkswacht de zogeheten pro-actieve recherche heeft geïntroduceerd. Deze opsporingstechniek is gericht op het doorlichten van bepaalde misdaadmilieus maar niet op de onmiddellijk bestraffing ervan, zodat een onderzoeksrechter er helemaal niet aan te pas komt. De onderzoeksrechter is dus de facto al gedevalueerd tot ‘een rechter van het onderzoek’, of nog minder. Zowel rijkswacht als sp juichen die ontwikkeling toe. Een ‘rechter van het onderzoek’ verliest de leiding over het hele onderzoek. Politie en parket schakelen hem alleen in voor heel specifieke dwangmaatregelen, maar voor het overige werken ze het onderzoeksdossier eigenmachtig af. Daarom staat de sp achter de Autonome Politie Afhandeling (apa), waarmee de Gentse procureur-generaal Frank Schins experimenteert. apa geeft de politie het recht om zelf eenvoudige delicten af te doen zonder tussenkomst van het parket.(236)

Het is zeer de vraag of zo’n ‘hervormde’justitie nog langer de noodzakelijk correctie voor de machtstoename van de politie vormt. Tot nu toe stuiten de hervormingsplannen van de sp op ernstige bezwaren. Maar in de crisisachtige sfeer van de zaak-Dutroux draaien de andere regeringspartijen bij. Minister De Clerck, afkomstig uit de rechtervleugel van de CVP, moppert nog wel over allerlei kleinere kwesties, maar hij is het in grote lijnen eens met het SP-plan. Het zijn volgens hem meer structurele problemen dan persoonlijke fouten die zich in de affaire-Dutroux hebben voorgedaan. De Clerck heeft het vaak over managementtechnieken. Voorzichtig manoeuvrerend stuurt hij aan op het bedrijfsmatig organiseren van justitie. Goedlachs en dynamisch als hij is, komt hij goed over in de media en lokt zijn radicale reorganisatie weinig kritiek uit.

Op 6 december 1996, tijdens het ‘Sinterklaasconclaaf’, maakt de regering-Dehaene de eerste concrete afspraken. Ze gebruikt de emotie van het ogenblik - de volkswoede over de moord op de kinderen - ten eigen voordele en presenteert zich als degene die de problemen kordaat aanpakt. Wat houden de afspraken in? De regering neemt eerst drie maatregelen waarover ze het allang eens is.

In de eerste plaats bekomen de slachtoffers meer rechten. Zij krijgen inzage in het onderzoeksdossier en kunnen de onderzoeksrechter daarna om een extra onderzoek vragen. De procedure zal in elk geval meer dan tevoren op het slachtoffer worden gericht. Dat is ontegenzeglijk positief, maar is het ook een reden om de rechtspositie van de dader af te breken? Sommigen willen per se de rechten van dader en slachtoffer tegen elkaar afwegen. Dit of-of-denken past niet in een democratisch rechtssysteem. Het zou bepaald gevaarlijk zijn als de grotere erkenning van het slachtoffer zou gaan fungeren als legitimatie voor buitensporig strafrechtelijk optreden.

In de tweede plaats sleutelt de regering aan de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het besluit om een gevangene voorwaardelijk vrij te laten, zal niet meer door de minister van Justitie worden genomen. Er komen commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), die multidisciplinair worden samengesteld. De voorzitter van de commissie VI, een magistraat, krijgt bijstand van ervaren hulpverleners. Voor de commissie een gevangene vrij laat, mag het slachtoffer daarover zijn mening geven. De commissie moet de gedetineerden permanent begeleiden. Justitie zal hiervoor bijkomend personeel in dienst nemen.

In de derde plaats wil de regering afrekenen met de kwaal van politieke benoemingen. Rechters die door de koning in een Hof van Beroep worden benoemd, hebben volgens de grondwet zowel een voordracht van het Hof als van de provincieraad nodig. Een rechter kan pas bij het Hof van Cassatie worden benoemd, nadat zowel het Hof als het parlement hem heeft voorgedragen. Zelfs hooggeplaatste magistraten zijn voor depolitisering. ‘Er zijn onder politieke druk ongeschikte mensen benoemd, zelfs op hoge posten’, erkent Luc Huybrechts, raadsheer bij het Hof van Cassatie.(237) ‘Wij torsen hen mee als een last want het verderfelijke is dat rechters niet afgezet kunnen worden.’ Daarom wil de regering een systeem van roulatie invoeren. Van de korPSChefs wordt voortaan een meer efficiënte bedrijfsvoering verwacht. Wie faalt, kan na 5 jaar bedankt worden voor bewezen diensten. Om de depolitisering te realiseren zal het Wervingscollege worden vervangen door een Benoemings- en Bevorderingscollege (BBC), bestaande uit 5 magistraten en 6 niet-magistraten, met name advocaten, academici en experts. Wonderen op korte termijn mogen hiervan niet worden verwacht. Zo één twee drie is immers een generatie magistraten niet verdwenen.

Deze depolitisering gaat paradoxaal genoeg gepaard met een toenemende greep van de uitvoerende macht op de justitie, waardoor het beginsel van de scheiding der machten verder wordt ondergraven. Dat de meer dan 300.000 deelnemers aan de Witte Mars hiervoor niet betoogd hebben, doet er niet toe, net zomin als het feit dat deze maatregelen worden genomen zonder breed maatschappelijk debat en nog voor de commissie-Dutroux haar aanbevelingen kan formuleren. Waarover gaat het?

Tijdens het Sinterklaasconclaaf kiest de regering voor extern toezicht door een Hoge Raad voor de Justitie, waarin twaalf magistraten, twaalf niet-magistraten en een afgevaardigde van de minister van Justitie zitting hebben.(238) Diezelfde minister mag ook het huishoudelijk reglement goedkeuren. De Hoge Raad krijgt aanzienlijke bevoegdheden. Ze mag onder meer de profielen van de korpsoversten uittekenen en op eigen initiatief of op vraag van derden een onderzoek naar de werking van het gerecht instellen. De Hoge Raad krijgt ook ruime disciplinaire bevoegdheden. Zij zal niet alleen op de tuchtprocedures toezien maar er zo nodig zelf starten. Aldus wil de regering korte metten maken met het huidige systeem van zelfregulering, waarbij tuchtvervolgingen tegen magistraten door de rechterlijke instanties zelf gebeuren.(239)

Daarbij komt dat de regering het om, een losvast conglomeraat van 27 arrondissementen, gaat ombouwen tot een gestroomlijnde organisatie. Het is alles centralisatie wat de klok slaat. De nationale magistraten krijgen vooral een coördinerende rol: ze kunnen meerdere rechters, die in verschillende arrondissementen eenzelfde dossier behandelen, tot nauwe samenwerking dwingen. De procureurs weten nu niet altijd precies wat ze willen met het vervolgingsbeleid. Daarin wil de regering verandering brengen. De minister van Justitie en het College van Procureurs-generaal zullen niet langer op afstand blijven. Ze zullen meer eenheid in het strafrechtelijk beleid brengen. De procureurs moeten zich voegen naar hun richtlijnen. De minister zelf wordt verantwoordelijk voor het om. Als de procureursgeneraal het onderling oneens zijn, beslist de minister alleen. Ondanks het niet aflatend verzet van het Hof van Cassatie houdt De Clerck aan deze lijn vast. Daarmee wordt het om een verlengstuk van de regering. De minister van Justitie verwacht van de procureurs-generaal naast uitvoering van de klassieke taken, een strakke interne bedrijfsvoering en sturing van de politie. De benoeming van Gaston Ladrière in Bergen en Kristin Deckers in Antwerpen wordt gezien als een bevestiging van die tendens.

Deckers was kabinetschef van De Clerck en Ladrière volgt de in opspraak geraakte Georges Demanet op, die eind 1996 ‘eervol ontslag’ krijgt. Samen met André Vanoudenhove (Brussel), Frank Schins (Gent), Anne Thily (Luik) vormen ze het College.

De hervorming van het om is onderdeel van een breder debat over de hervorming van het strafproces, waaraan een commissie van experten onder leiding van de Luikse professor Michel Franchimont sinds 1991 werkt. De regering legt het ontwerp-Franchimont in december 1996, zij het in gewijzigde vorm, aan het parlement voor.(240) De commissie-Franchimont steunt niet openlijk het idee van ‘de rechter van het onderzoek’, maar ze versterkt evenmin de positie van de onderzoeksrechter, hetgeen nochtans zeer wenselijk is vermits een onafhankelijke onderzoeksrechter goed geplaatst is om tegenwicht te bieden aan een politie, die verblind raakt door haar macht en haar pro actieve opsporingstechnieken. Opdat de onderzoeksrechter daadwerkelijk het onderzoek zou kunnen leiden, zou de onderzoeksrechter bij pro-actieve methoden toestemming vooraf moeten geven. Zover wil de regering niet gaan. Integendeel, ze weigert de delicate kwestie van de bijzondere opsporingstechnieken in het kader van het wetsontwerp-Franchimont te bespreken. Erger nog, ze introduceert een systeem van zogenaamde ‘beperkte interventies van de onderzoeksrechter’. Daardoor krijgt het om voor het eerst de mogelijkheid om tijdens opsporingsonderzoeken een machtiging voor de meeste dwangmiddelen te bekomen zonder dat de onderzoeksrechter bij het onderzoek wordt betrokken. In feite wordt de onderzoeksrechter meer dan ooit een decorstuk op het strijdtoneel tegen de misdaad.

Tijdens het Sinterklaasconclaaf, op 6 december 1996, morrelt de regering ook verder aan de politiehervorming. De twee uitersten in de coalitie, de sp en de PSC, voeren nog enige strijd, al beginnen ook hier de tegenstellingen te verwateren. De regering houdt niet langer vast aan het bestaan van drie algemene politiediensten. Ze installeert een ‘commissie voor een efficiëntere politiestructuur’, onder leiding van de voormalige Antwerpse parketmagistraat Luc Huybrechts, thans raadsheer bij het Hof van Cassatie. In de commissie hebben de drie politiediensten elk twee vertegenwoordigers. Het zijn de hoofdcommissarissen Carlos De Troch en Philippe Warny, een voormalig kabinetsmedewerker van Tobback; de rijkswachtmajoors Georges Duhaut en Michel De Smedt en de GP’ers Mare Andelhof en André Hinnesdaels. Andere commissieleden zijn: Lode De Witte, gouverneur van Vlaams Brabant en gewezen kabinetsmedewerker van Tobback; Frank Denis, expert van Team Consult; Freddy Troch, voorzitter van het Comité P; Paul Ponsaerts, lid APSD; Jean-Marie Cadiat, inspecteur van Financiën; Frank De Mot, hoofd van de Algemene Rijkspolitie; Michel Boute, advocaat-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen en Lucien Nouwynck, adviseur-generaal voor het Strafrechtelijk Beleid. Op het eerste gezicht valt al op dat de commissie belachelijk weinig verdedigers van justitie telt. In feite maken vooral voorstanders van een eenheidspolitie, onder wie Frank Denis, de dienst uit. De regering gunt zichzelf een adempauze. De commissie moet pas over 6 maanden rapporteren.

Op 6 december 1996, de feestdag van Sinterklaas, geeft de regering nog enkele cadeaus aan de rijkswacht. Zij duwt de deur naar een federale eenheidspolitie nog wat verder open. Minister De Clerck zal zijn omstreden ‘consensusnota’ door middel van een circulaire opleggen, waardoor de rol van de GP hoofdzakelijk tot financiële en economische misdrijven wordt herleid. In dezelfde geest worden de luchtvaart-, de zeevaart- en de spoorwegpolitie naar de rijkswacht en het Hoog Comité van Toezicht en de Dienst voor de Bestrijding van de Georganiseerde Financieel-Economische Criminaliteit naar de GP overgeheveld.

De ministerraad stemt op 6 december 1996 ook in met de verlenging van de 29 veiligheidscontracten. Voor 1997 maakt de regering bijna 2 miljard vrij. Ten slotte bevestigt de regering garant te staan voor het project ‘Astrid’, een hi-tech netwerk dat op termijn de plaats moet innemen van de radiocommunicatie-middelen, waarover de hulp- en veiligheidsdiensten momenteel beschikken. Astrid heeft betrekking op radiocommunicatie voor spraak en data en maakt een koppeling mogelijk tussen de bestaande informaticatoepassingen van de verschillende politiediensten. Astrid houdt ook rekening met de op last van de Europese Commissie ontwikkelde open standaard voor radiocommunicatie, Tetra. Schengen heeft reeds een voorkeur voor Tetra uitgesproken. Astrid brengt België in een voortrekkersrol. Astrid stelt de hulp- en veiligheidsdiensten in de gelegenheid om op een hoogst discrete en veilige manier met elkaar te communiceren. Er zijn zowel vaste als draagbare radioposten en dataterminals, onder meer voor inbouw in voertuigen. Astrid biedt ook interessante dispatching-mogelijkheden. Daarmee valt veel informatie te rapen en dus zit de rijkswacht op de loer. De. rijkswacht wil graag op provinciaal niveau meldpunten oprichten. Rijkswachtmajoor Kris Drieskens is verantwoordelijk voor het project Astrid.(241)

Zo brengt de regering de GP en de gemeentepolitie meer en meer in een onmogelijke concurrentiepositie. Terwijl de overheid op het gebied van economie de deugden van de concurrentie bezingt, geeft ze de rijkswacht stilaan een monopolie op politioneel vlak.

Een nieuwe cultuur? - Inhoud

Op 7 december 1996, daags na het Sinterklaasconclaaf, buigen de politici zich over de vraag hoe de vertrouwenscrisis in de politiek moet worden aangepakt. Alle politieke partijen behalve de Groenen en het Vlaams Blok, doen mee aan een ‘staten-generaal der democratie’, bijeengeroepen door kamervoorzitter Raymond Langendries (PSC). Het overleg heeft het karakter van een louterende groepsdiscussie. Het doel is het introduceren van ‘een nieuwe politieke cultuur’, inmiddels een rage onder politici die onder druk van de bevolking zoeken naar het herstel van de democratie. De Vlaamse liberale fractieleider Patrick Dewael acht het strategisch onverstandig dat Langendries het Blok isoleert. Het Blok, beweert Dewael, kan aldus vanaf de canapé rustig blijven toekijken hoe de rest van België uit de modder probeert te klauteren.

Volgens het Blok hebben de zachte heelmeesters stinkende wonden achtergelaten en wordt het tijd voor een grote schoonmaak. Voorzitter Frank Vanhecke: ‘Haal de bokshandschoenen en grote-kuisborstels van de zolder, want het wordt meer dan ooit: het Blok tegen de politieke maffia.’ In één adem maakt hij zijn collega-politici uit voor ‘viezeriken van btw-, villa-, smeerpijp-, obussen-, prostitutie- en pedofilieschandalen’.(242) Tientallen keren gehoord uit evenzoveel kelen van vooroorlogse VNV-tenoren. Het Blok tracht de affaire-Dutroux uit te buiten om de repressieve kern van de staat - justitie en politie - gevoehg te versterken. ‘Dat het Blok in de commissie-Dutroux zit, heeft minstens één voordeel’, schrijft Annemans. ‘In de commissie zitten lieden die liever detective spelen dan de vraag beantwoorden: hoe hadden we dit kunnen verhinderen?’ En dan komt het Blok met haar gekende ‘harde aanpak’: afschaffing van de vervroegde invrijheidstelling en van de collectieve genade, 4.000 bijkomende cellen, effectief levenslang voor zware criminelen, een nationaal register van pedofielen en een databank van ‘genetische vingerafdrukken’ van gevangenen. Het Blok zou het liefste de doodstraf weer invoeren. De afschaffing ervan noemt het Blok de verwezenlijking van de ‘achterhaalde utopische visie van Jean-Jacques Rousseau dat elke mens heropvoedbaar is’.

Inmiddels heeft de Commissie-Dutroux zich ontpopt tot het symbool van ‘de nieuwe politieke cultuur’. De publieke opinie en de tv-stations volgen de commissie op de voet. Bijna dagelijks volgen een half miljoen kijkers de rechtstreekse uitzendingen van de hoorzittingen. De ouders van de verdwenen meisjes, die tot voor kort door rijkswacht en politiek als quantité négligeable werden beschouwd, worden als allereersten gehoord. Zij worden met veel eerbetoon ontvangen en mogen plaatsnemen op de voor ministers voorbehouden stoelen. Voorzitter Verwilghen kijkt door zijn wimpers naar de camera’s en oogst veel lof voor zijn werk. Verwilghen en zijn loyale secondanten, de ervaren justitiespecialisten Tony Van Parys (CVP) en Renaat Landuyt (SP), vinden dat partijpolitiek moet wijken voor groepsgeest en collegialiteit. Gerolf Annemans, fractievoorzitter van het Vlaams Blok, vaart er wel mee. Verwilghen spreekt vleiend over diens optreden. ‘Voor mij is Annemans een volwaardig lid van de commissie. Ik houd er geen rekening mee dat hij van het Vlaams Blok is. Zijn instelling is positief. Hij gebruikt zijn intellect en professionele kennis om de commissie vooruit te helpen. Dat telt.’ Ook Landuyt memoreert Annemans schranderheid alsof een intelligente neo-fascist minder erg is. Landuyt, welwillend: ‘Ik zeg het beschroomd, ik voel bijna een vorm van sympathie voor de persoon van Annemans en de manier waarop hij werkt. Ik geniet van zijn intelligentie en van zijn inzicht.’ Een kleine liefdesverklaring volgt: ‘Ik erken, en iedereen ziet dat, dat Annemans en ik het in de analyse van wat hier gebeurt verregaand eens zijn. Wij hebben eenzelfde argwaan ten opzichte van het establishment, dat bij uitstek vertegenwoordigd wordt door de magistratuur.(243)

Annemans en Landuyt laten een staaltje van hun teamgeest bewonderen bij de verhoren van onderzoeksrechter Doutrèwe op 17 december 1996 en 14 januari 1997. In een mooi een-tweetje laten ze de Luikse onderzoeksrechter toegeven dat deze haar ondervraging minutieus met haar advocaat heeft voorbereid en daarvoor gerechtelijke stukken benutte, waarover zij niet hoorde te beschikken. Doutrèwe wordt niet ontzien; haar gestuntel in het onderzoek en haar arrogantie maken haar bijzonder kwetsbaar. De ouders van Julie en Mélissa omschrijven haar als een soort hoge priesteres, die zichzelf ver boven de gewone mens verheven waant. ‘Ze is de meest kille en onverschillige vrouw, die ik ooit heb ontmoet’, aldus moeder Russo. Eerlijk gezegd, alles zit Doutrèwe tegen. Haar echtgenoot (PRL) en diens vennoot worden verdacht van een miljoenenfraude in de vastgoedsector. Dat is niet alles. Doutrèwe legt over operatie-Othello verklaringen af, die de rijkswacht in het verkeerde keelgat schieten.

De Commissie-Dutroux tracht verwoed de waarheid over Othello te achterhalen. De rijkswachters Jean-Marie Gilot, Jean Lesage en Valèry Martin verklaren in de commissie dat ze geen samenvattende processen-verbaal over Othello bezitten. Eind januari 1997 laat onderzoeksrechter Etienne Marique de GP onderzoeken of de rijkswacht documenten uit het Othello-dossier heeft laten verdwijnen. De GP gaat na of bepaalde rijkswachters bij de banken kluizen hebben geopend. En op 4 februari 1997 beveelt de Commissie-Dutroux huiszoekingen in de rijkswachtkazernes van Grace-Hollogne, Seraing en Charleroi. Maar de rijkswacht houdt het hoofd boven water op dit moeilijke moment dankzij steun uit onverwachte hoek. André Vandoren neemt het in de Commissie-Dutroux, op 18 januari 1997, publiekelijk voor de rijkswacht op. Het CBO betrok pas in de zomer van 1996 de nationale magistraat bij de zaak-Dutroux. Voordien hield het Othello voor hem verborgen. Maar Vandoren zegt dat niet erg te vinden. Dat is hem geraden, zo niet draait het CBO de informatiekraan dicht. Zo simpel is dat.

Dezelfde dag, 18 januari 1997, komt ook GP-baas Christian De Vroom aan het woord. De commissie ziet een geslagen man. De Vroom vergelijkt de GP met een ‘oude tante’, op wiens erfenis de rijkswacht zit te wachten. De Vroom onthult dat de investeringen sinds 1990 met meer dan de helft zijn geslonken, namelijk van 275 miljoen in 1990 naar 101 miljoen in 1996. Daarenboven heeft de GP geen eigen informatiedienst meer sinds de Algemene Politiesteundienst bestaat.

De hoorzittingen van de Commissie-Dutroux zitten er bijna op. Er staan nog maar een paar grote namen op het programma. Op 24 februari 1997 zijn CBO-baas Henri Berkmoes en commandant Willy Deridder aan de beurt. Ze slaan een iets andere toon aan dan in oktober 1996. Ze verwerpen het grootste deel van de kritieken, maar ze geven nu wel toe dat er wat schortte aan de communicatie tussen de rijkswachteenheden onderling en tussen de rijkswacht enerzijds en het parket van Charleroi anderzijds. Ook werden sommige inlichtingen niet optimaal benut. De topmannen van de rijkswacht roepen verzachtende omstandigheden in. De oude militaire mentaliteit zou nog niet geheel verdwenen zijn en het CBO zou slechts een ondersteunende rol vervullen. Deridder en Berkmoes laten het achterste van hun tong niet zien, maar sommige zinnetjes zijn veelzeggend. Zo laat Berkmoes zich ontvallen: ‘Aan sommige onderzoeksrechters vertel je niet alles.’ Vervolgens schakelen de chefs van de rijkswacht over op hun gebruikelijke offensieve strategie. Ditmaal moet vooral het parket van Charleroi het ontgelden. Het zou belangrijke elementen, zoals de verkrachting in Obaix en de brief van de moeder van Dutroux veronachtzaamd hebben.

In dit Dutroux-tijdperk streeft de rijkswacht naar een beter contact met de burgers. Op 28 februari 1997 organiseert zij het eerste Congres over de Kwaliteit. Welgeteld 228 rijkswachters, 72 agenten van de gemeentepolitie en 16 burgemeesters komen samen om ervaringen over basispolitiezorg uit te wisselen. Aan de hand van concrete projecten en initiatieven wordt het succes van het nieuwe beleid getoetst. Generaal-majoor Georges Duhaut, directeur-generaal van de politiezorg, opent het congres. Hij benadrukt dat de omstandigheden zeer gunstig zijn voor een dynamische samenwerking met de bevolking, maar tegelijk waarschuwt hij voor voortvarendheid. Dat is heel begrijpelijk want eind december 1996 ontstond grote commotie toen uitlekte dat de rijkswacht in Landen, Tienen en Aarschot postbodes als informanten had ingeschakeld. Ze moesten via een memo-briefje ‘verdachte’ individuen of toestanden signaleren. De Post, die niet op de hoogte was, maakte meteen een eind aan het experiment. Het bleek slechts het topje van de ijsberg. Limburgse buschauffeurs van De Lijn en eigenaars van Antwerpse en Gentse particuliere autoverhuurbedrijven waren aangezocht criminele informatie door te spelen. In Diest en vier andere Brabantse gemeenten werden zogenaamde OK-kaarten verspreid. Burgers konden die aan hun venster bevestigen, zodat de sectorrijkswachters in één oogopslag hun medewerkers konden vinden.

Opgepast er dreigt een ‘verklikkersstaat’ te ontstaan, constateert de Liga voor de Mensenrechten. De Liga verwijst naar de groene kliklijn van Connerotte en naar het Engelse systeem van de Neighbourhood Watch, waaraan vandaag zo’n 5 miljoen gezinnen meedoen. Maar de Liga is bij Vande Lanotte aan het verkeerde adres. Eigenlijk, zo meent de minister, is er niets aan de hand. ‘Ik ben een voorstander van community policing. Dat impliceert dat politie en bevolking hecht samenwerken. Ambtenaren voldoen aan hun burgerplicht als zij misdrijven signaleren.’(244) Geschrokken van de heftige reactie schort de minister voor alle zekerheid de omstreden initiatieven op in afwachting van een ‘zedelijk oordeel’ van de Gentse professor Etienne Vermeersch.

Alles wijst erop dat de rijkswacht niet van plan is haar koers te verleggen. Het Congres over de Kwaliteit op 28 februari 1997 levert daarvan het bewijs. Op het congres wordt gezegd dat elk rijkswachtdistrict begin 1997 minstens twee projecten heeft ontwikkeld op het gebied van ‘basispolitiezorg met kwaliteit’ en community policing. In de nabije toekomst wil de rijkswachttop dat tot het niveau van de brigades uitbreiden. Zo zet de rijkswacht in leper ‘buurtinformatienetwerken’ op om de bevolking bij de indijking van de grenscriminaliteit te betrekken. De burgers kunnen anoniem allerlei informatie doorspelen. Soms werken rijkswacht en gemeentepolitie eensgezind samen. In Antwerpen bijvoorbeeld hebben zij een gezamenlijk informatienetwerk met autoverhuurbedrijven opgezet. De rijkswachtleiders doen na afloop van het congres hun uiterste best om enige glans aan het resultaat te geven. ‘Het congres heeft aangetoond dat de politiediensten bereid zijn hun werkmethoden grondig te herzien en de burger als volwaardige partner te beschouwen’, schrijft de Revue van de rijkswacht.(245)

Na het congres doet kolonel Roger Van de Sompel, één van de architecten van de ‘basispolitiezorg’, er nog een schepje bovenop. Hij maakt duidelijk dat de verklikkingsinitiatieven een bewuste keuze zijn. ‘Een van de subdoelstellingen ervan was een algemene cultuur en attitude van externe klantgerichtheid te internaliseren’, aldus de kolonel-manager.(246) De initiatieven vormden een onvermijdelijke etappe op de weg naar een ‘gemeenschapsgerichte politiezorg’. Van de Sompel stelt dat vergissingen inherent zijn aan zulk onbekend proces. De rijkswacht moet, net als iedereen, leergeld betalen. ‘Vandaar dat ongenuanceerde en louter afbrekende kritiek misplaatst is’, besluit de kolonel.

Het gaat met ‘de verklikkingsjustitie’ van kwaad tot erger. In februari 1997 starten vtm en RTBF opsporingsprogramma’s, waarin de politie de hulp van het publiek inroept om bepaalde misdaden op te helderen. De tv-kijkers kunnen allerlei tips via groene telefoonlijnen doorspelen. Minister De Clerck prijst dit alweer aan als een goed voorbeeld van community policing. Kolonel Willem Vanden Broeck, 14 jaar lang woordvoerder van de rijkswacht, presenteert het programma op vtm.

Op 5 maart 1997 wordt het lichaam van Loubna Benaïssa gevonden in een kelder vlakbij haar ouderlijk huis in Elsene. Pompbediende Patrick Derochette bekent het meisje op 5 augustus 1992 te hebben ontvoerd. Minister De Clerck belooft direct ‘een onderzoek naar het onderzoek’. Daar is alle aanleiding voor, gelet op de laconieke manier waarop de Brusselse GP en justitie op de verdwijning van Loubna reageerden. Ze beschouwden de verdwijning slechts als een fait divers. De Brusselse GP wachtte tot 10 augustus 1992 om epn serieus onderzoek te starten. Daarbij vergat de GP het spoor van Patrick Derochette te volgen. De pompbediende, die om de hoek woonde, werd nochtans al eerder op grond van zware zedenfeiten geïnterneerd. De drie parketmagistraten, die achtereenvolgens voor het Loubna-onderzoek verantwoordelijk waren, verzuimden een onderzoeksrechter aan te stellen.

Op 19 maart 1997 houdt de Commissie-Dutroux haar laatste hoorzitting. Het uur van de waarheid breekt aan. De Commissie-Dutroux moet nu haar rapport opstellen en voorstellen doen om politie en justitie te hervormen. Dit zal gebeuren in nauwe samenspraak met de Bende-commissie. Daarin zitten verschillende prominente leden van de Commissie-Dutroux zoals Tony Van Parys, Renaat Landuyt en Gerolf Annemans. Overleg en coördinatie zijn daardoor gegarandeerd. Als beide commissies de conclusies en voorstellen over politie en justitie dragen, ontstaat maximale druk om de regering te dwingen onze suggesties uit te voeren,’ zegt Tony Van Parys.

Een geïntegreerde politie - Inhoud

Op 10 maart 1997 werkt de Commissie-Dutroux in de abdij van Corsendonck aan haar eindrapport. Voorzitter Verwilghen tracht uit alle macht de partijpolitieke tegenstellingen buiten zijn ploeg te houden. Dat valt niet mee want vele hoofdrolspelers hebben hun plichten verzaakt en de schuldvraag beantwoorden is riskant. De ‘schuldigen’ zijn immers geen willekeurige functionarissen, ze hebben hun baan vaak te danken aan iemand van een bevriende politieke partij. En die heeft vaak lange tenen. Voor het conclaaf stak Verwilghen zijn nek uit: ‘We moeten durven zeggen: hier heeft een minister of de leiding van een of andere politiedienst een steek laten vallen. Dat wordt de lakmoesproef.(247)

De VLD’er komt echter van een koude kermis thuis. Het ‘noemen van namen’ is nu eenmaal een te grote bedreiging voor de regering-Dehaene en de rijkswachttop. De leden van de meerderheidscoalitie wensen hun politici te sparen. Resultaat: de namen van de ministers van Binnenlandse Zaken (Vande Lannote) en Justitie (Wathelet en De Clerck) komen niet in het rapport, al zijn ze politiek verantwoordelijk voor politie en justitie. Generaal Deridder heeft binnenskamers laten doorschemeren er zwaar aan te tillen als zijn naam vermeld zou worden. Dus dat gebeurt niet. De leiding van de GP, enkele hogere magistraten en lagere rijkswachters vormen wat makkelijkere prooien. Zij genieten minder politieke bescherming. Over hen gaan de ruzies in Corsendonck dan ook niet. Het gehakketak gaat vooral over de reorganisatie van de politie. De commissieleden raken het daarover maar niet eens, zelfs niet na hectische beraadslagingen. De Vlaamse partijen zijn over het algemeen voorstander van een fusie om voorgoed een einde te maken aan de zogenaamde ‘politieoorlog’. Dat die vooral door de rijkswacht wordt aangewakkerd, doet er blijkbaar niet toe. De meeste Franstalige partijen voelen niets voor zulke super-politie vanwege het monopoliegevaar van de rijkswacht en het ‘democratische deficit’. Verwilghen, die een doorslaggevende stem in de besluitvorming heeft, moet een openlijk gevecht tussen Vlamingen en Franstaligen voorkomen. Hij blijft streven naar eensgezindheid zonder compromissen te smeden. Het is juist die compromissenpolitiek, zo beweert hij, die ertoe bijdroeg dat politie en justitie de afgelopen decennia niet grondig werden hervormd. Iedere partij had wel een belang dat verdedigd moest worden: de ps nam het op voor de gemeentepolitie, de sp voor de rijkswacht, de CVP voor de magistratuur, de PRL voor de GP. Maar in het huidige klimaat, dat nog steeds de schok voelt van de affaire-Dutroux, lijken maatregelen mogelijk die jarenlang niet konden worden doorgevoerd. Het samengaan van de drie politiediensten, bijvoorbeeld.

Verwilghen laat de klus klaren door een deskundige. De Gentse criminoloog Brice De Ruyver weet in Corsendonck de Franstalige leden, die van hun partijen zijn afgesneden, op andere gedachten te brengen. Resultaat: de bestaande politiediensten worden in één politiestructuur geïntegreerd. Het Gemeenschappelijk Vakbondsfront van Magistratuur en Politiediensten reageert geschokt. Het Front groepeert twee bonden van de magistratuur en alle erkende politiebonden, uitgezonderd het Nationaal Syndicaat van het Rijkswachtpersoneel (NSRP), dat aan de leiband van de rijkswachttop loopt. Op 8 april 1997 luidt het Front de noodklok. Het protesteert op een persconferentie tegen het feit dat het niet bij het politiedebat wordt betrokken. ‘Doen wij, de politiemensen en de magistraten, er dan niet toe? Zijn wij niemand?’, zo morren ze. Het Front presenteert een alternatief: samenvoeging van de bob en GP tot een gespecialiseerde criminele politie, onder de hoede van het gerecht, daarnaast behoud van de gemeentelijke politie en de lokale rijkswacht. Dit op zichzelf zeer eerbiedwaardig plan vindt geen genade in de ogen van het NSRP en de generale staf. Hun argumenten zijn verre van subtiel. ‘Een herhaling van de zaak-Dutroux is met zo’n plan bepaald niet uitgesloten’, schrijft het interne rijkswachtblad Info-Nieuws. Het blad vindt het een schande dat het sfbr en het asrd, twee rijkswachtbonden die in het Front zitten, ‘aan de ontmanteling van de rijkswacht meewerken’.(248)

Op 14 april 1997 wordt het rapport-Dutroux door de commissieleden unaniem goedgekeurd. De kogel is nu door de kerk. De volgende dag wordt het langverwachte rapport onder grote belangstelling van pers en publiek in de Kamer gepresenteerd. In 300 pagina’s staan de drama’s van de ontvoerde meisjes beschreven, alsmede de onvergeeflijke fouten en de lessen die uit de zaak getrokken moeten worden. Alles staat nu zwart op wit. Rapporteur Nathalie De T’Serclaes (PSC) bevestigt dat de meisjes vermoedelijk nog geleefd zouden hebben indien justitie en politie niet gefaald zouden hebben. De andere rapporteur Renaat Landuyt (SP) dwaalt langs de structurele en individuele flaters en fouten.

Hij spreekt daarbij van een ‘merkwaardige verzelfstandiging’ van de rijkswacht. Het rapport geeft daarvan menig staaltje. De commissie hekelt scherp de besloten vergadering, die het CBO op 9 augustus 1995 in Charleroi belegde om haar strategie in het dossier van Julie en Mélissa vast te leggen. ‘Dit soort vergaderingen is volstrekt onaanvaardbaar’, benadrukt de commissie. ‘Het is niet de taak van een politiekorps om een onderzoeksstrategie uit te stippelen achter de rug van de rechterlijke macht. Die moest op zijn minst worden geïnformeerd.’ En uitermate expliciet: ‘Sinds die vergadering is Dutroux voor de rijkswacht een verdachte in de zaak van Julie en Mélissa. Dat de rijkswacht er niet in slaagde hem in te rekenen, dat mag haar worden aangerekend.’ Deridder probeerde op 22 augustus 1996 de werkelijke toedracht van de bijeenkomst te maskeren. Als hoofd van de rijkswacht is hij ook verantwoordelijk voor de verzelfstandiging van het korps. Toch komt zijn naam niet voor op de lijst van de geblameerden.

De commissie verwijt het CBO ‘onprofessioneel’ te hebben gehandeld. Het CBO heeft niet genoeg moeite gedaan om naar een verband te zoeken in de dossiers van de vermiste meisjes. Ook trok het CBO bevoegdheden naar zich toe, die feitelijk aan de rechterlijke macht toebehoorden. ‘Het klopt dat het CBO niet door het gerecht wordt gecontroleerd’, constateert de commissie. ‘Het is aan geen enkel extern toezicht onderworpen en gaat vaak op de stoel van de onderzoeksrechter zitten door opzettelijk informatie achter te houden. Het CBO heeft de neiging alles te controleren.’

Ondanks de gepeperde kritiek op Othello is de commissie welwillend voor de CBO-kopstukken Henri Berkmoes en majoor Daniël Decraene. Vande Lanotte zelf was al eerder voor Berkmoes in de bres gesprongen. De CBO-baas werd op 19 februari 1997 zelfs tot kolonel bevorderd. Gewoontegetrouw heeft de kleine rijkswachter het weer gedaan, zo blijkt. De commissie noemt man en paard. Bovenaan de lijst van de geblameerden komt René Michaux uit Charleroi. Hij stuntelde bij de huiszoekingen in december 1995. Voorts worden vermeld Michaux superieuren Jean-Pol Legros, Didier Schot, Roland Leblanc en Daniël Zamponi. Zij moeten voor Othello opdraaien.

Ook de top van de GP krijgt er flink van langs. Christian De Vroom wordt vanwege zijn ‘berustende houding’ verantwoordelijk gesteld voor de slechte werking van de Brusselse gp. De Luikse commissaris Daniël Lamoque zou het onderzoek niet geleid maar ondergaan hebben. De commissie steekt ook een beschuldigende vinger uit naar verschillende kopstukken bij justitie. Onder hen oud-minister Melchior Wathelet, die in 1992 zijn handtekening onder de invrijheidstelling van Dutroux zette. Wathelet is inmiddels onschendbaar als rechter aan het Europese Hof van Justitie in Luxemburg. De Luikse onderzoeksrechter Doutrèwe en de voormalige procureur van Charleroi, Thomas Defourny, moeten het ontgelden omdat zij onvoldoende leiding gaven aan het onderzoek naar respectievelijk Julie en Mélissa en Dutroux. Procureur-generaal André Van Oudenhove en procureur des konings Benoït Dejemeppe, die verantwoordelijk waren voor het dossier Loubna, hebben het nog zwaarder te verduren. Van Dejemeppe wordt botweg gezegd dat hij niet voldoet aan de vereisten om een korps te leiden. Van Oudenhovens controle op het Brusselse parket zou dan weer niet adequaat zijn geweest.

De Commissie-Dutroux geeft dan ook een voorzetje voor de verbetering van de justitie. De commissie vindt dat het gerecht gemoderniseerd moet worden. ‘Een drastische uitbreiding van de middelen’ is nodig. Magistraten moeten goed opgeleid worden. Ook wordt een externe doorlichting voorgesteld, te beginnen bij de parketten. Verder vindt de commissie dat zorgvuldiger moet worden omgegaan met de vrijlating van delinquenten. De commissie stelt ten slotte voor de positie van de slachtoffers te verbeteren.(249)

Deze voorstellen zijn klein bier vergeleken met wat de Commissie-Dutroux met de politie voorheeft. De commissie spreekt zich onomwonden uit voor een eenheidspolitie. Rapporteur Landuyt formuleert het als volgt aan het eind van zijn anderhalf uur durend verslag: ‘De drie algemene politiediensten worden geïntegreerd in één politiestructuur’. Het eerste bedrijf zit erop. Commissieleden en rapporteurs krijgen applaus.

Hoe zijn de reacties buiten de Kamer? De rijkswacht en de meeste Vlaamse politici zijn dik tevreden. Merkwaardig genoeg zijn ook enkele vooraanstaande Vlaamse politiecommissarissen voldaan. ‘De aanbevelingen van de commissie sluiten aan bij onze visie’, verklaart Carlos De Troch, voorzitter van de Vaste Commissie. ‘De lokale politie komt een maximale autonomie toe. Dat vind ik in het rapport terug.’(250) Freddy Carlier, hoofdcommissaris in Gent: ‘Een nieuw korps, een nieuw uniform en een nieuw statuut. Het lijkt wel een beslissing van een neutrale overheidsmanager. Het instrumentarium, namelijk de IPZ’s, is voorhanden. Men moet alleen het personeel op één hoop vegen. Dat moet in een halfjaar geklonken zijn.(251)

Het rapport-Dutroux valt minder goed in het Franstalige landsgedeelte. De partijleiders Philippe Busquin (PS) en Louis Michel (PRL) vinden dat een eenheidspolitie niet door de beugel kan. ‘De democratie heeft baat bij diverse politiediensten’, zegt Busquin. Michel van zijn kant steunt het standpunt van het Gemeenschappelijk Vakbondsfront van Magistratuur en Politie. Hij vraagt zich luidop af hoe de nieuwe eenheidspolitie er precies uit gaat zien.(252)

Het antwoord van de Gentse criminoloog Brice De Ruyver in het blad Politeia is verhelderend. Volgens de deskundige van de Commissie-Dutroux zal de eenheidspolitie tegelijkertijd op federaal en lokaal niveau werken. Burgemeester en procureur blijven op lokaal niveau, zeg maar het niveau van de IPZ’s, verantwoordelijk voor respectievelijk de bestuurlijke en de gerechtelijke politie. Op federaal niveau krijgt de minister van Binnenlandse Zaken het gezag over de federale eenheden, die instaan voor de bestuurlijke politie (openbare ordehandhaving, verkeer, preventiebeleid). De federale recherche-eenheden vallen onder zijn collega van Justitie. De federale korpsleiding kan beschikken over een steundienst met operationele en niet-operationele afdelingen (personeel en logistiek). Op beide niveaus probeert het Driehoeksoverleg het beleid op elkaar af te stemmen. Het College van Procureurs-generaal en de minister van Justitie stippelen het opsporingsbeleid uit. De nationale magistraten brengen het in praktijk en oefenen toezicht uit op de informatie-afdeling van de steundienst en op de federale recherche-eenheden.(253)

Iedereen kan nu zien hoe Binnenlandse Zaken sinds 1989 het eenwordingsproces heeft gestuurd: de verschillende hervormingen (APSD, Vijfhoeksoverleg, IPZ’s enzovoort) passen als puzzelstukjes precies bij elkaar. En wie komt het beheer van de eenheidspolitie toe? Dit is een cruciale vraag want wie de politie beheert, heeft de touwtjes in handen. Volgens De Ruyver zal het beheer (financiering, statuten, aanwerving, uitrusting) bij de federale instanties berusten. Van de gemeentelijke autonomie schiet zo niet veel meer over. De Ruyver stelt iedereen gerust. ‘Men hoeft niet bang te zijn voor een staat in de staaf, schrijft hij. ‘Ik zie in eer en geweten niet in hoe deze structuur een democratisch deficit inhoudt.(254)

Op 17 en 18 april 1997 bespreekt de Kamer het Rapport-Dutroux. Van een echt debat is nauwelijks sprake. Aan Vlaamse kant overheerst een toon van triomfalisme. Patrick Dewael: ‘De voorstellen van de commissie zijn revolutionair. Het proces van zelfreiniging kan beginnen.’ Gerolf Annemans signaleert dat ‘wordt gebroken met de trend van mei ’68’. Hij hoopt dat het Rapport-Dutroux leidt tot het barsten van België. ‘In ieder geval moet het voor het einde van het j aar worden uitgevoerd, anders komt er een tweede Witte Mars’, dreigt hij.(255) Tony Van Parys (CVP) en Mare Verwilghen (VLD) verdedigen de eenheidspolitie met zichtbare trots. Voor hen is de strijd beslist. Van Parys: ‘Het rapport kan niet op twee manieren worden geïnterpreteerd. Er moet één politiedienst komen. Als de voltallige Kamer de commissie steunt, zullen de meisjes niet voor niets zijn gestorven.’ Verwilghen voegt er zelfverzekerd aan toe: ‘De aanbeveling is te nemen of te laten.’ De VLD’er, inmiddels razend populair, hoopt dat zijn rapport unaniem door het parlement zal goedgekeurd worden. Als hij daarin slaagt, staat de regering met de rug tegen de muur. ‘Men kan niet het rapport eerst goedkeuren en het daarna afvallen’, waarschuwt hij. Wie zich niet wil bezondigen aan ‘oude politieke cultuur’ dient onverwijld voor de eenheidspolitie te zijn. Verwilghen: ‘De commissie keurde het verslag unaniem goed, wat essentieel is voor het algemeen belang. Er is nu geen weg terug.’ Voor het applaus losbreekt, predikt hij nog even de deugd van nederigheid met de woorden van de heilige Augustinus: ‘Als we doen wat we moeten doen, verdienen we geen lof.’

De Franstalige politici lijken verpletterd door zoveel deugdzaamheid. Ze maken ter plekke kennelijk een gedaantewisseling door. Gedaan met driftig debatteren. Slechts af en toe breekt een greintje strijdlust door het harnas van hun diplomatieke beleefdheden. Louis Michel (PRL) weert zich nog het kranigst. ‘Een eenheidspolitie kan makkelijk almachtig en oncontroleerbaar worden’, betoogt hij. ‘Op dit ogenblik blijven het parket en de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie schromelijk in gebreke. Hoe zullen ze dan in staat zijn om een eenheidspolitie doeltreffend te controleren?’(256) Het slotakkoord komt van premier Jean-Luc Dehaene. Hij noemt het Rapport-Dutroux ‘een baken van democratie’ en belooft dat de regering nog voor de vakantie de knoop van de politiehervorming zal doorhakken.

De PRL acht de top van de rijkswacht mede verantwoordelijk voor het drama en bepleit het behoud van diverse politiediensten. Haar amendementen worden echter eenparig verworpen. Is het de druk van de publiciteit en van de tv-camera’s? Eens te meer vliegen de clichés in het rond. Patrick Dewael (VLD): ‘Eenparigheid is belangrijker dan het klassieke politieke spel.’ Filip De Man (Vlaams Blok) voegt eraan toe: ‘De rijkswacht is niet zo gevaarlijk.’ Jean-Jacques Viseur (PSC): ‘De bevolking moet zich opnieuw in het paleis der natie thuisvoelen. Wij mogen de burgers niet teleurstellen.’ Geert Bourgeois (VU): ‘De hervorming moet rond zijn tegen het magische jaar 2000.’ Didier Reynders legt dan maar het hoofd in de schoot. ‘De PRL zal het verslag goedkeuren. Ik hoop maar dat de nieuwe politieke cultuur de kritische zin en het democratische debat niet doodt’, verzucht hij.

De stemming is een bijzondere gebeurtenis, omdat alle partijen - meerderheid en oppositie van beide taalgroepen - eensgezind het Rapport-Dutroux goedkeuren. Triomfantelijk wordt geschreven dat de Commissie-Dutroux en het parlement politieke geschiedenis schrijven. Maar zelden worden de idealen van een sociale beweging zo flagrant genegeerd. De Witte Beweging droomde van meer democratie, ze kreeg een eenheidspolitie.

De Commissie-Huybrechts - Inhoud

Het parlement is niet bevoegd sancties te treffen tegen degenen die fouten hebben gemaakt in het onderzoek naar de verdwenen kinderen. Dat is onder meer de taak van minister De Clerck, maar die voelt er niet veel voor. ‘Afrekenen is de mentaliteit van het Vlaams Blok’, oppert minister De Clerck.(257) Hij wil Melchi-or Whatelet laten aanblijven als Europees rechter. Daarmee veegt hij de vloer aan met de hoog geprezen ‘nieuwe politieke cultuur’. Als een ex-minister van Justitie ongemoeid wordt gelaten, wie wil de Clerck dan nog ter verantwoording roepen? Zelfs Verwilghen heeft de sterke indruk dat de door hem geleide commissie, zeker als het gaat om het onderzoek naar de individuele verantwoordelijkheden, niet meer dan een uitlaatklep is geweest. ‘Toen de bliksem was afgeleid en de stroom verdwenen, was de neiging om tuchtmaatregelen te treffen een stuk minder geworden’, verklaart hij.258

Verwilghen hoopt dat het beter afloopt met de andere aanbevelingen van de Commissie-Dutroux. ‘Want’, zegt hij ‘uiteindelijk is het hervormen van politie en justitie in mijn ogen het belangrijkste’. In het politievraagstuk neemt de regering het heft in handen. Niemand weet wat het woord ‘geïntegreerde politie’ precies voorstelt. De omstreden tekst wordt totaal verschillend geïnterpreteerd en heeft slechts in schijn de unanieme steun van alle politieke partijen. Iedereen kan merken dat ook de regering het er onderling nog allerminst over eens is. Vooral Franstalige politici hopen dat het parlement in een publiek democratisch debat het nieuwe politiestelsel vorm kan geven. Maar de regering acht alleen de Commissie-Huybrechts geschikt om de subtiliteiten van de ‘geïntegreerde politie’ te doorgronden. Ze moet voor 15 juni 1997 met haar huiswerk klaar zijn. Zo blijft het politiebeleid het jachtterrein voor een elite van deskundigen en politiefunctionarissen en kan het proces, centraal gestuurd, in hoog tempo worden afgerond. Sommigen hebben haast. De Ruyver: ‘Men moet in een half jaar tijd een blauwdruk kunnen uitwerken als iedereen ertoe bereid is zijn individuele en corporatistische belangen opzij te zetten.(259)

Toch geven heel wat parlementariërs zich niet zomaar gewonnen. De senaatscommissie voor Binnenlandse Zaken onder voorzitterschap van Joëlle Milquet (PSC) start een grondige doorlichtig van de Belgische politie. Ze laat zich daarbij wetenschappelijk ondersteunen door de professoren Christian De Valkeneer (UCL) en Lode Van Outrive (KUL). De Commissie-Milquet brengt een werkbezoek aan de vs en hoort verschillende politiechefs, alsmede vertegenwoordigers van het Gemeenschappelijk Vakbondsfront van de Magistratuur en de Politiediensten.

Het initiatief komt voor de aanhangers van een eenheidspolitie uiterst ongelegen. Zij proberen via de Commissie-Dutroux druk op de ketel te houden. Deze commissie onderzoekt vanaf midden mei 1997 of Dutroux en andere verdachten bescherming hebben genoten. Verwilghen zet in ieder geval door. ‘Ik heb op dit moment eigenlijk een waakhondfunctie’, erkent hij. Tk ben de behoeder van de conclusies van de Commissie-Dutroux. Ik moet voortdurend de vinger op de wonden leggen.’(260) Net als Verwilghen vreest ook commandant Deridder dat ‘de oude partijpolitieke reflexen’ weer de kop opsteken. Op de opendeurdag van de rijkswacht, op 16 mei 1997, schaart Deridder zich achter het Rapport-Dutroux. Hij zegt te hopen dat de aanbevelingen niet door ‘politieke compromissen’ onderuit worden gehaald. ‘Het land is niet gediend met halve oplossingen’, aldus Deridder.

Nog in mei 1997 keurt de regering een nota over de ‘modernisering van de gemeentepolitie’ goed. Tot nu toe komt een hoofdcommissaris uit de rangen van het korps. Hij is doorgaans een vertrouweling van de lokale autoriteiten. Dat wil minister Vande Lanotte veranderen. Ook ‘buitenstaanders’, zelfs rijkswachtofficieren, moeten zich kandidaat kunnen stellen. Pas na een geslaagde proefperiode van vijf jaar kan een definitieve benoeming volgen. Dit heeft alles te maken met de nieuwe cultuur, waarin politie en rijkswacht naar elkaar moeten toegroeien. Beide korpsen moeten ook nauwer samenwerken binnen de Interpolitiezones (IPZ’s). Precies 589 gemeenten zijn nu verdeeld over 202 IPZ’s. Binnen de IPZ’s wordt de samenwerking in zogeheten ‘veiligheidscharters’ vastgelegd. Die charters worden afgesloten door de bestuurlijke, gerechtelijke en politionele verantwoordelijken.

De akkoorden kunnen verschillen van IPZ tot IPZ. Het is dan ook niet makkelijk alle akkoorden te kennen en correct toe te passen. Daarom zette de rijkswacht het automatiseringssysteem IPOQ (Informatisering van de Politiële Oproepgegevens) op poten. Ipog registreert elke oproep en speelt die vervolgens, overeenkomstig de afgesloten akkoorden, naar de rijkswacht of gemeentepolitie door. IPOQ is nu in alle rijkswachtdistricten operationeel. De minister van Binnenlandse Zaken wil ipog ook zo snel mogelijk bij de gemeentepolitie invoeren. Bijgevolg zoekt de rijkswacht, onder supervisie van de APSD, naar een oplossing om ipog en pip (Politie Informatica Project voor de gemeentepolitie) op elkaar af te stemmen.(261)

In het Dutroux-tijdperk buitelen de repressieve voorstellen over elkaar heen. Vande Lanotte wil in probleemwijken ‘justitieantennes’, oprichten. Daarmee hoopt hij jonge delinquenten snel een alternatieve straf te kunnen opleggen. Daarbij blijft het niet. Op 4 juni 1997 bespreekt de Kamer het wetsontwerp, dat deelname aan criminele organisaties strafbaar stelt: artikel 342 van het Strafwetboek. De regering kiest voor een uiterst brede definitie van ‘criminele organsatie’. Hiertoe rekent minister De Clerck, luidens de Memorie van toelichting, bijvoorbeeld ‘extremistische en terroristische groeperingen’. Voor wie het ontwerp echt leest, is duidelijk dat ook vakbonds- of actiegroepen in het vizier komen. De Liga voor de Rechten van de Mens spaart haar kritiek niet. Ze voert aan dat het gelijksoortige artikel 140 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht voor politieke doeleinden wordt misbruikt. Zo arresteert de Amsterdamse politie op basis van artikel 140 op 15 juni 1997 een groep van tweehonderd activisten, die tegen de Eurotop demonstreren. De Liga hekelt het feit dat het wetsontwerp aan het louter ‘deel uitmaken’ van een criminele organisatie een gevangenisstraf van 2 tot 5 jaar verbindt. Het artikel 342 preciseert daarbij dat de deelnemer niet eens ‘de bedoeling moet hebben om een misdrijf te plegen’. Erger nog, iedereen die ‘deelneemt aan de voorbereiding of de uitvoering van een geoorloofde activiteit van een criminele organisatie’ kan een gevangenisstraf van 1 tot 3 jaar oplöpen, als ‘hij weet of moet weten dat zijn deelneming bijdraagt tot de oogmerken van de organisatie’.(262) De Groenen en zelfs de Nationale Orde van Advocaten tonen zich zeer verontrust.

Op hetzelfde ogenblik bespreekt de Senaat een ander omstreden wetsontwerp, waarop de politie al enige tijd zit te wachten. Minister De Clerck wil de afluisterwet van 3 februari 1995 versoepelen. Volgens het nieuwe ontwerp moet de politie de afgeluisterde gesprekken niet meer volledig tikken. De politie vindt dat veel te tijdrovend. Tevens krijgt de politie de mogelijkheid om gsm, fax en computer af te luisteren en in geval van nood mag ze zelfs zonder voorafgaande machtiging van een magistraat telefoonnummers identificeren. De literatuur wijst uit dat telefoontap een weinig effectieve methode is. Topcriminelen beschikken allang over sateliettelefoons. Het wetsontwerp heeft een negatief advies van de Raad van State gekregen, maar dat lijkt de regering niet te deren.

Op 20 juni 1997 publiceert de Commissie-Huybrechts haar eindrapport onder de dubbelzinnige titel: Eenheid in verscheidenheid. Vrijheid in gebondenheid.(263) Volgens Huybrechts is België rijp voor een geïntegreerde superpolitie, onder leiding van een superhoofdcommissaris, een soort vijfsterrengeneraal.

Deze krijgt haast maximale bevoegdheden. Op federaal niveau neemt hij deel aan het zogeheten Driehoeksoverleg. Hierdoor kan hij samen met de regering en het College van Procureursgeneraal uitmaken welke prioriteiten op het gebied van het strafrechtelijk beleid moeten worden gesteld. Bovendien kan de federale politiechef allerlei claims leggen op de activiteiten van de lokale politie. Deze lokale politie, bestaande uit de huidige gemeentelijke politiekorpsen en rijkswachtbrigades, krijgt een eerstelijnstaak en opereert in een politiezone.

Er schiet nauwelijks nog iets over van gemeentelijke autonomie en directe democratische controle van de burgemeester. De vrees voor een moeilijk controleerbaar politieapparaat is reëel want Huybrechts kleedt ook de justitie sterk uit. De eenheidspolitie zal worden ‘aangestuurd’ door een te vormen landelijk Openbaar Ministerie. Evenveel argwaan wekt het plan om het systeem van Autonome Politionele Afhandeling (apa) te veralgemenen, waardoor de politie op eigen houtje eenvoudige delicten mag afdoen. Net als de Commissie-Dutroux besluit ook Huybrechts de eenheidspolitie bij voorbaat een democratische voldoende te geven. Huybrechts gaat wel heel ver. Een klein clubje van 4 politieambtenaren mag de fusie van de drie politiediensten verder vorm geven. De leider van dit team zou dan automatisch de chef van de nieuwe eenheidspolitie worden. Het stakingsrecht wordt afgeschaft. De politiechefs moeten weliswaar rekenschap afleggen aan gemeenteraad en parlement, maar het is zeer de vraag of dit veel uithaalt. De greep van het parlement op het orde- en opsporingsapparaat is gering. Kamerleden doen bij de jaarlijkse begrotingsbehandeling hun zegje, stellen de budgetten vast en laten meestal weer pas iets van zich horen bij incidenten. Het vorsende werk van commissies als Dutroux en de Bende van Nijvel mogen worden gezien als inhaalslag om de verloren greep op de politie een beetje te herwinnen.

Hoe je het wendt of keert, de fusie van de politiediensten zal niet goedkoop zijn. De Antwerpse commissaris Pyl, lid van het Comité P, raamt de prijs op minstens 50 miljard. Huybrechts gaat ervan uit dat de politiehervorming in het beginjaarlijks één miljard extra zal kosten. Daarna zal dit bedrag oplopen tot 9,5 miljard gedurende een ‘overgangsperiode’ van 35 jaar!

De reacties op het Rapport-Huybrechts zijn erg lauw. Geen enkel lid van de Commissie-Huybrechts verwerpt het ondemocratische superpolitiemodel in zijn geheel. Slechts twee leden (de adviseur-generaal voor het strafrechtelijk beleid, Lucien Nouwynck, en de hoofdcommissaris van de Luikse gp, André Hinnesdaels) vinden dat de federale politiechef een te grote machtspositie inneemt. Bewindslieden en academici, die voorheen een dergelijke machtsconcentratie afwezen, draaien ineens om. De voorstanders van een eenheidspolitie hebben een collectief vooroordeel van eigen gelijk, dat niet meer voor verandering Vatbaar is. De standpunten zijn bepaald, de discussie is gesloten.

Verwilghen blijft met verve de rol van ‘waakhond’ spelen. ‘Het Rapport-Huybrechts is een zegen’, verklaart hij aan Het Laatste Nieuws. Hij vreest dat het land nog erg pijnlijke momenten tegemoet zal gaan als de regering het rapport negeert.(264) ‘De bevolking zal zoiets niet pikken’, zegt Verwilghen. Wie niet voor een eenheidspolitie is, zal opnieuw een witte beweging ontketenen, is de teneur van het interview. Commentaar van Het Laatste Nieuws: ‘Verwilghen is een staatsman van formaat.’

Cyrille Fijnaut heeft de moed om genuanceerd te blijven denken. Hij herinnert de politici eraan dat alleen een democratische controle voldoende legitimatie voor het handelen van de politie creëert. Hij bestempelt het plan-Huybrechts als ‘een roekeloos avontuur’. ‘Het rapport is in de beslotenheid van een commissie tot stand gekomen. Het werd in een soort bunkersfeer gefabriceerd’, aldus de Leuvense criminoloog. Hij voegt eraan toe: ‘Het politiewezen in België wordt beschouwd als een soort technisch instrument dat door professionals adequaat kan worden georganiseerd. De democratische inbedding wordt als secundair gezien. Dit is een echte omkering van de waarden.’ Fijnaut windt er geen doekjes om: ‘Het een enorme blunder dat de positie van de burgemeester wordt uitgegomd.’ Is de burger beter gediend met een eenheidspolitie voor zijn veiligheid? Fijnaut: ‘Het is verbijsterend dat men op geen enkel ogenblik de test doet of dit apparaat beter dan het bestaande in staat zal zijn om problemen zoals een zaak-Dutroux de baas te worden.(265)

Ondanks deze alarmerende uitspraken van de beste kenner van de Euopese politie ontstaat in Vlaanderen geen echt openbaar debat. Het krediet van de Commissie-Dutroux heeft kennelijk de toestand op het schaakbord grondig veranderd. Niemand durft de ‘moedige’ commissie aan te vallen? Het is duidelijk dat Verwilghen en andere Vlaamse commissieleden hun prestige gebruiken om de eenheidspolitie te promoten. Maar wie het lef heeft zoiets te opperen, oogst algemeen misprijzen. De parlementsleden van de PS en Ecolo hebben het zelf ondervonden. Op 2 juli 1997 bekritiseren ze de pleitbezorgers van een eenheidspolitie. Vande Lanotte ontsteekt in woede. ‘U hebt het Rapport-Dutroux niet gelezen. U vindt de commissieleden blijkbaar klootzakken’, bijt de minister de PS-kamerleden Claude Eerdekens en Serge Moureaux toe.

Vande Lanotte wordt nerveus want de scheuren in de regering worden stilaan zichtbaar. Op 4 juli 1997 presenteert de Commissie-Milquet haar rapport. De senatoren verwerpen het Rapport-Huybrechts en scharen zich achter het Gemeenschappelijk Vakbondsfront van de Magistratuur en de Politiediensten. Ze kiezen voor een politieapparaat dat is opgebouwd rond de gemeentepolitie op lokaal en de gerechtelijke politie op federaal vlak. Dit voorstel wordt weggehoond door Frank De Moor. De medewerker van Politeia reageert giftig in Knack.(266) Hij scheldt met veel genoegen op de tegenstanders van Verwilghen en Huybrechts. Ze zouden ‘de verziekte baronieën van de gerechtelijke en de gemeentelijke politie ongemoeid laten’ en zwichten voor ‘de vaak onbekwame parketmagistraten en burgemeesters’. Volgens De Moor spelen de Franstalige christen-democraten en socialisten ‘een politiek spelletje’. Ze zijn in zijn ogen plotseling verschrikkelijk ‘reactionair’ en zielig.

Het doek valt - Inhoud

De verjaardag van de Witte Mars nadert. Premier Dehaene moet de knoop doorhakken. Hij blijft echter met de voeten op de grond. Een volledige fusie, zoals Huybrechts voorstelt, gaat een stap te ver. Dehaene stuurt aan op een integratie op federaal niveau. Die kan geen problemen opleveren want de GP is totaal ontredderd en verlamd door de ‘politieoorlog’. Minister De Clerck onthoofdt zelfs de gp. In september 1997 schuift hij De Vroom opzij. De commissaris-generaal wordt voorlopig vervangen door de Brugse procureur Jean-Marie Berkvens en inspecteur Christian Binz.

Hoewel dat wel de bedoeling is, is België nog niet aan een lokale fusie toe. Daarvoor zijn de weerstanden van de Franstalige coalitiepartijen en de verschillen tussen de gemeentelijke korpsen en de lokale rijkswachteenheden nog te groot. De recent uitgevoerde reorganisatie op lokaal vlak is nog niet volledig afgerond. Enkele jaren geleden vertoonde de lokale landkaart nog een lappendeken van 589 grote en kleine gemeentelijke korpsen, met daar tussendoor 425 rijkswachtbrigades. Na moeizaam gepuzzel kwamen uiteindelijk 202 IPZ’s tot stand. De gemeentelijke korpsen en de rijkswachtbrigades moeten in het kader van de IPZ’s samenwerken, maar dat gaat niet overal van een leien dakje. Vooral in Wallonië ontbreken er nog een aantal ‘ veiligheidscharters’.

Dehaene heeft dus weinig manoeuvreerruimte. Hij presenteert zijn compromis op 7 oktober 1997. Tijdens de zogeheten State of the Union, waarmee het nieuwe parlementaire jaar wordt ingeluid, kondigt de premier een volledige integratie van de politie op federaal niveau aan. Rijkswacht, GP en allerlei gespecialiseerde diensten (de luchtvaart-, zeevaart- en spoorwegpolitie en het Hoog Comité van Toezicht) zullen samensmelten tot één nationale politie, ongeveer 18.000 man sterk. Tot opluchting van de sp en de rijkswachttop kan de nieuwe nationale politie rekenen op de lokale rijkswachtbrigades, die worden omgedoopt tot ‘zonale afdelingen van de nationale politie’. De ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie blijven verantwoordelijk voor de nationale politie. De algemene leiding komt in handen van een commissaris-generaal. Een Nationale Politieraad (npr) moet toezicht houden en de vrees voor één almachtige chef wegnemen. De commissaris-generaal wordt bijgestaan door zes adjuncten, die elk een ‘directie’ beheren: Bestuurlijke Politie (ordehandhaving), Gerechtelijke Politie (misdaadbestrijding), Ondersteuningsdienst (centralisatie van informatie), Beheersdienst (logistiek, financiën en personeel), Ontwikkeling Politiebeleid, Sturing Lokale Eenheden van de Nationale Politie. Een ding is duidelijk: de nationale politie is een doorslag van de rijkswacht. De piramidale structuur van dit korps (commandant, generale staf met vijf directies, districtscommandanten, territoriale brigades) blijft geheel intact, alleen het etiket wordt veranderd (commissaris-generaal, zes nationale directies, arrondissementscommandanten, zonale afdelingen van de nationale politie).

Op lokaal niveau komt er voorlopig nog geen fusie. Gemeentepolitie en rijkswachtbrigades zullen in de IPZ’s nog nauwer dan voorheen samenwerken. Tot nu toe is het beheer van de gemeentelijke korpsen (inrichting, besteding van beschikbare middelen) een zaak van de gemeenten, vooral van de burgemeesters. Die oefenen een directe democratische controle uit op de politie. De burgemeester is in zijn gemeente verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde. Veel van deze directe democratische controle schiet er niet meer over. Om de weerstand van vooral de Franstalige politici weg te masseren belooft Dehaene dat de burgemeester meer zeggenschap over de lokale rijkswachtbrigades krijgt. De samenwerking op lokaal niveau zal na 4 jaar door parlement en regering worden geëvalueerd. Tegen die tijd zullen de twee lokale politiediensten rijp zijn voor een fusie. Ze gaan immers gebruik maken van dezelfde telecommunicatie en informatie en voorts worden statuten, opleiding en lonen gelijkgeschakeld.

Dehaene kondigt tevens een meerjarenplan voor justitie aan. Justitie krijgt 5 miljard extra. Volgens Dehaene is het doel, een mensgerichte, snellere en hoogstaande justitie. Het aantal magistraten wordt met 240 verhoogd en hun permanente opleiding verbeterd. De ondersteunende diensten, zoals administratie en informatisering worden gemoderniseerd.

Het zit de liberale oppositiepartij VLD dwars dat de regering de kans op één grote eenheidspolitie heeft laten lopen. Marc Verwilghen houdt vol dat de lokale politiediensten onmiddellijk moeten integreren, al geeft hij grif toe dat ‘de voorwaarden voor een latere fusie aanwezig zijn’. De PRL heeft weinig goede woorden over voor de voorgestelde hervormingen. De PRL blijft zweren bij drie politiediensten, waarbij bob en GP worden samengevoegd tot één federale criminele politie onder het uitsluitend gezag van het gerecht. Ook kamerleden van de CVP, van wie velen burgemeester en dus korPSChef zijn, vinden dat de integratie verder moet gaan omdat de gemeentepolitie door de rijkswacht overvleugeld dreigt te worden. Ze waarschuwen voor een politieoorlog op lokaal niveau. De sp is positiever gestemd want de rijkswacht treedt als grote winnaar uit het strijdperk. Voor de sp speelt ook een belangrijke rol dat over vier jaar dit nieuwe model nog wordt geëvalueerd. ‘Het is geen model voor de eeuwigheid’, aldus fractieleider Louis Van Velthoven.

Het Gemeenschappelijk Vakbondsfront van de Magistratuur en de Politiediensten kan zich niet vinden in de voorstellen. Het Vakbondsfront klaagt terecht over de ‘democratische inbedding’ en vreest dat de zeggenschap van burgemeester en justitie over deze geïntegreerde politie fors zal verminderen. Het Front komt op de proppen met een alternatief: fusie van de lokale diensten tot één eerstelijnspolitie, een autonome nationale gerechtelijke politie onder het gezag van de magistratuur en aanstelling van een ambtenaar-generaal in de plaats van de machtige commissaris-generaal. Op 12 oktober 1997 organiseert het Vakbondsfront een Blauwe Mars in Brussel. Zo’n 3.000 aanhangers nemen eraan deel. De stemming is gelaten.

‘Een reorganisatie moet een bepaalde criminele politiek dienen’, zegt het Vakbondsfront. Het verwijst daarbij naar de resultaten van de zogeheten ‘veiligheidsmonitor’, waaruit blijkt dat de gemiddelde Belg zich geen zorgen maakt over de georganiseerde misdaad; hij is alleen begaan met de kleine en middelgrote criminaliteit. ‘Het regeringsplan houdt er echter geen rekening mee’, besluit het Front.

De volgende dag illustreert minister De Clerck deze stelling. Hij pakt uit met het eerste jaarverslag inzake georganiseerde misdaad. ‘Georganiseerde misdaad’ is een woord dat in het jaarverslag ruim wordt gebruikt. Met een cijfer van 162 misdaadbendes probeert het rapport het bestaan van een ongrijpbare georganiseerde misdaad en maffia in België te bewijzen. ‘We hebben de op stapel staande politiehervorming meer dan ooit nodig’, analyseert De Clerck. De rapporteurs van het jaarverslag becijferen dat in 1996 amper 63 van de 162 misdaadgroepen financieel werden doorgelicht en dat de Belgische staat daarbij nauwelijks 4 miljard misdaadwinst incasseerde.

Een jaar na de Witte Mars zijn de emoties over de dood van de meisjes geluwd. De gezagdragers halen opgelucht adem. Het gevreesde oproer is uitgebleven. De Witte Beweging bestaat nog wel, verspreid over 130 witte comités, maar heeft aanmerkelijk aan kracht ingeboet. Ontgoocheling en desillusie overheersen. Ten tijde van de Witte Mars dachten velen nog oprecht dat de indrukwekkende volksmobilisatie kon leiden tot meer democratie en gerechtigheid. Inmiddels weten ze beter. Premier Dehaene heeft op een weinig galante manier de progressieve protestgolf benut om de politie te versterken. Bovendien zitten de ‘verantwoordelijken’, die in de zaak-Dutroux hebben geblunderd, nog steeds op hun post. De liberale parlementariërs reageren verontwaardigd. Jacqueline Herzet vraagt zelfs om het ontslag van de minister van Justitie. Deze wijst erop dat de conclusies van de Commissie-Dutroux niet zomaar in tuchtrechtelijke sancties om te zetten zijn. De Clerck spreekt over ‘twee aparte werelden waartussen geen enkel verband bestaat’.

Op 19 oktober 1997 komen zo’n 5.000 ‘witte burgers’ samen op het plein voor het gerechtsgebouw in Neufchateau. Ze herdenken de Witte Mars van een jaar geleden en demonstreren tegen de arrogantie van de macht. De opkomst is onverwacht groot. Vanaf de trappen van het gerechtsgebouw spreken de vaders van Julie en Mélissa de menigte toe. Ze voelen zich gesterkt in hun strijd voor meer gerechtigheid en een betere werking van justitie.

Twee dagen later, op 21 oktober 1997, bespreekt de Kamer het verslag van de Tweede Bende-commissie. De verslaggevers Renaat Landuyt (SP) en Jean-Jacques Viseur (PSC), signaleren dat de voormalige rijkswachttop zowel in 1986 als in 1988 de hoogste magistraten en de minister van Justitie opzettelijk verkeerd heeft geïnformeerd over haar intern onderzoek naar betrokkenheid van extreem-rechtse rijkswachters bij de Bende van Nijvel en de wapenroof bij de groep Dyane. Dehaene belooft de begroting van justitie te verhogen en meer magistraten naar het front te sturen. Voor een structurele oplossing is meer nodig, vindt Tony Van Parys. Volgens de voorzitter van de Tweede Bende-commissie gaat er heel wat mis in de justitiefabriek. De onderlinge samenwerking tussen de afzonderlijke schakels - politie, om en zittende magistraten - is gebrekkig. De politie wordt almaar versterkt. Het om mist elke greep op de politie. Onderzoeksrechters op hun beurt worden onvolledig voorgelicht. Vandaar dat Van Parys en de Tweede Bende-commissie hameren op een reorganisatie van het om. De parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg moeten autonomer gaan werken. De parketten-generaal moeten als echte ‘auditcellen’ fungeren en de Integrale Kwaliteitszorg toepassen. Ten slotte moet een landelijk parket de wijdvertakte criminaliteit aanpakken.

Het regeringsplan laat vooral de onderzoeksrechters in de kou staan. De Vereniging van Onderzoeksrechters van België (vob) voert aan dat de criminele informatie meer dan ooit een zaak van de politie wordt. De nieuwe ‘directies’ Gerechtelijke Politie en Ondersteuning gaan respectievelijk de ‘zachte’ en ‘harde’ informatie beheren. Beide databanken zijn eigenlijk een voortzetting van het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO). De onderzoeksrechters spreken zich uit voor één centrale databank en voor een autonome criminele politiedienst onder het uitsluitende gezag van het gerecht.

‘Onaanvaardbaar’, reageert Tobback. De SP-voorzitter vindt het regeringsplan een ‘aanvaardbaar compromis’ en een springplank naar een volledige fusie. ‘Over vier jaar zullen we anders aankijken tegen de huidige reorganisatie’, zegt hij op 23 oktober 1997 in de Senaat. Tn Nederland heeft men enkele jaren geleden de politie tot 25 regio-korpsen omgebouwd. Maar er gaan nu al stemmen op om één nationale politie te vormen.’(267) De andere partijen mogen aan het regeringsplan niet meer morrelen. Zelf blijft Tobback opbieden. Hij wil de Brusselse gemeentelijke korpsen tot één districtkorps omploegen. Voorts voelt hij niets voor de Nationale Politieraad, want die beknot de bevoegdheden van de nationale politiechef. Kennelijk blijft Tobback volharden in de aanmatiging dat het volk de politie blind kan vertrouwen. Alsof er geen risico bestaat dat de nationale politie zich kan ontwikkelen tot een moeilijk controleerbaar, naar binnen gekeerd gezagsapparaat.

Premier Dehaene geeft de partijen nog de gelegenheid om tot half december over het regeringsplan te discussiëren. Op de eerste hoorzitting van de Kamer, op 14 november 1997, komen de politiechefs aan het woord. Generaal Deridder begint zich een beetje als de toekomstige chef van de nationale politie te gedragen. Hij noemt de scheiding tussen de directies Bestuurlijke en Gerechtelijke Politie ‘tegennatuurlijk’. Dat is een streep door de rekening van De Vroom, die een autonome criminele recherche uit de brand poogt te slepen. Deridder beweert niet gekant te zijn tegen een volledige fusie van de lokale politiekorpsen, maar eerst moeten die diensten op een natuurlijke wijze naar elkaar toegroeien. En de regeringspartijen? Ze ruziën wat over de graad van autonomie van de directie Gerechtelijke Politie, over de verhouding tussen nationale en gemeentelijke politie, over de verdeling van bevoegdheden tussen de nationale politiechef enerzijds en diens adjuncten en de Nationale Politieraad anderzijds. Eigenlijk zijn het achterhoedegevechten. Uiteindelijk zal de regering daar ook wel uitkomen. Ze maakt zich hooguit zorgen dat het wat langer duurt dan nodig is.

Misschien zou het goed zijn als de regering zich wat meer om de fragiliteit van de rechtsstaat zou bekommeren. Zo niet, dan dreigt een gevaarlijke situatie te ontstaan. Want de democratie komt in het gedrang als de checks en balances uit het lood geslagen raken, zoals het jongste verleden wel bewezen heeft.

Noten - Inhoud

I Herstel van de orde

1. M. Bologne, De proletarische opstand van 1830 in België, Kritak.

2. E. Vandervelde; L. De Brouckère en L. Vandersmissen, La grève générale, Parijs, 1914.

3. A. Van Laar, Geschiedenis der arbeidsbeweging van Antwerpen en omliggende 1860-1925,1926.

4. Parlementaire Handelingen Kamer, 1899-1900,583.

5. Parlementaire Handelingen Kamer, 6,7 en 8 maart 1895.

6. Parlementaire Handelingen Kamer, 25 juni 1903, 1614-1645.

7. Algemeen Commando van de Rijkswacht, Geschiedenis van de Rijkswacht, Deel 1 - Van de oorsprong tot 1914, Brussel, 1979.

8. F. Baudhuin, Histoire économique de la Belgique 1914-1939, Brussel, 1944.

9. Wet 7 april 1919, Belgisch Staatsblad, 12 april 1919.

10. B. Chlepner, Cent ans d’histoire sociale en Belgique, Brussel, 1972.

11. Parlementaire Handelingen Kamer, 22 juni 1932,2188.

12. Bulletin Verbroedering der Rijkswacht, Jubileumnummer 1933-1958, Brugge, oktober 1958, nr. 119.

13. H. Masson, Inventaires 9. Archives REX et mouvements wallons de collaboration, Brussel, 1981.

14. Parlementaire Handelingen Kamer, 1936-1937, 30 juni 1936.

15. Le Peuple, 25 mei 1935; W. De Bock, Extreem-rechts en de rijkswacht, een poging tot staatsgreep in België op 25 oktober 1936, in Extreem-rechts en de staat. Uitgeverij epo, Berchem, 1981.

16. Parlementaire Handelingen Kamer, 1936-1937, zitting 23 december 1936.

17. Bulletin Verbroedering der Rijkswacht, 5de jg. nr. 44, december 1939; 5de jg. nr. 55, januari 1940.

18. Parlementaire Handelingen Senaat, 14 november 1946.

19. W. Van Geet, De Rijkswacht tijdens de bezetting 1940-1944, De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen, 1985.

20. Handelingen Senaat, zitting 7 november 1946.

21. R. Van Doorslaer en E. Verhoeyen, De moord op Lahaut, het communisme als binnenlandse vijand, Leuven, 1985.

22. Parlementaire Handelingen Senaat, 22 februari 1950, 495.

23. Parlementaire Handelingen Senaat, 22 februari 1950, 495.

24. P. Theunissen, 1950: Ontknoping van de koningskwestie, De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen, 1984.

25. T. Goossens, Grâce-Berleur, le dernier combat de la campagne de 10 jours, éd. de Wallonië région d’Europe, 1990.

26. Handelingen Kamer, 19 december 1950, 21.

27. Parlementaire Handelingen Senaat, 18 augustus 1950, 414; Parlementaire Handelingen Kamer, 19 december 1950, 22.

28. R. Van Doorslaer en E. Verhoeyen, Op. cit.

29. W. Van Geet, Op. cit.

30. Parlementaire Handelingen Senaat, 4 juni 1957, 1428.

31. V. Feaux, Cinq semaines de lutte sociale, ULB, Brussel, 1963.

32. Parlementaire Handelingen Kamer, 17 januari 1961, 30.

33. Pisart, Histoire et organisation de la Gendarmerie.

34. Beknopt verslag Senaat, 1960-1961, 2 mei 1961, 9.

35. Parlementaire stukken Senaat 61-62, 31 januari 1962, nr. 104 en 105.

36. L. Van Outrive, Preadvies over gezag over de politie in België, W.E.J. T. Willink, Zwolle, 1981.

37. A. Van Wanzeele, De reorganisatie van de territoriale eenheden, in Revue van de Rijkswacht, 1965, nr. 10.

38. U. Thiel, De rijkswacht, in Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiek Recht, 19de jg., nr. 6, nov-dec. 1964.

39. Courrier Hebdomadaire du CRISP, 24 maart 1967, nr. 359-360.

40. Algemeen Commando van de Rijkswacht, Geschiedenis van de Rijkswacht, Deel 2 – Van 1914 tot op heden, Brussel, 1980.

41. T. Van Overstraeten, Dossier Limburg. De grote staking, 1970.

42. Het Belang van Limburg, 17 en 18 januari 1966.

43. De Morgen, 11 april 1990.

44. T. Van Hecke in Humo, 20 juli 1972.

45. Parlementaire Handelingen Kamer, 19 december 1967.

46. Beschouwingen over de openbare orde, in Revue van de Rijkswacht, juli 1967.

47. De rijkswacht lonkt, zorg dat je d’r bij komt, in Humo, 28 februari 1974.

48. J. Weverbergh, Loop eens als varkens, in Vrij Nederland, 28 maart 1970.

49. Het Belang van Limburg, 26 januari 1970.

50. Revue van de Rijkswacht, 1970, nr. 42.

51. Humo, 2 februari 1974.

52. Handelingen Kamer, 1970-1971, Zittingen d.d. 3,4 en 9 maart 1971, pp. 13-22,24-25.

53. De Standaard, 22 februari 1972.

54. Het rijkswachtdetachement bij de Shape, Revue van de Rijkswacht, 1977, nr. 69.

55. Sevi, Het Labyrinth, Private milities en politiewezen doorgelicht, met het officieel rapport van de commissie Wijninckx, SEVi-publicatie, Brussel, 1982/1.

56. A. Pint, Het Speciale Interventie Escadron van de Belgische rijkswacht, in Algemeen Politieblad, 1977, nr.2.

57. Saint-Viteux, De rijkswacht in het tijdperk van de informatica, in Revue van de Rijkswacht, 1974, nr.55.

58. L. Franjois, De Rijkswacht tegen de Drugs, in Revue van de Rijkswacht, 1975, nr.60.

59. C. Fijnaut en R. Verstraeten, Het strafrechtelijk onderzoek inzake de Bende van Nijvel, Universitaire Pers Leuven, 1997, p.654.

60. De Morgen, 10 maart 1989.

61. Verslag parlementair onderzoek met betrekking tot het bestaan in België van een clandestien internationaal inlichtingennetwerk, Senaat, zitting 1990-1991, nr. 1117-4.

62. Verslag parlementair onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en terrorisme georganiseerd wordt. Kamer, zitting 1989-1990, nr. 59/8-10.

63. Documenten Kamer, 1979-1980,583 nr. 1.

64. Verklaring Vernaillen voor de Tweede Bendecommissie op 20 juni 1997. Geciteerd in De Morgen, 21 juni 1997.

65. De Morgen, 5 april 1991.

66. Verslag parlementair onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en terrorisme georganiseerd wordt, Kamer, zitting 1989-1990, nr. 59/8-10.

67. Verslag parlementair onderzoek met betrekking tot het bestaan in België van een clandestien internationaal inlichtingennetwerk. Senaat, zitting 1990-1991, nr. 1117-4; Verklaring Bellemans voor Tweede Bendecommissie op 20 juni 1997 en geciteerd in het strafrechtelijk onderzoek inzake de Bende van Nijvel, C. Fijnaut en R. Verstraeten, Universitaire Pers Leuven, 1997, p.1010.

68. Verhoor Bruggeman door de Tweede Bendecommissie op 16 mei 1997, geciteerd door C. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit.

69. Verhoor Bellemans door Tweede Bendecommissie op 20 juni 1997, op.cit.

70. Ibidem.

71. C. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit., p.671.

72. Verhoor Marchoul door de Tweede Bendecommissie op 12 mei 1997, geciteerd door F. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit.

73. Verklaring van onderzoeksrechter Guy Wezel voor het Assisenhof in Bergen op 8 april 1988, De Morgen, 9 april 1988.

74. C. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit. p.624; Verklaring van voorzitter Jacques Vereecke op Assisenhof van Bergen en geciteerd in De Morgen, 16 april 1988.

75. Verklaring van kolonel Berckmans en BOB’er Grandhenzy op het Assisenhof in Bergen op 21 april 1988, geciteerd in De Morgen, 22 april 1988.

76. Verklaring van onderzoeksrechter Guy Wezel op Assisenhof van Bergen op 8 april 1988, geciteerd in De Morgen, 9 april 1988.

77. P. Ponsaers en G. Dupont, De Bende, een documentaire, epo, Berchem, 1988.

78. J. Willems en R. Sauviller, De Bende van Nijvel. Tien jaar blunders van het gerecht, Icarus, Antwerpen, 1995.

79. Verslag parlementair onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en terrorisme georganiseerd wordt. Kamer, zitting 1989-1990, nr. 59/8-10.

80. Vraag nr. 61 van De Bremaker, Vragen en Antwoorden Senaat, 5 maart 1985,989.

81. Syndicale Echo, januari 1985.

82. Voorwoord bij wetsvoorstel tot splitsing van de rijkswacht, 25 oktober 1984.

83. Vraag nr. 62 van De Meyer, Vragen en Antwoorden Kamer, 1988-1989,626.

84. Parlementaire stukken Kamer, zitting 1984-1985,1232, nr.2.

85. Revue van de Rijkswacht, oktober 1985.

86. C. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit., p.1005.

87. Ibidem, p.624.

88. C. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit., p.654.

89. De Standaard, 18 oktober 1988.

90. C. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit., p.624.

91. Revue van de Rijkswacht, januari 1984, nr.98.

92. C. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit., p.676.

93. Ibidem, p.1021.

94. Verhoor Frans Reyniers, Eerste Bendecommissie, op.cit.

95. Verhoor BOB’er Dussart, Eerste Bendecommissie, op.cit.

96. C. Fijnaut en R. Verstraeten, op. cit., p.1131.

97. Memorandum vanwege Luc Van Den Bossche aan de minister van Justitie met betrekking tot het onderzoek van de Bende van Nijvel.

98. C. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit., p.663.

99. Ibidem, p.1188.

III DE VERBOUWING VAN DE NV POLITIE

100. Gazet van Antwerpen, 6 juni 1988.

101. Kamer, 26 oktober 1988.

102. Team Consult, De politiediensten in België, Brussel, inbel; B. Berden, De audit van Team consult, De Politie, 1988, afl.6.

103. Panopticon, 1989, nrs. 3 en 4.

104. C. Fijnaut, W. Bruggeman, F. Denis, De politiediensten in België. Vier commentaren op het rapport van Team Consult, Kluwer, Antwerpen, 1989.

105. De politieofficier, februari 1989.

106. De politieofficier, juni 1989.

107. De Morgen, 18 mei 1989.

108. L. Scarman, The Brixton disorders, 10-12 April 1981, hmso, Londen, 1981.

109. Kamer, 19 juni 1989.

110. W. Van Geet, De Gewapende Lieden, Standaard Uitgeverij, 1996.

111. De Morgen, 5 juni 1990 en 22 september 1997.

112. C. Fijnaut en R. Verstraeten, op.cit., p.503.

113. Parlementair Onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme georganiseerd wordt. Kamer, 30 april 1990,59/8-1988.

114. Politeia, 21 februari 1992.

115. Ministeriële Omzendbrief van 26 april 1990, Belgisch Staatsblad, 27 april 1990,8253-8256.

116. W. Bruggeman, ‘De rijkswacht en de reorganisatie van het politiebestel in België’, in De reguliere politiediensten in België en Nederland, Kluwer Rechtswetenschappen, 1992.

117. V. Pasmans en S. Stuys, Coördinatie tussen politiediensten, in Politeia, 1996.

118. W. Bruggeman, Op. cit.

119. Het Politie Informatica Project: automatisering van de gemeentepolitie, PlP-info, nieuwsbrief nummer 1, mei 1995.

120. De Morgen, 31 oktober 1990.

121. Handelingen Kamer, Commissie van Binnenlandse Zaken, 29 januari 1991.

122. Nieuwsblad, 24 mei 1991.

123. NRC Handelsblad, 18 mei 1991.

124. De Morgen, 25 mei 1991.

125. De politieofficier, juli 1991.

126. Koninklijk Besluit 22 april 1991. Belgisch Staatsblad, 3 mei 1991.

127. De Standaard, 30 mei 1991.

128. De Morgen, 10 juni 1991.

129. Politeia, nr. 2,1993.

130. Wet van 18 juli 1991, Belgisch Staatsblad, 26 juli 1991.

131. Politeia, 21 juni 1991.

132. Wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie en inlichtingendiensten. Belgisch Staatsblad, 26 juli 1991.

133. Lt-Gen. Berckmans, Feest van de rijkswacht, Brussel, 4 oktober 1991.

134. De Standaard, 30 mei 1991.

135. Politeia, 21 september 1991.

136. Koninklijk besluit 17 oktober 1991, Belgisch Staatsblad, 25 oktober 1992.

137. Politeia, 21 februari 1992.

138. Panopticon, 1993, p. 270.

139. Parlementaire Handelingen Kamer, vergadering 19 mei 1992.

140. Parlementaire Handelingen Senaat, 15 juli 1992.

141. J. Cappelle, Het Vijfhoeksoverleg: de stap naar een integraal lokaal beleid?, Centrum voor Politiestudies, Leuven, 1995.

142. Wet op het politieambt. Wet van 5 augustus 1992, Belgisch Staatsblad, 22 december 1992.

143. Parlementaire Handelingen Kamer, 19 mei 1992.

144. Begroting Binnenlandse Zaken 1993, Stuk 530 Belgische Senaat, 26 november 1992.

145. C. Fijnaut en F. Hutsebaut, De nieuwe politiewetgeving in België, Kluwer, Antwerpen, 1993.

146. Politeia, 21 december 1992.

147. Info-Revue van de rijkswacht, oktober 1992.

148. Info-nieuws, 4 maart 1993.

149. Info-nieuws, 29 maart 1993.

150. G. Pyl, De veiligheidscontracten, in Politeia, 21 oktober 1992.

151. Panopticon, 1997, p.101.

152. Wet van 8 december 1992, Belgische Staatsblad, 18 maart 1993.

153. Justitiële Verkenningen, jg. 21, nr. 1, 1995.

154. Artikel K 1.9 van het Verdrag van Maastricht, 9 en 10 december 1992.

155. Info-nieuws, 15 september 1993.

156. Info-nieuws, 6 mei 1994.

157. R. Van De Sompel, ‘De basispolitiezorg en haar plaats binnen de rijkswacht’, in Politeia, 1995, nr.9.

158. Revue van de rijkswacht, 1993, nr. 125.

159. Ibidem, nr. 127.

160. Ibidem, nr. 126.

161. Senaat, 7 december 1993; Begroting van Binnenlandse Zaken 1994, stuk 881-7.

162. Delikt en Delinkwent, 1984,581-584.

163. Tijdschrift voor Criminologie, 1996, nr. 2.

164. Algemeen Politieblad, 5 maart 1994, nr.5.

165. L. Van Outrive en E. Enhus, Internationale politiesamenwerking - Europol, Centrum voor politiestudies, Brussel, 1994; W. Bruggeman, ‘Europol: een groot huis of een lege doos?’, in Politeia, 1994, nr.10.

166. Handelingen Kamer, Zitting 21 april 1994.

167. Politeia, 1994, nr.9.

168. J. Rosiers en T. Van Den Broeck, Evaluatie van de veiligheidscontracten in Antwerpen en Gent, Tussentijds rapport, vub, Brussel, 1993.

169. D. De Fraene, F. Nollet en C. Versluys, Evaluation de la mise en oeuvre et des effets des contrats de sécurité, phase préliminaire d’exploration, tome 1: Charleroi, Liège, Forest, Molenbeek en Schaerbeek, synergie, Brussel, 1993.

170. Commissie van Binnenlandse Zaken, Kamer, Stukken nrs. 1540/14 en 16.

171. C. Fijnaut, Een kleine geschiedenis van de huidige organisatie van het Belgische politiewezen, Gouda Quint?, 1995.

172. Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten, Jaarverslag 1994, Brussel.

173. Politeia, oktober 1994.

174. Humo, 13 oktober 1994.

175. Handelingen Kamer, 9 november 1994.

176. Humo, 17 november 1994.

177. Het Laatste Nieuws, 3 november 1994.

178. F. De Moor, Rijkswacht speelt politie, Knack, 1995, nr. 10.

179. De Morgen, 7 juni 1996.

180. Revue van de rijkswacht, augustus 1995.

181. De Morgen, 13 februari 1995.

182. Politeia, 1995, nr. 2.

183. De Standaard, 18 april 1995.

184. Politeia, 1995, nr. 3.

185. Kamer van Volksvertegenwoordigers, Handelingen, 28 februari 1995.

186. Politeia, 1995, nr. 6.

187. Het Laatste Nieuws, 3 mei 1995.

IV De kronkelige weg naar een eenheidspolitie

188. Verslag Milquet, Belgische Senaat 1-700-1, Evalutie van de politiediensten, 2 juli 1997.

189. Interview De Vroom, Knack, 22 november 1995.

190. Politeia, april 1995.

191. Verslag Milquet, op.cit.

192. Le Vif, 6 december 1996.

193. Politeia, november 1996.

194. Verslag Milquet, op.cit.

195. Politeia, oktober 1996; Knack, 4 september 1996.

196. Kamer, 18 oktober 1995.

197. De Morgen, 1 juli 1996.

198. Senaatscommissie Georganiseerde Misdaad, 4 december 1996.

199. Kamer, 6 december 1995.

200. Verslag Evaluatie van de politiediensten Belgische Staat stuk 1-700/1-2 juli 1997.

201. Politeia, januari 1996.

202. Politeia, januari 1996.

203. Kamer, 27 maart 1996.

204. Politeia, mei 1996.

205. Politeia, mei 1996.

206. Politeia, mei 1996.

207. Politeia, mei 1996.

208. De Politieofficier, juni 1996.

209. Politeia, maart 1996.

210. Kamer, 24 januari 1996.

211. Algemeen Politieblad, 1995, nr. 7.

212. Revue van de Rijkswacht, april 1997 en Politeia, februari 1997.

213. Revue van de rijkswacht, nr. 136, juni 1996.

214. Koninklijk Besluit, 21 mei 1996.

215. De Morgen, 7 juni 1996.

216. Koninklijk Besluit, 4 augustus 1996.

217. De Morgen, 27 april 1996.

218. Politeia, april 1996.

219. Interview Deridder in Knack, 1 mei 1996.

220. Revue van de rijkswacht, september 1996.

221. De Volkskrant, 20 november 1997.

222. Kamer, 3 april 1996.

223. Kamer, 12 juni 1996.

224. LeSoir, 31 juli 1996.

225. De Standaard, 10 juli 1996.

226. Kamer, 22 augustus 1996.

227. Revue van de Rijkswacht, september 1996.

228. Politeia, oktober 1996.

229. De Morgen, 28 september 1996.

230. De Standaard, 16 oktober 1996.

231. Vrij Nederland, 22 februari 1997.

232. Vrij Nederland, 22 februari 1997.

233. Humo, 17 december 1997.

234. NRC Handelsblad, 19 oktober 1996.

235. Humo, 17 december 1996.

236. Politeia, november 1996.

237. NRC Handelsblad, 1 november 1996.

238. Politeia, februari 1997.

239. Politeia, februari 1997.

240. Wetsontwerp van 19 december 1996 tot verbetering van de strafrechtspleging, stukken Kamer, zitting 1996-1997, nr. 857-1.

241. Politeia, oktober 1996.

242. Het Vlaams Blok, december 1996.

243. Vrij Nederland, 22 februari 1997.

244. Humo, 17 december 1996.

245. Revue van de Rijkswacht, april 1997.

246. Politeia, mei 1997.

247. Vrij Nederland, 22 februari 1997.

248. De Morgen, 14 april 1997.

249. Parlementair onderzoek naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak Dutroux, Kamer, 14 april 1997,713/6-96/97.

250. Politeia, april 1997.

251. De Morgen, 17 april 1997.

252. LeSoir, 17 april 1997.

253. Politeia, april en mei 1997.

254. Politeia, april 1997.

255. Parlementaire Handelingen Kamer, 17 april 1997.

256. Parlementaire Handelingen Kamer, 18 april 1997.

257. De Morgen, 30 juni 1997.

258. Vrij Nederland, 16 augustus 1997.

259. Politeia, mei 1997.

260. Vrij Nederland, 16 augustus 1997.

261. Revue van de rijkswacht, september 1996.

262. Nieuwsbrief, Liga voor de Mensenrechten, september 1997.

263. De commissie voor een efficiëntere politiestructuur. Eindrapport. Eenheid in verscheidenheid. Vrijheid in gebondenheid, Federale Voorlichtingsdienst, 20 juni 1997.

264. Het Laatste Nieuws, 23 juni 1997.

265. De Morgen, 30 juni 1997.

266. Knack, 25 juni 1997.

267. Parlementaire Handelingen Senaat, 23 oktober 1997.

Namenregister - Inhoud

A

Al Ajjaz Faez, 72
Amory Christian, 78, 81, 99, 110, 113, 117
Ancia Véronique, 175, 197, 222
Andelhof Mare, 239
Annemans Gerolf, 150, 242, 247, 253
Anseele Edward, 20
Antipinne Grégory, 226
Arcila Antonio, 47
Arcoulin Francesca, 84
Audoor Germain, 133

B

Baeyens, 112
Balfroid Frans, 96, 114, 115
Barbier Marcel, 76, 84, 85
Baudet Michel, 78
Baudhuin E, 269
Baudoux Eugène, 15
Beaurir Fernand, 44, 60, 69, 82, 97, 137
Beijer Robert, 110, 115
Bellemans Guido, 73
Ben Abdallah, 135
Benaïssa Loubna, 246
Berckmans Peter, 80
Berckmans Piet, 124
Berkmoes Henri, 177, 200, 243, 250
Berkvens Jean-Marie, 262
Bernaert Robert, 59, 64, 82
BeysenWard, 150, 195
Bihay Gérard, 95, 114, 115
Bihin Pol, 33
Binz Christian, 262
Blondiau Constantin, 20
Bologne Maurice, 269
Bouaroudj Kaci, 78
Bougerol Jean, 54, 61, 67, 68, 72
Bouhouche Madani, 60, 71, 95, 108
Bourgeois André, 124
Bourgeois Geert, 254
Bourguignon Anne, 209
Bourlet Michel, 220, 222
Boute Michel, 239
Bouttet Albert, 42
Bouvy Didier, 205
Bruggeman Willy, 128, 180, 181
BuitotJean, 77, 106, 107, 108, 114
Buslik Jean-François, 71, 118
Busquin Philippe, 68, 252

C

Cadiat Jean-Marie, 239
Callewaert Willy, 54
CalluMarc, 189
CappelleJan, 161
Cappelle Michel, 183
Carette Pierre, 89, 102
Carlier Freddy, 252
Charles Raymond, 67, 97
Chatel Mark, 46
Chlepner B., 269
Claes Willy, 197
Clemmens, 211
ClossetLuc, 152
Cocu Michel, 78, 79
Coeme Guy, 124, 152, 197
Collard Leo, 38
Connerotte Jean-Marc, 220, 222, 224
Cools André, 175, 222
Cornet Arille, 184
Coveliers Hugo, 2, 124, 132, 153, 162

D

D’Hondt Paula, 151
Dardenne Sabine, 220
De Beul André, 132
De Bock Waker, 110
De Bonvoisin Benoit, 54, 68
De Brouckère L., 269
De Clerck Stefaan, 197
de Clercq Staf, 22
De Cloedt Valère, 184
De Croo Herman, 232
de Donnéa Xavier, 120
De Foy Robert, 23, 25, 26, 29, 33
De Fraene D., 275
de Fraiteur Raoul, 33
de Greef Eugène, 38
De Koninck, 28
De Man Filip, 254
de Man Henri, 250
De Moor Frank, 261
De Mot Frank, 239
De Prelle del a Nieppe Yves, 111, 134
De Ruyver Brice, 193, 248, 252
De Schrijver August, 30
de Selliers de Moranville Antoine-Maurice, 18
De Smedt Michel, 191, 192, 213, 239
De Smedt Waker, 184, 228
De Stexhe Alfred, 23
De Stoop Chris, 181
de T’Serclaes Nathalie, 180, 249
de Thuin Daniël, 208
De Troch Carlos, 191, 195, 219, 238, 239, 251
De Valkeneer Christian, 256
De Vleeschauwer Albert, 35
De Vlieghere, 84
De Vroom Christian, 97, 114, 120, 188, 196, 219, 243, 250, 262
De Witte Lode, 239
de Zwijger Willem, 213
Debruyn Josiane, 78
Deckers Kristin, 237
Decraene Daniël, 207, 233, 250
Decroly Vincent, 202
Defoumy Thomas, 251
Defuisseaux Alfred, 16
Degrelle Léon, 22
Dehaene Jean-Luc, 197, 227, 254
Dehaut Jean-Marie, 72
Dejemeppe Benoït, 251
Delbecque, 70
Delhez Laetitia, 220
Delwaide Leo, 25, 28
Demanet Georges, 120, 196, 238
DemolJohan, 74, 105, 185
Denève Maurice, 52, 59
Denis Frank, 125, 163, 239
Deprêtre Jean, 82, 86, 111, 134
DeridderWilly, 8, 133, 152, 153, 163, 182, 243
Derochette Patrick, 246
Dery Claude, 72, 79, 81
Desmarets José, 67
Destrée Jules, 17
Dethise Oscar, 27
Devos Francis, 120, 152
Dewael Patrick, 240, 253, 254
Dewinne Joan, 224
Di Mauro Giuseppe, 225
Di Mauro Pino, 222
Di Rupo Elio, 226
Dillen Karei, 60
Doraene Jean-Pierre, 219
Dossogne Francis, 60, 61, 110, 137
Dossonge Victor, 135
Doutrèwe Martine, 205, 227
Drieskens Kris, 240
Duchatelet Alain, 199
Duhaut Georges, 239, 244
Duinslaeger Patrick, 136, 142, 156
Dumont Jean-Paul, 226
Dutroux Mare, 205, 209, 220

E

Eaton Frank, 60, 71, 72
Eerdekens Claude, 261
Eliaerts Christiaan, 131
Engelen Jozef, 143
Estiévenart Jean-Claude, 78
Eyskens Gaston, 25, 34

F

Falkenburg Claudine, 106
FijnautCyrille, 7, 75, 162, 187, 216, 260
Finné Léon, 97
Fourez Jacques, 79
Franchimont Michel, 238
Francqui Emile, 20
François Léon, 59, 61
Fransen Herman, 163

G

Gérard Jo, 35
Ghysels Jacqueline, 70
Giet Léon, 220
Gilbert Maurice, 80
Gilot Jean-Marie, 243
Gilson Arthur, 41, 43
Gilson Daniël, 61
Godfroid Maurice, 34
Godin Claude, 74
Goffinon Guy, 70, 71, 116, 123, 135
Gol Jean, 87, 89, 92, 122
Goossens Thierry, 270
Grafé Jean-Pierre, 226
Graff, 21
Gramme Georges, 69
Gray Bob, 115
Gruwez An, 231
Guy James, 60

H

Haesaerts, 61
Harmegnies Mare, 195
Hauppe Serge, 179
Hebberechts Patrick, 168
Hennart, 136
Herzet Jacqueline, 211, 265
Heydrich Reinhard, 25
Heylen Jef, 46
Hinnesdaels André, 239, 260
Hitler, 22, 31
Horst Herold, 58
Hugo Victor, 16
Hutsebaut Frank, 275
Huybrechts Luc, 236, 239

J

Janson Paul-Emile, 26
Jaspar, 111
Jonckheere Jean-François, 123, 136
Jongen Harry, 223
Jungclaus, 30

K

Kaltenbrunner, 30
Kensier, 94, 95
Keppens Frans, 129, 151, 155
Kesteloot, 79
Khan, 59
KinetPierre, 152
Koninckx Jules, 211

L

Lachlan Alain, 114
Lacroix Jean-Claude, 113, 137
Ladrière Gaston, 237
Lahaut Julien, 37
Lambrechs Eefje, 206, 221
Lammers Eric, 85
Lamoque Daniël, 250
Landuyt Renaat, 181, 242, 247, 249, 266
Landuyt Tony, 181, 242, 247
Latinus Paul, 61, 72, 76, 84, 85, 111
Latos Jan, 47
Leblanc Roland, 250
Lecerf Emile, 68
Lefèbvre René, 41
Lefèvre Theo, 43
Legros Jean-Paul, 207
Lejeune Julie, 204
Lekeu Martial, 60, 70, 95, 96, 105, 136
Lelièvre Claude, 210
Lelièvre Michel, 220
Leroy Louis, 34
Lesage Jean, 243
Lhost Gerard, 75
Libert Michel, 76, 84
Lorent André-Jules, 207
Lorgé Alexis, 49
Louwage Florent, 25
Lyna Francine, 85

M

Majerus, 62, 72
Marbaix Lucien, 75, 76, 86, 95, 96, 105
Marchal An, 206, 221
Marchandise Thierry, 208
Marique Etienne, 243
Marnette Georges, 85, 226
Martens Wilfried, 89, 101
Martin Valèry, 243
Marx Karl, 14
Marynissen Leo, 125
Mathot Guy, 197
Mauss Werner, 142
Mendez Juan, 95, 107, 116, 118
Merckx-Van Goey, 180
Michaux André, 109, 114
Michaux René, 208, 210, 250
Michel Joseph, 58
Michel Louis, 252, 254
Mievis Didier, 60
Moens Roger, 135, 182, 188, 196
Moreau de Melen Henri, 35
Morue Marcel, 79
Moureaux Philippe, 68
Moureaux Serge, 144, 232, 261
Moyen André, 33, 36, 37
Muller Gabriel, 133
Naegels Lucien, 115
Nihoul Jean-Michel, 220
Nixon Richard, 52
Nols Roger, 150
Nothomb Pierre, 21, 93
Nouwynck Lucien, 239, 260
Oriach Frédéric, 89
Onveil George, 58
Pasmans Veerle, 274
Pattyn Christian, 96
Peelos Jean-Paul, 182
Pettens Christophe, 205
Pholien Joseph, 37
Pierlot Hubert, 30
Pint Arseen, 56, 104, 133
Pirenne Henri, 15
Pisart, 32, 38, 43, 44, 270
Ponsaerts Paul, 183, 239
Pontus, 17
Porignaux Adelin, 52
Pyl Georges, 184

Q

Quinet Robert, 133
Quittner Anne, 110, 117
Raes Albert, 68, 76, 85-87, 138, 144
Raes François , 61, 75, 134
Reagan Ronald, 88
Renard André, 36
Renkin Jules, 21
Reviers Paul, 49, 60, 83, 87
Reynders Didier, 254
Reyniers Frans, 61, 97, 114, 142, 182, 273
Rodder Laurent, 42
Romsée Gérard, 27-28, 32, 38
Rousseau Jacques, 111
Russo Mélissa, 204
RuthLionel, 114

S

Saint-Viteux, 57, 83, 124, 133, 271
Scarman (Lord), 131, 273
Scelp Valère, 47
Schewebach Stéphane, 162
Schins Frank, 234, 238
Schlicker Jean-Marie, 87
Schot Didier, 250
Schuind Gaston, 29
Schuster Robert, 115
Segers Paul Willem, 25, 28, 43
Smets Christian, 76, 85-86, 119
Spaak Paul-Henri, 23, 33
Spinoy Albert, 38
Spitaels Guy, 197
Steelandt Dirk, 213
Steinhausel Otto, 25
Sterck Franfois, 92
Storbeck Jürgen, 180
Struye Paul, 34
Stuys Sarah, 274
Swaelen Frank, 67
Tant Paul, 161
Taxquet Richard, 222, 225
Theunissen Paul, 270
Thiel Urbain, 41
Thily Anne, 221, 227-228, 238
Thirault Claude, 205-206
Tichon Paul, 67, 87
Tindemans Leo, 92
Tobback Louis, 65, 124, 197
Troch Freddy, 105, 137, 184, 239, 251
Troch Viviane, 208
Trusgnach Olivier, 226, 230

V

Van Belle Jacques, 191, 215
Van Coppenolle Adriaan, 27, 37-38
Vanden Boeynants Paul, 35, 44, 55, 62, 64, 67, 69, 76, 83, 86, 97, 124, 137-138
Van Den Bossche Luc, 119, 121, 273
Van der Biest Alain, 222, 225
Van der Trappen François, 41
Van de Sompel Roger, 173, 245
Van Doorslaer Rudy, 37
Van Esbroeck Léopold, 106
Van Espen Jean-Claude, 134
van Geet W.J.D., 38, 133, 269-270, 273
Van Gestel Piet, 203
Van Hecke Theo, 47
Van Honsté Victor, 109
van Houtte Jean, 38
Van Houtvinck Mireille, 85
Van Hove Robert, 87
Van Keer Paul, 153, 228
Van Laethem Alfons, 133
Van Lierde, 134
Van Lijsebeth Bart, 201
Van Mechelen Willy, 228
Van Oudenhove André, 134, 251
Van Outrive Lode, 64, 127, 151, 226, 256
Van Overstraeten Toon, 270
Van Parys Tony, 181, 193, 195, 232, 242, 247, 253, 266
Van Rillaer Guido, 206, 219
Van Rillaer Jacques, 232-233
Van Velthoven Louis, 264
Van Wanzeele A., 270
van Zeeland Paul, 23
Vande Lanotte Johan, 181, 188
Vanden Broeck Willem, 192, 210, 246
Vandenbroucke Frank, 197
Vandenbruwaene Patrick, 184
Vander Meulen Alfons, 84
Vanderpoorten Herman, 49
Vandersmissen L., 269
Vandervelde Emile, 20
Vandoren André, 122, 136, 142, 156, 231, 243
Vanhecke Frank, 241
Vanhove Michel, 75
Velu Jacques, 221, 227
Verhaegen André, 226
Verhoeyen Etienne, 37
Vermeylen Piet, 43
Vernaillen Herman, 62, 130
Verwilghen Mare, 229, 253, 264
Vigneron Georges, 22
Viseur Jean-Jacques, 254, 266
Vittorio Adriano, 78
Vlerick André, 60
Vranckx Alfons, 46, 53
Vreven Freddy, 90, 93
Wai Ling Chang, 118
Warny Philippe, 239
Wathelet Melchior, 188, 197, 250
Wauters Joseph, 20
Weinstein Bernard, 208, 224
Weykamp Alain, 76
Wezel Guy, 78-79, 81, 87, 272
Wigny Pierre, 48
Wirion, 13
Woussem Jo, 42
Wouters Frans, 47
Wyninckx Jos, 66
Zamponi Daniël, 250
Zanders Patrick, 183, 215
Zicot Georges, 207, 224
Zimmer Yves, 182

Achterblad - Inhoud

Na de Witte Mars beloofde de regering dat alles beter zou worden. Sindsdien buitelen de plannen over elkaar heen. Een geïntegreerde politie, een landelijk Openbaar Ministerie, bijzondere opsporingstechnieken. Waar zijn al die projecten eigenlijk voor nodig? Zit België wel te wachten op een eenheidspolitie? Wie leidt de dans? De politie of de politiek? De auteur probeert een antwoord te geven op deze vragen.

Jos Vander Velpen

is doctor in de rechten en advocaat aan de balie in Antwerpen. Van hem verschenen eerder
De CCC,

de staat en het terrorisme. Daar komen ze aangemarcheerd, extreem-rechts in Europa

en Zwarte Horizonten. Met Hugo Gij seis schreef hij Het Vlaams Blok, het verdriet van Vlaanderen.

ISBN 90-6445-050-1