Zwarte horizonten
Radicaal rechts in Europa - Jos Vander Velpen
Van Halewijck, Papieren Tijger, 1995

Mail  Inhoud  Boeken/Livres

Web-versie: blz, doorlopend
 PDF-versie: blz, doorlopend

© 1995 Uitgeverij Van Halewyck, Leuven, Omslagontwerp: Kris Demey, Omslagillustratie: Francis Goya, Le colosse, 1808-1810, Madrid, Museo del Prado, Zetwerk: Griffo, Gent, Druk: Imschoot, Gent nugi 654, Voor België: Uitgeverij Van Halewyck isbn 90 5617 037 6 D/1995/7104/32 Voor Nederland: Uitgeverij Papieren Tijger isbn 90 6728 070 4

Inhoud

Woord vooraf

   Italië

      Benito Mussolini
     
De Italiaanse sociale Beweging MSI
      De Liga Noord
      Forza Italia
     
De Tweede Republiek
     
Een conservatieve revolutie

      De Nationale Alliantie

   Frankrijk

      Vichy
      Het Franse Frankrijk
     
Kolonialisme en racisme
     
De Zesde Republiek
      Corporatisme en protectionisme
         Een democratische machtsgreep?

    Duitsland

       Het verdrongen verleden
       Nieuw Rechts
      
De zelfbewuste natie
       De trek naar het Oosten
       De neonazi-scene
       De Republikaner

    Oostenrijk

       Het model-Haider
       De Freiheitlichen

Noten

    Italië
    Frankrijk
    Duitsland
    Oostenrijk
 
Achterblad

*
*   *

Zwarte melk der vroegte
We drinken haar ’s avonds
We drinken haar ’s middags en ’s morgens
We drinken haar ’s nachts
We drinken en drinken
We graven een graf in de luchten
Daar lig je niet krap.

paul celan, Todesfuge

Woord vooraf

In 1995 wordt de overwinning op het fascisme gevierd. Wat vijftig jaar later vanzelfsprekend ontbreekt is de uitzinnige, niet te beschrijven vreugde: het overweldigende gevoel bevrijd te zijn. Wat toen niet aanwezig was, en nu wel, zijn de twijfels en onzekerheden over de toekomst. Eén blik op de politieke landkaarten maakt duidelijk dat de algemene waarschuwing ‘Dat nooit weer’ meer dan ooit actueel is. In West-Europa beleeft uiterst rechts een comeback die men na 1945 voor onmogelijk zou hebben gehouden, om maar te zwijgen van het Oosten.

De erfgenamen van Mussolini aan de macht, dat was toch ondenkbaar? Het bleek zelfs doenbaar. In Oostenrijk spiegelt Jörg Haider zich aan de succesvolle MSI-Nationale Alliantie. Hij wil uiterlijk na de volgende algemene verkiezingen in 1998 bondskanselier worden, suggererend dat hij dan een coalitieregering met de katholieke Volkspartij zal vormen. In Frankrijk is het proces van verrechtsing weliswaar geleidelijker en minder spectaculair dan in Italië, maar niet minder doeltreffend. Het is een beproefde strategie om ultrarechts de wind uit de zeilen te nemen door analoge thema’s tot inzet van de politieke strijd te maken. Het gebeurt momenteel op grote schaal in Duitsland waar Nieuw Rechts het nationale vraagstuk boven aan de agenda zet.

Ook in de Lage Landen kunnen de burgers de komende eeuw niet met onbekommerde vreugde tegemoet zien. De score van 10,3 procent die het Vlaams Blok bij de parlementsverkiezingen op ‘zwarte zondag’ 24 november 1991 behaalt, komt als een donderslag. Zelden werden pragmatische passiviteit en politieke zelfgenoegzaamheid zo spectaculair afgestraft. Sindsdien is het Blok meer dan een ‘verschijnsel’. Uiteraard haast iedere respectabele politicus zich om zijn afkeur van de Blok-denkbeelden kenbaar te maken, maar schande spreken is niet voldoende. Het komt aan op maatregelen, want het Blok bevordert constant met zijn clichés over veiligheid op straat en immigranten een klimaat van haat. Bij de gemeenteraadsverkiezingen op 9 oktober 1994 worden het Blok nauwelijks belemmeringen in de weg gelegd. Een nieuwe ‘zwarte zondag’ blijft niet uit en het Blok boekt flinke winst met 204 raadszetels. In 1988 waren dat er nog 23. De uitslag die het hardst aankomt is die in Antwerpen. Weliswaar blijft het Blok daar nog net onder de 30 procent, maar het wordt de grootste partij in de stad en alleen een lappendeken van vier partijen kan het Blok uit het College van burgemeester en schepenen houden. Toch lijkt het alsof al die pijnlijke en gevaarlijke feiten niet echt tot het bewustzijn willen doordringen. Alsof ze, inderdaad, worden verdrongen. Bij de Europese verkiezingen op 12 juni 1994 geven bijna 700.000 Belgen hun stem aan extreem rechts, verspreid over het Vlaams Blok (463.000 stemmen) en het Front National en Agir (218.000 stemmen). Gesterkt door dit - aanhoudende - electorale succes voelt het Blok zich in het politieke krachtenveld zo veilig dat het tijdens de campagne voor de parlementsverkiezingen in 1995 zonder enige schaamte de parlementaire democratie aanvalt. Onder de slogan ‘Nu afrekenen’, met het beeld van een vuist die hard op tafel slaat, zet het Blok zich af tegen ‘de heersende, corrupte politieke klasse’. Het enige geluk bij de vele ongelukken is dat het nu zachtjesaan voor iedereen duidelijk wordt wat het Blok met de democratie voorheeft. Ik geloof dat Vlaanderen alleen langs niet-parlementaire weg zijn onafhankelijkheid zal krijgen,’ zegt Dewinter op 18 mei 1995 in de Volkskrant. En hij vervolgt: indien we streven naar Vlaamse onafhankelijkheid, zullen we de wetten van de staat België terzijde moeten schuiven. Ik blijf erbij dat een democratie alleen maar mogelijk is in homogene volksgemeenschappen. In België bestaat geen democratie.’ Op 21 mei 1995 slaat het Blok zijn vleugels verder uit. Voor de Vlaamse Raad scoort het Blok 12,3 procent. Met elf zetels in de Kamer en vijftien in de Vlaamse Raad wint het Blok aan politieke invloed. De bruine vlek breidt zich uit tot Brussel en Wallonië, waar het FN 138.213 kiezers achter zich verzamelt, goed voor twee Kamerzetels.

Gaat Nederland de kant op van het Vlaams Blok? Zover is het nog lang niet. De politieke partijen zouden in België met enige afgunst naar Nederland moeten kijken. Op 19 maart 1986 gingen de buitenlanders daar voor het eerst naar de stembus. Juist bij toeneming van vreemdelingenhaat - de Centrumpartij had pas haar hoogste score in Rotterdam, Den Haag en Utrecht behaald - blijft de verdienste van Nederland zijn buitenlanders uit het electorale getto te hebben gehaald. Stemrecht kan achteraf als een succesvol middel worden gezien tegen racisme en ter bestrijding van extreem rechts. Stemrecht voorkomt dat buitenlanders worden gemarginaliseerd door ze als verkiezingsinzet, vogelverschrikker of schietschijf te gebruiken. Amsterdam is Antwerpen niet, maar ook boven de Moerdijk zijn grotendeels dezelfde factoren werkzaam die het Blok-succes verklaren. Tot opluchting van de tegenstanders is extreem rechts versnipperd als gevolg van publiekelijk uitgevochten ruzies. De Centrumdemocraten (CD) van Hans Janmaat worden beconcurreerd door de oude Centrumpartij (CP’86) en het Nederlands Blok, CP’86, met ‘Eigen volk eerst’ als partijslogan en een Keltenkruis als partijsymbool, is extremer dan de cd. In Rotterdam wordt CP’86 geleid door Martijn Freling, een neonazi met een gevangenisverleden. Wim Vreeswijk een bewonderaar van de Vlaams-Blok-leider Filip Dewinter, staat aan het roer van het Nederlands Blok. Bij de gemeenteraadsverkiezingen op 2 maart 1994 behaalt radicaal rechts 87 raadszetels verpreid over Centrumdemocraten (77 zetels), CP’86 (9 zetels) en Nederlands Blok (1 zetel). Het is moeilijk te verstouwen dat extreem rechts in Rotterdam met bijna 14 procent van de stemmen de tweede politieke stroming wordt en dat vier grote steden (Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Schiedam) gemiddeld op bijna 10 procent voor cd en CP’86 uitkomen. De VVD-leider Frits Bolkestein gaat op eigen dubbelzinnige wijze de cd te lijf. Hij probeert de kiezers van extreem rechts over te nemen, al ontkent hij dat verontwaardigd. Toch haalt hij op 13 maart 1994 de cd rechts in met zijn nieuwe invulling van het asielbeleid. De liberale voorman wil Nederland sluiten voor niet-Europese vluchtelingen. Daarmee is Bolkestein de eerste gezaghebbende politicus in Europa die, zij het indirect, pleit voor opzegging van het Vluchtelingenverdrag van Genève. De ‘scheuren’ in de WD-weerstand tegen extreem rechts worden gelukkig goeddeels gecompenseerd door een spervuur van onthullingsjournalistiek en gerechtelijke procedures. Op 20 april 1994, de verjaardag van Hitler, staan CD-partijleider Janmaat en zijn levensgezellin Wilhelmina Berendina Schuurman in Den Haag terecht voor het aanzetten tot haat tegen buitenlanders. Vier dagen later krijgen zes partijleden van CP’86, onder wie lijsttrekker Wim Beaux, boetes en voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd voor het uitdelen van discriminerende teksten. Tot de teksten die de rechtbank discriminerend acht, behoort de verkiezingsleus ‘Eigen volk eerst’. Op 28 april 1994 houdt de politie het Amsterdamse CD-raadslid Yge Graman aan wegens brandstichting. Opnames met een verborgen camera van een free-lance journalist waren de aanleiding tot de arrestatie. Op 29 april 1994 zendt de Tros-televisie de undercover-reportage uit. Yge Graman en zijn collega Richard van der Plas, CD-fractievoorzitter uit Purmerend, vertellen in de reportage trots over het ‘uitschakelen’ van Turken, alsof ze keuvelen over het dooddrukken van muggen. Ondanks die ‘tegenvallers’ weten CD en CP’86 op 3 mei 1994 samen zo’n 250.000 stemmen te verwerven. De kordate aanpak van de Nederlandse justitie breekt extreem rechts lelijk op. De CD blijkt niet in staat een deel van de zevenenzeventig veroverde raadszetels te vullen. Eind 1994 hebben al bijna twintig CD-raadsleden voor hun lidmaatschap bedankt. Justitie brengt extreem rechts verder in het nauw. Op 21 maart 1995 staat de complete top van CP’86 in Amsterdam terecht. De officier van Justitie put zich niet uit in subtiliteiten om het racisme te banaliseren, iets waarin sommige politici een groot meesterschap hebben bereikt. ‘Het doel van CP’86 is een blanke samenleving, een volksstaat bepaald door volksaard en volkswil, waarin nooit of te nimmer ruimte zal zijn voor etnisch-anderen. Het gaat om eigenbelang en eigendunk, vormgegeven in vreemdelingenhaat, gebaseerd op niet gemotiveerd en ongefundeerd superioriteitsdenken,’ aldus de magistraat in zijn requisitoir. Op 2 mei 1995 worden de CP’86-leiders veroordeeld wegens deelneming aan een criminele organisatie en het aanzetten tot rassenhaat. Daarmee staat de deur wagenwijd open voor een verbodsprocedure.

Het optreden van de Nederlandse Justitie maakt een paar zaken duidelijk. Het laat zien dat de opkomst van extreem rechts ook in tijden van onzekerheid niet onstuitbaar is en dat de propagandisten van het Front National, het Vlaams Blok, de Republikaner en Haiders partij aan de lopende band delicten plegen. Tot een strafvervolging komt het in België, Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk echter zelden. De eensgezindheid die de grote politieke stromingen vertonen in hun verbale afkeur van extreem rechts staat helaas in contrast met het gebrek aan effectieve maatregelen en daadkrachtig optreden. Een combinatie van factoren heeft er zorg voor gedragen dat miljoenen Europeanen zich door ultrarechtse demagogie op sleeptouw laten nemen. De economische recessie, de toenemende sociale ongelijkheid die ermee gepaard gaat en het voortwoekerende werkloosheidsprobleem hebben het rechts extremisme aangewakkerd. Vooral de uitzichtloze werkloosheid blijkt een vruchtbare voedingsbodem voor de simplificaties van extreem rechts. Die beïnvloeding is vergemakkelijkt door het feit dat Frankrijk, Vlaanderen, Oostenrijk, Italië en Duitsland een lange traditie van rechts extremistische, antiparlementaire bewegingen kennen. Dat deze bewegingen intellectueel worden bevoorraad door antidemocratische denkers als Julius Evola, Carl Schmitt, Friedrich Nietzsche en Charles Maurras, kan niet voldoende onderstreept worden. De tot nu toe gevoerde politiek van wait and see en er intussen maar het beste van hopen, is ruim onvoldoende. Als de politici en overheden niet gauw de handen uit de mouwen steken om de voedingsbodem van extreem-rechts droog te leggen, zal de horizont nog zwarter kleuren.

Antwerpen,
4 september 1995.

ITALIE - Inhoud

Benito Mussolini - Inhoud

Benito Mussolini sticht de fascistische beweging op 23 maart 1919 in Milaan. Hij maakt handig gebruik van de ontevredenheid onder de Italianen over de vredesverdragen na de eerste wereldoorlog, de steeds slechter wordende omstandigheden voor de middenklasse, de werkloosheid, de inflatie, de strijd om grond van de landloze massa’s en de bezorgdheid onder de industriële bourgeoisie voor het bolsjewisme. Mussolini’s aanhangers lopen te hoop om ‘Italië te redden van het communisme’. Ze breken stakingen en fabrieksbezettingen, ze vernielen landbouwcoöperaties, linkse krantengebouwen en volkshuizen.

In 1921 heeft Mussolini al dertig parlementsleden en driehonderdduizend leden verzameld. Hij staat nu voor het volgende dilemma: of een revolutionaire strijd voeren en het bestaande regime gewapenderhand omverwerpen, of via de ‘legale’ weg en gesteund door een deel van de hogere kringen de macht overnemen. Op 27 oktober 1922 organiseert hij de historische ‘mars op Rome’, die leidt tot een regeringscrisis en het besluit van koning Victor Emanuel in om Mussolini als formateur te benoemen.

Mussolini leidt drie jaar lang een coalitie, maar zijn hoofddoel is van meet af aan een dictatuur met een nationalistisch karakter. Hij smeedt zijn benden ‘zwarthemden’ om tot een militie voor de staatsveiligheid en stelt de verkiezingen uit tot een nieuwe kieswet is aangenomen. Volgens de in juli 1923 gestemde wet krijgt de partij die de meerderheid (minstens 25 procent van de stemmen) behaalt meteen twee derde van het aantal zetels. Een jaar later veroveren de fascisten 286 zetels (een winst van 251) en daarmee de absolute meerderheid.

Het wordt menigeen duidelijk dat Mussolini’s legale tactiek enkel een list is. Tegenstanders worden gewoonweg vermoord. Op 10 juni 1924 wordt de socialistische volksvertegenwoordiger Giacomo Matteotti omgebracht, omdat hij het had gewaagd de fascistische gewelddaden aan te klagen. Onafhankelijke vakbonden, politieke partijen en de vrije pers worden in de ban gedaan. De regering introduceert een economisch stelsel van coöperaties en propageert het corporatisme als tegengif voor het socialisme en de arbeidersstrijd. Mussolini wordt partijleider en staatshoofd, met een verregaande wetgevende en uitvoerende macht. Alle wetten moeten zijn goedkeuring dragen. De democratie wordt op een radicale manier genegeerd. De fascistische staat is geboren.

Behalve de onvermijdelijke in-de-pas-lopers, dienstkloppers en profiteurs, scharen ook vooraanstaande intellectuelen zich achter het fascisme. Onder hen de filosoof Giovanni Gentile, minister van Onderwijs van 1922 tot 1925 en auteur van het Manifest van de fascistische intellectuelen, dat door de vermaarde toneelschrijver Luigi Pirandello wordt onderschreven. Een andere filosoof, Julius Evola, staat de totale vernietiging van de burgerlijke maatschappij voor. Hij verheerlijkt oorlog en militarisme, die nieuwe waarden als discipline, heldendom en zelfopoffering zouden voortbrengen. Zo helpt hij het volk dienstbaar maken aan Mussolini’s expansionistische politiek: de verovering van Ethiopië (1935-1936) en de interventie in de Spaanse burgeroorlog aan de zijde van Franco (1936-1937).

De militaire alliantie met nazi-Duitsland geeft het fascisme een racistisch elan. In juli 1938 wordt het Italiaanse ras geproclameerd en worden joden officieel tweederangsburgers. In de zomer van 1940 stort Mussolini Italië in de oorlog. Het duurt tot 25 juli 1943 vooraleer de koning Mussolini afzet als regeringshoofd. Op die manier willen de leidende kringen hun huid redden en de gevolgen van de verloren oorlog ontlopen. Mussolini wordt gevangengezet nabij Rome. Enkele maanden later wordt hij bevrijd door Duitse parachutisten en overgebracht naar Noord-Italië. Daar mag hij vanaf september 1943 een fascistisch marionettenstaatje leiden, de ‘Italiaanse sociale Republiek’ met Salö aan het Gardameer als hoofdstad.

In de steek gelaten door zijn vroegere bondgenoten (monarchie, leger en industrie), ontdekt Mussolini in Salö opnieuw het ideaal van de ‘nationale arbeidersstaat’ waarmee hij de werknemers vergeefs tracht te lokken. Salö vaardigt nieuwe rassenwetten uit en laat een vijfde van de Italiaanse joden alsnog deporteren. Salö is zonder meer een terreurregime met martelingen, willekeurige arrestaties, represailles en executies van partizanen.1

Vooral in de noordelijke provincies ontplooien de partizanen een grote activiteit, niet alleen op het platteland, maar ook in de steden. Een van deze steden is Milaan, waar het gewapende verzet de Duitse en Italiaanse fascisten flinke verliezen toebrengt. Ook de partizanen betalen een hoge prijs. In totaal komen zo’n 60.000 verzetsstrijders om het leven. Aan de antifascistische strijd komt pas een eind wanneer Mussolini op 28 april 1945 op de Piazzale Loreto aan het dak van een tankstation wordt opgehangen.

Met de bevrijding begint een bizarre periode. Onder Amerikaanse druk moet de Italiaanse regering-Parri de grote concerns die woekerwinsten aan de oorlog hebben overgehouden, intact laten voortbestaan. De regering-Parri wil de grootindustriëlen een extra belasting opleggen, maar de VS dreigen in dat geval hun economische hulp stop te zetten.(2) Vanwege de relatief grote macht van de communistische partij maken de VS in de onzekere periode na de bevrijding zelfs zonder scrupules gebruik van illustere fascisten om het communisme de pas af te snijden. Zo helpen het Vaticaan en de Amerikaanse geheime dienst OSS, de latere CIA, ettelijke hoge fascistische kaderleden ontsnappen.(3) Allen Dulles gebruikt zelfs gewezen topfiguren uit Mussolini’s veiligheidsdiensten OVRA en SIM ‘ter reclassering?(4) De latere CIA-topman James Angleton redt de fascistische ‘oorlogsheld’ Junio Valerio Borghese, die als de ‘zwarte prins’ door het leven gaat. Borghese stond in Salö aan het hoofd van het doodseskader x-mas en was verantwoordelijk voor de marteling en de dood van tal van partizanen.(5) Het Engelse leger voorkomt de arrestatie van Giorgio Pisanö, een speciaal agent van de Zwarte Brigade, die tot het bittere einde Mussolini’s hoofdkwartier verdedigde.

Ook Licio Gelli ontspringt de dans. Gelli is vanaf 1936 een overtuigd fascist, die als vrijwilliger strijdt aan de zijde van Franco in het 735ste bataljon van de Spaanse fascistische formatie ‘Camicie Nera’. In 1942 wordt hij prefect van de bezette Joegoslavische kuststad Cattaro en hij treedt in 1943 toe bij de Italiaanse ss. In de eindfase van de oorlog slaagt hij erin het verzet te infiltreren. Hij biedt zijn diensten en documentatie aan de Italiaanse contraspionage aan, waardoor hij na de oorlog ongestoord kan terugkeren in de politiek. Hij begint meteen een loopbaan in de christen-democratische kabinetten en wordt bevriend met de latere zevenvoudige Italiaanse premier Giulio Andreotti.(6)

De neofascisten genieten na de bevrijding een verrassend grote bewegingsvrijheid. Ze kunnen zich vrijwel probleemloos hergroeperen rond de Fasci d’Azione Rivoluzionaria (FAR), een gewelddadige groepering die aangevoerd wordt door Pino Rauti, een Salö-vrijwilliger, beter bekend als de ‘kleine Duce’.

In juni 1946 wordt de toekomstige Italiaanse staatsstructuur bij referendum beslecht. De republikeinen winnen met 54 procent nipt van de monarchisten. Kort daarop ondertekent Palmiro Togliatti, de toenmalige minister van Justitie, een amnestie-wet. De repressie wordt drastisch teruggeschroefd, vooral onder impuls van de Democrazia Cristiana (DC), een door het Vaticaan gesteunde katholieke partij. In oktober 1946 zitten nog zo’n vijftigduizend fascisten in de gevangenis. Een paar maanden later zijn het er nog maar vierduizend.(7)

De Italiaanse sociale Beweging MSI - Inhoud

Op 26 december 1946 wordt de Movimento sociale Italiano (MSI) opgericht door de Salö-oudgedienden Giorgio Almirante en Arturo Michelini. Almirante was oorlogsvrijwilliger in 1940-1941 in Noord-Afrika, hoofdredacteur van het fascistische blad Il Tevere, kabinetschef in Saló van de minister van Cultuur en Propaganda. Michelini was waarnemend secretaris van de fascistische partij.(8) De nieuwe partij wordt onmiddellijk gesteund door enkele oprichters van de far en door de voornaamste neo-fascistische krant, La rivolta ideale.

Tot woede van het verzet mag de MSI in oktober 1947 deelnemen aan de Romeinse gemeenteraadsverkiezingen. De neofascisten behalen meteen vierentwintigduizend stemmen. De drie MSI-gekozenen spelen een beslissende rol bij de stemming voor de nieuwe burgemeester. De christen-democraat Rebecchini wordt gekozen met een krappe meerderheid van 41 op 80 stemmen. Zo weet de DC met de hulp van de neofascisten te verhinderen dat links in Rome aan de macht komt.

Salö-fascisten kunnen in toenemende mate posities bezetten bij leger en politie. Het vredesverdrag noopt de Italiaanse regering eind 1947 een ‘buitengewone wet’ aan te nemen die de heroprichting van de fascistische partij verbiedt. Ook de nieuwe grondwet, die op 1 januari 1948 van kracht wordt, bevat een soortgelijke bepaling. In de algemeen heersende stemming van inschikkelijkheid negeert de regering evenwel haar eigen wetten. In de aanloop naar de cruciale parlementsverkiezingen van april 948, blijft de DC halsstarrig weigeren op te treden tegen de MSI, die door haar anticommunistische strijd een nuttige functie vervult. Ook de VS hebben er alles voor over om een communistische regeringsdeelneming te voorkomen en financieren gul de campagne van rechts.(9) De verkiezingen worden een triomf voor de DC die 48 procent van de stemmen behaalt. De MSI treedt schoorvoetend uit de schaduw en met 1,8 procent van de stemmen krijgt ze zes zetels in het parlement.

Op 27 juni 1948 opent Almirante het eerste partijcongres met de historische woorden: ‘Niet verloochenen, niet overdoen.’ Zo zweert hij trouw aan het fascisme van Mussolini zonder de regering en Justitie nieuwe gronden te geven om de MSI te ontbindend Om aan een ontbinding van de partij te ontkomen, betuigt Almirante ook zijn loyauteit aan de bestaande grondwettelijke orde. In werkelijkheid is de MSI de directe erfgenaam van het fascisme. Artikel vier van de nieuwe partij statuten verbiedt zelfs de toetreding van voormalige fascisten die met de geallieerden ‘collaboreerden’: ‘Allen die het vaderland hebben verraden, hun plicht als burger en soldaat hebben verzuimd en buitenlandse machten hebben gediend, worden uit de partij geweerd.’ De sociale Republiek van Salö is de maatstaf. Het programma van de MSI is kort samen te vatten: invoering van het corporatisme en de ‘nationale arbeidersstaat’, bestrijding van het kapitalisme en het marxisme en een nationalistische buitenlandse politiek. Het partij-embleem - een driekleurige vlam die uit de urn van Mussolini opstijgt - symboliseert de levenskracht van het fascisme en een belofte van continuïteit. Het partijcongres kiest Almirante tot secretaris-generaal.(10)

Almirante lijft een serie prominente oud-fascisten bij de MSI in. Hierbij zijn onder anderen Mussolini’s maarschalk Rodolfo Graziani; Pino Romualdi die zichzelf‘de grootste fascist van de MSI’ noemt en na de oorlog drieënhalf jaar gevangenzat; Pino Rauti, ex-chef van de terroristische far en lid van de neo-nazistische organisatie Nouvel Ordre Européen (noe) ; Giorgio Pisanö, voormalig agent van de Zwarte Brigade en Filipo Anfuso, tijdens de oorlog Italiaans ambassadeur in Berlijn. De MSI begroet ook de toetreding van de filosoof Julius Evola, die in 1943 uitweek naar Duitsland waar hij de nazi’s en de SS zijn diensten aanbood. Evola wordt de tolk van de radicaal antidemocratische fractie binnen de MSI. De ‘zwarte prins’ Valerio Borghese krijgt zelfs het ‘erevoorzitterschap’ van de partij aangeboden.

De neofascisten richten in een eerste fase alle aandacht op de partijopbouw. Aangezien Almirante de MSI door zijn opstelling te veel zou isoleren - hij is onder meer tegen een lidmaatschap van de NAVO - wordt hij tijdens een vergadering van het centraal comité in januari 1950 vervangen door Augusto de Mar sanich, die tijdens Mussolini’s dictatuur een hoge functie op het ministerie van Marine bekleedde. De Marsanich probeert de MSI presentabel te maken voor rechts en sluit een verbond met de monarchisten. Zodoende kan de MSI in het begin van de jaren vijftig uitgroeien tot een volwaardige partij met een dagblad (II Secolo d’Italia), een jeugdbeweging (Giovane Italia), een studenten- (Fuan) en een arbeidersvakbond (Cisnal). De eerste leiders van de Cisnal zijn Giuseppe Landi en Ugo Clavenzani, allebei veteranen van de fascistische vakbeweging.

In deze hoogdagen van de Koude Oorlog wil de DC de PCI tot elke prijs in de oppositie houden. Omdat het Vaticaan en de machtige beweging Azione Cattolica (Katholieke Actie) vrezen dat de linkse partijen de verkiezingen voor een nieuw Romeins gemeentebestuur in mei 1952 zouden winnen, zetten ze de DC aan een alliantie met de neofascisten te sluiten.(11) De bejaarde politicus Don Sturzo voert daarover namens de DC geheime onderhandelingen met de MSI en de monarchisten. Hij moet zijn pogingen opgeven wanneer twee ministers van de centrumpartijen met aftreden dreigen. Wel gaat de samenwerking tussen de DC en extreem rechts (monarchisten en neofascisten) door in verschillende dorpen en steden in het zuiden.

De opstelling van de DC opent nieuwe perspectieven. De electorale populariteit van de MSI neemt snel toe. In juni 1953 behaalt de partij bij de algemene verkiezingen 5,8 procent. Daarmee krijgt de MSI negenentwintig zetels in de Kamer en negen in de Senaat. Het succes doet de neofascisten naar meer verlangen en de MSI zet de herovering van de ‘verloren gebieden’ op de politieke agenda: het verlies van het schiereiland Istrië moet ongedaan gemaakt worden. In Istrië werden Kroaten en Slovenen voor en tijdens de oorlog brutaal vervolgd door Mussolini. Daardoor ontstond er een sterke antifascistische beweging, die de toetreding tot het Joegoslavië van Tito bewerkstelligde. Het verzet nam wraak door zo’n tweehonderdduizend etnische Italianen uit hun huizen te zetten en hen te dwingen naar Italië te vluchten. In november 1953 lokken de neofascisten in Triëst hevige incidenten uit, waarbij zes MSI’ers om het leven komen. Op 26 oktober 1954 krijgt Italië de stad Triëst terug, maar Istrië en Dalmatië blijven Joegoslavisch.

In datzelfde jaar neemt Arturo Michelini de partijleiding over. Onder zijn impuls begint de MSI al dan niet officieel samen te werken met de DC in Rome, Genua, Turijn, Palermo en Triëst.(12) Op het terrein van de landelijke politiek lukt het de neofascisten echter niet een coalitie tot stand te brengen. Desondanks steunen de neofascisten herhaaldelijk christen-democratische minderheidskabinetten en in ruil daarvoor mogen ze vrijwel ongestoord hun gang gaan.

Bij het overlijden in 1955 van Rodolfo Graziani, Mussolini’s legerbevelhebber, defileren zo’n honderdduizend ‘missini’, zoals de MSI’ers spottend worden genoemd, door de straten van Rome. Het gaat om de grootste parade sinds de oorlog. De MSI-leiders laten zien dat hun symbolen, hun antidemocratische propaganda, hun uniformen en meer in het algemeen hun stijl rechtstreeks aan Mussolini zijn ontleend.(13)

Italië is het land met de grootste communistische partij in West-Europa. Een mogelijke regeringsdeelneming van de PCI blijft de VS zorgen baren. De Amerikaanse geheime diensten zetten clandestiene programma’s op, die voor een deel ook in de praktijk worden gebracht. Giovanni de Lorenzo, sinds december 1955 chef van de sifar, plaatst deze militaire inlichtingendienst als het ware onder CIA-curatele. De Lorenzo en de CIA richten vervolgens in 1956 het geheime anticommunistische netwerk Gladio op.(14)

In het midden van de jaren vijftig is de MSI het toneel van een vleugelstrijd tussen radicale en meer pragmatische elementen. Een fractie onder leiding van Arturo Michelini bepleit de ‘parlementaire weg’ en beroept zich op het ‘constitutionele fascisme’ uit de jaren twintig. Een andere fractie zijn de revolutionaire Salö-fascisten. Pino Rauti en Almirante horen bij de laatste groep. Op het vijfde partijcongres, dat op 24 november 1956 plaatsvindt in Milaan, luidt hun kreet: ‘Minder pakken, meer matrakken.’ Een krachtmeting tussen Almirante en Michelini is onvermijdelijk. Almirante verliest nipt met 314 tegen 307 stemmen. Pino Rauti stapt daarop uit de MSI en sticht Ordine Nuovo (Nieuwe Orde).

Voor de DC zijn de neofascistische stemmen in tijden van nood heel nuttig. De DC is er als het haar uitkomt in het geheel niet vies van. Zo wordt Giovanni Gronchi tot tweede president van de Republiek gekozen met de beslissende stemmen van de MSI. Maar een formele band tussen de twee partijen komt niet tot stand. In 1960 lijkt Michelini’s tactiek echter alsnog succes op te leveren, wanneer de christen-democraat Ferdinando Tambroni een DC-regering met de stemmen van de MSI tot stand brengt. Het is de eerste keer dat de neofascisten zonder de monarchisten beslissende steun verlenen aan een Dc-regering. De MSI krijgt toestemming van premier Tambroni om in juli 1960 een partijcongres te houden in Genua. Deze stad heeft zwaar geleden onder de Duitse bezetting en een belangrijke bijdrage geleverd aan het verzet. Het nieuws dat C.E. Basile, die gedurende de sociale Republiek van Saló prefect van de stad was geweest, het MSI-congres zal leiden, slaat in als een bom. Over het hele land worden protestmanifestaties georganiseerd. Bij botsingen met de politie vinden tien mensen de dood en raken tientallen anderen gewond. Het kabinet-Tambroni treedt af wanneer ook in het parlement gevechten uitbreken tussen voor- en tegenstanders van de regering.(15)

Na deze gebeurtenissen komt de MSI in een politiek isolement terecht. De DC kiest voor een regeringscoalitie met de socialisten. Wanhopig zet Arturo Michelini zijn strategie van toenadering tot de DC voort. De electorale populariteit van de MSI is echter gekelderd en bij de parlementsverkiezingen in 1968 valt de MSI terug tot 4,5 procent van de stemmen. Ontevreden ‘Missini’ richten radicalere groeperingen op. Stefano delle Chiaie sticht de Avanguardia Nazionale (Nationale Voorhoede) en Valerió Borghese richt de Fronte Nazionale (Nationaal Front) op. De MSI is - niet officieel, maar wel in de praktijk - met deze buitenparlementaire organisaties verbonden. Deze groepen hebben maar één doel voor ogen: het gewelddadig omverwerpen van het regime. Daarom werken ze met sommige topfiguren van het leger en de geheime diensten plannen uit om de opmars van links te stuiten. Zo vindt in 1965 een congres plaats in het Romeinse hotel Parco dei principi, waarop leden van buitenparlementair rechts en hoge militairen discussiëren over de ‘revolutionaire oorlog’. Sterker nog, vanaf het midden van de jaren zestig werken bepaalde politie- en legerofficieren samen met de oud-SS’er Licio Gelli. Zij denken dat een democratisch systeem hen zal beroven van hun belangen en van alles wat zij hebben verworven. Vandaar dat ze spelen met de gedachte aan een staatsgreep. Zo zou Giovanni de Lorenzo in 1964 Gladio hebben ingeschakeld in de voorbereidingen van een - niet uitgevoerde - staatsgreep. Volgens het scenario zouden de linkse partijen verboden worden en hun leiders verbannen naar Sicilië. Buitenparlementair rechts zoekt inspiratie in Griekenland, waar de kolonels in 1967 de macht grepen. In april 1968 hebben Pino Rauti van Ordine Nuovo en Stefano delle Chiaie in het geheim een aantal ontmoetingen met Konstantin Plevris, aanvoerder van de nazi-organisatie De Vierde Augustus en een agent van de beruchte Griekse geheime dienst KYP.(16)

Naarmate de linkse studenten- en arbeidersbeweging aan kracht wint, grijpt de MSI naar harde acties. In 1968 leidt Almirante persoonlijk een aanval van zwaar bewapende knokploegen op de universiteit van Rome. Ook Teodoro Buontempo, leider van het Romeinse Jeugdfront, schuwt gewelddadige middelen niet. In 1969, na het overlijden van Arturo Michelini, neemt Almirante definitief de leiding van de partij op zich. Almirante bestempelt zich als een ‘fascist die de democratie aanvaardt’. In werkelijkheid volgt hij de strategie van het dubbele spoor: aan de ene kant tracht hij politieke ruimte te verwerven binnen het parlementaire systeem, aan de andere kant probeert hij met alle beschikbare middelen datzelfde verfoeide systeem te bestrijden. Almirante staat de oprichting voor van een nieuwe politieke formatie waarin zowel representanten van buitenparlementair rechts als gewone conservatieven zich thuis voelen. Onmiddellijk na het aantreden van Almirante sluit de meerderheid van Ordine Nuovo op initiatief van Pino Rauti zich opnieuw bij de MSI aan.

Rauti treedt op als mentor van illegaal rechts. Na een ontmoeting met Rauti, pleegt de nazi-groep van Franco Freda in april 1969 verschillende bomaanslagen in Milaan en Padua.(17) Kort daarop spoelt een golf van geweld over het land. In 1969 registreert de politie niet minder dan 145 rechtse aanslagen. Deze terreurgolf culmineert op 12 december 1969 in de bloedige bomaanslag op de Nationale Landbouwbank te Milaan, waarbij 16 doden en 105 gewonden vallen. De enigen die door de speurders worden verdacht, zijn anarchisten. Linkse activisten worden opgepakt, bedreigd of moeten onderduiken. Uiteindelijk worden twee anarchisten ervan beschuldigd de aanslag te hebben uitgevoerd. Een van hen pleegt kort nadien onder verdachte omstandigheden ‘zelfmoord’. Pas veel later kunnen de directe betrokkenen, allen neofascisten onder wie Pino Rauti en twee hoge militairen, vervolgd worden. Ze worden echter wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken.

De aanslagen volgen elkaar vanaf 1970 in snel tempo op. Rechtse terroristen trekken een spoor van dood en vernietiging door het land. Deze strategie van de spanning is duidelijk bedoeld om de opkomst van links en de mogelijke regeringsdeelneming van de PCI tegen te gaan. De daders zijn eropuit het regime te destabiliseren en een militaire staatsgreep uit te lokken. Eind 1970 is het bijna zover. Generaal Vito Miceli, hoofd van de staatsveiligheid, en Sandro Saccucci, een van de oprichters van Ordine Nuovo, zijn betrokken bij een couppoging van ‘prins’ Valefio Borghese. Miceli en Borghese worden gearresteerd maar spoedig weer vrijgelaten. De MSI haalt de putschisten binnen. Ze krijgen zelfs sleutelposities in de partij toegewezen. Hetzelfde geldt voor andere subversieve militairen als de oud-commandant van de Middellandse-Zeevloot van de NAVO, admiraal Gino Birindelli en generaal Giovanni de Lorenzo, ex-chef van de militaire inlichtingendienst SIFAR.

In 1972 lijkt de verruimingsstrategie van Almirante vruchten af te werpen. De kleine maar kapitaalkrachtige monarchistische partij gaat samen met de MSI, die nu officieel MSI-Destra Nazionale (MSI-Nationaal Rechts) heet. Bij de verkiezingen op 7 mei 1972 behaalt de lijst van de MSI-nieuwe-stijl 8,7 procent (2.894.789 stemmen). Het is de beste MSI-stembusuitslag aller tijden. De partij krijgt zesenvijftig zetels in de Kamer en zesentwintig in de Senaat. In de indrukwekkende neofascistische fractie zitten Pino Rauti en Sandro Saccucci naast ultraconservatieve ‘verruimingsfiguren’, zoals generaal Giovanni de Lorenzo en admiraal Gino Birindelli.

De MSI is na dit succes een politieke factor van betekenis. De partij is wijdvertakt en telt volgens eigen schattingen 420.000 leden, verspreid over 102 federaties en 4335 afdelingen. Op lokaal niveau is de partij sterk vertegenwoordigd met in totaal 2479 gemeenteraadsleden en 32 burgemeesters. Het zwaartepunt van de partij ligt in Rome en in het arme zuiden.

De dubieuze houding van de MSI-top tegenover het ‘zwarte terrorisme’ zet het electorale succes weldra alweer op losse schroeven. De democratische geloofsbelijdenis wordt als een dun laagje vernis ontmaskerd. Enkele voorvallen zijn illustratief. Op 12 april 1973 wordt in Milaan een politieman gedood ter gelegenheid van een verboden betoging van MSI-jongeren. Op grond van de stukken in het omvangrijke politiedossier valt op te maken dat de MSI’er Massimo Abbatangelo de explosieven leverde voor de ongerichte bomaanslag op de sneltrein Italicus in 1974. Hierbij vallen veertien doden. Abbatangelo wordt in eerste instantie veroordeeld tot dertien jaar gevangenisstraf.

De niet eindigende reeks terreurdaden verslechtert het beeld van de MSI, te meer omdat Almirante weigert het rechtse geweld ondubbelzinnig te veroordelen. Uit onvrede neemt de voorzitter van de MSI, Gino Birindelli, ontslag. De aanwijzingen van MSI-betrokkenheid bij het rechtse geweld stapelen zich op. Het MSI-parlementslid Sandro Saccucci, een voormalig lid van Ordine Nuovo, voert bij de algemene verkiezingen in 1976 een zeer agressieve campagne. Ter gelegenheid van een betoging, georganiseerd door Saccucci, wordt een PCI-activist omgebracht.

Bij de parlementsverkiezingen in 1976 valt de MSI terug tot 5,5 procent. De electorale achteruitgang verhoogt de spanningen in de partij en leidt eind 1976 tot een afscheuring waarbij negen Senatoren en zeventien Kamerleden de partij verlaten. Zij richten de Democrazia Nazionale (Nationale Democratie) op. Bij gebrek aan electoraal succes eindigt deze nieuwe partij roemloos. Ondanks alle interne conflicten behoudt de MSI een reële invloed op de bevolking, onder meer via haar vakbond Cisnal, die geleid wordt door Gianni Roberti, docent arbeidsrecht aan de universiteit van Napels. De Cisnal is in 1976 de derde grootste vakbond en beschikt over vakbondsafgevaardigden in zo’n vijftienduizend ondernemingen. De Cisnal is ook vertegenwoordigd in de Nationale Raad voor de Economie. De MSI-vakbond komt op voor ‘medebeheer’, als een etappe naar een corporatistische ordening en bestrijdt energiek het ‘monopolie’ van de representatieve vakbonden.(18)

Een van de nieuwe MSI-parlementsleden in 1976 is generaal Vito Miceli. Hij stond tot voor kort aan het hoofd van de geheime dienst sid. Miceli en de sid worden ervan beschuldigd de justitiële autoriteiten op een dwaalspoor te hebben gebracht bij hun onderzoek naar de daders van de rechtse bloedbaden en staatsgrepen. Miceli wordt zelfs even aangehouden. Vaststaat dat onzichtbare handen, zoals telkens opnieuw blijkt, de gerechtelijke procedures in linkse richting duwen. In praktisch alle gevallen lopen de naspeuringen dood op de geheime diensten. Daardoor wordt de waarheid niet achterhaald over de 4334 terreurdaden die plaatsvonden in de periode 1969-1976.83 procent hiervan komt voor rekening van extreem rechts. Minstens drieënzestig mensen vinden hierbij de dood.(19)

Gianfranco Fini

Gianfranco Fini is geboren op 3 januari 1952 als zoon van een uitbater van een tankstation in Bologna. Op een gegeven ogenblik versperren linkse demonstranten hem de toegang tot de bioscoop, waar op dat ogenblik de Groene Baretten, een propagandafilm over de Amerikaanse interventie in Vietnam, wordt vertoond. Als reactie sluit de zeventienjarige Fini zich aan bij Giovane Italia (Jong Italië), de jeugdorganisatie van de MSI, die jongeren tot echte ‘missini’ kneedt. In juli 1971 trekt Fini naar Rome, waar Almirante op dat ogenblik furore maakt. Fini is verantwoordelijk voor de sectie ‘vorming en opleiding’.

Eind 1976 is de eendracht in de MSI en Jong Italië zoek. Een aanzienlijke groep dissidenten stapt op. De nieuwe formatie Nationale Democratie trekt ook heel wat kaderleden van Jong Italië aan. Het noopt Almirante een nieuwe leider voor de jeugdorganisatie te benoemen. Marco Tarchi lijkt heel geschikt voor die post en zijn kandidatuur wordt gesteund door het merendeel van de MSI-jongeren. Maar Almirante bestuurt de partij als een verlicht despoot. Hij is gewend zijn eigen mensen op belangrijke posten te plaatsen en stelt Fini tot leider van Jong Italië aan. Hij ziet in de aristocratische Fini zijn ideale leerling. Fini en zijn rechterhand Maurizio Gasparri, zoon van een officier van de carabinieri, dwepen met Almirante. Marco Tarchi trekt zich langzamerhand terug uit de MSI en bekeert zich tot Nieuw Rechts van Alain de Benoist.

Fini mag geweld dan wel niet openlijk aanprijzen, zijn optreden draagt zeker bij tot een sfeer waarin extremiteiten tot uitbarsting komen. Op 7 januari 1978 gaan MSI-jongeren in Rome op de vuist met antifascistische tegenstanders. Op een gegeven ogenblik openen ze zelfs het vuur op de carabinieri. In de daarop volgende schermutselingen komt een MSI-jongere om.(20) Een jaar later herhaalt zich het patroon en radicale MSI-jongeren zijn vastbesloten een ‘herdenkingsplechtigheid’ te organiseren. De dood van de MSI-jongere heeft Almirante schichtig gemaakt. Uit vrees voor nieuwe rellen blaast hij de ‘herdenkingsplechtigheid’ af, maar Fini laat zijn radicale achterban begaan. De ‘herdenking’ loopt volledig uit de hand en het geweld eist weer een dodelijk slachtoffer. Zo schept Jong Italië haar eigen martelaren. De actie veroorzaakt een verhitte polemiek in de partijtop. Fini moet zich publiekelijk verantwoorden op een tumultueuze vergadering. Hoewel hij als leider van de jeugdbeweging, een zeer hiërarchische organisatie, direct politiek verantwoordelijk is voor de escalatie van geweld, verwerpt hij iedere kritiek.

Fini is niet terughoudend in zijn contacten met gewelddadige elementen. Zo heeft hij veel sympathie voor Francesco Mambro, die van terroristische activiteiten wordt verdacht. Klaarblijkelijk heeft Fini alle radicalen hard nodig in de strijd tegen links.(21) Sergio Mariani en Marco Affatigato krijgen zelfs leidinggevende functies. Affatigato is de luitenant van de ‘zwarte’ terrorist Mario Tuti, die op 24 januari 1975 twee politiemannen vermoordt. Fini gunt hun het voordeel van de twijfel. ‘Zij zijn het slachtoffer van linkse verdachtmakingen,’ zegt hij. Voor Fini is het anticommunisme van deze extremisten een aflaat waarmee ze hun onschuld eens en voor altijd hebben afgekocht. De MSI-jongeren hebben de strijd tegen het communisme hoog in het vaandel. Zij gaan herhaaldelijk in Triest de straat op om te protesteren tegen het Verdrag van Osimo, dat de Italiaanse grens met Joegoslavië vastlegt. Ze verzetten zich tegen het ‘verkwanselen van Italiaanse grond’ aan Tito en eisen de onmiddellijke inlijving van Istrië en Dalmatië.

Eind jaren zeventig begint de PCI onder leiding van Enrico Berlinguer een systeem-beamende koers te volgen, die ten slotte tot de introductie van het ‘historische compromis’ leidt, het voorstel om een regering van christen-democraten en communisten te vormen. Als reactie op het Eurocommunisme richt Almirante Eurorechts op samen met Jean-Louis Tixier Vignancourt (hoge functionaris in Vichy) en de Spaanse falangist Bias Pinar (leider van de Franco-gezinde Fuerza Nueva). Almirante en Eurorechts onderhouden goede betrekkingen met de rechtervleugel van de Duitse CSU en de Franse rpr. ‘Ze beschouwen ons als overtuigde tegenstanders van links,’ zegt Almirante, ‘en als je dezelfde vijanden hebt, word je op de lange duur bondgenoten.’

De zwenking van de PCI beinvloedt ook Licio Gelli, grootmeester van de vrijmetselaarsloge P2. Zijn ‘plan van democratische wedergeboorte’ - zoals hij het zelf niet zonder cynisme noemt - leidt tot omvangrijke infiltratie in de politieke wereld, de media en het veiligheidsapparaat. Al snel groeit de geheime loge P2 door zijn toedoen uit tot een waar komplot tegen de staat. Deze schaduwregering omvat op een gegeven ogenblik de hoofden van drie veiligheidsdiensten, 52 hoge officieren van de carabinieri, 10 bankdirecteuren, 38 volksvertegenwoordigers en 5 ministers. Ook Silvio Berlusconi behoort tot Gelli’s uitgelezen gezelschap.(22) De mediamagnaat betaalde op 5 mei 1978 keurig zijn lidmaatschapsgeld van honderdduizend lire. Uit Gelli’s aantekeningen blijkt dat hij Berlusconi van ‘bijzonder gewicht acht voor de controle over de massamedia’.

De bomaanslag in 1980 op het station van Bologna, waarbij 85 doden vallen, doet een huivering door Italië gaan. De verontwaardiging is zo algemeen dat de overheid noodgedwongen hardere maatregelen treft tegen het rechtse geweld. Al of niet toevallig valt de politie op 17 mei 1981 binnen in Gelli’s majestueuze villa. Ze vindt er de ledenlijsten van de geheime loge met daarop de namen van 962 hoge politici, journalisten, ambtenaren, zakenlieden en militairen. Meteen is het zwarte terrorisme definitief op zijn retour.

In de MSI zijn de toejuichingen voor Mussolini nooit verstomd. Luide bewondering voor de Duce komt treffend tot uiting bij de herdenking van diens honderdste geboortedag. De ceremoniën gaan gepaard met onthullingen van gedenkstenen, fototentoonstellingen en massabijeenkomsten in eenentwintig Italiaanse steden. De hele partij wordt opgetrommeld voor herdenkingen, toespraken en parades. Fini staat nu aan het hoofd van Fronte della Gioventü (Jeugdfront), dat de verschillende jongerenorganisaties van de MSI overkoepelt. Fini en het Jeugdfront spelen een actieve rol bij de herdenkingsceremoniën.

Dit nostalgisch huldebetoon deert de socialistische kabinetsformateur Bettino Craxi blijkbaar niet. Hij consulteert de neofascisten bij de vorming van zijn regering en vijzelt daarmee de democratische reputatie van de MSI op. De partij begint stilaan maatschappelijk aanvaard te worden en christen-democratische en liberale politici wonen in 1984 zelfs voor het eerst officieel het MSI-congres bij. Maar maatschappelijke aanvaarding alleen waarborgt nog geen verkiezingssucces. Bij de algemene verkiezingen in juni 1987 lijdt de MSI opnieuw een zware nederlaag. De partij vergaart niet meer dan 5,9 procent van de stemmen. Wel wint zij in het roerige Alto Adige, dat door de Duitstalige meerderheid Zuid-Tirol wordt genoemd. In de noordelijke provincie Bolzano wordt de MSI dank zij een felle nationalistische campagne zelfs de eerste partij van de Italiaanstaligen. Direct na de verkiezingsnederlaag kondigt Almirante zijn aftreden aan.

Op 13 december 1987 vindt in Sorrento nabij Napels het vijftiende partijcongres plaats. Twee kandidaten verdringen zich om Almirante op te volgen. De vijfendertigjarige Fini, leider van het Jeugdffont en altijd onberispelijk in pak voelt zich het meest thuis in nette rechtse kringen. Hij is een graag geziene gast in de adellijke salons van de hoofdstad. Zijn tegenkandidaat, Pino Rauti is zeer populair in de MSI-vakbond Cisnal en onder de journalisten van het partijblad II Secolo d’Italia. Met de hulp van Almirante wint Fini op het nippertje de strijd om het partijleiderschap. De score is 727 tegen 608. Het is opmerkelijk dat Fini gesteund wordt door zowel ‘gematigden’ als ‘radicalen’, onder wie Saló-fascisten Giulio Baghino en Pino Romualdi.

In zijn afscheidsrede benadrukt Almirante dat de republiek ‘corrupt’ is. ‘We moeten haar niet hervormen maar haar weer geheel opbouwen,’ aldus Almirante. ‘Het fascisme is geen hang naar het verleden, maar een stap voorwaarts, geen herinnering, maar een einddoel.’ ‘Het fascisme vertegenwoordigt eeuwige en onveranderlijke waarden,’ voegt Fini daar voor de zekerheid aan toe. Zo presenteert hij zich als enige en echte erfgenaam van Almirante.

Een half jaar later overlijden de twee ‘historische’ leiders Giorgio Almirante en Pino Romualdi. Op 24 mei 1988 trekken de neofascisten met tienduizenden naar Rome om de uitvaart bij te wonen. Ook vele leidende politici geven acte de présence. Zo zijn onder anderen de president, de voorzitters van Kamer en Senaat, verscheidene ministers en de leiders van alle politieke partijen present. De uitbanning van de MSI uit de samenleving is voltooid verleden tijd. De begrafenis wordt rechtstreeks door de rai uitgezonden. Het is een moment waarop de neofascisten weer in zichzelf geloven. De zwarte vlaggen en de reusachtige Almirante-posters geven een nostalgische tint. Bejaarde veteranen en MSI-jongeren paraderen zichtbaar aangedaan en brengen ongegeneerd de fascistengroet. Fini houdt een lijkrede, waarin hij zijn ware gevoelens en gedachten blootlegt. ‘Wij zullen de fakkel doorgeven,’ verzekert hij, ‘hij is in goede, sterke handen die nimmer zullen plooien. Wij zullen trots de fakkel dragen zodat u ons nooit verlaat.’ En hij besluit: ‘Dank u voor al wat u ons hebt bijgebracht. Blijf onze geestelijke roerganger. Blijf in ons midden, rechtopstaand, zoals u hebt geleefd.(23)

De Liga Noord - Inhoud

Al in 1976 zegt Fiat-baas Gianni Agnelli de DC de wacht aan. Bestuurlijke inefficiëntie, geldverspilling en corruptie hebben een nadelig effect op de groei van het Italiaanse kapitalisme. De Italiaanse ondernemers willen verandering, maar weten nog niet hoe en onder wiens leiding. Zelf verleent Agnelli eind van de jaren zeventig actieve steun aan de kleine Republikeinse Partij. Het is geen verrassing dat op hetzelfde ogenblik in het Noorden voor het eerst regionalistische geluiden weerklinken. Ze worden al gauw opgevangen door Gianfranco Miglio, professor staatsrecht aan de katholieke universiteit van Milaan. In 1980 overlijdt Bruno Salvatori, een voorvechter voor regionale autonomie en de geestelijke vader van Umberto Bossi, een gesjeesde arts uit Varese.

Op 12 april 1984 sticht Umberto Bossi de Lombardische Liga in Pontida, een historische plaats, waar aan het einde van de twaalfde eeuw twintig Noorditaliaanse gemeenten een geslaagde opstand begonnen tegen keizer Frederik Barbarossa, de vaandeldrager van het middeleeuwse centralisme. De Lombardische Liga keert zich tegen het Romeinse centralisme. Vandaar de populaire slogan: ‘Rome steelt en de Liga vergeeft dat niet.’Volgens de Liga slokt het arme zuiden de rijkdom van het noorden op, minimaal 120 biljoen lire in de periode 1987-1989. Bovendien hebben de overwegend kleine en middelgrote Lombardische ondernemers nog zo’n drie biljoen lire aan btw tegoed. Voor Bossi, de debutant op het politieke toneel, is alles gepermitteerd. Zo stimuleert hij met de kreet ‘de boerenkinkels buiten’ de diep gewortelde xenofobe gevoelens tegen de ruim zes miljoen Zuid-Italiaanse ‘gastarbeiders’, die sinds de oorlog naar het noorden kwamen om er het vuile werk op te knappen. Bij de algemene verkiezingen van 1987 slaat Bossi zijn vleugels uit. De Liga behaalt in Lombardije 2,7 procent en Bossi wordt Senator. Bij de Europese verkiezingen van 1989 haalt de Liga al 6,5 procent.

In het Noorden vormt de MSI nauwelijks een bedreiging voor de Liga. Fini weet de partij niet op één lijn te krijgen en na de stormachtige ontwikkelingen in Oost-Europa in 1989 slaagt Pino Rauti er alsnog in Fini te onttronen. De aanvoerder van de nationaal-revolutionaire vleugel en hoeder van het Salö-fascisme wil de MSI meer antikapitalistisch profileren en daarmee een perspectief geven aan teleurgestelde linkse kiezers. In de verhitte anticommunistische sfeer probeert de - diep verdeelde - MSI de rangen te sluiten. Op 22 november 1989, vlak na de val van de Muur, rept Fini zich hoogstpersoonlijk naar Gorizia, om er op zijn beurt de Joegoslavische Muur te slopen. In haar pamfletten zegt de MSI: ‘Istrië, Fiume, Dalmatië zijn Italiaans.’ Vooral de MSI-jongeren roeren zich. Op 12 maart 1990 roemt Roberto Menia, leider van de Fuan, de ‘Roemeense vrijheidsstrijd’ voor vijftienduizend uitgelaten Romeinse jongeren. Op 9 mei 1990 is Fini alweer present op een demonstratie in Triëst om er de slachtoffers van het communisme te eren.(24) Op 8 september 1990 houdt de MSI in Reggio Emilia een congres om de waarheid te eisen over de fascistische slachtoffers van de repressie na de bevrijding. Met dit manoeuvre wil de MSI het antifascistische verzet in de verdachtenbank zetten. Volgens de MSI zijn communistische partizanen verantwoordelijk geweest voor een groot aantal politieke moorden en verdwijningen in Noord-Italië, speciaal in de ‘driehoek van de dood’ zoals de MSI de PCI-bolwerken Reggio Emilia, Modena en Bologna noemt. In extreem rechtse kringen wordt het onwaarschijnlijke aantal van dertigduizend slachtoffers genoemd. Objectievere schattingen spreken van vijfhonderd.

De MSI blijft electoraal terrein verliezen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1990 valt zij terug naar 3,9 procent. De Liga daarentegen rukt in Lombardije op tot 16,4 procent. Provocerend zet de Lombardische Liga stappen in de richting van een federale staat. Ze verenigt zich met eendere partijen in Veneto, Piemonte, Ligurië en Toscane tot de Liga Noord en deze roept op 16 mei 1991 alvast de Republiek van het Noorden uit. De verdeelde MSI schrompelt bij de regionale verkiezingen van juni 1991 in haar bastion Sicilië ineen tot 4,8 procent. Partijleider Rauti krijgt de rekening gepresenteerd en op 6 juli 1991 wordt hij opnieuw opgevolgd door Fini. Het is opvallend dat de MSI haar nieuwe leider met geen overtuigende meerderheid kiest. Fini wint van de tegenkandidaat Domenico Menniti met 137 tegen 95 stemmen. Menniti staat bekend als vertegenwoordiger van de vleugel-Rauti. In het partijblad, een bolwerk van Rauti, vindt een aflossing van de wacht plaats. Guido Lo Porto volgt Giano Accame op als directeur. Later komt aan het licht dat Lo Porto bevriend is met de beruchte mafia-gangster Pier Luigi Co cutelli.(25)

Nu de PCI het communistische pad heeft verlaten, vindt Fini het tij gunstig om een andere tactiek te beproeven. Hij aast op de steun van de leidende kringen. Hij rekent vooral op president Francesco Cossiga die met zijn verbale pikhouweel onophoudelijk inhakt op de partijen en instellingen van de Eerste Republiek. Op het puin hiervan wil Cossiga, mede-stichter van Gladio, een autoritair presidentieel regime vestigen. Cossiga wil de spons halen over alle extreem rechtse affaires, van Gladio tot de dodelijke aanslag op het station van Bologna. Hij biedt de MSI openlijk zijn verontschuldigingen aan omdat hij dit bloedbad ooit bestempelde als een ‘fascistische terreurdaad’. De MSI en Cossiga zullen elkaar steunen. De president ontvangt Fini in zijn ambtswoning, een duidelijke geste, want zo’n audiëntie vond eerder nog niet plaats.

De problemen van het Italiaanse kapitalisme worden begin 1992 met de dag zichtbaarder: een kolossale staatsschuld, een belabberde infrastructuur, een uitgebreide overheidssector met als spil het iri, de overheidskolos van banken, industrieën, publieke omroep rai en vele andere activiteiten. Vooral de in het noorden gevestigde grote bedrijven vrezen dat Italië de normen van Maastricht niet zal halen en daardoor de aansluiting met Europa zal missen. Deze grootindustriëlen raken er steeds meer van overtuigd dat de financiële en economische crisis niet met de gebruikelijke parlementaire methodes te bezweren valt, te meer omdat Italië reeds aan zijn eenenvijftigste regering sinds de oorlog toe is en de traditionele partijen allang corruptie, bestuurlijke onbekwaamheid en verstrengeling van politiek en mafia combineren.

Op 17 februari 1992 laat onderzoeksrechter Antonio di Pietro de Milanese socialist Mario Chiesa arresteren. Chiesa, bijgenaamd ‘ingenieur 10 procent’ naar het deel dat hij van ieder contract voor zichzelf opeist, wordt betrapt bij het innen van smeergeld. Het onderzoek in de ‘Operatie Schone Handen’ leidt weldra tot de ontmaskering van een universeel stelsel van illegale partijfinanciering.

De Liga verwelkomt de justitiële actie en ruikt de kans een grote sprong voorwaarts te maken bij de nakende parlementsverkiezingen van april 1992. De Liga beschikt over een eigen vakbond en werkgeversorganisatie (Alia). De hogere economische kringen geven de Liga stilaan, zij het niet openlijk, enig krediet. Vlak voor de verkiezingen van april 1992 krijgt de penningmeester van de Liga, Alessandro Patelli, tweehonderd miljoen lire van het Ferruzzi-concern. Bossi presenteert zich als de onbezoedelde held in de strijd tegen de corruptie, maar overtreedt zelf de wet op de financiering van de politieke partijen doordat hij deze financiële bijdrage niet openbaar maakt. De sterk liberaal georiënteerde Liga lonkt vooral naar de ontevreden middenstanders (Italië telt zo’n vier miljoen kleine en middelgrote ondernemingen) en naar iedereen die zich het slachtoffer van ‘de particratie’ voelt. De verkiezingspamfletten liegen er niet om. ‘Scheid U af van het Italië van de dieven,’ luidt de kop. De Liga trekt van leer tegen de ‘belastingdruk’, de ‘wilde immigratie’ en ‘de politieke en criminele mafia’ die ervoor zorgt dat het zuiden het geld opmaakt waarvoor het noorden werkt. De Liga verdedigt een immigratiestop, de terugzending van werkloze immigranten en de instelling van een streng visumsysteem.(26)

Op 5 april 1992 worden de traditionele partijen afgestraft. De Liga is de onbetwiste winnaar. Ze springt landelijk van 0,5 procent op 8,8 procent en komt met vijfenvijftig Kamerleden en zesentwintig Senatoren in het parlement. In Noord-Italië is de Liga met zowat 17 procent de tweede partij geworden. De MSI presteert minder goed en behaalt 5,4 procent, goed voor vierendertig Kamerleden.

In juli 1992 vermoordt de mafia MSI-sympathisant Paulo Borsellino, hoofdofficier van Justitie in Palermo. Het is een bloedige waarschuwing van een organisatie met een jaaromzet van ongeveer 3500 miljard frank, bijna evenveel als Fiat. Officieel moet de MSI niets hebben van de mafia en gaat de partij er zelfs prat op dat Mussolini de mafia hard aanpakte, maar in de praktijk blijft ook de MSI niet uit de grijparmen van de octopus. Vooral op Sicilië  heeft de mafia zich vrijwel het monopolie toegeëigend over het politieke leven en de verkiezing van politici. Het MSI-kopstuk Enzo Trantino, een monarchist die vrij populair is in de Siciliaanse stad Catania, is de advocaat van topmafiosi.

De economische en politieke crisis grijpt om zich heen. De staatsschuld groeit iedere seconde en op 12 september 1992 moet Italië zelfs uit het ems stappen. De overgangsregering van Giuliano Amato gedraagt zich als een zakenkabinet dat geen kiezers en parlementaire oppositie hoeft te vrezen. Amato wil harde saneringsmaatregelen nemen die vooral de werknemers treffen zoals bevriezing van de ambtenarensalarissen, verhoging van de inkomstenbelasting en van de pensioengerechtigde leeftijd. Eind september 1992 staken de vakbonden massaal. Ook de Liga en de MSI proberen met toenemend succes de onvrede te kanaliseren. Op 27 september 1992 wordt de Liga de grootste partij in Mantua met 34 procent. In poujadistische stijl roept de Liga op 9 oktober 1992 de kleine spaarders op vooral geen staatsobligaties te kopen, omdat hun spaargeld dan gevaar zou lopen. Kort daarop wordt Bossi uitgenodigd voor een diner op het hoofdkwartier van de Assolombarda, de Associatie van Lombardijnse ondernemers. Bossi is respectabel geworden.

De MSI kan niet achterblijven. Op 17 oktober 1992 trekken zo’n honderdduizend neofascisten door Rome om te protesteren tegen het slechte economische beleid, de corruptie en de ondermijning van de nationale eenheid door de Liga. Tegelijkertijd herdenken ze de zeventigste verjaardag van Mussolini’s mars op Rome. Wanneer ze voorbij het beroemde balkon van het Palazzo Venezia in Rome marcheren, vanwaar de Duce de Romeinen placht toe te spreken, maken velen de fascistengroet. Anderen scanderen: ‘Mussolini, Fini.’ Fini zelf wordt met opgeheven rechterarm gefotografeerd.

Ruim een week later, op 28 oktober 1992, organiseert de Romeinse MSI-leider Domenico Gramazio in het luxueuze restaurant Picar een apart herdenkingsfeest onder het motto: ‘Zeventig jaar geschiedenis van strijd en dromen. Leve de fascistische revolutie.’ Een levensgroot portret van Mussolini ontbreekt niet. Fini en zijn echtgenote wonen het feest bij in gezelschap van Vittorio Mussolini (de oudste zoon van de Duce), de weduwe van Almirante, Giulio Baghino (de voorzitter van de veteranen van Salö) en Renzo Lodoli (de woordvoerder van de Spanje-oud-strijders). Aan het eind van de avond wordt een reusachtige taart in de vorm van een vlam aangesneden en zingen de 1200 genodigden luidkeels het strijdlied ‘Te wapen. We zijn fascisten.’

Italië is eind 1992 een politiek laboratorium. Een paar initiatieven lopen in het oog. Ten eerste schrijft de politicoloog en monarchist Domenico Fisichella een reeks artikelen over ‘rechtse frontvorming’ in II tempo, de spreekbuis van de katholieke Romeinse burgerij. Achter de schermen neemt hij contact op met de MSI’er Giuseppe Tatarella, de Cossiga-aanhanger Francesco d’Onofrio en de Andreotti-man Publio Fiori, onderminister van Volksgezondheid. Op 22 november 1992 leggen Tatarella en zijn geestverwant Adolfo Urso, een medewerker van II Secolo d’Italia, het project van een ‘nationale alliantie’ voor aan een dertigtal rechtse intellectuelen, onder wie de voorman van de monarchistische beweging Sergio Boschiero en een aantal bewonderaars van de fameuze liberale journalist Indro Montanelli. Ze proberen een plan van aanpak op te stellen. Er worden veel ideeën gelanceerd, maar Fini aarzelt.

Ten tweede start Marcello Veneziani, boegbeeld van Nieuw Rechts, eind december het weekblad L’Italia. Veneziani werkt stug en volhardend aan een ‘conservatieve revolutie’. De sleutel tot het succes, zo stelt hij, is dat ze zich richten op een culturele omwenteling en dat leidt vanzelf tot een politieke revolutie. Vandaar dat L’Italia ruime aandacht besteedt aan kunst en media. De MSI’er Adolfo Urso wordt hoofdredacteur. Verder omringt Veneziani zich met een bonte troep medewerkers, onder wie Giano Accame (ex-directeur van II Secolo d’Italia), Duccio Trombadori (ex-redacteur van het PCI-blad L’Unita), Vittorio Messori (ex-medewerker van het katholieke blad Awenire) en Vittorio Feltri (directeur van L’Indipedente). Marcello Veneziani mikt op een breed front, waartoe hij ook de rechtervleugel van de Liga Noord rekent. Vandaar dat de Liga-parlementsleden Mario Borghezio en Irene Pivetti toetreden tot het gilde van prominente columnisten van L’Italia.

Irene Pivetti is een voormalige journaliste van de katholieke Radio A en van L’Independente. Zij neemt geen blad voor de mond.(27) Pivetti staat bekend als een bewonderaarster van de Franse ultraconseratieve bisschop Marcel Lefebvre. Zij is de drijvende kracht achter Consulta Cattolica, een stroming van behoudsgezinde katholieken in de Liga Noord. Tevens werkt Pivetti mee aan het maandblad Identitcl, dat vanaf begin 1993 verschijnt.

Eind 1992 zijn berichten over ‘naziskins’ die vreemdelingen te lijf gaan schering en inslag. Dit geweld stuit bij de politie meestal slechts op onverschilligheid. Wanneer Romeinse naziskins joodse huizen met de jodenster bekladden, doet Pivetti in L’Indepentente het protest van de joodse gemeenschap af als ‘ridicuul en misplaatst gejammer’.(28) Onder druk van de nationale commotie dient de regering op 3 december 1992 een wetsontwerp in dat voorziet in een strafverzwaring voor racistische delicten. Een ontstemde Pivetti klaagt prompt de ‘kuiperijen van de particratie’ aan. Sterker nog, ze ergert zich openlijk aan de joodse dokter Fiorentini, een verklaarde voorstander van het wetsontwerp.(29) De inkt van het wetsontwerp is amper droog, of naziskins slaan opnieuw toe. Het slachtoffer is ditmaal een man die niets meer op zijn geweten heeft dan zijn afkomst: hij was Somaliër.

De Liga is verre van een monolithisch blok. Zo is de Liga-voorzitter. Franco Rocchetta, een oudgediende van Ordine Nuovo. Roberto Maroni, daarentegen, is een voormalig activist van buiten-parlementair links. Maroni is fractieleider in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en wethouder van Financiën in Varese, de stad van Bossi. Begin 1993 maakt hij naam als architect van een ‘historisch compromis’ in Varese. Nadat de Liga-kandidaat Raimondo Fassa op 15 december 1992 de verkiezingen had gewonnen met 37 procent, weet Maroni de ex-communistische Democratische Partij van Links (PDS) te overhalen om de Liga in Varese aan haar eerste belangrijke burgemeesterszetel te helpen.

Via een netwerk van goed bestuurde gemeentes in het noorden wil de Liga de overstap naar de nationale politiek maken, nu de Eerste Republiek langzaam maar zeker ten onder gaat. In de strijd tegen de corruptie is Justitie beland bij het niveau van de hoogste gezagdragers: Bettino Craxi, Arnoldo Forlani en de andere leiders van de regeringspartijen, machtige ministers en onaantastbaar lijkende ondernemers. Hun bekentenissen zijn ronduit verbijsterend. De staatschemieholding eni blijkt in de jaren zeventig meer dan dertig miljard frank in de kassen van de regeringspartijen te hebben gestort. In ruil voor overheidsopdrachten betaalden ondernemers aan politici in de afgelopen vijftien jaar naar schatting vierduizend miljard frank. De regering-Amato raakt niet minder dan zeven ministers aan dagvaardingen kwijt.

In de referenda van april 1993 spreekt het volk zich uit voor een nieuw kiesstelsel en daarmee voor grondige politieke veranderingen. Voor het eerst zullen de Italianen direct hun burgemeester kunnen kiezen, met een tweede ronde als niemand meteen een absolute meerderheid behaalt. Dat werkt alliantie-vorming in de hand en de MSI komt daarbij klem te zitten. ‘We moeten een nationale alliantie in het leven roepen,’ schrijft Francesco Storace, vertrouweling van Fini, in het partijblad op 24 april 1993. Hij wordt prompt bedolven onder verbolgen en kritische reacties van verontruste partijleden. Maar Storace sust hen: ‘Het is me er niet om te doen het fascisme te verraden.’

Op 26 april 1993 benoemt president Oscar Luigi Scalfaro de partijloze president van de Centrale Bank, Carlo Azeglio Ciampi, tot premier van een zakenkabinet. De nieuwe regering steunt niet op het parlement, maar op de president. Alsof de uitholling van de parlementaire democratie nog niet duidelijk genoeg is, wordt daags daarna de onschendbaarheid opgeheven van Giulio Andreotti, zeven keer premier en DC-boegbeeld. Hij wordt ervan verdacht goede banden te hebben met de mafia. Zodra de nieuwe kieswet klaar is, schrijft Carlo Azeglio Ciampi voor 6 juni 1993 verkiezingen uit voor 1200 nieuwe gemeenteraden.

Door de gigantische corruptie is de politieke rol van de traditionele politieke wereld (christen-democraten, socialisten en een aantal kleine middenpartijen) nagenoeg uitgespeeld. Hun aanhangers moeten voortaan kiezen of zij zich bij links of bij de MSI en de Liga Noord aansluiten. Beide profileren zich als partijen met schone handen. Het gaat de MSI allang niet meer om corruptie alleen. De MSI onderneemt een bewuste poging om de democratie als zodanig in diskrediet te brengen en op die manier de weg vrij te maken voor een autoritair regime. Belangrijke figuren in de politiek, de media, het zaken- en culturele leven krijgen nu opeens belangstelling voor de MSI. De nakende gemeenteraadsverkiezingen geven een nieuwe impuls aan het debat over ‘rechtse frontvorming’. L’Italia speelt hierbij een sleutelrol. Begin juni 1993 gaan Domenico Fisichella (monarchist en verdediger van een alliantie met de MSI), Vittorio Feltri (directeur van L’Indipedente), Irene Pivetti (Liga Noord) en Francesco d’Onofrio (rechtse DC´er) op initiatief van het blad om de tafel zitten.

De aantrekkelijkheid van de Liga neemt snel toe. De Liga is in een paar jaar tijd vanuit het niets de grootste partij van het noorden geworden. De partij telt midden 1993 zo’n tweehonderdduizend leden, maar heeft gebrek aan kader. Toch slaagt de Liga erin voor de grote steden sterke, aansprekende kandidaten te vinden. Een van de nieuwkomers is Marco Formentini, een voormalig Europees ambtenaar die jarenlang een trouw PSI-lid was. De Liga presenteert hem als kandidaat-burgemeester in Milaan, een stad die twee decennia lang door de socialisten van Bettino Craxi werd gedomineerd. Marco Formentini’s aanduiding wordt met instemming begroet door Milanese intellectuelen, zoals de journalisten Giorgio Bocca en Indro Montanelli. De plaatselijke radio Popolare zet zich eveneens in voor de Liga-kandidaat. De leidende gedachte van Marco Formentini is het herstel van de voormalige grandeur van Milaan, het economische en financiële hart van Italië.

In haar verkiezingsprogramma benadrukt de Liga dat op lange termijn alleen het federalisme een oplossing kan bieden voor de problemen van de Noorditaliaanse steden. Maar voor de korte termijn wil de Liga het voor de gemeentes mogelijk maken zelf obligaties uit te geven. Verder wil de Liga gemeentelijke ondernemingen privatiseren. In een tijd dat de migranten en etnische minderheden juist het gevoel moeten hebben dat zij door de politici worden beschermd tegen het toenemende racisme, pleit de Liga voor de deportatie van illegalen en het sluiten van opvangcentra voor buitenlanders.

Zo stimuleert de Liga de latente vreemdelingenhaat. Deze ontaardt geregeld in gewelddaden die dan meestal onder de categorie racistische ‘incidenten’ vallen. Maar er is ook veel zuiver racisme, en ook daarop speelt de Liga in. Midden 1993, in de hitte van de verkiezingsstrijd, beginnen opgezweepte buurtbewoners in Genua met zeer gewelddadige ‘schoonmaakacties’ tegen de zowat vijftienduizend vreemdelingen. De deerniswekkende omstandigheden waarin ze vaak wonen, gelijken sprekend op die waarin sommige Italianen in het naoorlogse Napels leefden. Curzio Malaparte, die tijdig het fascisme afviel, wijdde hieraan zijn beroemde boek De huid. Uitgerust met houweelstelen en stokken maken de buurtbewoners drie dagen lang jacht op migranten en drugsdealers die ze traditioneel over dezelfde kam scheren. Daarop maakt de politie het karwei af. Uiteindelijk worden ruim drieduizend vreemdelingen opgepakt. Vierhonderdvijftig worden uitgewezen.(30) De Liga teert op dit om zich heen grijpende racisme, evenals op de diepe onvrede over het falen van de staat. De wantoestanden in de gezondheidszorg en het onderwijs, de vriendjespolitiek en werkloosheid zijn allemaal dingen die kwaad bloed zetten.

Bij de verkiezingen op 6 juni 1993 leiden de traditionele partijen een zware nederlaag. De Liga Noord behaalt een sprekend succes en bemachtigt het bestuur over een gewest, drie provincies, zeven provinciehoofdsteden en zevenenzestig andere steden in het noorden. In Milaan vergaart Marco Formentini ruim zevenenvijftig procent van de stemmen. In Midden- en Zuid-Italië gaat de grootste winst naar coalities onder leiding van de PDS. De MSI maakt een goede beurt in Zuid-Italië en verovert zestien burgemeestersposten. De neofascisten zijn volgens een oude traditie weer de proteststem van het Zuiden aan het worden.

De Liga eist nu vervroegde algemene verkiezingen. Bossi spreekt op 26 september 1993 tienduizend aanhangers toe in een hal in het plaatsje Curno bij Bergamo. Hij valt fel uit tegen president Oscar Scalfaro en premier Carlo Azeglio CIAmpi. Die plegen volgens hem iedere dag dat ze nieuwe verkiezingen tegenhouden een staatsgreep.(31) Bossi brengt een reeks chantagemiddelen in het veld. Het is een escalerende trits: belastingstaking in november 1993, volksstemming over een federale staatsinrichting in april 1994 en als er dan nog steeds geen verkiezingen zijn geweest, terugtrekking van de Liga-parlementsleden en vorming van het eerste parlement van de Republiek van het Noorden. De oproep tot fiscale revolte toont aan hoe diep de Liga is geworteld in de mentaliteit en de cultuur van sommige Noorditaliaanse kleine en middelgrote ondernemers, die steeds ontevreden zijn over de belasting die ze moeten betalen aan Rome. De belastingstaking is nog niet aangekondigd of Liga-senator Giuseppe Leoni wordt gedagvaard wegens ‘illegale partijfinanciering’.

Op de hem karakteristieke rauwe manier dreigt Bossi meteen dat de rechter die het waagt zijn partij aan te pakken, driehonderd lire waard is - de prijs van een kogel.

Bossi’s aankondiging valt samen met de nakende faillietverklaring van de Italiaanse staat. Op 28 oktober 1993 is er een nationale staking, omdat de regering van premier Carlo Azeglio CIAmpi de lasten van de crisis onevenredig zwaar afwentelt op de uitkeringsgerechtigden en de loontrekkers. De bonden verzetten zich tegen de loonstop in de overheidssector en de korting op de pensioenen. Al jaren wordt er fors bezuinigd, maar zonder enig positief effect op de tewerkstelling. De werkloosheid is eind 1993 het grootste nationale probleem. Het imf voorziet voor 1994 een groei van de werkloosheid tot 12,7 procent. Het zuiden wordt er het zwaarst door getroffen. In Palermo heeft een kwart van de beroepsbevolking geen werk, drie keer zo veel als in de noordelijke industriesteden. In de regio Campanië huist een derde van het nationale werklozenleger. Voor kostbare reddingsplannen is geen geld. Bovendien roept de Liga Noord moord en brand bij iedere stuiver die naar het ‘parasitaire’ zuiden gaat.

De Liga zet haar lange mars door de instituties onverstoorbaar voort. Op 21 november 1993 en 5 december 1993 wordt voor 428 gemeenteraden gekozen. Voor verder succes is het van het hoogste belang dat Umberto Bossi vanuit het hart van Ligaland, de regio Lombardije, kan doorstoten naar de zee door de verovering van Genua of Venetië. Genua biedt de sleutel tot het van oudsher ‘rode’ gebied rond Firenze en Bologna. De Liga-kandidaat in Genua, Enrico Serra, heeft één belangrijk programmapunt: de sanering van de historische binnenstad. Daarom moeten immigranten hier het veld ruimen. In Venetië stelt Bossi op de valreep Aldo Mariconda, een voormalig manager van Olivetti, kandidaat.

Ook voor de neofascisten is het uur van de waarheid aangebroken.

Partijleider Fini is kandidaat in Rome en Alessandra Mussolini, kleindochter van de fascistische dictator en nicht van Sofia Loren, dingt naar het burgemeesterschap in Napels. Alessandra, een voormalige pin-up, heeft nauwelijks meer te bieden dan haar familienaam. Bij haar intreden in het parlement stond ze erop in het bankje van de Duce te mogen zitten en haar huwelijk vierde ze in het geboortedorp van haar opa op de vierenzestigste verjaardag van de Mars op Rome.

Dat de christen-democratische partij de centrale rol die zij vijfenveertig jaar lang heeft gespeeld zal moeten opgeven, is allang duidelijk. Fini en Alessandra Mussolini vissen in de vijver van de oude dc. Daarom doen ze zich als ‘diepgelovig’ voor. De Napolitaanse kardinaal verleent Mussolini audiëntie. Fini besteedt zijn campagne uit aan een voormalig medestander van Giulio Andreotti, Publio Fiori, die de katholieke bourgeoisie en de Romeinse parochies mobiliseert. ‘Samen voor Rome,’ luidt Fini’s verkiezingsleuze. Als symbool gebruikt hij de MSI-vlam en een tekening van het colosseum. Het herstel van Romes oude luister is een thema dat ook Mussolini na aan het hart lag. Hoewel de Democratische Partij van Links (PDS) het communistische verleden helemaal heeft begraven, hamert Fini in zijn campagne voortdurend op het ‘communistische gevaar’, de oorzaak van alle kwaad: egoïsme, abortus (‘een door de staat gesponsorde moordmethode’), deconfessionalisering van het onderwijs en het vrijgeven van drugs. ‘Beste kiezer,’ besluit Fini zijn pamflet, ‘lever Rome, de bakermat van het christendom, niet uit aan het gewetenloze marxisme, dat in heel de wereld failliet is verklaard.’ De oude prinses Elvina Pallavicini, onbetwiste leidster van de ‘zwarte adel’, valt Fini alvast bij.

De MSI is een partij met vele gezichten. Terwijl Fini zich vlot beweegt in de sjieke Romeinse salons, doorkruist zijn partijgenoot Teodoro Buontempo dagelijks de armenwijken. Buontempo is een fascist in hart en nieren. Formeel typeert Fini de naziskins  als ‘geschoren hoofden, lege hoofden’, doch tegelijkertijd is Teodoro Buontempo hun mentor, liggen er MSI-pamfletten in hun hoofdkwartier en heeft hun oprichter en ideoloog, Maurizio Boccacci, zelfs een baan bij de MSI-vakbond Cisnal. Buontempo organiseert met de skinheads strafacties tegen ‘opdringerige’ migranten, die trachten te overleven met de verkoop van prullaria aan toeristen. Nog maar een aantal jaar geleden was Rome in handen van christen-democraten als Pietro Giubilo en Vittorio Sbardella, allebei vroeger actief in de neofascistische beweging. Zij konden in de verpauperde buitenwijken tienduizenden stemmen regelen. Sbardella en zijn ploeg zijn niet meer presentabel, en MSI-tenoren als Teodoro Buontempo kunnen in de volkswijken vrijwel moeiteloos de stemmenmachine en het netwerk van cliënteel van de oude christen-democratische partij overnemen.

Niet voor niets is Teodoro Buontempo de Romeinse politicus die op 21 november 1993 in de eerste ronde van de gemeenteraadsverkiezingen de meeste voorkeurstemmen krijgt. De stembusuitslagen betekenen een spectaculaire terugkeer van de MSI, die in één klap de grootste partij wordt in Rome (35,6 procent) en Napels (31,1 procent). Een deel van de christen-democratische kiezers is overgelopen naar de neofascistische partij. ‘Vaarwel dc, wij zijn het alternatief geworden voor links,’ zegt Fini. In het noorden komt de Liga als grootste partij uit de stembus in Venetië en Triëst. De Liga eindigt als tweede partij in Genua.(32) Toch ligt er een schaduw over de schitterende resultaten want het wordt moeilijk over twee weken een absolute meerderheid te halen in de tweede ronde en de brede progressieve coalitie (PDS, Groenen, Communistische Herstichting en allerlei lokale progressieve groepen) te verslaan.

Op dat cruciale ogenblik komt de mediamagnaat Silvio Berlusconi te hulp. Op 23 november 1993 verklaart hij: ‘Als ik in Rome zou wonen, zou ik ongetwijfeld in de tweede ronde op Fini stemmen, want hij vertegenwoordigt de gematigde krachten van het Italië dat produceert.’ De grootondernemer zegt dat hij geen vertrouwen heeft in Francesco Rutelli, het Groene parlementslid die namens een progressieve coalitie Fini’s tegenstander is voor het Romeinse burgemeesterschap.

Er gaat een schok door Italië heen. Het weekblad L’Espresso, eigendom van Berlusconi’s rivaal Carlo de Benedetti, de president van het computerbedrijf Olivetti, beeldt Berlusconi op de cover af als een verkapte neofascist. De progressieve media wijzen er ook op dat ‘de zwarte ridder’ zich allang, zij het niet openlijk, ten gunste van de MSI opstelde. Ze herinneren eraan dat de MSI in 1990 de beslissende stemmen leverde voor de wet die de weg effende voor Berlusconi’s heerschappij in de commerciële t.v.-wereld.

Fini ontwikkelt zich nu met een Romeinse snelheid en zin voor mogelijkheden tot bondgenoot van de machtigen. Niet omdat hij zich plotseling de misdadigheid van het fascisme realiseert, maar omdat het hem nu goed uitkomt, verklaart Fini op 25 november 1993 dat ‘het fascisme met Mussolini is gestorven.’ Onmiddellijk stellen conservatieve kranten zoals II Tempo en Berlusconi’s II Gi'ornale dat de MSI goed op weg is een ‘gewone’ rechtse partij te worden. De volgende dag maakt Fini bekend dat de MSI een mantelorganisatie krijgt met de naam Nationale Alliantie (na). ‘Ik ben geen fascist. Ik ben een postfascist,’ zegt Fini op 3 december 1993, terwijl de t.v.-camera’s gretig inzoomen. Het levert Fini veel reclame op vlak voor de beslissende tweede ronde van de gemeenteraadsverkiezingen. Avond na avond is hij prominent aanwezig in een van de vele populaire talkshows op Berlusconi’s commerciële zenders.

In de tweede ronde op 5 december 1993 behaalt de MSI een historisch resultaat. Er is sprake van een politieke aardverschuiving. De MSI behaalt monsterscores in Rome (46,9 procent), Napels (44,4 procent) en Triëst (de door de MSI gesteunde ex-burgemeester Giulio Staffieri komt uit op 47 procent). In deze steden kunnen de progressieve coalities slechts nipte overwinningen boeken. Voorts eindigt de MSI op de eerste plaats in vier provinciehoofdsteden en in heel wat kleinere steden in het zuiden.(33)

De kandidaten van de Liga Noord scoren 40,8 procent in Genua en 44,6 procent in Venetië. Hoewel ze verliezen van hun progressieve rivalen, hebben de Liga-kandidaten daarmee hun kracht getoond. De Liga verovert overigens vele kleinere steden, zodat ze nu in totaal 125 burgemeesters in het noorden telt. Het is overduidelijk geworden dat de oude machthebbers weinig recht van spreken meer hebben.

Forza Italia - Inhoud

Nu progressieve coalities de burgemeesterszetels in zes grote steden nipt wonnen, komt de mogelijkheid van een links kabinet dichterbij. Een deel van de rechterzijde en van de zakenwereld reageert hierop verontrust, te meer omdat bij de vervroegde parlementsverkiezingen onder nieuwe regels zal worden gestemd, met in elk district kandidaten die moeten proberen een meerderheid (maar geen absolute) te krijgen. Dat is voor Silvio Berlusconi een voldoende reden om alarm te slaan.

Berlusconi’s interesse voor de politiek is niet onbaatzuchtig. Zijn grote angst is dat een progressieve coalitie een einde maakt aan zijn dominerende rol in de commerciële t.v.-sector en daarmee begint te zagen aan de belangrijkste poot onder zijn imperium. Zijn Fininvest is qua omzet het derde en qua personeelsbestand (40.000) het tweede concern van Italië. Fininvest controleert 168 bedrijven. Wat voor Mussolini de film was, is voor Berlusconi de t.v. Berlusconi heeft nagenoeg het monopolie over de commerciële televisie met drie nationale kanalen: Canale 5, Italia 1 en Retequattro. Daarnaast bezit Berlusconi het reclamebureau Publitalia, het grootste van Europa en de mega-uitg verij Mondadori, dat het tijdschrift Panorama en het dagblad II Giornale publiceert. Berlusconi is ook voorzitter van de voetbalclub ac Milan. Zo beheerst hij de ideeën, de cultuur, het amusement en de sport. Fininvest zit zwaar in de schuld. Begin december 1993 is de schuld opgelopen tot 3,8 biljoen lire. Berlusconi probeert zich te ontworstelen aan de greep van Enrico Cuccia, de baas van de handelsbank Mediobanca, het financiële machtscentrum in de particuliere sector.

Economisch gezien hebben Berlusconi, Mediobanca en de werkgeversorganisatie Confindustria dezelfde twee prioriteiten: bezuinigingen in de sociale sector om de staatsschuld en het begrotingstekort terug te dringen, en privatisering van de staatsbedrijven. Volgens Berlusconi moeten de Italiaanse ondernemers alles doen om te voorkomen dat een progressieve coalitie aan de macht komt, want dat zou economisch een ‘ramp’ zijn. Ofschoon de PDS de dominerende partij in de progressieve coalitie, haar communistisch verleden allang heeft afgezworen, zwaait Berlusconi met het vermeende ‘rode gevaar’. ‘Ik geloof dat Italië het niet moet zoeken in mensen die geloven in een strakke staatsbemoeienis en met een ideologie die alleen maar ellende en angst en ook dood heeft gezaaid waar zij is toegepast,’ zegt hij. Een groot aantal ondernemers deelt Berlusconi’s bezwaren tegen links, maar velen van hen aarzelen zich achter hem te scharen, omdat Berlusconi vooral voor zijn eigen belang vecht. Berlusconi laat zich niet ontmoedigen. Hij wijst erop dat het land is overgestapt naar een meerderheidsstelsel, waarbij allianties in het voordeel zijn. Als de rechtse partijen niet snel samenwerken, zegt Berlusconi, zal Italië worden bestuurd door een ‘linkse minderheid’. ‘Mijn doel is de leiders van de krachten die de gematigde kiezers vertegenwoordigen, tot actie te dwingen,’ aldus de grootondernemer.

Fini en Bossi reageren gevat op deze roep om actie. Op 11 december 1993, om negen uur ’s ochtends, begeeft Fini zich naar de Ardeatijnse grotten aan de zuidrand van Rome, waar hij buigt voor het monument ter herinnering aan de 335 slachtoffers die door de SS in 1943 werden gefusilleerd. Deze actie betekent geenszins dat Fini de misdaden van het Italiaanse fascisme erkent. De MSI heeft vanaf het begin de mythe verdedigd van het ‘goede fascisme’ tegenover het ‘kwaadaardige nazisme’. Al met al gaat het om een publiciteitsstunt, die de MSI een beetje dichter bij Berlusconi en de politieke macht moet brengen. De titels van het partijblad II Secolo d’Italia liegen er niet om: ‘Daad van verzoening’ en ‘Rechts wil Italië besturen.(34)

De volgende dag, op 12 december 1993, organiseert Umberto Bossi een congres in de noordelijke stad Assago. Hij ruimt resoluut de grootste hinderpaal voor deelneming aan een rechtse alliantie op. Bossi stelt de werkelijkheid van het ene en ondeelbare Italië niet meer ter discussie en legt het partijcongres ‘een voorlopige federale grondwet’ voor, waarvan artikel één luidt: ‘De Italiaanse Unie is een vrije associatie van drie republieken: de Povlakte, Etrurië en het zuiden.’ Opvallend is dat de strijd tegen het ‘neocommunisme’, zoals Bossi de PDS noemt, op het congres meer aandacht krijgt dan het federalisme en de strijd tegen de corruptie.(35)

De MSI is opnieuw aan zet. Op 22 januari 1994 stichten Fini en Dominico Fisichella, hoogleraar politieke wetenschappen en overtuigd monarchist, in het Romeinse hotel Ergife de Nationale Alliantie (na). De mogelijke kandidaten voor een rechtse alliantie zetten de plechtigheid luister bij: Francesco d’Onofrio (leider van het Christen-democratisch Centrum), Antonio Tajani (woordvoerder van Berlusconi), de liberaal Alfredo Biondi en de Liga-afgevaardigde Germontani.(36) Tot het gezelschap horen ook Almirantes vrouw Assunta, het CSU-Europarlementslid Otto von Habsburg en Richard Cazenave, de persoonlijke gezant van Jacques Chirac. Ook achthonderd afgevaardigden, tweehonderdvijftig journalisten en een tiental diplomaten maken er deel van uit.

Heel wat ontredderde christen-democraten, socialisten en andere schipbreukelingen reageren met instemming op het initiatief. Volgens coördinator Adolfo Urso is de belangstelling van politiek daklozen voor de Nationale Alliantie bepaald groot te noemen. Urso kondigt een ledenwerfcampagne aan. Hij streeft naar enkele duizenden ‘kringen’ met elk minstens twintig sympathisanten. Zeker, het plan is zeer ambitieus, maar inmiddels is de grote politieke recycling al begonnen. In hotel Ergife worden de eerste prominente overlopers voorgesteld: Gustavo Selva (journalist en medestander van Giulio Andreotti), Gaetano Rebecchini (zoon van een Dc-burgemeester van Rome in de jaren vijftig), Pietro Armani (gewezen lid van de Republikeinse Partij en ex-ondervoorzitter van het iri, het grootste overheidsbedrijf) en generaal Luigi Ramponi (het gewezen hoofd van de machtige Guardia di Finanza, een soort fiscale recherche).(37)

In een sfeer van zelfvertrouwen buigen drie commissies zich over de kernpunten van het nieuwe programma van de MSI-na: de waarden, de staatshervorming en de economische politiek. Vele conservatieven zullen zich in veel van de ideeën kunnen vinden. De MSI-na verdedigt twee ‘grondwaarden’: de Kerk en het gezin. In feite kopieert commissievoorzitster Adriana Poli Bortone, die ooit samen met de superfascist Giorgio Pisanö de organisatie Fascisme en Vrijheid oprichtte, het hyperconservatisme van paus Johannes Paulus n, zoals dat nog eens overduidelijk blijkt uit zijn elfde encycliek Evangelium Vitae. Bortone kan instemmen met de starre pauselijke ideeën over homoseksualiteit, condooms, kunstmatige bevruchting, celibaat en vrouwelijke priesters. De MSI komt op voor versterking van de politie, strengere bestraffing van drugsdelicten, ondersteuning van het katholieke privé-onderwijs en vergoeding voor de moeder aan de haard. Alles wat met de revolte van 1968 te maken heeft, moet definitief worden geliquideerd: het feminisme, de anti-autoritaire cultuur, het protestlied, participatie, de politieke bewegingen voor burgerrechten.(38)

Ignazio la Russa, vertrouweling van Fini en Berlusconi, presenteert het rapport over de staatshervorming. De MSI promoot een autoritair ‘presidentieel regime’ met ruime bevoegdheden voor een rechtstreeks verkozen president en een systeem van ‘directe democratie’, waarin referenda de invloed van het parlement nog verder uithollen. Dit parlement moet in de visie van de MSI behalve uit politici ook uit vertegenwoordigers van beroepscategorieën en van werknemers- en werkgeversorganisaties bestaan.

Fini’s rechterhand Maurizio Gasparri en professor Gaetano Rasi, lid van de beheerraad van Telecom en een voormalig medestander van Giorgio Pisanö, zijn de auteurs van het rapport ‘economie’. Deze neoliberalen hebben duidelijk het pleit gewonnen van de aanhangers van Pino Rauti die het sociaal gezicht willen accentueren. Het rapport is een krachtig pleidooi voor privatisering en belastingverlaging. De MSI wil slechts enkele strategische staatsbedrijven behouden. Ze besluit de weg van het ‘volkskapitalisme’ in te slaan, waarbij duizenden aandeelhouders gezamenlijk de macht zouden uitoefenen in de genationaliseerde ondernemingen, hetgeen overigens een vrome wens is, vermits privatisering in de praktijk leidt tot een grotere economische machtsconcentratie. De economische crisis en de werkloosheid wil de partij bestrijden met ultraliberale recepten: deregulering van de arbeidsmarkt door de massale invoering van tijdelijke tewerkstelling en part-timewerk en belastingvoordelen voor de bedrijven die werkgelegenheid scheppen. De sociale zekerheid wordt gezien als een sociaal vangnet voor de armen, terwijl de rijken vrij moeten kunnen kiezen voor particuliere pensioenen, en gezondheidszorg. Daar komt nog bij dat de rijken worden verwend met tal van belastingvoordelen: afschaffing van de belasting op de eerste woning, belastingverlaging voor ondernemingswinsten en spaartegoeden.

Het lijkt wel alsof de MSI de werkgevers voor zich moet winnen om in de volgende regering opgenomen te worden. In zekere zin is dat ook zo. Zo kan het gebeuren dat Fini en Giuseppe Tatarella enkele dagen na het congres in hotel Ergife overleg plegen  met Confindustria, de werkgeversorganisatie, die lang met een grote boog om de MSI heen is gelopen. Ze worden ontvangen door een delegatie onder leiding van voorzitter Luigi Abete. II Secolo d’Italia schrijft op jubeltoon dat de grootindustriëlen zich in hoge mate herkennen in het economisch programma van de MSI.(39)

Vanaf nu gaat het snel. Op 24 januari 1994 zegt Silvio Berlusconi in La Stampa: ‘Italië dreigt in handen te vallen van krachten die zichzelf progressief noemen, maar die binnen de kortste keren een neocommunistisch regime zullen scheppen. Samen met alle democratische en liberale krachten wil ik dat plan verijdelen.(40) Twee dagen later doet hij officieel zijn intrede in de politiek als leider van de beweging Forza Italia (FI). In een opgenomen t.v.-toespraak herhaalt hij nog eens zijn diepste motivatie. ‘Links gelooft niet in de markt, het particuliere initiatief, de winst, het individu,’ aldus de t.v.-ondernemer.(41)

Forza Italia sluit probleemloos politieke akkoorden af met de Liga Noord en de MSI, van wie Forza Italia respectievelijk het ideaal van een regionale belastingheffing en van een presidentieel regime overneemt. Daarop volgt een akkoord met het Christen-democratisch Centrum (CCD), de rechtse afsplitsing van de dc. Maar Forza Italia slaagt er niet in om ook de DC zelf, die op 22 januari 1994 is herdoopt in Italiaanse Volkspartij (PPI), te winnen voor de rechtse alliantie ‘Pool van de Vrijheid’.

Een democratische partij is Forza Italia niet. Verscheidene naaste medewerkers van Berlusconi zijn van extreem rechtse komaf. De coördinator van zijn politieke staf Domenico Mennitti was in 1991 zelfs Fini’s tegenstander in de machtsstrijd voor het partij leiderschap. Hij was toen een vurig aanhanger van Pino Rauti. Cesare Previti, al een kwarteeuw Berlusconi’s huisadvocaat, was in zijn jonge jaren actief binnen de neofascistische beweging. Hij is nog steeds graag gezien in deze kringen. Ook Berlusconi’s woorvoerder Antonio Tajani, oud-journalist en monarchist, sympathiseerde vroeger met de MSI.(42)

Typerend voor de ondemocratische werkwijze van Forza Italia is dat de partij niet eens een congres houdt en evenmin een bestuur kiest. De managers van Fininvest runnen de partij als een bedrijf, waarin het woord van Berlusconi wet is. Ze lanceren Forza Italia in de eerste maanden van 1994 in de stijl van een gigantische marketingoperatie. De partij krijgt in Milaan en Rome ruime kantoren van Fininvest toegekend. Angelo Codignoni, de directeur van Berlusconi’s failliet gegane Franse zender La Cinq maakt zijn comeback als algemeen secretaris van Forza Italia. In een recordtijd worden in het hele land circa tweeduizend afdelingen gesticht. Uit deze kiesverenigingen komen ook de parlementskandidaten voort die door Berlusconi’s reclamemaatschappij Publitalia worden geselecteerd en getraind.

Nu de parlementsverkiezingen van 27 maart 1994 naderen, voert de Pool van de Vrijheid haar campagne op. Als mediamagnaat heeft Berlusconi enorme mogelijkheden om de publieke opinie te beïnvloeden. De journalisten die voor zijn bladen en t.v.-journaals werken, kiezen openlijk partij voor de rechtse alliantie. Dag in dag uit herhalen ze dat Berlusconi een ‘tweede Italiaans wonder’ zal verwezenlijken, een miljoen nieuwe arbeidsplaatsen scheppen en zorgen voor algehele privatisering en belastingverlaging. Ze belichten de ‘gematigdheid’ van Fini, die op een verkiezingsbijeenkomst in Bergamo wordt verwelkomd met de leuze: ‘Fini, president!’ Dezelfde groepen jongeren begroetten hem twee jaar geleden nog met ‘Fini de nieuwe Mussolini!’ De media besteden ook uitgebreid aandacht aan Fini’s laatste verkiezingsmeeting, die georganiseerd wordt op de Piazza del Popolo in Rome, de plaats waar Almirante zijn troepen placht toe te spreken.

Op 27 maart 1994 viert de Pool een grote triomf. Ze behaalt een absolute meerderheid in de Kamer met 366 van de 630 zetels. De Liga (8,4 procent), de MSI (13,4 procent, 5.202.398 stemmen) en Forza Italia (21,1 procent) verslaan overtuigend de PDS (20,4 procent), de christen-democratische PPI (11,1 procent) en de socialistische partij (2,2 procent). Het hoogst scoort de MSI in de regio rond Rome (21,2 procent) en in het zuidelijke Puglia (19,8 procent). Forza Italia krijgt veruit de meeste stemmen, maar door het electorale verbond hebben aanhangers van Forza Italia gestemd op kandidaten van de Liga en de MSI. Daardoor krijgen de Liga en de MSI in de Kamer meer zetels dan Berlusconi. De Liga heeft de grootste fractie met 118 Kamerleden, gevolgd door de MSI met 109 en Forza Italia met 101. In de Senaat is de MSI vertegenwoordigd met 48 verkozenen. In het totaal kan de MSI derhalve bogen op 157 parlementsleden.

In het parlement zit de crème de la crème van het Italiaanse neofascisme. Mensen als senator Giuseppe Turini die in het marionettenregime van Salö aan de zijde van Mussolini vocht; Ferdinando Signorelli die met de Duitsers tegen de geallieerden streed op het bruggehoofd Anzio en in Cassino; Teodore Buontempo, de leider van nachtelijke marsen tegen de immigranten en Luigi Ramponi, een gewezen chef van de geheime diensten. Zij krijgen steun van ‘Fini-boys’ die na de tweede wereldoorlog opgroeiden in de gewelddadige jongerenbeweging van de MSI, zoals Nicola Pasetto, advocaat van het neonazistische Nationaal Front van Franco Freda.(43) De spectaculaire zege van de Pool van de Vrijheid veroorzaakt geen serieus debat over het fascisme. Op 1 april 1994 haalt Fini wel de Italiaanse en buitenlandse pers met zijn opmerking dat zijn geestelijke vader, Benito Mussolini, ‘de grootste staatsman van deze eeuw was.(44)

De Tweede Republiek - Inhoud

De zege van de Pool van de Vrijheid luidt een nieuwe periode in. De overwinnaars maken zich op om de staat over te nemen. Carlo Scognamiglio, een oud-bestuurder van Berlusconi’s uitgeverij Mondadori, wordt met de steun van enkele katholieke senatoren tot voorzitter van de Senaat verkozen.

Voor het eerst verliezen de christen-democraten het voorzitterschap van de Kamer. Deze begeerde post valt de eenendertig jarige Irene Pivetti van de Liga Noord ten deel. De columniste van L’Italia heeft een hechte band met de hoofddirecteur Marcello Veneziani. Vlak voor haar benoeming belegde ze met hem nog een afspraak om over haar journalistieke medewerking van gedachten te wisselen. ‘Zij is één van ons,’ jubelt Veneziani met de uitbundigheid die de echte winnaar kenmerkt.(45) De euforie beneemt hem bijna de adem. Veneziani spreekt van een ‘historische gebeurtenis’ en ‘het einde van een smerig regime’.

In een persoonlijk gesprek met L’Italia, dat net voor ‘bevrijdingsdag’ verschijnt, zwaait Irene Pivetti de Franse bisschop Marcel Lefebvre, een sympathisant van Le Pen, veel lof toe. ‘Ik heb een diep respect voor hem,’ zegt Pivetti. ‘De Kerk is hem veel dank verschuldigd. Hij heeft jarenlang als missionaris het evangelie verspreid in Franssprekend Afrika.’(46) Ze spreekt ook openhartig over het fascisme, dat in haar optiek geen nare periode is. ‘Ik ben geen fasciste, maar ik ben intelligent genoeg om toe te geven dat het fascisme heel wat positiefs verwezenlijkte voor het een verbond met Hitler sloot,’ aldus de Kamervoorzitter. ‘Mussolini heeft een sociale wetgeving tot stand gebracht die uniek was. Hij heeft veel meer voor de vrouw en het gezin gedaan dan ooit na de oorlog is gebeurd.’ Irene Pivetti levert daarmee een opmerkelijke bijdrage aan het herschrijven van de geschiedenis. In werkelijkheid was de vrouw onder Mussolini teruggebracht tot een voortplantingsmachine. Ze had geen stemrecht en een lager loon dan de man. Werkende vrouwen die trouwden of zwanger raakten, werden ontslagen. Veel functies waren voor vrouwen verboden. De nationale vrouwenbond werd ontbonden. Na scheiding van tafel en bed - echtscheiding was verboden - was de vrouw verplicht haar man trouw te blijven. Uitgerekend op 25 april 1994, bevrijdingsdag, haalt Irene Pivetti in een interview met Le Monde uit naar het antifascisme, dat al te vaak als alibi voor de misdaden van het verzet zou worden misbruikt.

De repressie in Emilië na de oorlog noemt zij het werk van ‘misdadige elementen’. Daarom buigt zij ‘in een geest van nationale verzoening eerbiedig het hoofd voor alle slachtoffers en doden.(47)

Ontelbare ultrarechtse intellectuelen, die niets willen weten van de antifascistische strijd, kruipen van alle kanten uit de catacomben. Ze krijgen plotseling op t.v. en in kranten als L’Indepedente en in Berlusconi’s II Giornale een nationaal podium om hun ‘gezaghebbende’ opinie over de ‘bevrijding’ te ventileren. Eindeloos herhalen ze hetzelfde: het verzet heeft zich net zo goed schuldig gemaakt aan wandaden, onder de fascistische leiders waren net zo goed helden, beide partijen hebben gevochten voor hun idealen, de doden van beide kampen verdienen evenveel eer en moeten als teken van definitieve verzoening gezamenlijk worden herdacht. Combat-films op de rai stellen het lijk van Mussolini op hetzelfde niveau als de honderden door de Gestapo gefusilleerde partizanen. Commentaar van Giano Accame, ex-directeur van II Secolo d’Italia en oud-strijder van Salö: ‘Alle doden zijn gelijk.’

Ook Berlusconi en Fini pleiten voor ‘nationale verzoening’. Ze wonen op 25 april 1994 een mis bij voor ‘alle doden’ van de tweede wereldoorlog, Fini in de Romeinse basiliek Santa Maria degli Angeli en Berlusconi in de privé-kapel van zijn landgoed in Arcore. Fini presenteert een memorandum van zijn partij waarin wordt voorgesteld de spons te vegen over het verleden. ‘Laten we een bladzijde van de geschiedenis definitief omslaan,’ stelt Fini.

Op hetzelfde ogenblik wordt in Milaan door meer dan tweehonderdduizend mensen, grotendeels jongeren, betoogd tegen de opleving van het fascisme. De Liga Noord moet rekening houden met de sentimenten van een deel van haar achterban die geen goede herinneringen heeft aan de verschrikkingen van de in het noorden gevestigde Republiek van Salö. Vandaar dat een delegatie van de Liga, onder aanvoering van Umberto Bossi en Marco Formentini, wil deelnemen aan de betoging. De delegatie wordt uitgefloten en druipt stilletjes af.

Eenmaal uit de fles gelaten, Iaat de geest van het neofascisme zich niet zomaar terugstoppen. Mirko Tremaglia, een leidend neofascistisch Kamerlid en oud-officier van Salö, stelt voor het verdrag van Osimo (1975) te herzien. Fini’s ‘buitenland-specialist’ wil dat Italië op 27 april 1994 in Brussel zijn veto uitspreekt tegen de associatie van Slovenië met de EU.(48) Hij eist voor Italië het gedeeltelijk Sloveense schiereiland Istrië op, evenals het Kroatische Dalmatië. Istrië herbergt nog dertigduizend Italianen en zij worden volgens Tremaglia ‘gediscrimineerd’, hoewel er anno 1994 scholen zijn waarop het Italiaans de eerste taal is. Ook op dit punt komt Berlusconi met toeschietelijke opmerkingen. Zijn aanstaande regering, verzekert hij, zal in Istrië en Dalmatië ijveren voor ‘gelijkberechtiging’ van de Italiaanse minderheden.

De harde kern van Fini’s achterban houdt zelfs de schijn van postfascistische vernieuwing niet op. L’Italia publiceert een lijst van democraten en linksen die in aanmerking komen voor een beroepsverbod. Op deze lijst staan rechters van Operatie Schone Handen, mafia-bestrijders, theatermakers zoals Giorgio Strehler, journalisten van de rai en linkse historici. Fini wendt al zijn energie aan om de buitenwereld te laten geloven dat de neofascisten veranderd zijn, maar op 27 april 1994 dient zijn partij een wetsvoorstel in, waarin geëist wordt dat de grondwet zo wordt aangepast dat de fascistische partij niet langer in de ban wordt gedaan. De reactie is zo fel dat Fini het voorstel moet terugnemen, met het doorzichtige excuus dat het partijsecretariaat een fout heeft gemaakt. Maar even zo goed blijft het wetsvoorstel van de MSI overeind om de soldaten die gevochten hebben voor Salö te behandelen als oud-strijders en hun dus ook pensioenen uit te keren.

President Oscar Luigi Scalfaro schommelt tussen tegenstrijdige gevoelens. Uiteindelijk belast hij op 28 april 1994 Berlusconi met de vorming van de nieuwe regering, erop vertrouwend dat het komende kabinet trouw zal blijven aan de Europese eenheid en aan de ondeelbaarheid van Italië. Alleen internationale druk kan nu nog baten. Europa is direct betrokken partij, want door de beslissingen van de Raad van Ministers zullen de neofascisten deelnemen aan het Europees wetgevend werk. Het uitspreken van een veto tegen een neofascistische regeringsdeelneming is derhalve het minste dat kan verwacht worden, te meer omdat Europa zich in alle verdragen presenteert als een ‘unie van democratische staten’. Maar de westerse regeerders zien de situatie in Italië gelaten aan. Ze weigeren zelfs maar te dreigen met uitsluiting uit de NAVO en de Europese Unie of met het verbreken van de diplomatieke betrekkingen. Als ze van Berlusconi garanties willen, dan is het niet over het democratische gehalte, maar over de Europese gezindheid van diens regering. Officiële reacties, zoals deze van de Belgische premier Jean-Luc Dehaene, beperken zich tot de vaststelling dat de neofascisten ‘democratisch gekozen’ zijn. Daarmee is de kous af.

Het Europarlement protesteert wel, maar zwakjes, zonder veel vuur of overtuigingskracht. Het neemt op 5 mei 1994 met amper één stem verschil een socialistische motie aan waarin Italië wordt opgeroepen ‘de democratische waarden niet te verloochenen’. De socialistische Europarlementsleden wilden in de motie nog herinneren aan ‘de gruwelen van fascisme en nazisme’ maar die toevoeging werd geschrapt. De voorzitter van het Europarlement, de Duitse christen-democraat Egon Klepsch, reageert ronduit negatief: ‘Had ik de tekst van de resolutie van tevoren gekend, dan had ik niet toegestaan dat erover gestemd werd.’ Want, weet Klepsch, we mogen niet de indruk wekken dat we ons met de Italiaanse binnenlandse aangelegenheden bemoeien.

De MSI toont zich de gematigdheid zelve. Gustavo Selva, een voormalig Europarlementslid voor de christen-democratische dc, beweert met de hand op het hart dat Fini ‘het tegendeel’ van een fascist is en dat de MSI voorstander is van de NAVO, de VN en het Verdrag van Maastricht, het sociale Europa inbegrepen. ‘Wij zitten inzake Europa op dezelfde lijn als de gaullisten,’ verzekert Gustavo Selva.

Dan komt het verlossende moment. Op 10 mei 1994 presenteert Berlusconi zijn kabinet aan de president. De drieënvijftigste naoorlogse regering telt acht ministers van Forza Italia. Van de zo geroemde scheiding van politieke en economische macht blijft niet veel overeind. Een deel van de financiële en industriële elite neemt de staat in bezit. De verwarring tussen Fininvest en de staat is bijna totaal. De premier benoemt zijn rechterhand Gianni Letta tot zijn staatssecretaris. De bevriende journalist Giuliano Ferrara, ex-PSI-parlementslid en grote verdediger van Bettino Craxi, wordt verantwoordelijk voor de contacten met het parlement. Berlusconi’s huisadvocaat en MSI-adept, Cesare Previti, komt op Defensie. Minister van Justitie wordt Alffedo Biondi, een bekeerde liberaal, die weinig op heeft met de rechters van Operatie Schone Handen. Het belangrijke kabinet van Financiën komt in handen van Giulio Tremonti, een overgelopen christen-democraat, docent aan de universiteit van Padua, fervent voorstander van belastingverlaging en een van de rijkste belastingexperts van het land. De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Antonio Martino, was lid van de geheime loge P2 en consulent van Fininvest. Deze bewonderaar van Milton Friedman, profeet van het ultraliberalisme, was van 1988 tot 1990 ook voorzitter van de Mont Pèlerin Society, een Zwitserse club van bankiers, economen en politici, in 1947 gesticht door de conservatieve economen Friedrich von Hayek en Waker Eucken, ex-adviseur van Hitler. De Society heeft sterk gelobbied tegen het Verdrag van Maastricht.

Bij de verdeling van de kabinetsposten dient Berlusconi een groot stuk van de taart aan zijn bondgenoten te geven. De Liga Noord krijgt vijf ministers en tien onderministers. Ondanks het verzet van de president krijgt Roberto Maroni, advocaat en nummer twee van de Liga, het gevoelige departement van Binnenlandse Zaken, dat bevoegd is voor politie- en veiligheidsdiensten. Maroni wint de slag om deze post van de bejaarde ideoloog, senator Gianfranco Miglio, die met Bossi breekt. Het Liga-lid Giancarlo Pagliarini, professor aan de universiteit van Parma en voorstander van privatisering van de hele openbare sector, wordt minister van Begrotingszaken. De voorzitter van de Liga Noord, Franco Rocchetta, een man met een extreem rechts verleden en een pleitbezorger van het Europa van de etnische regio’s, wordt onderminister van Buitenlandse Zaken. De onderminister van Justitie, de advocaat Mario Borghezio, een medewerker van het neofascistische blad L’Italia, is zelf ooit vervolgd wegens mishandeling van een Marokkaanse straatverkoper.

De neofascistische component van Berlusconi’s nieuwe regering speelt zeker geen ondergeschikte rol. De MSI krijgt vijf ministers, twaalf onderministers en haalt ook het vice-premierschap binnen. Voorts krijgt de MSI het vice-voorzitterschap van beide kamers van het parlement en het voorzitterschap van verschillende parlementscommissies. Giuseppe Tatarella, een van de breinen achter de Nationale Alliantie, is vice-premier en minister van Posterijen, waardoor hij de scepter zwaait over de rai. Deze advocaat uit het zuidelijke Puglia is een leerling van Mussolini’s minister van Openbare Werken Arnaldo di Crollalanza, een exponent van wat Tartarella het ‘goede fascisme’ noemt. Crollalanza is de man die de jaarbeurs, het station, de universiteit, de markthallen en een groot aantal andere monumenten en openbare werken in Bari heeft gebouwd. Een ander MSI-kopstuk uit het zuiden, Adriana Poli Bortone, beheert Landbouw en is een van de vier ondervoorzitters van het parlement. De nieuwe minister van Milieu, Altiero Matteolo, bestrijdt alles wat zich groen noemt en is een voorstander van kernenergie. Het ministerie van Cultuur valt ten deel aan Domenico Fisichella, de ideoloog van de Nationale Alliantie en vurig monarchist. Publio Fiori, een voormalig christen-democraat, leidt het departement van Verkeer.

Onder de MSI-bewindslieden heeft niet iedereen een onbesproken verleden. Guido Lo Porto, de nieuwe onderminister van Defensie, is een vertegenwoordiger van de Siciliaanse MSI. Hij werd verkozen met de hulp van de mafia.(49) Lo Porto werd ooit opgepakt met een illegale lading wapens en beschuldigd van terrorisme. De monarchistische neofascist, Vincenzo Trantino, eveneens uit Sicilië, is de tweede man op Buitenlandse Zaken. Deze advocaat van topmafiosi is de geestelijke vader van een wetsvoorstel om de fascistische partij te legaliseren. Maurizio Gasparri, rechterhand van Fini en voormalig MSI-jeugdleider, is onderminister van Binnenlandse Zaken, verantwoordelijk voor de Italiaanse politie. Filippo Berselli, een voormalig geloofsgenoot van de fascistische scherpslijper Giorgio Pisanó, is tweede man op Financiën. Giulio Maceratini, een oudgediende van Ordine Nuovo en volksvertegenwoordiger voor Rome sinds 1983, leidt de MSI-fractie in de Senaat.

Alleen Mirko Tremaglia valt buiten de prijzen. Deze oud-officier van Mussolini’s Republiek van Salö heeft een lange staat van dienst. Hij richtte in 1968 het ctim op, een MSI-vereniging die eenendertigduizend uitgeweken Italianen in tweeëntwintig verschillende landen groepeert. Hij heeft zich onverdroten ingezet voor stemrecht voor deze geëmigreerde Italianen en voor de inlijving van Istrië en Dalmatië. Terwille van zijn democratische geloofwaardigheid moet Berlusconi, na een veto van president Oscar Luigi Scalfaro, Tremaglia uit zijn kabinet laten. Fini tekent daarop in het partijblad hoogst persoonlijk protest aan tegen dit ‘groot onrecht’.(50) Kort daarop wordt Tremaglia gekozen tot voorzitter van de Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken.

Berlusconi’s regering wordt geflankeerd door een opdringerige neofascistische beweging en pers in binnen- en buitenland. Fini zegt dat hij afstand heeft genomen van Le Pen, maar die niet van hem. Le Pen beaamt Fini’s woorden dat Italië door de regeringsdeelneming van de MSI eindelijk een ‘waarachtige democratie’ is geworden.(51) ‘Pas nu is het naoorlogse tijdperk afgesloten. We moeten niet langer redetwisten over het pijnlijke verleden maar resoluut naar de toekomst kijken,’ betoogt hij. De revisionistische historicus Ernst Nolte prijst Mussolini in L’Espresso als ‘het boeiendste personage van deze eeuw’ en meent dat Fini kan slagen waar de Duce faalde door het ‘niet-totalitaire, grondwettelijke fascisme van Mussolini’s beginperiode’ te realiseren.(52)

In eigen land menen heel wat representanten van de rechterzijde en van de oude christen-democratische partij dat de aanwezigheid van de MSI in het kabinet geen bedreiging is voor de democratie. De regering-Berlusconi krijgt in het parlement de steun van ex-president Francesco Cossiga en van Gianni Agnelli, baas van Fiat en ‘onderkoning’ van Italië.

Een conservatieve revolutie - Inhoud

Fini portretteert de MSI als een moderne rechtse stroming die veel weg heeft van het Franse neogaullisme. Maar het is gemakkelijk de partij een ander etiket te geven en intussen haar denktrant te behouden. Op 18 mei 1994 wordt Giorgio Almirante gehuldigd in het Romeinse paleis Brancaccio. Meer dan vierhonderd mensen zitten aan het diner aan, waarvoor ze elk honderdduizend lire hebben neergeteld. Alle MSI-kopstukken zijn present. Fini, Maurizio Gasparri, Alessandra Mussolini, Teodoro Buontempo, de filmregisseur Pasquale Squitieri (Claudia Cardinale’s levensgezel), en de ‘zwarte weduwe’ Donna Assunta. Fini koketteert met Almirante. In een toespraak van een halfuur verdedigt hij de politiek van de Nationale Alliantie. Hij zegt dat Almirante in zijn plaats hetzelfde zou hebben gedaan. ‘Ik ben de echte voortzetter van zijn politiek,’ aldus Fini. ‘Almirante was de grondlegger van Nationaal Rechts. Hij streed tegen de particratie en voor de Tweede Republiek. Maar Almirante wist dat de tijd nog niet rijp was. Hij zaaide en wij oogsten.’ Fini trekt scherp van leer tegen diegenen die hem aanraden afstand te nemen van de stichter van de MSI. Hij noemt hen ‘dwergjes, ezels die naar de maan balken’. Tot besluit van de plechtigheid leest de bekende filmacteur Giorgio Albertazzi het politieke testament van Almirante voor.(53)

Zelfs Berlusconi doet zijn best om te bewijzen dat het neo-fascisme de enige stevig gewortelde politieke cultuur in de rechtse coalitie is. Tn zijn beginjaren heeft Mussolini positieve dingen gedaan,’ aldus de Cavaliere op 25 mei 1994. Een week later, tijdens het bezoek van de Amerikaanse president, verzekert Berlusconi zijn hoge gast dat het fascisme dood is en dat al zijn ministers de democratische idealen zijn toegedaan. De lezers van Fiat-krant La Stampa krijgen enkele dagen later een interview met Fini onder hun neus met uitspraken als: ‘Het fascisme was goed tot 1938’ en ‘Vrijheid en democratie heb ik ontdekt binnen de MSI.’ Ze staan in een bijna paginagroot vraaggesprek op 3 juni 1994, de dag dat Italië de ontscheping van de geallieerden in Anzio herdenkt. Een bijzonder ironisch gevoel voor timing en geschiedenis. Fini is duidelijker dan ooit. Hij verdedigt zijn neofascistische verleden. Waarom heeft hij zo lang de fascistengroet gebracht en zich op Mussolini beroepen? Omdat, zegt hij, de communistische knokploegen misbruik maakten van de vrijheid om de MSI-jeugd met geweld het antifascisme in te hameren. ‘Wij hebben ons fascisten verklaard uit liefde voor de vrijheid,’ aldus Fini. Is hij dan fascist geworden, omdat hij het slachtoffer was van de communisten? Niets daarvan, de MSI heeft een nuttige rol gespeeld, omdat ze lange tijd als enige ‘de demonisering van een deel van onze geschiedenis’ heeft bestreden. Als Fini zich nu niet meer fascistisch noemt, dan is dat niet omdat hij spijt heeft van het verleden, maar omdat het communisme niet meer bestaat. Er valt dus niets af te zweren. Het fascisme is volgens Fini positief tot het moment waarop de Duce in 1938 een pact met Hitler sloot. Maar had Mussolini toen niet aan alle vrijheden een eind gemaakt? Kan zijn, antwoordt Fini, maar de sociale vooruitgang is enorm geweest en er zijn historische fases waarin de vrijheid ‘niet tot de belangrijkste waarden behoort.’ En hij eindigt dubieus: ‘Zeker, de Amerikanen hebben met hun landingen in Europa ons de vrijheid teruggeven. Maar dat was ook het begin van het verlies van onze Europese identiteit.(54)

Het minder ‘postfascistische’ deel van Fini’s aanhang zegt het ondubbelzinniger: D-day was het begin van onze onderwerping. Bij een herdenking van de gevallenen in Rome laten de oud-strijders van Salö daarover geen misverstand bestaan. Deze harde kern, onder aanvoering van Pino Rauti, waakt zorgvuldig over de ‘fascistische identiteit’ van de partij. Uit dat oogpunt is Rauti’s kritiek op het liberalisme en op Berlusconi goed te begrijpen. ‘In 1972 zijn we beland in de salons van de conservatieven en nu in die van Berlusconi,’ verklaart Rauti op 8 juni 1994 in L’Italia. En hij besluit pathetisch: ‘Door toedoen van de alliantie met Berlusconi dreigt de MSI te verworden tot een indianenreservaat.’(55) Pino Rauti heeft nog heel wat krediet bij de MSI-vakbond, die niet vies is van enige antikapitalistische en anti-Amerikaanse demagogie. Het blad van de Cisnal, Pagine Libere, staat trouwens sterk onder invloed van Nieuw Rechts. Het nummer van juni 1994 stelt de belangrijkste geestelijke leidsmannen voor. Er is een interview met Ernst Nolte, de beruchte Duitse revisionistische historicus, en met Alain de Benoist, de architect van Nieuw Rechts. Verder een lovend artikel over de fascistische filosoof Giovanni Gentile en de nazi-jurist Carl Schmitt.(56)

In de partij daarentegen kan Rauti op steeds minder bijval rekenen. Zelfs zijn vurigste medestanders van gisteren staan vandaag achter Fini. ‘De Nationale Alliantie verloochent haar wortels en haar identiteit niet,’ zegt Giulio Maceratini, MSI-fractievoorzitter in de Senaat en een voormalig Rauti-aanhanger. Ook Giuseppe Scopelliti, nationaal voorzitter van het Jeugdfront is voor de Nationale Alliantie gewonnen, al onderstreept hij: ‘Ook voor afwijkende geluiden moet er plaats zijn.’(57) Scopelliti spreekt de taal die Fini wil horen. Fini stoot de harde fascistische kern niet af en naast leden van het Jeugdfront zoals Scopelliti plaatst hij ook radicalen op de lijst voor de Europese verkiezingen. Onder hen types als Pino Rauti, ex-terrorist Massimo Abbatangelo en Piero Buscaroli. ‘Laten wij de homo’s bij hun naam noemen: mietjes en flikkers. Ze zouden naar een concentratiekamp moeten worden gestuurd,’ sneert Buscaroli tijdens de verkiezingscampagne. En hij staat niet alleen met deze visie. Het partijblad II Secolo d’Italia citeert de paus en stukken uit de bijbel en het Romeins recht om aan te tonen dat Buscaroli het grootste gelijk van de wereld heeft. ‘Als de homoseksualiteit verheven wordt tot een recht,’ schrijft de MSI-krant, ‘kunnen ook verkrachting, incest en geslachtsgemeenschap met dieren als rechten worden beschouwd.(58)

De Europese verkiezingscampagne van zowel de MSI-na, als van Forza Italia draait hoofdzakelijk rond het thema van het herstel van de macht en het prestige van de natie. Het ‘nieuwe’ Italië moet kunnen meebeslissen in de wereld en een zetel krijgen in de vergrote Veiligheidsraad. Pino Rauti zegt het op zijn manier: ‘Wij gaan niet naar Straatsburg om handen te schudden, maar om ze af te hakken. Dat zal degenen overkomen die willen dat Italië een mogendheid van de tweede rang blijft. Het Europese antifascisme is geen antifascisme, maar angst dat Italië een hogere status krijgt.’

De Europese verkiezingen worden op 12 juni 1994 gehouden volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Iedere partij doet mee in haar eentje. Daardoor wordt ieders sterkte of zwakte duidelijk. De verkiezingen draaien uit op een triomf voor Forza Italia (30,6 procent, zevenentwintig zetels). De MSI-NA (12,5 procent, elf zetels) en de Liga Noord (6,6 procent) maken ook een sprong voorwaarts. In Rome is de MSI-NA de grootste formatie en Fini is qua voorkeurstemmen veruit de populairste politicus in het zuiden.(59)

In zijn boek De conservatieve revolutie in Italië schrijft Marcello Veneziani, de hoofdredacteur van L’Italia, dat de rechtse stembusoverwinning vooral een culturele en morele reactie uitdrukt. Hij spreekt van een ‘mei 1968’ van rechts. De feiten spreken zijn bewering alvast niet tegen. Behalve de aanwezigheid van neofascisten in de regering is ook Berlusconi’s belangenverstrengeling een acuut probleem. Zijn entourage lanceert een frontale aanval op de staatsomroep, daarin gesteund door de MSI, wier minister Giuseppe Tatarella bevoegd is voor de rai. De pas gekozen vice-voorzitter van de parlementaire commissie van toezicht op de rai, Francesco Storace, opent het vuur. Storace is woordvoerder van Fini sinds 1991. Hij sympathiseert met Luigi Federzoni, Mussolini’s minister van Binnenlandse Zaken, die in 1926 de linkse politieke partijen verbood en de persvrijheid ophief.(60) Storace is een voorstander van de grote schoonmaak. Hij wil alle ‘nietsnutten en leugenaars’ uit de rai gooien. ‘We willen een openbare analyse van de zwijnerijen van dit bedrijf maken,’ zegt Storace. Commissievoorzitter Marco Taradash, tevens vice-fractievoor-zitter van Forza Italia in de Kamer, vraagt een proces tegen het RAi-bestuur. Hij wil de rai verbieden reclamespots uit te zenden. De adverteerders zouden dan moeten uitwijken naar de commerciële t.v., hetgeen voor de zenders van Berlusconi een jaarlijks cadeautje van een kleine vijfendertig miljard frank zou betekenen.

Op 30 juni 1994 treden de raad van bestuur en de directeur-generaal van de rai af na nieuwe aanvallen van de regering-Berlusconi. Dank zij pressie op beide Kamervoorzitters benoemen die een nieuw bestuur dat in meerderheid Berlusconi en zijn ultrarechtse bondgenoot Fini is toegedaan.

Zo is het bestuurslid Mauro Miccio, een voormalig medewerker van de werkgeversorganisatie Confindustria, een sympathisant van de MSI-na. Letizia Moratti, een beschermelinge van Berlusconi, wordt op 12 juli 1994 benoemd tot nieuwe RAi-voorzitter. Ze neemt de ‘zuivering’ voortvarend ter hand. Alle kritische chefs worden weggestuurd of weggepromoveerd. De nieuwe hoofdredacteuren, directeuren en afdelingshoofden zijn voornamelijk oude bekenden van Fininvest of van de MSI. Bruno Vespa, een vroegere hoofdredacteur van het journaal van RAI-1, is op de zegekar van de MSI-na gesprongen. De restauratie bij de rai wordt afgerond met het aantreden van ultrarechtse journalisten op leidinggevende posten: Massimo Magliaro (ooit perschef van Almirante), Bruno Socillo (ex-MSI) en Innocenzo Cruciani (een vroegere medewerker van II Secolo d’Italia).

De Liga Noord valt bijna geheel buiten de prijzen. Umberto Bossi protesteert dat Berlusconi de mediamacht wil overnemen, maar valt stil als zijn partij alsnog een zender wordt beloofd. Bossi maakt duidelijk dat Fini gelijk heeft: de Liga protesteert niet uit principe, maar alleen omdat ze zelf bij de verdeling van de buit is overgeslagen. Berlusconi en Fini zinnen duidelijk op middelen om hun steeds kritischer wordende coalitiepartner Bossi te verzwakken. Een poging om in de Liga een rebellie tegen Bossi uit te lokken via partijvoorzitter en onderminister van Buitenlandse Zaken Franco Rocchetta mislukt. Rocchetta, een figuur met een extreem rechts verleden, wordt door Bossi direct uit de partij gezet.

Berlusconi’s belangenverstrengeling leidt ook tot een ernstig conflict met de rechters die de onderzoeken leiden naar de meer dan drieduizend politici en zakenmensen die van corruptie beschuldigd zijn. De justitie is nu bij Fininvest zelf aanbeland. De onderzoeksrechters staan op het punt arrestatiebevelen uit te vaardigen tegen Berlusconi’s jongere broer Paolo en twee topmanagers van Fininvest wanneer de minister van Justitie, Alfredo Biondi, op 13 juli 1994 een decreet in de ministerraad doordrukt, waarin de regering haastig bepaalt dat corruptie en omkoperij geen ernstige delicten zijn, zodat verdachten niet meer in voorarrest hoeven. Onmiddellijk mogen enkele honderden verdachten hun voorarrest verwisselen voor huisarrest of de vrijheid. Maar de Liga en de MSI schrikken van de boze reacties en verplichten Berlusconi het omstreden decreet in te trekken.

Het decreet-Biondi is een klein staaltje van de autoritaire regeringsstijl van de nieuwe leiders. Opposanten worden meteen van komplotten verdacht. Vice-premier Giuseppe Tatarella (MSI) maakt op 15 augustus 1994 in een interview met La Stampa gewag van ‘onzichtbare, sterke machten’, die tegen de regering samenzweren. De neofascisten laten dan ook geen gelegenheid voorbijgaan om het land te ‘verschonen’ van lastige tegenstanders. Zo ontketent het MSI-parlementslid Nicola Pasetto, die onder meer naam maakte als advocaat van neonazi’s, een succesvol offensief om de praeses van de voetbalbond en de voorzitter van het Italiaans Olympisch Comité tot aftreden te dwingen. De MSI heeft veel belangstelling voor de sport. Dat zal niemand verbazen, want iedereen herinnert zich nog hoe het bewind-Mussolini de sport koesterde. Het komt de MSI goed uit dat Franco Servello, ondervoorzitter van de MSI ten tijde van Almirante, tot staatssecretaris van Sportzaken benoemd wordt.

Ook de Kerk ontsnapt niet aan de interesse van de MSI. Over het algemeen heeft de partij goede relaties met de bisschoppen. Wel ligt ze overhoop met de bisschop van Milaan, Carlo Martini, die openlijk afstand neemt van de neofascisten. Maar Martini is een progressief buitenbeentje in een Kerk waarin de paus zich heeft omringd met ultraconservatieve bisschoppen zoals kardinaal Angelo Sodano. Deze minister van Buitenlandse Zaken van het Vaticaan ontvangt Fini door bemiddeling van de integristische kardinaal Silvio Oddi. Volgens Oddi heeft de MSI haar fascistische verleden begraven.(61) De MSI juicht deze uitspraak toe, want het stelt haar in de gelegenheid de banden aan te halen met Gemeenschap en Bevrijding, een machtige rechts-katholieke organisatie, waarvan Giulio Andreotti jarenlang het boegbeeld was.(62) Haar ideoloog, de filosoof Rocco Buttiglione, is voorzitter van de Italiaanse Volkspartij (PPI), de opvolger van de DC. Deze adviseur van de paus wil tot grote ergernis van progressieve katholieken de PPI uitleveren aan Berlusconi en Fini.

Rocco Buttiglione is zeer klerikaal, maar hij wordt nog overtroefd door Kamervoorzitter Irene Pivetti van de Liga Noord. Op 27 augustus 1994 sluit Pivetti in Rimini het jaarlijkse festival van Gemeenschap en Bevrijding. Op het festival wemelt het van stands met propagandamateriaal over Jeanne d’Arc, de kruistochten en de martelaren van de Vendée, zeg maar de tegenstanders van de Franse revolutie. Toegejuicht door tienduizend jongeren lanceert Pivetti een religieus-politiek manifest, waarin ze oproept tot een ‘kruistocht om Gods wetten te laten zegevieren.’(63) Ze veegt de vloer aan met de oude christen-democratische partij, die ze verantwoordelijk stelt voor ‘de ontkerstening van de maatschappij’ en de legalisering van abortus. Irene Pivetti zou het liefst de leiding van de staat aan het Vaticaan toevertrouwen. Daarvoor wil ze op lange termijn een ‘partij van de paus’ tot stand brengen, die de politiek versnipperde katholieken zou moeten herenigen.(64) Voor een dergelijke nieuwe katholieke partij, een hersenspinsel van de ideoloog van Nieuw Rechts Marcello Veneziani, is het echter nog te vroeg. Pivetti krijgt wel applaus van Andriana Poli Bortone. Deze MSI-minister ijvert ook voor de afschaffing van de abortuswet.

De bestseller van Johannes Paulus II Over de drempel van de hoop wordt wereldwijd verspreid door Leonardo Mondadori, een sympathisant van Opus Dei. Mondadori is directeur van de gelijknamige uitgeverij die door Berlusconi in 1991 werd gekocht na een machtsstrijd met Carlo de Benedetti. Op 19 oktober 1994 wordt het boek met veel heisa aan het publiek voorgesteld in een live televisie-uitzending. Joaquin Navarro Valls, lid van Opus Dei en tevens woordvoerder van de paus, heeft de t.v.-show opgezet. De eregasten vormen een mooi stel: de ultraconservatieve kardinaal Josef Ratzinger, voorzitter van de congregatie voor de geloofsdoctrine, Irene Pivetti en Veronica Berlusconi. De goed uitziende tweede vrouw van de president, die haar man aan de haak sloeg nadat ze topless optrad in een van zijn t.v.-shows, prijst vol enthousiasme de pauselijke deugden. Of dit wel te rijmen valt met het spektakel van halfnaakte vrouwen en gewaagde stunts dat het mediabedrijf van haar echtgenoot dag in dag uit op de Italiaanse gelovigen loslaat, wordt niet gevraagd. Ook niet door Irene Pivetti. Pivetti verrast het publiek met de mededeling dat ze niets moet hebben van de nieuwe catechismus. Ze hecht eerder belang aan die van Pius X.(65)

Het is niet makkelijk, maar Irene Pivetti slaagt erin de paus geregeld rechts voorbij te steken. Identità, het blad van Pivetti, is het Mekka van fundamentalistische moralisten. Identità van oktober 1994 is daarvan een goed voorbeeld. Het looft de encyclieken van Pius xi en gaat tekeer tegen het Tweede Vaticaans Concilie. De kruistochten waren zegerijke beschavingsmissies, de inquisitie was niet een despotische kerkelijke rechtbank, maar een instantie die met milde methodes het volk voor dwalingen behoedde. ‘Het echte slachtoffer is de inquisitie zelf. De aanklachten tegen deze rechtbanken zijn toe te schrijven aan onwetendheid,’ titelt het blad. De voorstanders van het vrouwelijk priesterschap worden genadeloos afgemaakt en de contrarevolutionaire ‘martelaren’ van de Vendée worden de hemel ingeprezen.

In de maanden augustus en september 1994 timmert de regering-Berlusconi aan de begroting 1995 tegen de achtergrond van een ernstige monetaire crisis, waarbij de Centrale Bank alweer de rente moet verhogen. Tot nu toe heeft de regering tevergeefs de werkloosheid proberen te drukken door belastingvoordelen toe te kennen aan bedrijven die werkloze jongeren aannemen. Maar nu komt de regering met zwaarder geschut. Om de enorme staatsschuld in te dijken, waar het volk part noch deel aan heeft en die opgebouwd is door corrupte bestuurders, wil Berlusconi hoofdzakelijk in de sociale sector besparen door de persoonlijke bijdrage van de patiënt en de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen. Terwijl Berlusconi de wettelijke pensioenen wil aantasten, maakt zijn verzekeringsmaatschappij reclame voor aanvullende particuliere pensioenverzekeringen. De vakbonden eisen de verwijdering van de pensioenkwestie uit de begroting. De top van het Italiaanse grootkapitaal nodigt daarop Berlusconi uit op een diner in het Romeinse paleis van de Fiat-president. Giovanni Agnelli (Fiat), Carlo de Benedetti (Olivetti) en Luigi Abete (Confindustria) bezweren Berlusconi niet toe te geven aan de bonden. Op 14 oktober 1994 betogen zo’n drie miljoen Italiaanse werknemers. Het is de grootste algemene staking sinds vele jaren.

De neofascistische vakbond Cisnal doet niet mee. Die organiseert op dezelfde dag in Rome zijn negende congres onder het motto: ‘Solidariteit en participatie. Strijd voor een nieuwe maatschappij.’ Het congres valt samen met de herdenking van het veertigjarig bestaan van de Cisnal.(66) Zijn secretaris-generaal, Mauro Nobilia, belicht de groei van de organisatie. Deze telt zo’n zeshonderd ondernemingsafgevaardigden en meer dan twee miljoen leden. De Cisnal is aanwezig in alle provincies en in de belangrijkste nijverheidssectoren, in het bijzonder metaal, chemie, banken en overheid. De vakbond heeft zich de afgelopen jaren vooral ingezet voor het herstel van het vroegere indexsysteem en de herziening van de wet op de vakbondsvertegenwoordiging. De Cisnal heeft immers altijd één historisch doel gehad: de macht en het ‘monopolie’ van de drie traditionele vakbonden breken.

Onder de regering-Berlusconi mag de Cisnal voor het eerst officieel aan het sociaal overleg deelnemen. Sinds kort is de Cisnal toegetreden tot de isa, de overkoepelende organisatie van autonome vakbonden, die naar eigen zeggen meer dan zes miljoen werknemers vertegenwoordigt.(67) Mauro Nobilia noemt de regering-Berlusconi een ‘kwalitatieve vooruitgang’ en brandmerkt de algemene staking van de drie traditionele vakbonden als ‘zuiver politiek geïnspireerd’. Nobilia beweert dat sociale conflicten voortkomen uit egoïsme. Hij pleit voor belastingverlaging voor de ondernemers om de werkgelegenheid te bevorderen en voor ‘solidariteit over alle klassengrenzen heen’. De Cisnal gaat prat op zijn onafhankelijkheid, maar op het congres is daarvan weinig te merken. Assunta Almirante is de eregaste en de congresleden worden toegesproken door de MSI-fractievoorzitters van Kamer en Senaat, evenals door de MSI-econoom Gaetano Rasi.(68)

In november 1994 publiceert Francesco Speroni, minister van Staatshervormingen, een artikel in Identitd onder de kop ‘Dichter bij Zwitserland’. De Liga-minister benadrukt dat het noorden meer verwant is met Zwitserland dan met Zuid-Italië. Hij wil de Senaat omvormen tot een vergadering van de gewesten met in totaal een zestigtal leden. De regio’s zouden een grote autonomie krijgen op cultureel en fiscaal gebied. De politie moet op de leest van de Zwitserse kantonale politie worden geschoeid. Speroni verklaart zich voorstander van de rechtstreekse verkiezing van de premier en de president.(69) Bij de Liga ontstaat langzamerhand grote wrevel over het gebrek aan animo bij haar regeringspartners voor het federalisme, het belangrijkste programmapunt waarmee de Liga Forza Italia beconcurreert. Umberto Bossi probeert wanhopig uit zijn ondergeschikte rol in de rechtse alliantie te kruipen. Hij is de tikkende bom onder het kabinet. ‘We zijn bondgenoten, geen lakeien,’ zegt Bossi. Bossi gaat op 21 november 1994 alleen de tussentijdse lokale verkiezingen in, zonder zijn rechtse coalitiepartners Forza Italia, MSI en de rechtse ex-christen-democraten van CCD. Toch houdt de Liga tamelijk goed stand.

Bossi’s kritiek drijft Forza Italia nog inniger in de armen van de MSI. Het zwaartepunt in Berlusconi’s partij schuift steeds verder op naar rechts. De minister van Defensie, Cesare Previti, wordt benoemd tot coördinator van Forza Italia, waarvan hij de neofascistisch gezinde vleugel leidt. Previti legt de politiek van samenwerking met de MSI van bovenaf op en mijdt daarover een debat.

Een half jaar na zijn glorieus aantreden verkeert Berlusconi op alle fronten in problemen. Op 22 november 1994 ontvangt hij een formele kennisgeving dat een onderzoek tegen hem is begonnen op verdenking van corruptie. De campagne tegen de onderzoeksrechters van Operatie Schone Handen wordt nu nog agressiever. De grootste geweldenaar is de kunstcriticus en dictatoriale voorzitter van de Kamercommissie van Cultuur Vittorio Sgarbi. Deze begenadigde vuilspuiter heeft een column met de toepasselijke titel ‘Open en bloot’ in het neofascistische blad L’Italia. Sgarbi maakt op Berlusconi’s t.v. de magistraten uit voor moordenaars en vraagt zelfs om hun arrestatie.

Berlusconi zakt pijlsnel in de gunst van de andere topondernemers, en met hem de lire - vernederend voor een ondernemer-politicus die doet alsof het economisch beleid zijn sterke kant is. Het nieuwe Italiaanse wonder is ver af. Het aantal werklozen is het afgelopen jaar toegenomen met bijna een half miljoen. De werkgeversorganisatie Confindustria waarschuwt dat de politieke en juridische strubbelingen een bedreiging vormen voor de economie. Iedere crisis leidt tot een koersdaling van de munt. De economische elite wil politieke stabiliteit en een drastische sanering van de overheidsfinanciën. Minister Lamberto Dini, aanvoerder van de harde lijn, wil een botsing met de arbeiderswereld riskeren om de bezuinigingen op de pensioenen en de gezondheidszorg door te drukken.

Om een nieuwe algemene staking op 2 december 1994 te voorkomen, sluit Berlusconi echter op de valreep een akkoord met de bonden waardoor de pensioenhervorming uit de begroting wordt gelicht. De grote ondernemers Gianni Agnelli en Carlo de Benedetti zijn teleurgesteld. De zaken gaan nu snel. Op 12 december 1994 bereikt de lire een nieuw dieptepunt. De Liga Noord schaart zich openlijk aan de kant van de oppositie en dient op 19 december 1994 een motie van wantrouwen in. Drie dagen later besluit Berlusconi de eer aan zichzelf te houden en biedt hij het ontslag van zijn regering aan.

De Nationale Alliantie - Inhoud

Italië is geen presidentiële maar een parlementaire republiek. In crisistijden groeit de macht van de president echter haast vanzelf. President Oscar Luigi Scalfaro vraagt op 13 januari 1995 Lamberto Dini een zakenkabinet te vormen. Dini was in de regering-Berlusconi minister van de Schatkist en is een van de rijkste mannen van Italië. Dini slaagt erin om in een recordtijd een kabinet van 21 partijloze technocraten samen te stellen, dat op 24 januari 1995 wordt beëdigd als vierenvijftigste Italiaanse regering sinds de oorlog.

Voor de tweede keer in twee jaar wordt een bankier van de Centrale Bank premier. De regering wordt nu onderstut door éen ander deel van de burgerij: de oude geldadel. Susanna Agnelli, de zus van de belangrijkste patroon van Italië, wordt minister van Buitenlandse Zaken. Dat is veelzeggend genoeg. De rechtse Dini krijgt de tegennatuurlijke steun van de Liga, de PDS en het centrum. Vijftien senatoren en twaalf Kamerleden breken met Umberto Bossi en richten een eigen rechtse Liga van Italiaanse Federalisten op. Zij sluiten zich aan bij het rechtse blok van Fini-Berlusconi.

Fini weet dat na het wegvallen van de christen-democraten veel ruimte is gekomen ter rechterzijde, een ruimte die Berlusconi’s vluchtige Forza Italia en de federalistische Liga Noord niet goed kunnen opvangen, te meer omdat deze partijen de eerste scheuren vertonen. Voor Forza Italia kan het applaus even snel wegebben als het is opgekomen. Als de door corruptieonderzoeken geplaagde Berlusconi verdwijnt, kan zijn partij als een luchtballon leeglopen. De zigzaggende Liga Noord heeft geen reden van bestaan meer zodra ze haar federalistische doel heeft bereikt. En de christen-democratische splinter CCD is geen echte partij maar een satelliet van Berlusconi.

De MSI is momenteel de diepst gewortelde en hechtst doortimmerde partij. Ze telt 202.715 leden, 110 federaties, 8451 afdelingen, 46 gewestelijke en 132 provinciale gekozenen, 1574 gemeenteraadsleden, 75 burgemeesters, 109 volksvertegenwoordigers, 48 senatoren en 11 Europarlementsleden.(70) Het budget voor 1993 bedroeg 11 miljard 720 miljoen lire. Verder heeft de MSI drie jongerenorganisaties (Fare fronte, Fuan en Fronte della Gioventi), een vakbond, een sportvereniging (Fiamma), een milieu-organisatie, een vereniging van oud-strijders, een organisatie voor Italiaanse emigranten (CTIM), verscheidene tijdschriften, studiecentra en radiostations.(71)

Een toenemend deel van de economische elite vindt Fini een ‘betrouwbaar’ alternatief voor de dubieuze Berlusconi. De MSI-leider wordt steeds populairder. Een hele reeks prominenten komt er rond voor uit dat ze met de MSI sympathiseren: Vincenzo Desario (directeur-generaal van Bankitalia), Roberto Tana en Antonio Urcioli (leden van de raad van bestuur van de overheidsholdingIRI), Michele Tedeschi (voorzitter van het IRI), Ernesto Pascale en Biagio Agnes (kopstukken van Telecom), Salvatore Mancuso (hoofd van Iritecna).

Fini ziet zichzelf na de mislukking van Berlusconi als de toekomstige leider van verenigd rechts. Voor die pretentie is de MSI te klein en te besmet. Vanwege de steun van een groeiend deel van de burgerij besluit Fini de MSI voorgoed te laten opgaan in de - eveneens door hem geleide - Nationale Alliantie (na). Het zeventiende partijcongres, dat op 25 januari 1995 in Fiuggi van start gaat, moet de opheffing van de MSI bevestigen, waarna de ‘hervormde’ MSI’ers en in hun kielzog een legertje overlopers, de opmars naar de macht in een geforceerd tempo kunnen voortzetten. Fini kan een breuk met het ‘historische’ deel van zijn achterban nu wel riskeren.

Een fractie van de oude garde voelt zich inderdaad gepasseerd. Vertwijfeling en kritiek zijn niet van de lucht. Op 25 januari 1995 zegt Donna Assunta Almirante, weduwe van de MSI-stichter, in een interview met L’Italia dat ze van de opheffing van de MSI niets wil weten. Dat de partij moet ‘verruimen’, bestrijdt ze niet. Almirante zelf gaf het sein in 1972 met de MSI-Nationaal Rechts. ‘Ik besef wel dat Fini met de rug tegen de muur staat. Maar we kunnen ons toch niet ontbinden, nu we succes hebben,’ jammert ze. Pino Rauti varieert op hetzelfde thema. Vlak voor het congres lanceert hij een nieuw blad Linea, waarmee hij zijn rechtlijnigheid illustreert. Onder de kop ‘zelfmoord’ wijst Rauti op de ironie van het lot. ‘Nu we juist bezig zijn politiek door te breken, moeten we onze idealen verloochenen.’ Hij eindigt met een duidelijke verwijzing naar Berlusconi’s lidmaatschap van de loge P2. ‘Welke dokter schrijft ons voor zelfmoord te plegen?’ vraagt Rauti zich af. ‘Welke vrijmetselaarsloge of duistere macht is eropuit ons helemaal van het toneel te doen verdwijnen?’(72)

Op 25 januari 1995 gaat het historische partijcongres van start in Fiuggi, een mondain kuuroord ten zuiden van Rome. De bijeenkomst valt in twee delen uiteen. Tot 28 januari wordt het laatste MSI-congres gehouden. Dan worden de 1600 MSI’ers versterkt met zo’n achthonderd congresgangers die afkomstig zijn uit de nieuwe ‘kringen’ om met één hamerslag de MSI om te vormen tot de Nationale Alliantie. Heel politiek Italië, zeshonderd journalisten en diplomaten van vijftig landen, inclusief alle Europese landen, de VS en China, zijn in het vermaarde kuuroord bijeen om deze opmerkelijke transformatie onder de loep te nemen. De choreografie is doordacht: een ultramodern spreekgestoelte, een indrukwekkend podium in blauw en wit, de driekleurige vlam van de MSI en op de achtergrond in reliëfletters: ‘Het nieuwe Italië herrijst.’

Het misbaar dat een kleine groep ouderwetse fascisten maakt, komt Fini goed uit. Het vergroot de geloofwaardigheid van zijn onderneming. Teodoro Buontempo en Pino Rauti leggen aan het congres een these voor die het belang erkent van het fascisme van Salö, het corporatisme en de ‘nationale arbeidersstaat’. Uit naam van het corporatisme verzetten ze zich tegen communisme en liberalisme. Enig verbaal antikapitalisme is de dissidenten niet vreemd. ‘Het liberale kapitalisme verbreedt de kloof tussen rijk en arm en veroorzaakt kinderarbeid en een nieuwe vorm van slavernij in de ontwikkelingslanden,’ stellen ze. Ze willen niets weten van Fini’s voorstel om het antisemitisme en het racisme te veroordelen in de beginselverklaring van de Nationale Alliantie. ‘Dat is een provocatie. Wij zijn nooit racistisch geweest,’ zegt Teodoro Buontempo, die in de Romeinse voorstad Ostia meermaals klopjachten op illegalen organiseert.(73)

De aanhangers van Pino Rauti en Teodoro Buontempo zijn ver in de minderheid. Zo’n 90 procent van de congresgangers is op de hand van Fini. Deze kan met gemak zijn stelling doordrijven dat de MSI haar cyclus heeft voltooid en is geëvolueerd tot de Nationale Alliantie. Fini zelf zegt dat Almirante in zijn plaats hetzelfde zou hebben gedaan. Alessandra Mussolini beweert hetzelfde over haar opa, wat voor velen een aanbeveling is. Fini komt trouwens zijn neofascistische vrienden tegemoet: de vlam en het trapezium, de symbolen van de MSI, zullen gehandhaafd blijven, waarmee hij laat zien dat de verandering voornamelijk een tactisch manoeuvre is.

Hardleerse fascisten, zoals Teodoro Buontempo, Domenico Gramazio, Mirko Tremaglia en Giulio Baghino, besluiten dan ook in de hervormde partij te blijven. Baghino, stichtend lid en erevoorzitter van de MSI, windt er geen doekjes om. Ikk ben als fascist geboren en ik zal als fascist sterven,’ zegt hij. De MSI zit hun als het ware in het bloed. Zoals Giulio Maceratini, fractievoorzitter in de Senaat en een voormalig Rauti-aanhanger, zegt: ‘De MSI sterft niet. Ze maakt nu deel uit van de Nationale Alliantie, de grootste politieke beweging van het nieuwe Italië.’ Rauti’s schoonzoon, Giovanni Alemanno, beschouwt de omvorming van de MSI als een pure naamsverandering. ‘Wij willen niet toegeven dat we jarenlang achter verkeerde beginselen hebben gestaan,’ betoogt Alemanno, die als voormalig radicaal kader van het Jeugdfront in 1982 acht maanden in de cel zat nadat hij een brandbom had gegooid naar de Russische ambassade in Rome.(74)

In feite is Pino Rauti de enige topman van de MSI die weigert bij de Nationale Alliantie aan te sluiten. Pino Rauti en Giorgio Pisanö richten op 28 januari 1995 in Rome de MSI opnieuw op in aanwezigheid van een honderdtal sympathisanten. ‘Het is onaanvaardbaar dat je alle banden met de geschiedenis uitveegt,’ aldus Pino Rauti. In één adem roemt hij de Franse fascist Maurice Bardèche, die na de oorlog het bestaan van de concentratiekampen bagatelliseerde.(75) Geen wonder dat de aanhang van de herstichte MSI vooral bestaat uit naziskins en zogenoemde sociaal-fascisten die nog in de tijd van de sociale Republiek van Salö leven.

Fini rouwt niet om Rauti’s vertrek. Het maakt de breuk van de partij met het verleden zichtbaar, beweert Fini. De werkelijkheid is anders. De Nationale Alliantie en de MSI zijn synoniemen. Het bestuur van de Nationale Alliantie bestaat volledig uit MSI-kader: Fini (voorzitter), Maurizio Gasparri (coördinator van het politiek bureau), Francesco Storace (woordvoerder), Giuseppe Scopelliti (leider van het Jeugdfront), Roberto Menia (voorzitter van de Fuan), Gennaro Malgieri (directeur van Secolo d’Italia), Mirko Tremaglia (hoofd van de ctim), Giovanni Alemanno (verantwoordelijke voor de sociale sector).(76) In januari 1995 telt de Nationale Alliantie volgens Adolfo Urso 1650 ‘kringen’. Deze kringen drijven grotendeels op MSI-activisten en nemen voorts een aantal leden uit andere, in ontbinding geraakte partijen op. Begin 1995 tellen de kringen in totaal drieëndertigduizend leden. Het zwaartepunt ligt in Latium met Rome als hoofdstad, Sicilië en het welvarende Lombardije. De kringen hebben een maandblad, genaamd Circolando.

De Nationale Alliantie krijgt in Fiuggi ook een eigen beginselverklaring. Het 48 pagina’s lange document is van de hand van Fini, de voormalige monarchist Domenico Fisichella, en de MSI-professoren Gaetano Rasi en Pietro Armani. De beginselverklaring bevat geen kritiek op het fascisme. Om overwegingen van politieke opportuniteit wordt het fascisme gesitueerd in een ononderbroken reactionaire traditie, die teruggaat tot de vorige eeuwen. Dante, Macchiavelli en de fascistische filosoof Giovanni Gentile worden geciteerd als intellectuele inspiratiebronnen. ‘Politiek rechts is geen dochter van het fascisme,’ aldus het congresdocument. ‘De waarden van rechts bestonden voor het fascisme, zijn tijdens het fascisme blijven bestaan en hebben het overleefd. De culturele wortels van rechts gaan terug op de Italiaanse geschiedenis, voor, tijdens en na het ventennio, de periode van twintig jaar dat Mussolini aan de macht was.’(77) Het hoofdstuk ‘waarden en principes’ bevat de enige belangrijke verandering. Terwille van een politieke doorbraak aanvaardt de Nationale Alliantie uitdrukkelijk de grondwettelijke spelregels, zodat de ‘hervormde’ partij onvermijdelijk moet erkennen dat ‘het antifascisme historisch gezien noodzakelijk was voor het herwinnen van de democratische waarden.’ Dit is veeleer een terugkeer naar het ‘constitutionele fascisme’ dan een bekering tot de democratie.

Nochtans juichen in Fiuggi heel wat politici om deze ‘democratische omwenteling’. Vertegenwoordigers van alle politieke partijen, behalve de Heropgerichte Communisten, zijn aanwezig. Ex-president Francesco Cossiga zit op de voorste rij. De belangrijkste eregast is Silvio Berlusconi. Van alle sprekers krijgt hij het meeste applaus. ‘Wij hebben samen de meerderheid in Italië,’ aldus de ex-premier. De dissidente Liga-leiders Gianfranco Miglio en Roberto Maroni en de christen-democratische leiders Pierferdinando Casini (CCD) en Rocco Buttiglione (PPI) geven met hun aanwezigheid hun zegen aan de Nationale Alliantie. ‘Hopelijk bezorgt Fini ons de nieuwe conservatieve partij waar Italië al veertig jaar naar smacht,’ aldus Miglio. En Buttiglione zegt: ‘In plaats van nostalgisch rechts is nu democratisch rechts gekomen.’

De houding jegens de neofascistische Nationale Alliantie deelt de Christen-Democratische Volkspartij (PPI) en de Liga Noord in twee kampen. Op het congres van de Liga Noord op i februari 1995 in Milaan, breekt ex-minister Roberto Maroni met Umberto Bossi. De partij breidt haar naam uit tot ‘Liga Noord-Federaal Italië’ om haar hoofddoel, verregaand zelfbestuur van Noord-, Midden- en Zuid-Italië, direct in de naam uit te dragen. Tijdens het buitengewone congres in Milaan kiezen de afgevaardigden een nieuw bestuur dat volledig op de lijn zit van Bossi. Op hetzelfde ogenblik woont Berlusconi in Genua een congres bij van de Lega Italiana Federalista (Federalistische Italiaanse Liga, lip), de dissidenten van de Liga Noord, die zich weer bij de Pool van de Vrijheid aansluiten. Een maand later zorgt de leider van de PPI, Rocco Buttiglione, hoogleraar filosofie en adviseur van de paus, voor een verrassing, wanneer hij vrijwel zonder overleg zijn handtekening zet onder een akkoord voor een lijstverbinding met de Pool van de Vrijheid bij de komende regionale verkiezingen. Het veroorzaakt een scheuring in de PPI.

Berlusconi klampt zich steeds meer aan Fini vast. In een toespraak om zijn verkiezingsoverwinning van precies een jaar geleden te herdenken, zegt Berlusconi dat links niet moet proberen een wig te drijven tussen hem en zijn ‘loyale bondgenoot’. Beiden, Fini en Berlusconi, kunnen moeilijk hun afkeer van het parlementaire systeem overwinnen. Ze weigeren te aanvaarden dat ze door de meerderheid van het parlement aan de kant zijn gezet. Ze lijken tot alles bereid om president Oscar Luigi Scalfaro tot het uitschrijven van vervroegde parlementsverkiezingen te dwingen. Het MSI-parlementslid Domenico Gramazio onderneemt zelfs een actie om de afzetting van de president door te drukken.(78)

De ‘hervormde’ Nationale Alliantie zet niet alleen de denktrant van de MSI voort. Ze onderneemt ook juridische stappen tegen de herstichte MSI van Pino Rauti. Midden april 1995 beslist de rechter in Rome dat alleen de Nationale Alliantie het recht heeft om de naam en de symbolen van de MSI te gebruiken. Pino Rauti is geïsoleerder dan ooit. Op een meeting in Napels komen slechts duizend aanhangers opdagen, hoewel Rauti in het bolwerk van Alessandra Mussolini diens neef Guido Mussolini presenteert. Deze krijgt dankbaar applaus als hij uitroept: ‘Als ik moet kiezen tussen Silvio Berlusconi en Benito Mussolini, kies ik voor de tweede.’

Rauti verliest ook zijn invloed in L’Italia. De Nationale Alliantie stuurt de eigenzinnige Marcello Veneziani de laan uit. Op 19 april 1995 verschijnt het eerste nummer onder leiding van de nieuwe hoofdredacteur Alessandro Caprettini, een voormalig medewerker van de t.v. van Berlusconi, die net een zeer lovend boek over Fini heeft gepubliceerd. Directeur wordt Francesco Zuzic, ook een loyaal aanhanger van Fini. In het eerste nummer zegt Mirko Tremaglia naar aanleiding van ‘bevrijdingsdag’: ‘Ik heb nergens spijt van. Ik vind het alleen maar jammer dat we de oorlog verloren hebben.’ Zowel L’Italia als Secolo d’Italia bespreken het opzienbarende boek dat Luciano Garibaldi, een medewerker van het partijblad, heeft geschreven over het leven van gravin Piera GATTeschi, de enige vrouwelijke generaal onder Mussolini. Garibaldi bestempelt haar als een oprechte patriot en eist dat president Oscar Luigi Scalfaro GATTeschi en haar fascistische medestrijdsters onmiddellijk rehabiliteert.

De rechtse Pool van de Vrijheid rond Fini en Berlusconi is zeer actief in de campagne voor de regionale en lokale verkiezingen, die op 23 april 1995 gepland zijn. De verkiezingen zijn een interessante test, want de besturen van vijftien gewesten, zevenenzestig provincies en ruim vijfduizend gemeenten worden vernieuwd. Op straat wemelt het van de Pool-affiches. Bovendien bombardeert Berlusconi de Italianen via zijn drie t.v.-kanalen met politieke reclamespots. Forza Italia heeft geen lokale of regionale wortels, zodat de Nationale Alliantie automatisch een belangrijke rol speelt. De Pool van de Vrijheid gooit in Rome een bekende Italiaan in de strijd. Alberto Michelini is jarenlang nieuwslezer op RAI-1 geweest. Deze activist van Opus Dei wil Rome voor het communisme behoeden.

Centrum-links wint op 23 april 1995 negen van de vijftien regio’s. De Democratische Partij van Links (PDS) wordt met 24,6 procent de grootste partij. De Nationale Alliantie gaat vooruit en scoort 14,1 procent. Berlusconi’s Forza Italia klimt tot 22,4 procent. Die kleine winst is te danken aan het bondgenootschap met de rechtervleugel van de christen-democratische Volkspartij. De linkervleugel van de Volkspartij behaalt een verrassende 6 procent. De Liga die op eigen kracht aantrad, is tot vrijwel ieders verbazing niet ingezakt. Ze behaalt 6,4 procent, al heeft ze in haar bolwerken in Noord-Italië terrein moeten prijsgeven aan de Pool van de Vrijheid. In de tweede ronde van de provinciale en gemeentelijke verkiezingen op 7 mei 1995 is de zege van centrum-links compleet. Ze verovert vijfenzestig provincies en 80 procent van de 249 steden boven de vijftienduizend inwoners.

Toch wil dit niet zeggen dat Berlusconi en Fini kansloos zijn in de parlementsverkiezingen die vroeg of laat moeten komen. Het rechts blok beschikt over iets meer dan 40 procent van de stemmen. Fini benadrukt dat de rechtse Pool homogeen is. De tegenpartij, zegt hij, is zo verdeeld dat ze onmogelijk een regeringscoalitie in elkaar kan zettten. De Liga wil in geen geval zich door de PDS op sleeptouw laten nemen. Vooralsnog blijft de Liga in het noorden een invloedrijke partij, vooral in de regio Lomdardije. Van de ongeveer driehonderd gemeentes hier zijn er 137 van de Liga Noord. De Liga bestuurt Milaan en kleinere steden als Varese, Bergamo, Brescia en Pavia. Maar de Liga heeft grote moeite het hoofd boven water te houden. Veel leden hebben zich van de Liga afgewend omdat ze Bossi niet willen volgen in zijn machtsstrijd met Berlusconi. Bosssi hoopt dat hij de Liga als onafhankelijke partij staande kan houden. Dat zou haar een sleutelpartij maken om een van beide blokken aan de macht te brengen. In die situatie kan Bossi zijn grote troef uitspelen: steun van de Liga in ruil voor het federalisme. Dat blijft het doel waarachter de harde kern van de Liga zich verenigt. Begin juni 1995 komt Bossi met zijn zoveelste provocatie: een parlement van alle Liga-parlementsleden en bestuursleden in Mantua, de ‘hoofdstad van het noorden’.

Er zijn belangrijker zaken voor Berlusconi: de referenda, die vastgesteld zijn op 11 juni 1995, gaan over de inperking van het aantal t.v.-kanalen tot één per eigenaar, een verbod op de onderbreking van t.v.-films door reclame, en beknotting van de macht van de t.v.-reclamebureaus. Als Berlusconi die referenda verliest, raakt hij behalve zijn t.v.-macht waarschijnlijk ook zijn politieke macht kwijt. Berlusconi houdt zich bewust buiten de campagne zodat Fini nog meer op de voorgrond treedt.

De rijen van de Pool van de Vrijheid blijven gesloten. Op 11 juni 1995 vindt circa 57 procent van de opgekomen Italianen dat Berlusconi op zijn drie zenders op de oude voet door mag gaan en dat is meer dan hij een paar maanden tevoren had durven dromen. Rechts wint ook in de referenda die de representativiteit van de drie grote vakbonden ondermijnen en een eind maken aan de automatische afdracht van vakbondsbijdragen door de werkgever.

Het gevecht is een voorronde van de beslissende parlementsverkiezingen waarin Fini en ex-premier Berlusconi zullen pogen de macht te heroveren.

FRANKRIJK - Inhoud

Vichy - Inhoud

Rond de eeuwwisseling wordt de joodse kapitein Dreyfus ten onrechte veroordeeld wegens spionage en landverraad. De Dreyfus-affaire speelt een centrale rol bij de hergroepering van extreem-rechts in Frankrijk. De nationalisten keren zich tegen Dreyfus en verdedigen de ‘Franse waarden’ tegen ‘vreemde smetten’. Edouard Drumont ontwerpt (1844-1917) de leuze ‘Frankrijk voor de Fransen’ en binnen het heterogene ‘nationale kamp’ ontstaan de kiemen van de latere fascistische beweging.

Als een van de eersten poogt de schrijver en politicus Mau- rice Barrès (1862-1923) het nationalistische reveil van die dagen van een uitgewerkte ideologie te voorzien. Uit naam van het nationaal belang vaart Barrès uit tegen ‘de joden’ uit de hoge financiële kringen, die eropuit zouden zijn de Franse macht te ondermijnen. Hij keert zich eveneens tegen de al dan niet genaturaliseerde ‘buitenlandse arbeiders’, die de autochtone Fransen het dagelijks brood uit de mond zouden nemen. Hij bepleit een politiek van protectionisme, met onder andere een nieuwe belasting voor werkgevers die vreemdelingen tewerkstellen en een rem op de al te gastvrije naturalisatie-praktijk. Het in zijn ogen corrupte parlementarisme wil hij vervangen door een ‘plebiscitaire democratie’ en een drastische versterking van de uitvoerende macht. Barrès verdedigt een ‘nationalistisch socialisme’ dat het kapitalisme en het privé-bezit intact laat. Opdat iedereen mee zou doen, dient er ook iets te verbeteren aan het lot van de eigen’ arbeiders en boeren. Zo ijvert hij voor de bevordering van gemeenschappelijk bezit in de bedrijven.

Na de eerste wereldoorlog moet dit ‘socialistisch’ en republikeins nationalisme het veld ruimen voor het katholieke en koningsgezinde nationalisme van Charles Maurras (1868-1952), de grondlegger van Action française. Maurras, een verbeten tegenstander van de Franse revolutie, smeedt het gedachtengoed van de reactionaire burgerij om tot een coherent, antidemocratisch alternatief van de bestaande maatschappij. Hij verheft het corporatisme van La Tour du Pin tot officiële sociaal-economische doctrine van extreem-rechts en wijt de economische en politieke crisis vooral aan ‘decadentie’ en verval van de traditionele waarden. Charles Maurras trekt een scheidingslijn tussen nationalisten en ‘kosmopolieten’. Zijn ‘integraal nationalisme’ fungeert als een uitsluitingsmechanisme. Buitenlanders, joden, vrijmetselaars, communisten en vaderlandsloze kapitalisten ‘zweren samen’ tegen de natie en horen niet tot ‘het eigen volk’. Zij zijn verantwoordelijk voor het corrumperen van de staatsinstellingen, ‘het legale land’.

Action française exploiteert de vele politieke schandalen om de parlementaire democratie aan te vallen. Na de zaak Stavisky waarbij invloedrijke politici betrokken zijn, lanceert Action française de kreet: ‘Weg met de dieven.’ Action française is via de Croix du Feu van oud-kolonel De la Rocque nauw betrokken bij de poging tot staatsgreep in de nacht van 5 op 6 februari 1934. Die nacht belegeren verschillende fascistische organisaties het parlementsgebouw en komt het tot een gewelddadige confrontatie met politie en leger, waarbij vijfentwintig doden en zo’n 1400 gewonden vallen.

De lijst van Franse intellectuelen die bij Action française aansluiten of er een tijdlang mee sympathiseren, is indrukwekkend. Men vindt er namen als Georges Bernanos, André Gide, Auguste Rodin, Marcel Proust, Léon Daudet, André Malraux en nog vele anderen. Sommige ‘nationale intellectuelen’, onder wie Pierre Eugène Drieu la Roebelle (1893-1945), Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) en Robert Brasillach (1909-1945) worden aangetrokken door het fascisme. Drieu schaart zich in 1936 achter de Parti populaire francais, (PPF) van de ex-communist Jacques Doriot, die concurreert met de Rassemblement national populaire (RNP) van de voormalige socialist Marcel Déat. Céline richt zijn haat vooral tegen de joden. Hij publiceert opzwepende teksten als Bagatelles pour un massacre (1937) en l’Ecole des cadavres (1938), die getuigen van een zo afgrijselijke jodenhaat dat ze tot op heden niet meer herdrukt kunnen worden. In dit laatste boek schrijft hij: ‘Wie is de werkelijke vijand van het kapitalisme? Dat is het fascisme. Wie is de werkelijke vriend van het volk? Het fascisme. Wie heeft veel voor de arbeider gedaan? De USSR of Hitler? Het is Hitler. Wie beschermt ons tegen de oorlog? Het is Hitler. Je hoeft alleen maar even te kijken zonder de ogen vol rode stront.’ Ook Robert Brasillach, een enthousiaste gast in 1937 op de NSDAP-partijdag in Neurenberg, is in de ban van het fascisme. Als hoofdredacteur van het extreem rechtse weekblad Je suis partout publiceert hij in 1938 en 1939 twee antisemitische themanummers.

De overheid grijpt niet in. Het laat zien in welke mate de heersende kringen zich al naar de dominantie van het fascisme hebben geschikt. In het begin van de oorlog wordt daarvoor het loon van de angst betaald. Het Franse leger kan Hitlers troepen niet werkelijk van repliek dienen. Zo dienen de Fransen op 22 juni 1940 hun capitulatie te tekenen in hetzelfde wagonnetje waar de Duitsers in 1918 hun nederlaag erkenden. Philippe Pétain collaboreert onmiddellijk na de wapenstilstand vrijwillig met Hitler en staat toe dat Frankrijk in twee delen uiteenvalt. Pétains ‘vrije’ Franse staat met als hoofdstad Vichy wordt gereduceerd tot het zuidoostelijke deel van het land.

Vichy wordt massaal toegejuicht door de meerderheid van de politieke, juridische en kerkelijke elites. Het betekent immers vrede en gezien Pétains reputatie als patriot en ‘overwinnaar van Verdun’ is de ‘eer’ van het land gered. De parlementaire stemming van 10 juli 1940, die door onregelmatigheden wordt gekenmerkt, maakt een einde aan de Derde Republiek en geeft Vichy een schijn van formele legaliteit. De leidende kringen hebben een blind vertrouwen in Pétains nationale revolutie. Morele waarden worden opgehemeld en in speciale jeugdkampen aan de jongeren doorgegeven. Vichy geeft de voorkeur aan het katholieke onderwijs en schaft de openbare scholen af. De vrome vijftiende-eeuwse boerendochter Jeanne d’Arc wordt het symbool van een regime dat af wil rekenen met materialisme, socialisme en de Franse revolutie. Het devies ‘werk, familie en vaderland’ komt in de plaats van ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Overkoepelende noties zijn: katholiek fanatisme, een terug-naar-de-natuur, wantrouwen tegen de stad, verering van de aarde en van de kleine boer.

Gaandeweg kan er steeds minder en moet er meer. De vrijmetselarij wordt verboden, vakbonden worden afgeschaft en enkele corporaties in het leven geroepen. De voormalige linkse vakbondsleider Belin wordt minister van Arbeid in Vichy. Vichy neemt steeds het initiatief. Overtuigd van de Duitse overwinning willen Pétain en zijn premier Pierre Laval Frankrijk een plaats bezorgen in nazi-Europa. Al op 3 oktober 1940 vaardigt Vichy de eerste antijoodse wetten uit. Hitler had er niet om gevraagd. Daarna levert Vichy de onontbeerlijke hulp aan de deportatie en vernietiging van joden. Maurice Papon, na 1942 secretaris-generaal van de prefectuur Bordeaux, is nauw betrokken bij de deportatie van zeker 1600 joden. Belangrijker is de rol van René Bousquet, de secretaris-generaal van politie van Vichy. Hij is verantwoordelijk voor de operatie van 16 en 17 juli 1942, bekend als de ‘razzia van het wielerstadion’ in Parijs. Ongeveer dertienduizend joden zitten daar vijf dagen lang bijeengedreven, tot hun transport naar de nazi-vernietigingskampen. Op speciale aandrang van de Franse autoriteiten accepteren de Duitsers uiteindelijk de deportatie van de vierduizend kinderen, van wie er niet één levend terugkeert. Weinigen gaan tegen de trend in. Robert Brasillach verklaart de deportatie van complete joodse gezinnen tot een ‘menslievende’ daad, want hij vindt het beter voor de kinderen als ze en familie reizen. François Mitterrand, ambtenaar voor oud-strijderszaken, schrijft relativerend: ‘De deportaties zijn het gevolg van fouten die al 150 jaar worden begaan.’ Als toegewijd ambtenaar ontvangt Mitterrand de zilveren francisque, het Frankische strijdbijl, de officiële onderscheiding van Vichy voor speciale diensten.

Vichy zakt steeds dieper weg in de collaboratie. Henry Coston, een geestelijke erfgenaam van Edouard Drumont, lanceert 1’Action antimaçonnique met steun van de Parijse ss. Roland Goguillot, leider van de RNP-jeugdorganisatie, publiceert in Le National-populaire. De leider van de ppf, Jacques Doriot, sluit zich in maart 1943 aan bij het Légion des volontaires francais (LVF) en vertrekt naar het Oostfront, waardoor zijn rechterhand Victor Barthélémy automatisch een grotere verantwoordelijkheid krijgt. Mare Augier, lid van de lvf, publiceert in Devenir, het blad van de Franse ss. André Dufraisse, oud-lid van de ppf, sluit aan bij deSS-divisie Charlemagne. De Action française van Charles Maurras blijft Vichy steunen. Jean Louis Arfel, een volgeling van Maurras, schrijft in het blad van de beweging en krijgt de francisque.

Vichy kan niet overleven zonder de Milice, de ordehandhaving van Pétain. Meer dan dertigduizend Fransen, onder wie Emmanuel Allot, laten zich werven voor dit beruchte keurkorps. De chef daarvan, Joseph Darnand, treedt later toe tot de Waffen-SS. Het strijdlied van de beweging is ronduit gruwelijk:

Sol, faisons la France pure
Bolcheviques, francs-maçons ennemis
Israël, ignoble pourriture
Ecoeurée, la France vous vomit.

Na Stalingrad in 1943 groeit het verzet. Onder druk van de veranderende machtsverhoudingen schuiven Mitterrand en andere pétainisten geleidelijk op naar het andere kamp. Een meedogenloze burgeroorlog ontbrandt tussen de Milice en het verzet. Literaire collaborateurs gooien olie op het vuur. Robert Brasillach scheldt de republiek uit voor ‘stinkende, zieltogende hoer’. Drieu la Rochelle schrijft in zijn blad La révolution nationale ter meerdere eer en glorie van een nieuwe Europese orde onder leiding van nazi-Duitsland. Vichy treedt hardhandig op. Paul Touvier, hoofd van de inlichtingendienst van de Milice in Lyon, geeft op 29 juni 1944 opdracht tot de terechtstelling in Rillieux-la-Pape van zeven joden. Al met al worden zo’n tachtigduizend joden gedeporteerd van wie er zevenenzeventigduizend omkomen.

In ettelijke delen van het bevrijde Frankrijk zwaait in de herfst van 1944 het communistische verzet de scepter. Voor generaal Charles de Gaulle is zoiets onaanvaardbaar. Hij wil Frankrijk en vooral Parijs zo snel mogelijk onder controle krijgen. Op 22 augustus 1944 geeft de communistische bevelhebber van de Forces françaises de 1’intérieur (FFI) in Parijs het sein voor de opstand tegen de bezetter. Parijs wordt in één ochtend bedekt met geïmproviseerde barricades, verdedigd door een bonte mengelmoes van verzetslieden zonder uniform. Ze effenen het pad voor de inname van de stad door de Tweede Vrije Franse tankdivisie van De Gaulle. De Parijse opstand heeft zeker zijn heroïsche aspecten en er vloeit veel bloed: 1600 doden aan Franse zijde. De Gaulle wordt in recordtijd de held van het conservatieve Frankrijk. Hij beslecht de krachtmeting met de communisten in zijn voordeel met de steun van de westerse geallieerden.

De ergste landverraders, zoals Pierre Laval, Joseph Darnand en Robert Brasillach, ontlopen hun straf niet, maar de brede collaboratie blijft buiten schot. Pétain wordt ter dood veroordeeld, maar De Gaulle verleent hem vrijwel onmiddellijk gratie.

Charles Maurras, die zich ernstig had gecompromitteerd door zijn steun aan Vichy, krijgt levenslang. Céline wacht in Denemarken tot de ergste storm is overgewaaid. De Gaulle wil de zwarte bladzijden snel omslaan. Hij zoekt ambtenaren en derhalve delen talrijke oudgedienden van Vichy in de kortste keren weer de lakens uit. René Bousquet krijgt zijn medailles terug en begint aan een briljante carrière als bankier. Papon wordt in functie gelaten en nadien bevorderd. Vichy-ambtenaren als Jacques Chaban-Delmas en Maurice Couve de Murville beginnen aan een glanzende naoorlogse carrière die zal leiden tot het premierschap. Hun onwaarschijnlijke levensloop is symptomatisch voor de schizofrene wijze waarop gaullistisch Frankrijk het oorlogsverleden met rust laat.

Het Franse Frankrijk - Inhoud

Extreem rechts verdwijnt slechts even in de coulissen. Op 10 juni 1947 verschijnt het royalistische Aspects de la France, waaraan Maurras vanuit de gevangenis meewerkt. Het blad komt op voor amnestie en rehabilitering van Pétain. Maurice Bardèche, zwager van Robert Brasillach, gaat nog een stap verder. In 1948 publiceert hij het boek Nuremberg ou la terre promise. Volgens deze oud-medewerker van Je suis partout hebben de joodse slachtoffers Hitlers uitroeiingskampen zelf geënsceneerd.

Na de vele gratieverleningen en de amnestiewetten van 1951 en 1953 duiken prominente vichysten nauwelijks of niet gehinderd weer op in de media. Roland Goguillot (schuilnaam Roland Gaucher), ex-RNP-sympathisant, wordt medewerker van Est et Ouest aan de zijde van Georges Albertini, eertijds rechterhand van Marcel Déat. Een andere ‘compagnon de route’ van Georges Albertini, Jean Arfel (alias Jean Madiran), voormalig medewerker van Maurras, sticht in 1956 het integristische blad Itinéraires. Het vroegere lid van de Milice, Emmanuel Allod (pseudoniem  François Brigneau) schrijft in Rivarol, dat sinds 1951 verschijnt en openlijk de rehabilitering van Pétain bepleit.

Rivarol steunt tijdens de verkiezingen van juni 1951 de partij Union nationale des indépendants et républicains (UNIR). Met 280.000 stemmen heeft unir drie parlementsleden, onder wie Pétains advocaat Jacques Isorni. Nog opmerkelijker is het verkiezingsresultaat van de Union de défense des commerçants et artisans de France (UDCA) bij de parlementsverkiezingen van januari 1956. De door Pierre Poujade aangevoerde lijst scoort maar liefst 11,6 procent van de stemmen (drieënvijftig zetels). Le Pen wordt met zijn zevenentwintig jaar het jongste parlementslid. De udca komt al gauw in opspraak door de aanwezigheid van pétainisten zoals Jean Dides, die politiecommissaris in Parijs was tijdens de bezetting en ex-VLLF’er André Dufraisse, die Le Pen inwijdt in de geheimen van de politiek.(79)

De vichysten vinden pas een behoorlijk politiek onderdak wanneer de gewelddadige neofascistische organisatie Ordre nouveau op 5 oktober 1972 het Front national opricht. De belangrijkste leiders zijn: Le Pen, François Brigneau (ex-Milice), Alain Robert (lid van Ordre nouveau), Roger Holeindre (ex-OAS’er), Pierre Bousquet (oud-Waffen-SS’er) en Pierre Durand (na de oorlog activist van Action française, medestander van Pierre Poujade en medeoprichter met Le Pen en de oud-SS’er Léon Gaultier van de Serp, een bedrijf dat grammofoonplaten uitbrengt, waaronder een plaat met propagandaliederen van de Waffen-SS en een plaat met de gedichten van Brasillach).

Het FN schuwt de verering van Pétain niet. De partij heeft grote invloed in de verenigingen die Pétain willen rehabiliteren en die daarom elk jaar op 11 november de pelgrimstocht naar het graf van hun held maken. Hubert Massol, een Vichy-functionaris en leider van de vereniging ‘De stem van het eiland d’Yeu’ en FN-gemeenteraadslid in de Parijse voorstad Asnières, besluit in 1973 de maarschalk met geweld over te brengen naar de erebegraafplaats Douaumont, de plaats die Pétain zich altijd gewenst had: bij zijn soldaten uit de eerste wereldoorlog. Met zijn zessen breken ze in de nacht van 16 op 17 juli met veel moeite het graf open, laden de kist in een bestelbusje en nemen de eerste boot naar het vasteland. Maar de ontvoering wordt al de volgende ochtend ontdekt en de begrafenis door de politie verijdeld.

Katholieke integristen stellen zich vanaf het midden van de jaren zeventig aan het hoofd van een pressiegroep voor Pétains eerherstel. Ze maken de onderduik-odyssee mogelijk van de ter dood veroordeelde Paul Touvier. Bernard Antony, alias Romain Marie, sticht in 1975 het maandblad Présent. Hij steunt bisschop Marcel Lefebvre, die zich afzet tegen de hervormingen van het Tweede Vaticaans Concilie. Lefebvre sympathiseert openlijk met Franco, Salazar en Le Pen. ‘Als Le Pen de goddelijke wet en de Tien Geboden volgt, kan ik mij in hem vinden,’ aldus de schismatieke bisschop.(80)

Bernard Antony verbreedt gaandeweg de basis van de integristen en zet een netwerk met een grote verscheidenheid aan activiteiten op poten. Vanaf januari 1982 verschijnt Présent als dagblad onder leiding van Jean Madiran en Pierre Durand met het devies ‘arbeid, familie en vaderland’. De vichysten François Brigneau en Henry Coston zitten in de redactie. Nog in 1982 ontstaat Chrétienté-Solidarité en in 1983 wordt de eerste pelgrimstocht naar Chartres georganiseerd. In 1984 wordt Antony Europarlementslid voor het FN. Op 10 april 1985 kan Le Pen dank zij de bemiddeling van Bernard Antony paus Johannes Paulus n ontmoeten. Chrétienté-Solidarité sticht vestigingen in zesentwintig landen over de hele wereld. Vooraanstaande medewerkers zoals Thibault de la Tocnaye vechten in de loop van de jaren zeventig en tachtig aan de zijde van de christelijke milities in Libanon en onderhouden innige contacten met de Libanese krijgsheer Samir Geagea.

De tweede wereldoorlog is voor het FN nooit ver weg. Le Pen zelf heeft er geen moeite mee elk jaar op 11 november een krans te laten leggen op het graf van Pétain op het Bretonse eiland d’Yeu. Dat doen ook alle Franse staatshoofden sinds 1968. Zo legt kolonel Huchon namens president Mitterrand een krans neer op 11 november 1990. Robert de Perier, voorzitter van de Association Nationale Pétain-Verdun uit Nantes en sympathisant van Le Pen, bedankt de kolonel voor zijn ‘eervol’ gebaar. Acht dagen later legt dezelfde de Perier een krans neer op het graf van dictator Franco. Op 20 april 1991 zitten Pierre Vial, lid van het centraal comité van het FN, en Jean Mabire, kunstcriticus van het FN-gezinde National Hebdo, achter de huldiging van Mare Augier, bijgenaamd Saint-Loup, die tijdens de bezetting meewerkte aan het SS-blad Devenir. Saint-Loup heeft steeds volgehouden dat alleen de SS Europa kan redden.(81)

Niet iedereen in het FN is ingenomen met een al te openlijk eerbetoon aan de collaboratie. De voornaamste reden is dat men de afkeuring van een aantal kiezers vreest. Op een bijeenkomst van Eurorechts in 1992 in Ierland houdt Bruno Mégret een toespraak over ‘desinformatie en diabolisering’. ‘We moeten meer benadrukken dat we niet alleen ex-collaborateurs in onze rangen tellen maar ook voormalige verzetslieden,’ zegt Mégret. ‘We moeten ons profileren als het nieuwe verzet, dat vecht voor het behoud van de onafhankelijkheid en de identiteit van ons land.’(82) Het FN telt weliswaar enkele anticommunistische oud-verzets-strijders zoals advocaat Jean-Baptiste Biaggi, maar ze spelen in de partij hooguit een alibi-rol. Op het linkse en communistische verzet heeft het FN het niet zo begrepen. Bruno Mégret beschrijft het maquis als een stelletje misdadigers. ‘Hun wandaden worden door de naoorlogse zuivering helaas gedekt,’ hoont hij.(83) Begin 1992 acht Mégret het ogenblik aangebroken om Frankrijk te ‘ontmarxen’. Het FN-blad Identité zorgt voor de ideologische ‘argumentatie’: ‘Het communisme was economisch en sociaal een ongeziene ramp. Daarbij vergeleken is het nationaal-socialisme wel de hemel op aarde.’

Het anticommunisme ontspoort niet zelden in een goedpraten  van de collaboratie. In een lang artikel dat begin 1993 in Itinéraires verschijnt, pleit Jean Madiran, eertijds bepaald geen kleine collaborateur, de Milice vrij. Volgens hem beschermde dit korps de bevolking tegen het ‘terrorisme’ van het linkse verzet. ‘De terroristen trokken zelfs de ziekenhuizen binnen om er de gewonden af te maken,’ aldus Madiran. De officiële versie van het verleden noemt hij ‘één grote communistische leugen’. Pétain, Laval en Brasillach hadden het goed voor toen ze erop stonden dat de joodse kinderen niet gescheiden werden van hun gedeporteerde ouders. Ze deden hun plicht en dachten dat Hitler de joden naar een speciaal ‘reservaat’ in Oost-Europa liet brengen.(84) Zo herhaalt Madiran haast letterlijk de revisionistische stellingen van Bardèche.

Het FN doet Madiran niet in de ban. Het is frappant dat journalisten in de ‘bevriende’ media de dingen luid en duidelijk mogen zeggen zonder dat Le Pen hen afremt. Nochtans kan Le Pen zich niet verschuilen achter de ‘onafhankelijkheid’ van deze media. Het dagblad Présent staat onvoorwaardelijk achter het FN. ‘Wie niet voor honderd procent steunt, steunt helemaal niet,’ verduidelijkt Jean Madiran. Het weekblad National Hebdo is een gezagsgetrouw partijorgaan. De ex-collaborateur Roland Gaucher, die zich al eens tegen Le Pen durfde te keren, wordt midden 1993 als hoofdredacteur opgevolgd door Martin Peltier, een voormalig journalist van Le Quoditien de Paris. In zijn eerste artikel noemt hij Le Pen ‘een man van de voorzienigheid’.(85) De ster van National Hebdo is François Brigneau, een voormalig lid van de Milice. In een column over de betekenis van de extreem rechtse pers schrijft hij: ‘Op een dag zullen de lezers beseffen dat de Franse republiek in werkelijkheid een kosmopolitische dictatuur is. Dan zullen de slaven opstaan en niemand zal hen kunnen stuiten. Ik zal dan glimlachend luisteren naar de stem van Edouard Drumont die fluistert: Frankrijk aan de Fransen.(86)

Medio 1993 publiceert Rivarol een artikel waarin het bestaan  van de gaskamers in het Derde Rijk wordt ontkend. In een begeleidende cartoon maakt striptekenaar Chard de nazi-slachtoffers belachelijk. Chard werkt ook voor Présent, waarin hij slechts één creatieve richting aanhoudt: de uitbeelding van ‘de immigratie-invasie’. Chard, Konk en Aramis, de meest bekende extreem rechtse striptekenaars, beschouwen Hergé als hun geestelijke vader. Léon Degrelle, de bij verstek ter dood veroordeelde Belgische collaborateur, zou model hebben gestaan voor Kuifje.

De FN-gezinde pers heeft nog steeds - en de laatste tijd weer vaker - de neiging de literaire ‘kwaliteiten’ en tegelijk het politieke engagement van foute schrijvers te herwaarderen. Jean Mabire weigert ideologie en kunst te scheiden. Hij prijst Maurice Barrès als de ‘Sartre van extreem rechts’.(87) Pierre Vial roemt de strijd van Drieu la Rochelle tegen de ‘decadentie’ en Pierre Durand voert actie om het geboortehuis van Céline op de monumentenlijst te krijgen. Vooral Charles Maurras wordt weer in brede kring als ‘gids van de natie’ erkend. Dat blijkt op de FN-zomeruniversiteit begin september 1993, die door zeshonderd kaderleden wordt bezocht. Jacques Trémollet de Villers, de verdediger van oorlogsmisdadiger Touvier, houdt er een gelegenheidstoespraak over het thema ‘Het Latijnse ras moet ontwaken’.(88) ‘Eindelijk waagt iemand het te spreken over de superioriteit van het Latijnse ras en de Latijnse beschaving,’ juicht Georges-Paul Wagner. Daarna brengt het partijkader onder geleide van Wagner en Bernard Antony een bezoek aan de geboortewoning van Maurras. Commentaar van Présent: ‘Het was een zeldzaam prachtig huldebetoon aan de leermeester van het Franse nationalisme.(89)

De bewondering voor Maurras gaat samen met het afwijzen van de Franse revolutie. Het FN poogt de overhand te krijgen in het historische debat en haalt daarom de reputatie van de progressieve revolutionairen neer door voortdurend te verwijzen naar het neerslaan van de reactionaire opstanden in Bretagne en de Vendée. ‘Vanaf de afkondiging van de Verklaring van de Rechten van de Mens op 26 augustus 1789 hebben de deugdzame voorvechters zich op dit nieuwe credo gebaseerd voor terreur, massale verbanningen, de guillotine, de verdrinkingen van Nantes, de slachtingen van vrouwen en kinderen, verbrand in bakkersovens, kortom de wreedheden van de infernale colonnes van Turreau, helaas nog steeds vermeld op onze Are de Triomphe,’ aldus Bernard Antony.(90) Historische nauwkeurigheid is aan het lid van het politiek bureau van het FN niet besteed. Dezelfde Antony voert actie om de naam van generaal Turreau te laten verwijderen van de Triomfboog.(91) Ook Pierre Vial gelooft heilig dat de Franse revolutie verantwoordelijk is voor het naderende einde van de Franse beschaving. ‘Op 21 januari 1793 werd Frankrijk zowel letterlijk als figuurlijk onthoofd. Twee eeuwen van dwaling brachten Frankrijk op de rand van de afgrond,’ zegt hij stellig.(92)

In de herfst van 1993 worden de contrarevolutionairen in ere hersteld. Op 25 september 1993 zijn 35.000 mensen, onder wie de latere voorzitster van het Italiaanse parlement Irene Pivetti, aanwezig in Lucs-sur-Bologne, waar een indrukwekkend monument wordt ingewijd ter nagedachtenis van de ‘martelaars’ van de Vendée. De lokale edelman, Philippe de Villiers, verheft de opstandelingen tot ‘vrijheidsstrijders’ en de Russische schrijver Solsjenitsyn valt voor de zoveelste keer uit tegen het gelijkheidsdenken van 1789.(93) Présent looft de bovenmenselijke moed waarmee Lodewijk xvi en de ‘weduwe Capet’ tweehonderd jaar geleden de dood zijn ingegaan. De onthoofde koningin wordt gerehabiliteerd van de veroordeelde landverraadster tot het onschuldige slachtoffer van de revolutie. Haar terechtstelling gaat niet ongemerkt voorbij. Op 16 oktober 1993 drommen op de plaats van de terechtstelling, het huidige place de la Concorde, een duizendtal royalisten bijeen voor een kranslegging. Het royalisme oefent nog steeds een aantrekkingskracht uit op een deel van de adel en de hoge burgerij. Dat is ook een van de doelgroepen van de elitaire FN-kring Renaissance, die geleid wordt door Michel de Rostolan, ooit lid van de neofascistische groep Occident. Op 6 november 1993 organiseert Renaissance haar jaarlijks colloquium in Parijs. Het thema is ditmaal: ‘1793-1993’. De bijeenkomst staat onder de auspiciën van de schrijver Jean Raspail en begint met de voorlezing van het geestelijke testament van koning Lodewijk xvi. De boodschap is simpel: de ‘heilige monarchie is het symbool van de christelijke beschaving.(94)

Het FN mengt zich niet alleen in het historische debat over de Franse revolutie, maar eist ook een herziening van de officiële versie van de tweede wereldoorlog. Het proces tegen Paul Touvier, dat op 17 maart 1994 van start gaat, biedt het FN volop gelegenheid om het ‘opinieklimaat’ om te keren. Touvier heeft zijn overtuiging kennelijk nooit afgezworen. Op het proces worden fragmenten voorgelezen uit zijn dagboek, waarin hij progressieve t.v.-persoonlijkheden omschrijft als ‘joods vuilnis’, terwijl hij onder een foto van Le Pen noteert: ‘Eindelijk een beetje frisse lucht.’ Touvier geeft de moord op zeven joden in Rillieux-la-Pape toe, doch toont geen seconde spijt, schaamte of deemoed. Zijn verdediger, Jacques Trémollet de Villers, een voormalig medewerker van Vichy-functionaris Jean-Louis Tixier-Vignancour, schildert zijn cliënt af als een soort tweede Schindler. Volgens hem hadden de Duitsers de executie van honderd gijzelaars bevolen en was het een prestatie dat Touvier het aantal heeft kunnen terugbrengen tot zeven gefusilleerden. Bovendien betoogt de advocaat dat de ‘oorlogshandelingen’ van Touvier verjaard zijn. Het pleidooi wordt integraal afgedrukt door Présent.

Op 20 april 1994 wordt Touvier veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Daarmee valt het doek over een proces dat vooral om de persoon van Touvier heeft gedraaid, terwijl de misdadigheid van Vichy nauwelijks aan bod is gekomen. Tocht reageert ultrarechts verbolgen. National Hebdo spreekt over ‘politieke zwendel’, een ‘slechte operette’, ‘een misdaad tegen het recht, de beschaving en het gezond verstand.(95) Sommige opmerkingen zijn ronduit fluimig. Simone Veil werd als zestienjarig joods meisje naar Auschwitz gedeporteerd en ze verloor er haar ouders en broer. Haar strijd voor een liberalisering van abortus wekt nog steeds de woede van ultrarechts. Daags na Touviers veroordeling drukt National Hebdo de volgende lezersbrief af: ‘Waarom wordt Touvier en niet mevrouw Veil veroordeeld voor misdaden tegen de menselijkheid? Aan haar handen kleeft meer bloed dan aan die van de trieste dokter Mengele. Zij heeft drie miljoen geaborteerde en vermoorde kinderen op haar geweten.(96)

De tweede wereldoorlog mag dan ruimschoots zijn afgelopen, helemaal uitgevochten is hij nog steeds niet. Rechtse radicalen misbruiken de vijftigste herdenking van de landing in Normandië voor fascistische propaganda. Jean Madiran en François Brigneau klagen de ‘zinloze schanddaden’ van geallieerde zijde aan. Ze zeggen dat het bombarderen van Caen en Le Havre niet goed te praten is en dat de ‘bevrijders’ een pure ‘oorlogsmisdaad’ begingen. ‘Het aantal Franse slachtoffers van de geallieerde bombardementen ligt hoger dan het aantal uit Frankrijk gedeporteerde joden,’ verduidelijkt Brigneau.(97)

Begin september 1994 veroorzaakt Een Franse jeugd van Pierre Péan veel deining. Het boek onthult Mitterrands jeugd-sympathieën voor Pétain en zijn opmerkelijke vriendschap voor de in 1993 vermoorde oorlogsmisdadiger René Bousquet, de gewezen politiechef van Vichy. Tot diep in de jaren tachtig was de volgens Mitterrand ‘uitzonderlijk sympathieke’ Bousquet een regelmatige maar discrete gast op het Elysée-paleis. Uit het boek blijkt ook dat Mitterrand in 1943 naar het Franse verzet is overgestapt - later dan hij voorheen heeft verteld - en dat hij op geen enkele wijze zijn langdurige sympathie voor Pétain betreurt. De verwarring in de PS-gelederen is algemeen. De woordvoerder van de PS, Jean Glavany, poogt de kritiek op Mitterrand te ontkrachten met de ongelukkige stelling dat onder Vichy ongeveer honderd procent van de Fransen pétainist was. De socialistische presidentskandidaat Jospin wijst erop dat pétainisme iets anders dan collaboratie is. ‘Geldt dat ook niet voor Maurras?’ vraagt Jean Madiran zich geamuseerd af.(98)

Madiran misbruikt de animositeit rond Mitterrands uitlatingen om de Vichy-leiders voorgoed vrij te pleiten van misdaden tegen de menselijkheid en van jodendeportatie. ‘Als de pétainist Mitterrand een oprecht anti-Duits verzetsman was, is Pétain dat ook,’ beweert Madiran, ‘want de eerste pétainist was Pétain zelf, gevolgd door generaal Weygand, Charles Maurras en alle andere aanhangers van de maarschalk.’ Madiran ziet bewust over het hoofd dat Mitterrand risico’s heeft gelopen door in 1943 en 1944 namens het verzet contact op te nemen met de vrije Fransen en geallieerden in het buitenland. In een t.v.-vraaggesprek op 12 september 1994 veroordeelt de president de misdaden van Vichy pas na lang aandringen.(99) ‘Mitterrand gelyncht,’ titelt Présent, dat schande spreekt over het ‘politieverhoor’ van de t.v.-journalist.(100) ‘Zelden heeft de joodse ideeënpolitie zich zo doen gelden,’ oppert Brigneau.(101) Het voormalige Milice-lid speelt nu opeens de milde verzoener. ‘Ik ben gerechtigd om rekenschap te vragen voor wat mij werd aangedaan,’ schrijft hij, ‘maar ik zie ervan af. Voor mij telt maar één zaak: de nationale verzoening van de Fransen.(102)

De staatsman Le Pen beaamt deze visie een week later op het traditionele ‘blauw-wit-rode’ partijfeest in Parijs. ‘Ik zag in De Gaulle het wapen en in Pétain het schild van Frankrijk. Ik was ervan overtuigd, net als eenieder, dat ze als goede patriotten samenwerkten,’ aldus Le Pen.(103) Zijn ‘gematigdheid’ is bijzaak. Belangrijker is dat Le Pen de ‘wettigheid’ van Vichy erkent en vooral dat anno 1995 het bejubelen van fascistische wapenfeiten en voormannen nog steeds een vorm van geaccepteerd politiek handelen is in het FN.

Op 6 februari 1995 nodigt Antony de ‘bloem der natie’ uit in de Parijse Mutualité om er de mislukte fascistische couppoging van 6 februari 1934 en de terechtstelling van Robert Brasillach op 6 februari 1945 te herdenken. Niemand minder dan Maurice Bardèche, notoir fascist en schoonbroer van Brasillach, zit de ceremonie voor. Hij speelt een thuiswedstrijd voor een gevolg dat zijn ‘martelaren en heiligen’ op passende wijze eert. Een keur van ‘nationalistische’ journalisten komt aan het woord. Ze maken er geen geheim van wie ze als hun vrienden en als hun vijanden beschouwen. Anne Brassié, die de boekenrubriek in Présent voor haar rekening neemt, en Martin Peltier, hoofdredacteur van het FN-blad National Hebdo, putten zich uit in bewondering voor Brasillach, het ‘edelste voorbeeld voor ons allen’. Peltier looft zonder voorbehoud de ‘morele en fysieke moed’ van de coupplegers van 1934. Dan is Camille-Marie Galic, directrice van Rivarol aan de beurt. Het blad biedt geregeld een podium aan holocaust-ontkenners als Robert Faurisson en is berucht om zijn onverbloemd racistische rubriek‘Société plurielle’. Galic brengt hulde aan de Franse gevallenen in de Algerijnse oorlog. Tijd voor de OAS-activist Pierre Sidos, zoon van een hoge Vichy-functionaris die na de oorlog werd terechtgesteld. Pierre Sidos zelf was tijdens de oorlog lid van de Milice, en zat na 1945 gevangen in het kamp van Strutthof. Sidos heeft het publiek plat voor hij begint. Tn het kamp,’ vertelt hij, ‘kon ik me staande houden dank zij Brasillachs poëzie.’ Voor de FN-inrichters is Sidos duidelijk niet ‘fout’. Hun sympathie is merkwaardig groot voor een man die voor zijn OAS-activiteiten in 1962 in de gevangenis belandde, daarna in februari 1968 de antisemitische l'Oeuvre française stichtte, en op 14 december 1993 aangehouden werd op verdenking van het beramen van een aanslag op Patrick Gaubert, een ‘joods’ kabinetslid van minister Charles Pasqua en lid van de Liga tegen racisme en antisemitisme (LICRA).(104) De hoofdattractie van de avond is Jean Madiran. Enige nuance valt van hem niet te verwachten: ‘De burgeroorlog woedt nog steeds onverminderd en leidt tot een morele volkerenmoord,’ aldus de oud-collaborateur. De herdenking slaat om in een rite met als doel de loyauteit aan de vooroorlogse fascistische beweging te bevestigen. Ostentatief geeft Madiran de ‘fakkel van de nationale revolutie’ door aan de jonge generaties. Achter hem komt de routinier François Brigneau, die herinneringen ophaalt aan de laatste uren van Brasillach in de gevangenis van Fresnes, waar hij met de gefusilleerde dichter opgesloten zat. Hij zweept het publiek tot applaus op met de pathetische slotwoorden: ‘Ik ben een uitgeslotene en ik ben er trots op.’ Het is een hoogdag voor ‘het Franse Frankrijk’, om de geijkte term van Madiran te gebruiken.(105)

Pierre Vial komt in National Hebdo nog eens terug op de gebeurtenissen van 1934. Dit lid van het politiek bureau verstaat de kunst de historische gebeurtenissen te duiden en omschrijft de fascistische couppoging als ‘een wanhoopsdaad van eerbare burgers’(106) Hij wordt er zelfs lyrisch van en citeert Robert Brasillach: ‘Het was een prachtige revolte, een nacht vol opoffering. Deze nacht, z’n geur, z’n ijzige wind en het onverzettelijke geloof in de nationale revolutie, blijven onuitwisbaar in ons geheugen geprent.’ Volgens Vial heeft het extreem rechts op 6 februari 1934 helaas ontbroken aan noodzakelijke eenheid en aan een krachtige en lucide leiding. Vial: ‘Met het FN krijgt het Franse volk nog een laatste kans om die mankementen te verhelpen.’

Kolonialisme en racisme - Inhoud

Voor de tweede wereldoorlog wordt de ‘koloniale kwestie’ zoveel mogelijk uit de publiciteit gehouden en daarmee ontkend. Na 1945 tracht de Franse regering op dezelfde voet door te gaan. In het voormalige Indochina wordt het reeds lang bestaande vrijheidsstreven de kop ingedrukt. De latere FN-kopstukken, Roger Holeindre en Jacques Peyrat, maken deel uit van het Franse leger dat eind 1953 op het punt staat deze verkeerde oorlog te verliezen. Op dat ogenblik besluit Le Pen mee te vechten aan de kant van het koloniale leger. Maar hij is alleen nog getuige van de val van Dien-Bien-Phu op 7 mei 1954. De analyse van Le Pen luidt simpelweg: ‘De politici hebben het leger verraden.’ Samen met andere Indochina-veteranen zoekt Le Pen zijn heil bij Pierre Poujade en diens udca. De koloniale hartstochten laaien hoog op en halen extreem rechts voorgoed uit het isolement. In januari 1956 behaalt de udca n,6 procent.

Inmiddels woedt in Algerije de onafhankelijkheidsstrijd. Het kersverse Kamerlid Le Pen neemt ‘parlementair verlof’ en neemt als para in 1957 actief deel aan de ‘pacificatie’ van Algiers en het hardhandig ‘verhoren’ van ‘FLN-terroristen’. Extreem rechts rekent vooral op antidemocratische elementen in het leger om Algerije onder Frans gezag te houden en de Vierde Republiek omver te werpen. Op 13 mei 1958 komt het leger in Algiers daadwerkelijk in opstand tegen de Parijse regering. Het leidt tot de terugkeer van De Gaulle, die met een sterk presidentieel regime de Vijfde Republiek installeert. De grondwet van 1958 concentreert bijna alle macht in het Elysée. De president benoemt de eerste minister en de rest van de regering. Hij ontbindt het parlement zonder dat de regering zich daartegen kan verzetten. Hij heeft de buitenlandse politiek en de defensie onder zijn hoede en heeft de controle op de uitvoering van de wetten. Het parlement heeft zeer weinig machtsmiddelen, want de president kan zelf een referendum laten houden over elk wetsvoorstel.

Na het aantreden van generaal De Gaulle ligt Charles Pasqua mede aan de basis van de oprichting van een bijzonder merkwaardige organisatie: Service d’action civique (sac). Officieel staat de organisatie in voor de veiligheid van gaullistische politici. Maar enkele maanden na de oprichting is de sac al actief betrokken bij de strijd tegen de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging fln. Vanaf het prille begin rekruteert de sac zijn leden onder de zware jongens van het misdaadmilieu: de beruchte barbouzes.

Le Pen en zijn boezemvriend Pierre Durand liggen in 1957 aan de grondslag van het Front national des combattants. Samen met François Brigneau stichten ze in 1958 het Front national pour 1’Algérie française (fnaf). De strijd voor ‘Frans Algerije’ is een soort revanche voor sommige Vichy-aanhangers, die vinden dat niet Pétain maar De Gaulle Frankrijk verraden heeft. Zo is Victor Barthélémy, voormalige rechterhand van Doriot, een prominent lid van de fnaf. Alleen al door de wens van De Gaulle om met de Algerijnen te onderhandelen verspeelt hij de steun van de ultra’s. Op 22 april 1961 plegen de generaals Challe, Zeiler, Salan en Jouhaud een putsch. Na de mislukking hiervan ontstaat de Organisation de 1’armèe secrète (OAS). Met aanslagen op voorstanders van de dekolonisatie en een blinde jacht op Arabieren - ratonnades - zorgt de OAS voor een nooit geziene terreurgolf.

Tot het bittere einde verzet de Franse regering zich tegen de Algerijnse onafhankelijkheid. Op 17 oktober 1961 is de beruchte Vichy-collaborateur Maurice Papon als politiechef van Parijs verantwoordelijk voor het bloedige optreden tegen Algerijnen die voor onafhankelijkheid demonstreren. Tussen de honderd en driehonderd Algerijnse demonstranten worden die dag door de Franse politie gedood. Bij tientallen worden de lijken uit de Seine opgevist. Op 8 maart 1962 worden de vredesakkoorden van Evian getekend. Enkele honderdduizenden Franse kolonisten en pro-Franse Algerijnen trekken zich terug in Zuid-Frankrijk, waar ze tot de dag van vandaag een belangrijke groep van trouwe FN-kiezers vormen. Na de Algerijnse onafhankelijkheid komen de meeste kopstukken van extreem rechts en van de OAS er goed af. Alleen kolonel Jean Bastien-Thiry, die een mislukte aanslag op generaal De Gaulle pleegde in augustus 1962, niet: hij wordt op 11 maart 1963 terechtgesteld.

Le Pens ster is rijzende. Hij wordt campagneleider van de ultrarechtse presidentskandidaat Jean-Louis Tixier-Vignancour, een voormalig Vichy-topambtenaar en advocaat van de OAS-kopstukken Raoul Salan en Jean Bastien-Thiry. Tixier-Vignancour verzamelt bij de presidentsverkiezingen in 1965 5,2 procent van de stemmen. Na deze pijnlijke nederlaag valt extreem rechts langzaam uit elkaar. Een deel lost op in het gaullisme, een ander deel richt in 1964 de gewelddadige beweging Occident op. Medestichters hiervan zijn het latere FN-kopstuk Michel de Rostolan en de latere ministers in de regering-Balladur Gérard Longuet en Alain Madelin. Op 1 november 1968 wordt Occident na een aanslag op een linkse boekhandel, de zoveelste gewelddaad, verboden. Toch leidt de studentenrevolte van 1968 tot een toenadering tussen rechts en extreem rechts. In 1968 is de sac een van de instrumenten van de ‘vuile oorlog’ tegen links. De organisatie wordt omkaderd door 120 directeuren die met strakke hand leiding geven aan de clandestiene operaties van de twintigduizend leden, waarvan het gros bestaat uit misdadigers. In 1968 onderscheiden de knokploegen van de sac zich door hun aanvallen op betogende studenten en arbeiders. Op het hoofdkwartier van de sac liggen de plannen klaar om alle subversievelingen op te pakken en op te sluiten in voetbalstadions en kampen. De sac laat zich in de strijd tegen de ‘linkse subversie’ assisteren door extreem rechts, dat zijn bezwaren tegen de gaullisten tijdelijk laat varen. Deze samenwerking wordt door het gaullistische bewind beloond via een algemene amnestie voor alle OAS’ers in juni 1968.

Een stel veteranen speelt naderhand een voorhoederol in het in 1972 opgerichte FN. Pierre Sergent was bijvoorbeeld een van de deelnemers aan de mislukte coup in 1961. Nadien werd hij de bezieler van de Franse OAS-tak. Hij werd ter dood veroordeeld, maar vluchtte naar België en kreeg gratie in 1968. Andere leden en sympathisanten van de OAS, zoals Roger Holeindre, Pierre Descaves, Jean-Claude Bardet, Jacques Bompard en Christian Baeckeroot, zijn op dit ogenblik lid van het politiek bureau van het FN. Roger Holeindre vertrok in 1957 als vrijwilliger naar Algerije en werd er een ‘infiltratie-specialist van het fln’. Hij stichtte in 1962 het Maquis Bonaparte. Hij kreeg veertien jaar gevangenisstraf maar werd in 1965 vrijgelaten. Jacques Bompard stichtte het OAS-netwerk Cambronne in Montpellier. Pierre Descaves werd in 1962 kortstondig opgesloten in Saint-Maurice-L’Ardoise. Christian Baeckeroot en Jean-Claude Bardet kregen respectievelijk tweeëntwintig en vijfentwintig maanden gevangenisstraf. Een hele generatie van FN-kaders wordt door het kolonialisme getekend. Georges-Paul Wagner, advocaat van Le Pen, verdedigde een van de deelnemers aan de mislukte aanslag op De Gaulle in Petit Clamart. Bernard Antony en Marie-France Stirbois ondergaan hun politieke vuurdoop in de campagne van Tixier-Vignancour in 1965.

Geen wonder dat De vijftig maatregelen om het immigratieprobleem op te lossen, een programma dat het FN in november 1991 publiceert, veel overeenkomst vertoont met de racistische ideologie van het koloniale verleden. De koloniale rechtvaardiging voor de onderdrukking van gekleurde volken wordt op subtiele wijze gereproduceerd. Migranten horen niet thuis in de Franse natie, dat is uitgangspunt en conclusie bij zowat elk programmapunt dat het FN over dit onderwerp ontwikkelt. Hoe dubieuzer en antidemocratischer het nationalisme is, hoe natuurlijker het moet lijken. ‘De natie als familie’ is een functie die het FN diep in het bewustzijn van de publieke opinie probeert te hameren. De natie komt voort uit moeder natuur of uit de mist der tijden en nationalisten graven diep in de geschiedenis om zich te legitimeren. Hoe ouder de stamboom en hoe dieper de wortels, des te evidenter lijkt het antidemocratische nationalisme. Yvan Blot: ‘Het natie-idee stamt uit het tijdperk van de Griekse stadstaten. De stad werd gezien als één grote familie van vrije mensen en Solon had het onderscheid tussen verschillende stammen vervangen door een nieuw onderscheid, dat van de burger versus barbaar. Thans wil men dit onderscheid van tafel vegen en het stammodel weer invoeren.(107)

‘Stam’ en ‘stammenstrijd’ zijn typisch koloniale termen.

Kolonialisme en racisme zijn niet mogelijk zonder dergelijke stereotypen die rechtstreeks of onrechtstreeks op inferioriteit duiden. In de visie van het FN moet een multiculturele samenleving onherroepelijk uitlopen op een stammenoorlog. De deportatie van minderheden op grote schaal wordt bijgevolg als een humanitaire operatie beschreven. De ondergrens van wat acceptabel is, wordt door Bernard Antony bereikt: ‘Door de migranten te repatriëren, voorkomen wij een algemene wanorde en chaos, de terugkeer naar een in stamverband georganiseerde planeet, waar etnische clans en troepen zwervende nomaden in uitgestrekte, ongedifferentieerde ruimten elkaar van getto tot getto beloeren.(108)

De oude koloniale spoken komen weer tot leven begin 1992. Op dat ogenblik annuleert de Algerijnse regering de tweede ronde van de parlementsverkiezingen. Het fundamentalistische Islamitisch Reddingsfront (FIS), dat in de eerste ronde bijna 50 procent van de stemmen kreeg, wordt buiten de wet gesteld. Oude revanchegevoelens wellen spontaan op. Le Pen kiest partij voor het FIS tegen het Nationale Bevrijdingsfront (FLN). ‘Het dictatoriale bewind van de socialistische kolonels, die dertig jaar lang Algerije besturen, heeft dit land ten gronde gericht en is er de oorzaak van dat het volk in opstand is gekomen,’ zegt Le Pen.(109) Hij betreurt de militaire staatsgreep en het onderbreken van het ‘democratische proces’. ‘De wil van het Algerijnse volk moet geëerbiedigd worden.’

Bernard Antony noemt de ‘overhaaste’ dekolonisatie een ‘echte misdaad tegen de mensheid.’(110) In zijn visie had de koloniale politiek een louter humanitair doel: vooruitgang en welvaart brengen. ‘In 1962 was Algerije, ondanks acht jaar van terreur, nog een schitterend land met zijn onvergetelijke landbouw, schitterende steden, wegen, havens en vliegvelden. Algerije was rijker en meer ontwikkeld dan Zuid-Korea,’ aldus Antony.(111) Antony rept niet over het eigen voordeel van de kolonisator, hoewel dit vanaf het begin ongetwijfeld de voornaamste drijfveer is geweest.

Van Franse slachtingen wordt evenmin melding gemaakt. Antony herinnert zich enkel de ‘barbarij’ van het fln, dat hij schuldig acht aan de ‘uitroeiing van honderdvijftig tot driehonderdduizend Fransen en harkis (pro-Franse Algerijnen), eindeloze moordpartijen gepaard met de ergste martelingen en de meest macabere vertoningen.’ In zijn typische stijl concludeert hij: ‘Dertig jaar later, heeft de ontmoeting tussen socialisme en islam van Algerije een regelrecht derde-wereldland gemaakt. De stranden zijn vervuild, de steden zijn nachtmerries. Terwijl de Koran overal doordringt, doet de elektriciteit dat minder en minder.’ Antony verzet zich categorisch tegen de opneming in Frankrijk van ‘Algerijnse terroristen van gisteren, die verjaagd zijn door die van vandaag.’ Het FN stelt dat Algerijnse vluchtelingen moeten worden opgevangen in andere Noordafrikaanse landen en dat iedere politieke samenwerking met Algerije moet gebaseerd zijn op de repatriëring van de ‘eigen onderdanen’.

Er ligt een historische lijn tussen de koloniale politiek en de anti-migrantenstandpunten, die het eerste hoofdstuk vormen van het op 15 februari 1993 gepubliceerde politieke programma van het FN, Driehonderd maatregelen voor de hergeboorte van Frankrijk.(112) Het FN stelt ‘de bende van vier’, codewoord voor de traditionele partijen, verantwoordelijk voor de dertig jaar durende ‘invasie van zeven miljoen migranten’ (het officiële instituut insee schat het aantal migranten in 1991 op 4,2 miljoen) die een bedreiging vormen voor de ‘nationale identiteit, veiligheid en soevereiniteit’ en de Franse staat jaarlijks 210 miljard Franse frank zouden kosten. Kortom, het FN ziet zijn beleid ten aanzien van immigranten vanuit het perspectief van ‘nationale veiligheid’. Dat is ook de reden waarom het FN de beurs, in Frankrijk geboren kinderen van Algerijnse migranten, ongeschikt acht voor militaire dienst. ‘Ze vormen een ideale vijfde colonne,’ stelt Le Pen.

Het FN wordt in deze zaken niet alleen in beslag genomen door de nationale veiligheid maar ook door ideeën en sentimenten van etnische zuivering. De partij wil de nationaliteitswet ingrijpend veranderen. Nu hebben kinderen, mits ze geboren zijn op Frans grondgebied, automatisch recht op de Franse nationaliteit. Dit ‘recht van de grond’, moet het veld ruimen voor het ‘recht van het bloed,’ net zoals onder het Vichy-bewind. Daardoor zijn alleen kinderen van Franse ouders ‘Frans’. Wie wil worden genaturaliseerd, moet eerst zijn vorige nationaliteit verzaken. Bovendien moet de kandidaat tijdens een proefperiode bewijzen dat hij de status van Fransman en de achting van de nationale gemeenschap waardig is.

Tegelijk met een politiek van terugkeer van migranten wil het FN een regime van apartheid introduceren. Voor sociale woningen, openbare scholen, sociale hulp en banen zal het FN de voorkeur geven aan ‘zuivere Fransen’ boven immigranten, zelfs als zij in het bezit zijn van de Franse nationaliteit. Familiehereniging en asielrecht zijn uit den boze. Niet zonder cynisme stelt het FN dat familiehereniging voortaan in het land van herkomst moet plaatsvinden en dat het aantal ‘echte politieke vluchtelingen’ moet worden beperkt tot enkele honderden per jaar. Migranten mogen slechts onder strikte voorwaarden een moskee bouwen of een huis kopen. Niet-Europeanen krijgen een apart stelsel van sociale zekerheid. Ze ontvangen geen kinderbijslag of bijstanDSUitkering (rmi). Werkgevers moeten voor buitenlandse werkkrachten een speciale belasting betalen, waarmee hun repatriëring kan worden gefinancieerd. Niet-Europese toeristen moeten voor aankomst aan de grens een ‘voldoende borg’ storten. Het FN wil de akkoorden van Schengen opzeggen en de grenscontrole verscherpen. De grondwet staat een dergelijke aanpak van rassendiscriminatie niet toe en daarom wil het FN het beginsel van ‘nationale voorkeur’ inschrijven in de preambule van de nieuwe grondwet.

Het politieke programma verschijnt niet toevallig aan de vooravond van de parlementsverkiezingen van maart 1993. Daarin vermorzelt de conservatieve meerderheid de socialistische oppositie.

Het FN krijgt door het meerderheidskiesstelsel geen enkele zetel in het parlement. Na de conservatieve zege neemt de verrechtsing van het politieke klimaat langzaam maar zeker toe. Het proces is weliswaar geleidelijker en minder spectaculair dan de komst van de neofascistische ministers in de Italiaanse regering, maar niet minder doeltreffend. Een van de drijvende krachten daarachter is de invloedrijke minister van Binnenlandse Zaken Charles Pasqua, die in 1987 toegaf dat hij ‘een aantal waarden’ deelde met het FN.

Dat de ideologische uitwisseling met extreem rechts eerder groter dan kleiner wordt, onderstreept Charles Pasqua al onmiddellijk na zijn aantreden. Op 2 juni 1993 verklaart Pasqua in een interview met Le Monde dat hij een beleid van ‘nul-immigratie’ wenst. De immigratie bedreigt de natie, dat is de boodschap van de strenge wetten die Pasqua medio 1993 door het parlement jaagt. Op vrijwel alle terreinen wordt het verblijf van buitenlanders in Frankrijk lastiger gemaakt. Wie met een Frans staatsburger huwt, krijgt niet meer automatisch de Franse nationaliteit, maar moet een jaar wachten. In Frankrijk geboren kinderen van buitenlanders moeten tussen hun achttiende en eenentwintigste jaar een verzoek doen om de Franse nationaliteit te verkrijgen. Die kan nu ook worden geweigerd als er een gevangenisstraf van meer dan zes maanden op het strafblad van de aanvrager staat. Gezinshereniging is pas mogelijk na twee jaar in plaats van één jaar. Het gezinshoofd moet over een woning van voldoende oppervlakte en een toereikend inkomen (buiten uitkeringen) beschikken. De overheid zal de plaatselijke burgemeester om advies moeten vragen, wat naar verwachting veelal negatief zal uitvallen, omdat veel gemeenten buitenlanders liever weren. Alleen met een geldige verblijfsvergunning is nog een sociale uitkering te krijgen. Met deze benadering tracht de nieuwe regering de oppositie van het FN te matigen.

Maar Le Pen voelt weinig voor matiging. Tijdens het ‘blauw-wit-rode’  partijfeest, genoemd naar de Franse driekleur, dat op 24 en 25 september 1993 plaatsvindt in de bossen van Vincennes, wijst Le Pen met nadruk erop dat ook centrum-rechts geen oplossing heeft voor het ‘probleem van de immigratie’. In de centrale aanmeldingstent staat te lezen: ‘In het Frankrijk van Balladur en Pasqua wordt iedere vijf minuten een buitenlander tot Fransman genaturaliseerd.’ De regering-Balladur is volgens Le Pen nog erger dan de socialistische voorgangers. De rechtse media negeren het FN in de hoop dat de partij in een politiek luchtledige terechtkomt. Dat wekt Le Pens woede op. ‘Wij worden behandeld als derderangsburgers, de pers zwijgt ons dood,’ aldus Le Pen. De machtsverovering zal volgens hem bruusk zijn: ‘Wij glijden steeds dieper in de economische en morele crisis, waarvan het einde nog niet in zicht is. Het zal tot een echte rampsituatie komen, waarin onze beschaving op het spel staat.’ Dan, nog voor het eeuwwende, meent Le Pen, als de traditionele partijen zijn uitgeput, zullen de Fransen het FN als enig resterend alternatief aan de macht helpen. Op de massale slotmeeting wordt zijn onheilsvisie met luid gejuich ontvangen.

In de feesttent liggen, naast de kaas en wijn, minder onschuldige waren schaamteloos uitgestald: antiquarische werken van verstokte collaborateurs als Jacques Doriot en Drieu la Roebelle, plaatjesboeken over de Duitse nazi-kunst en studies over de ‘bruine revolutie’ in het Derde Rijk. Na de kritiek in vorige jaren zijn werken als Mijn Kamp en de meest rabiaat antisemitische geschriften nog slechts ‘onder tafel’ te verkrijgen, maar op de toonbank prijken nog genoeg brochures en boeken waarin het ‘kosmopolitische’ kapitaal en de joodse lobby worden aangewezen als de wortels van het kwaad in de westerse beschaving. De jongerenorganisatie fnj, geleid door Le Pens schoonzoon Samuel Maréchal, verkoopt T-shirts met de afbeelding van Rudolph Hess en aanstekers met de tekst ‘Viva il Duce’.(113)

Charles Pasqua, de ex-chef van de gaullistische knokploeg sac, is voorstander van een ‘harde aanpak’ van criminelen, migranten en terroristen - drie categorieën die hij wel eens durft verwarren. Eind oktober 1993 worden drie leden van het Franse consulaat in Algiers ontvoerd door fundamentalisten. Na een week komen de betrokkenen gezond vrij. Pasqua reageert op 9 november 1993 met het verbod van een aantal islamitische publikaties en met razzia’s van de anti-terreurbrigade onder de Algerijnse bevolkingsgroep. Door bij voorbaat alle belijdende islamieten op één hoop te vegen en ze nu feitelijk het etiket van terrorist op te plakken, snijdt Pasqua zich iedere uitweg af.

Het FN is in zijn schik als pressiegroep die de regering in het algemeen en minister Pasqua in het bijzonder tot een radicalere politiek wil dwingen. Op 10 november 1993 doen Bernard Antony en Le Pen op een vergadering van Eurorechts in Toulouse Pasqua’s actie af als een ‘operette’ en een ‘puur electorale stunt’(114). Le Pen haalt nogmaals uit naar het fln, dat volgens hem een ‘tweede Algerijnse oorlog’ heeft ontketend, waarin het ondanks de steun van de Franse regering onverbiddelijk in het zand zal bijten. Alain Sanders, boegbeeld van Antony’s Chrétienté-Solidarité, zet nu de ware ‘helden’ van ‘Frans Algerije’ op een voetstuk. Hij wijdt in Présent lovende artikelen aan Bastien-Thiery, die in 1962 een aanslag pleegde op De Gaulle, en aan de nazi Christian de la Mazière, auteur van het roemruchte Le rêveur casqué.(115) Antony’s Algemene Alliantie tegen het Racisme en voor het Respect van de Franse Christelijke Identiteit (agrif) voert de aanvallen op het ‘antichristelijke en anti-Franse racisme op. ‘Door een vreemd soort omgekeerd racisme vervolgt het gerecht niet het enige echte racisme, het gluiperige allesvernietigende antichristendom op radio en t.v.,’ aldus Antony. agrif reageert steeds agressiever. Volgens Antony heeft zijn organisatie in 1993 zo’n vijftig processen gewonnen, agrif kan rekenen op de steun van een staf advocaten onder wie de verdediger van de oorlogsmisdadiger Paul Touvier.(116)

Begin 1994 voert minister Charles Pasqua de strijd tegen de immigratie op. De bezorgdheid daarover bij zijn conservatieve achterban wordt mede gevoed door de aanstaande inwerkingtreding van het Akkoord van Schengen. Dat maakt een vrij personenverkeer binnen de lidstaten mogelijk. De keerzijde van Schengen is een intense Europese politiesamenwerking en afbraak van het asielrecht. Een tweede asielaanvraag in Frankrijk, na een eerdere afwijzing door een van de Europese lidstaten, zal in de toekomst niet meer mogelijk zijn. De grondwet wordt in die zin eind 1993 aangepast. Bovendien roept Pasqua midden januari 1994 een speciale immigratiepolitie in het leven die de bewegingen van buitenlanders beter in de gaten moet houden.(117) Zo schept hij langzamerhand een klimaat waarin rechts extremisme kan gedijen en oude revanchegevoelens weer opbloeien.

Op 20 januari 1994 organiseert de ex-OAS’er Roger Holeindre, de leider van de Cercle national des combattants (CNC), een groepering van veteranen uit de koloniale oorlogen, een bijeenkomst in de Parijse Mutualité onder het motto ‘Noch fln, noch fis. Frankrijk voor de Fransen’. Duizend aanwezigen horen met stijgend enthousiasme Bruno Gollnisch declameren: ‘Buitenlanders krijgen een maand de tijd het land te verlaten, zo niet zijn ze verantwoordelijk voor hun gewelddadig einde.’ Pas na een poos krijgt het publiek in de gaten dat Gollnisch bij wijze van grap voorleest uit een brief die afkomstig is van de ontvoerders van de drie medewerkers van het Franse consulaat. De toon is gezet. Holeindre trekt fel van leer tegen het ‘terroristische fln’. Hij hamert op de ‘historische leugens die tot aan de dag van vandaag worden volgehouden’ en spreekt over de komst van Algerijnse vluchtelingen als een slag in het gezicht van de oorlogsveteranen. Hij maakt de Algerijnse premier uit voor een ‘stuk vuil’ en noemt De Gaulle een landverrader. ‘Het leger heeft de oorlog gewonnen, maar de politici hebben het leger in de rug geschoten.’ En de ex-OAS’er verzucht: ‘Met de Sahara en de grote olievelden zou Frankrijk nu een grote mogendheid zijn en zouden de immigranten van Europa richting Noord-Afrika trekken.’ Le Pen zet het orgelpunt. Hij waarschuwt dat het niet aan het FN is om partij te trekken in het conflict tussen FLN en FIS en dat het FN zich uit alle macht zal blijven verzetten tegen de komst van Algerijnse vluchtelingen.

Voor de sociale ellende in de banlieues, waar het merendeel van de immigranten opeengepakt woont, heeft het FN geen oog. Gebroken gezinnen, criminaliteit, drugsgebruik en een werkloosheid die in sommige wijken de vijftig procent overstijgt, maken de toekomst voor de jongeren uitzichtloos.(118) Achthonderd wijken zijn begin 1994 door de regering-Balladur tot ‘noodgebied’ verklaard, een verdubbeling in één jaar, met een vrijwel gelijk gebleven budget. In de betonnen buitenwijken groeit de onvrede nog steeds. Vrijwel wekelijks komt het ergens in de buitenwijken tot ernstige rellen. De pers besteedt hieraan hooguit enkele alinea’s in de rubriek faits divers, behalve als er doden vallen. Eind januari 1994 beleeft Rouen drie hete nachten waarin jongeren de politie te lijf gaan met brandbommen en keien. Aanleiding is de dood van een Senegalees door een politiewapen. Kort daarop is het opnieuw raak, in allerlei universiteitssteden en in Parijs, wat altijd een reden is tot uitvergroting in de media. Eerst is er massaal protest tegen de maatregel van de regering-Balladur om het katholieke privé-onderwijs ruimere financiële armslag te geven ten koste van het staatsonderwijs. Eind februari 1994 breekt een echte jongerenrevolte uit tegen het voornemen van de regering om een minimumjeugdloon in te voeren, waardoor werkloze jongeren in feite tot goedkope werkkrachten worden gedegradeerd. Begin maart 1994 leidt de dood van Philippe Huynh, een zestienjarige Fransman van Vietnamese afkomst, tot een uitbarsting van onvrede.

Het FN maakt van deze gelegenheden gebruik om het register van de vreemdelingenhaat en de ‘onveiligheid’ te bespelen. De migrantenkinderen worden verantwoordelijk gesteld voor het kwaliteitsverlies van de openbare school. ‘In heel wat scholen in onze buitenwijken heerst de wet van de jungle,’ zegt Martine Lehideux. ‘In bepaalde lycea kan men wel zestig verschillende nationaliteiten aantreffen. De orde die daar heerst is niet die van de leraren, want die zijn onderhand bang voor hun eigen leerlingen. Nee, daar zwaaien de bendeleiders, de drugshandelaars de scepter! Er gaat geen week voorbij of er vindt wel een verkrachting of een moord plaats in die beruchte onderwijsinstellingen.(119) Over het bij werken van immigrantenkinderen door bijvoorbeeld gedeeltelijk onderwijs in de moedertaal zegt het Europarlementslid Jean-Claude Martinez honend: ‘Voor de Turken uit bepaalde valleien die zich al fluitende uitdrukken, zullen de docenten een fluitje nodig hebben.’(120) Ook de jongerenorganisaties fnj en Renouveau étudiant (re) zingen hetzelfde liedje. FNj-leider Samuel Maréchal: ‘Onze scholen zijn het terrein geworden van diefstal, verkrachting en drugshandel.(121) De schoonzoon van Le Pen stelt een reeks ‘dringende veiligheidsmaatregelen’ voor: intense samenwerking tussen politie en schooldirectie, voorbeeldige bestraffing van ‘belhamels’, invoering van een speciale pas zodat ‘vreemde elementen’ makkelijker uit de school kunnen worden verwijderd, installatie van metaaldetectors aan de schoolpoorten om wapens te onderscheppen en effectieve bestrijding van de immigratie.(122)

Midden augustus 1994 geeft minister Pasqua opdracht tot massale identiteitscontroles, nadat in een beschermde woonwijk voor Frans ambassadepersoneel in Algiers een aanslag gepleegd werd door de gia (Gewapende Islamitische Groepen), waarbij vijf Fransen omkwamen. In zes achtereenvolgende nachten worden zo’n zestienduizend mensen met Arabisch uiterlijk gecontroleerd.(123) Het lijkt wel de staat van beleg. Ook het FN is in de greep van de Algerijnse dreiging. Het kwalificeert Pasqua’s operatie als ‘ruim onvoldoende’. Op 22 oktober 1994 organiseert de ex-OAS’er Roger Holeindre opnieuw een bijeenkomst met als thema’s: ‘Noch FIS, noch FLN’ en ‘Strijden tegen de invasie’. Het FN heeft een goed ontwikkeld gevoel voor symboliek. Holeindre en andere leden van het politiek bureau leggen de volgende eed af: ‘Ik zweer trouw aan de verzetsbeweging die vecht tegen een nieuwe invasie en beschouw mij als erfgenaam van de soldaten van 1914, van de strijders voor het schone Frankrijk uit 1934 en van de verzetslieden uit 1944.(124)

Op hetzelfde ogenblik wijdt het theoretische FN-blad Identité, waarvan de ex-OAS’er Jean-Claude Bardet hoofdredacteur is, een nummer aan het ‘oude en nieuwe kolonialisme’.(125) Identité houdt de mythe van de Franse beschavingsmissie hardnekkig overeind: ‘Het kolonialisme bracht orde, rechtvaardigheid, welvaart en vrede. De dekolonisatie veroorzaakte daarentegen chaos, miserie, honger en oorlog,’ aldus het blad. Vooral het Franse kolonialisme wordt geprezen, want het zorgde voor tweeduizend dispensaria en veertig hospitalen in zwart Afrika. Aan de grove manifestaties van racisme en economische uitbuiting gaat Identité voorbij. Het publiceert een interview met de universitair Bernard Lugan, een vurig verdediger van het Zuidafrikaans apartheidssysteem. ‘Als Afrika aan de grond zit, dan is dat alleen de schuld van de Afrikanen,’ aldus Lugan. Hij steekt de draak met ‘de mythe van de koloniale uitbuiting.’ ‘De koloniën hebben meer van ons gekregen dan zij ooit hebben teruggegeven,’ zegt Lugan. Volgens hem moet Frankrijk ophouden met ontwikkelingshulp in het Afrikaanse bodemloze vat te stoppen. Zeer voorzichtig wordt gedacht aan een rekolonisatie. ‘Wij spreken ons uit voor een beleid dat is gebaseerd op de van edelmoedigheid getuigende terugkeer van onze naties naar de volkeren die daar behoefte aan hebben. De westerlingen moeten ter plaatse toezicht houden op de officiële steun en voorkomen dat de ontwikkelingshulp terechtkomt bij mensen waar hij niet voor bestemd is,’ aldus Bernard Antony.(126)

Het FN doet geen moeite om zijn koloniale gevoelens te verbergen. Het wil koste wat het wil de Franse belangen veilig stellen in de ‘overzeese gebiedsdelen’: Martinique, Guadeloupe, Nieuw-Caledonië, Frans-Polynesië en Réunion. Huguette Fatna, de FN-verantwoordelijke voor deze gebieden, tracht het ‘een-natiegevoel’, het sentiment van nationale saamhorigheid te bevorderen. ‘De bewoners zijn geheel volwaardige Franse staatsburgers,’ aldus Fatna. Ze kan evenwel niet verbloemen dat het FN voorbijgaat aan het recht van de Polynesiërs om te beschikken over hun eigen gebied en natuurlijke rijkdommen.(127) Het Franse koloniale rijk heeft een immense oppervlakte en geeft Frankrijk de illusie van een ‘grootmacht’ te zijn. Het is vooral dat geopolitieke argument waarvan het FN zich graag bedient om zich tegen de onafhankelijkheid van de laatste koloniën te verzetten. Ondanks een afstand van vele duizenden kilometers beschouwt het FN de koloniën wel degelijk als achtertuin. Frans-Polynesië is teruggebracht tot een toeristische trekpleister. De Franse overheersing heeft de traditionele economie geheel vernietigd, zodat tachtig procent van het voedsel moet worden geimporteerd. Erger nog, het FN wil er onmiddellijk de kernproeven hervatten. Het FN wil ook de greep van Parijs op het plaatselijk bestuur nog vergroten. Op dit ogenblik wordt Frans-Polynesië bestuurd door een Franse hoge commissaris en heeft de lokale volksvergadering hooguit een symbolische bevoegdheid.

Tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen in 1995 gebruikt het FN volop de Algerijnse kwestie. Le Pen lonkt naar de pieds noirs (de Franse kolonisten) en hun gezinnen. Ontheemd, berooid, zonder toekomstperspectief hebben zij volgens Le Pen Frankrijk grote economische diensten bewezen. In een interview met de ex-OAS’er Pierre Descaves dat in National Hebdo verschijnt, eist Le Pen officieel eerherstel voor de veteranen van ‘Frans Algerije’. De omgekomen militairen wil hij eren met de titel ‘gestorven voor Frankrijk’. Le Pen bevestigt ten slotte dat de pieds noirs recht hebben op algehele schadevergoeding voor het verlies van hun bezittingen in de voormalige kolonie.(128)

Nog in volle verkiezingsstrijd verspreidt het FN een pamflet waarvan de titel boekdelen spreekt: ‘Breidt de Algerijnse oorlog zich weldra uit naar Frans grondgebied?’ met als ondertitels: ‘De immigranten bewapenen zich in die woonwijken waar de politie niet meer komt’, ‘Gisteren jonge immigranten, vandaag militante moslims, morgen islamitische terroristen?’ en ‘Immigrantenverenigingen organiseren ondergrondse netwerken’.(129) Kortom, immigranten zijn ‘vijanden’ en ‘potentiële terroristen’. Het FN bereidt zich voor op een gewelddadige pacificatie, het enig overblijvende antwoord. Het vermogen gelijktijdig twee oorlogen te voeren, tegen de binnen- en buitenlandse vijand, is het uitgangspunt van de militaire strategie van het FN. Militaire actie tegen migranten acht Le Pen in de nabije toekomst onafwendbaar. ‘Wat staat het leger te doen als morgen een opstand uitbreekt in vijftig migrantenwijken? Het huidige leger heeft een dergelijk scenario nog niet onder ogen gezien. Wij daarentegen wel.(130)

Voor het eerst legt het FN haarfijn uit hoe het de terugkeer van de migranten zal organiseren. Le Pen laat weten dat hij als president onmiddellijk een referendum zal uitschrijven over de vraag: ‘Wenst U dat de immigranten blijven of vertrekken?(131) Een referendum voorafgegaan door een maandenlange campagne waarin iedereen elkaar de waarheid zal zeggen en de vreemdelingenhaat als het ware op straat komt te liggen. Verder wil het FN drie miljoen ongewenste vreemdelingen in de komende zeven jaar per charter uitzetten. Bruno Megret verwacht op korte termijn resultaten als Frankrijk zijn voorstellen in de praktijk brengt. Frankrijk mag niet langer de ‘sociale manna uit de hemel laten dalen, zodat vreemdelingen tienmaal zoveel verdienen met te luieren als met te werken in hun land van herkomst,’ zegt Mégret schamper. Voorts wil Mégret ‘illegalen, criminelen en delinquenten’ zonder discussie verwijderen en de verblijfsvergunning van tien jaar intrekken en vervangen door een van een jaar. Deze verblijfsvergunning zal niet worden verlengd voor werkloze migranten. Afgezien van de vraag hoe hij zijn plannen denkt te kunnen uitvoeren zonder grootscheepse razzia’s en geweld valt Bruno Mégret op door zijn rekenkundig vernuft. ‘We zullen er jaarlijks 400.000 per vliegtuig repatriëren,’ rekent hij voor, ‘dat betekent 1200 per dag. Een belachelijk aantal gelet op de 1400 lijnvluchten die Frankrijk dagelijks verwerkt.’ De jonge beurs, ook al bezitten ze de Franse nationaliteit, worden samen met hun ouders gedeporteerd. ‘Zo delen ze het lot van de Franse kolonisten in de jaren zestig,’ sneert Megret.(132)

Ideologische uitwisseling met extreem rechts is ondertussen aan de orde van de dag. Halverwege 1995, een maand na het FN-succes in de gemeenteraadsverkiezingen, laat de kersverse regering-Juppé zich souffleren door Mégret. Vanaf 15 augustus 1995 zullen illegale vreemdelingen wekelijks per charter het land uitgezet worden.(133)

De Zesde Republiek - Inhoud

Lang had het er alle schijn van dat de wereldvisie van het FN ophield bij zijn anti-migrantenstandpunten. Begin 1993 maakt het FN een eind aan dat misverstand. Het publiceert zijn nieuwe programma Driehonderd maatregelen voor de hergeboorte van Frankrijk. ‘Het FN of de barbarij,’ luidt het in de inleiding. Volgens de partij is de natie doodziek. ‘Zoals een ziek lichaam antistoffen produceert om er bovenop te komen, zo heeft de natie het FN voortgebracht om haar van alle kwalen te bevrijden.’ De notie van democratie is zoekgeraakt. ‘We leven onder het totalitaire bewind van een oligarchie, die zich laat leiden door de mensenrechten en het mondialisme,’ klinkt de diagnose kort samengevat. Het FN bezweert het volk dat enkel een ingrijpende operatie het land nog kan redden. Het moment is aangebroken het ‘oude regime tot de grond toe af te breken.’ Een nieuw systeem, gebaseerd op het ‘nationale alternatief’ moet daarvoor in de plaats komen. Met de ‘driehonderd maatregelen’ als leidraad mengt het FN zich in alle maatschappelijke debatten.

Begin 1994 tracht de regering het katholieke privé-onderwijs ruimere financiële armslag te geven ten koste van het openbaar onderwijs door te sleutelen aan de wet-Falloux. Op 16 januari 1994 is er in Parijs een demonstratie met 300.000 deelnemers voor de bescherming van de onafhankelijke, openbare school. Tot ergernis van het FN krabbelt de regering daarop terug. De publieke school kan bij het FN geen goed meer doen. Onder de dekmantel van ‘herstel van de neutraliteit van het publiek onderwijs’ en ‘gelijke behandeling van alle onderwijsnetten’ wakkert het FN de eeuwenoude schoolstrijd aan, waarvan de basis ligt bij de officiële scheiding van kerk en staat na de Franse revolutie. De democratisering van het onderwijs is steeds een hooggestemd ideaal geweest bij links. In twee eeuwen is veel bereikt. De openbare school is bestemd voor iedereen en bovendien kosteloos. Maar ze moet afrekenen met bezuinigingen en met andere maatschappelijke verschijnselen: probleemkinderen die schoolmoe en zelfs gewelddadig zijn, kinderen van gescheiden of werkloze ouders. Het FN ziet deze problemen niet als een bijprodukt van de crisis, maar als het gevolg van ‘misplaatst gelijkheidsdenken’, ja zelfs van een ‘vrijmetselaarskomplot’. ‘Links doet alsof de scholen een enorme toverketel zijn, waarin onze kinderen worden ondergedompeld om er helemaal overeenkomstig de linkse kijk op de dingen weer uit te komen. Onder het voorwendsel dat bij hen respect voor de medemens wordt ontwikkeld en vooroordelen worden bestreden, worden ze zodanig met de ideologische draaizeef gepureerd tot ze politiek correct zijn,’ meent Martine Lehideux.(134) Volgens Jean Madiran leidt de vrijmetselarij tot het fiasco van het openbaar onderwijs. Tn 1927 schreef Charles Maurras dat 10 procent van de Fransen ongeletterd was. Nu ligt het aantal ongeletterden veel hoger,’ zegt Madiran smalend.(135) Maurras schreef in juni 1940: ‘Het onderwijs moet bovenal nationaal zijn, want niets gaat boven Frankrijk.’ Het FN denkt er nog net eender over.

Om een eind te maken aan de ‘kosmopolitische en socialistische hersenspoeling’ wil het FN de openbare school bevrijden uit de ‘greep van de vakbonden’. De ouders krijgen een schoolcheque om de studiekosten van hun kind te dekken. Het FN hoopt daardoor de trek van het staatsonderwijs richting privé-onderwijs - voor 95 procent rooms-katholiek - te bevorderen, want de ouders moeten stevig dokken om hun kinderen naar privé-scholen te sturen. Volgens het FN moet de overheid het onderhoud van de privé-scholen voortaan volledig of grotendeels subsidiëren. Verder moeten de leraren ‘oorspronkelijke Fransen’ zijn en moet de ‘antinationale desinformatie’ in de lessen geschiedenis en moraal vervangen worden door opvoeding in ‘burgerzin’ en studie van de ‘glorierijke bladzijden van de vaderlandse geschiedenis’.

Het FN wil het al zeer selectief onderwijssysteem nog versterken door meer nadruk te leggen op de examens en op het belonen van individueel succes. Voor de achterblijvers heeft het FN een troostprijs: ‘herwaardering van de eenvoudige handarbeid’. ‘Handarbeid is niet minder edel dan de pen voeren,’ zo herinnert Présent aan de woorden van Pétain.(136) Het prestige van de universiteiten is volgens het FN sterk in waarde gedaald doordat te veel scholieren kunnen deelnemen aan het toelatingsexamen. Het FN eist een strikt toelatingsbeleid en strengere normen voor de studiebeurzen. Daardoor zullen het doorgaans de kinderen van de beter gesitueerden zijn die tot de grote universiteiten doordringen. De universiteiten moeten deels zichzelf bedruipen door winstgevende contracten met de bedrijfswereld te sluiten. Het FN wil overigens naar eigen zeggen 65 miljard Franse frank bezuinigen in het onderwijs. Het ligt voor de hand dat de uitvoering van deze plannen zal leiden tot een Amerikaans stelsel met een aantal dure privé-scholen en veel publieke scholen waar het onderwijs vaak een stuk minderwaardig is.

De hervorming van het onderwijs is in de visie van het FN onderdeel van de strijd voor ‘een herstel van de oude waarden’. De familie moet opnieuw de hoeksteen van de samenleving worden. De partij heeft een aantal maatregelen in petto, die het stichten van grote gezinnen stimuleren. Er dient een moederschapsloon te komen voor de thuisblijvende moeder, die daarnaast ook recht krijgt op een behoorlijk eigen pensioen en andere speciale tegemoetkomingen, onder meer inzake tewerkstelling °P latere leeftijd. Grote gezinnen krijgen goedkope leningen en voorrang bij de toewijzing van woningen. Het FN wil een ‘meervoudig stemrecht’ invoeren, waarbij ouders bij verkiezingen over extra ‘kinderstemmen’ beschikken. Het FN wil ongehuwd samenleven fiscaal en sociaal ‘ontmoedigen’. Bij de partij spelen demografische overwegingen mee die minstens zo belangrijk zijn als economische argumenten. Het FN wil een eind maken aan de ‘demografische ondergang’ van de Franse natie en aldus immigratie overbodig maken.

Behalve de traditionele familiewaarden wil het FN ook de ‘onschendbaarheid van het ongeboren kind’ verdedigen. De abortuswet van 1975 is volgens het FN van de eerste tot de laatste letter een schepping van de ‘vrijmetselarij’. In zijn officiële programma stelt het FN zich voorzichtig op uit vrees potentiële kiezers voor het hoofd te stoten, maar woordvoerders van de katholiek-integristische stroming houden zich niet in. Voor Présent en voor Martine Lehideux, die voorzitter is van de Vrouwenliga van het FN, is abortus een vorm van moord. Ze eisen afschaffing van de wet-Veil en strafrechtelijke onschendbaarheid voor anti-abortuscommando’s. Georges-Paul Wagner, advocaat van Le Pen, gaat nog een stap verder. Op 5 maart 1994 is Wagner gastredenenaar op het congres van 1’Action familiale et scolaire (afs), een groep die gelieerd is aan de integristisch-katholieke organisatie ictus. De voorzitter van afs, admiraal Berger, verdedigt de ‘natuurlijke orde’, zoals die bestond onder de katholieke koningen voor 1789.(137) In zijn toespraak betoogt Wagner dat de Franse revolutie de eeuwenoude familiale orde heeft vernietigd door het erkennen van het recht op echtscheiding en het ondermijnen van het ouderlijke gezag. Hij stelt met afgrijzen vast dat onder Jacques Chirac en Valéry Giscard d’Estaing de echtscheidingswet nog versoepeld werd. ‘De rechtse politici van de Vijfde Republiek kunnen alleen de beurs en de banken verdedigen, maar niet de natuurlijke orde,’ concludeert Wagner.(138)

Georges-Paul Wagner, Jean Madiran en Bernard Antony, allen lid van het politiek bureau van het FN, verwerpen ontegensprekelijk de democratie. Ze willen een autoritaire staat vestigen die gefundeerd is op de Tien Geboden. In hun visie bepaalt God wat goed en slecht is, wat geoorloofd is en wat niet. Madiran schrijft in zijn boek La République du Panthéon: ‘De moderne democratie is het instrument van het internationale socialisme en het anonieme, vaderlandsloze kapitalisme.’ En Antony voegt eraan toe: Tn werkelijkheid loopt de afkondiging van de mensenrechten zonder God - om de mooie formulering van Jean Madiran te gebruiken - vooral uit op een intellectuele dooltocht, van het absurde van Albert Camus naar de afschuw van Sartre via het nihilisme van Kafka om te eindigen in de vertwijfeling van de mensheid. Om de mensen opnieuw hoop te geven, moet de natuurwet opnieuw worden onderricht, die beknopt aan de wereld is verklaard in de Tien Geboden, door God gegeven aan Mozesù.(139)

Met enig genoegen ziet het FN de Franse rechters langzaam in de huid kruipen van hun Italiaanse collega’s, met de eigen actie Schone Handen. De socialistische partij wordt langzamerhand weggespoeld door allerlei schandalen. Een socialistische regeringsperiode, die zich in 1981 aandiende als een tijdperk van rechtvaardigheid en humanisme, loopt uit op cliëntelisme en Borgiaanse toestanden. Een invloedrijke vriend van Mitterrand, François de Grossouvre, laat op 7 april 1994 een jachtgeweer in zijn mond afgaan op zijn werkkamer in het Elysée. En dan zijn er de avonturen van Bernard Tapie, de dubieuze zakenman, die met steun van Mitterrand tot minister werd benoemd onder premier Bérégovoy. Tapie is verwikkeld in een eindeloze reeks rechtszaken wegens oplichting, misbruik van bedrijfsvermogen en corruptie. Het zijn de macabere tekenen van een socialisme dat de collectieve emancipatiestrijd heeft vervangen door de individuele verrijking.

Na het aantreden van de regering-Balladur wordt het juridische net nu ook rond de leden van de rechtse regeringsmeerderheid aangetrokken. En pijnlijker nog, steeds meer ministers blijken zelf een uiterst flexibel normbesef te bezitten. 12 oktober 1994 wordt Alain Carignon gevankelijk afgevoerd. Na Gérard Longuet, in 1972 medestichter van het FN, is hij daarmee de tweede bewindsman die in korte tijd uit het kabinet-Balladur verdwijnt op verdenking van het aannemen van steekpenningen. De schandalen komen voor het FN als geroepen. De onontkoombare conclusie voor Le Pen klinkt: ‘De hele politieke klasse, op een enkele uitzondering na, is corrupt.’(140) Het FN publiceert met enig leedvermaak de lijst van zo’n vijftig politieke ambtsdragers, hoge ambtenaren en industriëlen tegen wie rechtszaken lopen.(141) ‘Het is tijd om de Augiasstal van de politieke klasse uit te mesten,’ aldus Mégret.(142)

Niet de anti-corruptievoorstellen van het FN op zichzelf, maar het bijbehorend gedachtengoed is zeer dubieus. Opvallend is dat het FN de toon verhoogt tegen ‘de geldmachten’ die de traditionele partijen financieren. Bruno Gollnisch spreekt van een ‘mafia-achtige solidariteit tussen politici en bepaalde economische kringen.’(143) ‘Het grootkapitaal tegen de nationale beweging,’ schrijft Présent(144), de uitgeverij van het blad, Difralivre, verspreidt het boek Het geld en de politiek. De auteur, Henri Coston, werkte tijdens de bezetting samen met de nazi’s en publiceerde volop over de tweehonderd rijke families en de samenzwering van joden en vrijmetselaars. Het zit Coston vooral hoog dat de zakenwereld en de hoge burgerij het FN financieel in de kou laten staan. In 1993 ontving het FN in totaal maar 433.300 Franse frank, waarvan 250.000 van de bevriende ondernemer Jean Bruel.(145) Coston concludeert: ‘De toenemende invloed van de financiële wereld verandert de democratie in een plutocratie.(146)

In dit klimaat lanceert het FN de campagne voor de presidentsverkiezingen onder het motto: ‘Schone handen, opgeheven hoofd.’ Op 21 oktober 1994 wijdt Jean-Yves le Gallou voor het Parijse gerechtsgebouw het ‘monument van de corrupte politici’ in. Bij die gelegenheid weerklinken slogans als: ‘socialisten en liberalen zijn dieven!’, ‘Le Pen president’.(147) Het FN pakt ook uit met enkele anti-corruptievoorstellen. Een van de gevoeligste punten, de financiering van partijkassen en verkiezingscampagnes met bedrijfsgelden, wil het FN volledig verbieden. Privé-giften blijven mogelijk. Om de gederfde steun van bedrijven te compenseren, wil het FN de staatssteun uitbreiden en aldus de eigen kas spekken. Tussen haakjes, in 1994 ontving het FN 36.395.505 Franse frank overheidssteun.(148) Te veel politici zitten bij de honingpotten van de openbare bedrijven. Het FN wil de staatsbedrijven onmiddellijk privatiseren en een gekozene die zich schuldig maakt aan corruptie voorgoed zijn passief kiesrecht ontnemen.(149)

Maar er is meer. Na alle affaires loopt de Vijfde Republiek volgens Le Pen op zijn eind. Het regime kan geen kant meer op, behalve die van nog meer chaos en nog meer decadentie. Le Pen wijst een uitweg uit de corruptiepoel: de Zesde Republiek, belichaamd door hemzelf. Dit maakt van Le Pen, om de woorden van Bernard Antony te gebruiken, ‘een instrument van de voorzienigheid’, een ‘vader van het vaderland’. In de beste tradities van Maurras maakt het FN weer het onderscheid tussen het ‘reële’ en het ‘legale land’. ‘Traditiegetrouw zien nationalisten de politieke partijen als een middel om het volk te verdelen en een instrument van het legale land om het reële land te knevelen,’ zegt Le Pen. Volgens hem is deze analyse van Maurras in essentie nog valabel, alleen moet ze enigszins worden aangepast aan de huidige situatie.(150)

Tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen propageert het FN een staatshervorming die gericht is op het muilkorven van het parlement, van de kritische pers en van de onafhankelijke justitie. Tegelijkertijd moet de staatshervorming leiden tot een drastische versterking van de ‘repressieve kern’ van de staat: politie, justitie en leger.

‘Het parlement belichaamt theoretisch de nationale soevereiniteit,’ zegt Jean-Yves le Gallou, ‘maar alle politieke waarnemers sinds Pareto weten dat vertegenwoordiging gelijkstaat met verraad.’(151) Le Gallou’s openhartigheid siert hem. Sinds de grondwet van De Gaulle is de oppermachtige president eigenlijk niemand verantwoording schuldig. Tegenover de uitvoerende macht heeft de oppositie in het Franse parlement geen enkele concrete invloed. Met als gevolg gewichtloze discussies in een volksvergadering, die weinig bij elkaar komt en zelfs geen meester van haar agenda is. De opvallend zwakke rol van het parlement binnen de Franse democratie, wil het FN definitief bezegelen door een wijder gebruik van het referendum voor alle belangrijke staat- en burgerrechtelijke zaken. Op lokaal niveau kan 10 procent van de kiezers een referendum uitlokken. Op nationaal niveau volstaat een miljoen handtekeningen.

Voor het FN is het referendum het toppunt van democratie: het zogeheten soevereine volk beslist zelf, de politieke partijen kunnen het politieke leven niet langer ‘gijzelen’, ‘taboes’ kunnen doorbroken worden. Kortom, ‘directe democratie’ zou de kloof tussen de kiezers (de samenleving of het‘reële land’) en gekozenen (de staat of het ‘legale land’) dichten. Het argument van ‘de kloof tussen kiezers en gekozenen’ wordt ook bij vooroorlogse extreem rechtse denkers gebruikt. De aanhangers van een fascistische staatstheorie gaan ervan uit dat de politieke wil van de volksvertegenwoordiger en de kiezer volledig behoren samen te vallen. Het is een opvatting die is verdedigd door de nazi-ideoloog Carl Schmitt. Ze berust op een fundamentele afkeer van het democratische systeem dat op volksvertegenwoordiging gebaseerd is.

Het FN laat het niet bij de uitholling van het parlement. In het land van Montesquieu is de rechterlijke macht, ondanks alle dappere pogingen, nog lang niet onafhankelijk van de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken. Maar het FN neemt zich voor deze relatieve onafhankelijkheid verder te beperken. De Grondwettelijke Raad, een negenkoPPIg orgaan waarvan een aantal socialisten lid is, heeft in het verleden met verwijzing naar de preambule van de grondwet en de mensenrechten haar veto uitgesproken over een aantal antidemocratische wetsontwerpen van de regering. Het FN is in hoge mate ontstemd over deze ‘gevaarlijke ideologische ontsporing die kan leiden tot een regering van rechters’ en het FN is van plan haar bevoegdheid drastisch te beknotten.

Wat de justitie betreft, lijkt niets meer te deugen. Het FN maakt veel ophef over de ‘explosieve groei van de misdadigheid’ als gevolg van de ‘laksheid’ van het gerecht en het door de socialisten geschapen ‘permissieve klimaat’. Het zal anders zijn in de Zesde Republiek. Het FN voelt veel voor een puur repressieve benadering - ‘veiligheid is de eerste vrijheid’ - waarbij de justitie niet bedoeld is als instrument voor de bescherming van de democratische rechten van het individu, maar als de hoedster van wet en orde. Alleen een harde aanpak werkt. Advocaat Georges-Paul Wagner looft de doodstraf als een even onontbeerlijk als probaat afschrikkingsmiddel. Hij zet zijn argumentatie kracht bij met een beroep op de goede oude tijd. ‘In het ancien régime was de doodstraf een ceremonie van boetedoening,’ weet hij.(152) Autochtonen, minderjarigen inbegrepen, moeten hun straf volledig uitzitten. Om het cellentekort op te lossen, worden migranten naar gevangenissen van hun land van herkomst verwezen. Daarnaast zal het FN nog tienduizend bijkomende gevangenisplaatsen scheppen. Om zijn irrationele veiligheidsangst te bevredigen, wil het FN het budget van Justitie maar liefst verdubbelen!

Ook de media en de vrije meningsuiting worden in de Zesde Republiek aan de tand gevoeld. Voor de ‘bevriende pers’ en de revisionisten, die nu af en toe moeten affekenen met de antiracistische wetten Pleven en Gayssot, daagt hoop. Het FN wil deze ‘stalinistische wetten’ simpelweg afschaffen. ‘Ze voeren een onduldbare joodse gedachtenpolitie in de trieste traditie van de inquisitie in,’ schimpt Bernard Antony.(153) Bruno Gollnisch doet daar spontaan nog een schepje bovenop: ‘De vrijheid van mening, geweten en godsdienst wordt dagelijks met voeten getreden, met name in het kader van het historisch onderzoek, dat niet vrij is.’ Over verbeten ontkenners van de nazi-gruwelen spreekt de vice-president van het FN met veel mededogen. ‘Academici worden in hun beroepsleven gestraft,’ zegt hij, ‘alleen maar omdat ze gezegd hebben dat de media de geschiedenis van de tweede wereldoorlog niet serieus behandelen.’(154) Gollnisch weet waarover hij praat. Hij doceert aan de universiteit Lyon ni, een echt revisionistisch broeinest.

Vanouds cultiveert het FN een haast ongeremde haat tegenover kritische journalisten. Eenmaal aan de macht zal het FN zijn maatregelen nemen. Het zal de grondwet wijzigen om een halt toe te roepen aan het ‘intellectuele terrorisme’ van de vooruitstrevende pers. Le Pen wil wettelijk vastleggen dat het onmogelijk wordt om als journalist werkzaam te zijn zonder eerst een staatsexamen af te leggen. Verder komt er een speciale ‘media-rechtbank’, een deontologisch statuut voor de beroepsgroep en een recht op antwoord voor personen die in de media in opspraak gebracht worden. Alles moet anders worden, opdat het FN meer toegang tot de media zal krijgen. Daarom krijgt elke politieke partij het wettelijke recht om in de media aanwezig te zijn overeenkomstig haar electorale gewicht. Elke partij zal kunnen reageren op verklaringen van de regering. De media moeten daarvoor evenveel tijd of ruimte ter beschikking stellen als voor de oorspronkelijke verklaring.

Het FN zet ook het ‘herijken’ van het Franse buitenlands beleid op de politieke agenda. Frankrijk moet zich uitsluitend richten op haar eigenbelang en grandeur. Met het wegvallen van het Oostblok en het verzwakken van de VS ligt er volgens het FN voor Frankrijk een kans haar grootmachtambities te verwezenlijken. Daarom wijst het FN Europese integratie af. Het wil de voorrang van de nationale wet verankeren in de grondwet van de Zesde Republiek. Het weigert bevoegdheden van de Franse staat over te dragen aan de Europese Unie. Het FN wil hooguit weten van een ‘confederatie van de vaderlanden’, waarbij soevereine lidstaten soepel en pragmatisch samenwerken op deelterreinen als economie, immigratiebestrijding en defensie. De huidige Europese Commissie moet gevoelig aan macht inboeten en veranderen in een soort secretariaat-generaal. Met de hartstocht voor de Franse identiteit valt niet te spotten. ‘Wij zijn tegen het Verdrag van Maastricht omdat wij niet willen dat bijvoorbeeld het plaatsje Domrémy ooit een Engelse burgemeester krijgt,’ oreert het FN-Europarlementslid Jean-Claude Martinez in alle ernst.(155) Hij vervolgt: ‘Ten tweede zijn we van mening dat de Europeanen de kans lopen door immigranten onder de voet te worden gelopen. Over dertig jaar zegt men hier in het Europarlement vijf maal per dag zijn gebed met het gezicht naar Mekka gekeerd.’ Zijn nationalisme maakt het FN ook tot een tegenstander van een ‘Duits Europa’. Martinez omschrijft bondskanselier Kohl zonder omwegen als de ‘leider van het Vierde Rijk’.(156) Zijn boodschap: Duitsland mag geloven dat de Bundesbank beslist over de waarde van de franc, maar Frankrijk heeft het sterkste leger.

Om Frankrijks status in de wereld hoog te houden, rekent het FN vooral op het leger. In het verkiezingsprogramma voor de Zesde Republiek belooft het FN de defensie-uitgaven van 2,2 miljard in 1995 (2,6 procent van het bruto nationaal produkt) te verhogen tot 5 procent van het bnp. Het FN is van plan alle bezuiningen op militaire programma’s op te heffen en de komst van een beroepsleger te bespoedigen. Om deze enorme versterking van de defensie een schijn van rechtvaardiging te geven, publiceerde het FN in de afgelopen jaren doorlopend onrustbarende rapporten over uitgestelde kernoefeningen, divisies die niet paraat zijn, problemen met materieel en gedemoraliseerde soldaten en officieren. ‘Het leger heeft zelfs niet genoeg munitie om een oorlog van één week in Europa te overleven,’ jammert Le Pen.(157)

Het FN vertolkt de mening van de haviken binnen het militaire apparaat, die de defensiecapaciteit willen opvoeren en erop rekenen dat Frankrijk in de toekomst de spil wordt van een Europese verdedigingsstructuur. In dat verband is het opzetten van een snelle interventiemacht van kapitaal belang. Nu al heeft Frankrijk de ambitie 130.000 man beschikbaar te hebben voor snelle crisisbestrijding tot op zevenduizend kilometer van Parijs. Het FN wil deze interventiemacht nog versterken omdat de overzeese gebieden en bevriende Afrikaanse landen zoals Senegal, Gabon, Ivoorkust en Centraal-Afrika bedreigd worden door ‘subversie en guerrilla’.

In de FN-visie is de binnen- en buitenlandse verdediging onverbrekelijk met elkaar verbonden. Zo is het FN voorstander van de oprichting van een ‘nationale garde’, die de rijkswacht in geval van nood moet assisteren. De rijkswacht zelf wordt ontlast van administratieve opdrachten, zodat ze zich geheel aan ordehandhaving kan wijden. Er komt een nieuwe grenspolitie, die het toezicht op migranten en vluchtelingen coördineert.

Het FN stuurt erop aan het onafhankelijke kernwapen tegen aanzienlijke kosten te moderniseren. Le Pen wil onmiddellijk de kernproeven hervatten om nieuwe kernwapens te ontwikkelen.

Daarenboven wil hij de vloot met een tiental ‘offensieve’ kern-onderzeeërs en de luchtmacht met zes nucleaire escadrons begiftigen. Ten slotte moet een gesofisticeerd radarsysteem Frankrijk behoeden voor nucleaire aanvallen uit de Maghreb, want het FN houdt er terdege rekening mee ‘dat weldra Franse steden in de Midi door Algerijnse raketten worden bestookt’. Midden 1995 wordt Le Pen gedeeltelijk op zijn wenken bediend. Met minachting voor de wereldopinie beslist de nieuwe president Chirac de kernproeven te hervatten in de Stille Oceaan. Zelden heeft een Europees staatshoofd met zoveel kabaal het wereldpodium betreden.

Corporatisme en protectionisme - Inhoud

Na het uitbreken van de recessie in 1974 krijgen sommige leidende kringen interesse in een neoliberale omwenteling. Friedrich von Hayek en Milton Friedman verwerven snel aanzien met hun betoog dat een ‘verzorgingsstaat’ onvermijdelijk de kiemen van het socialisme in zich draagt. Zij bereiden de ‘revoluties’ van Pinochet, Thatcher en Reagan voor.

Het FN-programma ‘Voor Frankrijk’ uit 1986 straalt de overwinning van dit liberale marktdenken uit. Wat stelt het FN-programma concreet voor? Absolute vrijheid voor de ondernemer om personeel af te danken. Afschaffing van sociale verworvenheden als de vijf weken vakantie, de 39-urenweek, het minimumsalaris en de minimumuitkering. Doorbreking van het ‘monopolie’ van de representatieve vakbonden, en beteugeling van het stakingsrecht in de openbare diensten en de kleine ondernemingen. Om het grote bedrijfsleven te gerieven, spreekt het FN zich uit voor de afschaffing van de belasting op de grote fortuinen en voor de grote Europese eenheidsmarkt, met inbegrip van een Europese eenheidsmunt en een Europese centrale bank.

Hoewel de socialistische regeringen zich in de jaren tachtig manifesteren als bekwame rentmeesters van het Franse kapitalisme, blijft de werkloosheid zorgwekkend stijgen. Steeds meer mensen kunnen maar net overleven met een ‘minimuminschakelingsloon’ (rmi). Het FN tracht het groeiende onbehagen te kanaliseren met een regelrecht offensief tegen het socialisme. ‘Het verband tussen socialisme en werkloosheid is aangetoond door de Nobelprijswinnaar Friedrich von Hayek in diens boek De weg naar de slavernij. socialisme schept armoede en totaal socialisme schept totale armoede,’ aldus Yvan Blot.(158) De antisocialistische uitbarstingen zijn niet te tellen in het theoretische FN-blad Identité. ‘De sociale kwestie in eer herstellen’, heet het nummer van november 1990. Identité komt tot de schokkende ontdekking dat Frankrijk geen kapitalisten meer telt en dat het land ‘meer weg heeft van een socialistisch Oostblokland dan van een kapitalistisch land uit de negentiende eeuw.’ In één ruk schrijft het blad door: ‘De tijd dat de arbeider door de kapitalist werd uitgebuit, ligt al een eeuw achter ons.’ Zodus, besluit Identité in de beste corporatistische traditie: ‘De arbeidersstrijd moet plaatsmaken voor solidariteit tussen de verschillende sociale klassen.’ Het is de stellige overtuiging van het FN-blad dat ‘het streven naar gelijkheid onrecht veroorzaakt.’ ‘Want waar blijft de rechtvaardigheid als de werkgever en de parasiet op dezelfde manier beloond worden?’ Tot slot wordt de verzorgingsstaat nogmaals gestigmatiseerd als ‘bron van belastingdruk, werkloosheid, armoede, immigratie en onveiligheid.(159)

Na de val van de Muur en het uiteenvallen van de Sovjetunie heeft het mondiale vrije-marktdenken geen tegenstander van formaat meer. In Frankrijk en Europa ontstaat een onrustige sfeer van permanente verandering ten gevolge van de herstructurering van het kapitalisme. Alles draait om vergroting van de produktiviteit en het marktaandeel, om kostenbeperkingen, bedrijfssluitingen, fusies, saneringen, flexibilisering en privatisering.

Europese multinationals bereiden zich met massale ontslagen hier en investeringen daar koortsachtig voor op de concurrentieslag met Amerikaanse en Japanse ondernemingen. Zij zijn de vurigste verdedigers van het Verdrag van Maastricht, dat eind 1991 tot stand komt en een Europese Politieke Unie en een Economische en Montaire Unie introduceert. Schaalvergroting en produktiviteitsstijging kosten veel werknemers hun baan en kleine ondernemingen hun bestaan. Het FN kan deze realiteit niet langer ontkennen. De partij heeft de ambitie uit te groeien tot een corporatistische partij die er aantrekkelijk uitziet voor alle sociale lagen. Als het FN zich nu niet socialer voordoet, verliest de partij alle aantrekkingskracht op het volk, te beginnen met de arbeiders en hun gezinnen, die nog altijd 50 tot 55 procent van de Franse bevolking vormen.

Vlak voor de regionale verkiezingen, begin maart 1992, neemt het FN een opmerkelijke ‘nationaal-sociale’ bocht. Bruno Mégret ontvouwt een sociaal-economisch 51-puntenprogramma, waarin het FN belooft een aantal verworvenheden zoals het minimumloon, de minimumuitkering en de vijf weken vakantie te ontzien. Het FN bevindt zich tussen twee vuren: het moet de electorale steun verwerven van het volk en tegelijkertijd de middenklasse en zakenkringen paaien wil het ooit aan de macht komen. In 1992 gaat de Franse economie gebukt onder een zware recessie. Aangezien een ongeluk nooit alleen komt, moet ze ook nog het hoofd bieden aan de open Europese markt en de verschuivingen in de internationale concurrentieverhoudingen. Het FN zoekt vertwijfeld naar een samenhangend antwoord op deze politieke en economische uitdagingen. Het resultaat is niet geruststellend: de partij grijpt terug naar de demagogie tegen het ‘mondialisme’ en het ‘staatloze kapitalisme’, waarvan extreem rechts zich ook in de jaren dertig bediende.

Vanaf midden 1992 wordt het ‘mondialisme’ een centraal thema in de campagne tegen het Verdrag van Maastricht. Op 20 september 1992 staat een referendum over Maastricht geprogrammeerd en de enorme woordenstrijd die eraan voorafgaat, is van een zeldzame heftigheid. ‘Maastricht komt neer op meer asielzoekers, meer belasting, meer werkloosheid, meer onveiligheid. Maastricht betekent prijsgave van onze onafhankelijkheid en identiteit,’ aldus Le Pen.(160) En Yvan Blot, altijd goed voor een of andere dubieuze suggestie, voegt eraan toe: ‘Maastricht ruikt naar de fascistische en tevens socialistische denkbeelden van Vichy waar men ons voortdurend van beticht.(161) Sinds de val van de Muur is een sterk federaal Europa als speerpunt tegen het Oostblok niet langer noodzakelijk. Daarom wil het FN hooguit weten van een ‘grote Europese confederatie van de vaderlanden’ en moet de huidige Europese Commissie veranderen in een secretariaat-generaal. ‘Na de ondergang van de Sovjetunie heeft Europa geen behoefte aan een nieuwe unie van socialistische republieken,’ betoogt Antony, die achter alles de hand van het ‘staatloze socialisme’ ziet.(162)

Le Pen ziet zich graag als de toekomstige leider van een breed front. Met nationalistische retoriek probeert hij een deel van de burgerij voor zich te winnen. Volgens de FN-leider trekt het meningsverschil tussen ‘nationalisten’ en ‘internationalisten’ zo een diepe voor door het politieke en economische landschap dat de traditionele scheidingslijn tussen socialisme en liberalisme, tussen links en rechts er bij in het niet verzinkt.(163) Le Pen stelt dat de scheidingslijn voortaan moet lopen tussen een mondialistische en een nationale economie. Van een Europese monetaire politiek en een Europese centrale bank moet het FN niets meer hebben. Op het eerste gezicht wordt de taal van het FN linkser. ‘In 1936 had ons volk weinig op met de tweehonderd rijke families,’ aldus Jean-Claude Martinez. ‘In 1997 zullen zes oligarchen van de Europese centrale bank heer en meester spelen in de Europese economie.’(164) En Le Pen windt er geen doekjes om: ‘Dit is je reinste dictatuur, uitgeoefend door een kleine groep van geldbaronnen.’(165) Het FN hengelt, zoveel is duidelijk, naar ontgoochelde linkse arbeiders. ‘Een socialist of communist die eertijds droomde van nationalisaties kan er zich toch niet op verheugen dat een multinationale bank ons de wet zal voorschrijven,’ aldus Jean-Yves le Gallou.(166)

Vooralsnog vindt het FN gemakkelijker gehoor bij de middenklasse. Handelaars, ambachtslui en kleine ondernemers produceren voor de nationale markt. De middenstandsorganisatie cdca, die naar eigen zeggen meer dan honderdduizend leden telt, veroordeelt het Verdrag van Maastricht op haar congres in juni 1992.(167) De leider van de Parijse afdeling Jean-Gilles Malliarakis, een bewonderaar van Mussolini en van de corporatistische theoreticus La Tour du Pin, is een gewaardeerd medewerker van Radio Courtoisie, de vrije radio van het FN. Het cdca is een poujadistische organisatie. Ze voert een regelrechte guerrilla tegen de fiscus en de sociale zekerheid en gebruikt daarbij het niet betalen van sociale premies als drukkingsmiddel. In de voorbije jaren tekende de organisatie voor minstens negenenzestig gewelddadige acties.(168)

De Franse grootindustriëlen zijn verdeeld over Maastricht. Het merendeel is pro-Europees en krijgt van het FN het merk ‘staatloze kapitalist’. Zeer tot genoegen van het FN roepen enkele grote ondernemers op ‘neen’ te stemmen. Onder hen zijn Jacques Calvet (president-directeur van de Franse autoproducent Citroen en Peugeot), Pierre Suard (directeur van Alcatel-Thomson) en Jean-Louis Giral (baas van btp). Vooral Calvet is een strijdbaar tegenstander van Maastricht. De FN-bevriende pers citeert met instemming zijn protesten tegen wat Calvet ziet als een te slappe houding van de Europese Commissie ten opzichte van de Japanse auto-import in Europa. De verdeeldheid in de zakenwereld weerspiegelt zich in de rechtse partijen. Het FN ziet met groeiend enthousiasme hoe de rechterzijde verbrokkelt. Wat conservatieve politici als Charles Pasqua, Philippe Seguin en Philippe de Villiers allemaal beweren over ‘de nationale voorkeur’ verschilt nauwelijks van wat het FN verkondigt. De ideologische eenheid is hartverwarmend. ‘We verspelen eens en voorgoed onze soevereiniteit,’ noteert Présent uit de mond van Pasqua.(169)

Uiteindelijk wordt op 20 september 1992 het jawoord over Maastricht uitgesproken door de kleinst denkbare meerderheid. Het FN is verre van ontgoocheld. ‘Het Frankrijk dat nee stemde, is het Frankrijk van de kleine man, van de wanhopige werkloze, van de bediende en de arbeider, van de kleine gepensioneerde en van de weduwe met een karig inkomen. Dat is ook ons Frankrijk,’ zo schrijft Roger Gaucher, lid van het politiek bureau.(170) De voormalige collaborateur Gaucher weet dat de vooroorlogse fascistische beweging met een misleidend nationalistisch en socialistisch discours een deel van de arbeidersklasse op haar hand wist te krijgen. ‘We moeten onverwijld meer contacten leggen met de communistische, socialistische en groene neen-stemmers,’ schrijft hij.

De inplanting in de arbeiderswereld verloopt evenwel niet gesmeerd. Het FN poogt ‘kringen’ op te zetten per bedrijfstak en per beroepscategorie. Volgens het corporatistische model groeperen ze werkgevers, werknemers en kaderleden. De Entreprise moderne et libertés (EML) speelt een regisserende rol. eml werd in 1984 gesticht door André Dufraisse, die gehuwd is met Martine Lehideux. Dufraisse, een boezemvriend van Le Pen, zit net als zijn echtgenote in het politiek bureau van het FN. André Dufraisse was voor de oorlog actief in de ppf en vanaf 1941 vocht hij in het LVF onder meer aan het Oostfront. Na de bevrijding vluchtte hij naar Duitsland. Hij speelde een rol in de beweging van Poujade en in de OAS. Samengevat, Dufraisse is van alle markten thuis. Het EML oriënteert zich vooral op de kleine en middelgrote ondernemingen. Zijn voorzitter Jean-Michel Dubois is lid van de Parijse Kamer van Koophandel. Op 10 oktober 1992 organiseert het EML zijn derde congres in Parijs in aanwezigheid van Le Pen. Het eml legt de nadruk op de volgende punten : afschaffing van het vakbondsmonopolie, privatisering van bijna alle overheidsbedrijven, concurrentie van de sociale zekerheid met particuliere ziekenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Het reserveren van sociale voorzieningen voor ‘oorspronkelijke Fransen’, absolute vrijheid voor de ondernemer om personeel af te danken, herstel van het bankgeheim, belastingverlaging en invoering van het Duitse systeem van leerjongens.(171)

De verschillende FN-kringen, zo’n vijftien in totaal, leggen hun eigen accenten. De ‘kring gezondheid’, onder leiding van dokter-specialist Jacques Lafay, telt honderden leden en verdedigt vooral de liberale geneeskunde, inclusief vrije tarieven.(172) De ‘kring openbaar ambt’ ijvert voor een beperking van het stakingsrecht en verspreidt haar blad l’Esprit publique vooral in kringen van rijkswachters, politieagenten en gevangenisbewakers. De ‘kring vervoer’ bespeelt graag het thema van de onveiligheid. Het is overigens alleen in de sector veiligheid dat het FN tot nu toe voet aan de grond heeft gekregen. Zo steunt het FN de extreem rechtse politievakbond fpip. Volgens voorzitter Philippe Bitauld behaalt de fpip bij de sociale verkiezingen van de préfecture de police in 199318 procent van de stemmen onder de commissarissen en hoge functionarissen en 16 procent onder de officieren en commandanten. De FN-bond van militairen cnga, geleid door de ex-chef van de paleiswacht van het Elysée Jean-Jacques Gerardin, verspreidt zijn blad Le Glaive in de kazernes. De werklozenorganisatie van het FN, het fac, komt niet verder dan het organiseren van cursussen ‘solicitatiegesprekken’ en het plaatsen van werkaanbiedingen in National Hebdo. Op die manier werden de afgelopen vier jaar zo’n duizend werklozen aan een baan geholpen. Een druppel op een hete plaat, vermits de werkloosheid in april 1993 opgelopen is tot 11,6 procent.

Midden augustus 1993 presenteert de pas aangetreden conservatieve regering-Balladur een vijfjarenplan om de plaag van de werkloosheid te beteugelen. De regering weet vooralsnog geen ander antwoord te vinden dan het verlichten van de fiscale en sociale last voor werkgevers en het aanmoedigen van deeltijds werk. Edouard Balladur steunt de bedrijfsreorganisaties die leiden tot verdwijning van arbeidsplaatsen en salariskortingen. Bij Air France verdwenen de afgelopen drie jaar al 4600 banen. In september 1993 wil de directie opnieuw vierduizend arbeidsplaatsen schrappen en het laagstbetaalde grondpersoneel een salarisverlaging opleggen. Daarop breekt een staking uit die het vliegverkeer stillegt. Enkele dagen later trekt de minister van Transport noodgedwongen het hele saneringsplan in.(173) National Hebdo laakt de snelle ‘capitulatie’ voor de ‘straat’. Het partijblad stelt dat de regering door zo totaal toe te geven wel eens een reeks nieuwe sociale conflicten zou kunnen oproepen.

Het FN steunt daarentegen onvoorwaardelijk de gewelddadige acties van de boerenbond Coördination rurale, die op 17 september 1993 in Parijs betoogt tegen de GATT. Het FN heeft een nieuw strijdpunt gevonden om de nationale sentimenten aan te zwengelen, te meer omdat de Amerikaanse regering eist dat het wereldhandelsakkoord voor 15 december 1993 wordt gesloten. De partij roept premier Balladur op om met een veto de GATT-besprekingen te torpederen. De partij stelt dat protectionisme en absolute voorrang van de Franse en Europese economische en commerciële belangen in de plaats moeten komen van de ‘naïeve vrijhandel’, die door de Verenigde Staten en Japan enkel met de mond wordt beleden. Een open markt zal volgens Bruno Mégret onherroepelijk leiden tot de ondergang van de landbouw en van hele delen van de industrie.(174)

Mégret wil met hoge douanetarieven en met allerlei importheffingen en quota een onneembare protectionistische Maginotlinie bouwen tegen produkten uit niet-Europese landen.

De Maginotlinie in Elzas-Lotharingen, opgetrokken in de jaren dertig om de Duitsers te weren, bleek van nul en generlei waarde in 1940. Ook protectionisme zal de Franse economie niet veel voordeel opleveren. Op korte termijn kan marktafscherming banen behouden in sectoren die door open handel worden bedreigd. Maar in een wijder perspectief tekent zich een grotere bedreiging af. In de jaren dertig was protectionisme een van de oorzaken van de economische depressie, die een voedingsbodem van het fascisme werd. Overigens is de tegenstelling vrijhandel/protectionisme relatief, vermits beide systemen even vijandig staan tegenover een ‘gelijke’ handel tussen rijke en arme landen. Vrijhandel is vaak een alibi om de markten van de derde wereld gemakkelijker te penetreren. Het is dan ook hoogst onbillijk dat de meeste ontwikkelingslanden bij de slepende GATT-onderhandelingen vanaf het begin buitenspel staan. De kans is immers niet gering dat hun importen duurder en hun exporten goedkoper worden, waardoor de bestaande ongelijke ruil nog extra wordt versterkt.

Het FN kant zich vooral tegen de door de GATT gewenste liberalisering van de landbouw en tegen de voorgestelde beperkingen van de landbouwexport. Als het van het FN afhangt, wordt de Franse en Europese markt volledig afgeschermd en worden alle kwantitatieve produktiebeperkingen zoals melkquota en braaklegging afgeschaft. Verder wil het FN de 850.000 Franse boeren voor zich winnen door te pleiten voor afschaffing van de erfenisrechten en vrijstelling van sociale premies.(175). Jean-Claude Martinez is lid van het politiek bureau en tevens Europarlementslid en voorzitter van het cna, de boerenbond van het FN. Deze professor aan Paris n schildert de GATT en het Europese lanbouwbeleid af als een ‘internationaal komplot’. ‘Men wil een wereldmarkt tot stand brengen met kudden consumenten onder leiding van een oligarchie,’ stelt Martinez. ‘Om dat plan te verwezenlijken, moet men de naties openbreken en ze van hun wortels afsnijden. Vandaar het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid om de landbouwers uit te schakelen en de stevige basis van de nationale samenleving te vernietigen.’(176) Martinez ziet doelbewust over het hoofd dat het Europese landbouwbeleid ruwweg de helft van de begroting van de Europese Unie opslorpt en zich tot vrijhandel verhoudt als water tot vuur. In het kort komt het erop neer dat Europese boeren tot overproduktie worden aangezet, waarna vervolgens het te veel geproduceerde met EG-subsidies op de markten van de derde wereld wordt gedumpt.

In december 1993 blijven de Franse boeren tegen de GATT demonstreren. Ook het FN betoogt in Parijs op 11 december 1993 onder het motto ‘Laten we de Franse tewerkstelling redden. Neen aan het Amerikaanse dictaat.’ De partij krijgt amper 1500 betogers op de been. De Franse vasthoudendheid leidt tot enkele verbeteringen voor de Franse boeren zodat premier Balladur even als winnaar geldt wanneer het GATT-akkoord op 14 december 1993 op de valreep getekend wordt.

Premier Balladur kiest voor de dialoog met Le Pen. FN-delegaties voeren op 20 juni en op 20 december 1994 overleg met de premier in diens ambtswoning. Daarmee verleent Balladur een onnodige legitimatie aan het FN en geeft hij de aanhangers de overtuiging dat hun organisatie een toenemende politieke invloed heeft. Tijdens de besprekingen met de premier pleit Le Pen voor een herziening van Maastricht en de GATT. De ontmoeting op 20 december 1994 valt samen met een spectaculaire kraakactie van de populaire abbé Pierre. Zijn bliksemactie in de bourgeoisbuurt bij de Parijse boulevard Saint-Germain maakt in één klap de schrijnende nood van de daklozen, uitgeslotenen en werklozen tot het middelpunt van de presidentiële verkiezingscampagne.

Ook Le Pen windt zich plotseling op over het lot van de naar schatting vijf miljoen werklozen, 500.000 daklozen en een miljoen trekkers van het RMI. De cijfers komen uit de verkiezingsfolder Prioriteiten van Le Pen. Le Pens opwinding komt hoofdzakelijk voort uit koele electorale berekening. De socialistische partij is ver weggezakt en heeft geen greep meer op de arbeiders. Michel Rocard trok bij de Europese verkiezingen in 1994 nog slechts 13 procent van de stemmen uit de arbeidersbevolking. Le Pen probeert met enkele sociale beloften de socialistische kiezers af te snoepen. In volle verkiezingscampagne, in maart 1995, belooft Le Pen het minimumsalaris op te trekken tot zevenduizend franc per maand, een ouderschapsloon van zesduizend franc per maand uit te keren aan de thuisblijvende moeder en vijf miljoen Fransen aan een eigen woning te helpen.(177) Om deze laatste belofte te realiseren, wil Le Pen de vaak door migranten betrokken HLM-flats, ‘woningen met matige huurprijs’, op bepaalde voorwaarden aan ‘authentieke’ Fransen wegschenken.

De kracht van Le Pens oplossingen schuilt meestal in de eenvoud ervan. Zo belooft Le Pen de werkloosheid binnen de presidentiële ambtstermijn van zeven jaar uit de wereld te helpen. Hij rekent simpel voor: terugkeer van immigranten (1.250.000 banen), belastingverlaging (1.100.000 banen), invoering van een ouderschapsloon (500.000 banen) en protectionisme (910.000 banen). Le Pens sociale verkiezingsbeloften zijn alleen maar schone schijn. Wie het FN-programma Driehonderd maatregelen voor de hergeboorte van Frankrijk nader bekijkt, komt tot de slotsom dat het FN vooral rekening houdt met het rijkere deel van de samenleving. Zo wil het FN een drastische verlaging van de erfenis- en successierechten en van de belasting op de fortuinen en zelfs een algehele afschaffing van de inkomstenbelasting.(178)

Deze belastingverlaging betekent een enorme aderlating voor de schatkist. Bijgevolg, en dat is de andere kant van het verhaal, voorziet het FN in het ontslag van duizenden ambtenaren, vijfenzestig miljard bezuinigingen in het onderwijs en tachtig miljard kortingen in de sociale zekerheid. Vooral de sociale zekerheid moet eraan geloven. Het FN beperkt zich niet tot het hakken in de verspillingen of het beheersen van de uitgaven. Het wil het ‘monopolie’ van de sociale zekerheid doorbreken en het stelsel grondig hervormen. Het fundament voor het nieuwbouwwerk bestaat uit een sociaal vangnet, een bijstandsuitkering genaamd ‘uitkering van nationale solidariteit’ die bestemd is voor echte Franse daklozen en andere marginalen. De uitkering komt in de plaats van de minimumuitkering. De nieuwe bijstandsuitkering is alleen aan Fransen voorbehouden en wordt gefinancieerd uit een solidariteitsbelasting op de winsten van de banken en uit een speciale belasting op de tewerkstelling van buitenlanders. De trekkers ervan dienen nuttig deeltijds werk voor de gemeenschap te verrichten. Een nieuwe dienst ‘Frans broederschap’ moet waken over het materiële en morele welzijn van de armen. Een paternalistische attitude is nu eenmaal eigen aan het FN-nationalisme. Hoe ziet het nieuwe stelsel er verder in grote lijnen uit? De migranten worden zonder meer uit het algemene stelsel gestoten. De vakbonden zullen afstand moeten doen van het beheer. De sociale premies die de werkgevers betalen worden fors verlaagd en voor de kosten van de kinderbijslag zullen de belastingbetalers opdraaien. Frankrijk heeft een goed-katholiek kinderbijslagsysteem dat het hebben van drie kinderen sterk aanmoedigt en ieder volgend kind extra subsidieert. Het FN hecht bijzondere betekenis aan huwelijk en gezin en is tegen de bezuiniging op de kinderbijslag.

In de sector van de werkloosheid, de ziektekosten en de pensioenen dient fors bezuinigd te worden. Het FN voelt niets voor een werkloosheidsuitkering van onbepaalde duur. Dat zou niet tot werken aansporen. De partij neemt zich voor maatregelen te bestuderen om de heersende ‘laksheid’ tegen te gaan. Het FN suggereert dat werkzoekenden al het werk zullen moeten aanvaarden dat beschikbaar is, ook al is het onder hun opleidingsniveau. Tevens stelt het FN voor de vergoeding in te trekken zodra een werkzoekende driemaal weigert een baan te accepteren. Om fraude op te sporen, krijgen de sociaal gerechtigden een speciale onvervalsbare kaart. De pensioenen en de ziekteverzekering wil het FN ingrijpend veranderen. In de visie van Le Pen blijft er enkel een basisvoorziening over voor alle Franse ingezetenen. Deze hervorming zal leiden tot een enorme verschuiving naar aanvullende verzekeringen, eigen risico’s en eigen bijdragen. Op deze manier dreigt een onaanvaardbare tweedeling te ontstaan: rijken krijgen een voorkeursbehandeling, de armere groepen vallen daarbuiten.

Tijdens de presidentiële verkiezingsstrijd, in de lente van 1995, wordt de Franse regering geconfronteerd met een sociale revolte. Niet alleen de vakbonden, maar ook een deel van Le Pens populaire achterban lopen tegen de regering te hoop. Vooral de werknemers van de openbare diensten zien als gevolg van inleveringen hun koopkracht aangetast en ook de afvloeiingen gaan onverminderd door. Stakingen breken uit bij de post, de spoorwegen en Air Inter. Het FN kapittelt de stakers wegens het ‘gijzelen’ van de consumenten. De partij grijpt de kans aan om propaganda te maken voor een gevoelige beperking van het stakingsrecht, voor het afschaffen van het ‘monopolie’ van de representatieve vakbonden en voor een privatisering van de post en andere openbare diensten.

Het FN laat er geen misverstand over bestaan dat zij meer dan ooit opkomt voor de belangen van de kleine en middelgrote ondernemingen, die in Frankrijk drie kwart van de tewerkstelling verzekeren. Dat zal - nog zo’n onprettige verrassing - niet zonder sociale gevolgen blijven. Volgens het FN heeft de vaste baan zijn beste tijd gehad. Contract- en deeltijds werk en andere flexibele arbeidspatronen zullen in toenemende mate de toon bepalen. Kleine en middelgrote ondernemers moeten de kans krijgen personeel in de huren en in te zetten wanneer dat voor hun bedrijf het beste uitkomt. Alle wettelijke belemmeringen inzake ontslag, aanwerving en arbeidsduur moeten vervallen. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt zal dat ongetwijfeld leiden tot vormen van wegwerparbeid, maar daar heeft het FN geen boodschap aan. Het FN heeft daarvoor zelfs een cynische definitie: ‘sociaal zonder socialisme’.

Een democratische machtsgreep? - Inhoud

Het FN breekt pas door na het het aantreden van de regering van socialisten en communisten in 1981. De verbreding van de partijbasis met de ultraconservatieve katholieken van Chrétienté- Solidarité, een felle racistische opstelling, de dramatische toename van de werkloosheid en de ontgoocheling over de linkse regering dragen er in combinatie toe bij dat het FN bij de verkiezingen voor het Europees parlement in 1984 11 procent van de stemmen krijgt.

Vreemdelingenangst begint te behoren tot de dingen van de dag. Le Pen verheft de ‘dreigende islamisering van Frankrijk’ tot hoofdthema van het politieke debat. Met het oog op de parlementsverkiezingen van 1986 voert Mitterrand het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in om het verlies van zijn socialistische partij zoveel mogelijk te beperken. Een neveneffect is dat het FN vijfendertig man naar de Nationale Vergadering mag sturen zodat traditioneel rechts (rpr en udf) slechts over een krappe meerderheid beschikt. Deze zet wekt de verontwaardiging van de nieuwe rechtse meerderheid die onmiddellijk weer omschakelt naar het oude districtenstelsel. Maar rechts loopt niet warm voor een doeltreffende aanpak van het FN. Sterker nog, in vier regio’s vormt traditioneel rechts na maart 1986 met FN-steun het dagelijks bestuur. Het FN voelt zich langzaam gelegitimeerd. Bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in 1988 overtreft Le Pen zelfs de verwachtingen. Hij behaalt 14,4 procent, een record

De sluipende opmars van het FN zet zich door. Bij de Europese verkiezingen van 1989 stabiliseert het FN zich op 11,8 procent, goed voor tien zetels. Le Pen tracht alle ‘nationalistische’ partijen onder één noemer brengen. Op 5 november 1992 vraagt Le Pen een aantal buitenlandse gasten voor een galadiner langs te komen. Onder hen mevrouw Schönhuber, Chrysanthos Dimitriadis en Aristides Dimopoulos (twee voormalige Europarlementsleden van de Griekse pro-juntapartij epen) Filip Dewinter (Vlaams Blok) en Luis-José Cillero (jongerenvoorzitter van het Spaanse Frente Nacional, de partij van de Franco-ge- trouwe Bias Pinar).(179)

In eigen land dringt het FN door tot alle bevolkingslagen. Bij de regionale verkiezingen op 22 maart 1992 stijgt het FN naar 13,9 procent. Het is nu al in alle raden van de twintig Franse regio’s vertegenwoordigd met 239 afgevaardigden.

De corruptieschandalen en de dramatisch toenemende werkloosheid knagen als een houtworm aan de regerende socialistische partij. Bij de parlementsverkiezingen op 21 maart 1993 krijgt de PS een afstraffing. De partij behoudt slechts 54 van haar 252 zetels in de Nationale Vergadering. De gaullistische rpr en de liberale udf behalen de grootste verkiezingszege in de Franse geschiedenis. Ze verwerven met omstreeks 42 procent van de stemmen 85 procent van het aantal parlementszetels. Ondanks deze RPR-uDF-triomf behaalt het FN in de eerste stemronde 12,5 procent, bijna 3 procent meer dan in 1988. Het wordt daarmee de derde partij van Frankrijk. Plaatselijk kan het FN een doorbraak forceren. Bijna honderd FN-kandidaten bereiken de tweede ronde. In Nice en Alpes Maritimes is het FN de grootste partij. Parlementszetels levert dit echter niet op. In de tweede ronde staat het FN tegenover een republikeins front. Marie-France Stirbois, de weduwe van de in 1988 gestorven radicaal-solidaristische secretaris-generaal van het FN, bezette sinds 1989 de enige parlementszetel voor het FN. Deze zetel gaat in Dreux met een marge van 150 stemmen net verloren.

De nieuwe premier Edouard Balladur, een vertrouweling van de werkgeversorganisatie cnpf, neemt enkele voormalige topfiguren van de gewelddadige fascistische groepering Occident in zijn ploeg op. Alain Robert, medestichter van het FN, wordt medewerker van de premier. William Abitbol wordt een van de belangrijkste adviseurs van minister van Binnenlandse Zaken Charles Pasqua. Aan Alain Madelin en Gérard Longuet wordt zelfs een ministerportefeuille toegewezen. Madelin werd na zijn Occident-periode ‘omgeschoold’ in het Instituut voor sociale Geschiedenis van Georges Albertini, een oudgediende van Vichy en voormalig kader van de fascistische rnp.(180) Madelin doceerde er de geschiedenis van de vakbeweging en van links aan toekomstige ondernemers, een ideale opstap naar de Republikeinse Partij.

Geen wonder dat de regering-Balladur een ontspanningspolitiek met het FN toepast. Eind april 1993 wordt Le Pen voor het eerst officieel ontvangen in de ambtswoning van de premier. Deze pragmatische politiek werkt averechts. Het FN zet zich scherp af tegen de regering van het establishment en maakt eind 1993 een duidelijke ruk naar rechts. Tekenend in dat verband is Le Pens bezoek aan Chili en Argentinië. De FN-leider looft er uitgebreid de militaire dictators Pinochet en Videla.(181) Illustratief voor de verrechtsing zijn ook de FN-commentaren op de winst van de MSI bij de gemeenteraadsverkiezingen in november 1993. ‘Mussolini is beslist een groot staatsman. Zijn nederlaag doet niets af aan zijn verdiensten. Ook Napoleon werd verslagen en door Europa bespuwd,’ aldus Jean Madiran.(182) Ook hoofdredacteur Martin Peltier van National Hebdo houdt zich niet in. ‘Dank zij Berlusconi is het fascisme niet langer een pervers kwaad,’ jubelt hij. ‘Weldenkende mensen hebben het volste recht het fascisme aan te hangen om andere gevaarlijke partijen te verjagen. Het fascisme is voortaan een gewoon historisch verschijnsel met goede en slechte kanten. Gezien de gevaren die ons bedreigen is het fascisme zelfs veeleer iets positiefs. Het verheerlijkt de leider en kant zich tegen onrecht terwijl nu anarchie en liberalisme ons in het verderf storten.’ En Peltier besluit: ‘Het fascisme is allicht het enige socialisme met een menselijk gelaat.

Maurice Bardèche beschouwde het zelfs als de voltooiing van de republiek. Nou en? Sinds Berlusconi kan er ten minste opnieuw vrij over het fascisme worden gesproken.’183

Van 4 tot 6 februari 1994 vindt het negende partijcongres plaats in Port-Marly. Het congres bevestigt de autoritaire tendensen. Le Pen is de enige kandidaat om zichzelf als voorzitter op te volgen en draagt de leden van het politiek bureau voor. Het hoogste partijorgaan wordt uitgebreid tot veertig leden en telt enkele nieuwkomers zoals de bekende wijnhandelaar Pierre Jaboulet-Vercherre en Pierre Descaves. Deze laatste wordt belast met de coördinatie van de verschillende ‘kringen’, die actief zijn onder oud-strijders (cnc van Roger Holeindre), vrouwen (cnfe van Martine Lehideux), belastingbetalers (asiref van Pierre Descaves), boeren (cnaf van Jean-Claude Martinez), gepensioneerden (cnpr van Jean-Pierre Reveau), geneesheren (cncs van Jacques Lafay) en ondernemers (eml van Jean-Michel Dubois).

Le Pen heeft ook in het uitvoerende comité de touwtjes stevig in handen. Hij benoemt Bruno Gollnisch tot vice-voorzitter en Jean-Pierre Reveau tot schatbewaarder. Ze moeten een tegenwicht vormen tegen de groeiende invloed van Nieuw Rechts, waarvan algemeen afgevaardigde Bruno Mégret de belangrijkste woordvoerder is. Bruno Gollnisch leidt het FN in de regio Rhône-Alpes en is professor Japans aan Lyon 111, een berucht revisionistisch bolwerk. Hij is de spreekbuis van de katholiek-integristische stroming. Reveau, medestichter van het FN in 1972, is een oude strijdmakker van Le Pen in de beweging van Poujade en in het Front des combattants. Verder zetelen nog Carl Lang (secretaris-generaal) en Dominique Chaboche (vice-voorzitter) in het politiek bureau.

De verkiezingen voor het centraal comité verlopen volgens het beginsel van de ‘geleide democratie’. Van enkelvoudig stemrecht wil het FN niets weten. Gewone gedelegeerden moeten het stellen met één stem, terwijl leden van het politiek bureau en van het centraal comité respectievelijk tien en vijf stemmen krijgen. Er zijn 420 kandidaten voor honderd plaatsen. Le Pens advocaat Georges-Paul Wagner behaalt de meeste stemmen.(184) Le Pen mag persoonlijk nog twintig leden benoemen. Zo vist hij zijn vertrouwelingen op, onder meer Jean-Michel Dubois, de pion van de Moonsekte en de voorzitter van eml, de vereniging van FN-ondernemers. Het centraal comité herbergt ook Le Pens nieuwe kabinetschef Bruno Racouchot, een gewezen para en een bewonderaar van de SS-schrijver Saint-Loup.

Het FN is een front dat verschillende stromingen bundelt. Grofweg is het FN te verdelen in twee vleugels. Bernard Antony, Pierre Durand, Georges-Paul Wagner en Bruno Gollnisch zijn de bekendste vertegenwoordigers van de katholiek-integristische vleugel, die neigt naar een letterlijke interpretatie van Charles Maurras. Daarnaast bestaat een seculiere en meer ‘verlichte’ vleugel, die nauw aanleunt bij Nieuw Rechts. Intellectuele zwaargewichten van deze tak zijn Bruno Mégret (een oudgediende van de rpr), Pierre Vial (een coryfee van grece, de groepering van Alain de Benoist) en Jean-Yves le Gallou (medestichter van de Club de 1’Horloge). Bruno Mégret bekleedt een centrale plaats in het raderwerk van de partij, die zo’n tachtigduizend betalende leden en dubbel zoveel sympathisanten telt. Mégret kan bogen op een uitgebreid intellectueel netwerk. Zowel de Wetenschappelijke Raad als het Studie- en Documentatiecentrum telt een dertigtal prominente professoren en intellectuelen die doorgaans meewerken aan het Nationaal Vormingsinstituut en aan het theoretisch tijdschrift Identité, dat in handen is van Mégrets medestander Jean-Claude Bardet. Een andere geestverwant van Mégret Fernand Ie Rachinel staat aan het hoofd van de propaganda-afdeling.

Sommige aanhangers van de vleugel-Mégret laten zeer behoedzaam hun bereidheid blijken compromissen te sluiten met andere rechtse partijen. Zij zijn in de ban van de ‘Italiaanse weg’.

Toch lijkt het voorzichtige offensief voorlopig tot mislukken gedoemd. ‘Wat onze idealen en waarden betreft hoeft men niet af te dingen,’ benadrukt Mégret op het congres. ‘We willen de totale overwinning. Het FN is het enige alternatief’ voor de behoudende regering-Balladur.(185)

Het FN hecht veel belang aan de jeugd. De vijftienduizend leden tellende jeugdorganisatie fnj en de studentenorganisatie Renouveau étudiant onder aanvoering van Michel Murat, hebben een radicale reputatie. Zo bevat het eerste nummer van het studentenblad Nouvelle université een interview met de fascist Maurice Bardèche. De FN-jongeren zijn internationaal georiënteerd. Op het tweede congres van Renouveau étudiant, dat op 9 en 10 oktober 1993 in La Baule plaatsvindt, worden de 150 gedelegeerden toegesproken door Filip Dewinter van het Vlaams Blok en Juan Péligro van de Juntas Espanolas. De Vlaamse, Franse en Spaanse jongeren hebben ook een ‘gemeenschappelijk bureau’, dat wordt voorgezeten door Samuel Maréchal.(186)

Tijdens een jongerenrevolte in februari 1994 rond het minimumloon mengen FN-jongeren zich ook in het debat. Ze stellen voor dat de werkgevers de eerste twee jaar geen sociale premies betalen als ze een jongere aanwerven.(187) Vele immigranten verrichten slecht betaald werk dat weinig autochtonen willen doen. Daarom wil het fnj eenvoudige handarbeid ‘herwaarderen’ en Franse jongeren de kans geven vanaf veertien jaar op leercontract te werken. Na een maand van demonstraties trekt de regering haar plan in.

Ondanks de teruglopende populariteit behalen de rechtse regeringspartijen op 20 maart 1994 ruim 45 procent van de stemmen bij de eerste ronde van de kantonale verkiezingen. Het FN is present in 96 procent van de kantons met 1848 kandidaten. De partij behaalt 9,7 procent. Vergeleken met 1988 (5,2 procent) verdubbelt het FN haast zijn score. Fernand le Rachinel, drukker en lid van het politiek bureau, weet in de eerste ronde zijn zetel in de kantonale raad te behouden. Vierennegentig FN-kandidaten stoten door naar de tweede en beslissende ronde.(188) In de stad Dreux, ten zuiden van Parijs, weet Marie-France Stirbois met haast 55 procent van de stemmen stand te houden tegen het gezamenlijke front van rechtse en linkse partijen. Een opmerkelijke overwinning behaalt het FN-lid Eliane de la Brosse in de stad Toulon in de Zuidfranse provincie de Var. In de streek hangt sinds enkele maanden een geur van politieke corruptie. Na de moordaanslag op het rechtse Kamerlid Yann Piat, die in 1988 met het FN brak, komt er een eind aan het tijdperk van de lokale rechtse peetvader Maurice Arreckx. De FN-kandidate, een overtuigd royaliste, presenteerde zich als de enige met ‘schone handen’.

Ondertussen kan het FN de komst van de neofascistische ministers in de Italiaanse regering toejuichen. ‘De naoorlogse periode wordt hiermee afgesloten. Italië is een voorbeeld voor iedereen,’ aldus Le Pen.(189) Le Pen rekent op een MSI-effect en lanceert onmiddellijk de campagne voor de Europese verkiezingen, die op 12 juni 1994 plaatsvinden. De FN-slagzin luidt: ‘Tegen het Europa van Maastricht. Forza Frankrijk.’

Le Pen stelt met onverholen plezier vast dat Philippe de Villiers met zijn lijst ‘Voor een ander Europa’ een gevoelige bres in het rechtse kamp schiet. De streng katholieke landedelman woont in een kasteeltje in de Vendée, een regio die zich fel tegen de Franse revolutie afzette. In deze streek in het zuidwesten van Frankrijk heeft hij leden van zijn machtige familie op sleutelposten aangesteld. De burggraaf is een oudgediende van de royalistische groepering Restauration nationale. Zijn antisocialisme is legendarisch. Zo legt hij in mei 1981 zijn functie als vice-prefect neer omdat hij de socialistische regering niet wil dienen. Hij sticht daarna de Alliantie voor een Nieuwe Cultuur, waarvan de FN-aristocraat Michel de Rostolan de schatbewaarder is.

In 1986 wordt De Vilders staatssecretaris van Cultuur in de regering-Chirac. In 1991 sticht hij de beweging ‘Strijd voor Waarden’, waarna hij zich voetje voor voetje van de rechtse partijen verwijdert.

Newsweek noemt De Villiers een ‘redelijke versie van Le Pen’, omdat hij enige afstand bewaart ten aanzien van diens onbehouwen racisme en antisemitisme.(190) Maar De Villiers predikt een vergelijkbaar nationalistisch ethisch reveil. Hij is tegen abortus, verdedigt de doodstraf en het confessionele onderwijs en eist streng gesloten grenzen tegen immigranten. Hij ziet in het Europa van Maastricht slechts een bedreiging voor de Franse natie en gaat fel te keer tegen de financieel-politieke corruptie. In 1994 telt De Villiers beweging zo’n 45.000 leden, verspreid over afdelingen in alle Franse departementen.(191) De Villiers boort een nieuw potentieel aan van gegoede rechtse burgers die Le Pen te min vinden. Hij wordt goed onthaald in de bladen van Hersant zoals de Figaro en France Soir. ‘De Villiers geeft het gedachtengoed van Le Pen een eerbiedwaardig aanzien. Daardoor geeft hij hoop aan de vele rechtse kiezers die zich ergeren aan Le Pens persoon, ook al vinden ze dat hij het bij het rechte eind heeft inzake immigratie en onveiligheid,’ schrijft Max Clos in de Figaro(192).

Op de lijst van De Villiers staan enkele bekende figuren, zoals de Brits-Franse miljardair Jimmy Goldsmith, wiens fortuin op twee miljard dollar wordt geschat. In zijn bestseller Le Piège, dat door het FN lovend werd onthaald, spreekt hij zich uit voor een Europees protectionisme. Dank zij Goldsmith kan De Villiers per vliegtuig stad en land afreizen om zijn standpunten voor het voetlicht te brengen. De miljardair heeft 3,5 miljoen dollar veil voor De Villiers verkiezingscampagne. In totaal zal de burggraaf niet minder dan 63,7 miljoen Franse frank spenderen.(193) Andere bekende kandidaten zijn de internationaal bekende advocaat Charles de Gaulle, kleinzoon van het vroegere staatshoofd, en onderzoeksrechter Thierry Jean-Pierre, die verder dan wie ook kwam bij het ontrafelen van de verstrengeling tussen de socialistische partij en particuliere belangen. De anti-abortusbeweging is vertegenwoordigd door Françoise Seiller, een militante activiste van de fundamentalistisch-katholieke organisatie ICTUS.

De Villiers tracht de brug naar de rechtse coalitie begaanbaar te houden. Op 14 mei 1994 betoogt hij in Figaro-Magazine dat hij wel degelijk tot de regeringsmeerderheid blijft behoren. Een opvatting die publiekelijk wordt gedeeld door minister Charles Pasqua. Nu de Villiers voorlopig een vereend nationalistisch front onder leiding van Le Pen afwijst, herneemt het FN de loopgravenoorlog. ‘De Villiers is geen Le Pen light maar een valse Le Pen. Hij is in dienst bij de gevestigde orde,’ schrijft National Hebdo aan de vooravond van de Europese verkiezingen.

Op 12 juni 1994 behaalt De Villiers 12,3 procent, goed voor 13 zetels. Hij haalt zijn beste scores in dure buurten als Versailles en Neuilly. De rechtse regeringscoalitie komt uit op een schamele 25,5 procent en de socialistische partij op amper 14,5 procent. De in allerlei corruptieaffaires verwikkelde Bernard Tapie boekt 12 procent. Het FN weet zich te handhaven met 10,5 procent, goed voor elf zetels. De rekensom is even eenvoudig als angstaanjagend. In totaal kiest bijna een kwart van de kiezers voor ultrarechts. Le Pen verheugt zich over de ‘aftakeling van de gevestigde politieke partijen’ en voorspelt dat de kiezers van De Villiers en Tapie, twee politici van het ‘establishment’, vroeg of laat naar het FN zullen overlopen.(194) ‘Het FN kan op termijn 30 procent scoren. Er tekent zich een Italiaanse evolutie af,’ juicht Bruno Mégret.(195)

Het proces van verrechtsing is weliswaar geleidelijker en minder spectaculair dan in Italië, maar niet minder doeltreffend. Binnen de conservatieve meerderheid woekert het extreem rechtse gedachtengoed. Verschillende wetsontwerpen getuigen daarvan, zoals het voorstel van ruim honderd parlementsleden om de doodstraf opnieuw in te voeren, of het wetsontwerp om abortus niet meer door de sociale verzekering te laten vergoeden.

Op het jaarlijkse partijfeest op 18 september 1994 presenteert Le Pen zich als de toekomstige president van de Zesde Republiek en als de onbezoedelde strijder tegen corruptie.(196) De ironie wil dat de FN-leider zelf het middelpunt is van een rel over belastingfraude. Eind 1994 krijgt Le Pen bericht van de belastingdienst dat hij 1,4 miljoen Franse frank moet bijpassen voor de periode 1978-1981.(197) Ook voor de daaropvolgende jaren zal Le Pen nog moeten bijbetalen. Le Pen heeft kennelijk de belastingdienst geen correcte informatie over zijn fortuin gegeven. Le Pen erfde het kasteel Montretout in Saint-Cloud van de familie Lambert als blijk van erkentelijkheid voor het verzorgen van de laatste alcoholische telg van het geslacht. De omstreden nalatenschap bedroeg zo’n slordige honderd miljoen Belgische frank.

Le Pen heeft vijfhonderd handtekeningen van burgemeesters of parlementsleden nodig om te kunnen deelnemen aan de presidentsverkiezingen. Het zwakke democratische gehalte van de Franse politieke wereld manifesteert zich wederom, want uiteindelijk geven 591 burgemeesters en parlementsleden Le Pen de kans zijn presidentiële ambities waar te maken.(198) Daarnaast zitten 585 ‘geachte nationalisten’ in Le Pens steuncomité, onder wie prinses A.M. de Polignac en de royalistische advocaat Gérard de Gubernatis, sympathisant van l'Action française en ooit verdediger van OAS-leden.(199)

‘Hartstochtelijk Frans’ en een ‘Frankrijk voor alle Fransen’ zijn de nationalistische leuzen waarmee Le Pen de presidentsverkiezingen ingaat. Hij is van plan de Franse soevereiniteit te heroveren op de Europese Unie, vier miljoen banen voor Fransen te scheppen en de ‘driehonderd maatregelen voor de wedergeboorte van Frankrijk’ uit te voeren, te beginnen met de repatriëring van drie miljoen immigranten. De verharding van de strijd tegen de ‘gevestigde macht’ blijkt ook uit een interview dat Le Pen op i februari 1995 toestaat aan II Corriere de la Sera. Hierin levert hij scherpe kritiek op Fini’s initiatief om de MSI te vervangen door de Nationale Alliantie. ‘Fini en zijn vrienden willen het establishment behagen. Ik vrees dat ze goed op weg zijn christen-democraten te worden,’ aldus Le Pen. Le Pen beschouwt zich als de uitvoerder van de laatste wil van Giorgio Almirante: ‘Als Fini vindt dat hij dichter bij Chirac dan bij mij staat, dan pleegt hij verraad aan de stichter van de MSI.(200)

Het bevalt Le Pen ook niet dat Philippe de Villiers meedingt naar het presidentschap. De Villiers vindt dat de twee rechtse kandidaten Jacques Chirac en Edouard Balladur niet voldoende tegemoet komen aan zijn programma, waarvan de voornaamste punten zijn: afschaffing van de inkomstenbelasting, steun aan kleine en middelgrote ondernemers, drastische afslanking van het aantal ambtenaren, herovering van de volkssoevereiniteit op de Europese Unie, harde aanpak van de corruptie en onveiligheid, invoering van een schoolcheque, van een moederschapsloon en van een extra belasting op import uit lage-lonenlanden.(201)

De verkiezingscampagne verloopt zeer agressief. Gesteund door de groei van uiterst rechts hebben de anti-abortusgroepen hun protesten verscherpt, met onder meer gewelddadige overvallen op klinieken. Le Pen spreekt zijn ‘zeer sterke steun’ uit voor Dom Gérard Calvet en de Sauveteurs de la Trêve de Dieu die demonstreren tegen een abortuskliniek in Grenoble. Présent wakkert de agressiviteit van de anti-abortuscommando’s aan met opruiende titels als: ‘Wet-Veil: al 4 miljoen slachtoffers.(202) Op 21 februari 1995 schieten drie FN-leden een zeventienjarige immigrant dood in een buitenwijk van Marseille. De drie daders waren affiches aan het plakken met het opschrift: ‘Met Le Pen aan de macht keren drie miljoen immigranten terug naar eigen land.’ Le Pen oppert aanvankelijk dat het om een provocatie gaat om zijn beweging in discrediet te brengen. Later beweert Bruno Mégret dat de partijleden ‘puur uit zelfverdediging’ zouden hebben gehandeld. Daarbij blijft het niet. Tijdens een meeting in Auch, op 21 maart 1995, brengt Le Pens schoonzoon Samuel Maréchal ernstige slagen en verwondingen toe aan een jonge scholier die het waagde tegen Le Pen te protesteren.

Op 23 april 1995 wint de socialistische kandidaat Lionel Jospin verrassend de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Jacques Chirac eindigt als tweede met ruim 20 procent en is de tegenstander van Jospin in de tweede en beslissende ronde op 7 mei. Chirac blijft net voor zijn gaullistische rivaal Balladur (19 procent). De Villiers strandt op 4,7 procent. Le Pen zet zijn verontrustende opmars voort met een nieuwe recordscore van 15,07 procent, zo’n 4,5 miljoen stemmen. In het zuiden en in de Elzas is hij regelrecht winnaar. Le Pen vindt zijn aanhang steeds meer in volkswijken. Onderzoeken wijzen uit dat Le Pen verontrustend hoog scoort onder werklozen (35 procent) en arbeiders (23 procent). National Hebdo: ‘De doorbraak bij arbeiders en jongeren, dat is de belangrijkste les uit de voorbije campagne. Nu de werkloosheid is opgelopen tot 12,5 procent hebben de arbeiders in het FN een alternatief gevonden.(203)

Op 1 mei 1995 organiseert het FN in Parijs de jaarlijkse Jeanne-d’Arc-optocht met een groots geënsceneerde toespraak voor het gebouw van de Opéra Garnier op een gigantisch podium vol oud-strijders en bestuursleden met sjerpen en insignes. Le Pen adviseert zijn kiezers blanco of Jeanne d’Arc te stemmen. De gaullist krijgt het harder te verduren dan Jospin. ‘Chirac is in feite Jospin in een nog slechtere versie,’ aldus een woorddronken Le Pen.(204) ‘Hij heeft zijn volk, zijn natie en zijn geloof verraden.’ Jospin vertegenwoordigt ‘de partij van de buitenlanders, van het federalistische Europa en van het mondialisme.’ Het publiek - 75.000 mensen volgens het FN, 10.000 volgens de politie - geniet van de aanval op de multiculturele samenleving en op de gevestigde politieke partijen.

Tijdens de optocht zijn enkele skinheads weggelopen om een 29-jarige Marokkaan, Brahim Bourarram, op de lage rivierkade bij de Pont du Carroussel vast te pakken en in de Seine te gooien. Le Pen ontkent weer prompt iedere band tussen de moord op de Marokkaan en zijn beweging. Achter de ophef ziet hij een politiek opzetje van duistere krachten om hem te beschadigen. ‘Ze hebben echter een schoonheidsfoutje gemaakt. Het slachtoffer is verdronken,’ oppert Le Pen(205). Tien dagen later worden drie jongeren uit Reims aangehouden. Bernard Courcelle, het hoofd van de FN-veiligheidsdienst dps, een hiërarchische en paramilitaire groepering met afdelingen in elk departement, zegt voor de radio dat hij de politie op het spoor heeft gebracht van de verdachten. Volgens de veiligheidsman werden de skinheads tijdens de demonstratie gefilmd. De drie zouden geen lid zijn van het FN en zouden het erop aangelegd hebben de FN-optocht te saboteren. De waarheid is anders. Volgens de politie zijn de verdachten sympathisanten van het FN en kwamen ze met een FN-bus gratis naar Parijs. Nadien vertrokken ze weer met dezelfde bus alsof er geen vuiltje aan de lucht was.(206)

Op 7 mei 1995 wordt Chirac tot president gekozen. De stemmen van de extreem rechtse kiezers hebben de doorslag gegeven bij de nipte winst van Chirac (52,8 procent). Alain Juppé wordt premier van de nieuwe regering. De regering-Juppé telt enkele ministers met een stevig rechtse reputatie. De nieuwe minister van Defensie Charles Millon was actief in de beweging voor ‘Frans Algerije’. Millon heeft zich in het verleden meermalen gekant tegen abortus, en gepleit voor het invoeren van de doodstraf. Het strategische ministerie van Economie en Financiën wordt toevertrouwd aan Alain Madelin, een man met een ultrarechts verleden. Minister van Integratie Eric Raoult heeft zich als parlementslid geregeld uitgesproken voor een immigratiestop en voor samenwerking met het FN.(207) En wat te denken van de nieuwe staatssecretaris voor Hoger Onderwijs, Jean de Boishue, die in zijn boek Banlieue mon amour in ongegeneerd racistische termen de bewoners van de wijken met grote sociale problemen in de nieuwbouwsteden beschrijft.

Rechts domineert op alle niveaus van het Franse politieke leven, behalve in de gemeenteraden van de grote steden. Daar kampt de conservatieve coalitie met de groeiende invloed van het FN. Le Pen wil zijn recordscore van 15 procent in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen bij de gemeenteraadsverkiezingen in juni 1995 zoveel mogelijk uitbuiten zodat hij zijn anti-vreemdelingenpolitiek dicht bij huis kan opleggen. De partij presenteert een lijst in 512 gemeenten, waarvan 477 in gemeenten met meer dan vijfduizend inwoners. In het totaal beschikt het FN over zo’n 25.000 kandidaten, dit is 10.000 meer dan in 1989 toen het FN in 363 gemeenten aan de verkiezingen deelnam.(208)

Het FN mikt op lokale eenheid van alle ‘nationalisten’. Op sommige plaatsen met succes. Op de lijst van Pierre Descaves in Noyon prijken verscheidene voormalige gaullisten. Tweede op de lijst is niemand minder dan generaal Ceccaldi. In Tourcoing heeft Christian Baeckeroot de broer van de overleden traditionalistische kardinaal Lefebvre weten te strikken. De ‘eenheidslijst’ van Jacques Bompard in het Provençaalse Orange telt amper zeven echte FN-leden. Bompard, een kaakchirug, heeft zijn sporen verdiend in de gewelddadige groeperingen Occident en Ordre nouveau. Hij is ook medestichter van het OAS-netwerk Cambronne. Zijn programma ‘De hoop van Orange’ is gebaseerd op de voorrang van de autochtone inwoners met betrekking tot werk, woningen en alle sociale voorzieningen.

In de marinehaven Toulon, een stad met 167.000 inwoners, krijgt de lijst ‘Een beter leven in Toulon’ van Jean-Marie le Chevallier de steun van heel wat militairen, zoals admiraal Nachin, een voormalig lid van de rpr. De gepensioneerde admiraal Gumpp is voorzitter van het steuncomité van Le Chevallier. Deze wil het budget van de politie vervijfvoudigen en het politiecorps uitbreiden van 23 tot minstens 70 man. Le Chevallier is een conservatieve katholiek die aanleunt bij de integristische groep rond Présent. In 1974 was hij lid van het steuncomité van Giscard en kabinetschef van de staatssecretaris van Remigratie in de eerste regering-Chirac. Le Chevallier werd in 1983 kabinetschef van Le Pen en geldt sindsdien als diens boezemvriend.

Op 11 juni 1995 wint het fn opnieuw terrein bij de eerste ronde van de gemeenteraadsverkiezingen. De winst is het grootst aan de Côte d’Azur, in Noord-Frankrijk en in de Parijse regio. In 121 grote steden verzekert het fn zich van een solide plaats naast traditioneel rechts door vlot de kiesdrempel van 10 procent te halen, waardoor de partij mag meedoen in de tweede ronde. In tien steden scoren FN-kopstukken zelfs tussen de 30 en 45 procent. In Nice, met een half miljoen inwoners de vijfde stad van Frankrijk, stemt 34 procent voor Jacques Peyrat en 12,5 voor de reguliere FN-kandidaat, hetgeen betekent dat 46,5 procent door extreem-rechts bestuurd wil worden. Peyrat, een aristocratische advocaat en een Indochina-veteraan, heeft de steun van de onlangs door Paraguay wegens corruptie uitgeleverde ex-burgemeester Jacques Médecin. Peyrat heeft wel het fn maar niet zijn ideeën verlaten. Vlak voor de verkiezingen, op 31 mei 1995, verklapt Peyrat aan Journal du Dimanche: ‘Ik heb het fn met pijn in het hart verlaten. Ik verloochen de ideeën van deze partij niet. Ik wil dat de toeristen rustig op de avenue Jean Médecin kunnen wandelen zonder Arabieren of Afrikanen tegen het lijf te lopen.’ Peyrat wil een ‘video-bewakingssysteem’ in de straten van Nice om de onveiligheid tegen te gaan.

Vlak voor de tweede ronde houdt Le Pen in Toulon zijn laatste verkiezingsbijeenkomst. Hij benadrukt de noodzaak van een ‘brede beweging’. Het nationalisme is niet rechts of links. Het is ruimer.(209) Vermits de conservatieve regeringscoalitie niet bereid is een akkoord met het fn te sluiten, handhaaft de partij het merendeel van haar kandidaten, waardoor het fn in achtenvijftig steden met meer dan dertigduizend inwoners een beslissende invloed krijgt op de keuze tussen rechtse en socialistische kandidaten.

De extreem rechtse golfslag lijkt, ondanks het obstakel van het meerderheidskiesstelsel, voorlopig niet te keren. Op 18 juni 1995 verovert het FN in totaal 1075 gemeenteraadszetels - driemaal zoveel als in 1989 - en drie belangrijke burgemeesterszetels in Zuid-Frankrijk. Deze laatste winst wordt geboekt waar klassiek rechts en links verdeeld bleven en een ‘republikeins front’ niet van de grond kwam. Het FN zal de komende zes jaar Toulon, Orange en de Marseillaanse voorstad Marignane besturen. Het zijn niet toevallig steden met een ruime aanwezigheid van pieds noirs en militairen. Ex-FN-voorman Jacques Peyrat is de nieuwe burgemeester van Nice. Le Pen laat niet na de overwinning van Peyrat op de zittende gaullistische burgemeester te annexeren. In Noyon, Vitrolles en Dreux grijpen de FN-kandidaten naast de zege als gevolg van de samenwerking van de rechtse en socialistische kandidaten. Le Pen spreekt vol afgrijzen van een samenzwering door de ‘bende’ van traditionele partijen die zelfs ‘hele bataljons immigranten hebben ingezet’.

Het FN is in een nieuwe fase beland, die van het in de praktijk brengen van zijn politiek van ‘eigen volk eerst’. De overwinning van het FN dreigt de spanning te doen oplopen, want de discriminatie van immigranten is gedeeltelijk wettelijk verboden. Het is echter nog de vraag of het FN zich aan de wet zal houden. In Présent klinken oorlogszuchtige termen als ‘bevrijde steden’, ‘het Nationaal Bevrijdingsfront’ en ‘natuurrecht’. Le Pen zelf spreekt van een historische wending. Hoe dan ook, in het Franse politieke krachtenspel betekent de verkiezingsuitslag een historische ruk naar rechts, die te vergelijken is met het veelbesproken Berlusconi-effect in Italië. Wie durft nog te zweren dat er vroeg of laat geen Franse Berlusconi opstaat?

DUITSLAND - Inhoud

Het verdrongen verleden - Inhoud

Op 8 mei 1945 ondertekent Alfred Jodl in Reims de capitulatie-oorkonde. Hitlers generaal verzekert vol wrok dat 'het Duitse volk en leger nu helemaal aan de overwinnaars zijn overgeleverd.’ Aan de zestig miljoen doden van Hitlers aanvalsoorlog verspilt hij geen woord. De volgende dag doet de hoogste Wehrmachtofficier Wilhelm Keitel de ondertekening nog eens over in Berlijn. Sindsdien geldt 8 mei officieel als de dag van nazi-Duitslands ondergang en Europa’s bevrijding van het fascisme.

De conferenties van Jalta (1945) en Potsdam leggen de nieuwe grenzen van Europa vast: de in 1937 tot Duitsland behorende Oostgebieden (Silezië, Pommeren en een deel van Oost-Pruisen) vallen Polen toe en de rest van Oost-Pruisen rond Kaliningrad komt bij de Sovjetunie. Polen wordt zo’n 150 kilometer naar het Westen geschoven. De Oder-Neissegrens is getrokken. Daarop vluchten meer dan twaalf miljoen ‘Volksduitsers’ uit de Oostgebieden naar Duitsland. Onder hen bevinden zich 2,5 miljoen Sudeten-Duitsers, die over de Tsjechoslowaakse grens worden gezet op grond van decreet 108, dat door president Benes in augustus 1945 uitgevaardigd wordt. Tsjechoslowakije acht hen schuldig aan collaboratie met de nazi’s en confisqueert al hun eigendom.

Het proces van Neurenberg kadert in wat mooi ‘het verwerken van het verleden’ wordt genoemd. Er staan slechts enkele hoofdschuldigen terecht. Op 1 oktober 1946 worden twaalf beklaagden ter dood veroordeeld. Zeven anderen verdwijnen achter de tralies. Diplomaat Franz von Papen, propagandist Hans Fritzsche en de ex-directeur van de Reichsbank Hjalmar Schacht komen er met de schrik van af. Schacht leidde onder Hitler enkele jaren het ministerie van Financiën en gold als een van de financiële architecten van de Führer. Het verbaast hoe gemakkelijk vooral Hitlers medestanders uit de hoge economische kringen vrijgesproken worden, hoewel ze hun zakken hebben gevuld tijdens het nazi-bewind, dat zonder hun steun nooit tot stand had kunnen komen. Ze waren er allemaal bij toen rijksveld-maarschalk Hermann Göring in december 1936 Hitlers vierjarenplan van een toelichting voorzag en benadrukte dat leger en economie binnen vier jaar klaar moesten zijn voor de oorlog. Niemand protesteerde, zoals Alfried Krupp later zou verklaren. Karl Krauch, de chef van het chemie-conglomeraat IG Farben, was overigens een van de opstellers van het vierjarenplan. In april 1939 drong IG Farben zelfs openlijk aan op een Blitzkrieg, omdat de voorraden onvoldoende waren voor een langdurige oorlog. Tijdens de oorlog leverde het bedrijf het gas waarmee Himmlers SS in Auschwitz miljoenen gevangenen om het leven bracht. Op het terrein van het vernietigingskamp werkten dwangarbeiders in een produktie-eenheid van IG Farben. Ook de staalbedrijven Thyssen en Krupp en Mercedes-Benz maakten op grote schaal misbruik van dwangarbeiders. De Deutsche Bank was een belangrijke geldschieter van Hitler. Sterker nog, Duitslands grootste financiële instelling was op beschamende wijze betrokken bij de Arisierung en plundering van joodse bedrijven.

Koeltjes laten de meeste oorlogsprofiteurs de naoorlogse zuivering over zich heen komen en bepleiten met speels gemak ‘een terugkeer naar de democratie en de vrije markt’. De topmannen van IG Farben moeten zich in juni 1947 wel voor de rechter verantwoorden, maar worden zeer genadig behandeld en zonder veel publiciteit vrijgelaten. De afzonderlijke delen van de ontbonden chemie-reus mogen van de geallieerden als zelfstandige

bedrijven voortbestaan. Zo herrijzen uit de as van IG Farben onder meer basf, Bayer en Hoechst. De kanonnenkoning Alfried Krupp wordt in 1948 veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens ‘plundering van bezette gebieden en tewerkstelling van slavenarbeiders’, maar hoeft zijn straf niet uit te zitten. De Amerikaanse Hoge Commissaris Mc Cloy annuleert zelfs met één pennestreek het bevel tot confiscatie van Krupps eigendom - een duidelijke bevestiging van het gezegde: ‘Regimes veranderen, maar Krupp blijft.’ De simpele reden voor zoveel mildheid is van geopolitieke aard: Duitsland moet dienen als buffer tegen het communisme. Daarom kunnen de meeste grootindustriëlen zonder veel kleerscheuren hun economische posities opnieuw innemen en het voortouw nemen bij de wederopbouw.

De Bondsrepubliek (BRD), in september 1949 ontstaan uit de westerse bezettingszones, besteedt de Marshall-hulp aan de wederopbouw van een kapitalistische economie. Wanneer in 1949 de grondwet tot stand komt, acht vrijwel niemand het wenselijk dat Duitsland ooit nog strijdkrachten zou hebben, laat staan dat daarmee buiten het eigen grondgebied zou worden opgetreden. In het begin van de jaren vijftig laten kanselier Konrad Adenauer en zijn minister van Economische Zaken Ludwig Erhard, in het Derde Rijk economisch raadgever van de Gauleiter in het Saargebied, de grondwet aanpassen om de brd in te bedden in de NAVO en, zo men wil, de ‘westerse waardengemeenschap’.

Tot ontzetting van velen verdringt de regering-Adenauer zachtjesaan de pijnlijke nazi-periode om ze in stilte ‘af te sluiten’. Op 31 januari 1951 komen vele oorlogsmisdadigers alweer op vrije voeten. Na het uitbreken van de Koude Oorlog is er opeens een belangrijke rol voor verscheidene ex-nazi’s weggelegd. De brd, zo blijkt, ziet met het linkeroog zeer scherp, maar is aan het rechteroog goeddeels blind. Een regeringsbeluit van 19 september 1950 verspert antifascisten de toegang tot ambtelijke posten.

Tegelijkertijd worden duizenden ex-nazi’s in sleutelposities benoemd. Hermann Josef Abs, tijdens de oorlog directeur van de Deutsche Bank en president-commissaris van IG Farben, wordt adviseur van Adenauer en vervolgens opnieuw directeur van de Deutsche Bank. De voormalige Wehrmacht-generaal Hans Speidel wordt belast met de reorganisatie van het Duitse leger. Later klimt Speidel op tot bevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in Centraal-Europa, een topfunctie in de NAVO. Onder zijn bewind waren moord, marteling en willekeurige arrestaties van joden en verzetstrijders in het bezette Frankrijk de normaalste zaak. Reinhard Gehlen, de chef van de Duitse militaire inlichtingendienst voor het Oostfront, brengt het zelfs tot hoofd van de ‘Bundesnachrichtendienst’ (BND), de Westduitse geheime dienst. Kanselier Adenauer benoemt Hans Globke tot staatssecretaris, ofschoon hij weet dat Globke in het Derde Rijk de officiële commentator van de Neurenbergse rassenwetten was. Zelfs de eerste naoorlogse president, Theodor Heuss, heeft een oorlogsverleden: hij stemde in 1933 in de Rijksdag voor Hitlers noodwetten. De regering-Adenauer ontdoet zich nauwelijks of niet van de nazi-rechters, die naar schatting zo’n dertigduizend soldaten wegens desertie veroordeelden, waarvan twee derde nog tijdens de oorlog geëxecuteerd werd. Een dergelijke wijdverbreide aanwezigheid van ex-nazi’s in het staatsapparaat illustreert hoe bizar het ‘nieuwe’ Duitsland het begrip democratie interpreteert.

Het neofascisme kan weer ontluiken, omdat er na de bevrijding geen radicaal nieuw begin is. De grondwet verbiedt wel de oprichting van partijen die lijken op de NSDAP, maar biedt voldoende ontsnappingsmogelijkheden. Op 2 oktober 1949 richten rechtgeaarde ex-nazi’s de Sozialistische Reichspartei (srp) op. De srp telt op het hoogtepunt meer dan tienduizend leden en scoort in Nedersaksen 11 procent bij de deelstaatverkiezingen in 1951. De bekendste leider is de voormalige nazi-generaal Otto Remer, die als veiligheidschef de aanslag op Hitler in juli 1944 verijdelde. De srp maakt de democratie verdacht als een ‘volksvreemde’ uitvinding van de geallieerde ‘bezetters’. Zij brandmerkt de politici van Bonn als ‘landverraders’ en hekelt de ‘over-winnaars-justitie’. Op 23 oktober 1952 stelt het Grondwettelijk Hof de SRP buiten de wet. Voor de meeste SRP-leden maakt dat niets uit, want ze stappen simpelweg over naar de Deutsche Reichspartei (DRP). Adolf von Thadden, lid van de NSDAP sinds 1939 en tijdens de oorlog medewerker van de SD in Polen, is de voornaamste ideoloog. De DRP onderscheidt zich weliswaar in toon en stijl van de onbehouwen SRP, maar haar doel is hetzelfde.

Rond de DRP formeert zich een kring van publicisten en uitgevers die weer ongegeneerd de zogeheten schuldvraag ter sprake brengen: was Hitler eigenlijk wel begonnen met de oorlog, was hij niet geprovoceerd door de joden en de bolsjewieken? De fascistische persen draaien opnieuw volop. Arthur Ehrhardt, ooit SS-Sturmbahnführer, geeft Nation Europa uit, ‘een maandblad in dienst van de Europese vernieuwing’. Het blad ziet in de Waffen-SS, die deels uit Europese vrijwilligers bestond, het model voor de toekomstige Europese ordening. Hans Grimm, tijdens het Derde Rijk een notoire nazi-publicist, en verscheidene bekende buitenlandse fascisten, onder wie de Brit Oswald Mosley en de Fransman Maurice Bardèche, verlenen hun medewerking aan het blad. De drp mikt op de Volksduitsers, die een link vormen tussen extreem rechts en klassiek rechts. De overkoepelende Bond van Verdrevenen (BDV) en de twintig aangesloten Bonden (Landsmannschaften) omkaderen miljoenen kiezers.

De BDV wordt gul gesubsidieerd door de Duitse regering, hoewel zijn leiders onder de revanchistische leus ‘recht op een vaderland’ de gedachte aan Groot-Duitsland levend houden. Wranger is dat de ‘verdrevenen’ onder Adenauer onder het politieke toezicht staan van drie ministers van Vluchtelingenzaken met een beladen verleden: Theodor Oberlander stond tijdens de oorlog aan het hoofd van de speciale eenheid Nachtigall, die een massamoord aanrichtte in de Oekraïense stad Lvov; Hans Krüger was een gevreesd nazi-rechter en Ernst Lemmer schreef in opdracht van Goebbels meer dan tweeduizend artikelen in buitenlandse collaboratiebladen.

De Bondsrepubliek verliest veel krediet door de aanwezigheid van ex-nazi’s in de hoogste regionen van de staat. Tot het midden van de jaren zestig wordt er evenwel niet veel aandacht aan besteed. President Heinrich Lübke, architect van het concentratiekamp Beenemünde, en kanselier Kurt-George Kiesinger, referendaris bij Goebbels, maken probleemloos de dienst uit. De strafrechtelijke vervolging van nazi-misdadigers is ook al een poos vrijwel tot stilstand gekomen. Begin 1964 zijn 5239 oud-nazi’s veroordeeld. Toch begint het tij te keren. Günter Grass publiceert Die Blechtrommel, in Der Stellvertreter stelt Rolf Hochhut de houding van de katholieke kerk ten opzichte van het Derde Rijk uiterst kritisch aan de orde en Peter Weiss brengt in zijn toneelstuk Die Ermittlung het Auschwitz-proces op het toneel.

Beconcurreerd door de rechtse CDU/CSU blijft de drp bij de verkiezingen steken op een schamele één procent. Het wordt Adolf von Thadden al snel duidelijk dat het zo niet verder kan. Hij neemt op 28 november 1964 het initiatief om de National-demokratische Partei Deutschlands (NPD) op te richten. Het eerste NPD-bestuur bestaat,voor drie kwart uit voormalige NSDAP-leden. Tussen 1966 en 1968 sleept de NPD vele zetels in verscheidene deelstaten in de wacht. Bij de parlementsverkiezingen van 1969 blijft ze met 4,3 procent van de stemmen juist onder de kiesdrempel van vijf procent. Nadien verloopt haar neergang even abrupt als haar opkomst.

Nieuwe initiatieven om extreem rechts te verzamelen zien het licht. Op 18 januari 1971, de honderdste verjaardag van de stichting van het Duitse Rijk door Otto von Bismarck, sticht Gerhard Frey de Deutsche Volksunion (DVU). Het motto van deze beweging luidt: ‘Nog is Duitsland niet verloren.’ Frey doet veel stof opwaaien met massabijeenkomsten waarop de nazi-oorlogsheld Hans-Ulrich Rudel het woord voert. Frey’s weekbladen de Nationalzeitung, en de Deutsche Wochenzeitung, hebben als favoriet onderwerp de ontkenning van de Duitse oorlogsschuld. Frey heeft goede banden met de rechtervleugel van de Beierse CSU van Franz Josef Strauss, die tijdens de oorlog Officier für Wehrgeistige Führung was, een verre van onschuldig propagandabaantje. Strauss wil het nazi-verleden het liefst vergeten. De t.v.-serie Holocaust, die aan het einde van de jaren zeventig veel Duitsers een emotionele schok bezorgt, doet hij af als ‘geschiedvervalsing’. In 1983 breekt in de CSU een rel uit over de toekenning door Strauss van een lening aan de DDR. Enkele CSU-dissidenten, onder wie de t.v.-journalist Franz Schönhuber, stichten daarop de Republikaner. Franz Schönhuber, ooit lid van de elitedivisie ‘Leibstandarte Adolf Hitler’, probeert in zijn boek Ik was erbij uit alle macht het imago van de Waffen-SS schoon te houden.

Ook kanselier Helmut Kohl verzet de bakens. In 1984 wordt hij gelauwerd door de Bond van Verdrevenen omdat hij de Duitse kwestie nog maar eens heeft heropend. Op 5 mei 1985 wil Kohl per se met president Reagan naar Bitburg, waar niet alleen Duitse soldaten maar ook ss’ers begraven liggen. Drie dagen na Bitburg houdt president Richard von Weizsacker (CDU) ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de capitulatie zijn beroemde rede, waarin hij 8 mei een ‘bevrijdingsdag’ noemt. Hij veroordeelt het nazisme zonder mits en maar. ‘Wie zijn oren en ogen openhield, kon het niet ontgaan dat de deportatietreinen voorbijrolden,’ aldus de president. ‘Wie zich de onmenselijkheid niet wenst te herinneren, is vatbaar voor nieuw besmettingsgevaar.’

Nieuw Rechts - Inhoud

Op 6 juni 1986 maakt professor Ernst Nolte in de conservatieve Frankfurter Allgemeine Zeitung (faz), de veelbesproken ‘strijd der historici’ los met een artikel getiteld ‘Het verleden dat niet wijken wil’. Nolte tracht het misdadige karakter van het nazisme te relativeren. In 1987 publiceert hij zijn ophefmakende bestseller De Europese Burgeroorlog 1917-1945. De geplande, haast geïndustrialiseerde massamoord van de nazi’s is volgens Nolte allesbehalve uniek. Nolte ontkent de misdaden van Hitler niet, maar houdt het erop dat het nazisme ‘een reactie’ is op het ‘misdadige bolsjewisme’.

In hetzelfde jaar gaat de jonge Berlijnse historicus Rainer Zitelmann nog een stapje verder. In zijn boek Hitler. Selbstverstandnis eines Revolutionars schetst hij de Führer als een sociale, ecomomische en ecologische vernieuwer die zijn tijd ver vooruit was en opkwam voor ‘meer gelijke kansen binnen de volksgemeenschap’. Lang voor Keynes zou Hitler al een remedie tegen de werkloosheid bedacht hebben. Zitelmann krijgt veel schouderklopjes van het neonazistische blad Deutschland in Geschichte und Gegenwart (DGG). ‘Zitelmann legt er de nadruk op dat het nazisme links noch rechts is,’ aldus DGG. ‘Volgens Zitelmann was het Hitler niet te doen om oorlog of jodenvernietiging, maar om het welzijn van zijn volk. Zitelmann wijst er ook op dat Hitlers antisemitisme overgewaardeerd wordt.’

Ernst Nolte en Rainer Zitelmann vormen de motor van Nieuw Rechts, een los verband van politici, wetenschappers en commentatoren, dat zich tot taak stelt de geschiedenis te herschrijven en Duitsland te ‘renationaliseren’. Duitsland moet eindelijk zelfbewust naar een nieuwe identiteit streven. Nieuw Rechts kent zichzelf een ideologische ijsbrekersfunctie toe, doch wil zich niet binden aan een specifieke politieke partij. Het wil extreem rechts en de nationaal-conservatieve vleugels van de gevestigde partijen verenigen in een brede rechtse radicale beweging, een soort nationaal front of Duits blok, dat op lange termijn het lot van het nieuwe Duitsland moet bepalen. Nieuw Rechts heeft vele gezichten, maar de vroegere secretaris van Ernst Jünger, Armin Mohler, heeft terecht gewezen op het belangrijke precedent dat de ‘Conservatieve Revolutie’ voor Nieuw Rechts vormt.

Conservatieve Revolutie staat voor de nationalistische stroming uit de jaren twintig, die verbonden wordt met grote namen uit de literatuur zoals Arthur Moeller van den Bruck, auteur van Het Derde Rijk (1923), Carl Schmitt, Ernst Jünger en Martin Heidegger. Met hun bijtende kritiek op de parlementaire democratie tekenden deze nationalistische intellectuelen het vonnis van de Weimar-republiek (1919-1933) en droegen ze ontegenzeglijk bij aan de opkomst van het nazisme. Sommige prominente vertegenwoordigers van de Conservatieve Revolutie hebben zich willens en wetens achter Hitler geschaard. De auteur-filosoof Ernst Jünger verwelkomt al op 23 september 1923 in het obscure partijblad Völkische Beobachter het nationaal-socialisme als de enig ware revolutie. Wegens zijn verering voor nationalistisch en militair heldendom, wordt Jünger door Hitler zeer bewonderd. Tijdens de oorlog verblijft Jünger als Wehrmacht-officier in Parijs. Wel behoedt hij enkele joden voor arrestatie, maar na 1945 uit de zogenaamd ‘kritische’ Jünger geen woord van kritiek op de Wehrmacht, die zich in de Balkan, in Polen en in West-Rusland op grote schaal aan oorlogsmisdaden te buiten is gegaan.

Wellicht de meest geciteerde auteur in kringen van Nieuw Rechts is Carl Schmitt. In de euforie die Duitland na Hitlers machtovername overspoelt, wordt de jurist Schmitt lid van de NSDAP en invloedrijk uitgever van de Deutsche Juristenzeitung. Schmitt verdedigt de Neurenbergse rassenwetten en de bloedige actie die Hitler op 30 juni 1934 tegen de sa onderneemt, waarbij SA-leider Ernst Roehm en zo’n duizend aanhangers genadeloos uit de weg worden geruimd. Ook Martin Heidegger wordt in 1933 lid van de NSDAP. Hij wordt beloond met het rectoraat van de universiteit van Freiburg. Heidegger helpt zonder verpinken de universiteit zuiveren van ‘vreemde smetten’. Hij blijft doceren tot het eind van de oorlog, alsof er niets aan de hand is. Hitler neemt ook de in 1900 overleden filosoof Friedrich Nietzsche postuum op in het pantheon van de nazi-ideologie. Hij laat diens antichristelijk meesterwerk Also sprach Zarathustra inmetselen in het oorlogsmonument van de Tannenberg, samen met zijn eigen Mijn kamp. De nazi’s zijn onmiskenbaar in de ban van het meedogenloze en martiale Deutschtum van de filosoof (‘U zult de vrede liefhebben als middel tot nieuwe oorlogen’), zijn oproep tot tucht, hardheid en selectie evenals zijn verheerlijking van de Uebermensch.

De val van de Muur in de nacht van 9 op 10 november 1989, meestal aangeduid als ‘de ommekeer’, geeft een impuls aan Nieuw Rechts. Als in een roes viert Duitsland het grootste nationalistische volksfeest sinds de oorlog. Drie oktober 1990 is het volgende nationale hoogtepunt. Veertig jaar lang bestonden er twee Duitse staten, beide lid van de Verenigde Naties, beide met een eigen geschiedenis en politiek systeem. Al die jaren was de brd een ‘voorlopig’ land, dat bij elke internationale stap rekening diende te houden met de vier ‘grote mogendheden’, want de tweede wereldoorlog was wat de brd betreft niet afgesloten met een vredesverdrag. Op 3 oktober 1990 gaat de DDR, door extreem rechts consequent ‘Midden-Duitsland’ genoemd, geheel op in de kapitalistische Bondsrepubliek. Voor Nieuw Rechts is daarmee de eerste stap naar het herwinnen van de ‘soevereiniteit’ gezet. Voortvarend probeert het een nieuwe, nationaal getinte rol voor Duitsland te formuleren. Het zet zich steeds feller af tegen enkele basisprincipes van de naoorlogse politiek: de militaire zelfbeperking en de onlosmakelijke banden met de VS en de Europese Unie. Telkens sluipen in hun standpunten elementen met een nare bijsmaak. Zo moet Duitsland vooral weer een ‘normale natie’ worden, waarbij geen blijvende herinnering aan de nazi-misdaden past.

Rechtse radicalen proberen op alle mogelijke manieren de nazi-volkerenmoord weg te schrijven. Onder de fanatiekste ‘ontkenners’ bevinden zich generaal Otto Remer, de redder van Hitler tijdens de officierenopstand in 1944, en de Britse amateur-historicus David Irving. Irvings boeken worden in miljoenenoplage over de hele wereld verkocht en in Duitsland uitgegeven door de bekende uitgeverij Ullstein. Irving baseert zijn mening onder meer op een dubieus rapport van Fritz Leuchter, een executie-expert die Amerikaanse deelstaten adviseert bij het voltrekken van de doodstraf. Leuchter heeft in Auschwitz monsters scheikundig onderzocht en ‘vastgesteld’ dat de fabriekmatige massamoord technisch onmogelijk was. Auschwitz heeft volgens hem dus niet bestaan. Vooral de NPD en de DVU nodigen om de haverklap deze ‘ontkenners’ uit. Op 10 november 1991 is Leuchter de speciale gast op een NPD-bijeenkomst in Weinheim. Hij toont met lichtbeelden de resultaten van zijn ‘wetenschappelijk’ onderzoek in Auschwitz. NPD-leider Günther Deckert zorgt voor de vertaling en dikt het verhaal van zijn gast nog wat aan. Filmbeelden van de bijeenkomst tonen aanwezigen in het originele bruinhemd van Hitlers Sturmabteilung (SA). Irving mag op 14 maart 1992 zijn revisionistische stellingen komen uitleggen op de jaarlijkse DVU-partijdag in de Nibelungenhalle te Passau.

Het openstellen van het archief van de ter ziele gegane staatsveiligheidsdienst (Stasi) begin 1992 geeft extreem rechts de gelegenheid om bezit te nemen van de Oostduitse geschiedenis: hun media brengen de ene Stasi-onthulling na de andere. Er is sprake van een niet aflatende stroom ‘informatie’, die suggereert dat het DDR-juk nog net iets erger was dan dat van Hitler-Duitsland. Duitsland mag nu wel het boetekleed afleggen, vindt Franz Schönhuber. ‘Het is tijd dat de Duitsers van de schandpaal van de geschiedenis worden losgemaakt nu in het andere deel van Duitsland almaar meer massagraven worden ontdekt met de stoffelijke resten van degenen die door de bolsjewistische beulsknechten werden vermoord,’ aldus de REPS-leider.(210)

Ook het ‘mildere’ Nieuw Rechts wil Duitsland mentaal bevrijden. In februari 1992 zegt Nolte in de faz: ‘De DDR was het soort staat waarvoor Hitler beducht was en waarvoor hij waarschuwde als hij het steeds weer had over "het bloedige moeras van het bolsjewisme, de doodkuil van miljoenen mensen". De DDR was ook de nachtmerrie van al degenen die in 1933 dachten dat Hitler Duitsland op het nippertje uit de communistische vangarmen had gered.’ En hij besluit: ‘Wie de DDR voor zijn oprichting vreesde en verachtte, had het gelijk aan zijn kant.’ In 1992 publiceert Nolte ook de biografie Martin Heidegger. De beroemde filosoof maakte volgens Nolte in 1933 een juiste keuze omdat het nazisme het enige geloofwaardige tegenwicht voor het communisme was.(211)

De boeken van Nolte worden verspreid door de gereputeerde uitgeverij Ullstein/Langen/Müller, gezamenlijk eigendom van Springer en Herbert Fleissner. Het aanzien van uitgeverij Ullstein kreeg een deuk toen Fleissner zich bij het bedrijf inkocht. Fleissner heeft immers een kwalijke reputatie als verspreider van de boeken van Franz Schönhuber, Jörg Haider en de Belgische fascistenleider Léon Degrelle. Fleissner is lid van de Witikobund. In november 1947 stichtten negen vooraanstaande nazi’s deze organisatie om de ‘terugkeer van de Sudeten-Duitsers naar hun Heimat’ te bewerkstelligen. Hoofdlector bij de uitgeverij is de revisionistische geschiedkundige Rainer Zitelmann. Het doel van Zitelmann, volgens Junge Freiheit een ex-maoïst, is niets minder dan een culturele revolutie van rechts. Hij gaat ervan uit, dat de culturele sfeer veroverd moet worden alvorens de politieke macht overgenomen kan worden.

De regering-Kohl gaat begin 1992 op eigen dubbelzinnige wijze het verleden te lijf. Hoewel ze de Duitse oorlogsschuld erkent, wordt een nieuwe continuïteit met de Duitse geschiedenis sinds 1871 nagestreefd, met als gevolg dat de breuk met het trotse verleden wordt gelijmd met de verdachtmaking van iedereen die in de voormalige DDR het antifascisme en het socialisme toegedaan was. Oostduitsers in overheidsdienst zijn verplicht informatie te verschaffen over hun vroegere politieke activiteiten en eventuele samenwerking met de Stasi. Wat dit laatste betreft, wordt tevens informatie ingewonnen bij het bureau van Joachim Gauck die in opdracht van de bondsregering het Stasi-archief beheert. Wanneer sprake is van belastende gegevens over de betrokkene, kan deze uit overheidsdienst worden geweerd. Tienduizenden leraren en ambtenaren worden op deze wijze door hun verleden ingehaald en door een beroepsverbod getroffen. Menige politicus moet naar aanleiding van onthullingen aftreden, met de eerste en laatste gekozen DDR-premier Lothar de Mazière als het bekendste voorbeeld. Begin 1992 is Manffed Stolpe, de sociaaldemocratische premier van de Oostduitse deelstaat Brandenburg, het mikpunt van kritiek. Der Spiegel komt midden februari 1992 met het bericht dat Stolpe, in de DDR advocaat van de Lutherse Kerk, een ‘niet-officiële medewerker’ van de Stasi zou zijn geweest. De Oostduitsers worden ook beroofd van hun schrijvers. Christa Wolf bijvoorbeeld, een van de meest gelezen auteurs, wordt ‘ontmaskerd’ als een Stasi-spion.

Op het gebied van de militaire en buitenlandse politiek is voor Bonn een nieuw tijdperk aangebroken. Het Oostduitse leger is in de Bundeswehr geïntegreerd. Het nieuwe Duitse leger wordt afgeslankt tot 370.000 man en voorbereid op nieuwe taken in de sector ‘internationaal crisismanagement’. De regering-Kohl vindt dat Duitsland dat moet doen in VN-verband of in een toekomstige Europese strijdkracht. Op 12 mei 1992 herhaalt Kohl nog eens dat hij de Duitse grondwet zo veranderd wil zien dat het deelnemen aan ‘vrede-bewarende en vrede-afdwingende’ acties van de VN buiten het NAVO-gebied mogelijk wordt. De spd, wier steun onmisbaar is om in de Bondsdag de vereiste meerderheid te halen, wil voorlopig niet verder gaan dan Duitse deelneming bij VN-vredeshandhaving. Noodgedwongen past Kohl dan maar een salamitactiek toe. Eind mei 1992 tekenen Kohl en Mitterrand een overeenkomst over de oprichting van een Frans-Duits legerkorps van 35.000 man, dat de kern van een Europese strijdmacht moet worden. Kort daarop, in de zomer van 1992, stuurt de regering een marineschip naar de Adriatische Zee om er in het kader van de NAVO de naleving van het VN-embargo jegens Servië te controleren. De SPD vindt dit een inbreuk op de grondwet en dient een klacht in bij het Constitutionele Hof.

Het argument dat de Bundeswehr maar liever niet verschijnt op plekken waar de tweede wereldoorlog nog vers in het geheugen ligt - de nazi’s steunden de Kroatische vazalstaat van de fascist Ante Pavelic en maakten Servië ‘jodenvrij’ - lijkt onder druk van de omstandigheden langzamerhand terzijde te worden geschoven. Hetzelfde geldt voor het argument dat Duitsland onrechtstreeks aan de basis ligt van de oorlog in ex-Joegoslavië. Om een Duitse Alleingang te voorkomen, besliste de eg eind 1991 Kroatië en Slovenië te erkennen. Deze onbezonnen beslissing stortte Bosnië in een vacuüm met alle gevolgen vandien: etnische zuiveringen en gruwelijke berichten over verkrachtingen. Met emotionele verhalen over deze verschrikkingen roept extreem rechts begin 1993 om een ‘vrede-stichtende’ militaire missie op de Balkan. ‘Een handjevol moordenaars en op macht beluste Serviërs maakt Europa en de halve wereld tot vogelverschrikker en begaat afgrijselijke misdaden tegen de mensheid, omdat de zogeheten vrije wereld het laatste restje zelfrespect en eergevoel is kwijtgeraakt,’ klaagt het Europarlementslid Johanna Grund.(212) Grund kan het niet laten het lot van de ‘verdrevenen’ ter sprake te brengen en Duitsland de rol van oorlogsslachtoffer toe te meten. ‘De massale verkrachting van islamitische vrouwen overtreft in stelselmatige beestachtigheid zelfs de gruwelijke jachtpartijen die leden van het Rode Leger en Poolse geweldenaars in 1945 in Silezië voor mijn ogen tegen Duitse vrouwen, tegen onze moeders en grootmoeders hebben ondernomen.’ In de wetenschap dat Boutros-Ghali, de secretaris-generaal van de vn, de medewerking van Duitse soldaten als blauwhelmen verlangt, besluit ze: ‘Het gaat er niet om VN-troepen in een ongewisse landoorlog te werpen. Neen, het is zaak het geregelde Bosnische leger van wapens te voorzien. En het gaat om technische militaire steun, punctuele luchtaanvallen, acties tegen Servische commandoposten, wapendepots, vliegbasissen, gelocaliseerd grootmaterieel en aanvoerlinies.’

Per slot van rekening draait het veiligheidsstandpunt van uiterst rechts alweer rond de vraag in hoeverre Duitsland zich als een normale staat kan gedragen. Daarbij wordt zoals steeds gemikt op een maximale Duitse speelruimte. Vroeger werd die beperkt door de VS en de Sovjetunie, en in zekere zin is dit nog steeds het geval, want hun troepen zijn begin 1993 nog niet uit Duitsland vertrokken. ‘Ik verwacht allereerst de terugtrekking van alle vreemde troepen die zich nog steeds op Duits grondgebied bevinden,’ aldus Johanna Grund.(213) ‘Daarmee bedoel ik niet alleen het Rode Leger. Het is schokkend dat de NAVO-landen op basis van het voortbestaan van het begrip "vijandelijke staten" in de VN menen hun troepen en gevaarlijke wapens in Duitsland te moeten handhaven.’ De Duitse militaire vrijheid riskeert nu vooral te worden beperkt door de Europese Unie. Voor een ‘inbinding’ van de Duitse Wehrmacht in die Unie voelt Grund niets. Ze kant zich tegen Kohls beleid en tegen zowel het Frans-Duitse korps als een toekomstig federaal Europees leger. Liever ziet ze Duitslands militaire macht en ‘zelfbeschikkingsrecht’ dermate verhoogd, dat er aan een dergelijke inbinding geen behoefte meer bestaat. Haar collega in het Europarlement, Harald Neubauer, formuleert waar het hem precies om te doen is: ‘We moeten inzien dat de tijd van de monolithische blokken voorbij is en dat er nu nieuwe constellaties zijn,’ merkt Europarlementslid Harald Neubauer op. ‘De Gaulle heeft gezegd dat een land slechts duurzaamheid bezit indien het - ik citeer - rechtstreeks de verantwoordelijkheid voor zijn nationale verdediging draagt.(214) De huidige voorman van de Duitse Liga voor Volk en Vaderland maakt zelfs korte metten met wat tot voor kort een taboe was: de nucleaire status van Duitsland. Als Duitsland ook nu nog verstoken blijft van een gelijkwaardige positie ten opzichte van de VS en Frankrijk, zo schrijft hij in een opgewonden commentaar in Nation Europa, dan moet Bonn maar breken met het non- proliferatieverdrag en zich in het bezit stellen van atoomwapens.(215)

Begin 1993 krijgt het door Nieuw Rechts aangezwengelde debat over de ‘nationale identiteit’ opeens een grotere rijkweidte. Het weekblad Der Spiegel publiceert achtereenvolgens artikelen van prominente schrijvers die de afgelopen jaren van links naar min of meer rechts opgeschoven zijn: Hans Magnus Enzensberger, Martin Walser en Botho Strauss. Sinds de val van de Muur zoeken ze verwoed naar een nieuwe ideologische basis voor hun bestaan. Het ooit zo beschimpte patriottisme en nationalisme moeten nu de oude gedachten vervangen. Er is vooral veel te doen om het essay onder de titel ‘Anschwellender Bocksgesang’ van de bekende toneelschrijver Botho Strauss. Deze beschrijft zichzelf vrijmoedig als ‘rechts’ en maakt geen geheim van zijn voorliefde voor de grote tenoren van de vooroorlogse Conservatieve Revolutie, Martin Heidegger en Ernst Jünger. Daarmee is, zoals het Hamburgse weekblad terecht constateert, Nieuw Rechts zichtbaar geworden.

Het blad Junge Freiheit is een soort baken voor Nieuw Rechts. Binnen vijf jaar is de oplage van het maandblad gestegen tot 35.000 en Junge Freiheit maakt zich op om vanaf januari 1994 wekelijks te verschijnen met een oplage van meer dan 50.000. Het blad tracht bij zoveel mogelijk lezers in de smaak te vallen en schept bewust een ideologische mengelmoes waarin conservatieven, antidemocratische nationalisten, neonazi’s en vertegenwoordigers van Nieuw Rechts zich kunnen vinden. Rechtse CDU/CSU-lezers worden aangesproken dank zij de regelmatige medewerking van CDU/CSU-parlementsleden als Heinrich Lummer en Harmut Koschyk. Het blad laat diverse uiterst conservatieve professoren als Helmut Diwald, Robert Hepp en Michael Wolffsohn aan het woord. Daarmee hoopt het blad leden van ultrarechtse studentenverenigingen voor zich te winnen. Junge Freiheit is bijdehand en geeft alle extreem rechtse leiders van Rolf Schlierer (REPS) tot Jörg Haider (Oostenrijkse Vrijheidspartij) een vrij podium. Hoewel Junge Freiheit zich op papier distantieert van het neonazisme, versmaadt het blad de achterban van NPD en DVU niet. De rubriek ‘hedendaagse geschiedenis’ is in handen van Alfred Schickel, een adviseur van de Rudolf-Hessvereniging, die op zijn eigen verfijnde wijze meewerkt aan het eerherstel van de Wehrmacht en het relativeren van Hitlers vernietigingskampen. Het blad krijgt soms zelfs steun van gesprekspartners als Wolfgang Templin (Bündnis 90/Die Grünen) en Johann Scheringer (PDS). Een andere favoriete gesprekspartner is de Dominikaner-pater Heinrich Basilius Streithofen, erkend adviseur van kanselier Kohl. De rooms-katholieke priester is van mening dat de Polen en joden de grootste uitbuiters van de Duitse belastingbetaler zijn wat zelfs tot een strafklacht wegens ‘volksopruiing’ leidt.

De geïnterviewden kunnen niet beweren dat ze niet weten wat Junge Freiheit met Duitsland voorheeft. Hoofdredacteur Dieter Stein neemt geen blad voor de mond. Midden 1993 ontvouwt hij zijn plannen voor een nieuwe orde: ‘Na de val van de Muur in 1989 had Duitsland de plicht de overblijfselen van de oude Bondsrepubliek op te ruimen,’ schrijft hij. Wat hij met ‘overblijfselen’ bedoelt, is indrukwekkend: ‘Het gaat om het negeren van de natie en de geschiedenis, anti-autoritair denken, pacifisme, feminisme, antimilitarisme, omgang met het verleden, integratie in West-Europa.’(216) Het herenigde Duitsland moet zich gedragen als een grootmacht: ‘Duitsland wordt bestuurd alsof het Ijzeren Gordijn nog bestaat. De regering in Bonn is niet bij machte Duitsland een passende status te bezorgen en lijkt wel op het schaduwkabinet van een militaire bezettingsmacht.’ Dezelfde toon wordt aangeslagen door Karlheinz Weissmann in ‘Rückruf in die Geschichte’, dat eens te meer door Ullstein wordt gepubliceerd. De jonge nieuw rechtse historicus pleit in zijn geprezen boek voor een Duitse soevereine ‘Nationalstaat’, die weer een aparte rol in Europa hoort te spelen.(217)

De maatschappelijke acceptatie van Nieuw Rechts is in 1993 groter dan ooit tevoren. ‘Beschaafde’ revisionisten zoals Ernst Nolte vinden almaar makkelijker een tribune in de faz en in Die Welt. Hun boeken worden geconsumeerd door een bevolking die zich nergens meer over verbaast en langzamerhand ervan uitgaat dat precies het omgekeerde waar is van wat haar altijd werd verteld. Iedere ontkenning van de nazi-massamoord is absurd, meent Ernst Nolte in zijn nieuwe boek Streitpunkte, maar vragen stellen naar de betrouwbaarheid van ooggetuigenverslagen, naar de bewijskracht van documenten, naar de geloofwaardigheid van steeds weer herhaalde getallen, en naar de technische mogelijkheid van de vermeende genocide, van de vergassingen in het bijzonder, acht hij legitiem en zelfs gewenst.(218) Het zit hem hoog dat de revisionistische literatuur buiten de wetenschappelijke discussie wordt gehouden. Ernst Nolte laat zich zelfs welwillend uit over het Leuchter-rapport. Zo maakt Nolte het radicale revisionisme salonfahig in Streitpunkte en effent hij langzaam maar zeker de weg voor een herformulering van wat het nationaal-socialisme betekent: niet meer dan een pijnlijk hoofdstuk in de Duitse geschiedenis.

De zelfbewuste natie - Inhoud

Progressieve politici vinden dat Duitsland alleen maar als een normale staat kan worden geaccepteerd als het zich bewust blijft van zijn verleden. Ze willen de slachtoffers van het nazisme blijven gedenken en dienen begin 1993 in het Europarlement een resolutie in die verzoekt om de concentratiekampen van de nazi’s als monumenten te beschermen. Johanna Grund verzet zich tegen deze ‘duivelse’ daad: ‘Men wil twaalf jaar van de meer dan duizendjarige Duitse geschiedenis aan de kaak stellen en met het Duitse volk als voorbeeld alle verschrikkingen die in de kampen plaatsvonden aan de toekomstige generaties tonen’.(219) Ze heeft het liever over de ‘oorlogsmisdaden’ van de geallieerden en stelt de Duitse slachtoffers op één lijn met de nazi-slachtoffers: ‘Ook de 300.000 inwoners en vluchtelingen van Dresden die door geallieerde bommen werden gedood en de tienduizenden die na 1945 in de door de Sovjets heropende concentratiekampen omkwamen, verdienen een monument.’

In 1993 woedt een ware beeldenstorm in Duitsland. Standbeelden worden omgetrokken, vernield en soms verplaatst of opgeslagen. De herinnering aan het DDR-verleden moet worden uitgewist, een herschapen identiteit moet de basis worden van een nieuwe legitimiteit. Daarom krijgen sommige monumenten een ander moreel-politiek etiket. Een voorbeeld is de Neue Wache aan de boulevard Unter den Linden in Oost-Berlijn. Op deze plaats werden na de splitsing van Duitsland de slachtoffers van fascisme en militarisme herdacht. Op 14 november 1993 krijgt het monument een andere duiding. Mensen uit verzetskringen en linkse organisaties protesteren tegen het feit dat in het monument voortaan allen die in de tweede wereldoorlog omkwamen, gezamenlijk worden herdacht. Het onderscheid tussen slachtoffers en daders, tussen vermoorde antifascisten en gesneuvelde ss’ers, vervaagt daardoor.

In dit klimaat van officiële ‘onhandigheden’ zingen de revisionisten nog een toontje hoger. Gerhard Frey trekt in zijn Nationalzeitung alle registers open. ‘Een miljoenenzwendel. Het grote holocaustbedrog,’ titelt het blad.(220) Gerhard Frey betoogt dat in Auschwitz en in andere vernietigingskampen meer mensen op ‘natuurlijke’ wijze (ziekte, uitputting) dan door geweld om het leven kwamen. Hij voert week in week uit een cynisch getallendebat, waarbij hij systematisch het dodencijfer verlaagt. Historici schatten het aantal slachtoffers in Dachau op 238.000. Frey noemt een cijfer van 28.000. Twee derde hiervan zou aan tyfus bezweken zijn. De vergassingen verwijst hij naar het rijk der fabelen.(221) Voor Mauthausen schat Frey het aantal slachtoffers liefst 97,5 procent lager dan Simon Wiesenthal.(222) De jarenlange ‘foutieve’ telling zou ontstaan zijn toen Rudolf Höss, de commandant van Auschwitz, bekentenissen aflegde omdat hij gefolterd werd door de Sovjeteenheden die het kamp bevrijdden.(223) Een andere beschuldiging luidt dat de joden alles hebben verzonnen om Duitsland schadevergoeding ‘af te persen’. In dat verband klaagt Frey erover dat Duitsland al zo’n tweehonderd miljard mark aan de joden zou hebben betaald.224

Het revisionisme dijt verder uit. Nolte is allang niet meer de enige historicus die de legende van Hitlers ‘preventieve oorlog’ vertelt. Ook professor Werner Maser, de officiële biograaf van kanselier Kohl, is aanhanger geworden van de absurde theorie dat Hitler in het oosten geen aanvals- maar een ‘verdedigingsoorlog’ heeft gevoerd. Omdat Stalin op het punt stond Duitsland binnen te vallen, zou Hitler zijn overgegaan tot de ‘tegenaanval’. Dat schrijft Maser in zijn boek Der Wortbruch.(225) ‘Operatie Barbarossa’, de Duitse codenaam voor de aanval op de Sovjetunie in de nacht van 21 juni 1941, wordt derhalve in een handomdraai verheven tot ‘een defensieve en patriottische actie’ in plaats van het begin van een uitroeiingsoorlog die aan zo’n zevenentwintig miljoen Sovjetburgers het leven heeft gekost.

Masers boek past perfect in de tijdgeest. Hoewel de Sovjetunie buitengewone inspanningen heeft geleverd bij het verslaan van Hitler - de slagen bij Stalingrad (1942) en bij Koersk (1943) worden als het keerpunt in de oorlog gezien - vinden de westerse mogendheden het gepast de Russen niet te betrekken bij de grootscheepse herdenking van D-Day op 9 juni 1994. Herdenkingen zijn er niet in Duitsland. Extreem rechts vindt het ongehoord dat het lot van de 116.000 Duitse soldaten die in Normandië sneuvelden, amper ter sprake komt. Frey gaat al jaren voor in de klaagzang van Wehrmacht-veteranen over ‘gebrek aan erkenning’. Frey vindt ook nog de tijd om ‘wetenschappelijke’ werken uit te geven. ‘Sensationeel, gloednieuw’ schreeuwt de advertentie voor zijn nieuwe bestseller De beste soldaten van de wereld, waarin hij oppert dat de Wehrmacht alleen maar ‘trouw en plichtbewust het Duitse vaderland heeft gediend.’ Hij brengt hulde aan overtuigde nazi’s als admiraal Karl Dönitz en de nazi-oorlogsheld Hans-Ulrich Rudel, die het voorwerp zouden zijn van ‘Duitse zelfhaat en nestbevuiling’. Gerhard Frey pakt uit met de ‘dolkstootlegende’, de klassieke slagzin in de nazi-propaganda. Het Duitse leger zou niet overwonnen zijn in Normandië als het inwendig verraad van generaal Hans Speidel de overwinningskansen van de Wehrmacht niet vernietigd had.(226) Toen de geallieerden op 6 juni 1944 landden, was de legendarische bevelhebber Erwin Rommel met verlof in Duitsland. Volgens Frey verzuimde Hans Speidel veldmaarschalk Erwin Rommel tijdig te informeren en weigerde hij reservetroepen en verse pantserdivisies in te zetten. Kortom, Speidel zou de kant van de geallieerden hebben gekozen. De ‘onderkruiper’ zou daaraan zijn bliksemcarrière in de NAVO te danken hebben.

Gerhard Frey geeft generaal Hans Speidel ook de schuld voor Rommels zelfmoord. Speidel zou Rommel ten onrechte beticht hebben van voorkennis van de aanslag op 20 juli 1944, waarbij een groot aantal adellijke officieren onder leiding van graaf Klaus von Stauffenberg was betrokken. Stauffenberg slaagde erin een tas met explosieven achter te laten onder Hitlers tafel, maar de Führer komt er wonder boven wonder levend van af. Sommige samenzweerders pleegden zelfmoord, anderen werden terechtgesteld of, zoals Rommel, tot zelfmoord gedwongen. In extreem nationalistische kringen wordt afvalligheid ongewenst geacht om publicitaire redenen: het imago van het nazi-bewind zou er ernstig door beschadigd worden. Frey blijft dan ook Rommel en Stauffenberg bewieroken als ‘goede nazi’s’. ‘Ze zouden vandaag de dag als extreem rechts gebrandmerkt worden,’ stelt Frey. ‘Stauffenberg en zijn medestanders wilden geen afstand doen van Groot-Duitsland. Voor hen hoorden de Oost-gebieden, Sudetenland, Oostenrijk en Elzas-Lotharingen bij Duitsland.’(227) Voorts herinnert Frey eraan dat de putschisten voor honderd procent Hitlers racisme deelden en een autoritair bewind voorstonden. Daarmee verkondigt Frey alleen maar een evidente waarheid en zegt hij niets anders dan wat historici al lang hebben kunnen lezen in de Verklaring van de regering Beek/ Goedeler en in het programma dat Stauffenberg opstelde met het oog op eventuele onderhandelingen met de geallieerden.

Het niet-communistische verzet tegen Hitler, hoe klein het ook was, wordt plotseling herontdekt. Het groeit meteen uit tot een nieuw nationaal symbool. Op 20 juli 1994 eert kanselier-Kolh Stauffenberg als een ‘verzetsstrijder’. ‘Het was een opstand van het geweten. Deze mensen hielpen Duitsland opnieuw een plaats te vinden in de statengemeenschap,’ aldus de kanselier. Kohl gaat met geen woord in op de felle discussie over de vraag of de Duitse communisten tot het verzet mogen worden gerekend. Vooral politici van CDU/CSU, onder wie Stauffenbergs zoon Franz Ludwig, zijn van mening dat communisten van antifascistische herdenkingen moeten worden uitgesloten. In Kohls herdenkingsrede en in de commentaren van rechtse kranten als Die Welt en de paz blijven de ware ambities en politieke denkbeelden van de putschisten geheel buiten beeld. In plaats daarvan plaatsen zij hen in een steeds verhevener licht om hen geleidelijk het imago te geven van ‘oprechte democraten’. Wijst dit niet op een een restauratie van de rechtse waarden waarvoor ook de generaals van 20 juli geopteerd hadden?

Op 1 augustus 1994 wordt in Warschau de opstand van het niet-communistische verzet in 1944 herdacht. Tijdens die drieënzestig dagen durende opstand kwamen 200.000 mensen om het leven. Nadat de opstand was neergeslagen, deporteerden de Duitsers de overlevende inwoners en vernietigden uit wraak het centrum van de stad. In Warschau maakt de kersverse president Roman Herzog, voormalig president van het Constitutionele Hof in Karlsruhe, zijn groot buitenlands debuut. Tot grote woede van extreem rechts vraagt hij vergeving voor het leed dat de Duitsers de Polen hebben aangedaan. ‘Het schandaal van Warschau. Herzog vervalst de geschiedenis!’ titelt de Nationalzeitung.(228) Daarop volgt een angstaanjagende kanonnering van verwensingen aan het adres van het ‘imperialistische’ Polen: het heeft tussen de twee wereldoorlogen een miljoen Duitsers ‘verdreven’ en ‘concentratiekampen’ ingericht, Hitlers inval op 2 september 1939 ‘geforceerd’ en na 1945 Duits gebied ‘geroofd’, enzovoort. Frey deelt terloops mee dat Duitsland meer slachtoffers telt dan Polen en dat dit land zijn zes miljoen doden misbruikt om Duitsland op te lichten.(229).

Gerhard Frey laat het verleden niet met rust. Er is een logica in zijn denken. Al wat Duitsland ‘belast’ - excuses, zelfkritiek, open informatie over de nazi-geschiedenis - moet nu maar eens en voor altijd afgelopen zijn. Iedere vooraanstaande politicus die schuld bekent wordt ongenadig bestreden als ‘nationaal-masochist’. Frey wreekt zich door met een haast sadistisch genoegen het oorlogsverleden van tot inkeer gekomen politici op te rakelen. Hij heeft er zelfs een boek aan gewijd: Hoe Duitsland werkelijk was. De CDU’er Roman Herzog, heeft het na zijn optreden in Warschau voorgoed verkorven. Een rancuneuze Frey probeert Herzog te ontluisteren met de onthulling dat diens vader al voor 1933 tot de NSDAP behoorde en dat diens juist overleden grote leermeester, de voormalige nazi-grondwetsexpert Theodor Maunz, als ruim tachtigjarige nog vertrouwelijk adviezen aan de DVU had gegeven.(230) Frey neemt het Herzog kwalijk dat hij de plaats heeft ingenomen van Kohls eerste presidentskandidaat, Steffen Heitmann, CDU-minister van Justitie in Saksen. Heitmann bracht ultrarechts in verrukking door zijn kloeke oppositie tegen abortus en immigratie en door te zeggen dat ‘Duitsland niet tot het einde der dagen hoeft achtervolgd te worden met het nazi-verleden.’(231) Dat de joodse gemeenschap en haar voorzitter, Ignatz Bubis, zich tegen Heitmann uitspreken, doet oude antisemitische sentimenten opwellen. Frey is in alle staten en sneert: ‘Bubis gedraagt zich alsof hij de koning van Duitsland is’. Frey verwijt zelfs de Duitse regering naar de pijpen van het joodse Wereldcongres te dansen.

De ontkenners hebben het niet makkelijk, maar op tien augustus 1994 is er ook troost. Die dag publiceert de rechtbank van Mannheim de toelichting op de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar van NPD-voorzitter Günther Deckert. Deze was veroordeeld wegens zijn openlijke en herhaalde ontkenning van de holocaust. In de toelichting op dat vonnis wordt Deckert als een ‘rechtschapen, principiële en geëngageerde man en een goeie huisvader’ geschetst terwijl er ook begrip doorklinkt voor zijn opvatting dat aan Duitse oorlogsmisdaden te veel aandacht wordt gegeven en te weinig aan schendingen van de mensenrechten aan geallieerde kant. ‘Deckerts ontkenning van de holocaust komt hoofdzakelijk voort uit zijn streven de krachten in het Duitse volk te versterken die zich verzetten tegen de eisen die de joden op grond van de holocaust stellen,’ schrijft rechter Rainer Orlet met kennelijke instemming. Het ontgaat de rechter daarbij blijkbaar dat hij daarmee letterlijk de revisionistische stellingen onderschrijft. Ook na scherpe kritiek in binnen- en buitenland blijft Orlet het vonnis verdedigen.

Duitsland stevent nu in snel tempo af op het herwinnen van de ‘volle soevereiniteit’. De geallieerde troepen worden een voor een uitgewuifd. Op 31 augustus 1994 verlaten de laatste Russische troepen Berlijn. Extreem rechts maakt triomfalistisch gewag van de nederlaag van hen die in mei 1945 de slag om de hoofdstad wonnen, waarbij 102.000 Sovjetsoldaten sneuvelden. Een week later, op 8 september 1994, nemen de westerse geallieerden afscheid van de Duitse hoofdstad. Tijdens de ceremonie lijkt het erop alsof de geallieerden Duitsland eerder van het communisme dan van het nazisme hebben bevrijd. De grootste verdienste van de westerse geallieerden, aldus Helmut Kohl, was hun vaste overtuiging om bijna vijftig jaar lang niet te wijken voor de communistische dreiging. Er ontstaat nog enige deining over de afscheidsgroet van de Duitse Bundeswehr op de Pariserplatz: een grote militaire fakkelparade. Misschien toch niet het meest subtiele gebaar op de plaats waar in 1940 de nazi’s hun overwinning op Frankrijk vierden. Van de ambities van de Bundeswehr maakt de regering-Kohl overigens geen geheim: Duitsland behoort een volwaardige participant te worden in internationale vredesoperaties en dient een permanente zetel in de veiligheidsraad van de VN te krijgen. De Bundeswehr zal daarom 50.000 man indelen bij de ‘crisisbeheersingseenheden’. Kohl weet zich gesteund door de Amerikaanse president Clinton en door het Duitse Constitutionele Hof dat op 12 juli 1994 bepaalt dat de Bundeswehr ook buiten NAVO-grondgebied actief mag zijn.

Extreem nationalistische partijen vormen in de herfst van 1994 zelf geen direct gevaar, maar hun constante propaganda doet het gehele politieke spectrum naar rechts verschuiven, omdat de propaganda ten dele beantwoordt aan de verborgen wensen van sommige leidende kringen. Illustratief is het boek Und der Zukunft zugewandt van Wolfgang Schauble, fractievoorzitter van de CDU en kroonprins van Helmut Kohl.(232) De Duitsers, aldus Schauble, moeten en mogen hun natie weer beschouwen als ‘Schutz- und Schicksalsgemeinschaft’. De bevolking moet zich meer dan voorheen identificeren met het eigen vaderland. Pas als er weer iets ontstaat als een nationaal bewustzijn zal ook politiek beter kunnen worden verkocht dat Duitsland zich niet langer militair kan drukken. Harald Neubauer haast zich om het ‘patriottische’ vuur van Schauble te prijzen en Nation Europa maakt in september 1994 geestdriftig reclame voor het ‘boek van de maand’.(233)

Illustratief is ook het succes van een petitieactie die op 28 september 1994 wordt gelanceerd door Dieter Stein, de hoofdredacteur van Junge Freiheit. Zo’n tweehonderd intellectuelen onderschrijven de petitie die waarschuwt voor een gevaarlijke opleving van het socialisme en ‘een heksenjacht’ tegen conservatieve intellectuelen. De petitie wordt ondertekekend door bekende nieuw rechtse journalisten van Junge Freiheit zelf en door de hoofdredacteur van Criticon. Ook de revisionistische historicus Rainer Zitelmann is van de partij. Voor het eerst slaagt Nieuw Rechts erin ook een brug te slaan naar rechtse CDU’ers (Alfred Dregger, Heinrich Lummer, Steffen Heitmann) en zelfs naar kunstenaars uit de voormalige DDR (Sarah Kirsch, Hans-Joachim Schadlich, Freya Klier).(234)

Sinds Botho Strauss’ ‘Anschwellender Bocksgesang’ groeit de sympathie voor zijn rechtse ‘bokkegeluiden’ gestaag. Begin 1995 stellen twee journalisten van Die Welt am Sonntag, Ulrich Schacht en Heimo Schwilk (gerenommeerd Ernst Jünger-kenner), een boek samen getiteld Die selbstbewusste Nation met ‘Anschwellender Bocksgesang’ als openingsessay en in totaal 29 verschillende bijdragen. Het lijvig werk wordt verspreid door Ullstein, dat net nu een samenwerkingsverband aangaat met het grote media-concern Bertelsmann. Zo vindt de literatuur van Nieuw Rechts steeds beter de weg naar een breed publiek.

De zelfbewuste natie ademt volop de sfeer van de Conservatieve Revolutie. Botho Strauss bevindt zich in het gezelschap van onder meer Ernst Nolte, aanstichter van de Historikerstreit en Brigitte Seebacher-Brandt, weduwe van Willy Brandt, die begin 1995 uit de SPD stapt. De ‘zwarte weduwe’ bracht begin 1994 de socialistische partij in grote verlegenheid met de publikatie van een onbekend dagboek van Brandt, waarin deze volgens de lezing van de weduwe, suggereert destijds twijfels te hebben gehad over zijn fractievoorzitter Herbert Wehner, tijdens de oorlog medewerker van radio-Moskou en allang een bekende schietschijf van uiterst rechts. Andere medewerkers aan het boek zijn Manfred Brunner (boezemvriend van Jörg Haider en leider van de Bond van Vrije Burgers), Rüdiger Safranski (schrijver van een Heidegger-biografie), Michael Wolffsohn (joods historicus, intellectueel leverancier van stukjes in Bildzeitung en professor aan de militaire academie van de Wehrmacht in München), Steffen Heitmann (de gevallen presidentskandidaat uit Dresden, winnaar op 4 maart 1995 van de ‘Vrijheidsprijs voor politiek melaatsen’ ter waarde van 10.000 dm, die jaarlijks wordt uitgereikt door de conservatieve stichting Democratie en Markteconomie, waaraan Wolffsohn en Brunner verboden zijn) en de onvermijdelijke Rainer Zitelmann.

Het actieterrein van Rainer Zitelmann neemt voortdurend uitbreiding. Zitelmann gaat ervan uit dat Nieuw Rechts invloedrijke personen nodig heeft die deel uitmaken van besluitvormingsorganen. Vandaar dat hij infiltreert in het politieke milieu. En met succes. Na 1 december 1993 leidde hij kortstondig de rubriek ‘kunst’ in Die Welt, het vlaggeschip van Springer. In juni 1994 lekt uit dat Zitelmann een groepje ‘Nieuw Rechts’ heeft geformeerd in Berlijn. Tot de groep behoren onder meer de voormalige NPD’er Hans-Ulrich Pieper, de voormalige procureur-generaal Alexander von Stahl, het CDU-parlementslid Heinrich Lummer en het SPD-buitenbeentje Tilman Fichter, auteur van het nationalistische werkje De SPD en de natie. Op 12 augustus 1994 meldt Junge Freiheit triomfantelijk dat Rainer Zitelmann is toegetreden tot de liberale regeringspartij FDP. En in het voorjaar van 1995 leidt hij met von Stahl een revolte tegen partijvoorzitter Klaus Kinkel, een voormalig hoofd van de binnenlandse veiligheidsdienst, die sinds zijn aantreden als partijleider en minister van Buitenlandse Zaken in 1992 de FDP van de ene naar de andere zware verkiezingsnederlaag leidt. Het duo Zitelmann-von Stahl roept in een openbaar manifest Klaus Kinkel op de wankelende FDP een stuk rechts van de CDU/CSU te positioneren. Het manifest wordt mede ondertekend door de hoge politiefunctionaris Manfred Kittlaus, het Berlijnse parlementslid Wolfgang Mieczkowski en bankdirecteur Hans-Joachim Josewski. De gerenommeerde, langzamerhand naar Duits-nationalistische opvattingen opschuivende historicus Arnulf Barning betuigt zijn sympathie.

Het manifest van de rechts-nationale vleugel onder aanvoering van Zitelmann-von Stahl gaat lijnrecht in tegen de democratie. Het manifest wil een strikte repressieve aanpak van geweld en criminaliteit, een betere uitrusting van de politie en de inzet van verregaande observatietechnieken. ‘Prestatie moet worden beloond. De sociaal zwakke burgers moeten beter gesitueerden niet benijden,’ luidt het. ‘Degenen die kunnen werken maar niet willen, verspelen hun recht op sociale zekerheid.’ De ondertekenaars van het manifest willen een drastische belastingverlaging voor de welgestelden en de gedeeltelijke vervanging van de sociale zekerheid door individuele verzekering om de loonkost voor de werkgevers te doen dalen. Voorts pleiten ze voor ‘elite-onderwijs’ en voor een ‘Europa van de vaderlanden’, dat open staat voor de landen van Oost-Europa. Ze spreken zich uit voor een ideologisch offensief tegen ‘de socialistische indoctrinatie’ en tegen ‘het feminisme en de multiculturele samenleving’. De feministen krijgen nog een extra veeg uit de pan: ‘Ze willen geen gelijkberechtiging, maar apartheid.’ Migranten krijgen de schuld van een ‘vreselijk hoge criminaliteit’. Daarom moet het asielrecht verder worden beperkt. Het manifest maakt, voor zover nodig, duidelijk dat Zitelmann en von Stahl, na de mislukking van Brunners Bond voor Vrije Burgers, een nieuwe poging ondernemen om een Duitse versie van Haiders Vrijheidspartij te stichten. De nationaal-liberale FDP-vleugel krijgt meteen de zegen van Junge Freiheit en zelfs van de DVU. De Nationalzeitung vindt de Oostenrijkse neofascistische partij een prijzenswaardig voorbeeld. ‘De FPÖ heeft bij de algemene verkiezingen 22,6 procent van de stemmen gehaald en Haider is over vier jaar wellicht Oostenrijks kanselier,’ aldus het neonazi-blad.(235)

Begin 1995 worden de bevrijding van Auschwitz en de Britse bombardementen op de voormalige koningsstad Dresden herdacht. Rechtse radicalen verkondigen hardop en zonder schaamte hun historische mening. Deutsche Stimme, het NPD-blad, publiceert een artikel ‘Met de wolven huilen? Neen!’(236) Hierin fulmineert de NPD tegen de druk die Duitsland uitoefent op Denemarken om SS-Sonderführer Thies Christophersen uit te leveren. De NPD prijst de auteur van het boek De Auschwitz-leugen als een ‘dapper patriot’ en ‘strijder voor de waarheid’. Christophersen schildert Auschwitz af als een recreatiegebied. Van massavernietigingen heeft hij niets gemerkt. Het blad ‘streept’ als het ware Auschwitz af tegen de zogeheten ‘geallieerde doodskampen’, waarin volgens de ziekelijke fantasie van de NPD ‘een miljoen Duitse krijgsgevangenen, onder wie vrouwen, kinderen en ouden van dagen, op afschuwelijke wijze na april 1945 omkwamen.(237)

Professionele ontkenners als NPD-leider Günther Deckert en DVU-chef Gerhard Frey hebben een populaire truc: ze bestempelen de geallieerden als oorlogsmisdadigers en de nazi’s als slachtoffers. Zo beschrijven ze het Britse bombardement op Dresden als een ‘pure oorlogsmisdaad’, waarvan de daders alsnog dienen te worden gestraft. ‘Holocaust. Massavernietiging op bevel van Churchill,’ schrijft Frey.(238) Deckert verkondigt dat in Dresden meer mensen zijn omgekomen dan in Hiroshima en Nagasaki samen.(239) Volgens zijn lezing vielen er in Dresden meer dan 250.000 doden, terwijl historici spreken van 35.000. Luitenant-generaal Franz Uhle-Wettler, voormalig hoofd van het NAVO-College in Rome beschrijft in Junge Freiheit het bombarderen van Dresden als de grootste etnische zuivering uit de geschiedenis en als een zwaardere misdaad dan alle wandaden van de Wehrmacht bij elkaar geteld.(240) Tijdens de officiële viering op 13 februari 1995 neemt president Roman Herzog een tussenpositie in. Hij wijst erop dat ook het Duits volk heeft geleden en spreekt van ‘dood, pijn, verdrijving en afgrijzen’. ‘Samen willen wij het verleden verklaren, daar waar Duitsers de daders waren, maar ook waar Duitsers slachtoffer werden,’ aldus het staatshoofd.(241)

Naarmate 8 mei en de vijftigste verjaardag van de capitulatie nadert, voert extreem rechts de ideeënstrijd op. Nation Europa, het aan de Duitse Liga voor Volk en Vaderland gelieerde blad, lanceert de oproep: ‘Vijftig jaar is genoeg. Duitsland moet Duits blijven.’ De oproep wordt naar eigen zeggen ondertekend door 148 prominente figuren, onder wie hoge politici en officieren. De ondertekenaars spreken zich uit tegen de ‘Duitse alleenschuld en het unieke karakter van de nazi-misdaden’. Ze vinden dat Duitsland niet langer mag boeten en klagen over de ontmanteling van de staat en het leger. ‘De Bundeswehr is het enige leger ter wereld dat niet over eigen commando-structuren beschikt’, heet het. De ondertekenaars roepen de bevolking op de komende 8 mei niet als een ‘bevrijding’ te vieren.

Haast tegelijk verschijnt een gelijksoortige oproep van Nieuw Rechts in de faz van 7 april 1995 onder de titel: ‘Acht mei 1945 - Tegen het vergeten.’ Promotors zijn Rainer Zitelmann en de samenstellers van De zelfbewuste natie, Heimo Schwilk en Ulrich Schacht. De tekst van de advertentie spreekt voor zich. ‘Eenzijdig wordt 8 mei door media en politici gekarakteriseerd als "bevrijding",’ luidt het. ‘Daarbij dreigt vergeten te worden dat die dag niet alleen het einde betekende van het nationaal-socialisme, maar tegelijkertijd ook het begin was van een verdrijvingsterreur en nieuwe onderdrukking in het oosten en het begin van de deling van ons land. Een geschiedsbeeld dat die waarheden verzwijgt, verdringt of relativeert, kan geen basis voor het zelfbegrip zijn van een zelfbewuste natie.’ Onder de 250 ondertekenaars van de 8-mei-oproep bevinden zich rechtse radicalen van de REPS, de NPD, de Bond van Vrije Burgers en Junge Freiheit naast een flink aantal nationaal-conservatieve parlementsleden en vooraanstaande leden uit de regeringspartijen. De FDP is present met de vertegenwoordigers van de stroming Nieuw Rechts: voormalig procureur-generaal Alexander von Stahl en politieambtenaar Manfred Kittlaus. Vooral de CDU/CSU-ondertekenaars brengen kanselier Kohl in politieke verlegenheid. Het gaat om zwaargewichten als Alfred Dregger (ex-officier van de Wehrmacht en erevoorzitter van de CDU/CSU-fractie in de Bondsdag), Carl-Dieter Spranger (CSU-minister van Ontwikkelingssamenwerking), Peter Gauweiler (CSU-parlementslid en voorzitter van de CSU in München) en Heinrich Lummer (CDU-parlementslid en voorman van de invloedrijke pressiegroep Duitsland-forum). Opvallend is ook de aanwezigheid van admiraal Christian Giermann. Oud SPD-minister Hans Appel tekende ook, maar trok zich geschrokken terug toen hij de andere namen las.

Ook de neonazistische uitgever Rolf-Josef Eibicht viert 8 mei. Hij publiceert het boek met de veelzeggende eindeloze titel: Vijftig jaar verdrijving. Volkerenmoord op Duitsers. Oost-Duitsland en Sudetenland: teruggave in plaats van afstand. Het is een boek met een stoet extreem rechtse ‘sterren’, onder wie Manfred Brunner, Gerhard Frey, Jörg Haider, Franz Schönhuber, en twee topmannen van de Bond van Verdrevenen: Paul Latussek en Wolfgang Thüne. Bedenkelijk is de medewerking van de CDU-topmannen Heinrich Lummer en Alfred Dregger aan dit revanchistische schotschrift. ‘We later ons niet langer als historische spuwbak misbruiken,’ schrijft Eibicht venijnig. De draad van het boek is simpel: Duitsland is slechts een ‘normale natie’ binnen de grenzen van 1937. Hopelijk laten de Duitsers het oordeel over ‘normaal’ en ‘abnormaal’ aan anderen dan extreem rechts over.

De trek naar het Oosten - Inhoud

De Duitse vereniging van 4 oktober 1990 is in de visie van extreem rechts en de Bond van Verdrevenen maar een ‘voorfase’.

Het Europarlementslid Johanna Grund, zelf van Silesische afkomst, zegt: ‘Het gaat hier niet om een definitief afgesloten proces van de eenwording van mijn vaderland, maar alleen om de eerste etappe, dus om een gedeeltelijke vereniging van West-Duitsland met Midden-Duitsland (de DDR).’(242) Rest nog de ‘echte’ hereniging met ‘Oost-Duitsland’, de geijkte ultrarechtse uitdrukking voor de na de oorlog verloren Oostgebieden, voornamelijk Silezië (Polen), Sudetenland (Tsjechoslowakije) en Königsberg (Rusland). ‘Deze tweede etappe zal over enkele jaren om economisch dwingende redenen en uit politieke noodzaak volgen,’ voorspelt Grund optimistisch.

De Duitse vereniging is volgens de unanieme opvatting in Oost en West alleen haalbaar via een erkenning van de naoorlogse grenzen. In het 2+4-verdrag met de voormalige geallieerden komt Duitsland dan ook overeen de Oder-Neissegrens te erkennen. Al op 14 november 1990 erkent Bonn de Duits-Poolse grens en een jaar later, op 17 juni 1991, wordt een officieel vriendschapsverdrag met Polen gesloten.(243) Met Tsjechoslowakije sluit Bonn een halfjaar later, op 27 februari 1992, eveneens een vriendschapsverdrag. Onmiddellijk na zijn aantreden bood president Vaclav Havel Bonn excuses aan voor het ‘onrecht van de verdrijving’ van 2,5 miljoen Sudeten-Duitsers in 1945. Dat werd in kringen van de Bond van Sudeten-Duitsers in Neurenberg opgevat als het begin van volledig eerherstel en vooral teruggave van de onteigende bezittingen in Tsjechië. Daarvan is echter geen sprake in het vriendschapsverdrag dat Kohl en Havel in februari 1992 ondertekenen.

Extreem rechts doet de twee vriendschapsverdragen dan ook af als ‘verraad’. ‘De Duitse regering werd door de vier voormalige overwinnende mogendheden gedwongen het vaderland van vijftien miljoen landgenoten in het Oosten - onschatbare getuigen van Duitse cultuur en geschiedenis - op te geven, omdat anders de ondertekening van het eenwordingsverdrag zou zijn geweigerd,’ foetert Johanna Grund. Ziehier haar oplossing voor de ‘Duitse kwestie’: ‘We verlangen een autonome status voor de Duitse Oostgebieden, die de beide daar levende nationaliteiten en de Duitse ontheemden die zich opnieuw in hun oude vaderland willen vestigen, volledige politieke, economische, culturele en religieuze rechten garandeert. Daarbij moeten zij vrij kunnen kiezen tussen het Duitse of Poolse staatsburgerschap en moet de tweetaligheid in het openbare leven worden ingevoerd. Dat is de enige weg naar een rechtvaardige oplossing, naar de toekomstige integratie van Polen in het verenigde Europa.’

De ‘echte’ Duitse hereniging heeft voor extreem rechts absolute voorrang op de Europese eenwording. Tot voor kort zag extreem rechts ‘een verenigd Europa’ als een plaatsvervangend vaderland en als een noodzakelijke speerpunt tegen de Sovjetunie. Zo ijverde de Paneuropa-Unie (peu) van CSU-Europarlements-lid Otto von Habsburg, zoon van de laatste keizer van Oostenrijk-Hongarije, sinds 1945 voor een Groot-Europa van de Noordzee tot de Oeral. Zo’n tachtig organisaties maken deel uit van het PEU-netwerk, onder meer de Bond van Sudeten-Duitsers en de MSI-organisatie ctim. Na de val van de Muur en het wegvallen van de communistische vijand verandert extreem rechts van mening. Het verzet zich hartstochtelijk tegen het door Kohl zo hevig bevochten Verdrag van Maastricht, dat een politieke en monetaire unie in het vooruitzicht stelt. Het ziet in ‘Maastricht’ en de ‘West-Bindung’ de laatste hindernis voor de ‘echte Duitse hereniging’ en expansie naar het Oosten en bijgevolg een aanslag op de ‘soevereiniteit en het zelfbeschikkingsrecht’ van Duitsland.

Uiterst rechts roert fors de nationalistische trom. De demagogie komt dicht in de buurt van het gestook van de nazi’s tegen het Verdrag van Versailles, waarmee niet toevallig het Verdrag van Maastricht wordt vergeleken. Zo wordt gesuggereerd dat Duitsland alweer bezweken is voor een economisch en politiek ‘dictaat’. Schönhuber: ‘Wij zijn de sterkste tegenstanders van Maastricht, een Versailles zonder oorlog. Wij zijn hartstochtelijke Europeanen, maar even hartstochtelijk verzetten wij ons tegen het opgeven van onze identiteit ten behoeve van een Brusselse eenheidspap. Helmut Kohl zal zich voor de geschiedenis moeten verantwoorden wegens de meedogenloze manier waarop hij het Duitse volk in de val van Maastricht heeft gelokt.’(244) Frey publiceert het boek Van het dictaat van Versailles tot het Verdrag van Maastricht. De plundering van Duitsland.

In het bijzonder de voorziene verdwijning van de mark ten gunste van ‘monopolygeld’, zoals de ecu genoemd wordt, geeft extreem rechts de kans om ongekende anti-Europese en nationalistische sentimenten aan te wakkeren. Frey lanceert zelfs de campagne ‘Red de D-Mark’. Kohl wordt ook verweten dat hij de nationale zelfstandigheid verkwanselt. Harald Neubauer zwaait met het zelfbeschikkingsrecht. Dit is normaliter het wapen van de gekoloniseerde en afhankelijk gehouden volkeren tegenover hun onderdrukkers. Is het herenigde Duitsland in de ogen van Neubauer een gekoloniseerd volk? Of denkt het voormalige lid van de NSDAP-ao aan punt één van Hitlers program van 1920, dat luidt: ‘Wij eisen de aaneensluiting van alle Duitsers tot één Groot-Duitsland op grond van het zelfbeschikkingsrecht van de volken.’ Neubauer commentarieert ‘Maastricht’ als volgt: ‘Het is de bedoeling de volkeren de democratische oergrond van hun bestaan te ontnemen, namelijk het zelfbeschikkingsrecht. Hoe moet democratie functioneren als men vrije volkeren vervangt door een amorfe massa die wordt gesekwesteerd door de bureaucraten van een vaderlandsloze, kosmopolitische klasse?’ Het is Neubauer echter niet te doen om het democratische tekort van Europa, maar om een Duits Europa.

Ondanks de groeiende oppositie tegen zowel het verdwijnen van de mark als de kosten van verdere integratie - Duitsland betaalt ongeveer 30 procent van het budget van de Europese Unie - beschikt Kohl over de beste troeven. Zijn enthousiasme eind 1991 voor ‘Maastricht’ is niet geveinsd of onbaatzuchtig. In werkelijkheid vertolkt hij de gevoelens en belangen van de internationaal georiënteerde Duitse bankiers en grootindustriëlen die vrezen verpulverd te worden door de andere zich ontplooiende kapitalistische machtsblokken: de VS en Japan. De Duitse concerns opereren op Europese schaal. Zo komt minder dan een derde van de omzet van de grote Duitse chemieconcerns uit eigen land. Vooral de Europese markt is van kapitaal belang. Meer dan 60 procent van de Duitse export blijft binnen de Europese Unie. Met zijn tachtig miljoen inwoners en een bnp dat niet ver ligt van dat van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk samen, is het herenigde Duitsland goed geplaatst om zijn stempel op de Europese Unie te drukken. Dat ondervinden de andere Europese lidstaten meer dan eens.

Zo doet Duitsland hard zijn best het hoofdstuk Justitie uit het Verdrag van Maastricht een gemeenschappelijker karakter te geven. Duitsland wil dat Europol, nu nog in een embryonaal stadium, autonoom als een soort Europese FBI aan de slag kan zonder bemoeienis of democratische controle van de lidstaten. Het is trouwens de Duitser Jürgen Storbeck die aan het hoofd staat van de Europol-drugseenheid. De andere Duitse oogappel, het Akkoord van Schengen, dat de meeste landen van de EU hebben ondertekend, is een motor voor een meer repressief Europa, waardoor het ‘democratisch tekort’ alleen maar toeneemt. Schengen heft de controle aan de onderlinge grenzen goeddeels op, maar voert meteen andere controle-instrumenten in. In de praktijk staan Europese centralisatie van politiewerk via de gigantische centrale Schengen-computer en een aanzienlijke beperking van de rechten van asielzoekers bij Schengen centraal. Schengen voert allerlei maatregelen in om vluchtelingen te beletten Europa te bereiken. Vermeldenswaard zijn: de verscherping van controle aan de Europese buitengrenzen, de uitbreiding van de visumplicht, de sancties voor vervoerbedrijven die vluchtelingen transporteren en de plannen voor de opbouw van een bufferzone tegen het Oosten.

De Duitse regering doet zich ook gelden op het terrein van het Europees buitenlands beleid. Medio januari 1992 erkent de EU Kroatië nadat Duitsland met een solo-optreden de EU voor het blok had gezet. De EU en Duitsland spelen met vuur, want in Joegoslavië betekent nationalisme oorlog. In het ontstaan van het Joegoslavische drama spelen twee leiders een dubieuze rol: de Servische leider Slobodan Milosevic, de man die de eerste steen werpt door vanaf 1987 schaamteloos in te spelen op de sluimerende gevoelens van wrok en ongenoegen bij een deel van de Serviërs jegens de andere volkeren van Joegoslavië, en de Kroatische leider Franjo Tudjman, die in 1961 het Joegoslavische leger vanwege zijn nationale pro-Kroatische vooringenomenheid diende te verlaten.

Tudjman richt in 1989 de Democratische Kroatische Unie (HDZ) op. De partijkas wordt genereus gespekt door de anticommunistische Kroatische diaspora in Noord-Amerika en Duitsland. Een van de sponsors is de in Toronto gevestigde Kroatische Nationale Raad. Deze club ijvert sinds 1974 krachtig voor het herstel van de Kroatische nazi-vazalstaat (NDH), die van 1941 tot 1945 gruwelijk tekeerging tegen Serviërs, joden en Tito-partizanen.

Tudjman ziet zichzelf als een belangrijk historicus, wiens taak het is de misdaden van de Kroatische Ustasja-fascisten sterk te relativeren. In een lijvig boek, Woestijnen van historische realiteit, betoogt hij dat er in het Kroatische concentratiekamp Jasenovac slechts veertigduizend Serviërs, joden en zigeuners zijn omgebracht, en niet honderdduizenden, zoals algemeen wordt aangenomen. Tot overmaat van ramp trekt hij tevens de dood van miljoenen joden in nazi-concentratiekampen in twijfel als een door zionisten gefabriceerde mythe. Op basis van een fanatiek nationalistisch programma wordt Tudjman in april 1990 met 41 procent van de stemmen en een twee-derde-meerderheid in het parlement tot president gekozen.

Over de autoritaire trekken van de oppermachtige Democratische Kroatische Unie (HDZ) hoeft men zich weinig illusies te maken: niet-Kroaten verliezen hun huis en baan, en al spoedig vindt een sluipende rehabilitatie plaats van voormannen van het fascisme uit de jaren 1941-1945. De HDZ staat open voor allerlei radicalen. Zo is vice-voorzitter Josip Cvitan een voormalig officier van de Duitse Wehrmacht. Cvitan is tevens het hoofd van de Duits-Kroatische Vriendschapsvereniging. De HDZ schuwt contacten met buitenlandse extremisten allerminst. Al in mei 1991 werden Harald Neubauer en Jean-Marie le Pen met grote voorkomendheid in de Kroatische hoofdstad ontvangen en op 14 maart 1992 is Vesna Pichler de eregaste op een DVU-bijeenkomst in Passau. Pichler is een Duitse HDZ-gekozene in het Kroatische parlement. Ze is tevens voorzitter van het Verbond van Duitsers en Oostenrijkers in Kroatië, een vereniging die tienduizend leden telt. Oude liefdes herleven. De Nationalzeitung van Frey neemt het op voor de vierendertig Duitse en Kroatische bevelhebbers die in de oorlog voor de nazi-zaak sneuvelden en prijst generaal Löhr, de Wehrmacht-generaal die het ‘jodenprobleem’ op de Balkan oploste, als de trots van het Duitse leger.

Extreem rechts hamert op de noodzaak om na het uitbreken van het Joegoslavische drama af te stappen van de onaantastbaarheid van de Europese grenzen. De achterliggende gedachte is dat Duitsland als economische en politieke grootmacht dan makkelijker kleine, machteloze naties kan domineren. Pluri-etnische staten als Joegoslavië, de Sovjetunie en Tsjechoslo-wakije zijn in de ogen van Schönhuber ‘historische misbaksels’. ‘We spreken zoveel over het Europese Huis. Moet dat misschien een huis worden waarin alleen grote gezinnen worden ondergebracht die als kat en hond leven?’ vraagt Schönhuber. En verwijzend naar de bekende Duitse dichter Herder, die veel heeft bijgedragen tot de opbloei van het volksnationalisme in Oost-Europa, antwoordt hij: ‘Volkeren zijn gedachten van God. We moeten ons dan ook niet als politieke atheïsten laten kennen.(245) Schönhuber is voor opsplitsing van Joegoslavië volgens etnische lijnen. Als dit beginsel eenmaal zal zijn aanvaard in het voormalige Joegoslavië, zal het zich ongeremder kunnen verspreiden in heel Midden- en Oost-Europa. ‘Zullen andere bevolkingsgroepen zoals de Duitsers in het door Polen en Rusland bestuurde Silezië en Kaliningrad dan ook niet hetzelfde zelfbeschikkingsrecht mogen opeisen?’ vraagt Johanna Grund zich luidop af.(246)

Volgens een raming van de Duitse regering wonen er nog zo’n vier miljoen etnische Duitsers in het Oosten, vooral in de voormalige Sovjetunie. Sinds de Duitse hereniging komen er jaarlijks nog 230.000 ‘heim ins Reich’. Ze vullen de rangen aan van de Bond van Verdrevenen. De vijftien miljoen Volksduitsers en hun families, bijna 20 procent van de huidige Duitse bevolking, vormen een krachtige pressiegroep achter de CDU/CSU. Het zijn trouwens meestal CDU/CSU-politici die aan het hoofd staan van de organisaties van ‘verdrevenen’. Hun politiek optreden wordt dus van hogerhand gedekt.

Franz Neubauer, de voorzitter van de invloedrijke Bond van Sudeten-Duitsers, kan eind mei 1993 op de vierenveertigste Sudetenduitse Dag in Neurenberg, verschillende toppolitici verwelkomen. De Sudeten-Duitsers wonen voor het merendeel in Beieren en premier Edmund Stoiber (CSU), wiens vrouw afkomstig is uit het voormalige Karlsbad, is een van hun luidruchtigste sympathisanten. Het is dan ook geen wonder dat minister van Financiën Theo Waigel (CSU), minister van Binnenlandse Zaken Manfred Kanther en de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Alois Mock acte de présence geven. Franz Neubauer ziet alleen het eigen lot van de ‘verdrevenen’. Hij hamert zoals gebruikelijk op de ‘collectieve verdrijving’ terwijl in werkelijkheid niet alle Sudeten-Duitsers in 1945 Tsjechoslowakije werden uitgezet: 300.000 handarbeiders en antifascisten zijn gebleven. Voor Franz Neubauer is de Duitse kwestie nog open. Hij eist teruggave van de onteigende bezittingen en het ‘recht op terugkeer naar het thuisland’. De Tsjechische autoriteiten moeten hierover direct in overleg treden met vertegenwoordigers van de Bond. Hij schenkt geen seconde aandacht aan de nazi-gruwelen en aan de collaboratie van de overgrote meerderheid van de Sudeten-Duitsers. De aanwezige ministers weigeren niet alleen dit revanchisme te bekritiseren, maar minister Theo Waigel zorgt nog voor een morele opsteker door op niet al te fijngevoelige wijze de verdrijving van de Sudeten-Duitsers te vergelijken met de etnische zuiveringen in voormalig Joegoslavië.

Begin oktober 1993 congresseert de Bond van Verdrevenen in Berlijn. Het thema van de vergadering is de herziening van de ‘rechtsongeldige verdragen’ met Polen en Tsjechoslowakije. Voorzitter Herbert Czaja, een voormalig CDU-parlementslid, wenst een ‘correctie’ van de verdragen en daarvoor volstaan, naar hij beweert, vreedzame economische en politieke druk. Zo koppelt hij de mogelijke toetreding van Polen en Tsjechië tot de Europese Unie aan de eis tot herziening van de verdragen. Kennelijk gebruikt de Bondsregering de Bond van Verdrevenen als sluipweg om haar officieel beleid te omzeilen, want staatssecretaris Kroppenstedt zegt de Bond van Verdrevenen opnieuw alle steun toe bij het verwezenlijken van zijn plannen. ‘Uitgerekend jullie, verdrevenen, en jullie voorvaders dragen de Duitse en Europese cultuur uit,’ verklaart hij. Hij wijst er ook op dat de Bondsregering de subsidies aan de Bond van Verdrevenen in de voorbije jaren heeft opgetrokken van 1.527.000 mark in 1988 tot 3.373.612 mark in 1993 onder meer om de Bond in staat te stellen zich in de voormalige DDR in te planten. Daarnaast ontvangt de Bond nog financiële steun van deelstaten en gemeenten.

De Bondsregering financiert ook rechtstreeks de Volksduit-sers die nog buiten Duitsland wonen. Zo trekt Bonn in de jaren 1990-1993 zo’n acht miljoen mark uit voor de tienduizend etnische Duitsers die in Kaliningrad, het vroegere Königsberg, wonen. Het tussen Polen en Litouwen ingeklemde Kaliningrad was eens de economische en culturele hoofdstad van Oost-Pruisen. De stad werd in 1945 bijna geheel verwoest. Zo’n honderdduizend Duitsers, grotendeels nazi-aanhangers, sloegen voor het oprukkende Rode Leger op de vlucht. De Sovjetunie vestigde in de vroegere Oostpruisische havenstad een belangrijke militaire basis. Nu Rusland desintegreert, staat Königsberg weer terug op de kaart van Europa. Niet alleen proberen Duitse politici en zakenlieden, onder het mom er een vrijhandelszone te willen vestigen, hun vroegere greep op de stad te herstellen. Königsberg is in de verbeelding van de doorsnee rechtse extremist ook nog altijd Duits grondgebied gebleven. Ook de haat en de nostalgie leven voort. ‘De communisten hebben de Duitse bevolking in een van de ergste etnische zuiveringen van deze eeuw verdreven en gedood. Vergeleken hiermee is het Sarajevo van vandaag kinderspel,’ aldus Johanna Grund, ex-parlementslid voor de REPS en zelf Oostpruisische.(247) ‘Het probleem Königsberg’ kan in de visie van Grund in een Europees kader in een vloek en een zucht opgelost worden. ‘Oost-Pruisen krijgt een autonome Europese status,’ zegt ze, ‘het wordt het nieuwe vaderland van honderdduizenden Rusland-Duitsers.’ Grund is het prototype van de Duitse revanchiste. Zonder rekening te houden met het Russische gezag over Kaliningrad, eist ze dat de enclave in het buitenland door Duitsland en Rusland gemeenschappelijk vertegenwoordigd wordt. Op de koop toe eist ze de invoering van een kapitalistische markteconomie, het recht op terugkeer van alle ‘ontheemde Duitsers’ en het alleenrecht voor Duitsland om de enclave te besturen.

Gerhard Frey is er hartgrondig van overtuigd dat de weg naar het herstel van Groot-Duitsland en de herovering van Königsberg via Moskou loopt. Frey trekt zonder schroom de kaart Vladimir Zjirinovski, de leider van de Liberale Democratische Partij (ldp), die internationale bekendheid kreeg in 1991, toen hij bij de Russische presidentsverkiezingen uit het niets opdook en na Jeltsin en ex-premier Ryzjkov op de derde plaats eindigde met 7,81 procent van de stemmen (6.211.007 kiezers). Op 2 oktober 1993 is Zjirinovski speciale gast op de Duitsland-dag in het Beierse Passau, samen met de Nederlandse Centrumdemocraat Hans Janmaat en de Vlaams Blok’er Hubert Verhelst. Zjirinovski’s toespraak in het Russisch kan niemand begrijpen. Zijn slotwoorden in het Duits wel: ‘Leve Groot-Duitsland. Leve Groot-Rusland. Russen en Duitsers vrienden voor eeuwig!’ Hij pleit voor een nieuwe opdeling van Polen. ‘Duitsland en Rusland moeten weer een gemeenschappelijke grens krijgen,’ verklaart Zjirinovski onder applaus.

Twee dagen na Passau verovert Jeltsin via de loop van geweren en tanks de macht. Op 4 oktober 1993 laat hij de weerbarstige oppositie uit het parlement bombarderen. Na dit wapenfeit schrijft hij onmiddellijk verkiezingen uit voor een nieuwe grondwet en een nieuwe volksvertegenwoordiging. Daarop heeft Zjirinovski kennelijk gewacht. Hij gaat met een tomeloze energie aan de slag. Als eerste levert hij de honderdduizend handtekeningen in. Op de LPD-lijst staan 140 kandidaten, waaronder vele advocaten, academici en bedrijfsleiders. Terwijl andere partijen zich nog aan het organiseren zijn, voert hij' een campagne als een wervelwind, gefinancierd uit ruime maar nooit geheel geïdentificeerde bronnen. Vrijwel dagelijks verschijnt de LPD-leider in gekochte zendtijd op de t.v., hetgeen hem naar schatting zo’n zeventig miljoen roebel kost.(248) Allicht wordt een deel daarvan gefinancierd door miljonair Frey.

Tijdens de campagne ontvouwt Zjirinovski in de Izvestia zijn programma voor een ‘nationaal-socialisme met een menselijk gelaat’. ‘Hitler heeft het echte nationaal-socialisme in diskrediet gebracht met zijn streven naar wereldheerschappij en met zijn vernietigingspraktijken,’ zegt hij. ‘Het nationaal-socialisme is eigenlijk de filosofie van de gewone man, zeg maar de kleinburger, die droomt van een rustig leventje met vrouw en kind, van een vaste baan, een weekendhuisje en vakantie. Het is de filosofie van de modale burger die niemand stoort en niet gestoord wil worden en die het niet op prijs stelt dat zijn dochter verkracht wordt en zijn zoon de schedel wordt ingeslagen.(249) De LDP-leider probeert in zijn programma een demagogisch antwoord te geven op de desastreuze gevolgen van de economische crisis, de inflatie, het spectaculaire produktieverlies, een snel groeiende werkloosheid en massale verarming van het grootste deel van de Russische bevolking. Zijn remedie klinkt eenvoudig. De economie moet op ‘nationale fundamenten’ berusten: behoud van een deel van de staatssector, stopzetting van de omschakeling van de militaire industrie naar burgerlijke produktie, bevordering van de wapenexport. Zjirinovski bepleit een soort ‘derde weg’ tussen kapitalisme en socialisme, een typisch fascistisch concept. Tedere vorm van particulier initiatief is broodnodig,’ aldus de LPD-voorman. ‘Wie het ver brengt, mag vlug rijk worden en pronken met chique auto’s en buitenverblijven. Maar de staat mag de miljoenen zwakke en zieke mensen en ouden van dagen niet aan hun lot overlaten. Het socialisme zorgde voor onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen voor soldaten en moeders. Dat hoort zo te blijven.’

Zjirinovski heeft niets van een democraat of liberaal. Hij wenst een harde bestrijding van de misdaad met behulp van snelrecht en onmiddellijke uitvoering van de doodstraf. Als voorstander van een krachtig presidentschap kan hij zich vinden in Jeltsins nieuwe autoritaire grondwet. Die past immers perfect in zijn ideologie en Zjirinovski hoopt dat hij zelf ooit van de ruime bevoegdheden die de constitutie aan de president verschaft, gebruik zal kunnen maken. Voormalige Sovjetrepublieken zoals de Baltische staten en Oekraïne wil hij economisch wurgen, zodat ze ‘uitgehongerd en in tranen zullen smeken om terug te mogen keren’. Zijn bijzondere hoop is ‘dat onze soldaten hun laarzen zullen spoelen in het lauwe water van de Indische oceaan.’ Racisme is hem ook niet vreemd: ‘We moeten een Berlijnse Muur optrekken om ons te beschermen tegen de zuiderlingen, Centraalaziaten en Kaukasiërs. Deze zielige schapenherders en wijnbouwers kunnen niets aanvangen met fabrieken. Ze krijgen hun zuivere lucht en hun bedevaart naar Mekka, maar dan te voet, niet met een Boeing.’

Pas de dag voor de verkiezingen zendt de Russische televisie op de valreep een kritische documentaire over de de LPD-leider uit. Het kwaad is echter al geschied. Bij de verkiezingen op 12 december 1993 verovert de ldp meer dan dertien miljoen stemmen, bijna een kwart van het totaal. Zjirinovski neemt plaats te midden van zijn fractie die maar liefst zesenzestig leden telt en alleen door Ruslands Keuze van vice-premier Gajdar in omvang wordt overtroffen. Gerhard Frey juicht: ‘Het is het startschot voor een nieuw verbond tussen de twee grootste volkeren van het Avondland, Russen en Duitsers.’ Twee dagen na zijn verbluffend succes verzekert de LDP-leider in een vraaggesprek met de Nationalzeitung dat over de Oder-Neissegrens ‘het laatste woord nog niet is gesproken.’ Op 21 december 1993 omhelzen Frey en Zjirinovski elkaar in München op oude kameraadschappelijke manier, een tafereel dat live wordt uitgezonden door een commercieel station, waarna Zjirinovski op bezoek gaat bij een andere supporter, de Oostenrijkse industrieel Edwin Neuwirth, die tijdens de huldiging van zijn gast het bestaan van gaskamers in Auschwitz in twijfel trekt.(250)

Aan de flirt met Frey komt geen einde. Op 3 april 1994 is Frey eregast op het vijfde partijcongres in Moskou. Zjirinovski wordt er unaniem verkozen tot almachtige voorzitter voor de komende tien jaar en tot kandidaat van de ldp voor het Russische presidentschap. In de zomer van 1994 is Frey alweer in Moskou om er het boek Wat ik werkelijk wil voor te stellen. Daarin prijkt een grote kaart van Zjirinovski’s droom: een herstel van Rusland binnen de grenzen van het tsarenrijk, met inbegrip van Oekraïne, de Baltische landen, zelfs Alaska, Finland en een stuk van Polen. Maar tegelijkertijd lijkt de LPD-leider wel een Duitse extreem nationalist. Als het aan hem ligt, krijgt Duitsland grotendeels Oostenrijk, Tsjechië en het westelijk deel van Polen erbij. Duitsland krijgt met Slovenië zelfs rechtstreeks toegang tot de Middellandse Zee en als toemaatje de Russische enclave Kaliningrad.

De meeste andere radicale nationalisten zien niets in de tactiek van Frey. Ze wantrouwen Zjirinowski omdat ze traditiegetrouw veel sympathie koesteren voor de felle anti-Russische nationalistische bewegingen in de Baltische republieken en in Oekraïne. ‘Hoe kun je een man steunen die de Balten wil opofferen?’ roept Schönhuber uit. En Nation Europa kijkt bewonderend aan tegen de opstoot van het radicale nationalisme in de sinds eind 1991 onafhankelijke republiek Oekraïne, een natie van 52 miljoen inwoners die beschikt over ongeveer 1600 kernkoppen. Nation Europa heeft veel waardering voor twee bloeiende ultranationalistische bewegingen: Roech, geleid door Vjatsjelav Tsjornovil en de nog radicalere Oekraïense Nationale Assemblée (OENA) van Joeri Sjoechevitsj. Deze laatste heeft in de jaren veertig nog gestreden aan de zijde van de Oekraïense nationalist Stepan Bandera, die met de nazi’s probeerde het Rode Leger uit de Oekraïne te verdrijven. De oena is een ‘sociaal-nationalistische’ partij met een paramilitaire arm, de Oekraïense Nationale Zelfverdedigingsorganisatie (OENSO), waarvan de leden zich voorbereiden om de onafhankelijkheid met alle middelen tegen Rusland te verdedigen

Ook de Bond van Oost-Pruisen wedt niet op Zjirinovski. Deze belangenorganisatie van ‘verdrevenen’ volgt eerder kanselier Kohl, die het nog steeds opneemt voor Jeltsin en diens streven om Rusland te integreren in de kapitalistische wereld. Van Jeltsin mag Kaliningrad misschien wel een soort vrijhandelszone worden. Bovendien rekent de Bond van Oostpruisen erop dat de Europese Unie bijdraagt aan een oplossing van ‘het probleem Königsberg’. ‘De EU moet het Russische voorstel om het gebied contractueel aan Duitsland over te dragen en de vestiging van Duitsers die hun vermogen er destijds hebben moeten achterlaten, financieel tegemoetkomen,’ zegt Hans-Günter Schodruch, zelf een Oostpruis en rechterhand van Le Pen in de fractie Eurorechts.(251) Het Poolse verzet tegen een Duits Königsberg is begrijpelijk. Het komt voort uit door ellendige historische ervaringen gevoede angsten. Maar Schodruch ziet dat anders: ‘De EU mag geen handlanger worden van de Poolse expansiepolitiek. Dit kan geen basis zijn voor een vreedzame ontwikkeling in Oost-Europa.’

De organisaties van ‘verdrevenen’ met hun miljoenen leden treden steeds meer op de voorgrond en breiden hun machtsbasis uit. Zo melden in de voormalige DDR een miljoen zich aan voor een ‘verdrijvingsvergoeding’. Tegelijkertijd voltrekt zich een proces van radicalisering en van toenemende samenwerking met extreem rechts. Zo kan Hans-Günter Schodruch het woord voeren op een bijeenkomst van de Bond van Oostpruisen op 12 juni 1994 te Düsseldorf en lijken de officiële bladen van de organisatie, het Ostpreussenblatt en het jongerentijdschrift Fritz, steeds meer bereid aan ultra’s het oor te lenen.(252) Fritz schrijft bijvoorbeeld uiterst zalvend over de neonazi’s die in Rostock vijf woningen van asielzoekers in brand steken en Ostpreussenblatt looft de ‘burgerlijke moed’ van de holocaustontkenners.(253) Het belet de regering niet de kas van de Bond van Oost-Pruisen in 1994 te spijzen met maar liefst 750.000 mark.

Alle oproepen om de financiering van de revanchistische organisaties van ‘verdrevenen’ stop te zetten, vinden geen gehoor bij de regering-Kohl. De betrekkingen tussen regering en Bond van Verdrevenen zijn immers normaal en de Bond speelt zelfs een ijsbrekersrol bij het uitdragen van de Duitse cultuur in het Oosten. Zo heeft de Bondsregering tussen 1992 en 1994 ruim 74 miljoen mark veil om de zogenoemde culturele identiteit van de naar schatting 300.000 zielen tellende Duitse minderheid in Polen te beschermen. Een deel van dat geld wordt gespendeerd via de Bond van Sileziërs, wiens mollenwerk steunt op een brede interpretatie van het vriendschapsverdrag van 1991. Zonder twijfel politiek de meest gevoelige passage uit dit verdrag is de belofte van Polen om de rechten van de etnische Duitsers te beschermen. Zij krijgen het recht op behoud van hun etnische, culturele, taalkundige en godsdienstige identiteit. Bovendien hebben zij het recht ‘hun fundamentele vrijheden effectief uit te oefenen zonder enige discriminatie.’ Polen vreest dat de Bond streeft naar een geleidelijke germanisering van het land met de collaboratie van bepaalde elementen van de Duitse minderheid. Vaststaat dat de Bond in de lift zit en al vijftienduizend jongeren in Silezië organiseert.

Op 1 augustus 1994 wordt in Warschau in aanwezigheid van de Duitse president de opstand tegen de Duitse bezetters herdacht, waarbij meer dan tweehonderdduizend Polen omkwamen. Uitgerekend op dezelfde dag herdenkt in Essen de Bond van Sileziërs hun verdrijving uit Polen met een dodenherdenking en een rooms-katholieke mis. Zo’n honderdduizend mensen geven gehoor aan de oproep van de Bond om de tweedaagse bijeenkomst bij te wonen. Velen komen in traditionele klederdracht. Het bier vloeit rijkelijk, er wordt Silezische worst en gebak uit de Heimat geserveerd, er worden liederen gezongen. Boven lange houten tafels hangen de Duitse namen van wat al decennia Poolse steden zijn. Herbert Czaja (CDU), leider van de Bond, maakt weinig woorden vuil aan de Poolse slachtoffers van de opstand van 1944. Veel meer ruimte krijgt het ‘historische onrecht en leed’ dat de Duitsers in Polen is aangedaan. Hij maant de aanwezigen aan de herinneringen niet op te geven, in de hoop dat op een dag ‘Silezië weer van ons is’. Czaja wil dat Polen en Duitsland ‘op eerlijke wijze’ samenwerken, wat inhoudt dat Polen de Duitsers schadeloos moet stellen voor de verloren gegane bezittingen. Tevens drukt hij de hoop uit dat Silezië zich zal ontwikkelen tot een autonome regio en een economisch bruggehoofd.

Vijftig jaar na de bevrijding wordt de roep om eerherstel voor de ‘verdrevenen’ steeds sterker. Meer dan honderd Tsjechische en Duitse intellectuelen doen een gemeenschappelijke oproep voor een dialoog tussen Praag en vertegenwoordigers van de Sudeten-Duitsers. Het is de ‘verdrevenen’ te doen om het corrigeren van de resultaten van de tweede wereldoorlog. De Bond van Sudeten-Duitsers voert een offensief voor afschaffing van de Benes-decreten en een Tsjech van Duitse afkomst wendt zich zelfs tot het gerecht om de teruggave te eisen van het huis van zijn ouders, dat door de regering van Edvard Benes was genationaliseerd. President Vaclav Havel zegt in februari 1995 dat zijn land alle aanspraken van de Sudeten-Duitsers categorisch van de hand wijst. Begin maart 1995 bekrachtigt het Tsjechische Constitutionele Hof het in 1945 uitgevaardigde decreet over de onteigening van onroerend goed van collaborerende Sudeten-Duitsers. Minister van Buitenlandse Zaken Klaus Kinkel (FDP) noemt de uitspraak ‘onthutsend’. Hij vindt dat ‘verdrevenen’ de kans moeten krijgen om zich als volwaardige staatsburgers te vestigen in de Tjechische Republiek. Kinkel vindt grote bijval bij het CSU-parlementslid Hartmut Koschyk, een voormalig topman van de Bond van Verdrevenen.

Meer dan ooit maken verscheidene rechtse politici gemene zaak met de revanchistische Bond, waardoor een grijze zone ontstaat tussen rechts en uiterst rechts. Op 25 maart 1995 houdt de Bond van Sileziërs onder het motto ‘Vijftig jaar verdrijving’ een bijeenkomst in Hannover. Christian Wulff, fractievoorzitter van de CDU in het parlement van Nedersaksen, spaart zijn lof niet. ‘Jullie zijn van onschatbare waarde, een voorbeeld voor het hele land,’ benadrukt hij.(254) Nochtans weet Wulff dat de Bond van Sudeten-Duitsers een uitgesproken extremistische vleugel heeft, de ‘Witikobond’, die aanvankelijk tal van nazi’s van Konrad Henleins Sudeten-Duitse Partij onderdak bood. Vandaag telt de Witikobond een reeks kaderleden van NPD en REPS, naast prominente figuren zoals Herbert Fleissner, de derde grootste Duitse uitgever, en Hans-Ulrich Kopp, een medeweker van Junge Freiheit.

Medio 1995 legt Paul Latussek, ondervoorzitter van de Bond van Verdrevenen en voorzitter van de DSU (zusterpartij van de CSU in de voormalige DDR) in Thüringen, in het blad van de Bond, Deutsche Umschau, zijn verlanglijstje voor aan de regering. Hij eist medebeslissingsrecht in alle kwesties met betrekking tot de Oostgebieden, recht op terugkeer naar de Heimat en teruggave van de onteigende bezittingen. De verantwoordelijken voor de ‘verdrijving’ moeten gestraft worden en de etnische Duitsers die nog buiten Duitsland wonen, moeten het recht krijgen deel te nemen aan de Duitse parlementsverkiezingen. De etnische, culturele en taalkundige identiteit van de Duitse minderheden in de landen van Oost-Europa moet gevrijwaard worden. Dezelfde dreiging gaat uit van de leus waaronder de traditionele Sudeten-Duitse Dagen op 3 en 4 juni 1995 in München worden gehouden: ‘Onrecht verjaart niet.’

De neonazi-scene - Inhoud

In Duitsland bestaat al sinds jaar en dag een netwerk van neonazi’s. De bekendste ‘coördinatiecentrale’ noemt zich de Nationaal-socialistische Duitse Arbeiderspartij/Buitenlandse Organisatie (NSDAP-ao). Deze groep opereert onder leiding van de Amerikaan Gary Lauck vanuit de Amerikaanse staat Nebraska. De groepering verspreidt sinds 1972 het blad NS-Kampfruf (oplage twintigduizend exemplaren), armbanden met hakenkruisen, miljoenen stickers en posters met boodschappen als ‘Koop niet bij joden’, ‘Bestrijd de jodenpartijen CDU, SPD en FDP’, ‘Buitenlanders buiten’, ‘NSDAP NU’. Lauck is in neonazi-kringen tot een held uitgegroeid, omdat het hem steeds lukt zijn lectuur via Denemarken Duitsland binnen te smokkelen. De Duitse federale recherche vermoedt dat de Nederlandse CP’86 daarbij handen spandiensten verleent.

In Duitsland wordt de NSDAP/AO vertegenwoordigd door Christian Worch. Worch noemt zich ‘Führer’ van de in 1989 opgerichte Nationale Lijst (NL) en schijnt over ruime fondsen te beschikken. Hij is de politieke erfgenaam van Michael Kühnen, de beruchte, in april 1991 aan aids bezweken, leider van het Actiefront van Nationale socialisten (ans). Een andere bekende verschijning in de Duitse nazi-kringen is de voormalige NPD’er Meinolf Schönborn, chef van het Nationalistische Front (NF). Het NF-blad De Aanval beschrijft gedetailleerd welke antifascisten moeten worden uitgeschakeld. Een even bedenkelijke reputatie heeft de Vrije Arbeiderspartij (FAP). De fap wordt sinds november 1988 aangevoerd door Friedhelm Busse. De partij is een van de gevaarlijkste neonazi-groeperingen, vermits ze steeds bereid is geweld te gebruiken.

Deze verschillende groepen onderhouden nauwe contacten met elkaar en genieten enige t.v.-bekendheid want ze trekken jaarlijks met trommels en rood-zwarte vlaggen naar het graf van Rudolf Hess, Hitlers plaatsvervanger, die in 1987 in de geallieerde gevangenis van Berlijn-Spandau stierf. Ze bouwen aan clandestiene structuren en geven hun leden een militaire training. Na de Duitse eenwording is dit netwerk van neonazi’s verantwoordelijk voor een toenemend aantal gewelddadigheden jegens vreemdelingen en linksen. In 1991 registreert het ministerie van Binnenlandse Zaken 1489 agressiedaden. Dat is bijna vijf keer zo veel als in 1990. De media schenken nogal wat aandacht aan deze neonazi-scene, maar er bestaat ook een uitgebreide bovenbouw in de legale partijen: de Duitse Volksunie (DVU), de Nationaal-demokratische Partij (NPD) en De Duitse Liga voor Volk en Vaderland (DLVH).

De Duitse Liga bestaat sinds 1991. Oprichters zijn de NPD-leiders Jürgen Schützinger en Martin Müssgnug en de voormalige ‘kroonprins’ van Schönhuber, Harald Neubauer. Deze laatste was, althans volgens Michael Kühnen, begin van de jaren zeventig functionaris van de NSDAP/ao in Noord-Duitsland en penningmeester in Sleeswijk-Holstein. Zijn politieke carrière voert hem vervolgens van de NPD via de DVU naar de REPS. Belangrijkste redenaar op het stichtingscongres is Reinhard Uhle-Wettler, een hoge officier van de Duitse luchtmacht. De Duitse Liga heeft zich de eenheid van extreem rechts tot doel gesteld. Ze krijgt van meet af aan de steun van het maandblad Nation Europa, dat in 1951 werd opgericht door de ss’er Arthur Ehrhardt en de SA’er Herbert Böhme. Sinds het overlijden van Ehrhardt in 1971 berust de leiding bij Peter Dehoust, tevens bezieler van een steuncomité voor het Zuidafrikaanse Apartheidsregime.

De DVU, de grootste neonazi-partij, beschikt over actiegroepen als ‘Initiatief voor het Beperken van het Aantal Buitenlanders’, ‘Actie Oder-Neisse’, en ‘Duits Verbond voor de Bescherming van Volk en Cultuur’. In 1991 telt de DVU zo’n 26.000 leden. DVU-leider Gerhard Frey publiceert in München twee weekbladen, de Nationalzeitung en de Deutsche Wochenzeitung met een gezamenlijke oplage van meer dan honderdduizend stuks. Deze weekbladen lijken sprekend op kranten uit het Derde Rijk, behalve dat de Führer niet wordt afgebeeld. De miljonair Frey verdient zijn brood niet alleen met kranten en onroerend goed, maar ook met een levende handel in nazi-artikelen. Zijn postorderbedrijf levert cassettes, boeken, video’s en vlaggen. Alles is te koop, onder andere Leni Riefenstahls Triumph des Willens, de bekendste nazi-film over de partijdagen in Neurenberg, die in Duitsland nog steeds verboden is. Bij de verkiezingen in Bremen, in september 1991, behaalt de DVU een eerste sprekend succes met 6,1 procent van de stemmen. Op 5 april 1992 scoort de DVU zelfs 6,3 procent bij de deelstaatverkiezingen in Sleeswijk-Holstein, hetgeen 650.000 mark overheidsgeld oplevert. Dit succes wordt vooral behaald met slogans als ‘Anatolië voor de Turken, Sleeswijk-Holstein voor de Duitsers’. Op dezelfde dag behalen de NPD en de Duitse Liga respectievelijk 0,9 procent en 0,5 procent in Baden-Württemberg.

De neonazi-partijen stellen het zo voor dat de ‘echte’ Duitsers een minderheid dreigen te worden in hun eigen land. Er dreigt culturele genocide, een hedendaagse pendant van wat er gebeurde met de Indianen: ‘Wat wij thans meemaken is de voorbode van een invasie die onze Europese identiteit dreigt te vernietigen,’ aldus Harald Neubauer. ‘Miljoenen mensen staan klaar om naar Europa te komen. Dat zien ze als een soort luilekkerland waar de gebraden kippen hun in de mond vliegen.’(255) Gewelddaden ontwikkelen zich in de hoofden van jongeren die voortdurend door dit soort uitspraken worden beïnvloed. Vijf dagen later, in de nacht van 23 november 1992, stichten twee jongeren brand in het huis van een Turks gezin in Mölln. Daarbij komen drie vrouwen om het leven. Een van de daders is een sympathisant van de NPD. De Duitse federale recherche, het BKA, vindt in zijn woning nazi-propaganda die afkomstig is van de NSDAP/AO.

Tot nu toe maakten politie en justitie een hulpeloze en passieve indruk. De rechtse terreur werd vaak gezien als de uitdrukking van dolgedraaide, ongeorganiseerde jongeren. Volgens procureur-generaal Alexander von Stahl kwam de grootste bedreiging voor de staat nog steeds van links. Na Mölln komt een tegenbeweging op gang en gaan honderdduizenden burgers wekenlang massaal - al dan niet met enorme ‘Lichterketten’ - de straat op.

Om het geschonden blazoen op te poetsen besluit de minister van Binnenlandse Zaken eind 1992 drie kleine neonazi-partijen te verbieden: Duits Alternatief (DA), Nationalistische Front (NF) en Nationaal Offensief (NO). De minister zou zijn huiswerk beter moeten doen, want de maatregel treft amper driehonderd neonazi’s, terwijl volgens de zeer voorzichtige schattingen van de binnenlandse veiligheidsdienst (BFV) Duitsland eind 1992 tweeëntachtig rechts-extremistische organisaties met in totaal 42.700 aanhangers telt, de niet geschaduwde Republikeinen niet meegeteld.(256) In het jaarlijkse rapport van de BFV wordt de situatie van het rampjaar 1992 beschreven. Op steeds grotere schaal kwamen rechtse aanslagen en moorden voor. De BFV registreert in 1992 2584 gewelddaden. Daarbij kwamen zeventien mensen om het leven. De BFV relativeert de ernst van de situatie door de schijnwerpers te richten op de zogeheten ongeorganiseerde ‘skinheads’, terwijl nauwelijks wordt stilgestaan bij het ‘intellectueel’ fascisme met een waaier van maar liefst 130 regelmatig verschijnende kranten en tijdschriften, die in steeds grotere oplage vrij verkrijgbaar zijn.

Hoe dan ook, politie en justitie dwarsbomen de neonazi’s niet bepaald consequent in hun pogingen om Duitsland te zuiveren van vreemdelingen. Soms leidt dit tot gedurfde initiatieven. In maart 1993 wil de Duitse Liga vijftigduizend pamfletten verspreiden in Keulen, waar de Liga twee gemeenteraadsleden telt, onder wie Manfred Rouhs, trouwe bezoeker van de feesten van het Vlaams Blok en uitgever van het blad Europa vorn, dat innig samenwerkt met de voorhoede van Nieuw Rechts, vertegenwoordigd door Alain de Benoist en diens voormalige secretaris Robert Steuckers. Met de pamfletten maakt de Duitse Liga verbeten jacht op een zigeunerin uit Macedonië wier asielverzoek is afgewezen. De Liga plakt overal affiches aan waarop een foto staat van de zigeunerin en er wordt een fikse beloning van duizend mark beloofd voor inlichtingen die tot haar aanhouding leiden. Neubauer staat volledig achter de actie. ‘We hebben een opsporingsbericht opgemaakt van een vrouw die ten onrechte asiel had aangevraagd en door de politie werd gezocht. We hebben ons daarmee slechts als wetsgetrouwe burgers ter beschikking van de politie gesteld,’ aldus Neubauer.(257)

Grote ‘democratische’ partijen als het Vlaams Blok en het Front National storen zich niet in het minst aan het bedenkelijke optreden van Harald Neubauer. In het voorjaar van 1993 fungeert hij als gastspreker op het congres van de jongerenorganisatie van het Vlaams Blok. En uitgerekend in maart 1993 verschijnt in Nation Europa een artikel van Yvan Blot en een vraaggesprek met Bruno Mégret. In het aan de Duitse Liga gelieerde blad zegt de nummer twee van het FN dat de fractie Eurorechts in Straatsburg, waartoe Neubauer behoort, de wind in de zeilen heeft. In hetzelfde nummer wordt reclame gemaakt voor de nieuwe boeken van de uitgeverij van Nation Europa: de memoires van Hans Baur, een beroemd nazi-piloot en Wanneer alle broeders zwijgen over de ‘heldhaftige’Waffen-SS. Nog steeds in hetzelfde nummer leveren de rubrieken ‘Geweld tegen Duitsers’ en ‘Nieuws van het Ueberfremdungsfront’ staaltjes van onvervalste vreemdelingenhaat.

Toch verwerpen de auteurs van Nation Europa de betichting dat ze de spirituele vaders zijn van de golf van racistische aanslagen, die Duitsland begin 1993 teistert. Ze pogen het geweld te depolitiseren door de brandstichters te bestempelen als ‘asociale individuen’ en ‘politieke warhoofden’. ‘Want was het nationaal-socialisme inderdaad alleen maar een klungelige uiting van skinheads geweest, dan zouden grote geesten als de filosoof Heidegger en de eerste naoorlogse president Heuss er de schouders voor hebben opgehaald,’ schrijft Nation Europa.(258) Volgens Johanna Grund doet men de radicale rabauwen onrecht met de beschuldiging van racisme. ‘Zij hebben niets tegen uitheemsen. Zij zouden niet eens tegen groene marsmannetjes optreden, als die maar als vakantiegangers of als zakenlieden binnenkomen.(259) Zo gooit Grund olie op het vuur door het ‘probleem’ opnieuw te verleggen naar de ‘stroom’ van asielzoekers.

Tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen in de deelstaat Hessen, die op 7 maart 1993 plaatsvinden, doen de DVU en de NPD hun duit in het zakje. ‘Het grote asielbedrog. Miljarden mark voor schijnasielzoekers,’ titelt de Nationalzeitung.(260) De DVU wil via de PTT zo’n driehonderdduizend pamfletten in Frankfurt verspreiden onder de kop ‘Komen er vijf miljoen asielzoekers?’ De PTT weigert voor het eerst het propagandamateriaal van de DVU te verspreiden, maar de rechter wijst de bezwaren van de PTT op de valreep af. De DVU kan tijdens de campagne pronken met een adellijke supporter, de Pruisische prinses Marie-Therese Hug. De jonkvrouw beklaagt zich bitter over het feit dat de arme Duitsers in de Frankfurtse achtergestelde buurten ‘vreemdelingen in eigen land’ worden.(261) Op 7 maart 1993 behalen de DVU en de NPD in Hessen respectievelijk 2,7 en 0,7 procent.

De DVU en de NPD stomen door, aangemoedigd door het onfrisse asieldebat, dat eind mei 1993 zijn dieptepunt bereikt met de grondwettelijke beperking van het asielrecht en de vijfvoudige moord op een Turks gezin in Solingen. Frey vindt dat de regering veel verder moet gaan en meteen honderdduizend soldaten naar de grens met Polen en Tsjechië moet sturen.(262) Zijn toorn richt zich speciaal tegen ‘de invasie van zigeuners’ waarvan ‘nul procent’ de status van politiek vluchteling zou verdienen.

Frey heeft iets met de moderne communicatiemiddelen en marketingstrategieën. De DVU is veeleer een ‘spookpartij’ zonder noemenswaardige actieve basis. Voor zijn verkiezingscampagnes is de t.v. van vitaal belang. De publieke omroepen zijn omwille van het democratische evenwicht in de programmering, ook verplicht die partijen aandacht te geven ‘waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat ze een zekere aanhang onder de bevolking hebben,’ dixit de rechter in Hamburg die in augustus 1993, vlak voor de verkiezingen in Hamburg, in kort geding bepaalt dat de Norddeutsche Rundfunk (ndr) geen reclameboodschappen van de DVU van de buis mag weren. De rechter verplicht de ndr de DVU toe te laten tot een live-uitzending met de gevestigde partijen. Frey steekt maar liefst elf miljoen mark in zijn racistische campagne (‘Timbuktu voor de Afrikanen. Istanbul voor de Turken. Hamburg voor de Duitsers’) en behaalt op 19 september 1993 2,8 procent.

In het najaar van 1993 pakt Frey uit met een enorme publiciteitsstunt. Hij publiceert in de Nationalzeitung documenten waaruit blijkt dat drie belangrijke ex-nazi’s hem vele jaren lang ‘goede diensten’ bewezen. Het gaat om drie christen-democratische topfiguren die kunnen terugzien op een klinkende carrière: Alfred Seidl, Theodor Maunz en Reinhard Gehlen. Frey noemt Gehlen zijn beste vriend. De politieke loopbaan van Gehlen is niet alledaags. De chef van de Duitse militaire inlichtingendienst voor het Oostfront houdt zich aan het eind van de oorlog schuil in een berghut in de Beierse Alpen met enkele medewerkers en zijn archieven. Gehlen laat de ergste chaos in het land betijen en geeft zich vervolgens over aan de Amerikanen. Die tonen meteen interesse voor zijn archief en lijven hem bij hun leger in. Blijkens zijn memoires is Gehlen een onverbeterlijke nazi gebleven, hetgeen de Duitse regering kennelijk als een adelbrief beschouwt, want Gehlen kan de Duitse inlichtingendienst ongehinderd leiden tot 1968.

Frey werd de afgelopen decennia juridisch bijgestaan door Alfred Seidl en Theodor Maunz, twee hooggeplaatste CSU-politici, die klaarblijkelijk hun verleden nooit hebben verloochend.

Seidl verdedigt in Neurenberg Rudolf Hess en zet zich zijn leven lang in voor de vrijlating van deze ‘idealist’. Hij zetelt gedurende achtentwintig jaar voor de CSU in de Beierse Landdag en brengt het tot minister van Justitie in deze deelstaat.(263) Maunz doceert in het Derde Rijk publiek recht in Freiburg. Het wezenlijke doel van de Gestapo, het uitschakelen van ‘subversieve’ elementen, mag niet door regelgeving gehinderd worden, vindt Maunz op dat ogenblik.(264) Na de oorlog schrijven Maunz en de huidige Bondspresident Roman Herzog samen een standaardwerk over de Duitse grondwet. Vanaf 1952 doceert Maunz opnieuw publiek recht, ditmaal in München. Maunz fungeert niet alleen als juridisch adviseur van Frey, maar tekent ook voor honderden artikelen in diens Nationalzeitung. Met deze selecte club adviseurs kan Frey zich erop beroemen dat hij in de zeshonderd tegen hem aangespannen processen nooit het onderspit heeft gedolven.

Al lijkt Duitsland niet meer zo in de ban van het rechtse geweld, toch telt de binnenlandse veiligheidsdienst in 1993 nog 2232 agressiedaden, waarbij zeven mensen omkomen. Maar zolang er geen doden vallen, halen de aanslagen de voorpagina niet meer. De DVU zet de dingen helemaal op hun kop. Na de aanslag op de synagoge in Lübeck schrijft de Nationalzeitung op 8 april 1994 dat de aanslag allicht het werk is van een geheim agent die Duitsland wil treffen. Verder fulmineert het blad tegen Ignatz Bubis, de leider van de joodse gemeenschap. ‘Hij waant zichzelf de koning van Duitsland,’ aldus het blad. Terzelfder tijd droomt de Nationalzeitung hardop van Italiaanse toestanden. Tn Italië komt amper politieke terreur tegen rechts voor,’ schrijft Frey, ‘dit in tegenstelling tot Duitsland, waar de terreur systematisch wordt gevoed en dagelijks toeneemt.’(265) Miljonair Frey trekt zo zijn eigen lessen uit de Italiaanse gebeurtenissen. ‘Wij moeten onze krachten bundelen en onze propaganda in eerste instantie op de jongeren en de sociale onderkant van de samenleving richten.

De welgestelden voelen nog niet veel voor een omwenteling. Ons uur slaat als de economische situatie verslechtert.’

De DVU, NPD en Duitse Liga mengen zich steeds minder in de verkiezingsstrijd. Bij de Europese verkiezingen in juni 1994 haalt de NPD amper 0,2 procent. Enkel bij lokale verkiezingen weten ze nog behoorlijk te scoren. Zo behalen de Liga-leiders Jürgen Schützinger en Martin Mussgnug in juni 1994 respectievelijk 5,3 en 5,2 procent in Villingen en Tuttlingen. NPD-leider Günther Deckert krijgt 3,4 procent in Weinheim. Nochtans staat Deckert volop in de belangstelling vermits Deckert door het gerecht van Mannheim schuldig werd bevonden aan het verspreiden van de ‘Auschwitz-leugen’.

Wat Frey medio 1994 het meest bezighoudt, is de toenemende machtspositie van Duitsland in Europa. Frey hecht grote betekenis aan het begrip ‘Mittellage’, de ligging van het ene grote Duitsland in het geografische midden van Europa. ‘De politieke machtsverhoudingen in Europa en vooral in Midden-Europa zijn de afgelopen jaren grondig gewijzigd ten gunste van Duitsland,’ constateert hij voldaan. ‘Joegoslavië en Tsjechoslowakije zijn uiteengevallen. De uitbreiding van de Europese Unie drukt Frankrijk meer en meer naar de rand en plaatst Duitsland in het hart van het continent. Doordat de EU ongetwijfeld oostwaarts zal uitbreiden, zal deze tendens nog worden versterkt.’(266) In dat verband weerklinkt alweer de oude lokroep van Duitsland als ‘natuurlijke leider van Midden-Europa’. Een uitdrukking die terecht taboe was na de Sudeten-crisis en de ‘Anschluss’ van Oostenrijk. Er is ook nu niets geruststellends aan de term. Frey: ‘Het Duitse volk is veruit het sterkste volk in Midden-Europa. Daarnaast wonen er Polen, Tsjechen, Slovaken, Slovenen, Kroaten, Hongaren. In de voorbije duizend jaar leefden de Duitsers met de andere Middeneuropese naties, Polen uitgezonderd, meestal onder hetzelfde staatkundige dak. Pas sinds het dictaat van Versailles is Midden-Europa politiek in verschillende staten uiteengevallen.’(267) Frey vindt het niet ongepast nog eens nader uit te leggen op welke ideologie dit geopolitiek concept teruggrijpt. ‘Het Midden-Europa-idee, het verlangen naar innige politieke samenwerking en naar eenzelfde staat is steeds blijven leven. Stauffenberg en Hitler hadden plannen voor zo’n Midden-Europese ordening.’ Frey bouwt dus expliciet voort op de expansionistische denkbeelden van het Derde Rijk.

De manie van Frey voor de herrijzenis van een Teutoons Heilig Rooms Rijk is niet opbeurend voor de buren. In een eindeloze serie artikelen bestempelt hij Oostenrijk als ‘een historisch wangedrocht’. Daarbij geeft hij ook het woord aan de Oostenrijkse oud-nazi Otto Scrinzi, een intieme vriend van de Duitse oorlogsmisdadiger Walter Reder. Frey krijgt ook Nederland en België in het vizier. De Nationalzeitung juicht toe dat in Nederland steeds meer stemmen opgaan voor samenwerking met Duitsland. De reactie van het blad spreekt voor zich: ‘Enkele eeuwen geleden behoorde Nederland tot het Eerste Duitse Rijk.’(268) In één adem moedigt het blad in niet mis te verstane bewoordingen het separatisme van het Vlaams Blok aan. ‘Het Vlaams Blok komt op voor de onafhankelijkheid van Vlaanderen,’ aldus het blad. ‘Het succes van het Blok verkort de levensduur van het multinationale België gevoelig. Daar kan Duitsland wel bij varen, want België roofde na de eerste wereldoorlog het Duitse Eupen-Malmedy. Na het verdwijnen van België rijst de vraag naar de bestemming van dit Duitse gebied.(269) Bij het Vlaams Blok overheerst kennelijk één stelregel: hoe meer Frey België verfoeit, des te meer bewonderen ze hem. De Vlaams Blok’er Hubert Verhelst is op 24 september 1994 weer een van de eregasten van de DVU in Passau samen met de ‘vrijheidsstrijder’ Oswald Astfaller uit Zuid-Tirol en vertegenwoordigers uit Silezië, die de Andreas Hoferprijs krijgen. ‘Gelijkberechtiging voor Duitsland’ is het provocerende motto van de bijeenkomst. ‘De Duitse kwestie is nog open. We zullen niet rusten voor Tirol, Oost-Pruisen, Königsberg en Silezië weer aan Duitsland toebehoren,’ aldus de DVU-spreker. Toegejuicht door zesduizend aanwezigen, eindigt hij met de woorden: ‘Leve de internationale solidariteit van alle nationale krachten.(270)

Frey concentreert voorlopig haast alle aandacht op de verkoop van zijn kranten en nazi-artikelen. Opmerkelijk is het toenemende antisemitisme in zijn bladen. Vanaf de herfst van 1994 publiceert de Nationalzeitung geregeld spotprenten van PDS-leider Gregor Gysi en van de eenentachtigjarige partijloze Oost-Duitse schrijver Stefan Heym, die in de Bondsdag gekozen is op de lijst van de PDS. Heym moest als jonge man in 1933 nazi-Duitsland verlaten. Hij keerde daar in 1944-1945 terug als officier in het Amerikaanse leger, maar verliet de VS in 1952 omdat hij koos voor een bestaan in de DDR. Gysi en Heym worden in pure nazi-stijl afgebeeld als joden met een lange neus.

De Duitse Liga valt weinig electoraal succes te beurt. Bij de gemeenteraadsverkiezingen op 16 oktober 1994 behaalt de Liga 1,3 procent in haar bolwerk Keulen. De Duitse Liga houdt zich voortaan vooral bezig met de publikatie van Nation Europa. Eind 1994 vindt een reorganisatie van het blad plaats. Het werkloze Europarlementslid Harald Neubauer wordt de ideologische chef. Hij oriënteert zich op de Europese ‘vrienden’. ‘Haider, Le Pen, Mus- solini en Dillen zijn geen vreemdelingen,’ staat op een cover. Harald Neubauer kan rekenen op medewerkers met een belangrijke staat van dienst, onder wie Karl Richter (ex-medewerker van Die Welt, persverantwoordelijke van Schönhuber en verantwoordelijke uitgever van de Deutsche Rundschau, het blad van de Duitse Liga), Adolf von Thadden (ex-NSDAP’er, stichter van de NPD) en Wolfgang Straus (voormalig politiek gevangene in de ussr, grote bewonderaar van Solzjenitsyn). Het aantal abonnees is geslonken tot zo’n 3500 zodat Nation Europa het moet stellen met de inkomsten van de verkoop van een eindeloze serie propagandaboeken en films over de Wehrmacht, de Waffen-SS, de SS en de Gestapo. Alleen al in november 1994 gooit Nation Europa vijf nieuwe publikaties over de SS en de Wehrmacht op de markt.

De NPD-leider Günther Deckert bezorgt met spectaculaire prikacties de Duitse politie en Justitie handenvol werk. Zo wil de NPD-leider op 22 november 1994 een ‘politieke wandeling’ maken in het kamp van Buchenwald. Maar de politie zorgt ervoor dat de neonazi niet op deze plek kan paraderen. De indruk is dat de autoriteiten eindelijk de neonazi’s wat strenger aanpakken. Op 30 november 1994 wordt Christian Worch, leider van de Nationale Lijst in Frankfurt tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld. Nog in november 1994 stelt minister Kanther de Wiking-Jugend buiten de wet. Aanhangers van deze verboden neonazi-groep lopen echter gewoon over naar de NPD-jongerenorganisatie, de Jonge Nationaal-democraten (jn). De NPD-jongeren onder leiding van Holger Apfel hebben vele buitenlandse contacten. Op 10 december 1994 organiseren ze het eerste Europese Jeugdcongres in Klingenberg. De NPD-jongeren, die 25 jaar bestaan, vallen loftuitingen ten deel van onder meer de Juntas Espanolas en het Vlaams Blok.

Ook in 1994 hebben de Duitse autoriteiten geen einde kunnen maken aan het aanhoudende rechtse geweld, al is het niveau ervan gedaald. In 1993 registreerde Bonn nog 2232 rechtse gewelddaden. Dat aantal is teruggelopen tot 1489 in 1994. Overigens is dat nog vier keer zo veel als in 1990. Sinds 1990 kwamen volgens Bonn bij rechts geweld vijfendertig mensen om het leven. Andere bronnen spreken van negenenzeventig dodelijke slachtoffers. Volgens het rapport van de veiligheidsdienst BFVis het aantal officieel geregistreerde leden van rechts-extremistische organisaties in 1994 licht gezakt tot 56.600. Volgens de BFVhouden zowel de REPS als de DVU eind 1994 nog twintigduizend leden over. De NPD en de Duitse Liga zouden respectievelijk nog 4500 en 900 leden tellen. Het BFV schat het aantal militante skinheads op 5400.

Om de rechtse geweldspiraal te doorbreken, zijn doortastende maatregelen nodig. Zo ver is het nog lang niet. Of het offensief van de overheid dat begin 1995 wordt ingezet voor de neonazi’s het begin van het einde betekent, valt nog te bezien. Op 17 januari 1995 gaat het proces tegen de verantwoordelijken van ‘Der Einblick’ van start. Ze publiceerden in 1993 de adressen van op te ruimen antifascisten. Op 24 februari 1995 verbiedt minister Kanther de fap die reeds sinds 1979 actief is onder leiding van Friedhelm Busse en zowat 450 leden telt. Sinds 1992 heeft de regering nu tien van de ruim zeventig rechts-extremistiche organisaties buiten de wet gesteld. Op 20 maart 1995 wordt Gary Lauck in Kopenhagen aangehouden ten huize van de Deense neonazi Jonny Hansen nadat Duitsland eindelijk een internationaal aanhoudingsbevel tegen hem had uitgevaardigd. Drie dagen later doet de Duitse politie invallen in tachtig woningen, waarbij een grote hoeveelheid propagandamateriaal van de NSDAP/ ao in beslag wordt genomen. In april 1995 wordt NPD-leider Günther Deckert tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld. Midden augustus 1995 leidt Peter Naumann, een voormalig NPD-kaderlid, de politie naar acht wapenopslagplaatsen, verspreid over heel Duitsland. De politie vindt er 150 kilo explosieven en wapens.

De Duitse federale recherche, het bka, begint nu zelf te. spreken over een ‘Braune Armee Fraktion’, een ondergronds netwerk van neonazi’s dat in het geheim bezig is aanslagen voor te bereiden. Ns-Kampfruf, het blad van de NSDAP/ao, stelt het in juni 1995 zo: ‘De eindstrijd voor de omverwerping van de vazallen van Bonn en voor de oprichting van een nationaal-socialistisch Europa is begonnen. De strijders van vandaag zijn de Führers van morgen.’

De Republikaner - Inhoud

In 1989 spelen de Republikaner (REPS) plots een politieke hoofdrol. Op 29 januari 1989 scoren ze 7,5 procent bij de Berlijnse deelstaatverkiezingen, goed voor elf zetels en een half miljoen mark wettelijke subsidie van de overheid. Bij de Europese verkiezingen op 18 juni 1989 stemmen meer dan twee miljoen Duitsers op de REPS. Met 7,1 procent krijgen ze zes parlementsleden: Franz Schönhuber, de politieambtenaar Klaus-Peter Kohier, het vroegere NPD- en DVU-lid Harald Neubauer, Johanna Grund, Hans- Günter Schodruch en Emil Schlee, die alle drie tot het circuit van de ‘verdrevenen’ behoren. Voor hun 130.000 mark per jaar komen deze verkozenen eerder zelden naar Straatsburg. De REPS keuren op 13 januari 1990 een politiek programma goed, dat tot stand komt met de medewerking van de revisionistische geschiedschrijver Helmut Diwald en Franz Uhle-Wettler, voormalig hoofd van het NAVO-College in Rome. Franz Schönhuber ziet zich al als de eigenlijke oppositieleider.

De werkelijkheid is anders. Niet de REPS, jarenlang de luidruchtigste pleitbezorgers van een herenigd Duitsland, maar kanselier Helmut Kohl tooit zich met de eenheidsglorie. Bovendien blijkt de eenheid van de partij minder hecht dan velen hadden verwacht. Franz Schönhuber regeert als een verlicht despoot en ontdoet zich na een rebellie van Harald Neubauer op 7 juli 1990 van de ‘neonazi-oppositie’. Als gevolg van deze partij-crisis blijven de REPS bij de eerste nationale verkiezingen in het herenigde Duitsland op 2,1 procent steken.

De REPS storten zich daarop in de totale oorlog tegen vreemdelingen. Met drie miljoen werkloze Duitsers willen de REPS van de buitenlandse werknemers af zijn. Onmisbare gespecialiseerde arbeidskrachten moeten genoegen nemen met een tijdelijk arbeidscontract. ‘Schijnasielzoekers’ moeten aan de grens worden tegengehouden. De partij pleit voor een versterking van de grenspolitie en militaire surveillance. Afgewezen asielzoekers moeten na een spoedprocedure onmiddellijk uit het land worden gezet. Vluchtelingen uit ‘veilige landen’ zijn niet meer welkom en de politie moet hard optreden tegen illegaal vervoer van mensen. Kortom, de regering moet een soort noodtoestand uitroepen, alsof elke asielzoeker een staatsvijand is. Deze denkbeelden vallen opnieuw in goede aarde. Edmund Stoiber, de CSU-minister van Binnenlandse Zaken in Beieren, noemt ‘rasvermenging’ een dodelijk gevaar voor het Duitse volk. Friedhelm Farthman, de fractievoorzitter van de SPD in Noordrijn-Westfalen wil de asielzoekers ‘bij de nek grijpen’ en Duitsland uitgooien. Schönhuber geniet van een dergelijk taalgebruik. Hij kan zich nu moeiteloos profileren als ‘democratisch en patriottisch rechts’. De acceptatie van de REPS blijkt ook uit het nieuwe partijkader. Schönhuber neemt een groepje goed opgeleide ijskoude carrièremakers onder zijn hoede: de al wat oudere Berlijnse afdelingsvoorzitter Werner Müller, die als spo’er ooit nog in Helmut Schmidts kanselarij in Bonn werkte, en de uit de CDU overgelopen gevorderde dertigers Rolf Schlierer en Christian Kas, die de REPS in Baden-Württemberg leiden. De advocaat Schlierer, ooit lid van de NPD-studentenbond en medewerker van de christelijk-conservatieve denktank Weikersheim, geldt als een vertrouweling van de partijleider.

Terwijl aanslagen tegen asielzoekers aan de orde van de dag zijn, maken de REPS een opmerkelijke electorale come-back. Op 5 april 1992 behalen ze 10,9 procent (vijftien zetels) in de deelstaat Baden-Württemberg, het beste extreem rechtse resultaat sinds 1945. Op 24 mei 1992 behalen ze 8,3 procent in Berlijn.

Het asieldebat leidt tot een nog niet eerder vertoonde escalatie van geweld. In augustus 1992 steken neonazi’s onder het ‘waakzame’ oog van de politie een woning van asielzoekers in Rostock in brand. Honderd Vietnamezen kunnen ternauwernood uit de woning ontsnappen. Franz Schönhuber veroordeelt de aanslag ‘ten sterkste’, maar beticht tegelijk buitenlandse journalisten ervan de jongeren in Rostock ‘grote hoeveelheden dollars te hebben betaald om ze voor de camera’s met de hitlergroet te laten poseren’ en vergoelijkt de rechtse terreur met de woorden: ‘Stenen werden en worden ook door links gegooid en hebben een bloedrode kleur.’(271) Schönhuber vindt het ook ‘perfide’ dat de Duitse politie als schuldige wordt gemerkt. ‘De Duitse politieagenten zijn de armsten der armen. Zij zijn de zondebokken van de natie,’ zegt hij verontwaardigd.

De REPS koesteren angstvallig hun status als ‘democratische’ partij. In september 1992 benoemt Schönhuber Udo Bosch, een voormalig luitenant-kolonel van de Bundeswehr en gewezen agent van de veiligheidsdienst pnd, tot nieuwe organisatieleider. Udo Bosch, tweeëntwintig jaar lang lid van de CDU, moet voorkomen dat de partij in diskrediet geraakt door de aanwezigheid van ongewenste gewelddadige neonazi’s. De aanstelling van Bosch is niet overbodig. In november 1992 steken twee leden van de REPS een Duitser neer, omdat hij het voor een vreemdeling opnam. De vice-voorzitter van de REPS in Beieren, Otmar Wallner, verspreidt cassettes met antisemitische teksten. Bosch grijpt krachtig in. Begin 1993 ontslaat hij drie regionale REPS-leiders in Oost-Duitsland, waar de partij zwaar onder ledenverlies en interne strubbelingen lijdt en hooguit 2800 leden telt. Schönhuber is niet te beroerd om de aantrekkelijkheid van de REPS te vergroten door ex-communisten erbij te halen. Günter Bernhard, dertig jaar lid van de sed en hoogleraar sociologie, wordt begin 1993 de nieuwe voorzitter van de REPS in Saksen. Ondanks ruzies en afsplitsingen in verschillende partijfracties gaat het de REPS nog steeds voor de wind. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in Hessen op 7 maart 1993 presenteren de REPS zich als een partij met ‘schone handen’, die tegen ‘corruptie en misdaad’ ten strijde trekt.(272) In Frankfurt behalen ze 9,3 procent. De REPS zetten de buitenwereld evenwel voor schut met hun ‘strijd tegen de criminaliteit’, want op 9 maart 1993 vallen leden van de REPS in Mülheim een oude Turkse man aan, die na een schijnexecutie aan een hartaanval bezwijkt.(273)

Schönhuber kan enkele bekende overlopers verwelkomen. Veel lof heeft de partijleider voor de gewezen spü’er Klaus Zeitler, die gedurende tweeëntwintig jaar burgemeester van de Noordbeierse stad Würzburg was. Hij is de zoon van een vooroorlogse Duits-nationale burgemeester van Erfürt, die in 1950 als vijand van de Oostduitse orde in Sachsenhausen omkwam. Zeitler houdt de SPD na dertig jaar voor gezien, wegens haar ‘verwaarlozing van gewone mensen’ en haar asiel- en Duitsland-politiek. Een andere aanwinst is Hans Hirzel, in 1943 veroordeeld als lid van de Witte Roos, een verzetsgroep van studenten en scholieren. Hirzel was zestien jaar lang lid van de CDU. Hij wordt partijlid op een symbolische dag: 19 april 1993, precies vijftig jaar na zijn veroordeling door de nazi’s. Op 25 mei 1993 halen de REPS hun bekendste overloper binnen: Rudolf Krause, dierenarts en CDU-Bondsdaglid voor de deelstaat Saksen-Anhalt. Krause zorgt voor een twijfelachtige primeur. Hij blijft in de Bondsdag zitten voor zijn nieuwe partij, die hij daarmee aan een eerste parlementslid helpt. Als woordvoerder van de christelijk-conservatieve drukkingsgroep ‘Duitsland-forum’ heeft Krause zich lang bewogen in de schemerzone tussen rechts en uiterst rechts. Duitsland-forum groepeert zo’n achthonderd invloedrijke nationalistische CDU/CSU-politici, onder wie Heinrich Lummer, die openlijk pleit voor een alliantie met de REPS. Het programma, bekend als De twintig stellingen van het Forum, leunt sterk tegen extreem rechts aan: verdediging van de ‘verdrevenen’ en van het ‘Duitse zelfbeschikkingsrecht’, afwijzing van de multiculturele samenleving en van de ‘liberale’ abortus- en asielwetgeving, en militaire inzet van Duitse troepen onder het VN-vaandel.

Onder druk van de rechtervleugel en onder het mom van extreem rechts de wind uit de zeilen te willen nemen, verlegt de regering-Kohl het accent naar de ‘binnenlandse veiligheid’. Op 26 mei 1993 aanvaardt de Bondsdag, inclusief een meerderheid van de spd, de omstreden wijziging van het Duitse asielrecht. Kern van het nieuwe beleid: wie als vluchteling via een buurland of een ander ‘veilig land’ binnenkomt, wordt weer over de grens gezet. De oosterburen klagen steen en been, maar blazen niet te hoog van de toren, omdat ze hun toetreding tot de Europese Unie en de toegezegde economische steun niet in gevaar willen brengen. De Duitse regering ontkent dat zij een ‘high-techmuur’ bouwt, maar versterkt haar grenzen met uitbreiding van de grenspolitie en de plaatsing van infrarood-apparatuur en radar aan de grenzen met Polen en Tsjechië, zodat illegale grens-overschrijders ook ’s nachts kunnen worden gepakt. De regering voert ook een computersysteem in dat de vingerafdrukken van asielzoekers registreert en sluit met Polen en Roemenië een verdrag over terugname van illegalen zodat aan de grens gepakte vreemdelingen teruggestuurd kunnen worden met een chartervlucht of een bewaakt treintransport.

Binnen één etmaal na de parlementaire bezegeling van het nieuwe Duitse asielrecht, plegen vier jongeren een brandaanslag in Solingen, die het leven kost aan vijf Turkse vrouwen en kinderen. Het onderzoek van de politie brengt aan het licht dat er altijd propaganda van de REPS voorhanden was bij de ultrarechtse sportschoolhouder, die drie van de vier verdachten opleidde in verschillende vechtsporten. Dat de catastrofe van Solingen zo gauw na het asieldebat komt, is meer dan zomaar een wrange bijkomstigheid. Vooral de 1,8 miljoen koppen sterke Turkse gemeenschap spreekt zich na Solingen nadrukkelijk uit voor het dubbele staatsburgerschap, waardoor men het recht om te erven van familie die in Turkije woont, niet zou verliezen. De REPS voeren meteen campagne voor het behoud van de wet uit 1913, die voorschrijft dat slechts degenen die ‘Duits bloed’ hebben het Duitse staatsburgerschap verkrijgen. Dat zijn automatisch de paar miljoen in Oost-Europa en Rusland levende ‘Volksduitsers’. ‘Het bloedrecht waarborgt loyauteit ten aanzien van de Duitse natie,’ zo redeneert extreem rechts.(274) Ook Erwin Huber, secretaris-generaal van de CSU, hanteert het loyauteitsargument. De dubbele nationaliteit als een soort chocoladereep naar keuze wijst hij af.(275)

Ondanks de komst van enkele bekende overlopers uit de gevestigde partijen, vragen velen zich steeds openlijker af hoelang de REPS nog intact kunnen blijven. Discipline en eenheid zijn nooit de sterkste kanten van de REPS geweest en nu hebben ze de grootste moeite om naar vertegenwoordigende lichamen - van het Europarlement tot de gemeenteraad van Passau - ook maar enigszins actieve of capabele mensen af te vaardigen. Van de groep van zes REPS in het Europarlement is alleen Franz Schönhuber nog lid van de partij. Op 26 juni 1993 organiseren de REPS hun partijcongres in de Schwabenhalle te Augsburg. Schönhuber tracht het moreel van de bijna zeshonderd gedelegeerden op te krikken met het motto ‘Van protestpartij via programmapartij naar verantwoordelijkheidspartij’. Het nieuwe zesenzeventig pagina’s lange beginselprogramma Wij maken ons sterk voor Duitse belangen is door Rolf Schlierer behoedzaam geformuleerd opdat het ministerie van Binnenlandse Zaken geen aanknopingspunten voor een verbod zou kunnen vinden.

Voor de REPS is de conjunctuur ogenschijnlijk gunstig. De invoering van het kapitalisme in de voormalige DDR heeft intussen in drie jaar tijd honderden miljarden gekost. Er hangt een katerstemming in het land, dat in een diepe economische recessie zit. De geliefkoosde thema’s van de REPS (criminaliteit en vreemdelingen- en asielbeleid) slaan in zo’n klimaat gemakkelijk aan. En zeker onder boeren, kleine zelfstandigen en de ‘onderkant’ van de bevolking in de grote steden. Schönhuber heeft nu ook dit ‘natuurlijke’ electoraat ontdekt en hij probeert het te lijmen met een programma van ‘sociaal-patriottisme’. ‘Onze partij is nationaal maar niet nationalistisch, sociaal maar niet socialistisch, patriottisch maar niet chauvinistisch,’ aldus Schönhuber. Tegelijkertijd wijst hij de eenheidsvakbond dgb af onder het mom van ‘vakbondspluralisme’. ‘De eenheidsvakbond is niet meer de verdediger van de belangen van de werknemers maar de speerpunt voor ideologische veranderingen,’ luidt het programma. ‘De sociale partners zijn ertoe verplicht het algemeen welzijn na te streven,’ wat zoveel betekent dat de vakbonden niet meer mogen opkomen voor de specifieke belangen van de arbeiders.

Schönhuber verklaart de oorlog aan de traditionele politici. ‘Nog is Duitsland niet verloren omdat wij als REPS bestaan, wij zullen het volk uit zijn babylonische gevangenschap leiden, weg van de geur van de permanente bevuiling van het eigen nest,’ zegt hij zonder enige omhaal in zijn slottoespraak. ‘De politici moeten zich niet vergissen,’ besluit hij wrokvol, ‘wij zullen hun straks alles terugbetalen, met rente en rente op rente. Wij zullen ook in dit land, net zoals de Liga Noord in Italië, de zogenoemde volkspartijen naar dertig procent terugdrukken.’

De verkiezingen op 19 september 1993 in de stadstaat Hamburg lijken Schönhubers woorden te bevestigen. De traditionele partijen incasseren een nooit geziene nederlaag. Grote winnaars zijn de Groenen en de pas opgerichte Statt-partij, een afsplitsing van de CDU. Maar verontrustend is dat de twee extreem rechtse partijen, DVU (2,8 procent) en REPS (4,8 procent) samen bijna 8 procent van de stemmen binnenhalen. Daarmee komen de REPS net niet over de kiesdrempel. In Hamburg, dat getroffen is door een grote werkloosheid en woningnood, stemt 16 procent van de arbeiders op extreem rechts.

Op de jaarlijkse bijeenkomst in Passau, begin oktober 1993, pleit Frey wel voor ‘eenheid van rechts’, in aanwezigheid van zijn buitenlandse gasten Vladimir Zjirinovski, Hubert Verhelst van het Vlaams Blok en de Nederlander Hans Janmaat, maar het is nog lang niet zover. Schönhuber blijft - voorlopig - samenwerking met de ‘handelaar in NS-devotieartikelen’ afwijzen. Hij lanceert op 30 oktober 1993 in Rastatt de campagne voor de Europese verkiezingen en tegen het Verdrag van Maastricht. Een optimistische Schönhuber voorspelt dat de REPS, die nu zo’n 23.000 leden tellen, zo’n 10 procent zullen scoren bij de komende Europese verkiezingen.

De CDU/CSU maakt zich zorgen over de competitie met extreem rechts en slaat en zalft tegelijkertijd, CSU-topman Max Steibl heeft een persoonlijk gesprek met Schönhuber dat natuurlijk uitlekt. En de nieuwe Beierse premier Edmund Stoiber geeft op 2 november 1993 een geruchtmakend vraaggesprek aan de Süddeutsche Zeitung. Zoals de REPS verzet Stoiber zich tegen een Europese bondsstaat, die hij beschouwt als een achterhaalde ‘poging tot ontvluchting van de eigen natie’. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Horst Waffenschmidt (CDU) ontdekt eind november 1993 plotseling dat er ‘aanwijzingen zijn dat de REPS ongrondwettige doelstellingen hebben.’ Ambtenaren die lid zijn van de REPS moeten er rekening mee houden dat zij kunnen worden ontslagen. Dit is geen prettig vooruitzicht vermits de REPS populair zijn in kringen van leger en politie. De voorzitter van de REPS in Noordrijn-Westfalen, Uwe Goller, is een adjudant van het Duitse leger en de REPS-functionaris Reinhard Willnow doceert geschiedenis en politiek aan de soldaten ' in Bremen.(276) Eén zaak is duidelijk: aan de vooravond van het superverkiezingsjaar 1994 willen CDU/CSU rechts-extreme stemmen binnen hun eigen kamp houden. Daarom verleggen ze ook hun koers steeds scherper naar rechts. Manfred Kanther, de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, schuwt gespierde taal over straffer asielbeleid en hardere criminaliteitsbestrijding niet. Wolfgang Schauble, Kohls ‘kroonprins’, zegt eind 1993 dat de ‘grenzen tussen interne en externe veiligheid steeds meer vervagen in een tijd van wereldwijde migratie.’ Daarom wil hij de grondwet zo wijzigen dat de Bundeswehr ook kan worden ingezet tegen ‘grote bedreigingen’ van de binnenlandse veiligheid.(277)

Dit alles versterkt de onenigheid binnen de REPS. Een deel wil graag samenwerken met de NPD, de DVU en de Duitse Liga. Een ander deel wil met ‘fatsoenlijk rechts’ in zee. Schönhuber spreekt al zijn gaven als danser van politieke pirouettes aan om een breuk te vermijden, maar hij kan het tij niet keren: eind 1993 is zowat de helft van de 136 gemeente- en districtsradenffacties uit elkaar gevallen en het aantal verkozenen geslonken van 402 tot 289.(278) Hoewel Schönhuber zijn best doet om afstand te nemen van het ‘onheilsvolle nationaal-socialisme’, kunnen neonazi’s doordringen tot hoge posities. Zo legt de politie beslag op wapens en nazi-propaganda van de NSDAP-ao in het appartement van de vice-voorzitter van de REPS in het kanton Herfort.

Nu de politieke positie van de REPS aan alle kanten afbrokkelt, bieden zich begin 1994 nieuwe kandidaten aan om het vacuüm te vullen. De twee voormalige REPS-Europarlementsleden Emil Schlee en Johanna Grund stichten ‘Aufbruch 1994’. Wolfgang Thüne, medewerker van het nieuwrechtse blad Criticon en van de Paneuropa-Unie, is een grote steun voor hen. Belangrijker is het initiatief van Manfred Brunner, oud-voorzitter van de liberale FDP in Beieren en voormalig rechterhand van Europees Commissaris Bangemann. Op 23 januari 1994 sticht hij de Bond van Vrije Burgers. Manfred Brunner is een felle tegenstander van het Verdrag van Maastricht en stapte er zelfs mee naar het Constitutionele Hof in Karlsruhe. Brunner schildert de Europa-politiek van de regering af als ‘vernietiging van het eigen volk’ en vindt het haast net zo erg als de holocaust. Op het partijprogramma staan verder: verbetering van de veiligheid, versterking van de politie en een strenger asielbeleid. Brunner tracht die nationalisten te verzamelen, die afgeschrikt worden door de bestaande extreem rechtse formaties. De vele ongelukkigen binnen de gevestigde partijen voor wie de REPS te onfatsoenlijk zijn, hebben nu ook een alternatief. De nieuwe partij telt zesendertig stichtende leden. Het gaat hoofdzakelijk om zakenlui en universitairen die zich graag tussen rechts en uiterst rechts bewegen. Ook bekende figuren van Nieuw Rechts zoals de Criticon-medewerkers Bruno Bandulet en Gunnar Sohn behoren tot de stichters.

De REPS zitten nu met een ernstige concurrent, ook al zegt Schönhuber luchthartig: ‘Twintig hoogleraren vormen nog geen partij.’ De REPS raken in het slop. De partij probeert al vijf jaar vruchteloos de Franz Schönhuber Stiftung op te richten die de vorming van de partijleden ter hand zou moeten nemen en recht zou hebben op overheidssteun. De socialistische regering van Noordrijn-Westfalen - Bonn is de beoogde vestigingsplaats - weet dat echter met juridische middelen te vermijden. Behalve in Junge Freiheit vinden de REPS nog maar weinig gehoor in de media. Hans Hirzel vergelijkt in Junge Freiheit de REPS zelfs met de vooroorlogse joden!(279) Ook electoraal gaat het bergafwaarts. Bij de verkiezingen in Nedersaksen op 13 maart 1994 en in Sleeswijk-Holstein, een week later, blijven de REPS steken op respectievelijk 3,7 en 0,5 procent. Schönhuber kiest voor de vlucht vooruit. Na de aanslag op de synagoge van Lübeck op 25 maart 1994, is Schönhuber er snel bij om Ignatz Bubis, voorzitter van de Centrale Raad voor de Joden, in een vraaggesprek voor de radio als ‘volksopruier’ te kwalificeren.(280) Dat leidt tot grote verontwaardiging bij de traditionele partijen. Toch blijft minister van Binnenlandse Zaken Manfred Kanther op eieren dansen. Bij de presentatie van het jaarverslag van de binnenlandse veiligheidsdienst op 14 april 1994 zegt Kanther dat er ‘onvoldoende aanwijzingen zijn om de REPS als geheel als extremistisch te omschrijven.’ Nochtans zijn radicalen meer dan ooit welkom in de kwakkelende partij. Zo treedt in Saksen de ex-NPD-landsvoorzitter Jürgen Schön toe tot de REPS. In Nedersaksen schopt ex-NPo’er Gerhard Wruck het tot vice-voorzitter.

Tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen, die op 12 juni 1994 moeten plaatsvinden, steunt Junge Freiheit zowel de REPS als Brunners ‘verruimingsoperatie’.(281) Brunner laat zich op zijn meetings in grote steden en op zijn aanplakbiljetten vergezellen door zijn  Jörg Haider, leider van de Oostenrijkse FPÖ. Dat levert hem nogal wat publiciteit op en zelfs applaus van Herbert Kremp, medewerker van de conservatieve Die Welt, maar jaagt ook meer gematigde leden en potentiële kiezers weg. De vroegere diplomaat Erwin Wickert keert Brunners Bond de rug toe. ‘Gelukkig verlaten de liberalen het schip,’ merkt Europa vorn op.(282) Brunner lijkt aanvankelijk op weg naar een aardig succes met een simpele advertentiecampagne. Zijn zwart-witte posters bevatten een boodschap die nauwelijks verschilt van die van de REPS: ‘Op 12 juni gaat het om de ecu tegen de D-mark!’ en ‘Voor een vrij en pluriform Europa’. Maar al spoedig blijkt dat de Bond van Vrije Burgers een partij zonder onderbouw en actieve aanhang is. De FAZ constateert op 27 april 1994: ‘De partij telt slechts enkele tientallen leden per regio, vooral in het zuiden.’ Brunner slaagt er slechts een enkele maal in een stapje in de richting van een daadwerkelijke ‘verruiming’ te zetten. De Nationalzeitung bericht geestdriftig over een geruchtmakende meeting die op 20 mei 1994 plaatsvindt in een hotel van het Beierse plaatsje Chiemsee. Aanwezig zijn Jörg Haider, Manfred Brunner en Peter Gauweiler, een prominent lid van de CSU en tot voor kort minister van Milieu in de regionale regering.(283) Haiders samenwerking met Brunner kadert in diens streven naar een soort nationaal-liberale Internationale met de FPÖ, de Bond van Brunner, de Liga Noord, de Freiheitlichen (een FPÖ-filiaal in Zuid-Tirol), de liberale partij van Tsjechië en de partij van Philippe de Villiers in Frankrijk. Het gaat om onvervalst nationalistische partijen, die een zwaar beroep op racisme doen zonder al te openlijk te flirten met dictatuur of fascisme. Vaststaat - en dat is voor West-Europa iets nieuws - dat dergelijke ‘gematigd’ extreem rechtse partijen forse weerklank vinden bij de kiezers. Hier zit blijkbaar een gat in de markt. In Italië heeft de MSI het goede voorbeeld gegeven.

Brunner ziet evenwel één zaak over het hoofd. In tegenstelling tot Silvio Berlusconi heeft Helmut Kohl extreem rechts niet nodig. De zakenelite steunt de CDU/CSU, omdat deze partijen voor financieel-economische stabiliteit zorgen en de Duitse concerns in staat stellen hun macht nog te vergroten. De machtige Westduitse banken (de Deutsche en de Dresdner bijvoorbeeld) en bedrijven (Siemens, Volkswagen) nemen in april-mei 1994 als het ware deel aan Kohls Europese verkiezingscampagne onder het motto: ‘Europa is politiek èn economisch goed voor Duitsland’. Kohl krijgt in dit verkiezingsjaar ook de kostbare steun van het Springer-concern, de uitgeverij Bertelsmann en de Beierse t.v.-tycoon Leo Kirch. Deze Duitse Berlusconi begeleidt via de commerciële zenders rtl en sati Kohls campagne met passende vriendelijkheid. Achter Kirch staat al sinds jaren de miljardair Otto Beisheim, die reeds op jeugdige leeftijd actief was in de SS Leibstandarte Adolf Hitler. Nu is hij (mede)eigenaar van de internationale warenhuisketen Makro. Kohl slaagt er nog steeds in de Europese gedachte levend te houden met rechtse binnenlandse thema’s, die zich lenen voor een Europese aanpak. Hij heeft het over de ‘interne veiligheid’ in Europa, over een Europese politie, over een gemeenschappelijke aanpak van de georganiseerde misdaad en de illegale immigranten. Zo speelt hij extreem rechts van het terrein.

Het ontbindingsproces van de REPS zet zich in versneld tempo door. Mokkende opposanten lijken eindelijk hun ontzag voor Schönhuber te hebben verloren. Vlak voor de Europese verkiezingen verlaten politiek secretaris Marianne Rosenberger en partijmanager Udo Bosch het zinkende schip. Plots wordt de vuile was buitengedragen: partijleden waren betrokken bij brandaanslagen op asielpensions, Schönhuber zelf was hiervan op de hoogte, het toch al zo geringe democratische gehalte van de partij is geheel verdwenen, Schönhuber gedraagt zich als een Führer, hij alleen schrijft haast het hele partijblad vol, alleen Schönhuber en de penningmeester Claus-Dieter Pahl weten waar het geld heen gaat, de partijvoorzitter rijdt rond met een gepantserde bmw van 350.000 mark, enzovoort. Deze ontboezemingen bevestigen wat iedereen al jaren wist: de REPS hebben niets van doen met een democratische partij. Kort voor de Europese verkiezingen onderstreept het REPS-parlementslid Rudolf Krause dit nogmaals door zich in Argentië te onderhouden met Wilfred von Oven, een naaste medewerker van Goebbels.(284) De partij zakt weg. De jeugdorganisatie ‘De Republikeinse Jeugd’ die in haar pamfletten opkomt voor het ‘herstel van het Rijk van de Maas tot de Memel’, is een groot fiasco. Ze telt hooguit enkele tientallen actieve leden. In Junge Freiheit roept Rolf Schlierer bezwerend om een ‘nieuwe politieke stijl’. Schlierer heeft goede banden met Junge Freiheit. Hij is een van de sprekers op de zomeruniversiteit in 1994 samen met Haiders ideoloog Andreas Mölzer.

In die omstandigheden wordt de REPS-campagne tegen Europa door weinigen serieus genomen. Toch scoren de REPS nog 3,9 procent (1.389.060 stemmen). Minder goed vergaat het de andere partijen. Brunners Bond (1,1 procent - 384.687 stemmen) deelt het treurige lot van de NPD (0,2 procent - 77.070 stemmen). Als het aan Neubauer ligt, is Schönhuber bezig aan zijn laatste politieke dagen. ‘Einde van de one-man-show van een politieke clown,’ schrijft hij schamper in Nation Europa.(285) De CDU/CSU (38,8 procent) is de grote overwinnaar. Woordvoerders van de grote partijen concluderen dat de opmars van extreem rechts achter de rug is en dat links veel eerder een bedreiging is. Ze vinden het resultaat van de Partij van het Democratisch socialisme (PDS) (4,7 procent) ‘angstaanjagend’. De PDS is met ongeveer 20 procent van de stemmen een niet meer weg te cijferen politieke stroming in de voormalige DDR. Veel aanhangers telt de PDS onder het leger van de gewone werklozen. Zij zijn hun baan kwijtgeraakt door de ingrijpende economische sanering die de afgelopen vier jaar 2,5 miljoen arbeidsplaatsen heeft gekost.

De groeiende populariteit van de PDS veroorzaakt lichte paniek bij de regering-Kohl. Vlak voor de zomervakantie van 1994 vormen de sociaal-democraten en Groenen in Saksen-Anhalt een coalitieregering, die stilzwijgend wordt gedoogd door de PDS. Helmut Kohl noemt deze samenwerking ‘een breuk met de democratische traditie’. Onmiddellijk laat Kohls CDU het land volplakken met affiches, waarop een rode sok aan de waslijn hangt. De tekst: ‘Samen de toekomst in, maar niet op rode sokken’. Kohls nog rechtsere zusterpartij, de Beierse CSU, overtreft zichzelf door voor de allereerste keer in haar geschiedenis een CSU-affiche te plakken met de kop van Karl Marx erop. Het dreigende onderschrift meldt: ‘Ik kom terug!’ Met scherpe aanvallen op ‘het linkse volksfront dat de nationale eenheid bedreigt’, tracht Kohl de Duitse kiezers te winnen, de conservatieve rijen stevig te sluiten en de linkerzijde te verzwakken. Wie bij de komende Bondsdagverkiezingen op de SPD stemt, stemt op de ‘neo-communisten’ van de PDS en dat zijn ‘roodgeverfde fascisten’.

Ook de REPS en de DVU proberen op de valreep in te haken op de rode-sokkencampagne. Schönhuber staat in de zomer van 1994 met de rug tegen de muur. Alle zekerheden en mooie vooruitzichten zijn hem door de vingers geglipt. Eind augustus 1994 gaat hij onverwacht in conclaaf met de gerespecteerde neonazi Frey. Ze geven een verklaring uit waarin ze hun leden aanraden de onderlinge ruzies te stoppen en een gezamenlijke ‘verdèdigingskracht’ te vormen tegen ‘het linkse volksfront’. De DVU zal geen lijst voor de parlementsverkiezingen indienen en zal dus zijn aanhangers vragen op de REPS te stemmen. Door zijn tactische koerswijziging verliest Schönhuber voorgoed zijn zorgvuldig opgebouwde geloofwaardigheid. Zijn ‘democratische’ uitspraken waren niet meer dan een sluwe kansberekening. Schönhuber heeft zichzelf ontmaskerd als een talentvolle opportunist die zich tijdelijk ontdeed van impopulaire, historisch beladen symbolen, zonder dat hij echter in feite iets veranderde aan zijn geloofsovertuiging.

De Nationalzeitung zingt de lof van Schönhuber: ‘Niemand in de REPS kan met hem wedijveren in prestige, uitstraling en aantrekkingskracht.’ Maar de samenwerking tussen Frey en Schönhuber wekt bitter weinig enthousiasme. Bij de verkiezingen voor de parlementen van de Oostduitse deelstaten Saksen en Brandenburg op 12 september 1994 halen de REPS niet meer dan één procent. De PDS klimt in Saksen tot 16,5 en in Brandenburg tot 18,7 procent. De bitterste nederlaag lijden de REPS op 25 september 1994 in hun ‘stamland’ Beieren, waar ze traditioneel over de grootste aanhang beschikken. Hoewel niet minder dan zestien beroepssoldaten en politieambtenaren op de REPS-lijst prijken, behaalt de partij van Schönhuber slechts 3,9 procent. De grote overwinnaar is de CSU met 52,8 procent.

Dat gaat de partijbestuurders Rolf Schlierer, Christian Kas en Alexander Hausmann, net iets te ver. Ze zijn het er nu wel over eens dat de alliantie Frey-Schönhuber zowel bij de Bondsdagverkiezingen op 16 oktober 1994 als daarna weinig zal bereiken. Op 1 oktober 1994 besluit het partijbestuur unaniem Franz Schönhuber uit al zijn functies te zetten omdat hij gebroken zou hebben met het partijcredo om geen coalities aan te gaan met neonazi’s. ‘Wij willen niets met ultranationalisten te maken hebben,’ aldus vice-voorzitter Christian Kas. Schönhuber spreekt van een ‘illegale coup’. Frey opent het tegenvuur op de ‘politieke kleuters en intriganten’ en suggereert dat ze zich laten manipuleren door de joodse lobby. De verdeeldheid blijft woekeren. Wolfgang Hüttl, hoofd van de Beierse afdeling, verzet zich tegen het ontslag. Als gevolg van deze heftige interne discussies komen de REPS bij de Bondsdagverkiezingen op 16 oktober 1994 niet verder dan 1,9 procent (875.175 stemmen). De regeringscoalitie van christen-democraten (CDU/CSU) en liberalen (FDP) houdt in de nieuwe Bondsdag een meerderheid van tien zetels over. Toch lijdt de FDP van Klaus Kinkel een zware nederlaag. De FDP verspeelt bijna 5 van de 11 procent die de partij in 1990 kreeg. Haar aanwezigheid in de Bondsdag dankt ze aan het feit dat een aantal CDU-kiezers zo vriendelijk was hun ‘tweede’ stem aan de liberalen te geven.

Na zoveel verloren verkiezingen breekt in de FDP een revolte uit. Ineens formeert zich een groep Nieuw Rechts onder leiding van Rainer Zitelmann en de voormalige procureur-generaal Von Stahl. In november 1994 publiceren ze een manifest, waarin ze partijleider Klaus Kinkel oproepen de wankelende FDP een stuk rechts van de CDU/CSU te positioneren. Het leidt tot spontaan applaus bij Junge Freiheit, dat kennelijk voorlopig weinig heil verwacht van de hopeloos versnipperde extreem rechtse partijen. Ook Rolf Schlierer zoekt aansluiting bij de nieuwrechtse FDP-vleugel. ‘Wij zullen de nationaal-liberalen verzamelen,’ voorspelt hij optimistisch in Junge Freiheit.(286)

Op het partijcongres, dat op 17 december 1994 in Sindelfingen plaatsvindt, kiezen de REPS Rolf Schlierer tot nieuwe voorzitter. Schlierer krijgt 335 van de 595 stemmen. De kandidaat van de ‘eenheid en continuïteit’, Rudolf Krause, krijgt 224 stemmen. Schlierer, die in zijn kring als een aanhanger van Nieuw Rechts geldt, stelt de REPS de Oostenrijkse partij van Haider tot voorbeeld. Hij wil de nadruk leggen op het thema van de binnenlandse veiligheid. ‘Wij zijn voor een sterke staat omdat wij geen sterke man willen,’ aldus Schlierer. Schonhüber waarschuwt tegen een verschuiving naar een ‘centrumpolitiek’. ‘We kunnen alleen politiek overleven als we een radicale oppositie voeren en ons oriënteren op de sociaal zwakkeren,’ zegt hij. Schönhuber omschrijft zichzelf als een volgeling van de gebroeders Strasser, die de zogeheten ‘linkse, antikapitalistische’ vleugel binnen het nationaal-socialisme vertegenwoordigden. Hij veegt de vloer aan met de nieuwrechtse intellectuelen van Junge Freiheit, ‘die rijkeluiszoontjes’ die de REPS beschimpen als een proletenpartij. Schönhuber wenst niet dat de REPS een aanhangsel van de gevestigde partijen worden. ‘Ze zullen ons niet als partner accepteren,’ zegt hij. ‘Ik ben geen bedelaar. Ik kniel niet voor Manfred Kanther en consoorten. Je mag het Ave Maria zingen en ze zullen het Horst Wessellied horen. Je mag knielen en ze zullen eisen dat je plat op je buik gaat liggen.’

Wolfgang Hüttl, voorzitter van de REPS in Beieren, verlaat de partij na het congres en richt Die Freiheitlichen Augsburg op. Hij wordt opgevolgd door Alexander Hausmann, een Beierse vermogensadviseur met CSU-verleden. De belangrijkste regionale leiders blijven voorlopig de partij trouw: Rudolf Krause in Saksen-Anhalt, Werner Muller in Berlijn en Kas Christian in Baden-Württemberg. De basis reageert evenwel ontredderd en vele gewone leden stappen op. Bovendien kampen de REPS met financiële moeilijkheden, al beweert penningmeester Klaus-Dieter Pahl dat er nog 1,4 miljoen mark in de partijkas zit. Vanaf begin 1995 verschijnt de partijkrant nog maar tweemaandelijks op vier bladzijden.

De deelstaatverkiezingen in Hessen op 19 februari 1995 bevestigen de achteruitgang. De REPS behalen 2 procent, wat nog altijd eervol is vergeleken met de score van Brunners Bond (0,3 procent). Brunner spreekt zich nu uit voor een nieuwe ultrarechtse eenheidspartij die ook onderdak moet bieden aan de DSU (zusterpartij van de CSU in de voormalige DDR), de rechtervleugel van de liberale FDP en Aufbrüch 1994.(287) Brunner zelf schuift nog verder op naar rechts en vaart nu blind op het kompas van zijn lichtend voorbeeld Jörg Haider. Twee bestuursleden, de professoren Karl Schachtsneider en Joachim Starbatty, verlaten om die reden de Bond van Vrije Burgers. Op het partijcongres begin februari 1995 in Kassei, besluit Brunner de naam van zijn partij uit te breiden met ‘Die Freiheitlichen’ om de lotsverbondenheid met Haider duidelijk te maken. DSU-voorzitter Roberto Pink is op het congres aanwezig.

Nu de REPS aan kracht verliezen, staan de regeringspartijen opeens een hardere lijn voor. Op 3 april 1995 meldt de minister van Binnenlandse Zaken van Beieren, Günther Beckstein (CSU), dat de REPS ‘rechts-extremistisch’ zijn. Alle deelstaten vinden nu permanente observatie door de regionale veiligheidsdienst gerechtvaardigd. Ambtenaren die partijlid zijn, moeten er rekening mee houden dat ze kunnen worden ontslagen. Dit is het sein voor Klaus Zeitler en de legerofficier en partijvoorzitter in Noordrijn-Westfalen, Uwe Goller, om de REPS vaarwel te zeggen. Het is opvallend dat Beckstein tegelijkertijd waarschuwt voor ‘criminalisering’ van Nieuw Rechts. Hij geeft daarmee rugdekking aan zijn partijgenoot Alfred Dregger die van plan is deel te nemen aan een alternatieve herdenking van 8 mei 1945 waarop ook Ernst Nolte, Heimo Schwilk, Rainer Zitelmann en Manfred Brunner als sprekers op het programma staan. Onder druk van de publieke opinie gaat de manifestatie uiteindelijk niet door.

Op 13 mei 1995 houden de REPS van Baden-Württemberg hun regionaal partijcongres in Stuttgart. Baden-Württemberg is het thuisland van de huidige REPS-leiders Christian Kas en Rolf Schlierer. De REPS tellen nog zo’n tweeduizend leden in deze deelstaat en zitten er met vijftien leden in het regionale parlement. De congresgangers beseffen dat het lot van Rolf Schlierer en van de zogenaamde partijvernieuwing afhangt van de verkiezingen die begin 1996 in hun deelstaat plaatsvinden. Indien de REPS dan onder de kiesdrempel van vijf procent blijven, zal ' Schlierers positie als partijleider spoedig in het gedrang komen. Schlierer beweert in Stuttgart dat de toestand van de partij zich stabiliseert. Dat wordt echter tegengesproken door de resultaten die de REPS boeken bij de verkiezingen op 14 mei 1995 in Noordrijn-Westfalen (0,8 procent) en Bremen (0,27 procent).

Ook de liberale FDP krijgt opnieuw electorale klappen te verduren. Sinds 18 mei 1995 is Klaus Kinkel partijvoorziter af. De nieuwe voorzitter Wolfgang Gerhardt moet de FDP er weer bovenop helpen. De nieuwrechtse vleugel rond Von Stahl/Zitelmann lijkt steeds meer aantrekkingskracht uit te oefenen op allerlei rechtse radicalen. Hans Ulrich Pieper, een voormalige NPÜ’er, en het voormalige REPS-Europarlementslid Klaus-Peter Kohier vervoegen zich bij de liberale partij. Na de rampzalige electorale scores van extreem rechts vluchten sommige radicalen klaarblijkelijk naar de grote rechtse regeringspartijen. Daar manifesteren zich intern nationalistische fracties die verlekkerd kijken naar het succes van de Oostenrijker Haider. Extern komt daar nog de steun bij van Junge Freiheit, van Brunners Bond van Vrije Burgers, Aufbruch 94, en van de vleugel-Schlierer.

Op hetzelfde ogenblik stelt Franz Schönhuber zich aan het hoofd van een groep prominente figuren die streven naar een samengaan van REPS, DVU, NPD en de Duitse Liga voor Volk en Vaderland. Schönhuber gaat ervanuit dat er tussen de verschillende partijen geen noemenswaardige politieke verschillen bestaan en dat de partijleiders vanwege persoonlijke vetes tegenover elkaar staan. Inmiddels blijft hij zelf een factor van betekenis in de REPS, met name in Oost-Duitsland, waar de afdelingen van Saksen en Thüringen (DDR) hem tot ‘erevoorzitter’ hebben gekozen. Volgens Schönhuber moet er dringend iets gebeuren om de machteloosheid van extreem rechts te doorbreken. Hij ‘betreurt’ dat hij in 1990 Harald Neubauer en diens medestanders van de Duitse Liga uit de partij heeft gezet en kwalificeert de neonazi-bladen van Frey nu als ‘waardevol’. ‘Politieke striptease’ om aan het toezicht van de veiligheidsdiensten te ontsnappen acht hij zinloos. De observaties en aanvallen van de laatste tijd hebben hem nog in die overtuiging gesterkt. Hij heeft van de weeromstuit de behoefte om zich duidelijker als rechts extremist te manifesteren. De voormalige onderofficier van de Waffen-SS schaamt zich niet meer dit ‘keurkorps’ ten voorbeeld te stellen. Erger nog, hij loopt nu opeens over van begrip voor de neonazistische jongeren, die ‘op zoek zijn naar de blauwe bloemen van de romantiek.’

Extreem rechts is nog nooit zo versnipperd geweest als nu. Of Schönhuber de juiste man is om de eenheid tot stand te brengen, moeten we afwachten. De REPS stonden vaker aan de rand van het graf. Wellicht volgt ook nu na regen zonneschijn, hoewel de tekenen niet wijzen op een spoedig herstel. Sommige leidende kringen hebben de REPS altijd een beetje in de koelkast gehouden voor slechte tijden en nu doen ze haar kennelijk in de uitverkoop. Maar van uitverkoop van het extreem rechtse gedachtengoed is daarom nog geen sprake.

OOSTENRIJK - Inhoud

Het model-Haider - Inhoud

Op 12 februari 1934 beschieten zeventienduizend militairen en leden van fascistische strijdorganisaties socialistische arbeiderswoningen in Wenen met artillerie. Hierbij vallen zo’n duizend doden. Met deze actie maakt bondskanselier Engelbert Dollfuss een eind aan de politieke vrijheid. Hierna zetten de klerikale conservatieven een eigen versie van het fascisme op. Het zogeheten ‘Austrofascisme’ beoogt van Oostenrijk een corporatieve staat te maken. Met de Anschluss op 11 maart 1938 maakt Hitler korte metten met de Oostenrijkse zelfstandigheid. Het Alpenland laat zich enthousiast inlijven door het Derde Rijk. Bij de volksstemming op 10 april 1938 schaart 99,3 procent zich achter Hitler. De Oostenrijkse NSDAP heeft veel toeloop en telt op haar hoogtepunt zo’n 700.000 leden. Tijdens de oorlog . worden zo’n 35.000 verzetslieden en 65.000 joden door de nazi’s omgebracht.

Van meet af aan pakken de geallieerden Oostenrijk vol begrip aan. Al in oktober 1943 verklaren ze Oostenrijk tot ‘het eerste slachtoffer van de nazi-agressie’. Het is de vraag of ze het land daarmee een dienst bewijzen. Na de bevrijding wordt het merendeel van het half miljoen oud-nazi’s met rust gelaten. Oostenrijkse historici spreken over een omgekeerde Wiedergutmachung. Zo krijgt Kurt Waldheim, de latere secretaris-generaal van de vn, in november 1946 officieel bericht dat hij vrijuit gaat voor zijn activiteiten als verbindingsofficier bij de Duitse Wehrmacht.

Waldheim was een naaste medewerker van generaal Alexander Löhr, die ernstige oorlogsmisdaden in Joegoslavië beging. Vanaf 1949 krijgen de ex-nazi’s hun burgerrechten en stemrecht terug. Sommigen sluiten aan bij de twee grote partijen, de christen-democratische ÖVP en de socialistische SPÖ, anderen vinden politiek onderdak in het extreem rechtse Verband der Unabhangigen (VDU).

In 1955 verlaten de geallieerden Oostenrijk. Voor extreem rechts verandert nu het interpretatiekader van de eigen geschiedenis en het legt nog uitsluitend de nadruk op de ‘onrechtvaardige zuiveringen’. Een ander gevolg van de verkregen vrijheid is de opbloei van oud-strijdersverenigingen en daarmee een onverbloemde verheerlijking van de ‘oude waarden’. In dit klimaat groeit in 1956 uit het VDU de Freiheitliche Partei Österreichs (FPÖ). De voornaamste stichters zijn de voormalige SS-officieren Anton Reinthaller en Friedrich Peter. Deze laatste tracht de partij uit het politiek isolement te halen. Op het partijcongres in 1964 verklaart hij dat ‘nationalen en liberalen in de partij thuishoren.’ Als reactie sticht Norbert Burger in 1966 de nazistische Nationaldemokratische Partei (NDP).

Jörg Haider, in 1950 geboren, komt haast vanzelfsprekend bij de FPÖ terecht. Zijn vader, een voormalig nazi-jeugdleider in Ober-Donau, en moeder, ex-Bannmadchenführerin, voeden hem in een Duits-nationale traditie op. Jörg heeft al heel jong krasse uitspraken op zijn naam staan. Op zijn zestiende wint hij een speechwedstrijd met zijn rede: ‘Zijn wij Oostenrijkers Duitsers?’ Hij beantwoordt die vraag met een volmondig ‘ja’. De tekst wordt afgedrukt in de Duitse neonazistische Nationalzeitung. In 1968 wordt Haider leider van de FPÖ-jongeren in Opper-Oostenrijk. Daarna gaat hij rechten studeren in Wenen, waar hij van 1970 tot 1974 de leiding heeft van de FPÖ-studentenbond. In 1975 trekt Haider op verzoek van Mario Ferrari-Brunnenfeld naar Karinthië, waar hij partijsecretaris wordt. Hij erft er van een familievriend het Barental, een enorm stuk land dat ongeveer vijfhonderd miljoen Belgische frank waard is en waar hout geproduceerd wordt. De familievriend had het tijdens het Derde Rijk voor een zacht prijsje verworven als gevolg van de ‘arisering’ van joodse eigendom. Het liefelijke Karinthië is een broeinest van ex-nazi’s. Haider beweegt zich in Duits-nationale kringen rond het FPÖ-parlementslid Otto Scrinzi, een voormalig SA-Sturmführer. Scrinzi kan geen maat houden. Zo weigert hij de grote dichter Heinrich Heine als Duitser te erkennnen omdat Heine van joodse komaf is. In 1978 ondertekent hij een oproep van de Nationalzeitung waarin een algemene amnestie voor nazi-oorlogsmisdadigers geëist wordt.

Haider maakt snel carrière. In 1979 wordt hij Oostenrijks jongste parlementslid in Wenen. Tot zijn ongenoegen benoemt het partijcongres in 1980 de liberaal Norbert Steger tot nieuwe voorzitter. Steger loodst de FPÖ in de Liberale Internationale en in 1983 vormt de socialistische premier Bruno Kreisky een coalitieregering met de FPÖ, die drie ministers en drie staatssecretarissen krijgt. Op dat moment is Haider hoofdredacteur van Kartner Nachrichten. Het Karinthische partijblad heeft een kwalijke reputatie en aarzelt niet Hitlers rechterhand Rudolf Hess te betitelen als een van de edelste politieke figuren van Duitsland. In het blad neemt Haider de liberale koers van Steger scherp op de korrel. Nationaal valt Haider pas echt op bij de affaire Reder in 1985. De voormalige SS-Hauptsturmführer Walter Reder is in Italië tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens zijn rol bij de moord op honderden Italiaanse burgers. De nieuwe Oostenrijkse regering beijvert zich in Rome met succes voor zijn vrijlating. In Wenen wordt Reder bij aankomst afgehaald door de FPÖ-minister van Defensie Friedhelm Frischenschlager. Een storm van kritiek barst los en Frischenschlager verontschuldigt zich ten slotte voor zijn misstap. Ten onrechte, schrijft Haider in de Kartner Nachrichten, want ‘Walter Reder deed zijn plicht, zoals zijn soldateneed hem gebood. Het lot van Walter Reder had al onze vaders kunnen treffen.’

De FPÖ verzeilt in een diepe crisis. De aanhang slinkt tot bijna 3 procent van de stemmen en de tegenstellingen tussen de ‘liberale’ en de ‘Duits-nationale vleugel’ nemen toe. Otto Scrinzi neemt buiten de FPÖ om deel aan de presidentsverkiezingen in 1986. Hij behaalt 1,2 procent van de stemmen, terwijl Kurt Waldheim met gemak tot president wordt verkozen.

De Duits-nationale vleugel neemt op 14 september 1986 in Innsbruck de macht over. Haider krijgt op het partijcongres 59,5 procent van de stemmen. De verslagen Norbert Steger wordt als ‘jood’ met vergassing bedreigd. Zelfverzekerd verguist de nieuwe partijleider in zijn overwinningsrede de ‘oude partijen’, die Oostenrijk in politieke machtsblokken zouden hebben opgedeeld. De vakbonden, de scholen, alles is volgens Haider verdeeld tussen ‘de roden’ (socialisten) en ‘de zwarten’ (conservatieven). Haider wil deze oude orde vernietigen. Hij haalt ook scherp uit naar de ‘nestbevuilers’, die de oorlogsgeneraties in zijn ogen bekladden. In het bijzonder hekelt hij Thomas Bernhard, schrijver van ‘Heldenplatz’, die in zijn testament heeft bepaald dat er geen nieuwe opvoeringen van zijn stukken in Oostenrijk mogen plaatsvinden.

Na het aantreden van Haider beëindigen de socialisten de samenwerking met de FPÖ en herstellen de coalitie met de katholieke ÖVP. De nieuwe FPÖ-chef profileert zich onmiddellijk als een politicus, die geregeld bewust de politieke cliënteel van ex-nazi’s bedient. Op Allerheiligen 1986 legt Haider een bloemenkrans neer voor ‘de gesneuvelden van de twee wereldoorlogen die moedig hun leven offerden voor de vrijheid van hun Heimat.’ Hij snijdt een thema aan dat hem na aan het hart ligt: de oorlogsgeneratie is collectief onschuldig. ‘Het is aan haar te danken dat na 1945 een welvarend Oostenrijk uit de oorlogsruïnes kon worden opgebouwd,’ aldus Haider. ‘Het is onaanvaardbaar dat onze vaders en grootvaders als misdadigers worden behandeld.

Ik sta aan hun kant.’(288) Haider schuwt de contacten met extremisten niet. Op 4 juli 1987 heeft hij een geheime ontmoeting met Otto Scrinzi en Norbert Burger om over samenwerking te praten. Belangrijker nog is zijn samenwerking met Andreas Mölzer, een medewerker van Aula, het gezaghebbende neofascistische blad, dat als spreekbuis fungeert voor het Grootduitse nationalisme. Mölzer spreekt van één Duitse natie die reikt van ‘Hermannstadt tot Eupen en van Bozen tot Memel’. Haider benoemt hem tot hoofdredacteur van de Kartner Nachrichten. Ook Jürgen Hatzenbichler, afkomstig uit de neonazi-kringen rond Gerd Honsik, treedt toe tot de redactie. Haider zelf voelt zich lid van de ‘Duitse volks- en cultuurgemeenschap’. In de zomer van het gedenkjaar 1988 - vijftig jaar Anschluss - noemt hij in navolging van Hitler de Oostenrijkse natie een ‘misgeboorte’.

Dit soort uiterst omstreden uitspraken heeft geen negatief effect op Haiders verkiezingsresultaten. Hij haalt vooral stemmen binnen met een frontale aanval op de ‘Altparteien’ en met het thema van het ‘vreemdelingenprobleem’. Op 12 maart 1989 realiseert de. FPÖ een doorbraak in Karinthië. De partij vergaart er 29 procent van de stemmen en krijgt elf zetels in het parlement van deze zuidelijke deelstaat. In Salzburg en Tirol behaalt de FPÖ respectievelijk 16,4 (zes zetels) en 15,6 procent (vijf zetels). Haider is meteen meer dan een ‘verschijnsel’. Met de steun' van de ÖVP wordt hij premier van de deelstaat en leider van een coalitie ÖVP-FPÖ. In één klap krijgt de FPÖ meer dan een schijn van respectabiliteit. Met deze samenwerking snijdt de katholieke ÖVP zichzelf de hals af. Iets waarin deze conservatieve partij een groot meesterschap bereikt. Bij de parlementsverkiezingen op 8 oktober 1990 verliest de ÖVP meer dan 9 procent. De grote winnaar is de FPÖ met 16,6 procent (plus 6,87 procent, 780.000 stemmen). De FPÖ bezet daarmee drieëndertig zetels in het nationale parlement.

Aan het begin van de jaren negentig ontstaat een kritische reflectie op de oorlogsjaren. De socialistische bondskanselier Franz Vranitzky doorbreekt voor het eerst het stilzwijgen over het Oostenrijkse aandeel aan de nazi-misdaden. De katholieke minister Erhard Busek betuigt tijdens een herdenkingsplechtigheid in het voormalige concentratiekamp Mauthausen spijt tegenover het Poolse volk. Haider ergert zich aan deze schuldbekentenissen. Voor hem dreigt Oostenrijk alweer slachtoffer te worden. Op 13 juni 1991 veroorzaakt de FPÖ-leider een storm van politieke opwinding door tijdens een debat in het Karinthische parlement Hitlers werkgelegenheidsbeleid te prijzen. De volgende dag preciseert hij zonder een zweem van berouw: ‘Wie goed heeft geluisterd, weet wat ik bedoel. Ik wens dat we bij de hervorming van het sociale stelsel ervoor zorgen dat niet de ijverigen moeten betalen voor de klaplopers.’ Zijn persoonlijk adviseur Andreas Mölzer, die zich bezighoudt met de ideologische vorming van het partijkader, doet er een schepje bovenop. In het Duitse neonazi-blad Staatsbriefe, dat zijn kolommen ook opent voor de beruchte Michael Kühnen, noemt Mölzer de economische en sociale politiek van de nazi’s succesvol en fatsoenlijk.(289)

Als gevolg van de bloedige oorlog in Joegoslavië krijgt Oostenrijk af te rekenen met een aanzienlijke stroom vluchtelingen. Midden 1991 verblijven er zo’n honderdduizend Joegoslaven in Wenen. De FPÖ heeft een snelle oplossing: een algehele immigratiestop. Haider klaagt de openbare t.v. aan omdat deze kritiek uit op zijn xenophobe campagne. ‘De orf maakt zich schuldig aan rode terreur,’ aldus de FPÖ-leider. De ÖVP kan enige imitatie niet ontzegd worden in de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen in Wenen. ‘Wenen voor de Weners’, is het motto van de ÖVP. Het mag niet baten. Op 10 november 1991 zakt de ÖVP tot een magere 18 procent. De SPÖ zakt ruim 7 procent terug, maar behoudt nipt een absolute meerderheid in de Weense gemeenteraad. De FPÖ komt als tweede grootste partij uit de bus en springt van 8,9 op 22,7 procent, goed voor drieëntwintig zetels. In de rode arbeidersbuurten snoept de FPÖ 40.000 stemmen van de socialisten af.

De permanente agitatie van de FPÖ moedigt de neonazi’s aan. In het algemeen worden ze vrij zacht aangepakt door politie en justitie. Als schokkend voorbeeld daarvan geldt Gerd Honsik, voorzitter van de Auslander Halt-Bewegung en auteur van het al in 1988 verboden boek Vrijspraak voor Hitler? Hij is eind 1991 nog altijd niet berecht, hoewel er al bijna vier jaar een aanklacht tegen hem loopt. De Weense rechtbank heeft een historicus opdracht gegeven een ‘expertise’ te maken over het bestaan van concentratiekampen. Naar aanleiding van een aantal aanslagen arresteert de politie eind 1991 Gottfried Küssel, de voorman van de Volksgetrouwe Buitenparlementaire Oppositie (vapo), een gevaarlijke paramilitaire organisatie. Het is duidelijk dat Haider niet gediend is van enige identificatie van zijn FPÖ met dergelijke neonazi’s. Hij ontkent dan ook stellig elke mogelijke verwantschap, maar dat neemt niet weg dat sommige FPÖ’ers, onder meer via Andreas Mölzers blad Aula, dubieuze relaties met neonazi’s onderhouden.

Begin maart 1992 toont Mölzer zich bezorgd over de aantasting van de eigen ‘volkssubstantie’. In een toespraak te Salzburg bedenkt de chef-ideoloog van de FPÖ de term ‘Umvolkung’ voor het ‘anti-Germaanse racisme’ dat volgens hem achter het toelaten van te veel buitenlanders zit. Haider neemt Mölzer in bescherming. ‘Een getuigenis voor de eigen volksaard kan geen schande zijn en mag ook niet verboden worden,’ betoogt hij.(290) Minder applaus oogst hij daarmee bij de liberale minderheid in de partij. Jörg Mauntner Markhof, wiens joodse overgrootvader het bekendste familieconcern van Oostenrijk stichtte, treedt uit het hoofdbestuur en geeft zijn parlementszetel op. Ook de fractieleider in het nationale parlement Norbert Gugerbauer treedt terug. Zo wordt een van de laatste haarden van liberale oppositie uitgeschakeld. Haiders autoritaire stijl wordt door de partijleden niet afgestraft. Op 3 maart 1992 herkiezen ze hem met 85,8 procent als partijleider.(291) De FPÖ-voorzitter behoort nog tot de deelstaatregering van Karinthië, maar hij verruilt nu zijn functie voor die van PPÖ-fractieleider in het nationale parlement.

Graaf Otto Lambsdorff, leider van de Duitse liberale FDP, weet voorlopig te voorkomen dat de FPÖ uit de Liberale Internationale gestoten wordt. Haider maakt zelfs een tournee door Duitsland. Verschillende lokale en regionale afdelingen van de FDP nodigen hem in september en oktober 1992 uit als spreker.(292) Terwijl in Duitsland de straatterreur tegen asielzoekers volop woedt, onderhoudt de FPÖ’er zijn liberaal gehoor over het feit dat de Duitsers op weg zijn ‘vreemdelingen in eigen land te worden’. Haider blijft de vreemdelingenangst maximaal uitbuiten. Onder zijn impuls neemt de Oostenrijkse regering een nieuwe restrictieve asielwet aan, die op 1 juni 1992 van kracht wordt. Als vluchtelingen op doorreis in een ‘veilig land’ hebben vertoefd, vervalt hun aanspraak op asiel. Ze worden dan meteen aan de grens gearresteerd en na een spoedprocedure teruggestuurd.

Af en toe kan Haider enige nostalgie naar het minst roemrijke deel van Oostenrijks verleden niet onderdrukken. Begin september 1992 ontstaat grote deining omdat veteranen van de Waffen-SS een reünie in Graz plannen. Tot de leden van het aanbevelingscomité behoort ook generaal Silvester Stadler, de Oostenrijkse commandant van een Duits regiment dat op 10 mei 1944 een bloedbad aanrichtte onder de burgers van Oradour-sur-Glane in het zuidwesten van Frankrijk. De socialistische minister van Binnenlandse Zaken stelt een onderzoek in naar de inrichters van de bijeenkomst, verenigd in de organisatie Kameradschaft IV, waarvan heel wat oorlogsmisdadigers deel uitmaken. Haider laat het niet over zijn kant gaan. Hij bestempelt de leden van de Waffen-SS als ‘eerzame’ oorlogsveteranen die niet ‘gecriminaliseerd’ mogen worden.

De Freiheitlichen - Inhoud

Begin 1993 organiseert de FPÖ een volkspetitie over haar twaalf-puntenprogramma ‘Oostenrijk eerst’. De petitie is een poging om alle problemen waarmee de maatschappij kampt tot onderdelen van het buitenlandervraagstuk te maken. De belangrijkste punten van de petitie luiden: de opneming in de grondwet dat Oostenrijk geen immigratieland is; een immigratiestop zolang er woningnood is en de werkloosheid hoger ligt dan 5 procent; een identificatieplicht voor buitenlanders op hun werk; meer vreemdelingenpolitie; geen stemrecht voor buitenlanders; harde maatregelen tegen illegalen en tegen misbruik van sociale voorzieningen; de onmiddellijke uitwijzing van ‘criminelen’ en een beperking van het aantal buitenlandse kinderen in de schoolklassen. De petitie wordt juichend gesteund door het immer gedienstige boulevardblad Kronenzeitung (oplage één miljoen), het neofascistische tijdschrift Aula en tal van neonazi-groepjes. Haiders zoveelste ruk naar rechts leidt tot de uittocht van de laatste liberale aanhangers. Vice-voorzitster Heide Schmidt en vier FPÖ-parlementsleden stappen uit de partij en richten het Liberale Forum op. Er ontwikkelt zich een effectieve tegencampagne van politieke partijen en maatschappelijke organisaties onder de leuze ‘fatsoen eerst’. Op initiatief van ‘sos-Medemens’ demonstreren eind januari 1993 meer dan tweehonderdduizend mensen in Wenen tegen de FPÖ-petitie. Zeer tot verdriet van de FPÖ kan ‘sos-Medemens’ rekenen op de sympathie van kardinaal Franz König. Haider reageert door König als ‘geestelijk dwaallicht’ uit te foeteren. Al met al durft een deel van de FPÖ-aanhang het niet aan naar het gemeentehuis te gaan om in alle openbaarheid een handtekening onder de petitie te zetten. Uiteindelijk tekenen ‘slechts’ 417.278 mensen.

Er is echter geen reden voor de democratische krachten om in hun overwinningsroes achterover te leunen. De FPÖ is niet verslagen, ze is zelfs niet teruggeslagen. Op 24 januari 1993 boekt de FPÖ flinke winst bij de gemeenteraadsverkiezingen in Graz. In de tweede stad van het land haalt de partij ruim 20 procent van de stemmen, goed voor twaalf zetels. Haider voelt zich in het politieke krachtenveld zo veilig dat hij zijn demagogische aanvallen op het regime verdubbelt. ‘Oostenrijk is een autoritaire democratie die beheerst wordt door licentiepartijen die hun bestaan enkel en alleen aan de geallieerde bezetters te danken hebben. In feite beleven we de terugkeer van het Austrofascisme,’ roept hij.(293) De FPÖ-chef staat vooralsnog aan de zijlijn, maar voelt zich ijzersterk. ‘We zijn een oppositiepartij die meeregeert,’ stelt Haider op een partijbijeenkomst begin 1993 in Graz. Vaststaat dat hij de rood-zwarte regering met succes opjaagt. De FPÖ heeft een grote invloed op het immigratiebeleid dat steeds restrictiever wordt. Op 1 juli 1993 wordt een nieuwe vreemdelingenwet van kracht, waardoor een ‘buitenlandersquotum’ wordt vastgesteld: tot 1 juli 1994 worden niet meer dan twintigduizend verblijfsvergunningen uitgegeven. Duizenden soldaten worden naar de oostgrens gestuurd om de grenspolitie te assisteren.

Van de acht miljoen Oostenrijkers noemt zes miljoen zich katholiek. De Kerk heeft steeds achter de ÖVP gestaan. Bisschop Kurt Krenn van Sankt-Pölten staat bekend als de meest pausgezinde en conservatieve bisschop. Hij komt uit een nazi-familie en onderhoudt nauwe contacten met de fundamentalistische beweging Das Engelenwerk. Hij staat een vreedzame coëxistentie met de FPÖ voor. Haider en zijn rechterhand Andreas Mölzer ontpoppen zich steeds meer als praktizerende katholieken. Zij kiezen openlijk partij voor Krenn tegen de hervormingsgezinde katholieken en bisschoppen. Ze zetten een gecoördineerde campagne op om het vertrouwen van behoudsgezinde katholieken te winnen. Midden 1993 staat paus Johannes Paulus II Haider een audiëntie toe zonder zich daarbij de verontwaardiging van de rest van de wereld op de hals te halen. Op hetzelfde moment weet Andreas Mölzer de universiteitsdocent Friedrich Romig, een naaste adviseur van bisschop Krenn, te werven voor zijn blad Aula. Op 22 september 1993 stichten Andreas Mölzer en Friedrich Romig in de hoofdstad de ‘Patriottische Club’, een attractie voor katholieke intellectuelen die een uitweg zoeken voor de zogeheten naderende ondergang van het christelijke Avondland. Het optreden van Romig aan de zijde van Mölzer wordt algemeen beschouwd als teken dat een toenemend aantal rechtse katholieken zich afwendt van de met waardige prelaten geassocieerde ÖVP. Haiders boek Die Freiheit, die ich meine, dat eind 1993 verschijnt, is opnieuw een liefdesverklaring. De auteur komt op voor een ‘morele herbewapening’: ‘In de Derde Republiek zullen totalitaire onderdrukking en inhoudsloos materialisme het veld ruimen voor religie, geloof, geschiedenis en natie. In de toekomst hebben we vooral nood aan een spirituele leiding,’ schrijft hij.

Inmiddels is de FPÖ sinds midden 1993 uit de Liberale Nationale gestapt om aan een gewisse uitsluiting te ontsnappen. Haider gaat ijverig op zoek naar nieuwe bondgenoten in het buitenland. Opvallend zijn zijn bemoeienissen met het Italiaanse Alto Adige, zoals Zuid-Tirol heet. Onder de dictatuur van Mussolini vond in Alto Adige een gedwongen italianisering plaats. De Duitse meerderheid mocht geen Duits meer spreken. Veel Zuid-tirolers hebben toen voor het Derde Rijk geopteerd. Na de tweede wereldoorlog kwam er een autonomiestatuut voor Zuid-Ti-rol. Hoewel Italië de discriminaties al gauw afschafte, wilden rechts extremistische groeperingen zoals de Union für Sudtirol van Eva Klotz van de autonomieregeling niets weten omdat ze aandringen op onafhankelijkheid. In Zuid-Tirol zijn tot vandaag Duitstalige neonazi’s en Italiaanse neofascisten water en vuur. Eind 1993 mengt Haider zich met een eigen partij in de Zuidtirolse gemeenteraadsverkiezingen. Die ‘Freiheitlichen’ komt op voor zelfbeschikkingsrecht. Haiders partij behaalt ongeveer 6 procent onder de Duitstaligen.(294) Maar de buitenlandse operatie van de FPÖ-leider gaat verder dan dat. Haider heeft ook goede contacten met Manfred Brunner in Duitsland, de Liga Noord in Italië, de Freisinnigen en liberalen in Zwitserland en de Democratische Burgerpartij van de Tsjechische premier Vaclav Klaus. Die brede nationaal-liberale coalitie zou moeten opkomen voor een ‘confederaal Europa van de Atlantische Oceaan tot de Oeral’. Het laat zien dat de val van het Oostblok een nieuwe realiteit heeft geschapen: er bestaat opnieuw zoiets als Midden-Europa, waar nieuwe en verstrekkende initiatieven opbloeien.

De toenadering tot de rechterzijde van de ÖVP gaat onverminderd door en gaat gepaard met een matiging van het vroeger vlijtig beleden Grootduitse nationalisme. Plotseling ontdekt Haider de waarde van een ‘gezond Oostenrijks patriottisme’. ‘Wij staan onvoorwaardelijk achter Oostenrijk,’ verklaart hij begin 1994 in Klagenfurt.(295) Andreas Mölzer is er niet over te spreken dat in het nieuwe partijprogramma iedere verwijzing naar de ‘Duitse volks- en cultuurgemeenschap’ ontbreekt. De FPÖ-leider legt steeds meer het accent op de eigen culturele identiteit van de Oostenrijkse natie.

De altijd bruinverbrande Haider spreekt zijn volgelingen het liefst toe in overvolle bierhallen. Tijdens de campagne voor de deelstaatverkiezingen in de lente van 1994 trakteert hij zijn publiek op het Oostenrijkse volkslied en speelt hij handig in op de nationale en anti-Europese sentimenten. In Tirol pakt hij uit met de weinig originele slogan: ‘Tirol voor de Tirolers’ en in het Salzburgerland luidt de leuze: ‘Geen moskee in Salzburg zolang er geen kerk in Mekka staat.’ Op 13 maart 1994 behaalt de FPÖ grote stemmenwinst ten koste van de regeringspartijen. In Salzburg en Tirol scoort de FPÖ respectievelijk 19 en 16 procent. Nog groter is de zege in Karinthië, waar de FPÖ 33 procent van de stemmen behaalt en de SPÖ in achtentwintig gemeenten, onder meer de hoofdstad Klagenfurt, overvleugelt.296

Dit succes maakt een eind aan het idee dat de FPÖ over het hoogtepunt heen zou zijn. De socialistische kanselier Franz Vranitzky en vice-kanselier Erhard Busek (ÖVP) hebben beloofd onder geen beding een coalitie met de FPÖ te vormen. Maar dit beleid wordt in Karinthië naar hartelust doorkruist door de lokale partijafdelingen. Zowel vertegenwoordigers van de ÖVP als van de SPÖ willen het met de FPÖ op een akkoordje gooien. De SPÖ-leider Michael Ausserwinkler voert ‘constructieve besprekingen’ met Haider over een premierschap bij toerbeurt. ‘Ik wil de FPÖ niet de luxe van de oppositie gunnen,’ zo betoogt hij.297 Bondskanselier Franz Vranitzky grijpt persoonlijk in en gebiedt het FPÖ in quarantaine te plaatsen. Uiteindelijk blijft de ÖVP- voorman Christof Zernatto premier. Hij heeft flinke concessies moeten doen aan Haider en moest garanderen dat de grootste partij bij de volgende verkiezingen automatisch de regeringsleider kan leveren.

Op een bijzonder congres op 8 april 1994 in Villach beslist de FPÖ of zij bij het referendum, dat op 12 juni 1994 wordt gehouden, een stemadvies voor of tegen de toetreding tot de Europese Unie zal geven. De FPÖ wordt steeds minder genegeerd. Namens de regering spreken minister van Buitenlandse Zaken Alois Mock (ÖVP) en staatssecretaris Brigitte Ederer (SPÖ) de congresgangers toe. Andere bekende sprekers zijn de werkgeverswoordvoerder Franz Ceska en de ambassadeur van de Europese Unie in Wenen, Corrado Pirzio Biroli. De conservatief Alois Mock, die de deur naar samenwerking met Haider tot dusver nooit heeft dichtgeslagen, ziet zijn deelneming aan het debat als ‘het begin van een nieuwe politieke cultuur’. ‘Men moet ieders overtuiging respecteren,’ aldus Mock. Voor dit moedig standpunt wordt hij door het FPÖ-publiek beloond met een donderend applaus. Alle gastsprekers pleiten voor toetreding tot de Europese Unie, maar hun aanwezigheid moet het gebrek aan elementaire democratie in de FPÖ maskeren. Haider is gewend zijn eigen mening door te drukken. Tot midden 1992 was hij voor toetreding tot de Europese Gemeenschap, maar sindsdien keerde de FPÖ-voorman zich beetje bij beetje tegen het ‘centralistische’ en ‘federalistische’ Europa. Op het congres geeft hij de Europese Unie bij voorbaat de schuld van alle mogelijke kwalen: het groeiende overheidstekort, de ondergang van de boeren, de stijgende criminaliteit, de toenemende immigratie en de belastingdruk en het verlies van de soevereiniteit. Geen enkel belangrijk partijkader durft de FPÖ-leider openlijk tegen te spreken, hoewel uit opiniepeilingen blijkt dat slechts een krappe meerderheid van de partijleden tegen de Europese Unie gekant is. De uit Karinthië afkomstige ultrarechtse Kriemhild Trattnig, die soms opduikt in de Duitse Nationalzeitung, mag tekeergaan tegen degenen die volgens haar de Europese Unie beheersen: de grote concerns, de bankiers en de vrijmetselaars. Ze schildert de Europese Unie af als een systeem waarbij de rijkdom van de ijverige volkeren wordt herverdeeld in de richting van de arme. Met termen als ‘parasieten en luilakken’ verlevendigt zij haar tekst. Ook Manffed Brunner doet zijn duit in het zakje. ‘Zonder de twee grote netto-betalers Duitsland en Oostenrijk kan de EU-motor niet draaien,’ schimpt hij.(298) Het einde van het liedje is dat 85,5 procent van de partijfunctionarissen met Haider tegen toetreding tot de Europese Unie stemt.

Haiders verkiezingsslogan ‘Oostenrijk eerst’ en affiches met ‘Neen aan de grenzeloze criminaliteit’ en ‘Neen aan het stemrecht voor vreemdelingen’ zouden het Front National en het Vlaams Blok niet misstaan. De FPÖ krijgt de steun van de boulevardkrant Taglich Alles en het sensatieblad Die Woche. Nationalistische gevoelens zijn in Oostenrijk de laatste tijd sterk toegenomen, zelfs ten aanzien van de Duitsers. Beide bladen schrijven dat Duitsland uit louter eigenbelang Oostenrijk bij de Europese Unie wil.(299) Die Woche laat zelfs de term ‘Anschluss’ vallen. Het hoogtepunt van de Eu-fobie wordt bereikt wanneer Die Woche kopt: ‘Het Europarlement wil dat homo’s trouwen en kinderen adopteren.’(300) Haider doet ijverig aan de stemmingmakerij mee. Tirol en het Salzburgerland gaan volgens hem een milieuramp tegemoet door de stank en het lawaai van het transit-verkeer. ‘Ik ben helemaal niet voor een Anschluss met Duitsland. Daarvoor moet u bij onze regering zijn. Die wil toetreden tot de Europese Unie. Ik ben voor de onafhankelijke staat Oostenrijk,’ zegt hij demagogisch. Andreas Mölzer en diens jonge geestverwant Jürgen Hatzenbichler, beiden medewerkers van het Duitse blad Junge Freiheit, zijn niet bepaald ingenomen met deze anti-Duitse geluiden. In een vraaggesprek met Junge Freiheit eind mei 1994 verduidelijkt Haider zijn standpunt. Hij maakt een onderscheid tussen de natiestaat en de cultuurnatie. ‘Ik kan tegelijk lid zijn van de onafhankelijke Oostenrijkse natie en van de Duitse cultuurgemeenschap,’ zegt hij.(301)

Op 12 juni 1994 stemt een verrassend ruime meerderheid (65 procent) voor aansluiting bij de Europese Unie. Het overweldigende ‘ja’ beschouwt Haider niet als een nederlaag. De FPÖ heeft een stemadvies gegeven en dat is alles. Op het partijcongres in Linz, op 17 en 18 juni 1994, wordt Haider herkozen als voorzitter met liefst 96,6 procent van de stemmen. Hij treedt steeds autoritairder op en snoert zonder consideratie zijn handjevol critici de mond. Het Weense FPÖ-kopstuk Erwin Hirnschall moet het ontgelden omdat hij samen met de werkgeversorganisatie had geklonken op de uitslag van het referendum.302 Vele grote werkgevers zetten hun subsidie aan de FPÖ nu stop. Daardoor lijken Haiders kansen op een coalitie met de ÖVP op het eerste gezicht kleiner geworden. Maar schijn bedriegt. Uitgerekend de conservatieve vleugel van de ÖVP, waarvan de fel pro-Europese minister van Buitenlandse Zaken Alois Mock de belangrijkste representant is, zegt na de Europese verkiezingen dat hij niemand uitsluit, wat kan verstaan worden als een aanzoek aan de FPÖ. De schoonzoon van Kurt Waldheim, Josef Höchtl, die tevens leider is van de christelijke vakbond, denkt er net eender over.(303) En hetzelfde geldt voor invloedrijke rechtse ÖVP-bazen in de provincie, zoals de premier van Stiermarken Josef Krainer en de premier van Neder-Oostenrijk Erwin Pröll. Daarmee gaan ze regelrecht in tegen partijleider en vice-kanselier Erhard Busek, die voortkomt uit progressieve katholieke kring en een coalitie met Haider onverbloemd afwijst.

In de aanloop naar de parlementsverkiezingen, die op 9 oktober 1994 moeten plaatsvinden, zet Haider in een vraaggesprek met Kurier zijn strategie en toekomstplannen uiteen.(304) Hij kondigt aan dat hij uiterlijk in 1998 bondskanselier wil worden. Daarom neemt hij nu langzamerhand afstand van ‘chef-ideoloog’ Andreas Mölzer en andere dubieuze neofascisten. Hij haalt tegelijk politiek minder belaste figuren, bij voorkeur overlopers uit de ÖVP, naar voren. Voormalige ÖVP’ers bekleden na Haider de twee hoogste plaatsen op de kandidatenlijst van de FPÖ. De juriste Liane Höpinger-Lehrer is nummer twee op de lijst. Ze maakt zich al meteen belachelijk met de bewering dat Oostenrijk vier miljoen buitenlanders telt. In 1992 had Oostenrijk 550.000 buitenlanders, 6,6 procent van de totale bevolking. De juriste klaagt bitter over de ‘lakse’ justitie. ‘Levenslang moet levenslang zijn,’ verzucht ze.(305) Nummer drie op de lijst is de journalist Hans Pretterebner die het Lucona-schandaal aan het rollen bracht en zich presenteert als de grote schoonmaker van de politiek.

De FPÖ grijpt de verkiezingscampagne aan om een stap te zetten in de richting van de Derde Republiek. Ze verspreidt een ‘manifest voor politieke vernieuwing’.(306) Hierin schopt de FPÖ tegen de gevestigde partijen die ervan beschuldigd worden alleen hun eigen belangen te behartigen en de kleine man te verwaarlozen. ‘Oostenrijk mag niet langer de Republiek van de roden en zwarten zijn, maar moet de Heimat van de Oostenrijkers worden,’ zo luidt het FPÖ-manifest. De FPÖ wil het ‘privilegestelsel’ vervangen door een ‘solidaire gemeenschap’, zeg maar ‘volksgemeenschap’ die alle belangen-tegenstellingen uitbant en die de werknemers gebiedt zich te schikken naar het ‘algemeen belang’. De FPÖ verwerpt nadrukkelijk de uitgangspunten van de representatieve democratie. In de Derde Republiek zal de burger de burgemeesters en deelstaatpremiers direct kiezen. Er zal een sterk presidentieel gezag komen met een rechtstreeks gekozen premier/president. Referenda zullen beslissen over grote thema’s zoals belastingen, begroting en vreemdelingenbeleid. De FPÖ wil tevens een einde maken aan het zogeheten ‘sociale partnerschap’, waarbij werkgevers- en werknemersorganisaties in overleg met de regering het sociaal-economisch beleid uitstippelen. De FPÖ viseert vooral de nauw met de SPÖ verbonden Bundes-arbeiterkammer, waarvan alle werknemers verplicht lid zijn. Deze kamers beheren de sociale voorzieningen. Zij vormen in de ogen van de FPÖ een zeer sterke ‘buitenparlementaire macht’ die strijdig zou zijn met de ‘vrijheid van vereniging’. Het FPÖ-manifest verheerlijkt de ‘individuele vrijheid’ van de werknemer en beoogt de collectieve macht van de sociale partners en vakbonden terug te dringen. Zo effent de multimiljonair Haider de weg voor een ingrijpende sociale afbraak. sociale gerechtigheid wordt gedefinieerd als ‘een erkenning van gerechtvaardigde ongelijkheden’. Het FPÖ-manifest hekelt het ‘misbruik van de sociale voorzieningen’ en ijvert voor ‘flexibilisering van de arbeidsvoorwaarden’, erkenning van de arbeid van de thuiswerkende vrouw, een grotere ‘zelfverantwoordelijkheid van de sociaal verzekerden’, concurrentie tussen privé-verzekering en sociale zekerheid en liberale geneeskunde. Voorts komen andere geliefkoosde recepten aan bod: privatisering van overheidsdiensten en staatsbedrijven, vermindering van de belastingdruk, bevordering van het privé-onderwijs, verlaging van de subsidies voor de ‘culturele elite’, het doorbreken van het monopolie van de openbare omroep, invoering van de aansprakelijkheid voor journalisten die ‘misbruik maken van de vrije mening’, harde aanpak van de criminaliteit, oprichting van een beroepsleger, aansluiting bij de NAVO, een soeverein Oostenrijk in een Grooteuropese statenbond, een immigratiestop om de ‘culturele identiteit en de sociale vrede te vrijwaren’. Nooit tevoren leefde het ‘positief patriottisme’ en het ‘Heimatgevoel’ zo sterk. ‘De Heimat Oostenrijk is het hoogste gemeenschapsgoed,’ benadrukt het manifest.

De FPÖ voert een intense moderne verkiezingscampagne met helikopters, optredens in alle grote steden, videoclips, disco-tours, traditionele en hippe muziek en slogans als ‘Hij zegt wat wij denken’ en ‘Gewoon eerlijk, gewoon Jörg’. Het sterkste wapen is de televisie. In een debat met de socialistische kanselier Franz Vranitzky toont Haider een bordje met het cijfer 181.000 schilling, het buitensporige maandloon van een topman van de Arbeiterkammer. De regeringspartijen geraken meteen in het defensief. Op 9 oktober 1994 boekt de FPÖ haar grootste succes sinds haar ontstaan. Haider haalt 22,6 procent, 6,2 meer dan vier jaar eerder. Met bijna een miljoen kiezers krijgt de FPÖ nu 42 van de 183 Kamerzetels. Daarmee is de FPÖ de grootste van alle uiterst rechtse partijen in West-Europa.

Na de stembusuitslag kondigt Haider de oprichting van een ‘burgerbeweging’ aan die alle nationalisten moet verenigen. De Duits-nationale scherpslijpers Andreas Mölzer en Otto Scrinzi waarschuwen in Aula dat de harde ideologische kern van de partij in gevaar is. Ze halen uit naar ‘yuPPIes zonder principes’."7 Maar zij kunnen het tij niet keren. Op een partijbijeenkomst, die op 15 januari 1995 in Linz plaatsvindt, wordt de naam van de FPÖ veranderd in Die Freiheitlichen, afgekort F. De functie van secretaris-generaal wordt afgeschaft en het partijapparaat omgevormd tot een ‘Büro Bündnis Bürger 98’. Haider zegt dat de burgerbeweging ‘de kloof moet dichten die gaapt tussen de veertigduizend FPÖ-leden en de zowat een miljoen FPÖ-kiezers.’ De beweging zal bestaan uit verschillende concentrische cirkels. De breedste cirkel bevat de sympathisanten. Zij krijgen een soort ‘infocard’. De tweede cirkel bestaat uit actieve leden. Zij moeten de Oostenrijkse nationaliteit bezitten en mogen geen lid zijn van een andere partij. Zij hebben stemrecht op de partijbijeenkomsten. De derde cirkel bevat de kandidaten voor politieke functies.(308) Het opdoeken van alle democratische partijorganen herleidt de burgerbeweging tot een applausmachine voor Haider. Deze stelt zich al in op een toekomst met de rechterflank van de katholieke Volkspartij. Op het congres haalt hij naar gewoonte flink uit tegen de linkervleugel van de ÖVP en Erhard Busek. Dat steeds meer rechtse katholieke intellectuelen veel met de FPÖ ophebben, blijkt uit het Jaarboek voor politieke vernieuwing, dat ter gelegenheid van het partijcongres verschijnt. In het Jaarboek snijden deze intellectuelen soms onverkwikkelijke onderwerpen aan. Robert Prantner, een auteur uit de entourage van bisschop Krenn, uit kritiek op de vrijmetselarij. Peter Meier-Bergfeld, redacteur van het katholieke Duits-nationale weekblad Rheinischer Merkur, laat doorschemeren dat Oostenrijk een kunstmatige constructie is. Professor Werner Pfeifenberger, een verdediger van de Zuidafrikaanse apartheid, trekt ten strijde tegen het ‘kosmopolitisme’.

Haider zelf geeft er blijk van de geschiedenis eigenzinnig te interpreteren. Begin februari 1995 komen bij een moordaanslag van neonazi’s vier zigeuners om het leven in de provincie Bürgenland. Op 8 februari herdenkt de Nationale Raad (Tweede Kamer) de doden met een minuut stilte. Alleen Haider zorgt voor een controverse met zijn betoog dat een grens moet worden getrokken tegen geweld, dat ‘rechts noch links’ is. Bovendien herinnert hij aan de vervolging van de zigeuners door de nazi’s in bewoordingen waarover iedereen valt. Volgens hem zijn zij in de ‘strafkampen’ bijna vernietigd. Dat de nazi’s de zigeuners naar concentratie- en vernietigingskampen deporteerden, blijkt Haider te zijn ontgaan.

Hoewel de FPÖ al haar kaarten op een toekomstige coalitie met de ÖVP zet, weigert ze zich duidelijk af te bakenen van het neofascisme dat in Oostenrijk via tientallen organisaties en blaadjes actief is. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 1995 zijn verschillende oud-NDP’ers kandidaat, onder anderen Frank-Dieter Stanzel in Sankt Andra-Wördern en Bernhard Blochberger in Krumbach.(309) Op 19 maart 1995 weten de Freiheitlichen hun aantal gemeenteraadszetels in Neder-Oostenrijk van 366 tot 677 en in Stiermarken van 266 tot 691 te verhogen. Op 2 april 1995 worden de Freiheitlichen bij de gemeenteraadsverkiezingen in Vorarlberg de tweede grootste partij met 16,2 procent.

De katholieke Volkspartij bereikt een electoraal diepterecord. Schuld hieraan is, in de ogen van een groep conservatieve partijleiders uit de provincie, vooral Erhard Busek, oud-burgemeester van Wenen en voorman van de progressieve vleugel. Nu het de partij als coalitiegenoot van de SPÖ electoraal zo slecht gaat, willen steeds meer conservatieve ÖVP’ers de optie van een coalitie met Haider openhouden. Op 22 april 1995 wordt Busek de laan uitgestuurd. Wolfgang Schüssel, minister van Economische Zaken wordt tot nieuwe partijvoorzitter gekroond.

De machtswisseling aan de top van de ÖVP brengt Haider waarschijnlijk een stap dichter bij zijn doel: het kanselierschap van een coalitieregering met de ÖVP.

NOTEN - Inhoud

ITALIË - Inhoud

1. Silvio Bertoldi, La Guerra Parallela, 8 Settembre 1943 - 25 Aprile 1945, Milano, Sugarco, 1963.
 

2. G. Mammarella, L’Italia contemporanea 1943-1985, Bologna, II Mulino, 1985.
 

3. Murgia Pier Giuseppe, II Vento del Nord: Storia e Cronica del Fascismo dopo de Resistenza, 1945-50. Milano, Sugarco, 1975.
 

4. Loftus John, The Belarus Secret, New York, Knopf, 1982.
 

5. Sandro Setta, La Destra nell’ Italia del dopoguerra, Editori Laterza, 1995.
 

6. Licio Gelli, La verità, Demetra Edizioni, Lugano.
 

7. Murgia, II vento del Nord, Milano, Sugarco, 1975.
 

8. Peter Rosenbaum, II nuovo fascismo. Da Salb ad Almirante. Storia del MSI, Milano, Feltrinelli, 1975.
 

9. CIA: The Pike Report, Nottingham, Spokesman, 1977.
 

10. Ignazi, II polo escluso. Profilo del MSI, Bologna, II Mulino, 1989.
 

11. Spotts Frederic, Wieser Theodor, Italy. A difficult Democracy, London, 1986.
 

12. G. Galli, II difficile governo, Bologna, II Mulino, 1972.
 

13. Daniele Barbieri, Agenda nera. Trent'anni di neofascismo in Italia, Roma, Coines, 1976.
 

14. Ruggero Zangrandi, Inchiesta sul sifar, Roma, Riuniti, 1970.
 

15. G. Mammarella, L’Italia contemporanea 1943-1985, Bologna, II Mulino, 1985.
 

16. Andrea Barbieri, L’Italia della P2, Milano, Mondadori, 1981.
 

17. Cesare de Simone, La Pista Nera, Roma, Riumiti, 1972.
 

18. Défense de l’Occident nr. 121,1976.
 

19. Porta Della, Terrorismi in Italia, Bologna, II Mulino, 1984.
 

20. Stefano di Michele en Alessandro Galiani, Mal di destra, Sperling & Kupfer Editori, Milano, 1995.
 

21. Duce Addio, La biografia di G. Fini, Goffredo Locatelli & Daniele Martini Longanesi, Milano, 1994.
 

22. Libération, 24 maart 1994.
 

23. II Secolo d'Italia, 23 mei 1988.
 

24. 20 anni di lotte e di sogni, Fronte della Gioventü di Triest, 1991.
 

25. L’Unità 16 december 1994.
 

26. La Rivoluzione, Umberto Bossi, Daniele Vimercati, Sperling & Kupfer, Mi­laan, 1993.
 

27. L’Espresso, 29 april 1994.
 

28. L’Independente, 13 november 1992.
 

29. L’Independente, 1 december 1992.
 

30. Le Monde Diplomatique, januari 1994.
 

31. La Repubblica, 27 september 1993.
 

32. La Stampa, 22 november 1993.
 

33. Corriere della Sera, 5 december 1993.
 

34. II Secolo d’Italia, 12 december 1993.

35. La Stampa, 14 december 1993.
 

36. L’Italia, 2 februari 1994.
 

37. II Secolo d’Italia, 23 januari 1994.
 

38. II Secolo d’Italia, 29 januari 1994.
 

39. II Secolo d’Italia, 27 januari 1994.
 

40. La Stampa, 24 januari 1994.
 

41. La Repubblica, 27 januari 1994.
 

42. L’Espresso, 22 april 1994.
 

43. Avvenimenti, 2 november 1994.
 

 

44. La Stampa, 1 april 1994.
 

45. L’Italia, 27 april 1994.
 

46. L’Italia, 27 april 1994.
 

47. Le Monde, 26 april 1992.
 

48. Corriere della Sera, 22 april 1994.
 

49. L’Unità, 16 december 1994.
 

50. II Secolo d’Italia, 12 mei 1994.
 

51. Le Monde, 13 mei 1994.
 

52. L’Espresso, 29 april 1994.
 

53. II Secolo d’Italia, 20 mei 1994.
 

54. La Stampa, 3 juni 1994.
 

55. L’Italia, 8 juni 1994.
 

56. Pagine Libere, juli 1994.
 

57. L’Italia, 8 juni 1994.
 

58. II Secolo d’Italia, 31 mei 1994.
 

59. La Repubblica, 13 juni 1994.
 

60. L’Espresso, 22 april 1994.
 

61. Le Monde Diplomatique, januari 1995.
 

62. II Manifesto, 13 juli 1994.
 

63. Identità, oktober 1994.
 

64. L’Italia, Settimanale 20 augustus 1994.
 

65. Identita, november 1994.
 

66. II Secolo d’Italia, 15 oktober 1994.
 

67. L’Italia, 16 februari 1994.
 

68. II Seculo d’Italia, 15 oktober 1994.
 

69. Identità, november 1994.
 

70. Alessandro Caprettini, La nuova destra,

Edizioni Arbor, 1995.
 

71. Piero Ignazi, Postfascisti ?, 11 Mulino,

Bologna, 1994.
 

72. Linea, nummer 1, december 1994.
 

73. II Secolo d’Italia, 27 januari 1995.
 

74. II Nazionale, 28 januari 1995.
 

75. Linea, januari 1995.
 

76. II Secolo d’Italia, 11 februari 1995.
 

77. Pensiamo L’Italia, IL domani c’è Giè. Valori, idee e progetti voor 1’Alleanza Nazionale.

78. II Secolo d’Italia, 15 april 1995.

 

FRANKRIJK - Inhoud
 

79. Le Nouvel Observateur, 29 september 1994.
 

80. Présent, 3 april 1985.
 

81. Défense de L’Occident, maart 1976.
 

82. Europe et Patrie, juni 1993.

 

83. Identité, januari 1992.

84. Itinéraires, nummer 2,1993.

85. National Hebdo, 7 oktober 1993.

 

86. National Hebdo, 17 februari 1994.

87. National Hebdo, 10 februari 1994.

88. Présent, 14 september 1993.

89. Présent, 7 september 1993.

90. Handelingen van het Europees Parlement, 20 januari 1994.

91. Présent, 16 september 1993.

92. National Hebdo, 20 januari 1994.

93. Présent, 28 september 1993.

94. Présent, 29 oktober 1993.

95. National Hebdo, 21 april 1994.

96. National Hebdo, 21 april 1994.

97. National Hebdo, 21 april 1994.

98. Présent, 10 september 1994.

99. Le Monde, 13 september 1994.

 

100. Présent, 15 september 1994.

101. National Hebdo, 21 september 1994.

102. National Hebdo, 24 september 1994.

103. Présent, 20 september 1990.

104. Le Monde, 16 december 1993.

105. Présent, 15 juni 1995.

106. National Hebdo, 3 februari 1994.

107. Handelingen van het Europees Parlement, 17 november 1993.

108. Handelingen van het Europees Parlement, 9 maart 1993.

109. Handelingen van het Europees Parlement, 11 februari 1992.

110. Handelingen van het Europees Parlement, 16 september 1992.

111. Handelingen van het Europees Parlement, 16 december 1993.

112. 300 mesures pour la renaissance de la France, Editions Nationales, februari 1993.

113. Ras l’front, november 1993.

114. Présent, 11 november 1993.

115. Le Rêveur casqué, Laffont 1972.

116. Handelingen van het Europees Parlement, 1 december 1993.

117. Le Monde, 18 januari 1994.

118. Les étrangers en France, insee, 1994.

119. Handelingen van het Europees Parlement, 21 april 1993.

120. Handelingen van het Europees Parlement, 21 januari 1993.

121. National Hebdo, 20 januari 1994.

122. Présent, 22 september 1993 en National Hebdo, 20 januari 1994.

123. Le Point, 13 augustus 1994.

124. National Hebdo, 20 oktober 1994.

125. Identité, nummer 22,1994.

126. Handelingen van het Europees Parlement, 16 september 1992.

127. Présent, 15 juni 1995.

128. National Hebdo, nr. 556.

129. Le Pen. La France, nummer 212, maart 1995.

130. National Hebdo, 9 februari 1995.

131. National Hebdo, 16 februari 1995.

132. National Hebdo, 16 februari 1995.

133. Le Monde, 13 juli 1995.

134. Handelingen van het Europees Parlement, 21 januari 1993.

135. Présent, 8 januari 1994.

136. Présent, 19 maart 1994.

137. Présent, 26 februari 1994.

138. Présent, 8 maart 1994.

139. Handelingen van het Europees Parlement, 15 juli 1993.

140. National Hebdo, 20 oktober 1994.

141. Présent, 7 december 1994.

142. Présent, 15 oktober 1994.

143. Présent, 15 oktober 1994.

144. Présent, 31 december 1994.

145. Présent, 17 juni 1995.

146. Présent, 31 december 1994.

147. Présent, 26 oktober 1994.

148. Présent, 22 december 1994.

149. Présent, 24 november 1994.

150. National Hebdo, 20 oktober 1994.

151. Présent, 13 augustus 1993.

152. Présent, 21 oktober 1993.

153. Handelingen van het Europees Parlement, 2 december 1993.

154. Handelingen van het Europees Parlement, 17 januari 1994.

155. Handelingen van het Europees Parlement, 15 juni 1993.

156. Présent, 8 december 1994.

157. National Hebdo, 9 februari 1995.

158. Handelingen van het Europees Parlement, 5 juli 1993.

159. Identité, november 1990.

160. Handelingen van het Europees Parlement, 10 juni 1992.

161. Handelingen van het Europees Parlement, 7 april 1992.

162. Handelingen van het Europees Parlement, 9 juni 1992.

163. Identité, september 1992.

164. Présent, 8 december 1994.

165. Handelingen van het Europees Parlement, 10 juni 1992.

166. Présent, 18 september 1992.

167. National Hebdo, 25 juni 1992.

168. Libération, 26 augustus 1991.

169. Présent, 5 augustus 1992.

170. National Hebdo, 24 september 1992.

171. La Lettre de Le Pen, november 1992.

172. Présent, 8 februari 1995.

173. Le Monde, 26 oktober 1993.

174. National Hebdo, 14 oktober 1993.

175. National Hebdo, 16 februari 1995.

176. Handelingen van het Europees Parlement, 18 november 1993.

177. La Lettre de Le Pen, maart 1995.

178. 300 mésures pour la renaissance de la France, éditions nationales, 1993.

179. Europe et Patrie, augustus 1993.

180. Le Nouvel Observateur, 23 mei 1995.

181. Présent, 29 december 1993.

182. Présent, 26 november 1993.

183. National Hebdo, 2 december 1993.

184. La Lettre de Le Pen, februari 1994.

185. La Lettre de Le Pen, februari 1994.

186. La Lettre de Le Pen, januari 1994.

187. Présent, 1 april 1994.

188. National Hebdo, 24 maart 1994.

189. National Hebdo, 14 mei 1994.

190. Newsweek, 15 juni 1992.

191. Le Point, 18 juni 1994.

192. Figaro, 17 juni 1994.

193. Présent, 4 december 1994.

194. Présent, 17 september 1994.

195. Présent, 18 juni 1994.

196. Présent, 20 september 1994.

197. Le Monde, 29 december 1994.

198. La Lettre de Le Pen, mei 1995.

199. National Hebdo, 20 april 1995.

200. Présent, 3 februari 1995.

201. Information, 9 februari 1995.

202. Présent, 3 december 1994.

203. National Hebdo, 11 mei 1995.

204. National Hebdo, 5 mei 1995.

205. La Lettre de Le Pen, mei 1995.

206. Libération, 12 mei 1995.

207. Présent, 20 mei 1995.

208. National Hebdo, 15 juni 1995.

209. Présent, 17 juni 1995.

 

DUITSLAND - Inhoud

210. Handelingen van het Europees Parlement, 4 april 1990.

211. Martin Heidegger, Ernst Nolte, Propylaen, 1992.

212. Handelingen van het Europees Parlement, 20 januari 1993.

213. Handelingen van het Europees Parlement, 23 oktober 1991.

214. Handelingen van het Europees Parlement, 24 oktober 1991.

215. Nation Europa, mei 1994.

216. Junge Freiheit, Juli/Augustus 1993.

217. Karlheinz Weissmann, Rückruf in die Geschichte, Ullstein 1992.

218. Ernst Nolte, Streitpunkte. Heutige und künftige kontroversen um den Nationalsozialismus, Propylaen 1993.

219. Handelingen van het Europees Parlement, februari 1993.

220. Nationalzeitung, 17 juni 1994.

221. Nationalzeitung, 2 september 1994.

222. Nationalzeitung, 21 mei 1993.

223. Nationalzeitung, 23 december 1994.

224. Nationalzeitung, 29 juni 1994.

225. Werner Maser, Der Wortbruch. Hitler, Stalin und der Zweite Weltkrieg, Olzog Verlag 1994.

226. Nationalzeitung, 17 juni 1994.

227. Nationalzeitung, 22 juli 1994.

228. Nationalzeitung, 12 augustus 1994.

229. Nationalzeitung, 19 november 1993.

230. Nationalzeitung, 29 juli 1994.

231. Süddeutsche Zeitung, 18 september 1993.

232. Wolfgang Schäuble, Und der Zukunft zugewandt, Siedler Verlag, 1994.

233. Nation Europa, september 1994.

234. Profil, nr. 41,1994.

235. Nationalzeitung, 4 mei 1994.

236. Die Deutsche Stimme, 12/1994.

237. Die Deutsche Stimme, 4/1995.

238. Nationalzeitung, 25 februari 1994.

239. Die Deutsche Stimme, 3/1995.

240. Junge Freiheit, 10/1995.

241. FAZ, 14 februari 1995.

242. Handelingen van het Europees Parlement, 20 november 1990.

243. Bulletin des Presse- und Informationsamtes der Bundesregierung, 68,1991.

244. Republikaner, nr. 4, 1993.

245. Handelingen van het Europees Parlement, 14 maart 1991.

 

246. Handelingen van het Europees Parlement, 9 oktober 1991.

247. Handelingen van het Europees Parlement, 8 februari 1994.

248. Le Soir, 14 december 1993.

249. Der Spiegel, 2/1994.

250. Le Monde Diplomatique, maart 1994.

251. Handelingen van het Europees Parlement, 6 februari 1994.

252. Nation und Europa, nr. 7,1994.

253. Fritz, november 1992, Ostpreussenblatt, 23 april 1994.

254. Deutscher Ostdienst, nr. 13,1995.

255. Handelingen van het Europees Parlement, 18 november 1992.

256. Jaarverslag 1992 van het Bundesamt für Verfassungsschutz.

257. Handelingen van het Europees Parlement, 21 april 1993.

258. Nation Europa, februari 1993.

259. Handelingen van het Europees Parlement, 17 september 1992.

260. Nationalzeitung, 21 mei 1993.

261. Nationalzeitung, 5 maart 1993.

262. Nationalzeitung, 11 mei 1993.

263. Nationalzeitung, nr. 59 en 50,1993.

264. Theodor Maunz, Droit Allemand, 1935.

265. Nationalzeitung, 8 april 1994.

266. Nationalzeitung, 29 juli 1994.

267. Nationalzeitung, 15 juni 1994.

268. Nationalzeitung, 15 juli 1994.

269. Nationalzeitung, 14 oktober 1994.

270. Nationalzeitung, 30 september 1994.

271. Handelingen van het Europees Parlement, 17 september 1992.

272. Republikaner, 2 -1993.

273. Courrier International, 2 juni 1994.

274. Nation Europa, juli 1993.

275. Focus, nr. 23,1993.

276. Der Spiegel, nr. 25/94.

277. FAZ, 11 december 1993.

278. Der Spiegel, 45/93.

279. Junge Freiheit, nummer 17/94.

280. FAZ, 30 maart 1994.

281. Junge Freiheit, nr. 22,1994.

282. Europa vorn, 1 mei 1994.

283. Nationalzeitung, 3 juni 1994.

284. Der Spiegel, 25/94.

285. Nation Europa, juni 1994.

286. Junge Freiheit, 11 november 1994.

287. Die Welt, 11 januari 1995.

 

OOSTENRIJK - Inhoud

288. Freiheitliche Pressedienst, 16 november 1986.

289. Staatsbriefe, 6-7/1991.

290. Der Standard, 13 maart 1992.

291. Kurier, 5 maart 1992.

292. Der Spiegel, 13/93.

293. Basta, 3,1993.

294. Nation Europa, januari 1994.

295. Nation Europa, februari 1994.

296. Profil, 15 maart 1994.

297. Kurier, 7 april 1994.

298. Kurier, 9 april 1994.

299. Täglich Alles, 6 juni 1994.

300. Die Woche, nummer 23,1994.

301. Junge Freiheit, 27 mei 1994.

302. Kurier, 19 juni 1994.

303. Profil, 13 augustus 1994.

304. Kurier, 21 augustus 1994.

305. Profil, 35 van 1994.

306. Freiheitliche Thesen zur politischen Erneuerung Österreichs.

307. Profil, 37/1994.

308. Junge Freiheit, 1/1995.

309. Profil, 13 maart 1995.

 

Achterblad - Inhoud

Zwarte horizonten - radicaal rechts in Europa

Het leek ondenkbaar. Na amper een halve eeuw kwamen de erfgenamen van Mussolini in Italië weer aan de macht. Toen de gevestigde partijen in de stembusgang van 1994 werden weggevaagd, kwam de neofascistische partij zonder overgangsperiode in de regering te zitten.

In Frankrijk. Oostenrijk en Vlaanderen slaagden de radicaal rechtse partijen erin overtuigend door te breken en een politiek machtsblok van betekenis te worden.

In Duitsland woedt na de val van de Muur een beklemmende ideeënstrijd.

Jos Vander Velpen toont op basis van talloze documenten aan dat de huidige Europese radicaal rechtse scène zich spiegelt aan de vooroorlogse fascistische ideeën. Men kan die ideeën negeren. Maar met de reële politieke macht die radicaal rechts heeft herwonnen, zou dat niet meevallen. Integendeel: we zouden er beter aan doen ons zoveel mogelijk met de nieuwe zwarte wolk over Europa bezig te houden, nu het nog kan.

Jos vVnder Velpen °1948 is doctor in de rechten en advocaat aan de balie in Antwerpen.

Van hem verschenen eerder De ccc, de staat en het terrorisme en Daat komen ze aangemarcheerd, extreem-rechts in Europa. Met Hugo Gijsels schreef hij Het Vlaams Blok, het verdriet van Vlaanderen

Inhoud