Inhoud  Print (150p)

 Een kwarteeuw mei '68, Ludo Martens, Kris Merckx, EPO, 1993

  

Inhoud

Woord vooraf 

Deel een Draaiboek van de gebeurtenissen in Leuven en Gent

1. De meirevolte 1966. 'In Leuven is het tijdperk der geuzen ingeluid'  
2.
Januari '68. Het dagboek van een revolte 
3. De Gentse Maartbeweging 

Deel twee Ontstaan, werking en groei van de nieuwe linkse stroming

   1. Nieuw Links  
   2.
Het eenheidsfront van de Leuvense studenten   
   3.
De geest van mei '68 waait door de facultaire werking   
   4.
De studenten gaan naar de arbeiders   
   5.
De Franse Kp tegen de gauchistische provokateurs van mei '68
   6. De Belgische Kp en de studenten revolte van de jaren '60   

Deel drie Het platform van de revolutionaire studenten anno 1968-1969

   1. Arbeiders en studenten: één front... Maar waarom en hoe?   
   2. Zoektocht naar een samenhangende theorie
       Dokument 1969. Een leidraad doorheen de marxistische theorie 1969   

Nawoord  Vragen over de 'restauratie'

    1. 'Revolutie' in de jaren zestig, restauratie in de jaren zeventig. 
    2. 'Mei '68, de eerste revolutie van het post-industriële tijdperk?'
    3. 'Mei '68, niets dan stukgeslagen illusies?'


Achterflap

Dank aan allen die ons hielpen bij het verzamelen van de foto's:

Archief ULB
Arvhief Vlaams Studentenleven van de K.U.Leeuven
Archief auteurs
D. Beke
R. Willockx

 

Omslagontwep:
Compagnie Paul Verrept
Vormgeving: EP0 Druk: drukkerij EPO
Eindredactie Jan Savels

©Uitgeverij EPO vzw, 1993 
Lange Pastoorstraat 25-27 2600 Berchem 
Tel: 32 [0)3/239.68.74 Fax: 32 (0)3/218.46.04

ISBN 90 6445 748 4
D 1993/2204/5
NUGI 646

Verspreiding voor Nederland
Uitgeverij De Geus Postbus 4801BW Breda 
Tel.: 076/22.81.51

Woord vooraf van de uitgever
Vijfentwintig jaar geleden: 1968, het veel besproken wonder­jaar. ‘Voor mij was mei ‘68 een complete verrassing,’ bekende Jean-Paul Sartre ootmoedig, ‘ik had het niet zien aankomen.’ En aan de vooravond van de meirevolte beklaagde commenta­tor Pierre Viansson-Ponté zich in een – achteraf beroemd ge­worden – hoofdartikel in Le Monde over de grote matheid die zich aan hem meedeelde. Het stuk verscheen op 15 maart ‘68 onder de kop ‘Frankrijk verveelt zich’. Een paar weken later stond Frankrijk in lichterlaaie. ‘Het gebeurt hier, het gebeurt in New York, in Berlijn. Het is niet iets om weg te wuiven of gemakzuchtig te ontkennen. Het is ook niet iets dat wel los zal lopen of waarvoor men bang moet zijn... Wat de betekenis ervan zal zijn, kan ik niet schatten, maar het is het definitieve einde van een tijdperk, het kan nooit meer worden zoals het was.’ Zo beschreef Cees Nooteboom als verslaggever voor De Volkskrant de Parijse re­volte. 

Een van de eerste boeken die uitgeverij EPO op de markt bracht was Dat was 1968. Ludo Martens en Kris Merckx, twee hoofd­rolspelers in het Vlaamse mei ‘68, maakten daarin tien jaar la­ter het testament op van hun rebelse jeugd. Wat bezielde de hemelbestormers van toen? Waarom moest al­les anders worden? En waren er dingen fundamenteel veran­derd? Of waren de toestanden in de universiteiten en in de we­reld waartegen mei ‘68 als een vulkaan uitbarstte, er nog altijd? We geloven dat vandaag een nieuw mei ‘68 even legitiem zou zijn. 

Een kwarteeuw Mei 68 is op de eerste plaats een boek voor studenten en jongeren. Het is niet geschreven voor het heim­wee van de ‘oudstrijders’ maar het is geënt op het lijf van de studentenbeweging. 

We hebben voor deze herwerkte uitgave de eerste versie van 1978 in grote lijnen behouden. Tijdsgebonden passages wer­den geactualiseerd en een aantal citaten van Ludo Martens en Paul Goossens uit het boek Het gevecht met de Mammon van Jos De Man (1968) zijn in het geheel verwerkt. Deze citaten zorgen er mee voor dat het relaas van de gebeurtenissen in een breder perspectief wordt geplaatst. We hebben ook een gordi­aanse spellingknoop moeten doorhakken. In ‘68 werd met al­lerlei spellingen geëxperimenteerd. Zo vonden we een docu­ment dat de titel had meegekregen: ‘De fasjizatie van het Bel­gies regime’. En in veel documenten was de eenvormigheid van spelling helemaal zoek. Het was dus aangewezen een en ander te stroomlijnen: de eigenlijke tekst wordt in de voor­keurspelling geschreven, maar alle documenten zijn uitgetikt in wat genoemd werd ‘de progressieve spelling’ (een aarzelen­de stap in de richting van fonetisch schrift voor bastaardwoor­den). Elk document wordt aangekondigd en afgesloten met een van de logo’s uit die tijd: de vuist. Bovendien hebben we in deze uitgave veel aandacht besteed aan foto’s en illustraties. We zijn er zeker van dat door deze inspanningen Een kwart­eeuw Mei 68 zijn weg zal vinden naar de studentengeneratie van vandaag. 

April 1993 Jan Savels en Hugo Franssen 

   

Deel Een

Draaiboek van de gebeurtenissen in Leuven en Gent

1. De meirevolte 1966. 'In Leuven is het tijdperk der geuzen ingeluid'  
2.
Januari '68. Het dagboek van een revolte 
3. De Gentse Maartbeweging 

1   De Meirevolte 1966 'In Leuven is het tijdperk der geuzen ingeluid'

Men noemt het mei ‘68. Maar deze zonnige maand van het vruchtbare jaar ‘68 staat eigenlijk symbool voor de roerige ja­ren tussen ‘65 en ‘70 die een onstuimige, overmoedige opgang van de democratische en revolutionaire ideeën in de studen­tengemeenschap hebben voortgebracht. De Leuvense revolte wierp vanaf 16 mei ‘66 duizenden stu­denten op straat in betogingen die keer op keer werden be­stormd door hele pelotons rijkswachters. De studentenleiders namen collectief ontslag, zozeer had de vrees voor sancties vanwege de academische overheid hen te pakken. Zij huurden een Vlaamse zakenman in, Rik Seghers, die uitgedost als dan­dy in een gloednieuwe Mercedes 230 Leuven binnenreed om zich aan het hoofd te plaatsen van het Actiecomité. Weinig feiten illustreren zo duidelijk het ongeorganiseerde karakter van de toenmalige beweging en het gebrek aan bewuste lei­ding. Maandag 16 mei. Om 22.30 uur groeide het aantal ‘avondwan­delaars’ die aan de Alma op de Bondgenotenlaan van start wa­ren gegaan aan tot drieduizend betogers. 

Gent, 20 maart ‘69. Ludo Martens roept de 700 studenten in de Blandijn op niet te wijken voor de chantage van decaan Van Elslander en het auditorium te behouden als kern voor een creatieve universiteit in dienst van het volk. Een tijd later zal de rijkswacht het auditorium ontruimen. 

Ze liepen achter één spandoek: ‘Werp al uw kommer op de Heer.’ Wat later horen de omstaanders een lied aanzwellen dat overgenomen wordt door drieduizend stemmen. Het wordt gezongen op een triomfantelijke toon die het sarcasme moet onderstrepen: ‘Tantum ergo, Sacramentum...’ De roep ‘Stop een bisschop in uw tank!’ dreunt over Leuven. Plots heft iemand de kreet ‘Revolutie’ aan en weldra botst tegen de enge kuip van de nachtelijke gevels van de Bondgenotenlaan het geroep: ‘Revolutie! Revolutie!’ 

Dinsdag 17 mei worden aan de vlaggestokken van de studen­tenhuizen gemijterde poppen opgehangen die de bisschoppen uitbeelden. Er wordt weliswaar nog altijd zingend meegedeeld dat ze ‘hem niet zullen temmen, de fiere Vlaamse Leeuw’ maar er klinkt toch ook al een nieuw gezang: ‘A bas la calot­te...’ Het dwaze ‘Walen buiten’ krijgt een onverwachte va­riant als er geroepen wordt: ‘Purperen gieren buiten!’ Maar die dinsdagavond zullen rijkswachters als blauwe gieren wild neerduiken op de duizend betogers. De matrakken knuppelen zwaar op de nekken. De ‘ordehandhavers’ schieten blauwe verfgranaten af. Zij spuiten de betogers uiteen met water­kanonnen en razen met hun colonnes door de smalle straten om het ‘gespuis’ weg te vegen. 

Woensdag 18 mei: derde opeenvolgende opvoering van de avondwandeling. Een kleine duizend man op de Bond. ‘Er werd gespoten met een ijver die de indruk gaf dat de gen­darmen van de geestelijke overheid wijwater in de tanks had­den meegekregen om meer effekt te bereiken met de spuite­rij.’ De Standaard-journalist Louis De Lentdecker heeft zijn pen allicht moeten forceren om dergelijke geestigheden te produceren. Na elke spuitoperatie stormt een rijkswachttroep voorwaarts om met wijde matrakhalen in de natgespoten me­nigte te maaien. Student Sim van Nieuwenhove wordt in de smalle Eikstraat in het nauw gedreven en door maar liefst tien politieagenten buiten westen geslagen. Een ambulance trans­porteert hem naar de kliniek. Sim heeft een hersenschudding en een rug als een meesterwerk van Karel Appel: vol rode, blauwe en gele plekken. 

Donderdag 19 mei. Terwijl Onze Heer ten hemel vaart, bren­gen 500 studenten een kerkbezoek aan Sint-Pieters te Leuven. Tijdens de plechtige uitreiking van de heilige communie be­gint de hele studentengroep gedempt te neuriën: ‘We shall overcome!’ De geuzengeneratie is blijkbaar niet meer te lij­men met heilig voedsel; wanneer de groep na de mis naar Al-ma II trekt en er aangroeit tot 1.000 betogers, wordt slechts één kreet gehoord: ‘Eet meer papen...’ 

Vrijdag 20 mei. Om de stormachtige ontplooiing van de stu­dentenbeweging te stoppen, beslist de Academische Overheid het universitaire jaar vervroegd op te schorten. Ze voegt eraan toe dat studenten die gewelddaden plegen uit de universiteit zullen worden gezet. Ook de pers stelt met ontsteltenis vast dat de studentenrevolte zich richt tegen de heersende mach­ten, tegen kerk, kapitaal en kroon. Na de waterkanonnen van de rijkswacht, beginnen nu ook de inktkanonnen van de bur­gerlijke pers het gif van de leugen te spuiten. Dat gaat dan op 21-22 mei in De Standaard als volgt: ‘De vreemde elementen zijn er mede de oorzaak van dat de gendarmerie in sommige gevallen zo brutaal is gaan optreden.’ ‘s Avonds trekken 200 Leuvense studenten naar Mechelen waar ze in de Sint-Romboutskathedraal een hongerstaking van 24 uren inzetten. Maar de bisschoppelijke overheid geeft opdracht aan de rijkswacht om het godshuis te zuiveren van het studentenongedierte. Een Gentenaar merkt op: ‘Tijdens de oorlog betoogden de studenten tegen de Duitsers; toen ze wegvluchtten in Sint-Baafs, waagden de nazi’s het niet de kerk binnen te dringen.’ 

Deze eerste grote studentenrevolte was na vier, vijf dagen uit­geraasd. Maar de meppen die in Leuven waren uitgedeeld aan klerikalisme en autoritarisme, riepen een echo op die zich van 23 tot 31 mei geleidelijk over heel Vlaanderen uitbreidde. Dinsdag 24 mei betoogden 2.000 scholieren in Aarschot, woensdag 25 mei staakten 15 middelbare scholen in Antwerpen; ook Sint-Niklaas en Brussel zagen scholierenmanifestaties en in Kortrijk demonstreerden op 31 mei 300 scholieren. 

 
Het historische document van de revolte van ‘66
De inhoud van de meirevolte van ‘66 in Leuven werd in de vlucht vastgegrepen en op papier gezet door Gaby Van Drom-me. ‘Een historische verklaring,’ zo werd al bij de versprei­ding van dit Dokument 19 mei ‘66 gezegd. De tekst legt in­derdaad goed vast wat er toen onder de bewuste studenten leefde. ‘In Leuven is het tijdperk der geuzen ingeluid.’ Deze slot­woorden concentreren de hele geest van die tijd. De geuzen belegeren de traditionele vestingen die als naam dragen: het liberaal-klerikalisme en de autocratische gezagsuitoefening van het kapitalisme. Maar deze belegering wordt nog met pri­mitieve wapens uitgevoerd: er is nog erg veel ideologische en politieke vaagheid onder de linkse studentenleiders. Zij heb­ben al hun energie gebruikt om zich los te rukken uit de dwangbuis van de rechtse Vlaamse ideologie. Het terrein waarop straks een grondige discussie zal kunnen plaatsvinden over het socialisme en de socialistische revolutie, is nu pas schoongeveegd. Er is dus nog werk voor de generatie die zich in ‘66 aanmeldt. Laten we nu eerst even stilstaan bij de bisschoppelijke verkla­ring die heel Leuven in vuur zette en waarop het Dokument 19 mei ‘66 een antwoord was. In hun verklaring van 13 mei voeren de bisschoppen de taal van ridders uit 1425 die ver­dwaald zijn geraakt in de twintigste eeuw. Wie nu, vijfen­twintig jaar later, deze verordening leest, begrijpt onmiddel­lijk waarom de studenten toen zo driest tekeer gingen tegen de ‘purperen gieren’. Maar terzelfdertijd kan men niet nalaten de bedenking te formuleren dat diezelfde feodale geest ook vandaag nog over het katholiek onderwijs waait. Zij die het lerarenstatuut voor het katholiek onderwijs hebben uitge­broed, zijn nog steeds van mening dat hen het recht toekomt uit te maken welke opvattingen over de maatschappij een le­raar wel of niet mag aankleven. 

Vandaag wekken volgende passages uit de bisschoppelijke verklaring van 13 mei 1966 nog altijd verontwaardiging op. ‘Wij willen het behoud van de institutionele en functionele eenheid van de Alma Mater, alsmede haar fundamentele geo­grafische eenheid, dit is haar eenheid te Leuven zelf, en wij aanvaarden niet dat deze eenheid door al wie tot de universi­teit behoort, publiek in het gedrang wordt gebracht. (...) In dienst van deze doelstelling ligt, aan de top, de ene Inrich­tende Macht: nl. de residentiële bisschoppen van België, die, zoals hun voorgangers, vastbesloten zijn, voor de toekomst, hun ganse verantwoordelijkheid op te nemen ten overstaan van de universiteit die, met de goedkeuring van paus Marti­nus V, in 1425 werd opgericht. (...) Nu de beslissingen genomen zijn willen wij ze, vrij van elke drukking, met beslistheid doorvoeren en vragen wij aan allen ze te aanvaarden. Wij richten deze oproep tot allen die buiten de universiteit verantwoordelijkheid dragen. Deze oproep wordt een verordening waar het gaat om de leden van het aca­demisch, wetenschappelijk en administratief personeel van de beide taalstelsels. Niemand is verplicht zich voor een ambt aan de universiteit kandidaat te stellen. Wie echter, ten wel­ken titel ook, tot de universiteit toetreedt, onderwerpt zich vrijwillig aan hen die het gezag voeren. Men begrijpt welis­waar dat universitairen hun opinierecht en hun meningsui­ting willen vrijwaren maar het recht van de academische overheden is eveneens onbetwistbaar: aan hen komt het toe de beslissingen van de Inrichtende Macht uit te voeren en alle hinderpalen vastberaden uit de weg te ruimen. (...) 

Leuven, december '68. Jos De Man interviewt Kris Merckx

Van de gelovigen van ons land vragen wij ook onze beslissin­gen te aanvaarden. (...) De Heilige Geest schenke zijn licht en zijn kracht opdat de universiteit van Leuven in de toekomst zoals in het verleden, haar belangrijke en onmisbare zending trouw moge vervullen.’

En o wonder, de Heilige Geest schonk licht en kracht! Alleen was de uitwerking wat onvoorzien. In heilige toorn ontsto­ken, gingen duizenden studenten iedere nacht de straat op. Met een koortsachtige bedrijvigheid beukten zij in op alle af­tandse feodale gezagspatronen. Te midden van deze wervel­wind van protesterend studentengeweld, zette Gaby Van Dromme haastig een paar volzinnen op papier die de uitdruk­king waren van alles wat sinds 1964 onder de actieve studen­ten was gerijpt.

Dokument 19 mei 1966

De verklaring van het episkopaat heeft in Leuven met een verbijsterende spontaneïteit een situatie geschapen die men vrijwel als revolutionair kan bestempelen. Het is voor eenieder duidelijk dat – dank zij de episkopale beslissing – de konkrete eis tot overheveling van de Franstalige afdeling naar Wallonië thans heeft plaatsgemaakt voor de algemene kontekst waarin het pro­bleem Leuven moet worden gezien. Deze algemene kontekst is dat in deze toestand de studenten in Leuven heldhaftig getuigenis afleggen van hun demokratische principes. Het wordt tijd dat ten opzichte van de onwetendheid van het buitenland, ten opzichte van de kerkelijke en wereldlijke verantwoordelijken, de si­tuatie in Leuven zuiver bepaald en duidelijk omlijnd wordt.

Het wordt tijd dat kordaat gezegd wordt waarvoor de Vlaamse studenten in feite strijden, wat voor hen de inzet is van deze beweging.

I. Sinds een drietal jaren tekent zich in Leuven zeer duidelijk het groei­end verlangen af van de studenten om als gesprekspartners te worden be­schouwd. Zij wensen dat degenen die verantwoordelijkheid dragen voor het beheer van de universiteit in een open dialoog zouden treden met de studenten, zodanig dat alle beslissingen over de universitaire politiek als het ware mede-ontstaan uit de brede opinie van de studenten. Het is evi­dent dat de studenten niet in staat zijn om over louter technische proble­men altijd kompetente beslissingen te nemen. Maar het is niet om die re­den dat over de algemene tendens en over de grondrichting van de proble­men de studenten nog altijd op een vernederende wijze als onmondig mogen worden beschouwd. De Vlaamse akademische overheid heeft wel een poging gedaan om een dialoog te struktureren. Mgr. Descamps heeft zich echter in het begin van het akademiejaar 65-66 onwetend getoond tegenover deze stroming. Dit onbegrip tegenover demokratische bewustwording van de studenten was een historische vergissing die zich noodzakelijk wreekt. De onde­mokratische rektor hield niet alleen geen rekening met de algemene opi­nie van de Vlaamse studenten in verband met splitsing van subsidies en autonomie, maar vond het ook niet nodig om in een rustig gesprek met de studenten zijn redenen daartoe uiteen te zetten. Het episkopaat heeft thans met zijn beslissing op een definitieve manier bewezen dat het de dialoog met de studenten niet wenst, dat het volsla­gen onverschillig en afwijzend staat tegenover de groeiende en onstuit­bare bewustwording van de studenten. De Godsvrede die de studenten aarzelend hebben aanvaard was bedoeld om nadien nog tot een gesprek te kunnen komen, en was dus zeker niet bedoeld om nadien een verklaring te aanhoren waarin zij als laten wor­den beschouwd. De bewoordingen van het diktaat zijn in dit stadium van studentensyndikalisme onbegrijpbaar.

II. De ganse Vlaamse gemeenschap bij monde zowel van gelovigen als vrijzinnigen als pluralistische organisaties, heeft zich in duidelijke be­woordingen uitgesproken voor de overheveling. Een deel van de Waalse opinie, o.a. ‘Renovation Wallonne’ heeft in dezelfde zin geageerd. Deze organisaties hadden daar het recht en de plicht toe omdat de KUL wordt gefinancierd door staatssubsidies, waarin de ganse gemeenschap ver­plicht is bij te dragen. De episkopale verklaring houdt niet alleen geen rekening met de stand­punten van deze organisaties, maar bovendien heeft zij in paternalistische bewoordingen haar mening te kennen gegeven dat zij de KUL beschouwt als een volslagen Vrije Universiteit, wat betekent: een universiteit, die willekeurig is overgeleverd aan het autoritair gezag van het episkopaat, een universiteit die tegenover haar gemeenschap geen enkele verantwoor­delijkheid heeft af te leggen en alleen onderworpen is aan een toevallig ge­zag dat autokratische diktaten meent te mogen uitvaardigen. Op die ma­nier is een algemene toestand van liberaal-klerikalisme, neigend naar een door Mgr. Desmedt zo afgekeurd triomfalisme, nog eens geaksentueerd.

De agitatie van de Leuvense studenten tegen dit klerikalisme moet dan ook niet begrepen worden als een reaktie naar aanleiding van een toeval­lig of voorbijgaand gebeuren, maar als fundamentele stellingname. De studenten zijn er zich tevens ten volle van bewust dat door hun aktie in Leuven Vlaanderen volwassen, vastberaden en vrijer zal reageren tegen elke vorm van klerikalisme.

III. De Vlaamse studenten willen duidelijk stellen aan de Vlaamse bevol­king dat het gebeuren in Leuven niet mogelijk zou geweest zijn zonder de demokratisering van het onderwijs die een gewijzigde mentaliteit heeft teweeg gebracht en die de studenten bewust heeft gemaakt van hun verantwoordelijkheid en hun verbondenheid met het ganse maatschap­pelijke gebeuren, met de sociaal-ekonomische dimensie in de eerste plaats. De Vlaamse studenten maken een verstrekkende mentale rekon­versie mee. Zij zijn bezield door fundamentele demokratische ideeën die zij niet alleen op het politieke vlak, maar ook in het sociaal-ekonomi­sche leven wensen gerealiseerd te zien. Langzamerhand begint de zo noodzakelijke verbondenheid van de stu­denten met de arbeiders vastere vormen aan te nemen. Het spontane me­deleven met Zwartberg was daar reeds een voorbeeld van. Naar aanlei­ding van de episkopale verklaring hebben die studenten in deze atmo­sfeer betoogd.

De episkopale beslissing moet gezien worden in haar feitelijke samen­hang. De feitelijke samenhang is dat de krachten die openbaar of achter­baks voor het behoud van de éne universiteit zijn uitgekomen, de geves­tigde machten zijn, uiteraard konservatief, en wonderwel hand in hand gaan: het klerikalisme, het unitarisme en het kapitalisme. Het is dan ook niet tegen bepaalde individualiteiten dat de studenten re­ageren maar tegen een systeem als dusdanig, een struktuur in haar ge­heel, waarvan het episkopaal diktaat een symbool is.

Konklusie.

De Vlaamse studenten hopen nu dat de ganse Vlaamse gemeenschap, ge­lovig en vrijzinnig, en op de eerste plaats de arbeiders, de fakkel van het verzet zullen overnemen. De studenten hopen dat deze Leuvense revolutie de bakens van de Vlaamse Beweging zal verzetten en dat de verstarde strukturen in de Vlaamse Beweging struktureel maar zeker qua geest, zullen doorbroken worden. In Leuven is het tijdperk der geuzen ingeluid. De geuzen rekenen op de steun van Vlaanderen: postrekening KB 18915 met vermelding ‘Broeder­lijk Bedelen’.

Uitgave: Komitee Leuven

Hoe deze 'tijd der geuzen' was voorbereid...

Deze tekst luidt de opstandige tijd der geuzen in; die ideeën zijn langzaam gerijpt vanaf 1962. Tot begin ‘60 wist de bourgeoisie in Vlaanderen haar intellectuelen op te fokken in de bekrompen wereld van het rechtse Vlaams nationalisme en van het klerika­lisme; de Alma Mater wist haar kroost verheven idealen in te lepelen, zoals de bescherming van de belangen van de vrije we­reld in de kolonies en de verdediging van de vrije onderneming tegen aanvallen van de eigen inboorlingen, de arbeiders. De stu­denten waren al te lang gevoederd met deze hypokriete en baat­zuchtige ideologie van de heersende klasse. Deze ideeënwereld was niet bestand tegen de gebeurtenissen die op haar inwerk­ten: de arbeidersstaking van 60-61, de fiere onafhankelijkheids­verklaring van de opstandige Lumumba, de gewapende strijd te­gen de Amerikaanse interventie in San Domingo en in Viet­nam, de strijd van de mijnwerkers van Zwartberg. Wat was er aan de uitbarsting van mei ‘66 voorafgegaan? Wat was er gerijpt binnen de studentenwereld?

Het studentensyndicalisme

In 1962 was de Vereniging van Vlaamse Studenten officieel het studentensyndicalisme gaan belijden. In 1964 drukken Roland Aerden en Jan Bauwens de eis van de democratisering van het onderwijs door: ‘Aan gelijk wie de mogelijkheid bieden om te studeren volgens zijn bekwaamheid; hiervoor is de uitsluiting nodig van alle so­ciale, financiële, kulturele en psychologische hinderpalen.’ In 1965 formuleert VVS-voorzitter Jan Bauwens een tweede doel voor het studentensyndicalisme: ‘De erkenning bekomen van de student als jonge intellektuele arbeider.’ Een resolutie wordt gestemd: ‘VVS eist een integraal en eenvormig studieloon in een volledig gedemokratiseerd en wetenschappelijk onderwijs als vermate­rialisering van het sociale statuut van de student, dat wil zeg­gen de materiële uitdrukking van de erkenning van de prestatie die de student levert in zijn studie zelf.’

De solidariteit met de arbeiders na Zwartberg

 Uit deze stroming schiet in januari 1966, bij de dood van twee Limburgse mijnwerkers door de rijkswacht, een nieuwe revo­lutionaire idee op: solidariteit tussen studenten en arbeiders.

Gent, 2 februari ‘66. VVS brengt 2.000 studenten op straat voor democratisch onderwijs en solidariteit met de mijnwerkers van Zwartberg. Drager van het bordje ‘Besnoeiing van defensie, niet van onderwijs’ is... Luc Van den Bossche, toekomstige minister van Onderwijs

Op 4 februari ‘66 schrijft Van Dromme in een editoriaal over Zwartberg: ‘Wij menen dat dit de kern is van het hele, thans dramatische geval Zwartberg: dat een kapitalistische staat zoals België in zich steeds de kiemen draagt van tweedracht: tussen kapitaal en arbeid.’ Rechts Vlaanderen zag in dit artikel een blasfemie, een heilig­schennis, een ketterij, het overduidelijke werk van commu­nisten... Ja, er was een grote stap naar links gezet, maar er moesten ook nog vele hindernissen genomen worden vooraleer tot echte communistische inzichten te komen! Zo was er vooreerst sprake van solidariteit tussen arbeiders en studenten in elkaars strijd... zonder dat men tot het in­zicht gekomen was dat men deze strijd een revolutionair perspectief moest geven om het kapitalisme omver te wer­pen. Ten tweede bleef men nog steken in de afgodendienst van de kapitalistische staat. De staat werd opgeroepen om te na­tionaliseren en het kapitaal te controleren. Men begreep nog niet dat de staatsmacht het gewapende hoofdkwartier van de bezittende klasse is. Ten derde bleef het progressieve denken nog in zekere mate de gevangene van het nationalisme: de strijd werd gestreden voor het dierbare Vlaanderen, maar dan het ware Vlaanderen, dat van de arbeiders... Van Dromme wou voorrang voor Vlaanderen en dat betekende voor de Vlaamse arbeiders. En hij schreef: ‘In 1965 is het antwoord van Harmel: Priorité pour la Wallo ­nie. Het is allemaal te gek, te absurd.’ Wat nog maar eens bewijst hoe diep nationalistische vooroor­delen ingeburgerd zitten.
De strijd tegen het rechtse Vlaams nationalisme
Als zich in de Vlaamse studentenbeweging in de eerste helft van de jaren ‘60 een linkse kern heeft kunnen kristalliseren, dan is dit gebeurd dank zij een bittere strijd tegen het zwarte bezinksel, het grauwe slib van tientallen jaren rechtse, reac­tionaire, met fascistische herinneringen doorspekte Vlaams­nationalistische propaganda. De studentenbeweging verklaarde de oorlog aan dat Vlaams nationalisme dat zelfgenoegzaam stompzinnige denkbeelden cultiveerde als die maar van Vlaamse bodem waren, dat natio­nalisme waarmee de Vlaamse kapitalisten het voetvolk recru­teren voor hun operaties tegen de arbeiders en werkers. De studentenbeweging moest zich een weg banen doorheen een woud van vooroordelen, om zich bewust op te stellen aan de zijde van het revolutionaire denken in de Derde Wereld te­gen het westers imperialisme. Het is niet zonder belang aan deze strijd te herinneren nu het burgerlijke nationalisme zijn misdadig karakter demonstreert in ex-Joegoslavië. Ook in België wordt het nationalistische ideeën­goed door mensen van allerlei pluimage, van fascisten tot pseu­do-links, in allerlei toonaarden opgediend: zelfbestuur voor Vlaanderen, zelfbestuur voor Wallonië, de Vlaamse grond tot het laatste duimbreed vrijwaren van Frans taalgebruik, Vlaams geld voor Vlaamse mensen, regionaliseren van de sociale zeker­heid,... Nationalisme is rechts, zoveel is vandaag wel duidelijk. In het KVHV-blad Ons Leven van 29 oktober 1965 verscheen een merkwaardig artikel dat met verve de nieuwe geest van verzet tegen bekrompen nationalisme, tegen fascisme en te­gen imperialisme schildert.

Bedevaartweide

Wij steunen het IJzerbedevaartkomitee in zijn houding tegenover het boertige optreden van een stoere eenheid van ons defensieapparaat, on­derafdeling van een organisatie die opgericht werd om vrijheid, demokra­tie (cfr. Spanje, Portugal, Griekenland, Frankrijk) en van die dingen meer te verdedigen, nl.: de NATO. We steunen hen, maar willen dit ‘incident’ gebruiken om tegenover het IJzerbedevaartkomitee de strijdbijl op te graven, alleen maar gedreven door de drang naar het oneindige, naar het diepste, naar het hoogste (om termen van de Bedevaart te gebruiken) en bezeten door de drang om za­kelijk, realistisch en rationeel te wezen, kortom, om op de eerste plaats ongekomplexeerd te zijn. Als een jonge Amsterdamse nozem de bede­vaartweide binnenstormt, terwijl iedereen de eed aan Vlaanderen staat te doen, denkt die vent ongetwijfeld gekonfronteerd te zijn met een reus­achtige happening. De retorische volzinnen die zegger Hein Nackaerts over Vlaanderen doet zweven, roepen bij een mens met humor de vergelijking op met het Ma-na-halfuurtje van E.P.Leopold. Eigenlijk weten weinigen waarom ze daar precies staan. Het zou een so­ciologisch uurtje waard zijn te onderzoeken wat tienduizenden voelen op het moment dat ze de eed van trouw zweren. Het zou dus allemaal wel kunnen een voorbeeld zijn van verlicht kabaret, als de kontekst niet zo verouderd was, en als bepaalde veruitwendigheden geen regelrechte clichees waren van het Dritte Reich. Ik kan me levendig voorstellen dat, als een Israeliet op de bedevaartwei­de stond, hij voortdurend uitkeek naar het nummertje waarop er een Jood vergast werd. Het is helemaal niet zo bedoeld. Zegt men. En wij moeten niet overdrij­ven. Zegt men. Juist, misschien is het niet zo bedoeld en wij overdrijven schromelijk. Maar wij dachten ook dat het er niet meer op aankomt luidop te verkla­ren dat het allemaal niet zo moet geïnterpreteerd worden, feit blijft dat dit de voor de hand liggende interpretatie is, feit blijft dat men het ge­makkelijk allemaal anders zou kunnen doen, moderner en met een de­mokratischer uitzicht, en dat men het niet doet. Feit blijft vooral dat een gewone arbeider zich niet kan thuisvoelen op een dergelijke festiviteit, en feit blijft dat, zolang een arbeider zich niet kan thuisvoelen op een Vlaamse hoogdag, deze hoogdag in wezen para­doxaal is. Het zijn niet noodzakelijk de zgn. Iinksen die dit denken. Links zijn is tegenwoordig snob, en als je thans indruk wilt maken op nette dames van middelbare leeftijd moet je links zijn. Neen, het zijn de normale stervelingen die onvermijdelijk het gedoe op de IJzerbedevaart op zijn minst vreemdsoortig moeten vinden... Zij die ‘s avonds TV kijken en als ze een moeilijk woord in de krant lezen aan elkaar vragen wat het precies betekent en wiens woordenschat begint bij ‘godver­domme’ en in Brugge eindigt met ‘mokke’ en tussen begin en einde weinig woorden over hebben voor het diepste, het hoogste of het oneindige, en wiens leven er niet klaarder door wordt als het lijk van Verschaeve wordt bijgezet in de kripte van de IJzertoren, omdat Verschaeve was: de oneindi­ge zee (zwemmen maar jongens), het oneindige uitspansel der sterren, de oneindige liefde voor Vlaanderen, zoals het heet in de onvolwassen ge­schriften waarmee men ons Vlaamse gevoelens probeert aan te kweken.

Dat alles betreft alleen het formele aspekt van de bedevaart. De inhoud is niet beter. De eeuwige groet namens 14-18 en 40-45 schildert een oorlogsfresko met een zodanige tonaliteit dat ieder van ons lust krijgt om zo vlug mogelijk in een loopgracht terecht te komen. Bovendien merk ik geen enkel ver­schil met de 11 november-redevoeringen, die zo uitgekafferd worden door de Vlaamse pers. Bij hogergenoemde speechen moeten wij terugdenken aan een van die ge­vechtjes waarmee men in de middeleeuwen zijn tijd placht door te bren­gen, en die later dienden om er historische romans over te schrijven. Wij willen maar zeggen dat er op dit ogenblik nog altijd oorlogen op de wereld zijn, even gruwelijk als al degene die in Europa geleverd zijn in naam van een boel mooie en evenzeer dubbelzinnige frasen. Dat men oogkleppen opzet en oneerlijk is als men over de oorlog spreekt maar intussen lekker zwijgt over de oorlog in Vietnam, dat men wel een zeer beperkte visie moet hebben op de wereld als men vrede eist in het ij­le alsof vrede enkel een zaak was van de Vlamingen en er geen enkele Amerikaan mee gemoeid was. Als een Vlaming zich niks wil aantrekken van Vietnam en San Domingo en Angola is dat zijn zaak, en uit hoofde van onze liberale konstitutie het volste grondwettelijk recht om zich daar niet mee in te laten. Maar men moet eerlijk blijven en konsekwent en bijgevolg ook geen vredestoren van X meter bouwen en ‘nooit meer oorlog’ vervangen door ‘oost, west, thuis best’ bijvoorbeeld. Er zijn met andere woorden maar drie mogelijkheden: ofwel heeft men geen zin voor politieke realiteiten, ofwel is men oneerlijk, ofwel is men hipokriet. Dan is er niks meer tegen dat het ‘nooit meer oorlog’ weldra zo snob wordt en bijgevolg zo ongevaarlijk dat de beheerders van grote bankinstel­lingen de leuze op een terra cotta tegeltje op hun schouw plaatsen naast: ‘Wie werkt voor vrouw en kind en wordt door hen bemind? ‘t Is Vader.’

Men begrijpe ons dus zeer goed. De oorlogen die Europa heeft gekend zijn een aanfluiting voor een kul­tuur die beïnvloed is geweest door Griekenland, door Rome en door het Kristendom. Het was een moedige en vooral grootmenselijke daad om de gruwelen die geschied zijn aan te klagen door een dergelijke toren, en door een dergelijke bedevaart. Het was uniek. Laten we deze pacifisti­sche idealen niet misbruiken door gefrustreerde flaminganten. Het ide­aal is te schoon.

Ons Leven

‘t Pallieterke reageerde in zijn klassieke platvloerse stijl in het nummer van 11 november 1965. In het artikel is er op een intrigerende manier sprake van R. Sch. Het artikel ont­kent dat het om Raymond Scheyven zou gaan die in die tijd als woordvoerder van het patronaat naam maakte. In werke­lijkheid was R. Sch. de schuilnaam van Karel Dillen.

Leuven, 13 mei ‘66. Kris Merckx (links achteraan) met bordje. De ondertitel bij deze foto in Le Patriote Illustré luidt: ‘Wanneer sommige extremisten zich afvragen: Moeder, waarom zijn wij katholiek?, dan kan men zich evengoed afvragen waarom de geest van naastenliefde, die toch de basis is van het kristendom, hen niet bewoont.’

 
Onder de titel ‘Het moderne KVHVgaat het als volgt: ‘Het is niet van gisteren dat ik weet dat het eens zo schone Ka­tholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (Leuven) sinds enkele tijd systematisch wordt uitgehold door enkele onvolwassen intellectuele nozems. Mij verwondert het dan ook niet dat zo­vele Leuvense studenten, die het uiterst linkse spelletje van die bepaalde elementen beu worden, liever gingen toetreden tot de VNSU (Vlaams Nationale Studentenunie) die momen­teel reeds duizend leden telt. Het komt mij voor dat het KVHV verleden week, via zijn blad Ons Leven (sommige weken naar inhoud gewoon niet meer te herkennen) de beste propaganda heeft gemaakt om nog véél meer studenten naar de VNSU te doen overstappen. Ik bedoel het walgelijk artikel, ondertekend Ons Leven waarin de IJzer­bedevaart, Verschaeve en alle schone en edele waarden die de Vlaamse beweging hebben groot gemaakt, tot-en-met werden bespot. Ik heb aan mijn vriend R. Sch. (nee, niets te maken met Ray­mond Scheyven) die de wekelijkse (nieuwe) kroniek der Dode Zielen schrijft, gevraagd de schrijver en de verantwoordelijke uitgevers van dat nozembraaksel even in hun eigen vuiligheid te duwen. Op deze plaats wou ik zelf aan de vele ongetwijfeld nog goed menende studenten, die niettegenstaande alles, mis­schien nog niet klaar zien in het akelige spelletje van deze linkse snobs, even vragen wat zij, na dat nozem-werkstukje over de bedevaart, nu nóg meer nodig hebben om eindelijk klaar te zien in die opzettelijke en systematische aftakeling van wat eens het KVHV en Ons Leven waren. Wat is er in dat Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond nog katholiek en nog Vlaams? Dat is de vraag die vele hoogstu­denten uit Leuven zich meer en meer beginnen te stellen. Of nog: waar is de echte gezonde studentikoze Vlaamse geest?

Of: waar is de mentaliteit gebleven die de Leuvense studenten vroeger, als er tot de actie moest overgegaan worden, steeds als eersten in de bres deed springen? In de plaats van dat alles spuiten de nozems die thans de rich­ting aanwijzen bij voorkeur en zo goed als uitsluitend alle vuil dat ze kunnen opbrengen naar alles wat nog gezond Vlaams is (en wie het met hen niet eens is, is een reaktionair of een rechtse hond) en op alles waar de Vlaamse beweging sinds ja­ren op schraagt. Onze intellektuele nozems, schrijft mij een student, moeten reageren om te reageren. Waar generaties zich aan opgetrok­ken hebben, wordt door hen veroordeeld als niet meer van deze tijd. Een van hun slagzinnen luidt thans b.v. WEES MO­DERN EN LIJF IN BIJ DE VIETCONG! (...)’

Het nazinderen van de meirevolte
Tijdens de vakantie van ‘66 trad een nieuwe generatie studen­tenverantwoordelijken naar voren die de leiding van het Katho­liek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV) - toen de enige po­litieke massaorganisatie van studenten – in handen namen. Zij hadden de vuurdoop gekregen in de meirevolte. En zij wa­ren bezield door die onverwachte, onvoorziene en onstuitbare kracht die uitging van de massabeweging. Zij geloofden dat gepraat en gefilosofeer maar een steriele bedoening zijn en dat de linkse ideeën maar hun ware betekenis krijgen als ze om­gezet worden in linkse daden, als ze de massa’s tot de actie weten te bewegen. De hele vakantie werd koortsachtig gewerkt aan het ineenste­ken van een voettocht door Vlaanderen. Op 4 oktober gingen in Oostende 150 studenten van start voor een zesdaagse Vlaamse versie van de Meredith-mars die zwarten en blanken in Amerika deed opstappen voor de rechten van de zwarte be­volking. De voettocht zag zijn aantal deelnemers gestadig aangroeien en uiteindelijk marcheerden ongeveer 1.000 man van Mechelen naar Leuven. De nieuwe, resoluut naar links neigende ideeën die in mei waren doorgebroken, werden dage­lijks gewikt en gewogen onder de stappende studenten. Daar werd dan nog iedere avond bij aankomst in een van de grote steden een meeting bovenop gegoten. Een editoriaal van Ons Leven over deze voettocht geeft goed de toenmalige stand van het progressieve denken in Leuven

Editoriaal

De weinige mensen die begrepen wat zich in mei onder de studenten af­speelde, hebben geschreven dat er in Leuven een nieuwe geest geboren werd. De meirevolutie bracht inderdaad een schok mee, ze heeft een mentaliteit doorbroken en een massa energie vrijgemaakt. Alles wijst er­op dat in Vlaanderen een nieuwe generatie aantreedt die door een nieuwe geest wordt gekenmerkt. De voettocht wordt het eerste massale optre­den van jongeren die een nieuwe richting willen uitgaan. De ouderejaars hebben tijdens de veelbezongen meimaand in de gebeur­tenissen zelf een nieuwe mentaliteit aangevoeld. Wie de diktaten van een gesloten konfessionele groep aanhoort, begrijpt wat een open plura­lisme is. Wie aan den lijve gewaar wordt hoe de politie maar raak slaat, krijgt inzicht in wat een demokratie kan zijn. Met onze voettocht moe­ten wij op een voor iedereen sprekende wijze getuigenis afleggen van on­ze demokratische en pluralistische geest. Specifiek voor de eerstejaars­studenten zal de voettocht een aktieve en onmiddellijke aansluiting met de studentengemeenschap betekenen. Overal ter wereld – Argentinië, New York en Amsterdam – treden de stu­denten op als een progressief machtsblok. We maken een nieuwe roman­tiek mee die wordt uitgedragen in begrippen als ‘rechtvaardigheid en de­mokratie’. Met eenzelfde paradijselijk soort overmoed laten studenten zich slaan en opleiden, klagen zij politieterreur en imperialisme aan, re­ageren zij tegen de burgerlijke idealen uit de opgeruimd-staat-netjes win­kel. We maken weer een tijd mee waarin de ‘totale revolutie’ wordt bezon­gen, een tijd van het grote enthousiasme. Men trekt te velde tegen de windmolens van de verzuiling en de diskriminatie; men wil elke persoon­lijke uitingsvorm gerespekteerd zien. Met onze voettocht willen we mani­festeren voor een mentaliteit. De eis: ‘Leuven Nederlands’ is niet een stel­ling die wij voorop plaatsen, het is een uitvloeisel van onze nieuwe geest. Wij stellen voorop dat een universiteit volledig in de gemeenschap moet zijn ingebouwd. Er moet een levende wisselwerking zijn tussen de univer­siteit en de gemeenschap omdat een universiteit als enige taak heeft: het opleiden van mensen voor die gemeenschap. Vanuit dit standpunt hebben ook de studenten de plicht voor Wallonië een eigen universiteit te eisen.

ONS LEVEN

 

De uitbarsting van opstandigheid in mei ‘66 was echter een ge­beurtenis waarin de studentenbeweging haar krachten fel te boven was gegaan. De studentenwereld die zich het hele jaar ‘65 vrij mak en lam had gedragen, had zichzelf overtroffen in die drie dagen van mei ‘66. Het zou nog heel wat tijd vergen om alle opgedane ervaring te verwerken, om de losgeslagen energie om te zetten in klare denkbeelden. Het academiejaar ‘66-’67 was een jaar van voortdurend oplaaiende politieke discussies die de spontane en gevoelsmatige opstandigheid van de mei­revolte hebben omgezet in bewuste linkse ideeën. Het acade­miejaar ‘66-’67 werd ook getekend door het gezwoeg van Paul Goossens die onverpoosd aan het wroeten was zoals de koppige boer die achter zijn ploeg stapt; de grond was moeilijk te bewer­ken in dat jaar. Moeizaam werd het agitatiewerk volgehouden met als hoogtepunt in februari-mei ‘67 de ‘Operatie Ultima­tum’, waarbij allerlei prikakties naar een climax moesten lei­den. Er was een grote actie naar het parlement, een groep Leu­vense studenten ging het Atomium bezetten. Dit ondankbare agitatiewerk, dat schijnbaar geen resultaat opleverde, vormde een kern van activisten en stimuleerde het strijdverlangen van de studenten dat echter verborgen en sluimerend bleef. Zonder dit moeizame wroetwerk zou de januari-revolte van ‘68 er nooit zijn gekomen.

11 juli ‘68

GIJ, VLAMING, GIJ, VLAAMS-NATIONALIST,
gij, die vandaag de Guldensporenslag herdenkt,
gij die met wapperende leeuwen, tirades, bedevaarten, marsjliederen
uw eigen “volksaard” wilt terugvinden
omdat gij uw “volk” hoogverheven, religieus bewogen en cultureel
volwassen vindt,
herdenkt gij wel genoeg dat op 11 juli 1302 het de Vlaamse
arbeidersgilden waren die de feodale heren, de collaborateurs van
de Franse adel, bevochten,
denkt gij wel genoeg aan het evidente feit
dat de vazallen en leenheren van toen
vandaag de textielbarons, grondspeculanten, holdings en kapitalisten
zijn van de Vlaamse burgerij.

VLAMINGEN, uw “eigen aard”, uw “kultuur”, het beveiligen van uw bloed en
bodem zijn onbelangrijk geleuter vergeleken bij de ware ontvoogding
die moet doorgevoerd worden en die de Vlaamse afhankelijkheid
van het kapitaalmonopolie moet doorbreken.

VLAMINGEN, de geschiedenis van 1302 wordt misbruikt,
de Vlaamse beweging staat in dienst van de Vlaamse burgerij
die in dienst staat van de Belgische burgerij
die opgeslorpt is door internationale belangen.
Uw geestdriftig feest zet alleen de burgerij, de kerk en het kapitaal
in de bloemetjes. Want de Vlaamse “kultuur”
is een masker voor de Vlaamse burgerij
die een economische en politieke macht in handen houdt die aan
de massa verdoofde en lamgelegde arbeiders toekomt.

VLAMINGEN, terwijl gij met de leeuwevlag zwaait,
neemt het buitenlands en voornamelijk Amerikaans kapitaal uw
industrieën in,
worden SHAPE en NATO door Vlaamse parlementairen in uw land gehaald,
en telt de Vlaamse burgerij haar dividenden.

VLAMINGEN, gij stikt in de sonore domheid van uw volkslied,
gij draagt onder het masker van uw taalflamingantisme
het waterhoofd van de Vlaamse bourgeoisie.

‘T GEMEEN

Hugo Claus – Walter De Bock

Leuven, 17 mei ‘66. Stakingspiket voor De Valk: ‘Eruit purperen gieren’ 
en ‘Suenens bourgeois’

 
2. Januari '68 - Het dagboek van een revolte
Op 13 januari 1968 plukten de Belgische bisschoppen, ten he­mel starend, weer een bijzonder briljant idee uit de sterren. Zij besloten hun succesrijke sketch van mei ‘66 nog eens over te doen en verkondigden nogmaals ‘urbi et orbi’ dat de Frans­talige universiteit in Leuven zou blijven. Deze keer bleef het bijtende anti-klerikalisme de bisschoppen evenwel bespaard: de studentenbeweging was haar kinderja­ren ontgroeid; ze had alleen een meewarige spot over voor het handvol gemijterde grijsaards. Want nu wilden de studenten andere katten geselen, zoals blijkt uit de ordewoorden die prompt op pamfletten de ronde deden.

Bourgeois Buiten!
Vernietig de Société Générale!
Brusselse fascisten buiten!

Een Waalse Universiteit
voor het Waalse volk
in het hart van Wallonië!

Onmiddellijke overheveling!
Pluralistiese universiteiten!
Demokratiese universiteiten!

Dinsdag 16 januari. Voor Paul Goossens is om 3 uur in de na­middag het uur der glorie aangebroken. Hij, die een jaar lang met de megafoon zijn predikingen de Leuvense woestijn heeft ingestuurd, staat nu plots voor een nokvolle zaal in het auditorium De Valk en elke oproep wordt met laaiende be­zieling door de honderden aanwezigen overgenomen. ‘Bour­geois buiten!’ is de oorlogskreet die het schandelijke ‘Walen buiten!’ ten goede vervangt. De massa trekt op naar de hallen waar ze tafels, stoelen, fichebakken en andere huisraad naar buiten draagt en opstookt. Het vuur slaat in de Leuvense pan... Het geroep van 2.000 betogers galmt tussen de huizen, als ‘s avonds om 22 uur de eerste avondwandeling van start gaat. De rijkswacht leidt die nacht 325 personen voor. Tussen de gevangenen bevindt zich ook een 75-jarige priester die prompt ‘democratisch’ wordt verkozen tot decaan van de fa­culteit gevangenis en rector van de rijkswachtkazerne.

Woensdag 17 januari staakt heel Leuven-Nederlands. Een gro­te groep stakers wordt op het middaguur door rijkswachters uiteengeranseld. De studenten vluchten het Pauscollege bin­nen, wild achtervolgd door ‘de Sturmabteilung’. Vanaf van­daag wordt Leuven overdekt met een lawine van muurkran­ten. In mei ‘66 schreeuwde de massa nog ‘Walen buiten!’ en ‘Suenens of Barabas? Barabas!’ Meer had zij toen niet te zeg­gen. Maar in januari ‘68 sprak de massa met duizend vurige tongen en vele studenten ontpopten zich tot profeet; grote verklaringen vloeiden uit de pen en kwamen op muurkranten te staan. Aan de huizen van de faculteitskringen, aan de stu­dentenhuizen, aan de Alma’s verschenen muurkranten die uitdrukking gaven aan de spontane golf van politieke welspre­kendheid die zich van de studenten meester maakte. Eén voorbeeld, met bezieling neergeschreven door een aanstaande psycholoog en opgesteld in de Franse taal, een muurkrant die met een zekere waardigheid en fierheid door honderden stu­denten goedkeurend werd gelezen.

Wallons

Les troubles actuels n’ont aucun rapport avec une querelle linguistique. La langue française est la seule chose que la bourgeoisie a de commun avec vous. Notre langue qui est aussi la votre est la langue et la mentalité anti-capi­taliste et anti-bourgeoise. Apparemment, la communauté flamande est seule menacée par des déci­sions arbitraires de quelques marionnettes du grand capital. A la longue durée, 80 % des WALLONS et des FLAMANDS seront dupes du capital bruxellois. Aussi êtes-vous invités à agir avec nous. ACTION! ACTION! ACTION!

Om 17 uur stroomt Alma II vol. Nauwelijks zijn de eerste woorden gesproken, of de rijkswacht valt de zaal binnen. De blauwe bende heeft deze keer geweren in de hand en uit de menigte stijgt de sarcastische kreet op: ‘Schieten! Schieten! Schieten!’ De ‘blauwe gieren’ pikken Paul Goossens uit de massa op en voeren hem naar de kazerne. De berekening is dat de onmondige massa wel snel zal zwijgen als de talent­rijkste agitator eenmaal ingeblikt is. De linkse ideeën hebben zich echter al lang meester gemaakt van de harten en tiental­len onbekenden zullen, verontwaardigd over de aanhouding van Goossens, zichzelf overtreffen en de overtuigingskracht van de werkleider van de Studenten Vak Beweging (SVB) met succes imiteren. Deze historie voegt ook een strijdkreet toe aan de litanie van de revolte: ‘Goossens uit de handen van de fascisten!’

Vanaf donderdag 18 januari is er samenscholingsverbod. De studenten psychologie bezetten een auditorium om een Franstalige les te boycotten, maar zij worden door de rijks­wacht buitengewalst. Tientallen studenten worden opgela­den; de rijkswachtkarren zijn omringd door honderden stu­denten die het lied ‘We shall overcome’ afwisselen met ‘Ges­tapo! Gestapo!’

Geïnspireerd door de Griekse tragedies, vinden de studenten een nieuwe agitatievorm: het spreekkoor. In de moderne ver­sie is het koor grijsaards vervangen door een dertigtal stu­denten die traag en duidelijk op regelmatige kadans decla­meren:

'Kan je niet lezen,
kan je niet schrijven,
ben je sadist:
kom bij de rijkswacht!'

Die avond vindt een van de grootste meetings plaats: de meer dan 2.000 studenten geraken niet allemaal in de Alma. Een student van de Franstalige afdeling komt zijn solidari­teit betuigen met de democratische strijd van Leuven-Ne­derlands.

Vrijdag 19 januari zal de Academische raad om 16 uur verga­deren. Drieduizend demonstranten vatten post op de Grote Markt voor de Hallen. De rijkswacht richt de waterkanonnen op de compacte massa maar de studenten grijpen elkaar bij de armen vast en bieden in blok weerstand aan de koude water­stoten. Als de reservoirs leeg zijn, slaan de blauwe beulen met hun matrakken op de menigte in; neervallende studenten worden vertrappeld.

 'Meeting in De Valk!
We shall overcome!
Goossens uit de handen van de fascisten!
Revolutie! Revolutie!'

En een verbeterde versie van het spreekkoor:

 'ABC,
één en één is drie,
nu heb je voldaan
en mag je bij de rijkswacht gaan.'

De Academische raad, door de burgerlijke pers beschreven als de koene mannen der Vlaamse weerbaarheid, heeft met een bang hartje de kreten opgevangen die van de Grote Markt naar omhoog stijgen: ‘Revolutie! Revolutie!’ In paniek wordt het besluit getroffen om de lessen te schorsen tussen 19 en 27 januari. En in de verklaring die wordt opge­steld, kondigen deze grote Vlamingen tevens af ‘dat alle vor­men van geweld tegen personen en beschadiging van gebou­wen, benevens oproepen daartoe, ten strengste dienen afge­keurd te worden.’ Deze verklaring wordt neergepend terwijl een paar meter ver­der, voor de deuren van de Hallen, de studenten weerloos neergemaaid en in elkaar getrapt worden in naam van openba­re orde en rust! Vandaag wordt het tweede nummer van het ‘illegale dagblad’ Revolte rondgedeeld. Geen ander drukwerk uit januari ‘68 wist zo klaar de ‘stem van de massa’ vast te leggen. Het werd geschreven door een toevallig samentreffen van activisten. De ene bekommerde zich geenszins om de literaire kwalitei­ten van zijn verhakkeld en hortend proza, de andere nam het niet zo nauw met de politieke precisie van zijn oorlogskreten, maar gezamenlijk stelden deze onbekenden pamfletten op die snel een grote vermaardheid verwierven.

Leuven, 1968. Paul Goossens en Ludo Martens.

 

1ste Jaargang – 19 januari 1968 – Nr. 2
REVOLTE
(Illegaal dagblad)

KERK en KAPITAAL worden te Leuven in het gedrang gebracht.

Door wie werd het diktaat van 13 januari 1968 uitgevaardigd? Welke machtsgroepen gaan er schuil achter de naam van de 16 Franstalige on­dertekenaars? De Vlaamse studenten weten dat in de eerste plaats de Bel­gische Bisschoppen, hetzelfde klerikale bolwerk dat in mei ‘66 een eerste diktaat de wereld instuurde, dit tweede anti-Vlaamse dokument heeft mede opgesteld. Drie purperen handtekeningen sieren het: Monseigneur Edouard Massaux, Monseigneur Joseph Devroede en Monseigneur Gus­tave Thils. In de tweede plaats weten wij studenten dat de holdings en banken, die een bijzondere macht uitoefenen in ons negentiende-eeuwse land, dit franskiljonse opzet krachtdadig steunen: twee hooggeplaatste vertegenwoordigers van de kapitalistische wereld hebben persoonlijk on­dertekend: le professeur Michel Woitrin, beheerder van de bank ‘ La So ­ciété Générale de Belgique’, en de heer Maurice Schot, financieel raads­man van kardinaal Suenens en direkteur van dezelfde holding ‘ La Société Générale de Belgique’. Kerk en kapitaal tegen het Vlaamse en het Waalse volk. Reaktionair kris­tendom in plaats van demokratie: ziedaar de machtige vijanden der Vlaamse studenten. Kerk en kapitaal kunnen de studenten echter niet in hun macht krijgen. Daartoe behoeven zij beroep te doen op het repressieapparaat van Zwart­berg (twee doden) en Oudenaarde (één dode): de RIJKSWACHT.

Wanneer de rijkswacht dient op te treden – op een ernstige manier zoals momenteel sinds enkele dagen te Leuven – dan zien de studenten dit ge­paard gaan met een volledig wankelen der Belgische zogenaamde demo­kratie. De Belgische grondwet garandeert elke Belg vrijheid van vergadering: momenteel wordt te Leuven elke vergadering tot binnen de universitaire gebouwen toe uit elkaar geklopt. De Belgische grondwet garandeert elke Belg vrijheid van spreken en van betogen: momenteel worden in Leuven honderden willekeurige aanhoudingen verricht en slagen of verwondin­gen toegebracht. In Leuven heeft voortaan de rijkswacht het monopolie van het geweld: de politieke rechten en vrijheden worden van de kaart geveegd: omdat kerk en kapitaal in het gedrang komen. Om dezelfde re­den werden vanaf donderdag de samenscholingen van meer dan vijf per­sonen verboden door het stadsbestuur. Onze tegenstanders stapelen fata­le flaters op want het studentenverzet groeit van dag tot dag ondanks de repressie. Gisteren reeds kwamen de eerste stakingsberichten uit hogere technische scholen, kolleges en andere universiteiten. Volgende week groeit de Leuvense Revolte tot een Nationale oppositiebeweging.

Hoe dient de studentenaktie georganiseerd te worden?

Vrije meningsuiting bestaat niet meer in onze stad. Toch zullen de ‘orde­handhavers’ er nooit in slagen de stem van de studenten het zwijgen op te leggen; zelfs al diende REVOLTE illegaal te worden verspreid. Dit blad wil de eensgezindheid der studenten in de komende dagen en weken mee handhaven en meehelpen aan de organisatie van het studentenverzet. Hoe dient de verdere aktie geleid te worden? Het is duidelijk dat, gezien de uitzonderingstoestand, de klassieke drukkingsmiddelen – waaronder studentendelegaties, overleg met de overheid, bureaukratische kamerge­sprekken of diskussies binnen bestaande studentenorganisaties – niet meer volstaan en zelfs gevaren inhouden voor het demokratisch verloop der aktie. Daarom is en blijft de dagelijkse VOLKSVERGADERING, waarop honderden studenten ZELF de toestand bespreken en besluiten nemen, het beslissingsorgaan waaraan de studentenvertegenwoordigers nu ver­antwoording verschuldigd zijn: de massale aanwezigheid der Leuvense studenten zal in deze dagen de studentenleiders een richting aanwijzen voor komende akties. Alleen de volksvergadering zal van de studenten­revolte een demokratische massabeweging blijven maken. Wellicht wordt het ook mogelijk een Vlaamse Studentenraad op te richten samen met de vrienden uit Gent, Brussel, Antwerpen en het Niet-Univer­sitair Hoger Onderwijs om de aktie een nationaal karakter te verlenen. Ondertussen staat dit vast: wij studenten moeten EISEN dat de universi­teit blijft toestaan dat dagelijks een auditorium wordt afgestaan aan de studenten om hun standpunt te bepalen en de situatie te bespreken in hun eigen universiteit.

Geslaagde guerilla

In onze eerste uitgave vermeldden wij reeds de geslaagde guerilla-akties in de nacht van 17 op 18 januari. Het huis van de heer Woitrin werd met een bezoek vereerd, bezoek dat niet vertrok zonder enige duidelijke spo­ren van zijn aanwezigheid achter te laten. Dergelijke mededelingen bereikten ons in overstelpende hoeveelheden. Wij willen vanaf deze plaats de verzetstroepen met hun bliksemakties gelukwensen. De methode van de guerilla blijkt ook in Leuven uiterst ef­ficiënt en wat meer is, de bende van de Dagobertstraat staat hier machte­loos tegenover. Het aantal pluimpjes dat de majoor uit Brussel krijgt gaat sterk achteruit. Dit is duidelijk te zien aan zijn anders altijd zo arrogante maar nu steeds paniekeriger wordend gezicht. In het Sencie-instituut vond een vechtpartij plaats tussen Vlaamse en Waalse studenten. De ordediensten kwamen tussenbeide, natuurlijk te laat. Een Vlaams student werd bewerkt met een ijzeren staaf. In de gege­ven omstandigheden is zijn toestand redelijk te noemen. Praktisch alle universiteitsgebouwen hebben nieuwe portiers gekregen. De kleding is een beetje extravagant, helm en wapenstok en zo. De ruiten van de residentie van Descamps werden verstevigd. De kerk in haar bedreigde veste!!! Diezelfde Descamps legde klacht neer tegen Paul Goossens die eerstko­mende dinsdag wordt voorgeleid. De klacht luidt als volgt: ‘schenden van woonsteden door private personen’ en ‘aanzetten tot het plegen van misdaden en wanbedrijven’. Het blijkt duidelijk dat karikatuur Des­camps eens te meer niet weet waarover hij het heeft.

Bij Paul Goossens thuis is huiszoeking verricht, eveneens werd zijn ka­mer op SVB overhoop gehaald. Gearresteerde en weer vrijgelaten studen­ten deelden ons mee dat de taktiek van ondervragen erop gericht is om Paul Goossens allerlei zaken in de schoenen te schuiven. Wanneer de studenten dat doen worden ze vrijgelaten. Deze walgelijke nazi-metho­des worden toegepast in het België van de twintigste eeuw. Reviers vindt altijd wel een stok om iemand te slaan. De rijkswacht heeft de vrije hand gekregen in het doen van huiszoekingen. Wanneer zij ergens subversieve aktiviteiten vermoeden, mogen zij binnenvallen ter meerdere eer en glo­rie van de demokratie. Een professor (Van Roey) in de Germaanse filologie, lesgevend aan Vlaamse studenten maar ingeschreven op de Franse taalrol, heeft gewei­gerd deze studenten nog les te geven of examens af te nemen.

De Leuvense revolte werkt als een katalysator: in het hele land wordt een proces van politieke bewustmaking versneld. De uitwerking van een week massa-actie in Leuven begint overal door te sijpelen: de Katholieke Jeugdraad steunt de stu­denten, in middelbare scholen gaan acties van start. Maandag 22 januari stellen de autoriteiten hun misrekening vast. Zij hadden gewed op het spontane uitdoven van een spontane revolte. Maar de studentenleiders hebben begrepen dat men organisatie, planning en politieke visie moet steken in de spontane beroering. In de namiddag komen 2.000 studenten samen in Alma II. De­ze volksvergadering is al een ingeburgerde dagelijkse gewoon­te geworden, een betekenisvol contrast met mei ‘66 toen hele­maal géén politieke massa-bijeenkomsten plaatsvonden. Op deze volksvergadering wordt besloten de Leuvense revolte te beschouwen als de start voor een nationale politieke campag­ne: donderdag moet er een nationale studentenbetoging ko­men en volgende week maandag wil men alle middelbare scholen buiten brengen en aan de fabriekspoorten informatie verspreiden over de studentenstrijd.

De viswijven van de burgerlijke pers hebben onmiddellijk in de gaten dat er in Leuven iets totaal nieuws te bespeuren valt. ‘De studentensprekers parafraseren toespraken die men in do­kumentatieverzamelingen over revoluties van het verleden aantreft.’

Voor de ouwe tante die zo haar levenswijsheid opdist in De Standaard van 23 januari, is ‘revolutie’ iets uit donkere, lang vervlogen tijden, iets uit een grauw en ver verleden, terwijl de stralende, dynamische toekomst ongetwijfeld als opschrift draagt: waardigheid, solidariteit, onderdanigheid aan de vorst, gehoorzaamheid aan de regenten, buigzaamheid voor de handhavers van de openbare orde. Zo heeft iedere klasse haar idee over wat tot de toekomst en wat tot het verleden be­hoort. Maar op datzelfde ogenblik breken ook de middelbare scholie­ren de schoolpoorten open en komen op straat, in Mechelen­aan-de-Maas en Elsene, in Geel en in Tienen... De opstandige geschriften die in Leuven circuleren nemen meer en meer een verbeten karakter aan.

1ste Jaargang – 22 januari 1968 – Nr. 3
REVOLTE
(illegaal dagblad

REVOLTE (NOG ILLEGALER DAN VORIGE KEREN)
(...)
Moet Leuven Branden?

In onze revolte tegen de unitaire beslissingen van de bourgeoisregering die ook de universiteit te Leuven beheerst, hebben wij dit stadium bereikt: de studenten hebben een week lang in Leuven het akademisch leven onmoge­lijk gemaakt. Er werd guerrilla gevoerd. De professoren en Lovan zijn ook tot staking overgegaan. Is deze aktie daarom geslaagd? In feite nee, want nu begint ze pas. Nu moeten wij de konsekwenties van hetgeen wij hier in
Leuven veroorzaakt hebben ten volle beseffen en opnemen.

Leuven, december 1967. Optreden Golden Gate Quartet. Onder de aanwezigen o.a.: Annemie Mels, Kris Merckx, rector De Somer, cardioloog prof. Joossens, pneumoloog prof. Gijselen, vice-rector Monseigneur Guido Maertens.

We mogen ons niet laten misleiden door allerhande schijnmaneuvers die alleen maar tot doel hebben Leuven – en niet alleen Leuven, maar ook het ganse land – kalm te houden. Onze revolte is nu het kritieke stadium aan het bereiken. Nu moeten wij verder gaan, zoniet doen de kapitalisti­sche marionetten onze aktie doodvriezen. Iedereen moet weten dat zo’n aktie op verscheidene niveaus wordt gevoerd. Het niveau van de volksvergaderingen en konferenties. Het niveau van de ondergrondse, daadwerkelijke guerilla.

Velen hebben zich de laatste tijd afgevraagd hoe men bommen moet ver­vaardigen. 1) Molotov: giet een bierfles vol benzine. In een reep doek maakt men een paar knopen. Steek de vod in de met benzine gevulde fles, zodat met de knopen de fles goed wordt afgesloten. Een stuk van de vod steekt met 15 cm boven de met knopen gevulde hals uit en doet dienst als lont. Dit projektiel moet men gewoon aansteken en te pletter gooien op het te ver­nietigen objektief. Een molotov moet onmiddellijk gegooid worden (geen dag laten staan). 2) Twee flessen, één met benzine, een andere met zwavelzuur, stopt men af en bindt men aan elkaar. Gewoon te pletter gooien en de ontbranding gebeurt vanzelf. Als iemand dit doet, en het is noodzakelijk dat dit gebeurt, dan doet hij het liefst alleen of hoogstens met één kameraad. Wij moeten kunnen af­zien van onze eigenliefde om aan de anderen te tonen: ik durf het ook. Dus zo stil mogelijk houden. Het effekt is het enige dat van belang is voor de revolte. Niet het vooruit­schuiven van je eigen ik. Ten andere moet goed opgelet worden voor de speciale brigades die er op gebrand zijn iemand op heterdaad te betrap­pen. Als men alleen werkt bestaat dit gevaar niet. Een goed voorbereide aktie kan men niet uitvissen. Nog een goeie raad: vervaardig die dingen nooit op je eigen kot.

Voertuigen die te mijden of te bewerken zijn: volgende BOB-wagens: 38RY7 en 38RY4, twee lichtgrijze R4 zijn dit; 13W65, een kleine grijze Simca; 1KEK9, een Borgward Izabella; 2AY36, een beige Opel Rekord; Y2015, een zwarte VW; verder nog: twee witte R4, een donkerblauwe Peugeot, een lichtblauwe Peugeot met zwaailamp, een witte VW (met Re­viers persoonlijk aan boord). Let vooral op de spiraalantennes op het dak!

Richtlijnen voor konkrete aktie. Spreiding van de aktie over de ganse stad en daarbuiten, zo kan de rijks­wacht het niet meer aan. Grondig werk leveren in kleine groepen van hoogstens 5 tot 6 man. Na het werk vlug maar kalm verdwijnen, de mist is hiervoor een geschikt middel. Nog enkele objektieven: Société Génér­ale, Shoe-Post. Al deze akties zijn zonder gevaar, wanneer zij goed zijn voorbereid.

Werkmiddelen: Katapulten met knikkers (zeer goedkoop). Eieren met verf: maak twee gaten van 1 mm . Blaas het uit. Maak onderste gaatje met kaars dicht. Trek verf op in plasticspuit (te bekomen bij alle apothekers). Spuit ongeveer 30 cc in het ei. Sluit het goed af met kaars. Het gooien van traangas in brievenbussen levert ook resultaten op. Hetzelfde voor rook­bommen.

Dinsdag 23 januari komen de parlementairen bijeen: dit uitge­lezen gezelschap van eerbare lieden, streng geselecteerd door de hoofdkwartieren der burgerlijke partijen en voor de aan­dacht van het kiezerskorps geduwd dank zij de vele miljoenen die de rijken aan dit zaakje spenderen. Zij zijn er voornamelijk om toe te zien op de goede gang van zaken. In de parlementai­re wandelgangen zindert de verontwaardiging om de Leuven­se revolte. In De Standaard van 24 januari stelt vast: ‘De geweldpleging in de universiteitsstad en het groeiende re­volutionaire karakter van de studentenakties vormde het hoofdmotief van de gesprekken.’ Vanaf vandaag staakt de Gentse universiteit. In dezelfde stad trekken stakende scholieren van de ene school naar de andere om hun lotgenoten die de lessen nog volgen, mee te krijgen. In Mol en in Lommel telt men 1.500 betogers. In Mechelen en Oostende lopen middelbare en technische scholen leeg. In Antwerpen stromen 3.000 studenten en scholieren samen.

Woensdag 24 januari overtreft de Leuvense rector De Somer op zijn ééntje de hele Belgische staatsveiligheid: hij legt beslag op het ‘illegale dagblad Revolte’, vierde aflevering. Aanleiding tot dit ingrijpen was volgend editoriaal van De Standaard: ‘Op de maan of op een andere planeet?Een aantal Leuvense stu­dentenleiders is blijkbaar niet meer van deze wereld. Maandag werd nummer 3 van de illegale krant Revolte verspreid; het riep niet alleen op tot een guerillataktiek maar gaf ook drie zeer dui­delijke recepten voor het maken van molotov-cocktails. (...) Die studentenleiders, gesteund door een groepje van een 200 agitatoren, willen te Leuven een vraagstuk stellen dat thans vooral de Duitse universiteiten beroert... Het is het vraagstuk van de zogezegde kritische universiteit die door een sociale revolutie, niet alleen binnen de instelling, aanstuurt op een nieuwe maatschappij – wat dat dan ook moge wezen... Alleen maken zij zich illusies te denken dat zij de opinie aan hun kant zullen krijgen of dat zij overmorgen in vijftig fa­brieken de sociale opstand zullen uitlokken (sic). De zaak Leuven is veel te ernstig dan dat zij aan deze tovenaarsleer­lingen zou worden overgelaten en het Vlaamse front van akademische overheid, akademische raad, professoren, stu­denten en een paar miljoen Vlamingen is te hecht dan dat het door enkele utopisten zou worden gebroken.’

Erg onthullend proza.

Wie de revolte voorstaat, is ‘niet meer van deze wereld’. Ja, waarom zo iemand niet meteen in een psychiatrische in­stelling gestopt? In Leuven komen dagelijks 2.000 studenten bijeen. Een golf van stakingen gaat over het land en tienduizenden scholie­ren sluiten zich bij de actie aan. Dit brede democratische front is realiteit, is dagelijks zichtbaar op de straat. Die reali­teit wordt minachtend opzijgeschoven met wat gemompel over ‘tovenaarsleerlingen’ en ‘200 agitatoren’. Maar om dit actieve, strijdende, democratische front te kraken, drukt men pronkerige rethoriek af over ‘het Vlaamse front van akademische overheid en een paar miljoen Vlamingen’. Voor de Vlaamse bourgeoisie is de ‘zaak Leuven’ een gele­genheid om een groter stuk van het Belgische staatsapparaat onder controle te krijgen. Maar de radicale democratische verzuchtingen die de Vlaamse jeugd naar voren schuift, worden door die Vlaamse burgerij naar een andere planeet verwenst. De betogingen van januari ‘68 vormen een overtuigende weer­legging van de laster van de Vlaamse bourgeoisie. Leuvense studenten voeren in alle uithoeken van het land het woord en brengen de democratische geest over bij tienduizenden jonge mensen. Er zijn vierduizend betogers in Gent. Een slogan: ‘La­ten wij alle bourgeois-universiteiten vernietigen, laten wij volwaardige democratische universiteiten opbouwen.’ In Antwerpen grijpt de stakingskoorts om zich heen in 45 mid­delbare scholen; vanop de Groenplaats wordt betoogd in een ware sneeuwstorm. En het blijft cijfers regenen: Hasselt 4.000, Bilzen 3.000, Sint-Niklaas 2.000, Kortrijk 2.000 betogers.

Donderdag 25 januari. Vanavond is een grote nationale beto­ging voorzien. Maar ‘s morgens bewijst de rijkswacht al dat zij tot grote verrichtingen in staat is. Om 9.30 uur staan 600 meisjes en jongens op het binnenplein van het Mater Dei Ly­ceum in Sint-Pieters-Woluwe. Manmoedig en plichtsbewust trekt de gendarmerie er op af. Ongevraagd stormt een peloton van 40 man de school binnen en jaagt de honderden meisjes en jongens door een smalle uitgang naar buiten. Dan begint een ware klopjacht. De buit is groot: 109 leerlingen worden opgepikt! Op datzelfde ogenblik tellen wij 3.500 betogers in Diest, 3.000 in Brugge, 1.500 in Izegem. 1.000 in Geraardsbergen...

‘s Avonds zijn er op het Arenbergplein in Heverlee meer dan 2.000 aanwezigen voor de meeting. Daarna trekt de groep Leu­ven binnen. Op naar de Hallen! Op de Grote Markt worden ze van alle kanten omsingeld door rijkswachters zodat de jacht weer kan beginnen. Overvalwagens razen door Leuven. Als ze plots halt maken, storten de rijkswachters zich op de passanten. Een zwangere vrouw verzet zich schreeuwend tegen haar aan­houding maar wordt met geweld in de wagen gesleept. De ca­mera van een fotograaf die deze scène vastlegde wordt stukge­slagen. Een Amerikaanse TV-ploeg wordt met het waterkanon bestookt; mensen en materieel worden weggespoten. De Stan­daard van 27-28 januari laat een ooggetuige aan het woord: ‘Ik heb een tijd in Kongo gezeten. Welnu, zoals de Force Publi­que ginder op de negers klopte zo klopt de rijkswacht hier op de studenten.’ Dat is de nagel op de kop: in de twee gevallen dient de gewa­pende macht om de belangen van het grootkapitaal te vrijwa­ren, zowel tegen de nationale bevrijdingsbeweging in de (ex-) kolonie als tegen de sociale bevrijdingsbeweging van arbei­ders en democraten in eigen land. Die nacht worden 675 personen opgepikt, waaronder een aan­tal Limburgse mijnwerkers.

Vrijdagochtend 26 januari: huiszoekingen ‘op SVB’ in de Eik­straat en op het Verbond. Op SVB zijn de vogels gaan vliegen... en wel in de richting van de Luikse fabrieken. Zowat over het hele land staan studenten voor de fabriekspoorten voor een grote informatiecampagne. Zij staan aan de dokken, aan Ge­vaert, aan General Motors en Bell Telephone in Antwerpen; aan bedrijven in Gent, in Luik en in Zedelgem. Dezelfde dag vallen weer talrijke scholierenoptochten te no­teren met ondermeer in Tielt 1.500 en in Puurs 1.000 man.

Brusselse bourgeois buiten!’ wordt er in Leuven geschreven en geschreeuwd. Die slogan is een toegeving aan het Vlaams nationalisme, voor wie Brussel de bakermat is van alle kwaad.

Leuven, 15 januari ‘68. Vergadering FK. Kris Merckx (met de rug naar de foto), rechts van hem René De Preter, voor hem Karel Geboes. Staand: Dirk De Wildeman en Guido Geckiere.

Maar thans, na twee volle weken revolte, proberen de bourgeois uit Vlaanderen, Brussel en Wallonië angstig elkaar te vinden. Hun eensgezindheid is roerend: er moet een einde komen aan de ‘Commune van Leuven’. Manu Ruys schrijft in De Stan­daard van 27-28 januari: ‘Wellicht is het nog mogelijk dat voor Leuven een verstandig akkoord wordt bereikt: omdat men niet straffeloos maanden­lang studenten in een chaotische revolutionaire situatie laat stoven.’ Alle ‘Vlaamse’ partijen hebben behoefte aan kletterende, Vlaam­se demagogie: het gemiddelde kiesvee marcheert daar immers blindelings op. Maar de Leuvense studenten zijn dat Vlaamse ge­jank beu en zijn op het onzalige idee gekomen hun strijd in zui­ver democratische termen te stellen, om de hele Vlaamse jeugd aan te voeren in een heidense kruistocht tegen kerk en kapitaal. De bourgeoisie heeft maar één dwangidee: beletten dat in Leu­ven iets ontstaat dat definitief ontsnapt aan de greep van de ge­vestigde partijen. De Standaard van 27-28 januari schrijft: ‘De agitatie over het hele land leidt onvermijdelijk tot een radi­kalisering en men zou er goed aan doen te bedenken dat bijvoor­beeld in Nederland de jongere generatie niet langer in het kiel­zog van de gevestigde partijen wenst te varen.’ De burgerij is nog nooit aan het schrikken gebracht door harde woorden of door bijtende verbale protesten, noch door aan­klachten en petities. Alleen opstandigheid doet de burgerij overeind veren. Alleen de beroering die om zich heen grijpt on­der studenten, scholieren en jongeren spoort de burgerij aan tot toegeven. Bid, smeek, kruip, kniel en klaag en ze trappen je. Maar als de massastrijd losbreekt, onverzettelijk blijft, zich niet laat verdelen of bedwelmen, stevig vasthoudt aan de eisen en bestendig meer mensen in de actie betrekt, dan zal de burgerij, met leed in het hart, een aantal toegevingen doen.

De burgerij begrijpt beter dan de arbeidersbeweging dat er in Leuven belangrijke omwentelingen plaatsgrijpen. Alleen het nationaal secretariaat van de KWB begroet de ‘Vlaamse sociale bewustwording’ van de studenten.

Maandag 29 januari stapt Jan Mondelaers, de praeses van het Faculteitenconvent, op de bus die 45 studenten naar de Lim­burgse mijnen voert. Er is een echte massaberoering gegroeid rond het ordewoord ‘naar de fabrieken gaan’ en studenten van diverse strekkingen propageren de democratische strijd in Leuven aan de fabriekspoorten. Vandaag wordt in Alma II om 20 uur een bijzonder bizarre ver­toning opgevoerd. In de Alma zitten twee werelden bijeen en het geheel wekt de indruk van een surrealistisch schilderij. Vooraan, dicht tegen het podium aangedrukt, zitten twee rijen Vlaamse professoren. Ze kijken wat bleekjes maar plechtstatig voor zich uit. Achter hen hangt het geladen enthousiasme van de tweeduizendkoppige menigte. Een propvolle Alma. Professor Derine voert het woord namens het academische korps en zijn volzinnen gaan af en toe de agitatorische toer op. De zaal neemt hem dat in dank af en er wordt geroepen: ‘Revolutie, revolu­tie...’ Het zal wel niet zo erg vaak zijn voorgevallen dat een pro­fessorale rede herhaaldelijk werd onderstreept met de kreet: re­volutie! Professor Derine heeft zozeer de sfeer te pakken dat hij zijn toespraak afsluit met de krachtige inzet van ‘We Shall over­come’. De aanwezigen nemen dat stormachtig over. Op de eer­ste twee rijen lispelen de collegae met een lang gezicht: ‘Deep in my heart, I do believe that we shall overcome, some day...’

Daarna is het de beurt aan Michiel Van den Bussche om de stem van de studenten te laten horen namens het Vlaamse eenheidsfront: ‘Het heeft nu lang genoeg geduurd, wij moeten allemaal be­ginnen met het harde verzet!’ ‘Revolutie!’ klinkt opnieuw de ondubbelzinnige echo. ‘Wij willen universiteiten ten dienste van het volk en wij willen democratie binnen de universiteit zelf!’

De studentenbeweging is politiek mondig geworden en zij weet haar radicale visie te verdedigen binnen het eenheidsfront.

Dinsdag 30 januari: een volksvergadering gewijd aan de poli­tieke discussie over ‘de fascisering’. Het kapitalisme van de monopolies wordt gekenmerkt door de hoogste vorm van eco­nomische concentratie; daaraan beantwoordt een gelijkaardi­ge machtsconcentratie op politiek gebied en het systematisch gebruik van anti-democratische, repressieve methodes. Vandaag komt Paul Goossens uit de gevangenis. Door hem op te sluiten, hoopte de burgerij zijn stem te smoren. Maar SVB vond hierop een repliek. Paul Goossens had op 16 december 1967 in de Aula een tekst naar voren gebracht die nu als het ware door zijn inhechtenisneming werd geïllustreerd. SVB drukte een deel van deze tekst af als muurkrant die op duizen­den exemplaren in Vlaanderen werd verspreid.

Gevangenistekst van Paul Goossens

Er bestaat een gigantische ekonomische en financiële macht, gekoncen­treerd in zeer weinige handen. Die wordt door niemand gekontroleerd. Men kan gemakkelijk begrijpen dat deze gigantische macht ook zijn in­vloed uitoefent op de politiek, de massamedia, het leger, de massaorgani­saties. Een zeer beperkt aantal personen eigent zich de macht toe op on­gekontroleerde wijze, dank zij hun ekonomische en financiële positie. Wat staat de studenten te wachten als zij revolteren tegen de prijsstijgin­gen, de verminderingen van de studiebeurzen en het bedrog inzake uni­versitaire expansie? Weten onze Vlaamse vrienden dat een hooggeplaats­te Leuvense ambtenaar de rijkswacht uitschold omdat ze niet hadden ge­schoten op deze vuile kommunistenbende in Leuven? Laten wij ons herinneren dat Andreas Papandreou 14 dagen voor de staatsgreep heeft gezegd: ‘Ik geloof niet in een fascistische staatsgreep.’

De scholierenbeweging blijft uitbreiden. Boom 1.800 beto­gers, Eeklo 1.500, Waregem 2.000, en in Veurne voeren 700 scholieren de leuze mee: ‘Werk in de Westhoek!’ Woensdag 31 januari. In Vietnam vindt het beroemde Tet­offensief plaats. De Amerikanen verkondigen sinds drie jaar dat ze de Vietcong volledig aan het uitroeien zijn. Maar to­taal onverwacht weten de revolutionaire troepen plots alle grote steden van Zuid-Vietnam te bestormen. Een bataljon van 600 Vietcong-strijders is clandestien Saigon binnenge­drongen. Zij laten hun bommen ontploffen tot in het hoofd­kwartier van generaal Westmoreland, tot in de Zuidvietna­mese generale staf, tot in de VS-ambassade. Een klein volk dat vastbesloten is zijn onafhankelijkheid te verdedigen, dat goed georganiseerd is onder de leiding van een stevige com­munistische partij, kan de modernste oorlogsmachine ver­slaan.

Donderdag 1 februari: in het holst van de nacht vertrekken twee bussen met honderd studenten om in tien Luikse fa­brieken pamfletten te verspreiden. Voor ze de fabrieken be­reiken, botsen zij op de rijkswacht die 91 man oppikt. Onder hen de onfortuinlijke Goossens die nauwelijks één dag uit de gevangenis is... Er heeft een scholierenbetoging plaats in Kortrijk: 3.000 man; er is ook 800 man in Menen en 1.000 in Maaseik.

Vrijdag 2 februari bedenkt de een of andere aangeschoten stu­dent een dol verhaal. Op 16 januari zou de rijkswacht één van haar wagens onbewaakt hebben achtergelaten tijdens een wil­de kloppartij tegen een groep studenten; een ‘volksguerrilla’­groep zou uit deze wagen 23 geweren hebben gejat... Dit ver­haal slaat bij de rijkswachters in als een bom. Paniek alom. Wanneer ook maar één rijkswachter zijn gezicht op straat laat zien, wordt hem door een koor toegeroepen: ‘Eén ge­weer, twee geweren, drie geweren...’ en dat gaat zo door tot het triomfantelijke ‘Drieëntwintig geweren!’

Zaterdag 3 februari stappen 1.700 leraars op door het Ant­werpse stadscentrum. Dit gebeurt weliswaar in een onver­mijdelijke sfeer van waardigheid, maar het blijft een presta­tie voor het zo moeilijk te bewegen lerarenkorps. Dinsdag 6 februari was in de loop van de vorige week uitge­roepen tot ‘zwarte dinsdag’, een dag waarop de zwarte vlag van het protest en de revolte over het hele land zou worden gehesen. De universiteiten, de technische en de middelbare scholen nemen massaal deel aan deze ‘zwarte dinsdag’ en in Antwerpen en Mechelen vinden demonstraties plaats die meer dan 5.000 deelnemers tellen.

Woensdag 7 februari: de regering-Vanden Boeynants valt. Daarmee komt een spectaculair einde aan de Leuvense stu­dentenrevolte.

Leuven, 20 januari ‘68. V.l.n.r. Jan Demeulemeester (zittend), Michiel Vandenbussche (met de rug naar de foto), Jan Mondelaers, Herwig Lerouge, Gui Polspoel, Wilfried Adams en Walter De Bock.

3. De Gentse Maartbeweging

De studentenbeweging in Vlaanderen: dat was Leuven, daar had Leuven een patent op. Tot 12 maart 1969 was dit axioma ingeburgerd aan de Gentse universiteit. De studentenbevol­king van Gent, die uit meer populaire milieus afkomstig was dan die van Brussel en Leuven, had met interesse de Franse gebeurtenissen in mei ‘68 gevolgd. De wil groeide om de Leu­vense monopoliehouders inzake studentenstrijd naar de kroon te steken. Het verlangen groeide om vanuit de Gentse universiteit een mei ‘68 uit te zenden in uitgesteld relais. De voorzitter van Prokus (Progressieve Kultuur) zal onge­twijfeld niet voorzien hebben in wat voor avontuur hij zich stortte, toen hij op een maartdag van ‘69 naar het rectoraat ging, waar hij van rector J.J. Bouckaert de toelating wou krij­gen om een wetenschappelijk colloquium te organiseren on­der de gewichtige titel ‘Pornografie, zin of onzin?’ Een keure van eminente sprekers – Daniël Robberechts, professor Ver­meersch, professor Broeckx, advocaat Bultinck en drs. Smol­ders – zou zijn wetenschappelijk licht laten schijnen over dit onderwerp. Professor Vermeersch in Het Nieuwsblad van 14 maart 1969: ‘Elk van ons zou vanuit zijn discipline op een wetenschappe­lijk verantwoorde manier het fenomeen pornografie bespre­ken. Dokumentatiemateriaal, dia’s, films enzovoorts zou­den door de organisatoren ter beschikking worden gesteld.’

De voorzitter van Prokus had echter uit het rectoraat een brief meegekregen waarin werd meegedeeld dat de academie­raadzaal wel ter beschikking van Prokus werd gesteld, mits de restrictie dat ‘dia’s die kennelijk geen kunst zijn, niet (ver­toond mogen worden)(...) alleen dia’s van Romeinse en Griek­se, zogenaamde erotische kunstwerken, mogen gebruikt worden’. Arme rector J.J. Bouckaert. Hoe slecht kende hij de specifieke trekken van de Gentse studenten die altijd al zeer gevoelig waren voor aanslagen op de persoonlijke vrijheid. En hoe slecht kende hij de algemene trekken van de studentenbewe­ging die uit mei ‘68 geleerd had om de aanvallen van de geves­tigde autoriteiten te beantwoorden met een repliek... Op de roep ‘Pornografie, zin of onzin?’ kwamen 400 studenten bijeen in de grote academieraadzaal. Toen zij het verbod van het rectoraat vernamen, ontspon zich een discussie. De avond toch laten doorgaan en later een protestactie voeren? Luide af­keuring: ‘Dat betekent capituleren, dat betekent het verbod aanvaarden, dat betekent het protest doen vervagen tot een formele en ongevaarlijke daad.’ Algemene instemming. Men wil efficiënt te werk gaan. Vrijwilligers worden gevraagd voor een ‘werkgroep’ die belast wordt met het opstellen van een motie. Deze motie luidt uiteindelijk als volgt: ‘Woensdag 12 maart werd een wetenschappelijke voordracht ingericht door Prokus onder de titel Pornografie, zin of onzin? De vertoning van het dokumentatiemateriaal werd zonder eni­ge motivering door de universiteitsadministratie verboden. Dit leidt tot willekeurige beperking van ideologische of politieke vrijheid binnen de universiteit. Wij protesteren met klem te­gen elke vorm van censuur of dwangmaatregelen. Wij eisen dat de voorstelling met het verboden dokumentatiemateriaal inte­graal in een universiteitsgebouw, auditorium E van de Blan­dijnberg, op woensdag 19 maart 1969 zal doorgaan, waarbij de akademische overheid voor de gemaakte onkosten instaat.’ Besloten wordt ‘s anderendaags om 14 uur massaal naar het rectoraat te trekken om de motie te overhandigen. In pamfletten zal de hele studentengemeenschap worden opgeroepen om aanwezig te zijn. In deze ouverture tot de Gentse Maartbeweging liggen reeds een aantal elementen besloten die haar sterkte uitmaakten. Vooreerst was er de aandacht om die punten aan te grijpen die de studenten beroeren en doen revolteren. Vervolgens de wil om zich niet langer straffeloos te laten slaan maar om voor el­ke geïncasseerde slag, zelf een dubbele voltreffer uit te delen. Ten derde, de bekommernis om klare ordewoorden op te stel­len die brede mobilisatie voor hun realisatie mogelijk maken. En tenslotte de kunst om honderden studenten actief in de strijd te betrekken.

Vooraleer we van de ouverture overstappen naar de eigenlijke maartse opera, moeten een paar woorden gezegd worden over de politieke inzichten waarmee de partituur werd geschreven. Om de ervaring van twee massale studentenrevoltes – mei ‘66 en januari ‘68 – te ordenen, van onkruid te ontdoen en aan te zuiveren, hadden een aantal studentenleiders besloten enkele boeken over de marxistische visie op het verloop van de klas­senstrijd in te kijken. Marx had immers het verloop van de strijd in het Frankrijk van de 19de eeuw beschreven en hij trok er algemene conclusies uit in zijn boek De 18de brumaire van Louis Bonaparte (1853) en in De burgeroorlog in Frankrijk (1871). In beide werken beschrijft Marx hoe de bourgeoisie met veel helderheid van geest en op systematische wijze elke strijd­beweging van de massa’s wil beletten of lamleggen en daartoe geweld, intimidatie en chantage gebruikt. Marx stelde vast dat de burgerij openlijke repressie op aandoenlijke wijze weet af te wisselen met grote beloften, met charmeoffensieven in de rich­ting van weifelende krachten, met het corrumperen van be­paalde leiders, met humanistische redevoeringen over liefde en verstandhouding onder alle mensen. Bij dit alles blijft de blik van de bourgeoisie keihard gericht op het ene doel: de massa­strijd voorkomen, verdelen, verlammen, ontkrachten of ver­pletteren zodat de terugkeer naar ‘orde en rust’ mogelijk wordt.

Marx zet uiteen hoe de kleinburgerij grootmoedig aan de strijd begint, maar zich door haar goedgelovigheid laat strik­ken. De kleinburgerij aarzelt, twijfelt, wacht passief af en laat alle kansen voorbijgaan. Ze davert van schrik zodra de eerste klappen vallen en ze belooft nooit meer te herbegin­nen zodra de bourgeoisie naar terreurmiddelen grijpt. ‘De vertegenwoordigers van de kleine burgerij brengen hun vrees naar voren dat het proletariaat, meegesleurd door de revolutionaire situatie te ver zal gaan. In plaats van een openlijke politieke oppositie, zoeken zij het algemene com­promis; in plaats van te strijden tegen de regering en de bur­gerij, proberen zij hen voor hun zaak te winnen door over­tuiging; in plaats van weerstand te bieden in de geest van de geuzen aan alle geweld dat van boven komt, onderwerpen zij zich nederig en bekennen zij dat ze de kastijding verdie­nen. Alle historisch noodzakelijke conflicten komen hen voor als een misverstand en alle discussies eindigen met de verzekering dat iedereen het in de grond eens is.’ (Marx-Engels aan Bebel, Liebknecht en Bracke, 1879) Door hun eigen negatieve ervaringen hadden de studenten­leiders deze les van Marx goed in de oren geknoopt. Leuven had in ‘68 een ‘actie informatierecht’ gekend. Er was toen veel te doen over het ‘medebeheer’ waarmee de overheid een schokdemper wou plaatsen tussen de studentenmassa en de autoriteiten. De linkse studentenbeweging wou de ja­ger in zijn eigen netten strikken door van het ‘medebeheer’ gebruik te maken om informatie af te dwingen die het ver­trekpunt kon zijn voor nieuwe massastrijd. De academische overheid had in de lijn van de beste feodale en klerikale traditie een paar ‘tuchtmaatregelen’ getroffen en dit leek de studenten een goede gelegenheid om de roep naar medebeheer op zijn gebruikswaarde te testen. Er werd een verantwoording van de tuchtmaatregelen en een recht op repliek van de betrokkenen geëist, en wel op een acade­mieraad in aanwezigheid van studentenverantwoordelij­ken.

Toen deze actie goed begon te lopen, drongen een paar hon­derden studenten de universiteitshallen binnen, waar zij één van die plechtstatige paleiselijke zalen bezetten ter gelegen­heid van de bijeenkomst van de academieraad die een paar verdiepingen hoger doorging. De leiding van de bezetters bleef passief, verzuimde het om ter plaatse een discussie te organi­seren met de paar honderd aanwezigen om uit het gespannen klimaat concrete actieplannen te distilleren waardoor de hele massa bewust en eensgezind zou reageren op alle eventuali­teiten zoals een ‘onderhandeling’ met De Somer en vooral een eventueel treffen met Reviers en zijn rijkswachters. De strijd­lust zakte dan ook als een pudding ineen. Rector De Somer wou een beperkte afvaardiging in audiëntie ontvangen in zijn luxueuze salons die veilig in de hoogste re­gionen van de Hallen waren geïnstalleerd. Dit werd aanvaard en er werd verzaakt aan de eis dat De Somer zou nederdalen en in bevattelijke, aardse termen zijn beslissingen zou verant­woorden ten gehore van de bezettende studenten. Als je een­maal op het goed ingezeepte hellende vlak van de toegevingen zit, glijd je onvermijdelijk de dieperik in. Voor een paar goed­kope beloften van de academische overheid werd de aftocht geblazen. Indien de studentenleiders zich resoluut op de confrontatie hadden afgestemd... De voorhoede kan de sympathie van de gemeenschap maar winnen als zij werkelijk voorgaat in de strijd voor een zaak waarvan iedereen de gegrondheid erkent. De massa wordt veroverd in het proces van de strijd. En de voorhoede kan zichzelf maar behoeden voor ontbinding, als zij resoluut maar op doordachte en verstandige wijze het ge­vecht aangaat. ‘De taak van de revolutionaire voorhoede bestaat erin een pre­cies begrip te verwerven van de richting van de strijd en alle mogelijkheden, alle kansen op de overwinning integraal te be­nutten.’ Lenin trok deze les over het leiden van de massa’s in zijn polemisch artikel De krisis van het mensjevisme (1906, Oeuvres Xl, blz. 353-379).

Leuven, 20 januari ‘68. O.a. Jos Verhulst, Norman Verhelst en Guido Van Zieleghem.

Laten we nu de Gentse gebeurtenissen bekijken met deze wij­ze woorden van Marx en Lenin in het achterhoofd. Donderdag 13 maart ‘69 om 14 uur is het verzamelen gebla­zen voor zowat 350 studenten aan de ingang van de Brug. De honderd meter naar het rectoraat worden afgeslenterd onder de kreten ‘Geen censuur’, ‘Vrije meningsuiting’ en, ten be­hoeve van het algemeen vermaak, de roep ‘Het gezag geeft zich bloot’. Wat hier ook van zij, het gezag heeft in alle geval de toegangsdeuren tot het rectoraat gesloten. De rector zit veilig verschanst in zijn waterdichte schuilplaats. Water­dicht? Neen, helaas! Het noodlot wil dat een kelderdeur de laatste tijd niet zo best meer sluit. Die deur wordt dan ook opengeduwd, een paar verkenners glippen naar binnen en de hoofdingang wordt wagenwijd opengemaakt. De 350 man doen hun feestelijke intrede en rukken op naar de derde verdieping waar het rectorale kabinet zich bevindt. In de gang hebben drie zoeaven postgevat: de professoren Planc­ke en Picard en adviseur Van Den Broeck. Naar hun zeggen is Zijne Excellentie niet aanwezig. De motie wordt hen ter hand gesteld. Er wordt wat vriendelijk en onvriendelijk over en weer gepraat. Tot een wijsneus, die even door het sleutelgat kijkt, de lijfelijke aanwezigheid van de rector op zijn kabinet vaststelt... Op datzelfde moment doen een politiecommissa­ris en twee agenten hun intrede, ‘op aanvraag van de rector’ zoals ze aan de verbouwereerde Picard meedelen. Het besluit wordt genomen om niet vrijwillig het veld te ruimen. Zo het hen zint, moeten de ordehandhavers maar iedereen naar bui­ten dragen. Vijf nieuwe agenten storten zich op de achterhoe­de, tien personen worden van de trap gesleurd en ook profes­sor Roels wordt onzacht over de stenen getrokken. Ondertus­sen is de rector bereid gevonden welgeteld één student te ontvangen.

Aangedrongen wordt dat de rector de groep te woord staat, een rustige en ordentelijke discussie wordt hem gewaar­borgd. Maar de beslissing was elders al gevallen. ‘Alea iacta est,’ zullen de twintig agenten bij zichzelf allicht hebben gedacht, toen zij matrakzwaaiend de trap bestorm­den en alle hoop op dialoog definitief aan diggelen knuppel­den. De helft van de studenten wordt buitengeknokt. Een kleine honderd man wordt achteruitgedreven en moet zijn toevlucht zoeken in het laatste schuiloord... het kabinet van de rector. De goede man, die de hoop had gekoesterd dat het politie-geknuppel zijn belagers naar buiten zou keren, stelt met ontzetting vast dat het niet bijster verstandige inter­ventiekorps de studenten in zijn rectorale kamer binnen­klopt. Nu tachtig studenten in zijn bureau staan opeenge­pakt, is de rector plots tot praten bereid. Maar wat hij dan te zeggen heeft is niet bepaald een briljante tactische zet: ‘Jul­lie moeten éérst naar buiten en dan laat ik de politie terug­trekken.’ De studenten zetten zich neer en houden elkaar bij de ar­men vast. Drie agenten storten zich op een prooi. De andere potentiële prooien grijpen naar asbakken, sigarenkisten en dossiers. De agressors deinzen terug. Net ver genoeg opdat de deur prompt voor hun neus wordt dichtgesmakt. De arm der wet ziet zich genoodzaakt om de dubbele ingangsdeur open te beuken. Het kabinet van de rector wordt door kun­dige politiehanden tot een puinhoop herschapen. Voor de ingang van het rectoraat staan nu 400 studenten de batterijen van hun verontwaardiging op te laden. De demon­stratie van bedrog, willekeur en repressie die door de rector en de politie ten beste wordt gegeven, valt niet bepaald in de smaak. Enkele agenten met een hoog ontwikkelde zin voor tact, pikken nog drie studenten op voor de ogen van 400 toe­schouwers. Er wordt een betoging gevormd. Voor de Brug worden nog een aantal studenten naar buiten geschreeuwd zodat in totaal zowat 500 contestanten naar de Blandijn trekken. Daar wordt besloten om in de restaurants in groepen het relaas te doen van de gebeurtenissen en iedereen op te roepen om ‘s avonds in de Blandijn bijeen te komen. Om 20 uur vindt in de Blandijn een merkwaardige ontmoe­ting tussen twee werelden plaats. Officieel staat in Auditori­um E ten behoeve van juristen in wording een panelgesprek ‘Voor of tegen de jury’ op de dagorde. Een waardig gezelschap van professoren, gerechtsdienaren en journalisten heeft zich in de zaal aangemeld. Zij kijken dan ook met verbazing aan tegen een bomvolle zaal die uit hon­derden kelen dondert: ‘Het is maar een begin, wij gaan door met de strijd!’

Het is de duizend studenten niet te doen om de vraag ‘Voor of tegen de jury’ maar ‘Voor of tegen de repressie’. Professor Ghijsbrecht, een sluwe vos, probeert de woelige gol­ven van de contestatie te breken met enkele kwinkslagen en goed geplaatste grappen. Een oud recept: we brengen hen eerst wat aan ‘t lachen om de ergste spanning te breken, we laten hen dan een paar woorden zeggen en we leiden het hele zaakje daarna voorzichtig naar het thema ‘Voor of tegen de jury’. Tactisch niet onaardig bekeken, maar het zal toch niet mogen zijn. Er zal een goede tactische parade worden gevonden op de zetten van professor Ghijsbrecht. Vooreerst komen een aantal studenten verslag uitbrengen van hun wedervaren. Daarop worden moties voorgelezen die door de verschillende verenigingen zijn bijeengeschreven. En dan wordt de sprong gemaakt die de hele zaak een breder perspectief geeft. Aan de start van de Anti-Atoommars van 9 maart – vier dagen eerder – waren 2.500 gendarmen verschenen, blindelings opge­hitst tegen al wat betoogde. Voor het eerst had de rijkswacht CN-gasgranaten afgevuurd. CN-gas dat, in grote concentratie ingenomen, tot zware verminking of tot de dood kan leiden en dat tegelijk, indien in horizontale lijn afgevuurd, een regelrecht moordwapen is. Louis De Lentdecker, journalist van De Stan­daard en olijke vriend van menig BOB-officier, had het gepres­teerd om na de Anti-Atoommars weer zo’n leuk stukje te plegen dat op luimige toon verkondigde dat men die kwestie van re­pressie en politiestaat nu toch ook weer niet moest overdrij­ven. En uitgerekend deze Louis De Lentdecker zat achter de spre­kerstafel. Dat liet de studenten dan ook toe om het onder­werp ‘Voor of tegen de jury’ weg te vegen. Nu de Gentse stu­denten met een stortvloed van repressieve maatregelen wer­den geconfronteerd, eisten zij van De Lentdecker verant­woording voor zijn beschermende pleidooien voor de repres­siekrachten in België. Het thema van de repressieve rol die de burgerlijke pers speelt ten dienste van de heersende orde was niet meer te ontlopen. Louis De Lentdecker, die doodgraag wat geleuterd had ‘pro of contra de jury’, werd niet bereid gevonden zijn ‘pro de repres­sie’ te argumenteren. Het hele panel stapte met hem op. De volksvergadering plant daarna de interventies voor de vol­gende ochtend in de lessen en roept op tot een algemene bij­eenkomst om 11 uur.

Vrijdag om 11 uur klinkt uit vijftienhonderd kelen de strijd­kreet: ‘Het is maar een begin...’ Wat in vraag wordt gesteld, is de gehele universitaire machine van versluierde repressie. Vandaar de twee bondige besluiten uit deze geestdriftige volksvergadering: ‘Wij wensen geen lessen te volgen zolang onze gevangen ka­meraden dit niet kunnen. Wij wensen te werken aan de uitbouw van een niet-repres­sieve universiteit, zolang de oude universiteit autoritair en repressief is.’ Een uur lang wordt het Gentse centrum doorkruist door vijf­tienhonderd studenten die het onvermijdelijke ‘’t Is maar een begin, wij gaan door met de strijd!’ laten afwisselen met ‘Arbeiders-studenten, één front!’ Om 14.30 uur gaan zeshonderd studenten op zoek naar een in spoedzitting bijeengetrommelde Raad van Beheer. De plaats van de bijeenkomst blijft echter onvindbaar. Groepen van honderd studenten worden dan nog uitgestuurd, speci­aal naar de minder gemakkelijk in lyriek en romantiek tui­melende wetenschappelijke faculteiten. Verslag van dit overtuigingswerk wordt uitgebracht op de volksvergadering van 17 uur, waar ook werkgroepen in het leven worden ge­roepen om plannen te ontwerpen die het elan van de bewe­ging kunnen gaande houden over de gevaarlijke, doodse kloof van het weekend heen. Diezelfde vrijdag werd door het wetenschappelijk personeel een motie uitgegeven: ‘Het aktiekomitee, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de syndikale organisaties, ACLVB, ACOD-onderwijs, CCOD en de Vereniging van het Wetenschappelijk Personeel en van de WP-Raad stelt vast: 1) dat rektor Bouckaert zonder enige poging tot dialoog de politie binnen de universitaire gebouwen riep, ter beslech­ting van een geschil van sekundair belang; 2) dat de politie het gebouw betrad op het ogenblik dat be­sprekingen aan de gang waren (...); 3) dat het politiële repressieapparaat optrad met ongewone brutaliteit (...). Het stelt derhalve de rektor moreel en financieel verant­woordelijk voor het hele incident en ziet hierin een nieuw bewijs van het autoritaire karakter van de huidige Akademi­sche Overheid, waarvan zowel het personeel als de studen­ten het slachtoffer zijn.’

De maandag openbaart ons een caleidoscoop van informatie­teksten, muurkranten, werkstukken van de verschillende fa­culteiten, pamfletten. Tijdens het weekend heeft het verga­dervirus om zich heen gegrepen en in allerlei ‘werkbijeen­komsten’ is het latente ongenoegen in concrete vorm gegoten. Het autoritaire, tot slaafse volgzaamheid verplichtende on­derwijs dat wereldvreemd maar kapitaalvriendelijk is, wekt sinds lang heel wat wrevel.

Gent, 23 januari ‘68. Vierduizend studenten en scholieren op het Sint-Pietersplein.

Er was alleen een aanleiding nodig om het verzet te doen op­wellen; de repressie bracht de noodzakelijke vonk in het licht ontvlambare materiaal, de massabijeenkomsten gaven de studenten het besef van eigen macht en daaruit haalde men de durf om het hele onderwijsstelsel in vraag te stellen. Op de volksvergadering van 14 uur ligt de klemtoon al op de problemen van inhoud en methode van het onderwijs en men heeft het over de kloof tussen de universitaire leefwereld en het reële bestaan van de arbeiders. Men mag echter de concrete aanzet tot de beweging niet uit het oog verliezen. Alle repressiefeiten van de vorige week wor­den nog eens op een rijtje gezet, er wordt telkens een concrete eis aan vastgeknoopt, het geheel wordt gebruiksklaar gemaakt in de vorm van een motie die door een delegatie van tien stu­denten zal worden overhandigd aan de rector: duizend studen­ten zullen als ruggesteun mee opstappen tot voor de ingang. De rector laat telefonisch weten dat hij niemand wil zien. ‘Kom morgen eens terug met een delegatie van drie man.’ Dat noemt men: de zaak laten aanslepen om de veerkracht van de beweging te breken. Stilstand, dode tijden, gebrek aan nieuwe initiatieven die de bezieling weer kunnen opwekken, brengen het snelle uiteen­vallen mee van iedere beweging in de studentenwereld. De rector sluit zich op in zijn rectoraat. Hij wil niemand zien. Wij kunnen hem best begrijpen. De goede man heeft ruimte en rust nodig om na te denken over de toekomst van de repressieve universiteit die hem zo dierbaar is. Maar wanneer deze geleerde man, die toch gewoon is denkwerk te verrichten, ruimte en rust nodig heeft, waarom zouden wij, studenten, niet dezelfde facili­teiten opeisen? Ook wij willen nadenken, maar dan over de toe­komst van een niet-repressieve, democratische universiteit die wij in dienst willen stellen van de werkende massa’s.

Wij gunnen de rector zijn bevrijd gebied, zijn rectoraat; en wij zullen van de Blandijn ons eigen bevrijd gebied maken, onze vrije basis waar wij op eigen krachten zullen werken aan een alternatieve universiteitsopvatting. De Blandijn zal dag en nacht bestuurd worden door de studentenbeweging als een uit­stralingscentrum voor de nieuwe ideeën. Laat de rector de tijd om zijn ideeën te ordenen en laat dan vrijdag een democrati­sche, openbare discussie plaatsvinden tussen de twee ‘autono­me gebieden’, het rectoraat en de basis van de Blandijn. Voor de rest van de week zal de Blandijn ontsnappen aan de verstikkende wurggreep van de klassieke ‘orde en tucht’ waar­van de dagelijkse inwerking enggeestige en hebzuchtige vak­idioten kneedt. Honderden studenten willen in een geest van sympathieke overmoed de wereld veranderen, te beginnen bij de Blandijn. Er wordt vergaderd en geschreven, gediscussieerd en gedrukt, gehandeld en over en weer gelopen, er wordt geargumenteerd, gepleit, overtuigd. In deze hele warwinkel waren vanzelfspre­kend de meest verscheiden en bizarre ideeën te koop, maar de algemene stroming ging onstuimig in de richting van de demo­cratie en het socialisme, in de richting van de arbeidersklasse.

Op 11 en 12 maart had in Gent een nationaal VVS-congres plaats, waarvan het slot – voorzien voor 13 maart – door de ge­beurtenissen werd weggespoeld. Het congres was een gelegen­heid om de meest linkse ideeën over de studentenbeweging, die toen in Leuven leefden, wijd te verspreiden. Dit congres was in Gent voorbereid door facultaire werkgroepen bij de in­genieurs, de germanisten, de staats- en sociale, de rechten en biologie. Vele giftige pijlen werden afgeschoten tegen de sociale selec­tie, de zware programma’s, de overdreven controle, de zinloze stof, de absurde examensystemen, de waardeloze massacolle­ges, de autoritaire pedagogische verhoudingen... De meest gevorderde politieke ideeën waren dus goed gerijpt onder een voorhoede van actieve studenten. Zij hadden wantoestanden blootgelegd, argumenten uitgewerkt en een alter­natieve weg uitgestippeld. De Gentse Maartbeweging zal dan ook als resultaat hebben dat een grote massa zich in één klap meester maakt van alle ideeën die tot dan toe slechts aan het kiemen waren bij een bewuste minderheid. Wanneer de mas­sabeweging uitbreekt, stelt men met verwondering vast dat onder de ogenschijnlijk ongeïnteresseerde massa’s een grote honger ontstaat naar politieke kennis en naar concreet be­wijsmateriaal. Maandag 17 maart wordt studentenleider Renaat Willockx op bevel van onderzoeksrechter De Baets aangehouden en in af­zondering opgesloten in de Gentse gevangenis. Hij wordt be­schuldigd van ‘hoofd en aanstoker te zijn van een bende die on­roerende goederen vernield heeft’ en van ‘huisvredebreuk door middel van inbraak’.Rector Bouckaert had hem aangewezen als voornaamste aanstoker van de bezetting van het rectoraat.

Op dinsdag 18 maart worden de eisen nogmaals hernomen. Honderden studenten vergezellen hun drie afgevaardigden naar de rector. De Raad van Beheer belooft om donderdag ant­woord te geven. Later op de dag, om 14.30 uur, start een betoging van duizend man vanuit de Blandijn. De burgerij is echter niet van plan een democratische massabeweging aan de Gentse universiteit aan kracht te laten winnen. Nu de academische ordehandha­vers er niet in slagen met de zachte hand de studenten tot de orde te roepen, zal men er de professionele knokkers maar op afsturen: nauwelijks komen de studenten de Blandijn buiten of het aanrukkende politiekorps begint wild om zich heen te meppen. De betoging raakt echter tot aan het rectoraat, en wordt daar door een nieuwe charge bestookt. Terug in de Blandijn ontwikkelt zich een debat tegen de nei­ging tot capitulatie voor het flikkengeweld. Aangezien hier en daar wel iemand in de boeken van Mao over de guerrilla-oor­log gebladerd heeft, gaan er stemmen op die variaties produce­ren op het volgende thema: ‘De krachten verspreiden om de massa’s te doen opstaan; de krachten concentreren om het hoofd te bieden aan de vij­and. De vijand gaat vooruit, wij trekken terug; de vijand houdt stil, wij bestoken hem; de vijand raakt uitgeput, wij treffen hem; de vijand wijkt achteruit en wij achtervolgen hem.’ Het resultaat? De studenten zullen in kleine groepjes de Blandijn verlaten, zich verspreiden en weer bijeenkomen in de drukste winkelstraat, de Veldstraat. Daar zullen ze een voetpadbetoging houden en pamfletten verspreiden. De politie, die ondertussen de smaak te pakken heeft, zal grote groepen studenten met de matrak in de Grand Bazar binnendrijven en zich daarna in een wilde achtervolging binnen in het warenhuis storten. Ook de rijkswacht laat zich niet langer onbetuigd en ontruimt met behulp van wa­terkanonnen de Veldstraat. Een aantal centrale punten wor­den bezet en de Gentse werkende bevolking krijgt de gele­genheid haar haat tegen deze ‘blauwe beulen’ tot uiting te brengen onder de gekende kreet ‘Gestapo, Gestapo’.

Woensdag. Op de volksvergadering wordt de collectieve er­varing van gisteren aangegrepen om aan te tonen dat de stu­dentenbeweging de taak op zich moet nemen om de arbei­dersklasse te informeren over het doel van de strijd. De brug slaan naar de arbeiders is een taak voor iedereen die deel­neemt aan deze Gentse studentenbeweging. Een paar hon­derd studenten zijn in de nacht van woensdag op donderdag present aan de fabriekspoorten van ACEC, Fabelta, Ebes, Texaco, Arbed, Sidac, de textielbedrijven... Een goede weer­legging van de bewering van trotskisten als zou de studen­tenmassa geen belangsteling hebben voor de arbeidersklas­se, niet ‘rijp’ zijn, enzovoort. In de Maartbeweging bleek de studentenmassa integendeel snel in staat om de band te leg­gen met de strijd van de arbeiders. De studentenleiders gre­pen ook elke gelegenheid aan om voor de studenten het be­lang, de noodzaak, de mogelijkheid van aansluiting bij de arbeiders aan te tonen. En alles wat op dat terrein door de bre­de studentenbeweging is gepresteerd, is verwezenlijkt in de strijd tegen de eliteopvattingen, tegen de intriges en de ma­nipulatiepogingen van de trotskisten in.

Op donderdag 20 maart wordt vanuit de Blandijn de vlam van de contestatie door middel van pamfletten overgebracht naar de middelbare scholen en naar het niet-universitair ho­ger onderwijs. De Raad van Beheer besluit met eenparigheid, en met de nukkige, misplaatste trots van gepasseerde patriarchen, het volgende: ‘De motie die op 18 maart aan de rektor werd overhandigd, moet worden beschouwd als een anonieme motie of een anonieme brief waarmee geen rekening kan worden gehou­den, aangezien de drie studenten geweigerd hebben hun naam en hun mandaat te rechtvaardigen. De Raad blijft be­reid zoals vroeger een dialoog te voeren met regelmatig ver­kozen afgevaardigden.’ ‘s Avonds vindt een grote volksvergadering plaats. Een aan­tal professoren en leden van het wetenschappelijk personeel nemen deel aan de discussie. Vooral de vinnige interventies van professor Vermeersch, die vanaf de eerste dag postvatte tussen de roerige studenten, worden geapprecieerd: ‘Ge zijt aan iets begonnen, en ik hoop dat ge goed beseft dat dit een zaak is waarvoor ge lange jaren zult moeten blijven vechten.’ Op beleefde wijze is daarna de vraag gesteld: ‘Het is maar een begin, maar als de eerste geestdrift en de eerste successen voorbij zijn, hoelang zullen jullie dan nog door kunnen gaan met de strijd?’ Na een discussie over een ontwerptekst aanvaardt de volks­vergadering bij stemming vrijwel unaniem de volgende tekst:

Brussel, 1 juni ‘68. O.a. Paul Goossens (midden), Ludo Martens 
(achteraan links), Arnout Van Reusel bezoeken de ULB.

Het vijfpuntenprogramma voor universitaire hervorming

1.    De repressieve funktie van de professor die het monopolie bezit van zijn leerstoel en met een soort onfeilbaarheid zijn discipline brengt, is duidelijk voor alle studenten. In de wetenschappen wordt deze onfeil­baarheid gemaskerd door die waarborg daar de feiten die aangeleerd wor­den allemaal experimenteel worden vastgesteld. De evolutie van de fei­ten verliezen ze blijkbaar uit het oog (zie kursus Moens). De studenten krijgen echter geen gelegenheid om zelf de problemen waarvoor ze zich gesteld zien op te lossen: op praktika mag de student slechts één vastge­stelde uitslag bekomen. De angst en de onzekerheid voor de autoriteit van de prof is dag aan dag aanwezig, vooral tijdens de eerste universiteitsjaren. Je moet letterlijk vertellen wat hij vertelt, de discipline bekijken zoals hij ze bekijkt, een vraagstuk aanpakken zoals hij het aanpakt. Je moet zijn tekst, zijn lieve­lingsvoorwerpen en zijn favoriete strikvragen kennen. Het monopolie van de leerstoel is een van de elementen die de repressie­ve funktie van de universiteit konstitueert. De leerstoel van een bepaal­de discipline dient afgeschaft en vervangen door een kollektieve groep van gelijkwaardige werkleiders. Deze wijden zich deels aan een weten­schappelijk onderzoek, deels aan de begeleiding van de jongere wetenschapsmensen, de studenten.

2.   Het ex-kathedra-onderwijs en het slaafs van buiten leren der kursus­sen hebben een afstompende invloed. Het zijn juist de afstomping en de passiviteit van de studenten die de voorwaarde zijn opdat de repressieve funktie van de universiteit niet in vraag zou worden gesteld. Zo hebben het persoonlijk werk, het bibliotheekwerk en het labowerk meestal slechts tot doel te vinden wat de prof ons heeft opgedragen te vinden. Het oefent op zijn manier dezelfde repressieve invloed uit.

3.   De repressieve funktie van de universiteit neemt het duidelijkst ge­stalte aan in de examens, in de permanente kontrole of de periodieke oe­feningen en de praktika. Het examen komt voor als een absurd rechtsgeding, waar je slechts rus­tig kan heengaan wanneer je de absurditeit tot het uiterste drijft: wan­neer je de stof haarfijn van buiten kent en je je buigzaam plooit naar alle eigenzinnigheden van de prof. Het examen en de permanente kontrole dienen afgeschaft. Op het einde van het jaar beoordeelt de werkleider zijn studenten op ba­sis van een werkstuk, dat in de loop van het jaar tot stand is gekomen. Dit werkstuk groeit in de permanente diskussie en in de inwerking van de praktische voorstellen van de ganse groep.

4.   De starre, overbelaste en verouderde programma’s vormen een ander element van het repressief karakter van de universiteit. Deze repressie is vooral scherp in de wetenschappelijke fakulteiten en bij de toegepaste wetenschappen. De starre leerprogramma’s dienen afgeschaft en een reeks van leergangen moet worden ingelegd. Daaruit kan de student dan zijn vakken kiezen. Op zijn diploma worden de gevolgde leergangen opgegeven.

5.    Even duidelijk neemt de repressieve universiteit gestalte aan in de meedogenloze strijd bij de selektie, de strijd van allen tegen allen om over te blijven. Door het systeem van leergangen en het projektonderwijs dat kollektief is, wordt de selektie als repressieve maatregel uitgeschakeld. Wie het projekt van een bepaalde leergang niet aankan, mag overschakelen naar een andere leergang en zo, na een oriëntatie, de maximale ontplooiing van de globale mens realiseren. Wanneer de student een voldoende aantal leergangen heeft gevolgd, krijgt hij zijn diploma. Dan kan hij zich toeleggen op het wetenschappe­lijk onderzoek en de derde cyclus beginnen. Voor deze derde cyclus, die ten minste uit twee jaar wetenschappelijke arbeid bestaat, dient een integrale studiekostenvergoeding, d.w.z. een studieloon voorzien. Geen enkele speciale selektie mag de demokratisering van de derde cy­clus in de weg staan. De mensen van de derde cyclus kunnen ingescha­keld worden als werkleiders voor de jongere studenten. Door het leergangensysteem valt het onderscheid tussen NUHO en UNI­VERSITEIT volledig weg. Een NUHO-student kan deelnemen aan een pro­jektgroep over sociologie en moderne talen. Zo kan hij zijn theoretisch niveau verhogen. Een universiteitsstudent kan deelnemen aan de konkrete technische of sociale projekten in een fabriek. Zo kan hij zijn handen leren gebruiken. Door het systeem van leergangen kan iedereen permanent terugkeren naar de studie en kunnen de projektgroepen toegankelijk gemaakt wor­den voor werkende mensen en bedienden. De ruimte voor dit sociaal engagement is essentieel omdat ze een einde maakt aan de nefaste scheiding tussen theorie en praktijk, tussen denken en doen, tussen weten en toepassen. Vijf konkrete punten als synthese:


1. afschaffing van de leerstoel en vervanging door het systeem van werk­leiders;

2. afschaffing van het ex-kathedra-onderwijs en het kursus geven, vervan­gen door werkgroepen die, bij het begin van het jaar, een projekt opstellen;
3. afschaffing van examen en permanente kontrole, vervangen door een beoordeling op basis van een werkstuk dat in de loop van het jaar tot stand is gekomen;
4. afschaffing van de programma’s zoals die nu bestaan, vervangen door het systeem van leergangen waarin de student zijn vakken kiest;
5. afschaffing van de repressieve selektie, vervangen door oriëntatie.

De studentenleider Renaat Willockx wordt zonder enige ver­klaring vrijgelaten; normaal gezien moest hij ‘s anderendaags voor de Raadkamer verschijnen. Hij komt nog net op tijd om de volksvergadering toe te spreken. Wanneer de rijkswacht ‘s nachts de Blandijn ontruimt, wordt hij opnieuw aangehouden, samen met de 700 anderen. De Raad van Beheer heeft een ultimatum gesteld: de Blandijn moet ontruimd zijn om middernacht. Er hangt een onheilspellende, gespannen stilte over de 700 aanwezigen, als om 23.30 uur decaan Van Elslander naar vo­ren stapt en op een dramatische toon begint te spreken: ‘Ik sta hier niet als deken, maar als mens; en ik had me aan dit alles kunnen onttrekken door ontslag te nemen. Maar uit de gesprekken die ik gehad heb met de studenten, is iets ge­groeid, een indruk van vertrouwen is gekomen – wederzijds, hoop ik – dat ik niet wil beschamen. Ik ben het misschien niet eens op vele punten, maar ik kan het verlangen naar een bete­re wereld, een wereld zonder oorlog, zonder armoede, wel vol­gen.’ Verder bevestigt de professor dat de studenten zich ge­houden hebben aan de regels van orde en netheid, waarop hij als volgt besluit: ‘Alsjeblieft, voor jullie eigen welzijn, blijf niet langer. Weg­gaan is geen nederlaag.’ Iedereen weet nu dat straks de rijkswacht binnenvalt. Van Els­lander heeft de sentimentele snaar bespeeld en er is een duide­lijke klimaatswijziging ten voordele van een discrete aftocht. Hoe dan ook, er moet een repliek worden gegeven op de tus­senkomst van Van Elslander. De dramatische geladenheid moet worden weggepraat en plaats maken voor nuchtere poli­tieke overwegingen. Wij danken de decaan voor zijn bereid­heid om vrijuit zijn persoonlijke mening uiteen te zetten, brengen begrip op voor zijn situatie omdat ongetwijfeld zware druk op hem wordt uitgeoefend, wijzen op het onderscheid tussen enerzijds professoren als Van Elslander die ten minste de moed hebben om openhartig te dialogeren met de studen­ten en anderzijds de raadselachtige schimmen van de Raad van Beheer die wel met de banbliksem zwaaien maar nooit het daglicht willen aanschouwen, die nooit bereid zijn voor de studenten te verschijnen. Nogmaals alle wandaden van het handvol academische feodalen overlopen, voert als vanzelf tot de conclusie dat het bijzonder ongepast zou zijn thans voor hun chantage te wijken. Nogmaals alle verworvenheden van de vrije basis de Blandijn opsommen, brengt logischerwij­ze het besluit mee dat we de Blandijn dienen te behouden als kern voor een creatieve universiteit in dienst van het volk. Tot besluit nodigen wij de Raad van Beheer uit om morgenna­middag een volksvergadering over het vijfpuntenprogramma bij te wonen. De geest van solidariteit bereikt een hoogtepunt onder de 700 studenten. Om de strijdbare geest in stand te houden, worden de aanwezigen opgeroepen een bijdrage te leveren voor een permanent ontspanningsprogramma. Er worden ter plaatse liedteksten ontworpen over ‘Onze basis in Gent, de Blandijn­berg’, gezongen op de wijs van ‘There’s a valley in Spain cal­led Jarama’. Studenten komen hun actie-ervaring vertellen; Corijn gaat de poëtische toer op met de declamatie van een ge­dicht over grote en kleine vissen; Wonderboy, die zich ver­schuilt achter de naam Van Meir, leest voor uit eigen werk maar spijtig genoeg niet over Luttenbeir, de afzichtelijke gen­darm; Mong, toen nog niet opvallend vuil, speelt gitaar en zingt.

Brussel, mei ‘68. Volksvergadering in de Grote Hal van de ULB. Op de achtergrond schilderwerken van Mendelbaum en Roger Somville

Om twee uur ‘s nachts: de stormachtige inval van de blauwe bende, die zo graag aan het publiek voorhoudt dat zij geroepen is om een edele taak te vervullen: het regelen van het verkeer en het beschermen van de zwakken. In het holst van de nacht, in gevechtskledij, helm op de kop, matrak en zaklamp in de hand, hopen de gendarmen een ge­makkelijke kluif te hebben aan een vijftigtal slonzige, slaperi­ge, rotzooi makende anarchisten. Hoezeer valt hun ‘bakkes’ van verbijstering open, als zij de deuren wegtrappen, boven in auditorium E, en een zaal van ongeveer 800 man voor zich zien zitten. Terwijl nu in alle deuren gendarmen postvatten, beginnen alle aanwezigen gedempt te neurieën: ‘We shall overcome’. Deze stille wraak op de geweldenaars wordt door alle aanwezigen ten volle gesmaakt. Een groot deel van de nacht rijden dievenkarren op en af tus­sen de Blandijn en de kazerne van de Groendreef waar een 700-tal studenten worden opeengepakt. Passen worden afge­schreven, foto’s gemaakt. Het zal duren tot vrijdagochtend 10.30 uur voor de laatsten de kazerne mogen verlaten...

Persbericht

Het bestuur van ACOD-Onderwijs, afdeling Gent, in vergadering bijeen op vrijdag 21 maart
- wenst al de studenten en personeelsleden geluk die donderdagnacht hun waardigheid en kalmte bewaarden, gedurende de drie uur lange ontrui­ming door de rijkswacht van het universitaire gebouw op de Blandijnberg;
- veroordeelt de rektorale overheid die beroep deed op de rijkswacht om verdere vergaderingen der studenten onmogelijk te maken, alsook de massale machtsontplooiing der zogenaamde ordestrijdkrachten, de inti­midatie van 800 personen en de willekeurige aanhoudingen, bij verschil­lende gelegenheden;
- spreekt zijn verontrusting uit over de herhaaldelijke belemmering der vrije berichtgeving zoals het opleiden, in de rijksuniversiteit, van een Vlaams joernalist en het hinderen van een Nederlands TV-team

Na de studenten uit de Blandijn te hebben gebezemd, besluit de rector de grendel op het gebouw te zetten tot 28 maart, einde van het tweede trimester. ledereen loopt rond met een slaperige kop waarin nog de spook­achtige gedaanten ronddwarrelen van de gendarmen waartegen de studenten een hele nacht hebben zitten aankijken. Er wordt besloten om die vrijdag om 14 uur een volksvergade­ring te beleggen in de Plateaustraat, in een gebouw van de fa­culteit Wetenschappen. Deze meeting, bijgewoond door 800 man, zit boordevol verontwaardigd protest; maar verder dan dat komen de studenten niet. Tien dagen koortsachtige actie met daar bovenop een slapeloze nacht, hebben de vindingrijk­heid wat afgebot. Niemand heeft een voldoende frisse kop om een aanvallend plan uit te werken, om pionnen naar voren te schuiven op een nieuw terrein, om beslissingen te treffen die het initiatief weer ten volle bij de studentenbeweging leggen. Toch was het correct om de gesloten Blandijn naar de facul­teit Wetenschappen over te brengen en daar een vrije basis te maken. Want de studentenbeweging kon maar een nieuw elan verwerven indien de kloof tussen de humane faculteiten en de wetenschappelijke richtingen overbrugd kon worden. Het ontbrak de studenten echter aan ondernemingsgeest en vastberadenheid. De studenten hadden alle denkwerk moeten stuwen in één richting, alle protest moeten samenballen rond één objectief, alle entoesiasme moeten kanaliseren naar één doel: ten allen prijze, met alle mogelijke middelen een gebouw van de facul­teit Wetenschappen veroveren als vrije basis. De Maartbeweging in Gent heeft zich ontplooid met een grote spontaneïteit. Maar om deze spontaneïteit de kans te geven zich te manifesteren, was een krachtige leiding noodzakelijk. De anarchisten die zich in de kijker brulden met hun lofzang op de spontaneïteit, hebben dit nooit begrepen. Wanneer alles overgelaten wordt aan de ‘spontaneïteit’, zakt de massabewe­ging ineen en raakt ze verstrikt in bijzaken. Voor sommige studenten werd het langzamerhand duidelijk dat er een revolutionaire partij nodig is, waarvan de leden per­manent de stemming onder de massa registreren; leden die de blinde bedrijvigheid overstijgen en plannen uitwerken op een termijn van één, twee, drie weken, die voorzien welke tactie­ken de tegenstrever zou kunnen gebruiken, die voor elke situ­atie verschillende uitwegen bedenken. De leiding moet alle plannen uitvoerig voorstellen aan de massa en alleen de ideeën die de steun van de grote meerderheid winnen, verwe­zenlijken. Alleen onder deze voorwaarden kan de spontaneï­teit van de massa’s zich verder ontplooien. In plaats van het hoofdprobleem op te sporen, werden allerlei snipperbezigheden ondernomen: pamfletten aan een voetbal­veld en aan de KNS uitdelen, aanwezigheid op de NUHO-beto­ging van maandag, en diezelfde avond deelnemen aan een meeting in de Brug...

Een actie ter verovering van een vrije basis in de faculteit We­tenschappen zou zeker veel problemen meebrengen. Maar het was duidelijk dat de academische en de burgerlijke overheid zou volharden in haar oud-modisch potentatengedrag. Die halsstarrige houding moest dan ook leiden tot het bijleg­gen van de geschillen onder de studenten zelf.

Dinsdag 25 maart. 16 uur. De Raad van Beheer krijgt – snui­vend van woede – een lijst voor de neus geschoven van 30 stu­denten van wie de identiteit op 12 maart door de politie is ge­noteerd. Uit deze lijst worden 17 namen gegrabbeld die het volgende bericht toegestuurd krijgen:

‘1. Hierbij verzoek ik U op vrijdag 28 dezer te 17 uur, aanwe­zig te zijn in de zaal van de akademieraad, Volderstraat te Gent.

2. Hierbij heb ik de eer U mede te delen dat U voortaan voor een ‘job’ aan de universiteit niet meer in aanmerking komt. Hoogachtend, Prof. Dr. J.J.Bouckaert.’

Zo weet rector Bouckaert de eensgezindheid onder de studen­ten bijeen te boksen. De wetenschappelijke faculteiten hiel­den zich tot nu toe wat onwennig op een afstand van de on­stuimige lyriek van de Gentse studentenbeweging; maar ook daar breekt nu het inzicht door dat de studenten zich niet lan­ger in mekaar kunnen laten meppen. Symptomatisch voor de­ze ommekeer is volgende motie, die met kalme bewogenheid gedeclameerd wordt op de volksvergadering door FK-voorzit­ter Berkvens:

Het FK

-heeft kennis genomen van de beslissing van de Raad van Beheer van de RUG, die erin bestaat een aantal studenten willekeurig gekozen op de lijs­ten van de politie, voor de Akademieraad ter verantwoording te roepen, en tegen deze studenten diskriminatoire maatregelen uit te vaardigen wat betreft de jobs;

-stelt hier vast dat de akademische overheid tot eskalatie van de repres­sie is overgegeaan, spijts de kalme en niet provocerende houding van de studenten;

-beschouwt de disciplinaire maatregelen vanwege de akademische over­heid als een poging om de aktie tot vernieuwing van het Universitair on­derwijs definitief te breken, door eenvoudigweg een aantal gijzelaars als zondebokken te behandelen;

-vraagt de Akademieraad zijn beslissingen, in zover zij disciplinaire maatregelen inhouden tegen leden van de universitaire gemeenschap, zeer ernstig en zorgvuldig af te wegen;

-roept de ganse universitaire gemeenschap op om haar solidariteit te be­tuigen met de betrokken studenten door op donderdag 27 maart ter ver­wittiging over te gaan tot een aktieve boycot van de lessen aan de RUG;

-verzoekt de rektor, een antwoord te geven op deze motie voor 17 uur op woensdag 26 maart;

-verder heeft het FK bij unanimiteit beslist dat in plaats van de studenten die voor de akademieraad van vrijdag e.k. moeten verschijnen, een af­vaardiging van het FK en de presides van alle fakulteitskringen naar deze akademieraadzaal zullen gaan om de houding van de studenten te ver­antwoorden.

Woensdag 26 maart wordt het FK-stakingsparool naar de facul­teiten overgebracht. ‘s Namiddags komen 1.000 man bijeen om het enthousiasme aan te scherpen in het vooruitzicht van deze algemene staking en om stakersposten te organiseren voor de taaiste faculteiten. Na de meeting wordt een algemene ‘zitsta­king’ gehouden voor het gebouw van de Vooruit om de vrijlating van twee nog gevangen gehouden kameraden af te dwingen. Cees Van de Poel, journalist bij de Vooruit, had het genoegen ge­smaakt om de nachtelijke volksvergadering die door de rijks­wacht was geënsceneerd in de kazerne van de Groendreef, bij te wonen. Als wederdienst gaf hij de zwervende studentenbewe­ging, niet meer in staat een universiteitsgebouw te veroveren, onderdak in de Vooruit voor een laatste massale bijeenkomst.

Brussel, mei ‘68. Slogan van Mao Zedong op de muren van de ULB: ‘Het is met het reactionaire altijd zo: wanneer men het geen slagen toebrengt, kan men het onmogelijk doen vallen. Het is zoals bij het vegen: waar men niet veegt, blijft het stof liggen.’

Intussen ging het in de Akademieraad, in buitengewone ver­gadering, hard tegen hard. Professoren die het woord voerden ten gunste van de studenten werden herhaaldelijk uitge­jouwd. Het waren o.a. P. Ghijsbrecht, Jaap Kruithof, Etienne Vermeersch en Willy Callewaert. Hoogleraren die door hun tussenkomst blijk gaven de studen­ten te steunen waren o.a. L. Apostel, L. De Coninck, A. De Block, J. Broeckx, J. D’Hondt, A. Verhulst, A. Van Elslander en R. Boehm. Als voorstander van de harde lijn manifesteerden zich vooral R. Deroly, W. Delva en M. Van Meerhaegen. (...)’ Die harde lijn wilde ten allen prijze een slachtoffer. Student Renaat Willockx werd met een uitsluiting uit de universiteit bedacht. Het FK geeft diezelfde avond een motie uit: ‘Het FK besluit alle aktiemiddelen in te roepen met het oog op de intrekking van deze ongeoorloofde beslissing. Het FK beslist dat het normale universitaire leven aan de RUG niet kan hernomen worden, vooraleer deze willekeurige en persoonlijke sanktie is ingetrokken.’ Maar de vakantie zal deze strijdbare intenties wegspoelen; de ren naar de examens is ingezet. De massa werd bijeengehou­den door de dynamiek van de beweging en de actie; uit vakan­tie komen verstrooide eenzaten terug die zich over hun boe­ken buigen, het hoofd in de handen houden en de magische formules ongeschonden in hun hersenen prenten.

Deel Twee
Ontstaan, werking en groei van de nieuwe linkse stroming
   1. Nieuw Links  
   2.
Het eenheidsfront van de Leuvense studenten   
   3.
De geest van mei '68 waait door de facultaire werking   
   4.
De studenten gaan naar de arbeiders   
   5.
De Franse Kp tegen de gauchistische provokateurs van mei '68
   6. De Belgische Kp en de studenten revolte van de jaren '60   

1. Nieuw links

De generatie van ‘62-’66 had in Leuven het terrein klaarge­maakt. Het giftige onkruid van de fascistische traditie was uitgeroeid, de schadelijke insekten van het enggeestig natio­nalisme waren verdelgd. Deze generatie begon al haar bevin­dingen met de overweging dat men de dingen ‘in hun sociaal­economische context moest plaatsen’. De meest vooruitge­schoven linkse posities voerden toen onder de vlag van: ‘Een democratische universiteit in een democratische maatschap­pij!’ en ‘Studenten-arbeiders, solidariteit!’ De meirevolte van ‘66 gaf leven aan Nieuw Links. De geest van deze meidagen blijkt allicht het best in dat beeld van die nach­telijke betoging waarop een duizendtal studenten van de roep ‘Leuven Vlaams’ overschakelt naar de kreet die met volle over­gave wordt uitgestoten: ‘Revolutie, revolutie, revolutie...’ Het is een raadsel wat dit woord betekende voor al die verschil­lende individuen, maar het was een ommekeer in de mentali­teit en de doorbraak naar een radicaal linkse opstelling. In mei ‘66 trad een nieuwe generatie studentenleiders aan. Zij kregen de vuurdoop in een onstuimige studentenrevolte. Dat zette een stempel op hun hele verdere evolutie. Bovendien sloeg het drieste optreden van de rijkswacht een bres in het tot dan toe ‘brave’ linkse denken. In ‘68 verscheen het boek Het gevecht met de mammon. Daarin verzamelde Jos De Man gesprekken met de belangrijk­ste studentenleiders uit West-Europa. Basisinterview was dat met Ludo Martens en Paul Goossens. Jos De Man vroeg: ‘Wat is de ideologische start geweest?’ M&G antwoordden:

‘De ideologische start is niet door auteurs gegeven. In een eerste stadium zijn enkele mensen gaan nadenken over wat in Leuven was gebeurd in ‘66. Er was hier plotseling een uit­barsting die niemand had voorzien en waar niemand iets van begreep. Men was helemaal niet in staat te zien wat dat inhield, wat de mogelijkheden waren. Gedurende vijf, zes dagen waren er iedere nacht vijfduizend mensen op straat, werd er zwaar gevochten met de politie, in een reaktie tegen al wat men reaktionair noemde en dat ging dan van de staat over de reaktionaire klerus naar bepaalde vormen van reak­tionair gezag. Die schok is buitengewoon hevig geweest ge­durende die week na 13 mei ‘66. Na die konkrete strijd zijn we hier met een aantal mensen gedurende de vakantie ge­bleven. We hadden niets meer te doen, we waren bijna ge­dwongen om na te denken. We maakten plannen voor het volgende jaar en zo zijn we stilaan gekomen tot diskussies over de grond van de zaak. We zijn tot thema’s gekomen als de arbeiders en de demokratisering. Dingen die zeer alge­meen en abstrakt waren voor ons. We wilden Leuven Vlaams, dit wil zeggen: we wilden dat het Vlaamse volk aan de universiteit zou komen. Maar bij de Vlaamse bewegingen ging het nooit verder dan die zeer abstrakte kreten. Men wist nooit wie dat volk was. Wij zijn de eersten geweest die de vraag stelden: wie is het volk? Zijn dat de Vlaamse ban­kiers die hun vet reeds gesmeerd hebben en die nu zitten te wachten op de sprong naar de hoge elite? Was dat het Vlaamse volk? Wij vonden dat het Vlaamse volk niet de Vlaamse bankiers moesten zijn die wel Vlaams praten maar op precies dezelfde manier hun vet smeren als de fransspre­kende bankiers. We zijn gaan denken aan de arbeiders. We hebben theoreti­sche teksten geformuleerd, over de arbeiders, over een sys­teem dat ten dienste zou staan van de arbeiders, dat hen op de eerste plaats stelt, dat alle machten kapot maakt. Dat was de eerste ideologie. Het was zeer mooi en idealistisch maar het viel eigenlijk een beetje buiten de realiteit.

Brussel, mei ‘68. Slogans op de muren van de ULB: ‘De revolutie maakt het buitengewone tot iets van elke dag’, ‘Weg met Salazar en Franco’, ‘Franco, nazi’.
Meestal stelt men het nu voor alsof wij dat gehaald hebben uit Marx, maar er was niemand van ons die ooit maar een letter van Marx of Lenin of wie dan ook gelezen had. We hebben eerst zelf een weg afgelegd en bepaalde problemen gesteld. En toen zei men dat we marxisten en leninisten waren. We zijn op de duur zodanig voor marxist en leninist verweten dat we de geschiedenis zijn gaan bestuderen en dat we gingen kijken wat die Marx eigenlijk geschreven had. Dus pas een jaar later zijn we in kontakt gekomen met de analyse van de arbeidersbewe­ging. In die arbeidersbeweging hebben wij het werk gezien van revolutionaire leiders als Marx, Lenin en Mao Tsetoeng. We zagen dat de problemen waar we nu mee gekonfronteerd wor­den, al rezen in Duitsland bij het begin van deze eeuw, in Frankrijk in de jaren 1870; dat die allemaal geanalyseerd zijn. Daarom zijn we die auteurs gaan bestuderen: om te zien hoe zij die moeilijkheden hebben opgelost.’ (blz. 14 tot 16)

Vóór mei ‘66 ijverde de studentengeneratie al voor een demo­cratische maatschappij. De meidagen deden hen echter besef­fen dat achter de kuise sluier van de ‘democratie’ een rijks­wachttronie schuilging en dat de hele samenleving in de wurggreep van de dictatuur van het grootkapitaal werd gehou­den. Het inzicht groeide dat zolang de machtspositie van de grootburgerij niet echt in gevaar komt, er naar democratische wapens gegrepen mag worden. Petities, verzoekschriften, smeekbeden, weeklachten, protestdemonstraties, het kan en mag allemaal... Maar als het er écht op aankomt, blijkt de bur­gerij plots over alle machtsmiddelen voor een openlijke dicta­tuur te beschikken en ze blijkt ook niet te aarzelen om ze in te zetten. Daarover opnieuw het basisinterview in Het gevecht met de mammon.

Jos De Man vraagt: ‘Jullie zeggen: Ze schieten ons dood wanneer we het echte re­volutionaire werk doen. Waarom zeg je zoiets?’
M&G antwoorden: ‘Eén blik op de geschiedenis maakt dat waar. We zouden sukke­laars zijn indien we die konsekwentie niet voor ogen hielden. Eenmaal dat er een serieuze konfrontatie komt, d.w.z. dat de macht van de hoge bourgeoisie, van de financiële en industriële wereld werkelijk op het spel staat, dan aarzelen die geen ogen­blik om wie zij gevaarlijk achten uit te roeien. Dat is gebeurd in Griekenland waar men gewoon vijfduizend tiepen heeft opge­pakt en de meest interessante heeft doodgeschoten. Er is het voorbeeld van Indonesië waar men er enkele honderdduizenden heeft van kant gemaakt. Hetzelfde heeft zich voorgedaan in Duitsland in 1918. Het is een verschijnsel dat je werkelijk over­al hebt meegemaakt. Op het ogenblik dat de heersende elite in gevaar komt en in paniek raakt, gooit ze al haar wapens in de strijd: én de politie, én het leger én de bandietenbenden die ze heeft gehuurd. Op het ogenblik dat de kans bestaat een maat­schappij op te richten ten voordele van de arbeiders, op dat ogenblik is er een strijd aan gang zonder mededogen.’ (blz. 34)

Dat was zo ongeveer de algemene trend van de ideeën die ons met matrakslagen in het hoofd werden geprent. Er werd dan ook een grote speurtocht ingezet naar deze onbekende gelief­de: het socialisme. De meeste studenten hadden geen enkele notie van het marxisme. Toch kafferde de pers hen uit voor volleerde bolsjevieken. De studenten kwamen op dat ogen­blik meer met het gemoed dan met het verstand op voor de re­volutie en voor de arbeiders. Maar ze waren wel gehaast om het marxisme, het socialisme, de revolutionaire leer beter te leren kennen.

Tijdens de vakantieperiode van ‘67 trokken we met een groep SVB’ers naar een internationale studentenbijeenkomst in Ber­lijn. Daar was de student Benno Ohnesorg net door de politie neergeknald tijdens een anti-sjah-demonstratie. De studentenrevolte keerde zich dan ook met geweld tegen de reactio­naire politie. Allerlei ingewikkelde linkse discussies donder­den over ons heen. We slaagden er amper in hier en daar wat flarden te begrijpen. Een student uit Frankfurt had één werkje van Mao gelezen en hij probeerde zijn enthousiasme op ons over te brengen.

Hij stopte ons een twintigtal brochures in de hand Over de juiste oplossing van de tegenstellingen onder het volk. Ber­lijnse studenten brachten ons verder op het spoor van Lenins Staat en Revolutie en van Monopoly Capital van Baran en Sweezy.

Terug in Leuven trokken we naar de Cercle des Etudiants Etrangers. Studenten uit Bolivië, Brazilië, Columbië en Chili hadden in hun eigen land bewogen tijden achter de rug. Ze pro­beerden ons duidelijk te maken dat als de kleinburgerij naar het geweer grijpt, ze enkel haar individuele opstandigheid tot ui­ting brengt en dat het trotskisme de wegen die naar de revolu­tie moeten leiden verspert. Maar er was blijkbaar een andere weg, die in China was uitgetest door Mao: het kwam er op aan een marxistisch-leninistische partij op te bouwen, volgehou­den politiek werk te verrichten onder de arbeiders en de boe­ren, zich af te stemmen op een langdurige volksoorlog, een breed eenheidsfront te maken en de slagen te concentreren op de hoofdvijanden: het imperialisme en de feodalen.

In de zomer van ‘68 publiceerde VVS een aantal teksten van SVB-Leuven in Ervaringen uit twee jaar strijd te Leuven. Het boek moest ‘het studentensyndikalisme naar nieuwe metho­des en inzichten leiden’. Het inzicht in de grote bewegingen en krachten in de wereld had moeizaam vorm gekregen in de analyse van ‘de vier tegenstellingen’. In Ervaringen werd die analyse voor het eerst uitgewerkt: ‘De wereld wordt heden ten dage beheerst door 4 fundamen­tele kontradikties. Elk van deze kontradikties is fundamen­teel niet tot een andere te herleiden, onontkoombaar en blij­vend werkzaam.

1° De kontradiktie in onze landen tussen de heersende kapita­listische klasse en de werkende massa’s van het volk, de ar­beiders, bedienden, intellektuelen en kleine zelfstandigen. 2° De kontradiktie binnen de heersende klasse zelf: de grote monopolies der verschillende landen staan tegenover elkaar. 3° De kontradiktie tussen de hoog-ontwikkelde kapitalisti­sche landen en de nationale bewegingen in de derde wereld, die zich verzetten tegen de uitbuiting van hun volk. 4° De kontradiktie tussen het kapitalisme met zijn profijt en winstjacht en het socialisme dat een maatschappij wil opbou­wen met de volksbelangen als maatstaf. Deze 4 kontradikties zijn echter volledig met elkaar verwe­ven. Wanneer ergens ter wereld een volk de revolutie kan doorvoeren en zijn nationale zelfstandigheid veroveren, dan wordt die overwinning mede bepaald door het feit dat de te­genstander ook op andere plaatsen aan kontradikties en strijd gebonden ligt. Dat is het internationalisme dat alle bevrij­dingsbewegingen bepaalt.’ (blz. 78) De tegenstellingen tussen het kapitalisme en de Derde We­reld werden als volgt geïllustreerd: ‘Kongo is het kruciale punt van Afrika, waar de Amerikanen de Belgische kolonialisten hebben aan de deur geschopt. Sinds ‘63 organiseert Pierre Mulele de guerrilla vanuit het distrikt Kwilu. De guerrillero-strijders blijken het beste georganiseerd in de Portugese gebieden. In Mozambique, Angola en Guinea heb­ben geregeld gewapende botsingen plaats. De moord op Che Guevara bracht de guerrilla in Zuid-Ameri­ka genoegzaam in het nieuws. Bolivië, Columbië, Venezuela, Guatemala, Peru, Brazilië... overal zijn revolutionaire volks­legers op komen duiken. Ben Barka – Marokko: We vinden dat de strijd tegen het imperialisme één is: in Vietnam, Kongo en San Domingo vinden we dezelfde vorm van agressie, hetzelfde Noord-Amerikaanse imperialisme onder drie vormen. Onze solidariteit moet klaar, precies en georganiseerd zijn want solidariteit heeft niets te maken met spontaan gevoel

Kim Il Sung – Noord-Korea: De volkeren van Azië, Afrika en Zuid-Amerika hebben geza­menlijke belangen en hun strijd tegen het imperialisme is verbonden door hun onderlingen steun. Als Afrika en Zuid-Amerika niet vrij zijn, kan Azië het ook niet zijn, en wanneer de imperialisten van de VS uit Azië zijn verjaagd, zal dit de bevrijdingsstrijd van de volkeren in Afrika en Zuid-Amerika bevoordeligen.’ (blz. 88)

En over de tegenstelling tussen socialisme en kapitalisme ci­teerde de tekst: ‘Tijdens de Cubaanse revolutie werden de bezittingen van Stan­dard Oil in Cuba zonder vergoeding genationaliseerd. In één slag gingen 60 miljoen dollar aan investeringen en drie bronnen van permanente winst (verkoop van ruwe petroleum aan Cuba, verwerking, verkoop der eindprodukten) verloren. (...) Cuba’s misdaad bestond erin zijn onbeperkte rechten te laten gelden om over zijn eigen hulpbronnen te beschikken in het belang van zijn eigen volk. (...) Daarom reageerden de Koncerns en hun regering in Washing­ton zo heftig op de Cubaanse revolutie. (...) Wat Cuba zo machtig maakt is dat het zo klein is en in de vlakke buurt van de Verenigde Staten ligt. Wanneer Cuba de Vrije Wereld afvallig kan worden en ongestraft tot het socia­listische kamp toetreden, dan kan ieder ander land dit doen. Het gaat er, met het geval Cuba, niet eenvoudig om de moge­lijkheid een klein land uit te buiten, mar om het bestaan of niet-bestaan van de Vrije Wereld zelf, m.a.w. om het hele sys­teem der uitbuiting. (...) De taktiek bestaat erin de Cubaanse ekonomie op alle moge­lijke manieren te schaden en te verzwakken en dit met een drievoudig doel. Vooreerst hoopt men dat het Cubaanse volk zijn revolutionai­re stemming vroeg of laat moe zal worden en zo de bodem zal klaarmaken voor een suksesrijke kontrarevolutie.

Leuven, 11 oktober ‘68. Een groep studenten dringt het rectoraat binnen. Vice-rector De Vroede tekent de Mexico-motie. Op de achtergrond o.a.: Kris Merckx, Michel Leyers, Gerd Segers en Jan Veulemans. Het bordje : ‘Cia = Moord; Griekenland, Zuid-Amerika’.
Ten tweede wil men de onderontwikkelde landen inprenten dat de revolutie de moeite niet loont. En ten derde wil men de last, die de hele socialistische wereld – en speciaal de Sovjetunie als ekonomisch ontwikkelde bondgenoot – te dragen heeft, zo zwaar mogelijk maken. (Ge­citeerd uit: Monopoly Capital, Baran en Sweezy)’ (blz. 89-90)

De burgerlijke pers die het uitbreken van ‘mei 68’ niet had kunnen beletten, poogde achteraf weerwraak te nemen door er een geromanceerde versie over te verspreiden, waaruit al het revolutionaire is weggezuiverd. En dat wordt dan een verheerlijking van de zogezegde ongecomplexeerde spontaneïteit van mei ‘68. De ervaring van de studentenleiders stond diametraal tegenover deze mythe van de spontaneïteit: er is een bewuste, georganiseerde, goed ingeplante voorhoede nodig opdat de spontane beweging zich breed, krachtig en langdurig zou kunnen ontplooien. En hoe radicaler de spontane massastrijd is, hoe groter de nieuwe voorhoede die uit die massa opstaat.

Paul Goossens rende zowat het hele jaar ‘67 in Leuven rond, gewapend met een megafoon. Hij pleitte voor actie en voor protest. Zelden werden meer dan 200 man bereid gevonden de herder te volgen. En nochtans is het aan dit taaie voorbereidingswerk te danken dat in januari ‘68 de spontaneïteit zich meester maakte van ettelijke duizenden contesterende studenten. Elke voorhoede wordt uiteindelijk beoordeeld naar de doeltreffendheid waarmee ze de massabeweging weet voor te bereiden en te ontwikkelen. Maar de relatie loopt ook andersom: het hangt van de ideeën, het dynamisme, het organisatievermogen van de voorhoede af tot welk peil de massa zich tijdens de strijd weet op te hijsen.

Ervaringen uit twee jaar strijd te Leuven bevatte een uitvoerige tekst over de organisatieopvattingen van SVB: ‘Men kan maar van avant-garde spreken wanneer we werke­lijk een groep hebben die voorgaat. Zo’n groep is niet in één, twee, drie ontwikkeld tot een dui­zendkoppige organisatie. De objektieve voorwaarden van de universiteit laten dit niet toe: de universiteit is een milieu dat langs vele kanalen door de bezittende klasse wordt be­heerst. In zo’n milieu kan alleen een kleine groep door de aktie tot inzicht komen in de klassemaatschappij. De syndikalisten moeten dubbel zoveel studeren, dubbel zo hard werken als een vakidioot. Terwijl deze laatste feiten slikt, moeten de syndikalisten een analysemethode verwer­ven. Er gaat enorm veel onopgemerkt en verdoken studie­werk vooraf, men moet enorm veel discussiëren en schrijven voor men werkelijk een avant-garde kan bij mekaar hebben. Een kern van een vijftigtal werkzame, onderlegde en idealis­tische mensen is onze conditio sine qua non.’ (blz. 13) En verder: ‘Wij moeten onze aanhang opbouwen; beetje bij beetje moe­ten wij een militante groep formeren. We moeten onze aan­hang verwerven, veroveren. Deze aanhang moet gesmeed worden in de permanente ideologische strijd binnen onze groep en in de permanente aktie-strijd van onze groep naar buiten toe. Deze groep is het sluitstuk en de kern van onze organisatie. Alleen deze groep zal immers een reële betekenis hebben in de latere strijd binnen de maatschappij: het aantal mensen dat inderdaad wil werken aan de voorbereiding en de analyse van een nieuwe maatschappij zal niet zo hoog oplopen. Strategisch stemmen wij onze organisatie dus af op een be­perkte militante of getrainde groep, die een paar honderd mensen kan bevatten. Op het vlak van de taktiek echter is onze eerste en belang­rijkste bekommernis: zoveel mogelijk studenten bereiken. De verwezenlijkingen, akties, bijeenkomsten naar buiten toe moeten op alle studenten zijn gericht.’ (blz. 35)

Zo had deze generatie studentenleiders uit eigen ervaring een aantal ideeën gecondenseerd over de verhoudingen tussen de voorhoedepartij en de massabeweging. En deze ideeën werden bevestigd en verrijkt door de studie van Lenins boek Wat te doen?

Gedurende de vakantie van ‘68 werd een vrij unieke kracht­toer uitgehaald. Een dertigtal militanten nam gedurende volle zeven dagen deel aan een studieseminarie over Wat te doen? Het doorworstelen van dit boek was een ware kruisweg. Geen kennis zonder ernstige inspanning. Voor de meeste militan­ten was het de eerste keer dat zij een marxistisch werk gron­dig ontleedden. Deze intense studie van het boek waarin Le­nin zijn basisideeën over politiek en organisatie uiteenzet, heeft een beslissende invloed gehad.

De massastrijd van mei ‘66 veroorzaakte een democratische omwenteling in de studentenmentaliteit en gaf het ontstaan aan een bewuste linkse kern; de revolte van januari ‘68 bracht een brede verspreiding teweeg van de revolutionaire ideeën. De zoektocht naar een socialistische theorie had een precies doel voor ogen: de massastrijd beter leren organiseren. Pas veel later zou de studentenvoorhoede ten volle inzien dat het hier een fundamentele kwestie betrof. Het begrip dat men van de socialistische theorie verkrijgt, hangt volledig af van het soort vragen en problemen dat men stelt aan die theorie. Wie zich de vraag stelt hoe de arbeidersklasse te die­nen, hoe de revolutionaire zaak van de arbeiders te organise­ren, zal het antwoord vinden in het marxisme-leninisme. Wie niet met dit soort problemen worstelt, zal weinig nut halen uit die studie. Eerst komt de praktijk, dan de theorie. Wie zich in de praktijk van de klassenstrijd, van de massabe­weging werpt, duikt onder in een golf van concrete proble­men. Voor deze problemen brengt het wetenschappelijk so­cialisme klaarheid.

Maar wat was nu eigenlijk socialisme? Pijnlijke vraag in dat ontluikende, linkse Leuven van ‘67. Zonder veel kennis, zon­der veel ervaring, zonder traditie moesten we die vraag zien op te lossen. Er waren twee verleidingen: vooreerst de idee dat alles wat zich socialist en communist noemt, dat inderdaad ook is en dat alleen persoonlijke boosaardigheid al die gelijk­gestemden uiteenhoudt. Daarnaast het verlangen om ‘nieuw’ te zijn en om zijn eigen ideale socialisme uit te denken.

Het gebeurde in de tijd toen men dagelijks om 9 uur ‘s mor­gens een mystiek over de hoofden heen starende Walter De Bock op de drempel van een of andere drankgelegenheid zag verschijnen om zich zonder op- of omzien discreet in een hoekje te installeren. Uit de geheimzinnige zwarte aktentas werd, naast de onvermijdelijke portie dagbladen, een stapel boeken opgediept, opgesteld in verschillende Europese talen. Wie aan het belendende tafeltje zat, kon dan vaak het genoe­gen smaken te worden vergast op de lecture à haute voix van een bijzonder veelzeggende Franse, Duitse, Engelse of verhak­kelde Spaanse passage. Hoe dan ook, deze moeilijke theoreti­sche exploraties van De Bock leidden zonder uitzondering naar één conclusie, samengevat in de woorden van Friedrich Engels: ‘Sinds het socialisme een wetenschap is geworden, moet het behandeld, dit wil zeggen bestudeerd worden als een weten­schap.’

Hoeveel mensen zijn er niet die zweren bij het socialisme, bij Marx en Lenin, maar die geen enkele systematische kennis van het marxisme hebben? Men kan een these maar begrijpen wanneer men terzelfdertijd de tegengestelde stelling kent. Men kan het marxisme maar begrijpen als men ook bestu­deert tegen welke stromingen en opvattingen in het marxis­me zich een weg heeft gebaand. Het socialisme is een weten­schap. Dat inzicht werpt een fel licht op het onontwarbare schimmengevecht van al wie zich op het socialisme beroept. De eerste lessen in het marxisme hebben Het Communis­tisch Manifest en Socialisme van utopie tot wetenschap van Marx en Engels als onderwerp. In die werken wordt de lezer duidelijk gemaakt dat elke klasse haar socialisme heeft. In het Manifest kun je lezen hoe de Franse aristocratie een gelijkaar­dige vondst had gedaan door een ‘feodaal socialisme’ te ont­werpen dat vlammende taal sprak tegen de burgerij en tegen het proletariaat. Ook de kapitalistenklasse zag reeds voor 1848 het nut in van een ‘burgerlijk socialisme’ dat zich tot doel stel­de de ergste wantoestanden weg te schaven om de burgerlijke maatschappij beter overeind te houden. Zij handelde precies hetzelfde als de andere kapitalisten maar voegde eraan toe: ‘Als wij afdanken, een loonstop doorvoeren, het ritme verho­gen, dan doen wij dat in het belang van de arbeidersklasse en van het socialisme.’

Marx en Engels beschrijven ook het kleinburgerlijke socialis­me dat met grote bitterheid en waarheidsgetrouw alle beuls­daden van het kapitalisme verkettert maar wereldvreemde oplossingen uitbroedt die de individuele en versnipperde si­tuatie van de kleinburgers weerspiegelen. Vele progressieven ondernemen wanhopige pogingen om een ‘eigen socialisme’ te bedenken en gaan lichtzinnig voorbij aan de rijke ervaring van het verleden. De arbeidersklasse was nog een nieuwe en vrij onervaren klasse toen Marx en Engels een strijd op leven en dood voerden tegen de anarchistische stromingen die de arbeidersbeweging verstikten met utopische en reactionaire ideeën van de kleinburgerij. Zo wisten Marx en Engels de weg naar de socialistische revolutie met wetenschappelijke precisie aan te wijzen. Na hun dood maakten Bernstein en Kautsky zich van hun erfenis meester, zuiverden die van alle revolutionaire denkbeelden en presenteerden een ‘marxisme’ dat in de smaak viel bij de burgerij. De socialisten werden dan ook prompt regeringsleiders. Lenin ging hen onverbidde­lijk te lijf en hij wist de ideeën van Marx gestalte te geven in de eerste zegevierende arbeidersrevolutie. Toen Lenin de Sovjetunie leidde, kreeg hij razende aanvallen naar het hoofd geslingerd van anarchisten en ‘socialisten’ die dienst deden als speerpunt van de hele Europese burgerij. Die aanvallen werden later overgenomen door Trotsky in zijn strijd tegen de bolsjevistische partij en tegen Stalin.

Leuven, november ‘68. Paul Goossens en Kris Merckx. Bij de toehoorders
 o.a.: zittend: Warre Claes, Eric Meert, Mon Van der Osteyne;
staand: Michel Leyers, Walter De Bock en Arnout Van Reusel.

Chroesjtsjov gaf een opportunistische oriëntatie aan de poli­tiek van de USSR: principeloze aanvallen tegen Stalin, fantai­sistische plannen zonder wetenschappelijke grond, ‘vreedza­me weg’ naar het socialisme. Wie in ‘68 een antwoord wilde op de vraag ‘Wat is socialisme?’, kon niet aan deze lessen van de geschiedenis voorbijgaan. Het zou dan ook van een hoogst akelige vorm van eigenwaan ge­tuigd hebben, als men met een paar goedkope gemeenplaatsen was voorbijgegaan aan Marx, Lenin en Mao Zedong.

Er bestaat een band die de arbeidersstrijd van alle landen ter wereld verbindt. Dit kwam tot uiting in de grote invloed van de Vietnamese revolutie op het ontstaan van een nieuwe communistische stroming in West-Europa. De koppige, held­haftige weerstand van het Vietnamese volk intrigeerde de stu­denten. Er moest hier iets echt revolutionairs aan het werk zijn, iets dat verpletterend superieur was aan de muffe praat­jes van de gevestigde communistische partijen in Europa en aan de blufferige caféverhalen van de trotskisten. Het boek dat Truong Chinh, een theoreticus van de Vietnamese KP, in ‘69 publiceerde, Op de weg aangegeven door Karl Marx, toon­de ons het waarom van het Vietnamese wonder: de scheppen­de toepassing van de algemene principes van Marx, Lenin en Mao Zedong op de concrete praktijk van Vietnam. Op diverse vergaderingen zag men zowel Jef Turf en Debrou­were van de Belgische KP als de trotskisten, Vercammen en Corijn, met een rode barstensklare kop aan tafel zitten zodra iemand het waagde een vraag te stellen naar de inhoud en de politiek van de Vietnamese revolutie. ‘Er moet hier gesproken worden over actie en over niets dan actie; reële solidariteit hebben we nodig, geen theoretische discussie.’

Zo vlogen ze telkens uit met een ondertoon die wel argwaan moest wekken. Inderdaad, ze zwaaiden met de naam Viet­nam in de hoop dat de roem van deze strijd op hen zou afstra­len; maar terzelfdertijd verketterden ze de politieke lijn en de politieke opvattingen waarmee de Vietnamese KP de zege veroverde.

In het boek van Truong Chinh wordt uiteengezet dat de ge­wapende volksrevolutie, de ontbinding van het burgerlijke staatsapparaat, de opbouw van een nieuwe staat van de dicta­tuur van het proletariaat, universeel geldende beginsels zijn. Toen mensen dit abc van de leer van Marx in België voorhiel­den, krijste de schrille stem van Jef Turf dat dit ‘een catechis­mus met enkele eenvoudige dogma’s’ was. En tijdens beto­gingen zag men hele meutes trotskisten in looppas de kreet aanheffen: ‘Ho-ho-ho-chi-minh’, hoewel het bekend is dat Ho Chi Minh zich in Vietnam verplicht heeft gezien om openlijk te verklaren dat de trotskisten optraden als agenten van het fascisme. De trotskisten wendden voor dat ze Ho Chi Minh in het hart droegen om des te gemakkelijker hun anti­communisme onder de jeugd te kunnen verspreiden.

Vietnam was voor ons de zegevierende realiteit van een gewa­pende volksrevolutie voor onafhankelijkheid, democratie en socialisme. De geweren van Vietnam werden gericht volgens de leer van Lenin en Mao Zedong.

Een ochtend van mei ‘68 voor de Parijse Sorbonne. Een twee­tal militanten plakt het laatste vel van een zorgvuldig met de hand geschreven, meterslange muurkrant. Het is de volledige tekst van een zojuist in Beijing verschenen editoriaal van het Volksdagblad (Renmin Ribao).

‘Waarom schrijf je zo’n hele tekst van Beijing over?’
‘We moeten aan iedereen laten zien dat de revolutionaire strijd van de arbeiders en studenten de volle steun geniet van de Chinese KP.’
‘Maar daar is toch iedereen van overtuigd!’

Hoewel deze laatste bewering bol staat van naïviteit is ze toch typerend voor de golf van sympathie voor de Culturele Revolutie in de contesterende studentenbeweging. De studenten­revolte voelde een spontane verwantschap met de oproep tot revolte tegen de oude en nieuwe burgerlijke krachten die Mao Zedong over China lanceerde:

‘Hoewel de burgerij omvergeworpen is, probeert ze de massa’s corrupt te maken en te winnen dank zij de gedachten, de cul­tuur, de oude zeden en gewoonten van de uitbuitende klassen om zo haar macht te herstellen. Het proletariaat moet het te­genovergestelde doen: resoluut weerstand bieden aan iedere uitdaging die de burgerij lanceert op het ideologische terrein en de morele fysionomie van de hele maatschappij omvormen met de nieuwe gedachten, cultuur, zeden en gewoonten die eigen zijn aan de arbeidersklasse. Op het huidige ogenblik hebben wij als doel de verantwoordelijken die de kapitalisti­sche weg zijn opgegaan te bekampen en te verpletteren, de re­actionaire academische autoriteiten van de burgerij te kritise­ren, en het onderwijs, de kunst en de literatuur en alle andere takken van de superstructuur, die niet beantwoorden aan de socialistische economische basis, te hervormen om bij te dra­gen tot de versteviging en ontwikkeling van het socialistische systeem.’ (8 augustus ‘66)

Ja, het was nodig om in mei ‘68 aan de Sorbonne van Parijs te afficheren: de KP van China leeft mee met onze strijd. Op 21 mei ‘68 betoogden in Beijing een half miljoen arbeiders, rode wachters en studenten ter ondersteuning van de revolte in Parijs. In de automobielfabriek nr.1 van Tsjang-Tsjouen vond een meeting plaats van 10.000 arbeiders ter ondersteu­ning van de bezetting van Renault. Als een lopend vuur breidden de betogingen zich in heel China uit: op 26 mei hadden al meer dan 20 miljoen mensen aan demonstraties deelgenomen.

In mei ‘68 durfde iedereen luidop dromen van de wereldrevo­lutie en iedereen voelde dat het grote China het hart vormde van die wereldrevolutie.

Velen hebben sindsdien begrepen dat het hard werk en ernsti­ge studie kost om deze dromen in werkelijkheid om te zetten.

De spontane sympathie voor de Chinese KP werd geleidelijk aan op een stevige basis gevestigd omdat wij de teksten van de Culturele Revolutie bestudeerden. Welke ideeën maakten de meeste indruk?

Vooreerst de massalijn: de overtuiging dat de massa’s de ge­schiedenis maken, dat de voorhoede zich voortdurend met de massa’s moet verbinden, dat zij onophoudelijk de goede, revo­lutionaire verlangens en voorstellen van de massa’s moet ver­zamelen en dat zij permanent aan politiek opvoedingswerk onder de massa’s moet doen.

Ten tweede de omvorming van de intellectuelen: de idee dat de intellectuelen hun burgerlijke gewoonten en opvattingen van zich kunnen afschudden door zich te verbinden met de ar­beidersklasse, door stelselmatig contact met de arbeiders.

Ten derde de strijd tussen de twee lijnen: de partij is de vitale kern voor de revolutie. Zij kan maar zuiver blijven en sterker worden wanneer zij bewust de strijd organiseert tegen alle burgerlijke stromingen die onvermijdelijk en voortdurend op­duiken in haar rangen.

En tenslotte: men komt steeds voor nieuwe en onverwachte problemen te staan; men zal die problemen kunnen uitklaren als men zorgvuldig alle aspecten van de realiteit bekijkt en als men in het marxisme opzoekt met welke methode soortgelij­ke problemen werden opgelost.

De eigenlijke vruchten van de revolte van ‘68 werden pas na verloop van een jaar geleidelijk zichtbaar.

Wat zou er van de geestdrift, van de massabeweging, van de wereldomwentelende projecten overblijven? De studenten hadden allicht de titel verworven van ‘verdienstelijke contes­tanten anno 68’ , maar hoe moest er nu verder ernstig revolu­tionair werk worden geleverd?

Het was duidelijk dat de tijd ons voortduwde naar kapitale be­slissingen. En zoals altijd wanneer men naar moeilijke en ge­wichtige wendingen toegroeit, deden zich tekenen van crisis voor binnen de SVB (Studentenvakbeweging).

Wat betekende SVB op dat ogenblik? SVB was de enige organi­satie in Leuven die een stempel had gedrukt op de januari-re­volte. Dit had haar een groot prestige bezorgd. In ‘69 telde SVB 550 abonnementen op het blad 13 mei. De zusterorganisatie die na de maartdagen van ‘69 in Gent het leven zag, kreeg de letters GSB mee, wat staat voor Gentse Studentenbeweging. Het blad Beweging haalde tot 600 verkochte nummers. Er was dus een echte massaorganisatie van linkse studenten, geleid door een marxistisch-leninistische kern.

Ervaringen uit twee jaar strijd te Leuven eindigt met een or­gelpunt dat goed de vastberadenheid van die kern weergeeft: ‘Deze opgave voor bewustmaking en organisatie van de volks­massa is een levenstaak. Wanneer we over volksoppositie spreken, dan laat dit alle klein-burgerlijke gefluit over elek­torale druk en over aan de hoogste top komen om dat sys­teem te hervormen ver achter zich.

De opgave bij de massa zelf te gaan werken, discussiëren en organiseren laat geen enkele hoop op goedkoop sukses, presti­ge en karrière toe. Men zal tegengewerkt, geboycot en afge­zonderd worden – waarbij alleen de solidariteit van allen die voor dezelfde idealen vechten een tegenkracht vormen.

Welke waarborgen heeft de student dat hij deze opgave zal aankunnen? De éne waarborg dat wij levenslang voor hetzelf­de zullen werken, ligt in de totale inzet in aktie en strijd die wij thans tijdens de studententijd voeren.’ (blz. 129)

Maar onopgemerkt slopen een hele reeks problemen de orga­nisatie binnen. Ze stapelden zich op en rijpten naar een crisis­situatie toe.

Het eerste probleem. Alle SVB’ers waren het er over eens dat het marxisme-leninisme moest toegepast worden en dat de over­gang naar de arbeidersklasse moest verwezenlijkt worden. Over die overgang naar de arbeiders werd eindeloos gekletst. Maar de zaak bleef aanslepen. We kwamen niet tot concrete maatrege­len. We slaagden er niet in het probleem van de inplanting on­der de arbeiders stevig vast te grijpen en op te lossen.

Gent, januari ‘69. Studenten tegen Uco-patroons tijdens de vakbeurs Textirama: ‘Textiel: solidariteit student-arbeider’. V.l.n.r. ziet men o.a. Ludo Martens, Robert Fusz, Willy Malisse, Rita Swinnen, Bob Roeck, Dirk Nimmegeers, Bernadette Thirion, Magda Deygers, Jan Deckers, Wilfried Van Hove.
Een aantal militanten werd het kletsen beu en ging in de fa­briek werken. Dit alles gebeurde in de grootste wanorde. Wanneer men in een totaal nieuw milieu met volslagen nieu­we kenmerken terechtkomt, worden alle ideeën die men heeft opgedaan grondig dooreengeschud. Aan de universiteit hadden allerlei politieke discussies ons tot het marxisme-le­ninisme gevoerd. Maar wat kon men daarmee aanvangen in de fabriek? In de bedrijven kwamen de studenten met een on­gekende realiteit in aanraking: de dagdagelijkse, economische strijd van de arbeiders voor hoger loon, betere werkvoorwaar­den en de grote moeilijkheden om deze strijd op een georgani­seerde manier te voeren.

In december ‘69 dook de eerste economistische strekking op: ‘Met het marxisme-leninisme, met die hoogdravende politiek kunnen we nu niets uitvoeren onder de arbeiders. We moeten eerst leren de gewone, economische, syndicale strijd in de ate­liers zelf te leiden.’

Het tweede probleem. Een vrij grote groep studenten had de eindstreep van de universitaire omloop in zicht. Iedereen hield rotsvast staande dat de arbeidersklasse de enige conse­quente revolutionaire klasse is. Maar nu de tijd naderde waar­op men goede voornemens in definitieve beslissingen moest omzetten, deinsden heel wat militanten terug. De sprong naar het onbekende, de breuk met het vertrouwde kleinburgerlijke milieu verliep heel wat minder zwierig dan men zich had voorgesteld. Voorzichtig rees de vraag of die harde inspannin­gen wel noodzakelijk waren, of die moeilijke weg van het werk onder de arbeiders niet kon ontweken worden. Men kon toch ook links werk verrichten als leraar, als advocaat... En op de toppen van de tenen verwijderde men zich van het beslis­sende probleem: de kern vormen voor een nieuwe communis­tische arbeiderspartij.

Het derde probleem. De organisatie had zich gedifferentieerd; totaal verschillende werkzaamheden bleven echter binnen eenzelfde geheel aan elkaar vastgeketend. Een groep militan­ten had al een hele tijd de studies stopgezet, wilde ontsnappen aan het universitaire wereldje en wou onder de arbeiders wer­ken. Aan de andere kant stonden de studenten die binnen hun faculteitskring bedrijvig wilden zijn; ze wensten er diverse werkgroepen op te starten waar ze dan geleidelijk aan marxis­tisch-leninistische opvoeding konden binnenbrengen. Beide groepen vormden een rem op elkaars werk, wat onvermijde­lijk de spanningen en misverstanden deed toenemen en de po­litieke tegenstellingen verscherpte.

Dit alles voerde onvermijdelijk naar een crisis en toen die uit­brak, bedacht ze zichzelf met de ambitieuze titel: ‘De culture­le revolutie van Leuven’.

Wat was de inhoud van deze interne kritiekbeweging? Het re­quisitorium luidde ongeveer als volgt:

‘SVB is een elite geworden, die niet alleen is losgesneden van de basis, maar die zelfs remmend werkt tegenover die basis. Binnen SVB zelf bestaan autoritaire structuren en de top drukt zijn ideeën op een autoritaire wijze door. Men gaat het belang van de revolutionaire theorie enorm overschatten met het doel de leiding van de revolutie in handen te leggen van de in­tellectuelen. Dit betekent een ontkenning van de stelling dat de arbeidersklasse in alles de leiding moet hebben. Men wil in feite een avant-garde vormen die handelt in de plaats van de massa, terwijl het de taak zou moeten zijn onder te duiken in de massa en haar creativiteit te stimuleren. Men kan zich de vraag stellen of de opvatting van Lenin over de organisatie van de revolutie in Wat te doen? nog wel kan gelden.’

Daarmee was de toon aangegeven voor de eerste echte ‘strijd tussen twee lijnen’ die heel wat theoretische inzichten con­creet maakte.

Vooreerst dit. Er stelden zich overduidelijk een hele stapel problemen in de organisatie. Er waren klaarblijkelijk fouten en tekorten. Bepaalde leden reageerden op deze fouten door de marxistische stellingen die ze tot nu toe aankleefden te verwerpen. Dit fenomeen zou later nog vaak de kop opste­ken. Geregeld doken nieuwe ingrijpende problemen op. Som­mige kameraden raakten in paniek en gooiden hun geringe marxistische bagage overboord. Moeilijkheden moeten ech­ter een aanleiding zijn om de marxistische kennis te verdie­pen, want enkel op die manier kan er klaarheid en eensge­zindheid komen.

Vervolgens. Het grootste deel van de militanten voelde zich aangetrokken door de radicaal-democratische gedachten van SVB. Ze werden vooruitgestuwd door gedachten van revolte tegen allerlei verroeste gedragspatronen, verouderde ideeën en hypocriete gebruiken die op hun persoonlijke ontwikke­ling wogen. Dit progressieve ideeëngoed wortelde echter nog altijd in de grond van de burgerlijke maatschappij. Velen dachten dat die voor ingrijpende verbetering vatbaar was. Die progressief-burgerlijke ideeën werden stuk voor stuk in de SVB-machine gegrepen en verbrijzeld door georganiseerde ac­tie, studie en discussie. Een deel van de organisatie had een behoorlijke kennis van het marxisme-leninisme verworven. Maar een ander deel gaf slechts met stijgende tegenzin zijn progressief-burgerlijke ideeën prijs om op een bepaald mo­ment te besluiten: ‘Nee, wij marcheren niet langer in die richting.’

De kameraden die deze culturele revolutie in miniatuur lan­ceerden, waren er heilig van overtuigd dat zij het denken van Mao Zedong correct begrepen en dat zij de strijd aanbonden tegen het revisionisme. Maar in werkelijkheid gaven zij ui­ting aan de eerste ‘opstand’ van progressief-burgerlijke ideeën binnen onze organisatie tegen de communistische leer. In­dien zij gehoor hadden gevonden, dan was SVB uiteengespat en was Alle Macht Aan De Arbeiders (AMADA) er niet gekomen. Eind ‘69 stelden wij ons op de grondslag van het marxisme, maar wij waren nog ver van een alzijdig en concreet begrip van het wetenschappelijk socialisme.

In een situatie waarin we nog bitter weinig gebruiksklare ken­nis bezaten, verklaarden sommigen de studie voor nutteloos. In een situatie waarin de beweging organisatorisch niet aaneen­hing, predikten sommigen de versnippering. We hadden nog nooit geleerd systematisch opvoedingswerk te doen, maar som­migen lanceerden toch al een oproep om ‘onder te duiken’ onder de massa en niets ‘op te dringen’. De kritieken waren een spon­tane reflex van verzet tegen de communistische stellingen, een schreeuw om zelfbehoud vanwege ingewortelde burgerlijke ideeën. Het treffende hierbij was dat in deze kritiek alle stellin­gen van het anarchisme aanwezig waren, hoewel deze kamera­den met verontwaardiging elke verwantschap met het anarchis­me afwezen. Maar het anarchisme is een samenhangende ideo­logie. In een periode van dertig, veertig jaar is zij uitgebeiteld door verstandige mensen. Het is een consistent geheel van ver­zet van de kleinburgerij tegen het wetenschappelijk socialisme. Toen enkele SVB’ers vanuit een kleinburgerlijk standpunt het leninisme gingen ‘in vraag stellen’, kwamen zij onvermijdelijk tot stellingen die al lang voordien door het anarchisme waren bedacht. Dit onderstreepte de volgende waarheid: wie Marx en Engels wil begrijpen, moet ook het anarchisme kennen. Wie Le­nin en Stalin wil verstaan, moet in staat zijn kritiek te formule­ren op het werk van Kautsky en Trotsky. Wie de theorie van Mao Zedong wil beheersen, moet het revisionisme kennen.

Eind ‘69 stapelden alle voortekenen van een naderende crisis zich op. Maar plots werden al deze donkere wolken met één storm uit de hemel weggeveegd: op 5 januari ‘70 brak de Lim­burgse mijnstaking uit. Het hoofdprobleem van SVB was de overgang naar de arbeidersklasse, de inplanting in de arbeiders­wereld. De mijnstaking kwam op een wonderbaarlijk geschikt moment. Voor meer dan 100 kameraden uit SVB en GSB bete­kende deze staking het langverwachte sein om los te breken uit de verstikkende omgeving van de universiteit. De mijnstaking liet de studentenbeweging toe om in een minimum van tijd een grote ervaring inzake het concrete werk onder de arbeiders op te doen.

Doorheen de crisis van ‘69 wist SVB haar eenheid te bewaren. Alle militanten hadden het verlangen om het marxisme toe te passen en zij wilden de tijd nemen om te zien welke van de twee lijnen het echte en welke het valse marxisme vertegen­woordigde. Vervolgens wilden ze nagaan wat deze twee lij­nen in de praktijk zouden betekenen, want een verkeerde lijn is niet in staat langdurig de vuurproef van de praktijk te door­staan. Had men de zaken op de spits gedreven, dan waren gro­te scheuringen ongetwijfeld het resultaat geweest van deze ‘culturele revolutie’. Maar door de ervaring en door de studie werd de situatie uitgeklaard en iedereen verenigde zich bin­nen AMADA. Er waren wel heel wat militanten die individu­eel afzwaaiden, maar het kwam niet tot groepsmatige politie­ke afscheuringen. Dank zij deze eenheid kon snel vooruit­gang worden gemaakt binnen de arbeidersklasse. AMADA werd de basiskern voor de uitbouw van de Partij van de Ar­beid.

Gent, 13 maart ‘69. Auditorium E (Blandijn). Het panelgesprek ‘Voor of tegen de jury’ wordt omgevormd tot ‘Voor of tegen de repressie’. Het panel v.l.n.r. Louis De Lentdecker (verborgen), Prof. W. Delva, F. De Clerck, Prof. P. Ghijs­brecht, Mr. M. Van de Vijver. Ludo Martens spreekt de volksvergadering toe.

2. Het eenheidsfront van de Leuvense studenten

De ontplooiing van de studentenbeweging in de tweede helft van de jaren zestig is een levendige illustratie van een principe dat algemeen geldt voor de klassenstrijd: massabe­wegingen worden maar mogelijk door de vorming van een breed eenheidsfront rond een minimumplatform, rond een geheel van eisen waarrond mensen met verschillende opi­nies in actie kunnen treden. Enkel in massa-acties kan het politiek bewustzijn op grote schaal veranderen. Reeds in de vorige eeuw hadden Marx en Engels beschreven hoe enkel in periodes van massale revolutionaire opstand, het volk op grote schaal de verstikkende ideeën van onderworpenheid en machteloosheid van zich afgooit, elke lakeiengeest radi­caal uitbant en een hoog politiek en moreel bewustzijn ver­werft. In 1905, op een ogenblik dat de massastrijd in Rus­land op gang kwam, schreef Lenin: ‘De revolutie leert ongetwijfeld met een snelheid en grondig­heid die in tijden van vreedzame politieke ontwikkeling on­waarschijnlijk lijken. En zij leert, wat zeer belangrijk is, niet alleen de leiders, maar ook de massa’s... De revolutie smeedt snel aaneen en brengt snel opheldering. Iedere stap van haar ontwikkeling schudt de massa wakker en trekt ze met on­weerstaanbare kracht juist naar de kant van het revolutionaire programma als het enige dat haar werkelijke wezenlijke be­langen consequent en ten volle tot uitdrukking brengt.’ (Keu­ze uit zijn werken, deel I, blz. 160 en 197.)

Zo’n proces van bewustwording heeft zich in de jaren ‘60 on­der de studenten voltrokken als gevolg van de massa-acties.

Die massa-acties zijn slechts mogelijk geweest omdat de meest bewuste studenten erin slaagden een eenheidsfront op te bouwen en in stand te houden dat in staat was duizenden studenten in de actie te betrekken.

We drukken hiernaast de Nederlandse versie van een twee­talig pamflet af dat in Leuven werd uitgedeeld op 29 novem­ber 1967, twee dagen nadat in een spontane manifestatie, in de nacht van 27 november, twaalfhonderd studenten be­toogd hadden tegen het doodschieten van een boer in Ou­denaarde.

Dit pamflet levert het bewijs hoe van bij het begin van de stu­dentenrevolte met zorg was gewerkt aan het tot stand komen van een breed eenheidsfront. De student van de eerste helft van de jaren ‘70 zal wel enigszins verbaasd zijn te zien dat de­ze oproep tot actie broederlijk was ondertekend door KVHV, SVB, SK en VNSU. De ondertekenende organisaties verschilden politiek vrij sterk van mening.

Het KVHV, het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond, vormde in ‘67 een eigenaardig allegaartje waar, naast rechtse nationalisten en vele VU- en CVP-gezinden, ook een sterke linksgezinde groep aanwezig bleef. SVB, de Studenten Vak Beweging, een kern van linkse radicale militanten, had zich in 1966 binnen het KVHV ontwikkeld, om vanaf 1967 als autonome organisatie op te treden.

Het SK of Seniorenkonvent was het overkoepelende orgaan van de regionale studentenclubs, die zorgden voor een traditie van studentikoos vermaak waarvan de essentie wordt samen­gevat in het refrein ‘Hoog het glas, hoog het bier, hoog het lied’.

Het VNSU tenslotte was een politieke studentenorganisatie die aanleunde bij de Volksunie.

Ondanks de grote verschillen in politieke opinie kon boven­staande oproep eensgezind door die organisaties uitgegeven worden. Dit was mogelijk omdat de acties van mei ‘66 steeds in een eenheidsfront waren gevoerd, waarbij de studenten van verschillende opinies gemeenschappelijke ervaringen hadden opgedaan die hen samen steeds verder in linkse en democrati­sche richting hadden doen evolueren.

Deze evolutie was slechts mogelijk omdat de voorhoede bin­nen het eenheidsfront haar rol correct had vervuld. Die rol be­stond erin dat zij voortdurend de nieuwe linkse thema’s for­muleerde en die in alle milieus ter discussie stelde.

Het is door dit volgehouden werk van de avant-garde dat bij­voorbeeld het belangrijke thema ‘Arbeiders-studenten, één front’ op enkele jaren tijd gemeengoed werd. Nochtans vond dit thema, toen het in februari ‘66 naar aanleiding van de mijnwerkersstaking in Zwartberg voor het eerst werd gelan­ceerd, bitter weinig gehoor. Tijdens de revolte van mei ‘66 spanden de linkse kameraden zich onophoudelijk in om de noodzaak te verdedigen zich met de arbeiders te verbinden. Voortdurend gaven zij opvoeding over de band tussen de strijd van de arbeiders en de strijd voor de democratische studenten­eisen. Het ordewoord ‘Arbeiders-studenten, één front’ werd na enkele jaren strijd en ervaring op 27 november ‘67 door een breed eenheidsfront overgenomen.

Zoals uit het tweetalige karakter van dit pamflet blijkt, was reeds in november ‘67 in het eenheidsfront van Vlaamse orga­nisaties het inzicht doorgedrongen dat men voor de democrati­sche eisen zowel de Nederlandstalige als de Franstalige studen­ten van Leuven moest verenigen.

In de betogingen van ‘65 werd de officiële slogan ‘Overheve­ling’ meer dan één keer overstemd door het rechtse ordewoord ‘Walen buiten!’ Toen op 13 mei de studenten op straat kwa­men, kreeg de oude anti-Waalse slogan ook nog zijn kans. In de betogingen vormden de bewuste anti-kapitalistische studenten nog maar een minderheid. De meerderheid van de betogers wa­ren democratisch en vlaamsgezind, maar er liepen ook be­houdsgezinden en zelfs uiterst rechtse flaminganten tussen. Hoe moesten de linkse studenten zich opstellen tegenover zulke beginnende massabeweging? Moesten ze eerst de zaak vanop de stoep in ogenschouw nemen om dan, geschrokken door een paar dwaze slogans en door de bonte politieke men­gelmoes waarin zich ook wat ongure individuen bewogen, naar hun studeervertrek hollen om daar voor een ongelezen blaadje een grootse ‘marxistische kritiek’ van de massabewe­ging uit hun geleerde pen te puren?

Gelukkig hebben de linkse studenten in mei ‘66 niet zo ge­handeld. Zij hebben zich integendeel resoluut aan het hoofd van deze massabeweging geplaatst. Revolutionairen moeten weten dat in een eenheidsfront allerlei ideeën, ook de meest eigenaardige, voorkomen; dat er aan deelgenomen wordt door organisaties met sterk verschillende meningen. Men mag geen schrik hebben dat reformistische en andere stromingen in het begin nog sterk overwegen, dat er tal van secundaire as­pecten aan de beweging vastzitten die politiek niet erg zuiver zijn.

De hoofdoriëntatie van de beweging was juist. De beweging streed voor een democratische eis die beantwoordde aan de belangen van het Vlaamse en Waalse werkende volk, ze richt­te zich sterk tegen de klerikale top, als onderdeel van de heersende klasse. Deze democratische, anti-klerikale en anti­kapitalistische elementen maakten van bij het begin de hoofdstroming uit. Daarom moesten we ons met volle kracht in die massabeweging storten om precies die hoofdoriëntatie aan kracht te doen winnen en uit te diepen.

Om de massabeweging te beschermen, moet men het een­heidsfront beschermen. En dit kan slechts wanneer men voor het opbouwen en instandhouden van dit front geen vrees heeft om scheep te gaan met organisaties die er reformisti­sche of andere onzuivere ideeën op nahouden, maar bereid zijn de massabeweging en haar juiste democratische mini­mumeisen te steunen. Opdat echter de hoofdoriëntatie be­houden zou worden, dienen de revolutionairen hun praktisch samengaan met de reformisten in het front voortdurend te koppelen aan kameraadschappelijke discussie en kritiek en moeten zij tevens marxistische opvoeding geven.

Gent, 14 maart ‘69. 1.500 studenten eisen voor het rectoraatsgebouw de vrijlating van de aangehouden studenten de dag voordien. Op de foto o.a. Frans De Maegd, Mon Rosseel (‘Vuile Mong’), Gilbert Hilken, Boudewijn Bouckaert, Bob Roeck, Chille De Man, Eddy Labeau, Leo Germijs, Chantal De Smet, Roger ‘Pippo’ Saeys.

In de beweging zagen de studenten hoe De Somer, als expo­nent van de Vlaamse bourgeoisie, zich heftig verzette tegen de linkse studenten die de democratische en anti-kapitalisti­sche elementen van de strijd beklemtoonden. Zo groeide het inzicht dat de Vlaamse burgerij de strijd slechts steunde in de mate dat zij er haar eigen positie mee kon versterken. Toen diezelfde De Somer bij de eerste syndicale studentenstaking van september ‘67 drie studentenleiders (Goossens, De Canck en Bevernage) schorste, werd voor velen nog duidelij­ker dat de Vlaamse burgerij evenmin als de Franstalige een bondgenoot kon zijn in de strijd voor een democratische uni­versiteit.

Het Fakulteitenkonvent verenigde in Leuven in de jaren ‘60 de voorzitters van de verschillende faculteitskringen. De meesten hadden op de eerste plaats belangstelling voor de stu­dentenproblemen in de enge zin: verbetering van colleges en handboeken, medezeggenschap over organisatie van examens en lessenrooster. De beweging trok vanaf ‘65-’66 ook de facul­teitskringen onweerstaanbaar mee in de politieke strijd, en de maatschappelijke probleemstelling drong ook bij hen door. Thema’s als ‘in dienst van wie moet de universiteit staan, van de industrie of van het werkende volk?’ en ‘de scheiding tussen de universitaire theorie en de sociale werkelijkheid’ werden ook voor vele kringmensen discussiestof. Toch wilde de meerderheid van de kringen binnen het Leuvense Fakultei­tenkonvent op het einde van het academiejaar ‘67-’68 deze maatschappelijke dimensie van de strijd aan de universiteit langs reformistische, niet-revolutionaire weg blijven aanpak­ken. Dat bleek toen Kris Merckx, de toenmalige voorzitter van de studenten Geneeskunde, tot voorzitter van het FK werd gekozen voor het academiejaar ‘68-’69.

Zijn reformistische programma haalde het op dat van Mon Van der Osteyne van Politika die toen nauw aanleunde bij de opties van SVB.

Hoewel SVB een verkiezingsnederlaag had geleden, stuurde de beweging direct aan op de grootst mogelijke eenheid met de gekozen reformistische ploeg. SVB leverde medewerkers voor het FK-blad Rerum en leverde de actiefste deelnemers aan de vakantiewerking die het FK organiseerde om de verdere strijd voor medezeggenschap voor te bereiden. De studenten van SVB verwaarloosden ook geen ogenblik de politieke discussie met het FK. Dat bleek ondermeer in de kolommen van Re-rum. De auteurs van het boek waarin u thans bladert, hebben wat gesnuisterd in de jaargangen van Rerum. Ze kwamen tot de ontdekking dat zij in die tijd tegen elkaar in het strijdperk wa­ren getreden voor een politiek steekspel dat gestreden werd in de arena van het FK-blad

RERUM – NR 1



Deze bladzijde is voorbehouden aan de ‘Vrije Tribune’. Wie konstruk­tieve ideeën heeft, vindt hier de ruimte om ze te publiceren.

PROGRESSIEVE REFORMISTISCHE PARTIJ WARM AANBEVOLEN

Er zijn ook een aantal belangrijke positieve konklusies te trekken uit de­ze vakantiewerking. De formule – voorbereidende rapporten, vrije dis­kussie, eindrapport – is de aangewezen aantrekkelijke formule om met de studentenbeweging, na een grondige analyse en kritiek, het alterna­tief uit te werken dat de opgewarmde maatschappij in het komende jaar van de studenten verwacht.Nochtans lijkt het verrichten van studie­werk in meer homogene groepen mij efficiënter. Het is duidelijk dat re­volutionairen (of wat zich alsdusdanig aandient) en ‘hervormers’ onmo­gelijk van meet af aan samen studiewerk kunnen verrichten: hun interesse, maar vooral hun vertrekpunt en taktiek zijn té verschillend. Daar­om opteer ik voor de organisatie van een progressieve reformistische par­tij. SVB is in de konsekwenties van haar huidige ideologie revolutionair. Er is dus nood aan de organisatie van een partij, die op dezelfde efficiën­te en aantrekkelijke manier als SVB (openheid, inzet, studiewerk en vrije diskussie, militantenvorming, aktie) een universitair en maatschappe­lijk alternatief probeert uit te werken op basis van een progressieve re­formistische houding. Kopieën van onze verzuilde Belgische politieke partijen (gesubsidieerd door deze laatste) komen in geen geval in aan­merking.

Kris Merckx, 7 sept. 68
Voorzitter FK

RERUM – NR 3

EEN BEETJE REVOLUTIE, EEN BEETJE REFORMISME

Kameraad Merckx maakte zich in de vorige Vrije Tribune tot woordvoer­der van de stille verwondering over de ijver, de aktiviteit, de studie van de studentenvakbeweging. Sommigen zouden graag dezelfde ijver en ak­tiviteit overplaatsen in een hervormersbeweging.Men vergeet dat onze ijver en aktiviteit uitsluitend en alleen voorkomen uit ons inzicht in de revolutie. Zonder geloof in de arbeidersklasse en de revolutie zouden wij ook niet in staat zijn te werken als we nu doen.

1. We voelen ons verplicht aan een grondige analyse te werken van de laat-kapitalistische maatschappij. Een analyse gemaakt voor en aan de kant van de strijdende arbeiders!

2. We weten van onszelf dat we in een burgerlijk milieu zijn grootge­bracht. We moeten onszelf totaal omvormen – ideeën, denkmethode, houding – zodat we effektief samen met de arbeiders kunnen strijden. Deze omvorming kan alleen en uitsluitend door de praktijk, door de per­manente inzet, gebeuren.

3. Alleen wetenschappelijke kennis van de revolutie kan de arbeiders naar de overwinning helpen. Deze kennis moet ontwikkeld worden in een juiste praktijk. Vandaar onze bekommernis om steeds kritiek uit te oefenen op onze eigen houding en onze eigen theoretische analyse.

4. Wie aan de kant van de arbeiders wil strijden, heeft een optie genomen voor tientallen jaren. We weten dat we afstand doen van alle suksessen en prestige van de burgerlijke maatschappij. We zullen binnen 10 jaar be­wezen hebben dat we het vertrouwen van de arbeiders bij de klassen­strijd waard zijn. Wie deze vier stellingen heeft overwogen, moet niet zeuren over ijver en aktiviteit. Hij moet kiezen. Er zijn twee wegen. Hij kan proberen mee te stappen op de weg van de arbeiders en het volk. Maar hij kan ook opruk­ken naar de glanzende stralende parlementszetel die boven de kudde rijst.

Ludo Martens

Tegelijkertijd nam SVB initiatieven om rond concrete punten tot samenwerking en eenheid van actie te komen met het FK. De faculteitskringen waren bij het begin van het academiejaar ‘68-’69 tot het besluit gekomen dat studenten en assistenten maar een zekere medezeggenschap konden verwerven als zij volledig ‘informatierecht’ zouden krijgen, wat inhield: de aan­wezigheid op de bureaus van de faculteits- en academische raad en mogelijkheid tot inzage van alle belangrijke dossiers. Toen duidelijk werd dat geen haar op het hoofd van De Somer eraan dacht op deze eis in te gaan, besloten de kringvoorzitters met acties te starten. Het begon met het interpelleren van profes­soren tijdens de lessen over hun standpunt inzake de eis tot in­formatierecht. Daarna volgden directe acties waarbij een paar honderd studenten De Somer zelf aan de tand gingen voelen. Op 13 november werd besloten een universitair gebouw te be­zetten tot de Academische Raad op de eisen zou ingaan. De stu­denten bezetten het Spoelbergh-instituut. Na enige tijd kwam De Somer met de bezetters ‘praten’ over de opheffing van de be­zetting. Toen hij dat niet voor mekaar kreeg, stuurde hij binnen de kortste tijd de rijkswacht om de lokalen te ontruimen. Daar­bij werden 50 studenten aangehouden en in de rijkswachtka­zerne tot middernacht opgesloten. Onder impuls van SVB wer­den, naar aanleiding van dit optreden van ‘politie-rector’ De So­mer, de rangen van het eenheidsfront opnieuw gesloten en besloot men onder de titel Vonk een gemeenschappelijke editie van de verschillende studentenbladen te maken.

VONK

Als De Somer het niet alleen af kan, is er altijd nog Reviers

MOTIE DER 50 AANGEHOUDEN STUDENTEN

Met ontstelling hebben de 50 aangehouden studenten in de rijkswacht­kazerne kennis genomen van de mededeling van rektor Piet De Somer... In zijn mededeling zegt de rektor dat hij het informatierecht aan de stu­denten heeft toegestaan. Hij weet echter zeer goed dat de studenten tot aktie zijn overgegaan omdat de informatie, die hen door de akademische raad werd voorbehouden, onvolledig is. Hij heeft niettegenstaande de uitdrukkelijke eis van de studentenvertegenwoordigers de aanwezigheid op de bureaus van de akademische raad en fakulteitsraden geweigerd als­ook de mogelijkheid tot inzage van alle andere dossiers. Op de bureaus worden alle belangrijke beslissingen genomen aangaande benoemingen, kredietverlening en planning. In zijn mededeling beweert rektor De Somer, dat sommige studenten al­leen op agitatie uit zijn. Het feit dat de rektor in een mededeling over de radio voor het publiek zijn eigen studenten, die vechten voor een totaal demokratische universiteit ten dienste van het volk, afschildert als on­gemotiveerde oproerzaaiers, wordt door de aangehouden studenten ge­brandmerkt als schandalig.

Gent, 18 maart ‘69. De studenten verlaten de Blandijn: ‘Arbeiders­studenten, één front’. Op de achtergrond een aankondiging voor een anti-Nato­betoging. Op de foto o.a. Willy Malisse, Patricia Lasoen, Frans De Maegd, Bob Roeck, Chantal De Smet, Mon Rosseel (‘Vuile Mong’), Eddy Labeau.

Een rektor die de studentenaktie aldus in het openbaar voorstelt, plaatst zich duidelijk tegen de talrijkste groep van de universitaire gemeen­schap. De 50 vastgehouden studenten vestigen er de aandacht van de pu­blieke opinie op dat ze op bevel van de akademische overheid door de rijkswacht uit hun eigen universitaire gebouwen werden verwijderd. Zij wijzen er bovendien op dat de rektor het lef heeft een leugenachtige ver­klaring over zijn studenten en hun leiders te verspreiden, op het ogenblik dat een deel van hen zich, door zijn toedoen, reeds gedurende 7 uur in hechtenis bevindt en dus in de onmogelijkheid verkeert hierop te reage­ren. De vastgehouden studenten bevestigen hun vaste wil, niettegen­staande alle verdachtmakingen door hun eigen rektor, hun strijd voor to­tale demokratie aan de universiteit en in de maatschappij onverminderd voort te zetten, samen met de duizenden studenten en arbeiders. DE VIJFTIG

De SVB-ers hielpen de kameraden van het FK hun ervaringen uit te diepen, spraken hen over het communisme en het voorbeeld van de socialistische opbouw en de Culturele Re­volutie in China. Ze deden voorstellen om hen te betrekken in de solidariteitsbeweging met de staking van de arbeiders van Ford-Genk. Tijdens de Limburgse mijnstaking van janu­ari ‘70 en de staking van de scheepsbouwers van Cockerill Yards in april van datzelfde jaar, gingen vele studenten in op de oproep van SVB om de arbeiders in hun strijd te steunen. Het directe contact met de strijdacties en met de noden van de arbeidersklasse deed ook enkele gewezen ‘hervormers’ van het FK definitief besluiten om mee te werken aan de op­bouw van AMADA.

In de jaren ‘65-’68, toen de studentencontestatie zich krach­tig ontwikkelde, hoorde men vaak het volgende idee: ‘De studenten vormen een eenheid; zij hebben als student specifieke kenmerken, ze zijn nog niet geïntegreerd in het systeem en kunnen zich daarom veel meer maatschappijkri­tisch opstellen dan welke groep ook. Zij zijn een historisch nieuwe revolutionaire kracht die voortkomt uit de industrië­le maatschappij.’

Dat idee heeft enerzijds het geloof in eigen kracht, het en­thousiasme voor de studentenstrijd ontwikkeld. Maar tege­lijk lagen er verkeerde standpunten in besloten, die een verde­re evolutie naar links, naar de klassenstrijd en het communis­me afremden.

Nu, zoveel jaren later, heeft de ervaring bewezen dat de stu­denten géén eenheid vormden. De studenten die in de massa­beweging van de jaren ‘66-’68 een eenheid leken te vormen, zijn nu werkelijk uitgestrooid over alle klassen.

In Frankrijk zijn sommige leiders van de studentenrevolte verbitterde, blinde anti-communisten geworden... In hun boe­ken hernemen ze het oud-modische refrein dat ‘het marxisme naar nog grotere dictatuur leidt dan het kapitalisme’. De bur­gerij is zo tevreden dat oudgedienden van de mei-revolte een ‘nieuwe’ impuls geven aan het anti-communisme, dat ze de pennevruchten van deze renegaten wijd en zijd propageert. In eigen land en in het buitenland zijn uit de strijders van ‘68 een aantal politieke arrivisten voortgekomen, alsook patrona­le kaders, die gewillig en tegen royale vergoeding het werk doen dat het grootkapitaal hen opdraagt.

Een ander deel heeft gekozen voor een kleinburgerlijke positie en levenswijze, maar blijft in mindere of meerdere mate steun verlenen aan progressieve ideeën en acties.

Uit de studentenbeweging van ‘68 zijn ook communisten voortgekomen, waarvan sommigen als arbeider in de fabriek werken. Kortom, elke klasse heeft haar oudstrijders van de mei-revolte van ‘68.

Laat ons deze bedenkingen rond het eenheidsfront afsluiten met enkele ideeën over het absolute belang van een brede marxistisch-leninistische studentenorganisatie die de eenheid aan de universiteit helpt ontwikkelen, maar terzelfder tijd rekening houdt met de toekomstige diaspora van de stu­denten over de klassen. De marxistisch-leninistische studen­tenorganisatie is er om de eenheid, de actie, de massastrijd te ontwikkelen. En voortdurend wijst zij binnen de studenten­wereld op de rol van de arbeidersklasse en op de betekenis van de socialistische revolutie. Dat gebeurt doorheen de ideologi­sche strijd tegen reformisme, revisionisme, trotskisme. De belangrijkste taak van de studentenbeweging vandaag blijft dan ook het consequent bekampen van het reformisme.

Hoewel de studenten uit verschillende klassen komen en naar verschillende klassen gaan, vormen zij toch een specifie­ke wereld. De systematische verhoging van het collegegeld, de afbraak van studiebeurzen en sociale voorzieningen, de se­lectie en de conservatieve inhoud van het onderwijs, het ge­brek aan perspectief op werk voor vele afgestudeerden, de af­keer van racisme en fascisme: allemaal mogelijkheden voor een nieuwe massale beweging van de studenten.

Deze eenheidsbewegingen en eenheidsfronten blijven van be­slissend belang omdat de grote massa van de studenten alleen door actie naar links evolueert.

3. De geest van mei '68 waait door de facultaire wereld

DOKUMENT GENT ‘69
EEN RICHTING VOOR HET FAKULTAIRE WERK

Het probleem

Welke problemen moeten wij aanpakken in de fakulteit en hoe? Welke problemen bieden een zinvol aanknopingspunt voor onze toekomst, dit is: ons beroepsleven? Welke problemen moeten we aanpakken om te ga­randeren dat we ook in ons beroepsleven ‘geëngageerd’ blijven?

Men kan de studenten voor alles en nog wat mobiliseren. Voor studie­beurzen en voor betere kursussen. Maar ook voor het recht in kommis­sies en raden te zetelen. Dit alles is nodig. Het biedt echter geen oplos­sing voor het meest essentiële probleem: hoe ons engagement konkreet maken aan de universiteit en het verder zetten na onze studies?

Als leidraad

We geloven dat de essentiële leidraad voor het werk in de fakulteiten de volgende moet zijn. We moeten op een aangepaste manier per fakulteit de sociale realiteit van het werk in de fabrieken en het leven van de ar­beiders en de werkende mensen aan de orde stellen. We moeten aanto­nen dat die realiteit er een is van fysische en geestelijke onderdrukking ­onderdrukking die steeds verfijnder en perfekter wordt – en dat die reali­teit er ook een is van verzet en strijd tegen deze onderdrukking.

We moeten het leven en de realiteit van de arbeiders gaan opzoeken en binnenbrengen in de ivoren toren van de universiteit en van de boeken­wijsheid, de theorie en de pseudo-filosofie.

Wat wil dit zeggen? In de bourgeois-universiteit worden de studenten ge­drild in het gebruik van achtervoegsels in de 16de eeuw, in de kennis van de versvoeten van Shakespeare, in het keurig taalgebruik. Maar wat is de realiteit en wat is het leven?

De arbeider spreekt zijn dialekt, maar als hij bij de direkteur wordt geroe­pen stottert hij ABN, de taal van de direkteur. De arbeider heeft niet ge­leerd het woord te voeren en een zaal te beheersen. Wanneer een vak­bondsleider welsprekend de arbeiders staat te verraden, kunnen en dur­ven zij niets zeggen. Luxueus gedrukte folders leren de arbeiders in keurig Nederlands dat ze onderdanig en gehoorzaam en tevreden moeten zijn en dat alles zo goed zal gaan als men maar dromen kan. De kranten leren de arbeiders de ongebreidelde heerschappij van Eddy Merckx ken­nen en de laatste schandalen op gebied van sex smaken.

De taal betekent indoktrinatie, vervalsing en verdrukking. Wie daar iets wil aan doen (daar praktisch iets wil aan doen), kiest de kant van de ar­beiders en de gewone mensen. Wie daar niets wil aan doen, die gaat ak­koord met de keuze die de universiteit al voor hem gemaakt heeft: hij laat zich vier jaar rustig kneden door de bourgeoisie.

Dit is de essentiële taak van het fakulteitswerk: de mensen laten zien en voelen dat er een keuze te maken valt. Dat de universiteit deze definitie­ve keuze reeds in onze plaats gemaakt heeft: de keuze is beslecht voor we aan de universiteit kwamen. Het is de realiteit van de verdrukking in het dagelijkse leven die ons bewust kan maken van die keuze.

Bruikbare richtlijnen

We hebben vastgesteld dat het intellekt in de handen van de kapitalisten een gigantisch wapen vormt om de arbeiders te onderdrukken. Het is echter niet voldoende dit theoretisch vast te stellen en daar een paar ‘in­teressante’ bedenkingen aan te wijden. We moeten het voorgaande in praktische en hanteerbare schema’s onderbrengen die kunnen uitlopen op een praktijk in de fakulteit en niet alleen op ‘linkse’ praat. We stellen volgende vier lijnen voor:

- De universitaire theorie is niet het belangrijkste maar wel het leven, de sociale realiteit en de sociale praktijk
-
Het denken en filosoferen is niet het belangrijkste maar wel het doen en het in praktijk veranderen.
-  Het individuele werk is niet het belangrijkste maar wel het kollektieve en gezamenlijke werk.
- Het enge, theoretische vakgebied is niet het belangrijkste maar wel de globale sociale realiteit waarin ons later beroep zich afspeelt.

1. Wie geneeskunde of psychologie studeert, krijgt eerst een paar jaar ‘theoretische vorming’ en hij leert zoals men zegt ‘abstrakt denken’. Na een paar jaar krijgt hij dan de realiteit te zien: men voert, al dan niet op een rollend ziekbed gelegen, een ‘konkreet personage’ ten tonele. Zo be­kijkt men een maagzweer, een hypertyroidie en een of andere vorm van schizofrenie.

De sociale realiteit van de werkende mens (en van de arbeider op de eer­ste plaats) wordt nooit in acht genomen: dààr zitten nochtans de wortels van de ziekte en de krankzinnigheid... Het soort werk, het eentonige of het zware werk, het ritme en de kontrole, de verveling en de lusteloos­heid, het werk van de vrouw, de kinderen, de onverwachte schulden en de overuren. In de konkrete, sociale realiteit van de werkende mensen moeten wij de oorzaken van de ziekte zoeken. Maar volstaat het die rea­liteit op te merken? Het is niet voldoende te weten welke konkrete reali­teit ten grondslag ligt aan de ziekte van één bepaald individu. We moeten het geheel zien van de groep van de arbeiders en de werkende mensen: het geheel van het wonen, het reizen naar het werk, het arbeiden, het in stand houden van het gezin, het ‘ontspannen’. Het geheel zien betekent: begrijpen welke wetten in de fabriek en welke wetten in de maatschappij heersen over de arbeiders. Het geheel zien betekent: de groep van de ar­beiders en de werkende mensen zien ten overstaan van de burgerij. Maar volstaat het dat men het geheel ziet en begrijpt welke het algemene lot is van de werkende mensen?

2. Het komt er niet op aan te zien en te begrijpen, maar het is van belang dat men handelt en verandert. Men moet de arbeiders praktisch helpen (aanmoedigen, inspireren, materieel steunen) bij hun strijd tegen de so­ciale oorzaken van de ziekte. De ziekte genezen en de oorzaak van de ziekte onaangetast laten, dat is zijn kop in het zand steken. De oorzaken aanpakken, dat is helpen organiseren, helpen strijden tegen alle vormen van sociale onderdrukking.

3. Wanneer we in de fakulteit geneeskunde of psychologie deze zwaarte­lijnen in konkrete plannen willen omzetten, moeten wij kollektief te werk gaan. Onderlinge hulp en onderlinge steun zijn de absolute voor­waarden om deze plannen in de praktijk te brengen en om vooruit te gaan op de ingeslagen weg.

4. De architekt wordt volgestopt met esthetika; als eindwerk mag hij een ontwerp maken voor een droomvilla. Waarom niet de realiteit gaan aan­pakken? Waarbij nog de vraag rijst: welke realiteit? Een moderne kerk bouwen, een Martini-building of een villa van een groot-industrieel?

De sociale realiteit van de werkende mensen lijkt ons het meest vrucht­bare werkterrein. Een achterbuurt waar 1.000 vreemde arbeiders wonen, wordt in rekordtempo afgebroken in Brussel. Dit is een praktisch terrein waar de architekten zich kunnen inzetten. Maar deze inzet ‘ter plaatse’ brengt hen direkt op de arbeiderssituatie als geheel. Het wonen van de vreemde arbeiders is maar één aspekt van hun globale situatie als meest verdrukte laag van de arbeiders: soort werk, werkvoorwaarden, familiale problemen, racisme, financiële uitbuiting en bedrog... Het komt er niet op aan als architekt een mooi voorstel te presenteren dat ons, architek­ten, interesseert (en tot fierheid stemt). Het belangrijkste is de konkrete mensen te helpen in hun strijd, hen strijdmethodes voor te stellen, de maneuvers van de stad Brussel te helpen doorzien, het probleem in zijn gehele kader te plaatsen, een oplossing af te dwingen

DOCUMENT LEUVEN ‘69
DE FAKULTAIRE PROJEKTGROEPEN GENEESKUNDE

Tijdens de vakantie zijn veel studenten in de geneeskunde gaan werken in een kliniek (bijvoorbeeld na het derde jaar wordt een verpleegstage ge­organiseerd in de St.-Rafaëlkliniek). Dit was natuurlijk een goede gele­genheid om een onderzoek te organiseren naar de menselijke verhoudin­gen binnen de kliniek. Daarom werden vragen- of suggestielijsten opge­steld voor deze studenten. Uit de resultaten hiervan bleek dat deze eerste kennismaking zeer relevant is geweest voor vele mensen. De dokter (vooral in de St.-Rafaëlkliniek) verschijnt in de verslagen van deze men­sen als een middeleeuws feodaal heer, die zowel zijn bedienden als zijn kliënten van op grote hoogte bekijkt.

Om hieruit een permanente werking op te bouwen werd de projektgroep verpleegsters opgericht. Hierbij gaat men niet meer uit van de toevallige kontakten met verpleegsters in toevallige omstandigheden, maar tracht men tesamen met hen een werking op te bouwen die in de eerste plaats de bedoeling heeft de feodale verhouding verpleegsters-dokters te door­breken en in de tweede plaats tracht men door deze samenwerking een grondige analyse te maken van de hospitaal – en over ‘t algemeen van de gezondheidsstrukturen.

Tijdens de vakantie zijn enkele mensen gaan werken in één of andere fa­briek. Ook voor hen waren vragenlijsten opgesteld die dan vooral de struktuur van de arbeidsgeneeskundige diensten viseerden.

Om ook dit om te zetten in een permanente werking werd begonnen met het silikoseprojekt. Silikose (stoflong) is nog steeds – ondanks de huidige preventiemiddelen – een probleem. Niet enkel is deze ziekte ir­reversibel, maar ze bepaalt ook het verdere levensverloop van hen die ermee geplaagd zijn. Maar uit een vluchtige studie van silikose blijkt dadelijk dat ze niet enkel de levensomstandigheden van de aangetaste beïnvloedt, maar ook die van alle anderen die in het milieu werken, vooral de mijnwerkers. En zo verbreedt het probleem sterk en krijgt zware sociale, ekonomische en politieke aspekten (mijnsluitingen, re-konversie...)

Waarom dus silikose?

1.  Omdat silikose een beroepsziekte is. Hierdoor kunnen we dieper in­gaan op de strukturen van de arbeidsgeneeskunde en zoeken naar de juis­te betekenis van de arbeidsgeneesheer in dit socio-ekonomisch milieu. De arbeidsgeneesheer is immers iemand die aangesteld wordt door de pa­troon van de fabriek, maar die, toch volgens de uitleg van de patroon, in­staat voor het welzijn van de arbeiders. Zijn positie is dus op zijn minst dubieus.
2.  Omdat de streek waarin vooral gewerkt zal worden, Limburg, interes­sant is omwille van de huidige socio-ekonomische toestand.
3.  Omdat we een hele reeks kontakten hadden, o.a. met de experimente­le normaalschool van Bokrijk.

Konkreet komt men elke week samen. Een eerste reisje naar Limburg is reeds gemaakt om de eerste vaste kontakten te leggen en afspraken te maken. Men kan rekenen op de medewerking van een vaste kern van een tiental scholieren van de normaalschool van Bokrijk, van enkele gepen­sioneerde of nog werkende mijnwerkers, van militanten van het ACV die in de strijd gestaan hebben voor de erkenning van silikose als beroeps­ziekte, van de dokters en technici van het Instituut voor Mijnhygiëne te Hasselt. Enkele afspraken zijn reeds gemaakt. Op een weekend gaat een groep studenten naar Limburg voor een mijnbezoek, een debatavond met de ACV-militanten en nog enkele andere aktiviteiten. Met de technici van het Instituut voor Mijnhygiëne kunnen we beneden ‘in de put’ me­tingen gaan volgen van stofconcentraties en dergelijke. Een symposium voor arbeidshygiëne zal door enkelen bijgewoond worden, vooral om be­langrijke kontakten te leggen.

 Om het werk te verdelen en rendabel te maken, zijn een vijftal werkgroe­pen opgericht die bedoeld zijn om een bepaald aspekt van silikose te on­derzoeken vooral door kontakt met arbeiders, vakbondsmilitanten en dokters. Zo onderzoekt de eerste groep de spreiding van gezondheidszorg in Limburg in verband met de socio-ekonomische struktuur. Een tweede groep bestudeert de medische aspekten. Een derde gaat verder met de reeds begonnen studie van de strukturen van de gezondheidszorg in het algemeen. De vierde groep onderzoekt de arbeidersstrijd rond de mijn historisch (in 1932 zijn er belangrijke en bloedig onderdrukte stakingen geweest) en een vijfde groep situeert de mijnen politiek en ekonomisch.

Gent, 18 maart ‘69. Betoging met leuzen als: ‘Recht en orde voor de rijken is onrecht en repressie voor het volk’, ‘Geen censuur’ en ‘NUHO zijn geen pakjesdragers van het kapitaal’. Op de foto o.a. Magda Deygers, Leo Van Beirs, Walter ‘Sus’ Saey, Herman Vermeulen.
4. De studenten gaan naar de arbeiders
‘Ik denk dat we best vertrekken van onze situatie als studen­ten. We worden opgeleid op een manier die ons totaal afsnijdt van de praktijk en van de gewone mensen. Je wordt gedurende een aantal jaren gekweekt in een bak, in een soort aquarium van de universiteit. Je wordt gekweekt, volledig los van het gewone leven in de fabrieken en los van je latere praktijk. Wat is het resultaat van die kwekerij? Dat men een aantal preten­ties aankweekt, dat men oordeelt dat men recht heeft op een karrière-toekomst en dat men zich dus aan de kant schaart van degenen die de karrière kunnen garanderen. Het zijn niet de arbeiders die een karrière garanderen maar wel de kapita­listen. Dat wil zeggen dat je als afgestudeerde het leven in de fabrieken gaat organiseren voor de kapitalisten. Je wordt psy­choloog, scheikundige, rekenkundige, in dienst van de kapita­listen en met als doel hun winst maximaal te maken. Je hebt helemaal niets te maken met het reële leven van de mensen, met hun leven in en buiten de fabriek.’

Zo beschrijven Ludo Martens en Paul Goossens in ‘68 de band tussen studenten en arbeiders in Het gevecht met de Mammon.

Het Laatste Nieuws van 17 december 1968 laat de student ge­neeskunde Kris Merckx aan het woord: ‘Een volksuniversiteit is een universiteit in dienst van het ganse volk met autonome professoren en waar de maatschap­pelijke vraagstelling een essentiële plaats krijgt. Waar ingeni­eurs zich afvragen aan welke kant zij staan in de fabrieken, waar met een prof in de geneeskunde ook eens over de syndi­kale problematiek van de geneesheren kan gepraat worden; waar ik hem kan vragen: Prof, hoe komt het dat twee arbei­ders op konsultatie komen die allebei een schildklierziekte vertonen, een aandoening die vaak het gevolg is van over­spanning? En dat we dan onderzoeken in hoeverre het arbeids­ritme te hoog ligt. En dan moet er vooral plaats zijn voor so­ciale praktijk. Ik vind dat de student tijdens een behoorlijk deel van zijn studietijd moet gaan werken midden de arbei­ders. Zo zou een toekomstig geneesheer een tijd in de fabriek moeten gaan werken en ook het werk doen van wat men het lager medisch personeel noemt. En later, als hij dokter is, zou hij geregeld kontakt moeten houden met de praktijk door te gaan werken in de fabrieken, op het veld, in de kantoren. Dit is naar Cubaans model maar dit lijkt me maatschappelijk sterk inspirerend. Ten andere: om de twee jaar eens twee maand op het veld gaan werken kan slechts gezond zijn.’

Studenten aan de fabriekspoort

Een volksvergadering, einde januari ‘68 in Alma III. De zaal hangt vol rook en spanning. Er zijn zeker 1.500 aanwezigen. Het enthousiasme is vrij groot. Dan komt de mededeling:

‘Aangezien de bourgeoisgazetten onze strijd in een nationalis­tisch en racistisch licht zetten, aangezien de bourgeoisgazet­ten de eigenlijke radicaal-democratische betekenis van onze acties verbergen, hebben wij besloten om zelf deze omsinge­ling van stilzwijgen en van laster te doorbreken. Wij zullen massaal optrekken naar de fabrieken in België, opdat de arbei­ders, onze bondgenoten, onze ware bedoelingen leren kennen. Morgennacht moet een hele colonne autobussen vertrekken, volgestouwd met bewuste strijders voor de democratische zaak. En om aan het hele land onmiskenbaar duidelijk te ma­ken dat wij niets gemeen hebben met enggeestig nationalisme, zal deze colonne zich splitsen in twee richtingen en de fabrie­ken van Limburg en van Luik als eindbestemming nemen.’

Minutenlang davert het applaus. De studenten hebben het ge­voel dat zij een zoete wraak nemen op de pers die hen dagelijks een nationalistische stempel op het voorhoofd wil prenten. En zij hebben ook het gevoel dat hier een beslissende stap wordt gezet om de afstand tot de arbeidersklasse te overbruggen.

Als het applaus wegebt, ontstaat er enig gerommel in de diep­ste linkerhoek van de zaal. Uit een aantal uiterst rechtse ke­len klinkt een schor geschreeuw op: ‘Walen buiten! Leuven Vlaams! Walen buiten!’ Hun kreten worden weggeveegd door een algemeen gelach. Het groepje zombies van het reactionai­re nationalisme is erin geslaagd om een contrast aan te bren­gen dat nog duidelijker de betekenis doet uitkomen van de verbinding tussen studenten en arbeiders en van de verbin­ding tussen democraten in Vlaanderen en Wallonië.

Een paar honderd studenten verdelen een pamflet aan de fabrieken in Leuven, Limburg en Luik. Het is de eerste massale actie naar de bedrijven toe.

VRIENDEN ARBEIDERS

Sinds 10 dagen is in Leuven een strijd losgebrand die zich over heel het land verspreidt.

WAARVOOR VECHTEN DE STUDENTEN IN LEUVEN

De studenten weten dat de meeste van uw kinderen nooit aan de uni­versiteit komen.

De studenten weten dat 30.000 van uw kinderen op het niet-universi­tair hoger onderwijs studeren. Dat dit onderwijs wordt verwaarloosd en achtergesteld, niet geacht en onvoldoende gesteund.

De studenten weten dat de universiteiten met hun pretentie en de sfeer van de hogere klasse vreemd zijn voor u en dat uw kinderen er zich hele­maal niet thuis voelen. In Leuven en Brussel maakt men luxe-universiteiten voor de bourgeois en rijken. De rest van het onderwijs wordt verwaarloosd en achtergesteld.

WAARVOOR VECHTEN DE STUDENTEN IN LEUVEN

Zij willen volksuniversiteiten ten dienste van de Vlaamse en Waalse ar­beiders en het Vlaamse en Waalse volk.
Zij willen dat al uw kinderen die bekwaam zijn, naar om ‘t even welke universiteit kunnen gaan.
Zij willen dat deze universiteiten van het volk en voor het volk zijn, zon­der luxe en pretentie.
Zij willen dat de Franse afdeling van Leuven wordt geplaatst te midden van de Waalse arbeiders en het Waalse volk, dat is in het hart van Wallonië.
Zij willen niet dat Vlaams-Brabant wordt verkocht aan de Brusselse groot­industrie.

WAAROM KAN DIT NIET?

-Omdat de regering en de Brusselse kapitaalgroepen hun belangen stellen boven de uwe. Zij willen universiteiten ten dienste van de grote machten en kapitalen, niet ten dienste van de arbeiders en het volk.
-Regering en kapitalisten zijn er niet ten dienste van het volk.
-Zij zijn verantwoordelijk voor 200.000 werklozen, levensduurte en prijs­stijgingen, honderden fabriekssluitingen, belastingsverhogingen. Zij heb­ben gendarmen nodig en ‘wetten op de ordehandhaving’ en volmachten om de arbeiders, boeren en zelfstandigen te blijven onderdrukken. DE STUDENTEN STRIJDEN TEGEN DEZELFDE GROTE KAPITAALMACHTEN ALS U. ZIJ STRIJDEN VOOR ONDERWIJS TEN DIENSTE VAN DE ARBEIDERS EN HET VOLK. DE STU­DENTEN STRIJDEN VOOR UW KINDEREN, ZIJ WETEN DAT U HEN STEUNT. DE STU­DENTEN VERZEKEREN U HUN STEUN IN UW STRIJD VOOR EEN MEER MENSWAARDIGE WERELD.

Verantwoordelijke uitgever:
Aktiekomitee Leuven

Massale solidariteit met de staking in Ford-Genk

De redding kwam uit Limburg. Alvast voor het probleem dat ons het hele jaar ‘68 bezighield: hoe het universitaire getto doorbreken, hoe een blijvende band tussen arbeiders en stu­denten smeden?

Bij de aanvang van het academiejaar ‘68-’69 was het een punt van grote trots te beseffen dat zijn/haar wieg op de Limburgse heide had gestaan. Over Limburg hing nog de nagalm van de gevechten voor het openhouden van de mijn van Zwartberg. Een aantal militanten van SVB hadden Zwartberg ‘66 meege­maakt en zij waren bijzonder attent voor wat er onder de Lim­burgse arbeiders aan opstandigheid leefde. Het was dus geen toeval dat Limburgse kameraden begin oktober ‘68 in Leuven de stormklok luidden en erop aandrongen dat SVB de gebeurte­nissen niet zou nalopen, maar voor zou zijn.

Ford-Genk is het model van de moderne industriekazerne. In ‘63 had Ford zich begerig op Limburg gestort: een groot over­schot aan jonge werkkrachten, de ‘brave’ Limburgers... Alleen jonge en sterke arbeidskrachten zijn in staat de beproevingen van het Ford-regime langere tijd te doorstaan: in ‘65 zijn de Ford-arbeiders gemiddeld 28 jaar oud, in vijf jaar tijd zijn er 9.000 mensen afgedankt of vertrokken. In ‘68 stelt Ford-Genk zo’n 8.000 arbeiders tewerk.Op 1 oktober ‘68 eindigt het soci­aal akkoord, op 7 oktober dienen ACV en ABVV een stakingsaan­zegging in. De eisen betreffen loonsverhoging, ploegendienst­vergoeding, arbeidsduur en bestaanszekerheid. Op 21 oktober vormen 700 Ford-arbeiders stakingsposten. Er bevinden zich 2 SVB-ers in hun midden, voorzien van stapels pamfletten:

‘Wij, studenten van de Studentenvakbeweging Leuven, ko­men naar de arbeiders van Ford om hen te steunen. Maar ook om van hen te leren. Wij willen samen met de arbeiders leren vechten. Wij willen hun leven en hun strijd leren kennen. Wij zijn studenten die niet aan de kant van de patroons willen staan, maar aan de kant van de arbeiders.

Gent, 18 maart ‘69. Op de foto o.a. Dirk Nimmegeers (met bordje) en Walter Saey.

Want de universiteit heeft ons allemaal misvormd, de kapita­listen hebben ons gevormd zoals zij ons willen hebben. Wij zullen niet langer in dienst staan van de patroons. Wij zullen in dienst staan van de klassenstrijd van de arbeiders.’

Het blijft allemaal erg vaag maar het bevat tenminste een juis­te algemene oriëntatie en het zal toelaten concrete ervaring te verwerven. Een tiental SVB-ers is geregeld aan de Ford-piket­ten. Het voorzichtige optreden van de SVB-ers zal Het Belang van Limburg niet beletten om al die eerste week gevaar te snuiven en de intoxicatie te lanceren:

‘Arbeiders lijken niet zo bijzonder gesteld op lieden van SVB.’ Dinsdag 29 oktober: tijdens een meeting van 500 arbeiders worden SVB-pamfletten uitgedeeld. Bedienden en Duitse arbei­ders verzekeren de produktie, de spanning aan de piketten groeit. De bussen, geëscorteerd door de rijkswacht, stoppen niet meer voor de stakingspiketten. De rijkswachters beginnen te intimideren: één werkwillige wordt naar de fabriek begeleid, omringd door 12 gendarmen, twee overvalwagens en vier jeeps. Zaterdag 2 november: een betoging, 3.000 man sterk, met een opvallend grote studentendelegatie.

BRIEF VAN K. MUSCHARD, ALGEMEEN DIRECTEUR VAN FORD

Beste medewerker,

Op maandag 21 oktober ‘68 brak de staking uit in ons bedrijf. Op dezelfde dag werd aan bijna alle werkwillige arbeiders de toegang tot het bedrijf on­mogelijk gemaakt door enorme stakingspiketten. Stakingspiketten die, zoals u wellicht bekend is, meestal waren gevormd door niet Ford-werkne­mers, die verder ook niet hebben geaarzeld met onwettige middelen onze arbeiders het betreden van onze fabriek op brutale manier te beletten. (...)

De ordediensten hebben tot plicht u te beschermen tegen bedreigingen en gewelddaden en zij hebben ons verzekerd dat zij de toestand nu volle­dig in handen hebben. (...)

De terugkeer tot het normale is noodzakelijk om in kalmte en zonder dwang te praten over uw belangen. (...)

Zo spreekt K. Muschard in ‘68 tot zijn Limburgse arbeiders. Hij bevestigt daarmee onvrijwillig maar overduidelijk dat de strijd tussen de klassen de kern vormt van het sociale gebeu­ren en dat de staatsmachine een werktuig is in handen van het patronaat.

Vierde stakingsweek. Bussen, afgeschermd met ijzerdraad. Rijkswachtcharge tegen het piket op woensdag 13 november: 9 studenten, 19 Italiaanse en 3 Belgische arbeiders worden vastgegrepen en weggevoerd. Op donderdag 14 november rijdt een bus met 35 SVB-ers naar het piket, achternagezeten door de rijkswacht.

Op 21 november sleuren de vakbondsleiders nipt het akkoord door de algemene arbeidersvergadering: 5,20 F per uur, ar­beidsduur 42 uur maar met de verplichting om overuren ‘met veel begrip’ te aanvaarden.

De Ford-staking was de aanleiding tot één van de politieke hoogtepunten van de studentenbeweging van ‘68. Op donder­dag 24 oktober waren 1.000 studenten bijeen in Alma II. Zij waren bijeengeroepen door een pamflet van het Aktiekomi­tee waarvan KVHV, VNSU, SVB, het Fakulteitenkonvent en last but not least het Seniorenkonvent deel uitmaakten. Op het podium hadden zes studenten plaatsgenomen die sinds maandag enquêtes hadden verricht onder de stakende Ford­arbeiders. Zij brachten het relaas van de staking.

De SVB-ers die al vijf weken onder de arbeiders hadden ge­werkt, gingen nog drie weken door met enquêtes en studie rond Ford. Dit alles kreeg zijn neerslag in de brochure Ford-Genk ‘68: begin of eindpunt? Het werd een model van de ar­beidersenquête en het heeft de hele politieke discussie van ‘69 in Leuven beïnvloed.

Een fragment uit deze brochure geeft goed het politieke peil van de toenmalige Leuvense studentenbeweging weer.

WAT DEDEN DE STUDENTEN KONKREET TE GENK?

Wij gingen om het leven, de moeilijkheden en de strijd van de arbeiders te leren kennen. Wij wilden samen met hen piket staan, samen met hen de werkwilligen overtuigen niet te gaan werken.

Daarom trachtten wij het konkrete leven van de arbeiders in de fabriek te leren kennen en diskussieerden we over het ploegensysteem, over het onmenselijke ritme; over de behandeling door de foremen, over het pre­miestelsel. Wij probeerden een inzicht te krijgen in de arbeidsvoorwaar­den: vakanties, gezondheidsvoorwaarden, ongevallen. Ook over de toela­tingsvoorwaarden, de loonbarema’s en de willekeurige vormen van af­danking werd uitvoerig gediskussieerd.

Zij vroegen ons dat wij over hun strijd zouden spreken met andere arbei­ders, met studenten en in de jeugdbewegingen.

Wij organiseerden dan ook een teach-in te Leuven over de Ford-staking, waar wij voor een duizendtal studenten spraken over de konkrete strijd van de arbeiders. Na deze diskussievergadering betoogden wij uit solida­riteit, bewust van het feit dat wij ook in Leuven voor dezelfde demokra­tische maatschappij moeten strijden. De volgende slogans werden ge­skandeerd: kapitaal neen, arbeid ja, eenheid in de strijd, Ford-Genk soli­dariteit.

Deze betoging werd hardhandig uiteengeslagen door dezelfde rijks­wacht die op dat ogenblik in Genk de staking probeerde te breken. De overheid duldt niet dat studenten solidair zijn met arbeiders. In de kran­ten werd bijna niets gezegd over deze betoging.

Wij organiseerden filmvoorstellingen over de stakingen in Frankrijk. Te Hasselt werd de voorstelling gewoonweg verboden, omdat de BOB de di-rektie van het kollege waar deze film zou doorgaan onder druk had ge­zet. In Genk, waar de eigenaars van de zaal niet ingingen op de chantage van de BOB, werd de voorstelling bijgewoond door de BOB, die de namen noteerde van allen die tussenkwamen in de diskussie.

In verschillende scholen gingen diskussienamiddagen door samen met Ford-arbeiders en studenten, waar uitgelegd werd wat het werk in een moderne fabriek betekent. Er werd geproken over de konkrete taken van het kaderlid, de sociale assistent, de ingenieur.

Tevens maakten wij propaganda voor de betoging te Hasselt, waar dan telkens een sterke studentendelegatie aanwezig was.

Uiteraard schoten wij tekort in dit werk, in deze poging om de ganse be­volking te informeren en op die manier de sympathie, die aanwezig was bij brede lagen van de bevolking te organiseren. Hiervoor dienden wij vooral twee aspekten aan te pakken:

1. Om de massieve deelname van de bevolking te organiseren hadden wij samen met de strijdende arbeiders meetings moeten organiseren in alle omliggende dorpen, hadden wij moeten betogen en diskussiëren in de omgeving van Genk om huisvrouwen, studenten, leraars en bedienden te overtuigen piket te komen staan.

2. Het organiseren van konkrete vormen van solidariteit in de fabrieken: werkonderbrekingen, solidariteitsomhalingen. Wij dienden een geza­menlijk platform uit te werken dat wij dan massaal hadden moeten ver­spreiden. In heel deze strijd aan de piketten ervaarden wij weer hoe gevaarlijk het werd aangezien solidair te zijn met stakende arbeiders. Wij werden voortdurend achtervolgd door jeeps van de rijkswacht. Elke dag en bij elke gelegenheid werden identiteitskontroles uitgevoerd. Bij elke verplaatsing in een auto werden wij gevolgd door de rijkswacht. Te pas en te onpas werd in onze wagen naar ‘gevaarlijke wapens’ ge­speurd.

Onze verhouding tot de vakbonden

Als fundamentele houding namen wij aan dat het de arbeiders zelf zijn die over hun vakbonden moeten oordelen. Wij trachtten te begrijpen welke de rol was van de vakbond, welke vormen van demokratie zij ge­bruikte, hoe de arbeiders zich verhielden ten opzichte van hun syndikale afgevaardigden, hun vrijgestelden en hun topleiding.

Maar wat konstateerden wij? De volgende dag werd ‘s avonds op de radio de volgende leugen uitgezonden: ‘Er waren studenten van Leuven aanwezig, die zich onder de stakers had­den gemengd en die strooibiljetten hadden uitgedeeld waarin zij de aan­wezigen aanzetten om de fabriek binnen te gaan en ze te bezetten. De vakbondsleiders kwamen tussenbeide en slaagden erin dit opzet te ver­hinderen.’

Hetzelfde konden we ‘s anderendaags ook lezen in Het Volk. Het was dus deze syndikale krant die het bericht gelanceerd had.

De tweede dag, toen wij met een tiental studenten met een groep arbei­ders diskussieerden, kwam er een topfunktionaris van de vakbonden die de arbeiders waarschuwde voor de studenten, die alleen maar herrie­schoppers, oproerkraaiers en agitatoren zouden zijn.

Al deze pogingen om de studenten te isoleren, mislukten volledig omdat de arbeiders konkreet ervaarden dat wij helemaal niet optraden zoals de syndikale top hen voorhield.

Door de voortdurende kritiek van de basismilitanten op hun leiding werd deze dan ook langzaam verplicht de aanwezigheid van de studenten te aksepteren en zelfs publiek goed te keuren. Zo verklaarde Marcel Cox, voorzitter van het ACV-Limburg, na de staking in De Volksmacht van 30 november:

‘Eveneens oprecht gemeende dank aan de talrijke afgevaardigden van de studenten, die – zonder inmenging – op het arbeidersfront zijn komen postvatten in een geest van solidariteit en met de bekommernis een rui­mer begrip te krijgen van de arbeiderspsychologie en -problemen. Uw houding, vrienden studenten, is in deze korrekt geweest en verdient onze bijzondere lof en dank. Gij zijt er zeker in geslaagd voor een groot stuk weg te werken die ondemokratische kloof, die er bestond (en nog teveel bestaat) tussen hen die het voorrecht hebben universitaire studies te doen en zij die, voor de ekonomie, als arbeider door het leven gaan.’

Zo was ter gelegenheid van de betoging te Hasselt van zaterdag 2 novem­ber hetzelfde verschijnsel waar te nemen. De vakbond isoleerde de stu­denten door hen 75 meter achter de arbeiders te laten opstappen met voor hen een luide radiowagen. Na protest van studenten en arbeiders konden wij dan toch de arbeiders gaan vervoegen. Op de meeting na deze betoging werden allerlei groepen, tot zelfs de middenstanders toe, welkom geheten, op uitzondering van de studenten. Toen wij de slogan ‘Ar­beiders-studenten, één front’ lanceerden en de arbeiders hierop luidruch­tig applaudisseerden waren de vakbondsleiders verplicht ook de studen­ten welkom te heten.

Na enkele dagen werden de kontakten met veel militante arbeiders in­tensiever. (...) Dit samen diskussiëren rond konkrete taken (opstellen van pamfletten, versterking en organisatie van piketten) werd helemaal niet op prijs gesteld door de vakbondsleiding. Zij probeerden de arbeiders die met ons vergaderden ervan te overtuigen niet mee te werken aan het opstellen van het pamflet. Er ontstond een harde diskussie tussen de ar­beiders en de vakbondsleiders. Resultaat: de arbeiders stonden er nu nog meer op met ons samen te werken.

Perspektieven

Het uiteindelijke resultaat van onze werking bestaat hierin dat er nu re­gelmatige kontaktvergaderingen doorgaan in het Genkse tussen Italiaan­se en Vlaamse arbeiders en studenten. Hier wordt konkreet nagegaan welke de aktiemogelijkheden zijn, welke de problemen zijn die zich stel­len, zowel i.v.m. de rol van de vakbond, afdankingen, de kapitalistische planning, enz.

De band met de arbeiders van Ford-Genk is dus noch langs het vakbonds­apparaat, noch met volledig geïsoleerde individuen tot stand gekomen, maar door de aktie met de voorhoede van de arbeiders en deze band zal maar blijven bestaan en verder ontwikkelen in de mate dat wij samen naar aktiemogelijkheden zoeken en hiervoor bereid zijn te strijden. De studenten moeten ten dienste blijven staan van de arbeiders.

(Uit: Ford-Genk ‘68: begin of eindpunt?, blz. 66 tot 69)

Arbeidersenquêtes van facultaire werkgroepen

De sociale enquête, de arbeidersenquête, werd het belangrijk­ste middel om de studenten te verbinden met de arbeiders­klasse. Deze sociale enquêtes werden ook de vruchtbare in­spiratiebron voor cursuskritiek in de faculteiten.

Op de kunstmatige eilanden die onze universiteiten zijn, schiet onvermijdelijk het onkruid van het ongenoegen op. Ongenoegen om de wereldvreemde situatie waarin de onop­houdelijk theorieën slikkende student zich bevindt. Sinds ‘68 waren geniale architecten aan het werk die de bizarre, kafkai­aanse situatie van de student in beton hebben gegoten: de campus van Louvain-la-Neuve en die van de VUB.

Zij vormen betonnen labyrinten en wie verdwaald geraakt in deze doolhof, begrijpt wat het zeggen wil dat de student afge­sneden is van het leven en van de strijd van de werkende men­sen. Hoe ontsnappen aan dit enggeestige klimaat van de uni­versiteit?

De arbeidersenquête bracht een uitweg.

Per faculteit wou men een project kiezen waarrond enquêtes zouden worden georganiseerd onder de arbeiders. Men streef­de naar zo ruim mogelijke werkgroepen van mensen met ver­schillende politieke ideeën maar met dezelfde belangstelling voor het werkelijke leven van de werkende mensen. Zij zoch­ten bij voorkeur projecten die hen in contact brachten met ty­pische en duidelijke vormen van uitbuiting en die solidari­teitsacties mogelijk maakten.

De resultaten van de enquêtes moesten geregeld overgebracht worden naar alle studenten van de faculteit, via stencils of fa­culteitsbladen.

In de faculteit Geneeskunde van Leuven, we schreven het al, werd de ‘Werkgroep silicose’ opgericht onder leiding van Jo Cottenier. De enquête onder mijnwerkers leerde de studenten hoe de longen van de koolputters in snel tempo door het stof worden aangewreten.

Gent, 18 maart ‘69. Voetpadbetoging: ‘Help elkaar’.

De enquête leerde ook dat de man met het doktersdiploma op zak, die geacht werd te waken over de gezondheid van de mijnwerkers, faam had verworven onder de bijnaam ‘de been-houwer’.Omdat de enquête tot vruchtbare contacten leidde in de arbeiderswereld, werd gedacht aan meetings, openbare de­batten in de faculteit waarop arbeiders het woord voerden en waarop studenten de ervaringen van hun enquêtes uiteenzet­ten.

In het beste geval kon zo’n enquête het vertrekpunt zijn van mobilisatie in de faculteit ter ondersteuning van de arbeiders. Een mars van enkele honderden studenten uit de faculteit Ge­neeskunde die de stakers van Tessenderlo ondersteunden, blijft hierin een opmerkelijk hoogtepunt. De fabriek van Tes­senderlo verwoestte de omgeving, maar de studenten wilden ook wel eens nagaan op welke wijze de arbeiders, die in het gif van de fabriek werkten, langzaam werden kapotgemaakt.

In ‘67 brak de heilvolle mode uit de oubollige cursussen te contesteren. Blakend van overmoed (maar meestal ook tril­lend als een riet) stonden studenten recht om vanuit hun ban­ken een contesterend wederwoord te richten tot de prof. In die pioniersperiode was het rechtspringen van een onervaren con­testant soms voldoende om ouderwetse proffen lijkbleek uit hun lood te slaan en hen allerlei kwalijke uitspraken te ont­lokken. Maar de theorie van de prof met een andere theorie te lijf gaan: dat werd al vlug een steriele bedoening. De linkse studenten wilden de theorie van de prof contesteren met praktische feiten, gegrepen uit het reële leven. Vandaar de so­ciale enquêtes. Dit liet hen toe een terrein te kiezen waarop zij alle troeven in handen hadden. De concreet beschreven uitbuiting van de arbeidersklasse kan men niet met een theo­retische algemeenheid van tafel vegen.

Aan de universiteit werd de ‘waardenvrije wetenschap’ gedo­ceerd die ver boven de aardse belangen en intriges was verhe­ven. Aangezien men het nooit over de eigenlijke sociale impli­caties van de wetenschap had, leek het vanzelfsprekend dat de­ze wetenschap boven de klassen was verheven. De studenten werd dagelijks ongemerkt de idee ingelepeld dat zij hun weten­schap studeerden in een wereld vrij van klassen en klassente­genstellingen.

De linkse studenten organiseerden sociale enquêtes om de wer­kelijkheid te leren kennen van de uitbuiting van de arbeiders. In elke faculteit wilden zij de sociale werkelijkheid naar binnen slepen opdat het schijnheilige van de ‘waardenvrije weten­schap’ aan het licht zou komen.

De sociale enquête had een tweede doel: de realiteit van het verzet en van de strijd van de arbeiders op het spoor komen. De studenten wilden de arbei­dersklasse niet zien als een lijdende klasse, als een gemartelde menigte sukkelaars, zoals de sociaalvoelende burgerheren en ­dames haar zien. Ze wilden in de arbeidersklasse de haat tegen het kapitalisme, de wil tot verzet vinden die deze klasse tot draagster van de sociale revolutie maakt. De sociale enquête moest ook inzicht brengen in de manier waarop de universitaire afgestudeerden werden gebruikt om de arbeiders in de wurggreep te houden. De studenten gingen op zoek naar ‘de maatschappelijke implicaties’ van hun beroep. Onze opvatting over arbeidersenquêtes groeide in de strijd te­gen de opvattingen over enquêtes die aan de universiteit werden gedoceerd. Daarover dit document uit Arbeidersenquêtes, So­ciale enquêtes uit Gent ‘69

‘UNIVERSITAIRE’ ENKETES OVER DE GASTARBEIDERS EN
OVER DE ONDERNEMINGSRAAD

De vraag stelt zich of het maken van enketes niet de taak is van sociolo­gen en psychologen. Deze mensen werken echter binnen een bepaald kader. De enketes die zij maken noemen wij burgerlijke enketes. Wat dat betekent komt klaar tot uiting bij een probleem als dat van de vreemde arbeiders.

Het is bij dit probleem volstrekt onmogelijk een aantal pertinente vast­stellingen niet te maken. Alle burgerlijke enketes stellen dan ook vast (...) dat vreemde arbeiders het smerigste en het lastigste werk doen, dat ze dikwijls te weinig betaald en op allerlei manieren op hun loon bedro­gen worden, dat ze geen politieke rechten hebben, dat ze niet kunnen le­zen of schrijven of dat ze de taal moeilijk spreken, dat ze zich niet kun­nen verdedigen en uitgezogen worden door de huiseigenaars. (...)

Dit alles wordt door de burgerlijke enkete vastgesteld. Maar... deze vast­stelling gebeurt in het volgende kader.

‘Sociologisch beschouwd betekent migratie een trekken van de mens over het grondgebied met min of meer intense wijziging van de verschil­lende faktoren die zijn ekologische situatie bepalen. Het migratiepro­bleem stelt zich dan ook voor de socioloog essentieel als een probleem van al of niet aanpassing.’ (Uit: Sociologische aspekten van de migratie, Prof. M. Versichelen)

Hier geeft de burgerlijke enkete zich bloot. De burgerlijke enkete wil zich voordoen als zeer exakt, cijfermatig, wetenschappelijk: de vragen moeten éénduidig en neutraal zijn. Het onderzoeksobjekt moet exakt omschreven zijn enz.

Deze ‘wetenschappelijke’ eis moet echter een andere eis kamoefleren: de burgerlijke enkete moet zo zijn opgesteld dat elke notie van klasseonder­drukking wordt geweerd.

Men behandelt het probleem in neutrale termen opdat alle klasseken­merken zouden kunnen geweerd worden.

De patroons willen onderdanige, hard wroetende werkkrachten. (...) Ka­pitalist zijn betekent per definitie: het recht hebben arbeiders op te jagen en te onderdrukken.

Onze Belgische arbeiders ondergaan dit lot in Ford-Genk, in Bell-Telep­hone en in UCO-Gent...

Maar het algemeen ontwikkelingspeil en het verleden van de arbeiders­strijd beletten soms om de arbeiders werkelijk tot de grond uit te buiten. De kapitalisten wisten echter een mouw te passen aan dit probleem. De fabrieksdirekteurs gingen werkvolk ronselen in Griekenland, Turkije en Marokko. Deze mensen zijn totaal hulpeloos aan hen overgeleverd en worden sociaal en ekonomisch gedwongen zich de meest barbaarse uit­buiting te laten welgevallen. Er stelt zich hier geen enkel probleem van aanpassing.

De vreemde arbeiders zijn perfekt aangepast aan de bestaande uitbuiting van de arbeidersklasse. Men zou in zekere zin kunnen zeggen dat zij ‘beter’ aangepast zijn aan ons systeem van uitbuiting dan onze eigen arbeiders.

De arbeider voelt zich een radertje in de fabriek, een vervangbaar onder­deel. De socio-psycholoog krijgt nu de opdracht de arbeider met dit feit te verzoenen. Medezeggenschap is de voorgestelde oplossing.

‘... Wat wij als medezeggenschap bij de individuele arbeider voor nood­wendig houden, is in de eerste plaats afgestemd op een gunstige psychi­sche uitwerking. Wij willen als bedrijfspsycholoog in de eerste plaats de bevrediging nastreven van de behoeften waarvoor de werknemer in zijn arbeid voldoening zoekt: onrechtstreeks leidt dit naar verhoogde arbeids­produktiviteit.’ (Uit: Organismen voor medezeggenschap in de onderneming, Dr. P. Coetsier)

Dit citaat onthult volledig de bedoelingen van de burgerlijke enkete. De moderne industrie eist een steeds hogere produktiviteit. Hiervoor heeft ze arbeiders nodig. Wanneer de arbeider zich nu als mens tekort voelt ge­daan moet daarvoor een oplossing worden gezocht. Maar niet elke oplos­sing komt in aanmerking.

De socio-psycholoog mag alleen zoeken binnen het kader van de belan­gen van de industrie. De enige juiste oplossing is die welke de arbeider verzoent met zijn positie en hem produktief maakt.

Onze bedrijfspsychologen worden niet op enkete uitgestuurd omdat men het zo zielig vindt dat de arbeider zich geen volwaardig mens voelt. De socio-psycholoog wordt alleen betaald om de problemen van de industrie op te lossen. Indien de voorgestelde oplossing ‘onrechtstreeks’ geen ver­hoogde arbeidsproduktiviteit voor gevolg had, zou men naar een andere moeten zoeken.

De industrie dikteert haar wetten. De ‘wetenschapper’ moet zoeken tot hij een oplossing kan voorstellen die aan die wetten voldoet. Dit blijkt duidelijk uit het volgende voorbeeld.

‘Globaal genomen valt het onderzoek van het Instituut Solvay nogal ne­gatief uit voor de betekenis van de ondernemingsraad. (...) De houding van de meerderheid der werkgevers en werknemers moet, volgens de on­derzoekers, de ondernemingsraden onvermijdelijk omvormen tot een strijdorgaan in plaats van een instrument van samenwerking. Het onder­zoek van de Algemene Paritaire Raad komt tot een meer bevredigend re­sultaat. De vraag of de ondernemingsraad de ontwikkeling van een geest van samenwerking tussen het bedrijfshoofd en zijn personeel in de hand heeft gewerkt wordt door 75% van de ondernemingsraden bevestigend beantwoord.’ (Uit: Organismen voor medezeggenschap in de onderneming, Dr. P. Coetsier)

Het is duidelijk welke de normen zijn om een onderzoek als ‘meer bevre­digend’ te bestempelen. Een enkete maken betekent: partij kiezen. Een burgerlijke enkete heeft bewust of onbewust tot doel: de meest bijtende gevolgen van de uitbuiting verzachten om zo de arbeider beter ‘aan te passen’ aan de uitbuiting. De socio-psychologen rechtvaardigen zich echter met hun ‘wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksmethode’ en met ‘objectiviteit’. (...)

Uit de aangehaalde citaten kunnen wij echter afleiden dat de ‘objectieve wetenschap’ in dienst staat van de industrie. De heilige normen van ‘ob­jektiviteit, herhaalbaarheid en kontroleerbaarheid’ dienen alleen om te verdoezelen dat de wetenschap partij heeft moeten kiezen voor de indus­trie.

In de fabriek gaan werken?

Eind ‘69, een avond in de Gentse Blandijn. Mandel spoelt een glas water door het keelgat ter compensatie van de intellec­tualistische woordenvloed waarmee hij de aanwezigen ander­half uur heeft stilgehouden. Het debat breekt los en evolueert snel tot een schreeuwende ruzie. De aanwezigen trachten moeizaam de score te volgen. Waar gaat het om?

Gent, 18 maart ‘69. Voetpadbetoging: ‘Grand Bazar’.

Tijdens een algemene textielstaking in het Gentse zijn een ze­ventigtal studenten ‘s nachts bij de stakingspiketten gaan postvatten. Van dan af groeit het ordewoord: ‘In de fabriek gaan werken en leren revolutionair werk te verrichten onder de arbeiders.’

Mandel ruikt een kans om zijn trotskistische sekte uit te brei­den. Hij weet dat sommige linkse beginnelingen aarzelen voor de beslissende keuze. Mandel zal dan ook al hun twijfels met zijn zogezegde marxistische kennis onderstutten. Mandel brengt zijn stellingen naar voren: ‘Onze vrienden maoïsten begaan de fout van het populisme, bij gebrek aan kennis van de geschiedenis van de arbeidersbe­weging. Zij leven met de waangedachte dat zij het zuivere so­cialisme zullen vernemen uit de mond van de arbeider aan de fabriekspoort...

Welnu, Lenin heeft in Wat te doen? bewezen dat het socialisti­sche bewustzijn een wetenschappelijke kennis vereist en de intellectuelen kunnen die verwerven door wetenschappelijk, marxistisch werk te verrichten. Onze vrienden maoïsten heb­ben hun katholieke indoctrinatie niet kunnen afwerpen. Zij hebben wroeging omdat zij geen proletariërs zijn. Zij willen nu aan apostolaat doen, zelfkastijding en boete verrichten door in de fabriek te gaan werken.’

Mandel is zelden zo duidelijk naar voren getreden als de woordvoerder van zelfgenoegzame intellectuelen, die hun af­keer voor de arbeidersklasse weten te verpakken in marxis­tisch cellofaan. ‘In de fabriek werken is zelfkastijding, boete.’ Mandel zegt tot de jonge linkse intellectuelen: behoud de pri­vileges en ook de mentaliteit van de intellectuele kleinburge­rij. Zo kan je een vrij gemakkelijk leven leiden als leraar, ad­vocaat en aangenaam intellectueel werk verrichten en je ver­dient er nog veel geld mee ook.

De maoïsten willen u een schuldcomplex bijbrengen, u ver­plichten tot zelfkastijding met dat fabriekswerk.

‘Wie dienen? Voor welke klasse werken?’ Deze vraag van Mao was voor de studenten een beslissende vraag. Werken voor het proletariaat is een bewuste en moeilijke keuze. Als intellectu­elen zijn studenten een deel van de kleinburgerij en hun spon­tane neiging drijft hen naar dergelijke milieus. Het trotskisme neemt de nefaste trekken van de kleinburgerij over, maar be­dekt ze met een ‘socialistisch’ laagje. De kleinburger zit kort­zichtig te navelstaren en de individuele ‘sexuele bevrijding’ komt hem als iets nobeler voor dan het vrij alledaagse, collec­tieve optreden tegen verdrukking in een fabriek. Het trotskis­me stimuleert hem in die richting (en hitst hem ondertussen op tegen China, tegen het stalinisme, tegen de ‘autoritaire’ maoïsten, kortom, tegen het communisme).

Wie dienen? Het is de vraag naar een langdurig en volledig en­gagement voor een welbepaalde klasse: de arbeidersklasse. ‘Links zijn, ja, maar op een individualistische wijze. Links zijn als sociaalgerichte hobby, vrijblijvend en zonder verplichtin­gen die je voor eeuwig en altijd aan één bepaalde zaak ketenen. Links zijn, ja, als dat kan samengaan met het nastreven van persoonlijke genoegens.’

Wie dergelijke rommel niet overboord kan gooien, wordt nooit een echte revolutionair. Voor elke revolutionaire intellectueel stelt zich de vraag of hij, niet voor één, twee of drie jaar voor die ene klasse wil werken maar voor de rest van zijn leven. Om dit besluit te nemen en vol te houden, moet elke intellectueel ‘zichzelf pijn doen’, ‘zijn wereldopvatting omvormen’. Hij moet inspannnigen leveren om zichzelf om te vormen: het werken in de fabriek kan hier een voornaam onderdeel van zijn.

Een tweede punt: waar haalt Mandel die minachting voor de fa­briekspoort en het fabriekswerk? De manier waarop men het marxisme begrijpt is afhankelijk van de klassepositie waarin men zich bevindt. Voor de intellectueel is het nodig dat hij leert van de arbeiders: door het werk in de fabriek, door deelname aan stakingen, door langdurige samenwerking met arbeiders; het is een absolute voorwaarde om het marxisme correct te kunnen begrijpen. Als Mandel, met de ogen van een bourgeois Wat te doen? leest, komt hij tot het besluit dat intellectuelen niet in de fabriek moeten werken. De SVB-studenten hadden ditzelfde werk gestudeerd, maar zij haalden eruit dat de voorhoede-arbei­ders de stevigste peilers zijn van een communistische partij en dat men er alles moet voor doen om dergelijke arbeiders op het wetenschappelijke, socialistische peil van de communistische intellectuelen te brengen. Om die voorhoede te bereiken en te vormen, wilden zij dan ook in de fabriek gaan werken.

Een derde punt: de ernst waarmee je het marxisme-leninisme als wetenschap bestudeert, hangt af van je politieke praktijk. De revolutionaire studenten gingen in de fabriek werken om tenvolle geconfronteerd te worden met de politieke proble­men van de voorhoede, om de moeilijkheden van de opbouw van communistische kernen in de bedrijven te kennen. Wie met zo’n ervaring in het hoofd het marxisme studeert, kan er veel meer uithalen, er een veel correcter inzicht uit verwer­ven. De pretentie waarmee de trotskisten zich afkeerden van het ‘onnozele’ werk in de fabriek, was een goede negatieve les. Betekent deze ‘omvorming van de wereldopvatting’ dat intel­lectuelen naar de fabriek gaan om uit de mond van de eerste de beste arbeider de socialistische openbaring te aanhoren? Dergelijke lasterlijke grapjes zeggen vooral veel over het standpunt van hun bedenkers.

Je wereldopvatting omvormen, daar zijn drie zaken voor no­dig: men moet het marxisme-leninisme gewetensvol stude­ren, men moet zich verbinden met de arbeidersklasse en men moet actief deelnemen aan de praktijk van de klassenstrijd. Dit betekent dat men terzelfdertijd leerling en leraar moet zijn, dat men het marxisme actief propageert onder de arbei­ders terwijl men terzelfdertijd de proletarische kwaliteiten van de arbeiders opspoort en overneemt.

Een paar voorbeelden.

Het gebeurde dat men een bepaalde arbeider als een model van strijdbaarheid aanzag, terwijl hij later in de praktijk slechts een losbol bleek te zijn. Van bepaalde arbeiders werd gedacht dat ze ongeïnteresseerd en weinig combattief waren, maar eens hun specifieke kwaliteiten ontdekt, ontwikkelden zij zich tot waardevolle medewerkers.

Sommige studenten die in ‘69 in de mijnen gingen werken, geloofden niet dat de mijnwerkers al tot grote strijd in staat waren. Maar toen in januari ‘70 de staking uitbrak en zes we­ken lang duurde, stelden zij vast dat zijzelf dikwijls aarzelden en achteruitweken, terwijl de mijnwerkers onverzettelijk ble­ven tegenover alle maneuvers om de staking stop te zetten.

Kortom: revolutionairen moeten voortdurend onder de arbei­ders werken en luisteren naar hun opvattingen om daarin het waardevolle te scheiden van het verkeerde. Zo kunnen zij zich stap voor stap de beste kwaliteiten die onder de arbeiders leven, eigen maken.

De overtuiging om in de fabrieken te gaan werken werd voor­al gesterkt door de grondige studie van een werk van Mao Ze-dong over de intellectuelen, gepubliceerd onder de onaantrek­kelijke titel Tussenkomst op de nationale conferentie over het propagandawerk van de Chinese Communistische Partij. Daaruit lichten wij volgende passage: ‘Wij raden de intellectuelen aan zich te midden van de mas­sa’s te begeven, in de fabrieken, naar de velden. Het is zeer slecht als iemand in zijn hele leven nooit met een arbeider of boer in contact komt. Onze ambtenaren, schrijvers, kunste­naars, leraars en wetenschappelijke onderzoekers zouden elke gelegenheid moeten te baat nemen om de arbeiders en boeren naderbij te komen. Sommigen gaan naar de fabrieken of naar het platteland, kijken er even rond en gaan terug naar huis; dat noemen we: naar de bloemen gaan kijken van op zijn paard; het is beter dan thuis te blijven en niets te zien. Anderen blijven verschillende maanden tussen de arbeiders en de boeren, doen er onderzoek en maken er vrienden; dat heet: van zijn paard afstappen om de bloemen te bekijken. Nog anderen gaan er voor langere tijd leren, bijvoorbeeld voor twee of drie jaar, of nog langer; dat kunnen we noemen: zich er vestigen.’

Ook vandaag nog gaat er een grote bezieling uit van het werk van communistische intellectuelen in de fabrieken. Wat niet belet dat kameraden die hun intellectueel beroep uitoefenen ook goede communisten kunnen zijn. Hoewel zij zelf niet in een bedrijf werkzaam zijn, delen zij de ideeën die we hierbo­ven hebben uiteengezet en die aan de grondslag liggen van het werk in de fabriek.

Zij proberen in hun beroep zelf zoveel mogelijk in contact te treden met de arbeidersklasse, bijvoorbeeld door de keuze van de school waar zij lesgeven, of van de kliniek waar zij als dok­ter werken.

5. De Franse KP tegen de gauchistische provocateurs van mei '68

De meirevolte deed jongeren en intellectuelen naar links evo­lueren. ‘Contestatie, revolutie’, deze woorden waren niet uit de lucht.

Men zou verwachten dat de revolte op deze manier aanslui­ting zou vinden bij die politieke formatie die zich in die jaren bij uitstek aandiende als een anti-kapitalistische partij: de communisten. Maar de praktische proef van de meirevolte zou duidelijk maken dat o.a. in Frankrijk en België de ‘revolu­tie’ van de KP niets anders betekende dan het aftandse refor­misme van de oude sociaal-democratische partijen over ‘poli­tieke strijd in het parlement’ en ‘vreedzame overgang naar het socialisme’.

Feiten zijn welsprekender dan woorden. Daarom willen we nagaan hoe de KP praktisch is opgetreden in de arbeiders- en studentenopstand van mei 1968. We moeten ons hierbij base­ren op de gebeurtenissen in Frankrijk. De Belgische KP was immers totaal afwezig in de jongerenrevolte aan de Belgische universiteiten. In een interview in Humo (16 februari 1978) geeft Jef Turf dit volmondig toe: ‘Wij hebben in 1968 niet meegespeeld.’

Gent, 18 maart ‘69. Het werk is volbracht... Guido Van Meir groet de vermoeide troepen.

Waar de KPB zich braafjes uit het gewoel kon houden, was dit onmogelijk voor de Franse KP. In Frankrijk verbond de studen­tenopstand zich vlug met de arbeidersbeweging. Meer dan tien miljoen arbeiders gingen in algemene staking, bezetten de fabrieken en deden de meirevolte uitgroeien tot een revolu­tionaire volksbeweging. Deze massabeweging doorkruiste de plannen van de PCF (Parti Communiste Français) om langs de weg van verkiezingen aan de macht te komen. Zodoende wer­den in Frankrijk zowel de KP, haar vakbond de CGT (Centrale Générale des Travailleurs), als haar studentenorganisatie, de UEC (Union des Etudiants Communistes) vanaf de eerste da­gen van de studentenrevolte gedwongen kleur te bekennen. Het optreden van de Franse KP in mei 1968 maakt duidelijk dat zij een rabiate tegenstander was van de spontane massale jongerenbeweging.

Niemand zal beweren dat in Frankrijk de voorwaarden rijp wa­ren voor het succesvol doorvoeren van de socialistische revolu­tie. Maar mei ‘68 was wel een belangrijke voorbereiding op zo’n revolutie. Door de deelname van miljoenen arbeiders en jonge­ren, door de gewelddadige botsingen met de staatsmacht, was de meirevolte een periode waarin alle elementen aanwezig wa­ren voor een verregaande revolutionaire bewustmaking.

Lenin dacht als volgt over zulke revolutionaire massabewe­gingen: ‘Het volk leert in deze gedeeltelijke uitbarstingen en oproer hoe het de revolutie moet maken, en wij moeten er slechts over waken dat wij niet achterop geraken op de huidige toe­stand, dat we steeds in staat zijn het volgende en hogere ni­veau van de actie aan te duiden, steunend op de ervaringen en lessen van het verleden en het heden, en er steeds op gericht om de arbeiders en boeren vuriger en in groter getale op te roe­pen vooruit te gaan, zonder ophouden vooruit naar de totale overwinning van het volk...’ (Lenin, Oeuvres VIII, blz. 547)

De Franse KP heeft in mei ‘68 precies het tegenovergestelde gedaan van de gedragslijn die Lenin voorschrijft. De KP heeft geprobeerd de beweging binnen de perken van de wettelijk­heid te houden en de acties van arbeiders en studenten afge­keurd en beschimpt. Ze heeft de ogen gericht op beperkte ma­teriële deeleisen en op de ‘grote dag’ van de komende parle­mentsverkiezingen... die door De Gaulle zouden gewonnen worden.

Wij zullen in een notedop de houding van de Franse KP ontle­den ten aanzien van vier belangrijke kwesties die zich in de meirevolte gesteld hebben, in de volgorde waarin ze zich chronologisch hebben voorgedaan.

Student, studeer!

Parijs, 8 mei 1968. Twintigduizend studenten en scholieren verzamelen zich voor de wijnhallen in de buurt van de Facul­teit Wetenschappen. Zeer strijdbare stemming. Op 2 mei heeft de rector van Nanterre de universiteit gesloten; de Sor­bonne wordt door de politie bezet. Als de toegestroomde stu­denten vernemen dat de regering die in speciale zitting over de beroering in de studentenwereld is bijeengekomen, met geen woord rept over de eisen van de studenten, maar wel be­slist om de aangehouden studenten verder gevangen te hou­den, groeit de strijdlust. Alain Geismar roept onder luid ap­plaus uit: ‘Politie of niet, vanavond slapen we in de Sorbonne.’

Niet iedereen is even gelukkig met deze oproep. Het is nu 19 uur, en Ravaux van de CGT voelt zijn uur gekomen om de ‘steun’ van zijn vakbond te komen betuigen. Hij kan zich ter­nauwernood tien seconden verstaanbaar maken. Hij wordt weggefloten. Als de betoging omstreeks 20 uur wordt ge­vormd, worden KP-parlementsleden die aan de kop van de stoet willen paraderen, door de organisatoren uit de voorste rijen gejaagd.

Waarom had de KP zich de afkeer van de studenten op de hals gehaald?

Sinds maanden gistte het in Nanterre. Er was ontevredenheid over de onmogelijke werk- en leefomstandigheden, over het gebrek aan democratie in de universiteit. Steeds scherper klonk de kritiek op de inhoud van de cursussen: ‘Zij bereiden de studenten voor om het grootkapitaal als ka­derpersoneel behulpzaam te zijn.’

In de partijkrant L’Humanité van 4 mei kwamen de Jongcom­munisten aan het woord: ‘De verantwoordelijken van de gauchisten maken gebruik van de fouten in de regeringspolitiek en speculeren op de mis­noegdheid van de studenten om de werking van de faculteiten te verhinderen, en de massa van de studenten in de onmoge­lijkheid te stellen te werken en aan hun examens deel te ne­men.’

Op 4 mei doet ook het communistische gemeentebestuur van Nanterre zijn duit in het zakje: ‘De faculteit van Nanterre moet normaal kunnen functione­ren. De professoren moeten hun lessen kunnen geven en de studenten moeten hun studies verder kunnen zetten... Alle maatregelen dienen getroffen te worden opdat de examens in de beste voorwaarden zouden kunnen doorgaan.’

Inmiddels hadden zich in Nanterre de gebeurtenissen voorge­daan die de lont aan de studentenrevolte zouden steken. De rectorale overheid verbood de studenten op 2 en 3 mei 1968 een anti-imperialistische dag te houden op de campus. De stu­denten besloten die dag toch te houden en als protest tegen het verbod van de rector een lessenstaking te organiseren. De UEC, de studentenorganisatie van de KP, besliste een knokploeg te vormen om de anti-imperialistische dag te verhinderen.

In L’Humanité van 2 mei werd dit optreden als volgt gepre­zen: ‘De overgrote meerderheid van de studenten van Nanterre wenst in de gunstigste omstandigheden te werken. Gezien de nabijheid van de examens zijn hun bekommernissen dan ook helemaal verschillend van die van de herrieschoppers. Dat hebben ze gisteren bewezen toen een hondertal gauchisten de pretentie had een cursus te boycotten van 450 man.

Een verantwoordelijke van de UEC is dan tussengekomen, en aangezien het commando van de gauchisten hem probeerde te raken, hebben de studenten die provocateurs in een paar mi­nuten buitengesmeten. Zo kon de les doorgaan.’

Als men weet dat de KP zich tijdens de hele duur van de mei­revolte zou uitsloven om elke weerstand tegen de politie en fascistische groepen te veroordelen en te verhinderen, dan zijn de juichkreten over de operaties van de UEC-knokploeg toch wel bijzonder onthullend.

Van de ene kant tegen het initiatief en het verweer – ook met geweld – van de studentenbeweging, maar van de andere kant niét tegen het geweld dat werd ingezet om die beweging op­nieuw ‘onder de duim’ te krijgen.

Door haar wapenfeiten van 2 mei verwierf de UEC de trieste eer nog voor de politie met geweld te zijn opgetreden tegen de studenten. Het zou immers duren tot de avond van 2 mei eer de rector van Nanterre een beroep deed op de politie om de campus te ‘zuiveren’ van de deelnemers aan de anti-imperia­listische dag en een einde te stellen aan de stakingsacties. Het politieoptreden lokte hevige gevechten uit die tot laat in de nacht zouden duren.

De studenten die hierbij werden opgepikt, bleven de volgen­de dagen onder arrest. Daardoor sloeg de contestatie over naar de Sorbonne. De regering stuurde de politie om de Sor­bonne te ontruimen en te bezetten. We schrijven 3 mei 1968. Toen die avond de eerste massale en gewelddadige betoging van de studenten plaatsgreep, was de historische meirevolte definitief gestart. In de volgende dagen zouden tienduizenden studenten, alleen al in Parijs, aan de acties deelnemen.

Ziehier wat KP-leider Georges Marchais neerpent in L’Huma­nité van 3 mei: ‘Zoals altijd wanneer de eenheid van de arbeiders en democra­tische krachten vooruitgaat, voeren de gauchistische groepjes agitatie in alle milieus. (...)

Gent, 13 maart ‘69. Auditorium E van de Blandijn (RUG). Vooraan Ludo Martens

Deze groepjes, enkele honderden studenten, zijn verzameld in De beweging van 22 maart van Nanterre, geleid door de Duit­se anarchist Cohn-Bendit. (...) Deze valse revolutionairen moeten met kracht worden ontmaskerd want objectief die­nen zij de belangen van de gaullistische macht en van de grote kapitalistische monopolies. (...) Meestal gaat het om zonen van de grote burgerij, vol misprijzen over de studenten van arbeidersoorsprong, die snel hun revolutionaire vlam zullen do­ven om de fabriek van hun vader te gaan besturen.’

Nuttige vakidioten

Op 3 mei stelde KP-volksvertegenwoordiger Louis Baillot een parlementaire vraag: ‘Welke maatregelen gaat de regering nemen om de studenten toe te laten op een normale manier te studeren en hun exa­mens voor te bereiden in goede omstandigheden; om werkelij­ke oplossingen te geven aan de gewettigde studenteneisen (huisvesting, restaurants, beurzen, enz.); om een plan voor te stellen voor de bouw van faculteiten in de omgeving van Parijs?’

Geen woord over de vrijlating van de aangehouden studenten, en al evenmin steun aan de politieke en democratische eisen van de contestatie. Hoofdbekommernis was dat de lessen konden hernemen en de examens een normaal verloop zou­den kennen. Daarmee stelde de KP zich frontaal op tegen de studenten die van de examenboycot een centraal strijdpunt hadden gemaakt. Wij citeren uit een pamflet van de UNEF (Union Nationale des Etudiants de France) van 10 mei: ‘De overheid wil de orde herstellen omdat zij wil dat de exa­mens, die de hoeksteen vormen van de universiteit, in alle kalmte kunnen doorgaan. Waarom?

De examens zijn een middel om de politieke selectie door te voeren. Zij zijn een middel om de goede elementen van de slechte te scheiden. Zij stellen de overheid in staat om van ons instrumenten te maken die de winsten van de bedrijven moeten vergroten.’

De studenten probeerden de kritiek op het onderwijssysteem uit te diepen. Zij wilden niet ‘blindelings klaargestoomd’ wor­den tot nuttige vakidioten in dienst van het bedrijfsleven. Ze reageerden tegen de ivoren-toren-mentaliteit in het onder­wijs. Ze wilden deuren en vensters open zetten. Ze wilden de rol van het onderwijs in de – kapitalistische – maatschappij begrijpen en ze wilden het inzicht verdiepen in de maatschap­pelijke verhoudingen zelf.

Maar de KP-leiding wilde hen terugduwen in een muffe, ste­riele studie, zonder oog voor de maatschappelijke context en functionaliteit van die studie.

Henri Krasucki van de CGT verduidelijkt: ‘De universiteit mag niet als voornaamste taak hebben het opleiden van revolutionaire kaders. Dit houdt immers het ge­vaar in dat het verwerven zelf van de wetenschappelijke ken­nis, die onontbeerlijk is voor de vorming van werkelijk revo­lutionaire geesten, in het gedrang komt.’

De barricaden: een nachtmerrie

13 mei 1968. Er zijn tien dagen strijd in het Quartier Latin achter de rug. Nu honderdduizenden arbeiders, werkers en studenten samenstromen voor één der grootste betogingen uit de Franse geschiedenis, kan Grimaud, hoofd van de Parijse politie, toch op beide oren slapen. Want de KP heeft greep ge­kregen op de beweging en staat er borg voor dat de betoging niet uit de hand zal lopen. De KP wil een demonstratie geven van haar macht over de arbeidersklasse en zich opwerpen als de behoedster van de ‘orde en rust’. En inderdaad, de KP slaagt erin de demonstratie van 13 mei dermate te omkaderen dat de ‘orde’ nooit wordt verstoord.

L’Humanité slaakt op 15 mei volgende zucht van verlichting: ‘Het Parijse volk heeft gedurende uren door de hoofdstad ge­marcheerd met een kracht die alle provocaties onmogelijk heeft gemaakt. De organisaties van de partij en de militanten hebben zich dag en nacht zonder verpozen ingezet om deze grote beweging van de arbeidersklasse, de professoren en de studenten een maximum aan eenheid, aan kracht en disci­pline te geven.’

De houding tegenover het revolutionaire massageweld is een kernkwestie om uit te maken of een partij communistisch is. Marx en Lenin hebben de communistische militanten altijd voorgehouden dat het hun plicht was het geweld van de mas­sa’s tegen het repressieapparaat aan te vuren en te ondersteu­nen. Omdat de arbeidersklasse zich zo schoolt voor de revolu­tie, die nodig is om het socialisme te vestigen. Bovendien is het onder druk van gewelddadige klassenbotsingen dat de bur­gerij, ‘uit schrik voor de revolutie’, belangrijke sociale en poli­tieke toegevingen doet. Dit is het orthodoxe marxisme.

In mei ‘68 droeg de Franse KP haar militanten op zich uit te sloven om geweld te verhinderen, en de rust te doen terugke­ren. De gewelddadige acties van die dagen kregen nochtans de steun van de bevolking. Vanaf de eerste dagen hebben de stu­denten het middel van de barricaden aangewend. Deze me­thode bleek geschikt om zich te verdedigen tegen de razzia’s die de politie tot laat in de nacht op touw zette om zoveel mo­gelijk studenten op te pakken. Daarbij was het van belang dat de studenten door deze barricaden de wijken en publieke ge­bouwen die ze bezet hielden, konden verdedigen. Tijdens deze bezettingen konden democratie en nieuwe organisatievor­men tot ontplooiing komen.

In de nacht van 10 mei, bekend als de ‘Nacht van de Barrica­den’, richtten 40.000 studenten een zeventigtal barricaden op. Daarnaast werden nog andere hindernissen opgesteld om de aanvallen van de politie vanop afstand te bemoeilijken. Zo werden er ijzeren draden over de straat gespannen op knie- en halshoogte. Bij de eerste charges botste de politie hiertegen aan. Het leek alsof ze tegen een onzichtbare muur was te plet­ter gelopen. Na zes uren hevige gevechten konden de orde­troepen die nacht slechts de helft van de barricaden innemen. Dat zoveel barricaden stand hielden, was maar mogelijk door de steun van de bevolking. Veel getuigen vertellen hoe de be­woners van de wijken water gooiden en citroenen om de beto­gers tegen traangas te beschermen. Er werd hen ook voedsel toegeworpen, overal konden de strijders binnen om te rusten, zich te laten verzorgen of om zich te verbergen wanneer een barricade gevallen was. Tientallen dokters en verplegers kleefden rode kruisen op hun wagens en kwamen zoveel mo­gelijk gewonden ter hulp.

Enkele dagen na deze gebeurtenissen bleek uit een opiniepei­ling dat meer dan 80% van de bevolking van de hoofdstad de acties van de studenten goedkeurde.

Over deze ‘Nacht van de Barricaden’ zal René Adrien in L’Hu­manité van 27 juni schrijven: ‘De uitspattingen, de provocaties, het nutteloze geweld (...) van de gauchistische groepen, waarvan sommige elementen gemanipuleerd werden door het ministerie van Binnenlandse Zaken, hebben het resultaat gehad dat men kon verwachten. Het zou zeker interessant zijn voor de geschiedenis met juist­heid te weten wie het initiatief genomen heeft voor de ‘barri­caden’ van de Gay Lussacstraat (Nacht van de Barricaden), zelfs indien het vaststaat dat goedgelovige studenten zich toen hebben laten vangen door de massa politieagenten. Elke barricade, elke verbrande auto bracht tienduizenden stem­men op voor de gaullistische partij. Ziedaar de waarheid.’

De KP poogt de studenten voor de fabriekspoorten te verjagen

Na de studenten beginnen de arbeiders in de ene fabriek na de andere het werk neer te leggen: weldra zijn 10 miljoen Franse arbeiders in algemene staking voor de inwilliging van mate­riële eisen waar de arbeiders al tien jaar op wachten.

De staking gaat gepaard met bezetting van de werkplaatsen; directeurs worden door de arbeiders gegijzeld. Naast eisen voor sociale vooruitgang hoort men meer en meer politieke ordewoorden die gericht zijn tegen de kapitalistische repres­siemacht, tegen het kapitalistische systeem, voor een nieu­we socialistische maatschappij. In verscheidene fabrieken zijn er experimenten van de arbeiders om, met de hulp van sympathiserende technici, de produktie in eigen beheer ver­der te zetten.

Het optreden van politie en rijkswacht tegen de acties en ex­perimenten van de arbeiders zal de beweging met de neus op de centrale rol van de staatsmacht en haar gewapende arm duwen.

Op het ogenblik dat die revolutionaire beweging de Franse arbeiderklasse bezielt, roept de avant-garde van de studen­tenrevolte de intellectuelen op zich met de arbeiders te ver­binden. De politieke discussies op volksvergaderingen en de lectuur van teksten van Mao Zedong brengen de studenten er toe hun beweging te verbinden met de arbeidersstrijd.

In het werk van Lenin en Mao vindt men vurige oproepen dat de arbeidersklasse de steun moet verwerven van de revo­lutionaire intellectuelen. ‘Arbeiders-studenten, één front’: in mei ‘68 een ordewoord dat alle actieve studenten met ij­ver propageren.

Maar de KP geeft haar militanten in de CGT opdracht een muur op te trekken tussen arbeiders en studenten. CGT-lei­der Séguy in zijn boek Le mai de la CGT :

‘Na de bezetting door de studenten is de Sorbonne een waar proefterrein geworden voor hun sexuele revolutie.’

Verder heeft hij het over ‘de fauna van de ondergrondse van het Odéon’ en de aanwezigen op de massameeting van Char­lety – waar werkelijk de ganse linkse beweging met uitzon­dering van de KP was bijeengekomen – beschrijft hij als ‘ele­menten uit de onderwereld van Parijs’.

Gent, 20 maart ‘69. Renaat Willockx, net uit de gevangenis, spreekt de volksvergadering op de Blandijn toe.

Op de avond van 16 mei bezoeken een duizendtal studenten die de ordewoorden van de marxist-leninisten hebben opge­volgd, de autofabriek Renault – een staatsonderneming – die door de arbeiders is bezet. Het is moeilijk om contact te leg­gen. De militanten van de CGT sluiten de poorten. Toch be­slissen de studenten om de volgende dag terug te komen. Het communiqué dat die dag door de KP verspreid wordt, spreekt boekdelen over de schrik voor een fusie van de arbeiders- en de studentenbeweging: ‘CGT-Renault. Wij vernemen dat studenten en professoren de­ze namiddag een betoging willen organiseren naar de Renault­fabrieken van Billancourt. Deze beslissing werd genomen zonder voorafgaandelijke raadpleging van de syndicale organi­saties CGT, CFDT en FO. Wij stellen de solidariteit van studen­ten en leraars ten zeerste op prijs maar wij zijn volledig gekant tegen elk onberedeneerd initiatief dat onze beweging in het gedrang zou brengen.

Wij raden de organisatoren van deze betoging dan ook ten stelligste af dit initiatief te handhaven.’

Toch zouden 3.000 studenten en leraars naar de fabriek op­stappen. Opnieuw neemt de KP alle mogelijke voorzorgen om elk contact tussen arbeiders en studenten te verhinderen. Bij Renault te Flins slagen de studenten er toch in een stevi­ge band met de arbeiders tot stand te brengen. Daar wordt ook het hevigst verzet geboden door arbeiders en studenten als de regering aan de politie het bevel geeft de bezette fabrie­ken te bestormen. In Flins vechten 2.000 studenten één dag en één nacht zij aan zij met de arbeiders tegen de ordetroe­pen. Eén student laat hierbij het leven. Op de vlucht voor de politie valt hij in het water en verdrinkt. In de komende da­gen zou de politie bij haar acties ook nog twee arbeiders ver­moorden.

In zijn boek heeft Séguy slechts volgende commentaar over de dood van de student: ‘De arbeiders blijven koelbloedig.’ (In het Frans klinkt het nog cynischer: ‘Les ouvriers gardent leur sang-froid.’)

Zodra de akkoorden van Grenelle voor mekaar zijn, doet de KP er alles aan de staking te breken. Dat blijkt o.a. uit het ant­woord dat het bureau van de CGT geeft op de vraag van de CFDT om een nationale actiedag te organiseren met solidari­teitsbetogingen. Volgens het boek van Séguy, blz. 163, luidt dit antwoord: ‘Wetend dat de gauchistische groepen op de loer liggen om bij de minste gelegenheid incidenten uit te lokken, beklemtonen wij de noodzaak om het syndicaal karakter van de solidariteit te bewaren. Wij stellen voor dat alle organisaties hun inspan­ningen zouden bundelen op het vlak van de materiële solida­riteit, en het principe van een gemeenschappelijke intersyndi­cale vergadering zouden aanvaarden.’ Met andere woorden: voor ons is het gedaan. Geen sprake van solidariteit met de nog stakende arbeiders, van één front met de studenten.

Geobsedeerd door de verkiezingen

Op 30 maart, bij het begin van de studentenonlusten, schreef L’Humanité: ‘De tekortkomingen van de regering bevorderden de activitei­ten van onverantwoordelijke elementen. Het kwam tot bezet­ting van lokalen; lessen werden verhinderd en professoren aangeklaagd. Daarbij beriep men zich demagogisch op de poli­tieke vrijheid. Op zich is dat een juiste eis, maar bij dit alles wordt de regering niet in vraag gesteld.’

Wilde L’Humanité het licht van de zon ontkennen? De stu­denten stelden niet alleen de regering, maar het hele kapita­listische systeem in vraag. Ze hadden het over de dictatuur die de kapitalistische staat op alle gebieden – ook in het on­derwijs – uitoefent. De basisinzichten van het marxisme over de staatsmacht met haar gewapende kern, over de volksop­stand en over de dictatuur van het proletariaat, wonnen veld. Dat L’Humanité daar zo blind voor was, kan alleen verklaard worden door het electoralisme van de Franse KP. Zij wilde langs de weg van verkiezingen regeringsdeelname afdwingen. En de contestatie kon in haar ogen dat objectief alleen maar dwarsbomen. Haar optie voor de gladgestreken, legale weg van de verkiezingen duwde haar in het kamp van de tegen­standers van de contestatie.

Die bewuste tegenwerking liet de CGT-secretaris duidelijk ho­ren in een telefoongesprek met Duchauvel, de directeur van de grote vliegtuigfabriek Sud-Aviation, die door de arbeiders in zijn kantoor werd gegijzeld. Dit gesprek werd door een Frans radiostation rechtstreeks uitgezonden.

Séguy: ‘Hebt u gevraagd de fabriek te verlaten?’
Duchauvel: ‘Ja.’
Séguy: ‘Heeft men u dat geweigerd?’
Duchauvel: ‘Ja.’
Séguy: ‘Dan herinner ik u aan de persconferentie van de CGT gisteren, waarin ik verklaard heb dat we zulke methoden af­keuren. Wij zijn trouwens bezig de nodige maatregelen te ne­men opdat zoiets zich niet meer zou voordoen.’

De KP-leiders beloofden de arbeiders van het kapitalisme te bevrijden, maar in de praktijk keurden ze elke rechtstreekse actie van die arbeiders tegen hun patroons af.

Herinneren wij eraan dat de KP in mei ‘68 geweigerd heeft de algemene staking uit te roepen. Zodra de KP wist dat er een nationale overlegvergadering kwam, stuurde zij er op aan dat daar de meibeweging werd beëindigd. De CGT-onderhande­laars wilden de discussie beperken tot wat ze noemden ‘de ali­mentaire eisen’ van de arbeiders. De CFDT wilde daarnaast ook politieke eisen zoals zelfbeheer op de agenda. Maar de KP verwierp dit ‘avonturisme’.

Na 25 uren onderhandelen in Grenelle was er één tastbaar re­sultaat: het gewaarborgd minimumloon werd tot 30 Belgische frank per uur opgetrokken. En zelfs dit lag nog onder het door de stakers geëiste bedrag van 6.000 frank per maand. Maar de KP had het over ‘een grote verovering’ en over andere punten kon verder per sector onderhandeld worden. De regering liet er geen twijfel over bestaan dat dit akkoord van Grenelle de start moest betekenen voor de werkhervatting. Ze rekende op de CGT om dit voor mekaar te brengen. De CGT startte een campagne om het akkoord in de fabrieken te populariseren. Maar tot haar verbazing werd het akkoord in geen enkele fa­briek aanvaard.

Op dat ogenblik schreef De Gaulle verkiezingen uit. Voor de KP-top was hiermee en met de ‘overwinning’ van Grenelle het objectief bereikt. De kolommen van de partijkrant werden opengesteld voor agitatie tegen de aanhoudende stakingsbe­weging.

‘Elke oproep voor de algemene staking, die in de huidige om­standigheden op geen enkele manier nog kan verantwoord worden, dient als een gevaarlijke provocatie te worden be­schouwd, die de vijanden van de arbeidersklasse en van de de­mocratie in de kaart speelt.’

In zijn boek schrijft Séguy: ‘In bepaalde zeldzame gevallen moesten onze militanten hardnekkige discussies voeren met arbeiders die voorstanders waren van de voortzetting van de staking, niettegenstaande er concrete successen waren geboekt op de eisen. Die arbeiders hoopten op meer diepgaande veranderingen. Maar zij begre­pen niet dat de politieke situatie niet toeliet verder te gaan.’

 
6. De Belgische KP en de studentenrevolte van de jaren '60
De KP van België was zowel in ‘66 als in ‘68 totaal afwezig in de beweging van de studenten in Leuven en Gent. Toen de KP-lei­ders evenwel vaststelden dat de studentenbeweging gepaard ging met een opvallende verlinksing van de Vlaamse studenten, ontwaakte in hen het instinct van de electoralistische politici. Om jong voetvolk voor hun zaak te recruteren, probeerden de KP-leiders de linkse studenten en hun leiders naar zich toe te halen. Zowel in hun pers als in mondelinge uitlatingen drukten ze hun ‘grote sympathie en bewondering’ uit voor ‘het mirakel van de linkse rebellen in de burcht van het klerikalisme, de uni­versiteit van Leuven’. Ze prezen hen als ‘moedige progressieve krachten’. Ze probeerden Paul Goossens en Walter De Bock aan de haak te slaan voor hun Vlaams Marxistisch Tijdschrift.

De sirenenzang van de KP-leiders kreeg niet het minste gehoor. De linkse studenten die in de beweging van ‘66 naar voren geko­men waren, zetten zich binnen SVB aan de studie van Wat te doen? en Staat en revolutie van Lenin en van De Geschiedenis van de Kommunistische Partij van de Sovjetunie. De Culturele Revolutie in China werd met enthousiasme gevolgd en bracht de linkse studenten in contact met de kritiek van Mao Zedong op het revisionisme.

Toen de KP-leiders deze evolutie van de linkse studenten in Leuven vaststelden, sloeg hun bewondering voor de ‘linkse rebellen in het katholieke bolwerk’ om in groeiende afkeer.

Leuven, 19 maart ‘69. Tweeduizend Vlaamse en Waalse studenten eisen, op een meeting van VVS en MUBEF de terugtrekking van de rijkswacht uit de stad. Spreker is Robert Fusz, studentenleider aan de ULB.
En toen uit SVB AMADA groeide, kregen ze allerlei boosaardige etiketten opgeplakt: ‘katholieken’, ‘klerikalen’, ‘elementen van de Katholieke universiteit’...

Zo schreef Jef Turf in Een Politieke Identiteit, blz. 162: ‘De organisatie Alle Macht aan de Arbeiders is gegroeid uit de katholieke kleinburgerij en vindt haar oorsprong in de Katho­lieke Universiteit van Leuven. (...) Zij hebben naar de vorm veel kenmerken van hun godsdienstige opvoeding overgeno­men: hun ideologie stoelt op enkele eenvoudige dogma’s die steeds herhaald worden, zij werken met een catechismus, vat­ten hun taak op als een apostolaat en zijn totaal afkerig van wat maar iets met de Kommunistische Partij te maken heeft. Hun voornaamste inspiratiebronnen zijn verlegd van de he­mel naar de aarde: het zijn de bijbelse geschriften van Mao...’ Op het ogenblik dat de KP-leiders AMADA verweten ‘katholie­ken’ te zijn, richtten ze zelf het ‘Daens-aktiefonds’ op, specu­lerend op de aantrekkingskracht die de figuur van priester Daens traditioneel op katholieke jongeren uitoefent.

Vanaf ‘68-’69 gingen studenten als arbeider werken in de fa­briek, anderen zouden zich als communistisch leraar, dokter of advocaat met de arbeiders verbinden. Zo startten twee jon­ge artsen, Kris Merckx en Michel Leyers, begin 1971 een groepspraktijk ‘Geneeskunde voor het volk’ in de rode ge­meente Hoboken. Hun werk wekte veel steun en sympathie op onder de werkende mensen. Toen de Orde der Geneeshe­ren eind 1971 de dokters wilde sanctioneren, konden zij reke­nen op de daadwerkelijke steun van de plaatselijke bevolking, van de KWB, van afdelingen van het ABVV, enz.

Toch legde de Orde de twee artsen een schorsing op van 15 tot 22 februari ‘73. Maar de twee ‘AMADA-dokters’ negeerden de schorsing.

Op 22 oktober ‘73 moesten zij dan ook voor de correctionele rechtbank verschijnen omdat zij in de schorsingsperiode ‘on­wettige’ geneeskunde hadden uitgeoefend. AMADA had opgeroe­pen dit proces om te vormen tot een tegenaanval tegen de kapi­talistische geneeskunde. Er waren 300 aanwezigen in en buiten de rechtszaal, waarvan de helft arbeiders en arbeidersvrouwen. Voor de rechters verdedigden twee arbeiders en twee arbeiders­vrouwen fier het werk van de twee dokters. De rechtbank sprak slechts een symbolische straf uit: een voorwaardelijke boete van 780 frank. Daarop hieven de aanwezigen bij het verlaten van de gerechtszaal een daverende Internationale aan. Op dat ogenblik viel de rijkswacht in gesloten formatie het publiek in het gerechtsgebouw aan. De aanwezigen verweerden zich tegen de klappen en matrakken. Bij het handgemeen werden 7 men­sen aangehouden, onder hen Kris Merckx. De volgende dagen toonden de arbeiders in de fabrieken uit het Antwerpse massaal hun sympathie. Aan het ‘kot’ van de scheepsherstellers stond men in rijen aan te schuiven om de petitie voor vrijlating te te­kenen. Op Cockerill Yards liet de directie officieel weten dat ze het rondgaan met de petitie toestond, maar... ze verzocht dat tij­dens de rustpauzen te doen.

De KP-leiding achtte zich geroepen om de versie van de rijks­wacht over de incidenten te onderschrijven en meteen haar af­keer voor AMADA uit te spuwen. Hier volgt het artikel dat symp­tomatisch is voor de redeloze afkeer van de KP voor al het revo­lutionaire dat de revolte van ‘68 heeft voortgebracht. Het valt op dat zij zich daarbij beroept op de autoriteit van Mark Gram­mens, die men vandaag in de entourage van het Vlaams Blok aantreft.

DE NOZEMS VAN DEZE JAREN (Uit De Rode Vaan, 1 november ‘73)

1. ‘Het zou wenselijk zijn dat de gehele linkerzijde zich duidelijk distan­cieert van de gratuite baldadigheden die verleden maandag plaatsgevonden hebben in het Antwerps Justitiepaleis naar aanleiding van een paar maoïstische artsen.’ Dit schreef Mark Grammens in De Nieuwe en wij zijn het met hem eens...

2. De primitieve politiek van AMADA is gebaseerd op de taktiek van het uitlokken van rellen met politie en rijkswacht, met de veruiterlijking van ‘het gezag’. Hun strategie is erop gericht zo te komen tot ‘de grote gewapende revolutie van het volk’. Een opvatting die zeer dicht ligt bij ‘de geweld-om-het-geweldtheorie’. Een opvatting die daarenboven geba­seerd is op een diepe verachting voor het werkende volk.

Een voorbeeld van deze minachting voor de arbeidersmassa wordt gege­ven door het arrogante duo Leyers-Merckx. Arrogant omdat zij alles in het werk stellen om rond hun beider persoontje een aureool van marte­laarschap te weven en zich het alleenrecht toeëigenen van ‘geneeskun­de voor het volk’. Hier dan gekonkretiseerd door te werken aan terug­betalingstarieven.

De sektaire pretentie van de Hobokense dokters – slechts overtroffen door de grapjas Lecompte – heeft in ieder geval reeds geleid tot hun vol­ledige isolatie binnen de wereld der geneeskundigen. Het is typisch dat zij in plaats van te streven naar een zo breed mogelijk front van vooruit­strevende dokters, deze kollega’s afstoten.

3. In de idealistische stijl van de priester-arbeiders zijn ze enkele jaren geleden aan missionarissenwerk gaan doen in de arbeidersgemeente Ho­boken. Met een niet te onderschatten sukses, in het begin. Hun sympa­thie bij de plaatselijke bevolking en buiten deze gemeente was redelijk groot. Wat men van hen kon verwachten, gebeurde. In plaats van deze beginnende massabeweging uit te bouwen, ging men op de uiterst sek­taire toer. Daarvoor zijn het dan ook maoïsten...

4. De ‘clou’ werd bereikt met de rellen in het Antwerps Justitiepaleis. Een zielig groepje was opgetrommeld van heinde en verre om na de praktisch symbolische veroordeling die werd uitgesproken, een stukje te gaan vechten met de aanwezige snotneuzen van de rijkswacht. Men had inderdaad zowat de jongste gendarmenlichting opgesteld... En ple­zant dat het was! Er werd met water gespoten en er werd over en weer gelopen in de naburige straten; tafels en stoelen sneuvelden, ruiten gin­gen aan diggelen. Men rook als het ware de ‘revolutie’. Toen Merckx om een futiliteit werd aangehouden – en aangehouden bleef – was het AMADA-geluk kompleet. De martelaar waarnaar men zo geduldig had gewerkt, was er!

En de volksmassa? De werkende klasse in wiens naam de maoïsten pre­ken, doch die ze door hun bewust sektarisme afstoten? De volksmassa zag in deze rel wel wat erin te zien is. En niets anders. Namelijk het werk van een stel dolgedraaide zonderlingen. Of, zoals Mark Grammens het schetste: ‘Enkele jaren geleden zou men bij dergelijke gelegenheden gewag gemaakt hebben van nozems.’ En verder: ‘Laten we vooral niet denken dat dit nog iets met politiek te maken zou hebben, behalve in één opzicht: ongemotiveerd links geweld wordt historisch altijd gevolgd door rechts geweld dat in ongemotiveerd links geweld een motivering vindt... en dat dan soms aan de macht komt.’

We zouden het liever anders zeggen. De rellenzoekers van AMADA bedrij­ven geen ‘ongemotiveerd links geweld’. Hun geweld is rechts. En AMADA is rechts! Met heel wat fascistische karakteristieken. Ondermeer en in de eerste plaats wegens hun negatie van de arbeidersmassa, van het ob­jektieve bewustzijnspeil der werkende mensen. En dat ligt bijlange niet op dat niveau dat het ‘de gewapende revolutie’ zou steunen.

Deze onkunde om de gewone mensen te begrijpen, om tussen hen te le­ven als vissen in het water, leidt tot verbittering en fascistoïde metho­des zoals ze werden gedemonstreerd in het Antwerps Justitiepaleis.

AMADA is dus een ideale bondgenoot der reaktie, die deze klub gebruikt als startblok in de strijd tegen de georganiseerde werkers.

Merckx, Leyers en Co zijn op zijn best een stel onnozelaars die zich la­ten gebruiken door rechts... Binnenkort zal eerstgenoemde zich nog­maals kunnen ontpoppen als een brallerig akteur, als een zich in het roem van het martelaarschap wentelend narcist, wanneer hij zich zal te verantwoorden hebben wegens het... tegen het been schoppen van een rijkswachtofficier.

En met deze tegen de Hobokense dokter uitgebrachte ‘beschuldiging’ ­die trouwens op geen enkele wijze een voorarrest rechtvaardigt! - is én zijn persoon én gans zijn beweging gekarakteriseerd. Ongevaarlijk voor het kapitalisme. Onbekwaam om het marxisme-leninisme te begrijpen en de lessen te trekken uit de lange weg die de arbeidersklasse aflegde. Reagerend als een verwend kind dat graag in het middelpunt van de be­langstelling staat.

Met deze kreaturen heeft de georganiseerde arbeidersbeweging slechts op één manier te maken. Namelijk door ze krachtdadig van het lijf te houden.

Koen Calliauw

Als commentaar op dit requisitorium beperken wij ons tot twee citaten van Lenin die de hele denkwereld aanklaagt van deze KP-jeremiades.‘De reformisten huilen over het verdwij­nen van rede en verstand, wanneer in de plaats van het ge­snuffel van allerlei bureaucraten en liberale pennelikkers rond parlementaire wetsontwerpen, een periode begint van directe politieke activiteit van het gepeupel dat in alle een­voud en ongebreideld de onderdrukkingsorganen over het volk breekt, dat de macht verovert, dat zich toeëigent wat scheen toe te behoren aan alle plunderaars van het volk. Kort­om, zij huilen, wanneer precies de gedachten van miljoenen onderdrukte mensen ontwaken en dit niet alleen om wat boe­ken te lezen, maar om actie te voeren, een levende, menselij­ke, historische en creatieve activiteit.’ (Lenin, Oeuvres X, blz. 260-261.)

‘De hoge waardering van het marxisme voor de revolutionaire periodes in de ontwikkeling van de mensheid vloeit voort uit het geheel van de opvattingen bij Marx over de geschiedenis. In tegenstelling met de theoretici van de liberale burgerij, be­schouwde Marx deze periodes niet als afwijkingen op de nor­male gang van zaken, als symptomen van sociale ziekte, als triestige resultaten van uitspattingen en vergissingen, maar als de meest levendige, de belangrijkste, meest essentiële en beslissende momenten van de geschiedenis. De burgerlijke reactie spant zich steeds in om de revolutionaire tradities bij het volk uit te roeien en de revolutie voor te stellen als een wind van waanzin.’ (Lenin, Oeuvres XIII, blz. 31-33.)

Leuven, 12 februari ‘70. Meer dan 1.000 scholieren en studenten betogen hun solidariteit met de mijnwerkers: ‘15% nu’, ‘Eyskens in de mijn, arbeiders aan de macht’.

 

Deel Drie

   1. Arbeiders en studenten: één front... Maar waarom en hoe?   
   2. Zoektocht naar een samenhangende theorie
       Dokument 1969. Een leidraad doorheen de marxistische theorie 1969   

1. Arbeiders-studenten, één front...Maar waarom en hoe?

In een fabriek van Hainaut-Sambre staan een aantal wagens op het spoor om de hoogoven binnen te rijden. Een arbeider moet een aantal van deze wagens aan elkaar koppelen, die dan de oven binnenrollen. De veiligheidsvoorschriften luiden dat men de wagens die op het spoor staan moet blokkeren – een blok voor de wielen – vooraleer ze aan elkaar te koppelen. Dit voorschrift wordt nooit in acht genomen: het moet veel te snel gaan. De arbeider koppelt twee wagens aaneen. Een wa­gen gaat plots aan het rollen en de man wordt tussen de wa­gens verpletterd. Hij is op slag dood.

Er breekt meteen een wilde staking uit in de fabriek. Maar de vakbondssecretaris wil niet volgen.

‘s Anderendaags kunnen de arbeiders de staking niet doorzet­ten. Ze beslissen een stiptheidsactie te houden: ze zullen alle wettelijk voorgeschreven veiligheidsnormen in acht nemen. Meteen daalt de produktie met 30%. Dertig procent van de produktie wordt dus op ‘onwettige’ manier uit de arbeiders getrokken! Maar wat gebeurt er?

De patroon beslist alle premies in te hou­den. Meteen daalt ook het loon van de arbeiders met 30%. Een financiële strop voor de meesten. Na een week is de pro­duktie weer op ‘normaal peil’... en de ‘veiligheid’ eveneens.

In Citroën-Vorst produceerde men een jaar geleden 90 auto’s per dag. Nu worden er 160 gemaakt met hetzelfde aantal ar­beiders. De patroon wil binnenkort overschakelen op 210 wa­gens... Er is veel reactie tegen dit helse ritme. Om het verzet te breken, wordt een strijdbare arbeider ontsla­gen. Als hij de volgende dag toch komt werken, wordt hij op­geleid door de politie. Zijn kameraden leggen onmiddellijk het werk neer. Er zijn 80 vreemdelingen in de fabriek. Maar alle vakbondsaf­gevaardigden zijn Belgen... en veel van hen zijn ploegbaas of chef!

‘s Namiddags staat een groep arbeiders voor de poort te praten. Plots duiken er een aantal rijkswachters op. De arbeiders staan verwonderd en ongelovig te lachen. Opeens zien ze dat er ook langs de achterpoort rijkswachters de fabriek zijn binnenge­trokken. Een rijkswachtofficier: ‘Onmiddellijk aan ‘t werk of ge wordt over de grens gezet!’ Een colonne rijkswachters – 100 à 150 man sterk – trekt in nieuwste gevechtskledij door de fabriek, het geweer in de hand. De ploegbazen duiden 63 man aan die worden meegepakt.

Hainaut-Sambre en Citroën-Vorst: twee concrete feiten. In het jaar ‘68 werden honderden dergelijke feiten aan de linkse studentenbeweging gesignaleerd. Urenlang is erover gepraat in de Leuvense SVB en in de Gentse GSB. En dat alles vormde de achtergrond voor de analyse die op dat ogenblik gemaakt werd over ‘de intellectuelen’. Een fundamentele zelfbevra­ging. Ludo Martens vatte de discussies over dit thema samen in het artikel: ‘Arbeiders en studenten, aan welk front willen zij vechten?’ Het artikel verscheen grotendeels ook in het boek De kontestatie is vlees geworden, een reader waarvoor ook Paul Goossens, Leo Reyntjens en anderen een bijdrage schreven. Ludo Martens schreef: ‘Het intellekt is een gigantische macht geworden tegen de ar­beiders. Het intellekt is één van de sterkste wapens geworden die de bourgeoisie hanteert tegen de arbeiders.

In de middeleeuwen bezat de individuele werker zijn eigen in­strumenten: hij begreep en beheerste het hele arbeidsproces. Het kapitalisme is ontstaan toen een aantal individuen vol­doende kapitaal hadden vergaard om een atelier te bouwen waar zij meerdere arbeiders tewerkstelden.

Het arbeidsproces wordt in zijn meest eenvoudige bewegingen ontleed: elke arbeider voert één en dezelfde beweging uit.

De wetenschap en de kennis worden in de praktijk het bezit van de patroon. De kennis, de wetenschap, de machines en de techniek: het rijst op als een steeds stijgende muur tegen de arbeiders. De kennis stapelt zich op aan de kant van de pa­troon: zij wordt een blinde en onontkoombare macht waar­van één ding met zekerheid kan gezegd worden: zij dient de patroon. Voor de arbeider zelf wordt het werk van alle zin ontdaan, steeds eentoniger, steeds sneller. Adam Smith be­schrijft in de 19de eeuw hoe de arbeiders zo afgestompt zijn geworden, dat ze bijna onbruikbaar zijn voor de kapitalisten. Smith was daarom één van de meest bekende voorstanders van de algemene schoolplicht. Hij dacht dat de schoolplicht de arbeiders zou behoeden voor te vergaande afstomping en dat ze zo opnieuw bruikbaar zouden worden...

De wetenschap is thans het eksklusieve bezit geworden van de kapitalisten. Zij betalen, zij zijn de afnemers, zij kopen professoren en intellektuelen op. De wetenschap bestaat niet buiten haar toepassing en de enige die haar kan toepas­sen is de kapitalist.

De toepassing van de wetenschap heeft als doel: de uitbrei­ding van de winst. De uitbreiding van de winst heeft als voorwaarde: passiviteit, onderdanigheid en versnippering van de arbeiders. Ook dààr zal de wetenschap voor zorgen... Ingenieurs, fysici, chemici worden opgekocht door een be­drijf. Eén wet beveelt hun wetenschap: winst-maksimering. Verhoging van het rendement, efficiënt en funktioneel werk. Als het werk méér opbrengt, is het efficiënt. Als het werk niet méér opbrengt, is het nutteloos. Dit is de enige wet die aan de ingenieur, fysicus, chemicus wordt gesteld. Slaagt hij, dan wordt hij vet betaald; slaagt hij niet, dan kan hij vertrekken.

Wat zijn de gevolgen van dit rendement en dit steeds opgedre­ven tempo waarin winst wordt gemaakt? Steeds meer arbeiders (maar ook bedienden en zelfs kaderpersoneel) worden geestes­ziek. Anderen vertonen slechts kleinere afwijkingen en zijn geestelijk gebroken. Beroepsziekten. Psychosomatische ziek­ten. Zenuwziekten. Maatschappelijke desinteresse. Apathie.

De strijd van allen tegen allen om te overleven. De bourgeoi­sie heeft natuurlijk ook een naam voor deze gevolgen die rechtstreeks voortkomen uit de kapitalistische uitbuiting: ze spreekt dan van verwaarlozing en van jeugdmisdadigheid en van verwildering van de zeden.

Deze gevolgen van winstmaximering kunnen echter te ver gaan. Wanneer al te veel mensen al te duidelijk kapot gaan – geestelijk en fysiek – dan zou het systeem van de winst zelf in gevaar kunnen komen. Daarom laten de kapitalisten opnieuw het intellekt aanrukken. Het intellekt zal dit alles mogen op­lappen. Dokters, sociaal assistenten, kunstenaars, artisten... Zij moeten oplappen en sussen, aanpassen en kalmeren, op­vrolijken en in slaap wiegen.

Je breekt je voet: de dokter legt er wat gips rond, geeft je een spuit en je kan weer aan de band gaan staan: je bent bang dat je anders je werk verliest...

De sociaal assistent heeft geleerd dat de arbeiders één uur na ‘t eten minder vlug werken: één uur na het eten krijgt men in de fabriek ophitsende beatmuziek te horen, zodat er nog wat koortsachtiger en sneller wordt gewerkt.

De kunstenaar komt zijn schilderijen in de fabriek hangen en er wordt een dichter gevonden om een poëtische tekst te ma­ken over de vrede en de onderlinge liefde: de patroon heeft uit­gerekend dat de arbeiders in deze atmosfeer beter renderen.

De dokter, de sociaal assistent, de kunstenaar: de intellektu­elen hebben een goed geweten omdat ze iets positiefs doen, omdat ze positief noden helpen lenigen.

Maar ze weten in feite heel goed, dat de hond niet dààr gebon­den ligt. Het intellekt is een gigantische macht tegen de arbei­ders. Het intellekt wordt betaald om de onderdrukking te or­ganiseren, om de slachtoffers van de onderdrukking op te lap­pen, te verbergen en goed te praten.

Als men de wereld bekijkt vanuit het standpunt van de arbei­ders, van de onderdrukten en de uitgebuitenen, dan komen de intellektuelen voor als mensen die onwetend zijn en vol pre­tentie.

De burgerlijke intellektuelen zijn volstrekt onwetend over het leven, over de onderdrukking zoals die wordt beleefd door de arbeiders en de werkende mensen. Ze zijn onwetend in de praktijk, in de feiten, in de ervaring, zelfs wanneer ze theore­tisch op de hoogte zijn van alle methoden van onderdrukking. De burgerlijke intellektuelen zijn vol pretentie omdat ze ja­renlang volgestopt zijn met kennis en wetenschap. De weten­schap zou hen naar de top van de maatschappij, naar het aan­zien en naar de luxe voeren. Hoe zouden zij kunnen erkennen, dat die wetenschap een instrument van onderdrukking is in handen van de bourgeoisie? Ze rechtvaardigen zichzelf en zeg­gen dat ze voor de vooruitgang en voor het welzijn van de mensheid vechten.

De wetenschap is volledig ingeschakeld in de dienst van de bourgeoisie. De sociale onderdrukkingsrol van deze weten­schap is een konstant gegeven. Die onderdrukkingsrol bereik­te haar merkwaardigste hoogtepunt in het nazistische Duits­land. Het nazisme was niets buitengewoons voor de intellek­tueel en voor de wetenschapper. Zonder al te grote moeite kon het nazisme de meerderheid van de intellektuelen be­geesteren. Men sprak over de vooruitgang, de ware vrijheid en de nieuwe dageraad voor de gehele mensheid; over de weten­schap die de mensheid vooruitbrengt. Men sprak over de rol van de intellektuelen in de strijd tegen het kommunisme. De wetenschappers waren enthousiast en de wetenschap kende een ongezien hoogtepunt.

Brussel, 21 oktober ‘70. Meeting tegen het vreemdelingenbeleid van
minister van Justitie Vranckx in het auditorium Janson van de ULB.

De geneeskunde deed experimenten op levende Joden en Wernher von Braun vond de V1 en de V2 uit.

Deze verhouding van de intellektueel tot de arbeider, van het intellekt tot de arbeid, is niet zomaar een speciaal trekje van het nazisme: deze verhouding bestaat in elk kapitalistisch land en in elk staatskapitalistisch land (met Rusland als pro­totype van het staatskapitalisme).

De Amerikaanse universiteiten die bakteriën produceren om boven Vietnam uit te storten, leveren een voorbeeld van de onderdrukking die het intellekt in dienst van de kapitalisten doorvoert. De psychologen die truuks bedenken om een bakteriologi­sche oorlog door de massa te doen aanvaarden, geven ons an­dermaal zo’n voorbeeld.

De studenten spreken en schrijven steeds meer over de arbei­ders. Als ze het over de sociale revolutie hebben, spreken ze vrijwel uitsluitend over de arbeiders. Wie zijn de arbeiders? De arbeiders hebben alleen maar het noodzakelijke mini­mum aan vorming gekregen; de arbeiders verkopen hun ar­beidskracht aan de kapitalist die er het maximum mag uit­persen; de arbeiders voeren de direkte omvorming van de ma­terie uit.

De arbeiders zijn de leidende kracht van de sociale revolutie. Waarom niet het intellektuele proletariaat: de technici, de leraars, de studenten?

Eerst een voorafgaande opmerking: de sociale revolutie komt maar tot stand wanneer de aktiviteit van leraars, technici, be­dienden, ambtenaren, studenten zich verbindt met de aktivi­teit van de arbeiders. Studenten, leraars, bedienden kunnen dus een belangrijke rol spelen. Ze spelen echter niet de funda­mentele rol, ze zijn niet de leidende kracht van de revolutie.

Hun aktie krijgt maar een revolutionaire zin, wanneer ze de belangen en de strijd van de arbeiders als leidraad nemen.

De industriearbeiders zijn de fundamentele kracht van de so­ciale revolutie terwille van hun materiële belangen, terwille van hun klassebelangen. Ze zijn de meest verdrukte groep. Ze zijn gedwongen zichzelf negen à tien uur per dag te verko­pen, zonder hoop op enige verandering. Wanneer hun patroon moeilijkheden kent, worden ze buitengegooid.

Wanneer ze op hun veertigste sleet vertonen, gaan ze eruit.

Wanneer ze ideologisch en politiek opstandig worden, riske­ren ze hun brood. Fysiek, geestelijk en moreel zijn ze de eerste slachtoffers van de idealen van de winstmaximering. Ze zijn de grootste slachtoffers van de waanzin van de bourgeoisie: als de macht van de bourgeoisie in gevaar komt, zoekt zij een uitweg in de meest waanzinnige avonturen. De eerste en tweede wereldoorlog zijn hiervan sprekende voorbeelden: honderd miljoen mensen verloren het leven. De werkers wa­ren het eerste slachtoffer: alléén de patroons (Krupp, US-Steel, Société Générale) kwamen versterkt uit de oorlog...

Maar het volstaat niet verdrukt te worden en het slachtoffer te zijn van de bourgeoisie. De arme boeren, de kleine midden­standers, de gepensioneerden hebben het dikwijls nog moei­lijker dan de arbeiders.

De arbeiders hebben echter de sleutelpositie van de moderne industrie in handen. Ze kennen de moderne produktie en zij staan in die produktie tegenover de patroons. Ze zijn in grote groepen gekoncentreerd en door het mechanisme van de fa­briek zélf georganiseerd.

Dat wil zeggen: ze hebben de materiële mogelijkheid om de kapitalistische uitbuiting rechtstreeks aan te vallen, de macht van de patroons uit te schakelen en de macht van de ar­beiders over de produktie te vestigen.

Men mag datgene wat een mens is en datgene wat hij over zichzelf zegt, niet verwarren. Voor de intellektueel is het ge­makkelijk revolutionaire praat te produceren. De intellektuelen hebben echter als groep geen rechtstreekse materiële be­langen bij de vernietiging van een systeem van uitbuiting. Integendeel: in vele gevallen profiteren zij rechtstreeks van dit systeem.

Men hoort vaak de stelling verkondigen dat de arbeiders thans een auto, een TV en een eigen huis bezitten en daarom niet meer bewust zijn. Wat is hier de realiteit?

Een arbeider gaat in Ford-Genk werken. Gemiddeld houdt ie­mand het daar één jaar uit: het werk is zwaar en verdrukkend. Wanneer de arbeider nu een huis en een auto heeft gekocht moet hij elke maand een bepaalde som afbetalen. Hij kan het niet riskeren buiten te vliegen, een paar maanden zonder werk te blijven, en dan in een fabriek te geraken waar hij veel minder verdient.

Vroeger kon een arbeider uit de fabriek vertrekken als de uit­buiting te erg werd. Thans is de arbeider met de gouden ket­ting van huis, TV en auto geketend aan de uitbuiting. Als men het ritme verhoogt, moet hij zwijgen. Als de patroon overuren eist, moet hij 50 tot 60 uren presteren per week. Probeer hem nu maar eens uit te leggen dat hij geïntegreerd is.

Zijn de arbeiders nu minder bewust dan vroeger, hebben ze nu alles wat ze kunnen dromen? De bourgeoisie maakt ons graag wijs dat het niet is zoals vroeger, men is er toch zo op vooruit­gegaan, enzovoort.

Dat lijken ons dan allemaal enorme theorieën. Maar een blik in de geschiedenis leert dat deze theorieën zo oud zijn als de straat. Of liever: ze zijn zo oud als de bourgeoisie zelf, die er alle belang bij heeft dat de arbeiders zo worden bedrogen.

In 1870 had men de laatste grote oorlog gezien in West-Euro­pa. Sindsdien waren Frankrijk en Duitsland een industrie gaan opbouwen. De verovering van Azië en Afrika bracht enorme schatten op. Dank zij die superwinsten kon men loonsverhoging en sociale voorzorgen geven aan de arbeiders. Het kapitalisme kende geen oorlogen meer... omdat men op volle kracht oorlogen voerde in Azië en Zuid-Amerika.

Leuven, 31 november ‘70. Tweetalig protest tegen de anti­vreemdelingenmaatregelen
van Justitieminister Vranckx.

Tussen 1890 en 1900 ontwierp Bernstein een totaal nieuwe theorie. Volgens deze geleerde en moderne theoretikus kende het kapitalisme geen krisissen meer: de welvaart van de arbei­ders nam gestadig toe; de arbeiders hadden geen belang bij een verafgelegen revolutie waarvan ze niet weten wat het wordt. Wat was het gevolg van deze totaal nieuwe theorie?

De arbeiders hebben zich niet politiek, ideologisch en organi­satorisch voorbereid op de totale botsing tussen de klassen, op de sociale revolutie. In diezelfde periode stapelden zich de te­genstellingen binnen het kapitalisme op: de kapitalisten be­gonnen onderling de strijd om de heerschappij in Afrika en Azië. Het volstaat voor de bourgeoisie van een bepaald land niet dat ze haar eigen arbeiders naar willekeur kan uitbuiten: elke bourgeoisie wil ook een zo groot mogelijk deel van de Derde Wereld aan haar uitbuiting onderwerpen. In 1914 be­gonnen de Westerse kapitalisten de oorlog om het bezit van de rijkdommen in de Derde Wereld. De socialisten hadden tientallen jaren de arbeiders vergiftigd met hun moderne theorie over de rustige vooruitgang van het kapitalisme. De arbeiders waren niet gewapend voor deze bloedige konfronta­tie. Honderdduizenden arbeiders werden geofferd op het al­taar van de nationale bourgeoisie.

En de moderne theorie van de socialisten kende een nieuw hoogtepunt: de socialisten hebben deze oorlog geleid vanuit hun ministeriële zetels, in naam van de verdediging van het vaderland.

Toen de arbeiders in 1918 van het front terugkeerden, wil­den ze maar één ding: de revolutie. In Duitsland en Honga­rije grepen de arbeidersraden de macht. Maar ze waren poli­tiek en organisatorisch niet voldoende voorbereid op deze re­volutie. Ze hadden zich te lang laten bedriegen door de moderne theorie.

Ze werden verslagen en tienduizenden revolutionaire arbei­ders werden zonder vorm van proces neergeschoten.

Wat kunnen wij uit dit historisch voorbeeld besluiten? Het is van vitaal en van direkt materieel belang voor de bourgeoisie dat de arbeidersklasse niet wordt voorbereid op de revolutie. Vandaar het enorme belang dat zij hecht aan de verspreiding van haar theorieën: De arbeiders zijn bourgeois, De welvaart gaat steeds vooruit, Er komen geen krisissen meer. Het is an­derzijds van vitaal en direkt materieel belang voor de arbei­dersklasse dat zij is voorbereid op de revolutie. Zij moet ont­maskeren welke belangen er schuilgaan achter de modetheo­rieën van de burgerij.

De bourgeoisie ontmaskeren en zich voorbereiden op de so­ciale revolutie: dit is de enige betekenis van de uitdrukking het klassebewustzijn ontwikkelen. Een alternatief wordt niet gevonden door de slechte bourgeois uit te schakelen en goeie sociaal bewogen mensen in de plaats te zetten.

Een alternatief wordt niet geboren uit de revolutio­naire of positieve ideeën van een groep intellektuelen. Een al­ternatief kan alleen ontstaan op basis van de klassebelangen van de arbeiders.

Studenten, technici en leraars kunnen aan dit alternatief mee­werken, maar hun eigen belangen als groep kunnen nooit de basis zijn van een alternatief.

De bourgeoisie vormt de wereld om naar haar eigen beeld. Al­leen het proletariaat heeft belang bij een totaal andere wereld. Het proletariaat moet de wereld omvormen naar zijn eigen beeld.

De wetten die de burgerlijke maatschappij regeren, zijn de wetten van de winstmaximering en van de strijd van iedereen tegen iedereen.

Wanneer de ene kapitalist zijn macht kan uitbreiden door een andere kapot te maken, dan zal hij dat niet laten. Geheel de wereld, geheel de maatschappelijke orde wordt omgevormd naar deze wet: de strijd van iedereen tegen iedereen.

Bij het werk in de fabriek wordt iedereen tegen iedereen opge­zet: premies, loonhiërarchie, kontrole.

Vreemde arbeiders worden als vee uit hun land gedreven, hier voor het meest ondankbare werk gebruikt, in slechte sociale voorwaarden ondergebracht en, wanneer men ze niet meer nodig heeft, uit het land gezet.

Op de school is er een eerste en een laatste plaats; wie de bur­gerlijke normen inzake gedrag en taal en houding en slaafs herhalen het beste kan volgen, krijgt de eerste plaats.

De zucht naar karrière, sukses en macht vormt de ideologi­sche basis van de universiteit. De suksesrijke dokter Barnard is het symbool van de karrièrejagende intellektueel.

De petroleumkoningen en de keizers van de automobielwe­reld drijven iedereen ertoe een individuele auto te kopen. Als je naar de fabriek moet, als je de stad uit wil om wat frisse lucht te happen, als je je op een menselijke manier wil ver­plaatsen, ben je gedwongen een auto te kopen. Maar die auto, die je niet kan missen, zal het maximum persen uit zijn on­schuldige koper: de arbeider moet zich jaren stilhouden, kan niet revolteren tegen de uitbuiting, is gedwongen overuren te presteren.

Iedereen wordt gedwongen tot individuele oplossingen voor sociale problemen. Iedereen vecht tegen iedereen. De bour­geoisie stort zich op alles waar ze winst kan uitzuigen. De bourgeoisie laat alles waar geen winst uit te halen valt, over aan de edelmoedige beoefenaars der naastenliefde.

Iedere arbeider gaat zijn arbeidskracht elke dag opnieuw te koop aanbieden aan de kapitalist. Elke dag moet hij dulden dat de kapitalist nieuwe methoden uitvindt om het uiterste uit de arbeidskracht van de arbeider te persen. De burgerij vormt de wereld om naar haar eigen beeld.

Het proletariaat moet de wereld en elk aspekt van het maat­schappelijk leven omvormen naar zijn eigen beeld. De solidariteit, de onderlinge hulp en het rationeel gebruik van alle middelen zijn de wetten van deze nieuwe wereld.

Het werk in de fabrieken moet gebeuren in onderlinge hulp en in onderlinge opvoeding (maar tevens in permanente strijd te­gen alle burgerlijke diktatoriale reglementen en methoden). De arbeiders moeten de diktatuur van de arbeidersklasse uit­oefenen over alle burgerlijke kaderfunktionarissen en ingeni­eurs die de arbeiders willen blijven uitbuiten en onderdruk­ken, zoals in de goeie burgerlijke tijd.

Wanneer het werk zijn eigenlijke zin krijgt, dat wil zeggen, wanneer de arbeiders de macht hebben over de produktie en de verdeling, dan kunnen de ontspanning en het toerisme niet meer los gezien worden van de arbeid en van het kollektieve leven.

De studie kan niet meer los gebeuren van het werk in de fa­briek en de geestelijke en materiële belangen van de arbeiders moeten de leidraad zijn bij de studie. De meest klassebewuste arbeiders die vooraan gestreden hebben voor de bevrijding van de arbeid, zullen de beste en de eerste professoren zijn aan de universiteit.

Het proletariaat wil de wereld omvormen naar zijn eigen beeld. De bourgeoisie vormt de wereld om naar haar eigen beeld. Het centrale probleem hierbij is het probleem van de macht: welke klasse heeft de politieke macht in handen?

Wanneer de burgerij de politieke macht in handen heeft, vormt zij de wereld om naar haar eigen beeld. Dit is in alle Westerse landen het geval. Dit is ook zo voor de landen van het Oostblok waar onder Kroetsjov de nieuwe bourgeoisie de­finitief de macht in handen heeft genomen.

De intellektuelen moeten zich ten dienste stellen van de strijd van de arbeidersklasse. Ze moeten de revolutionaire theorie bestuderen. Deze theorie is niet uit de lucht gevallen. Ze is de samenvatting van de le­vende ervaring van miljoenen revolutionairen. Deze theorie vormt de neerslag van talrijke dramatische ne­derlagen van het proletariaat en van talrijke nieuwe stappen vooruit.

Het is echter niet voldoende de theorie te bestuderen. Voor de intellektueel wordt dit al te gemakkelijk een subtiel spel waarbij het erop aan komt altijd zijn eigen gelijk te bewijzen. We moeten niet alleen leren van Marx, Lenin en Mao Tse­toeng. We moeten op de eerste plaats leren van de dagelijkse strijd van het Vlaamse proletariaat.

De intellektuelen moeten enketes doen onder de arbeiders van een bepaalde fabriek. We moeten eerst een zeer konkrete kennis verwerven van de konkrete uitbuiting binnen de fa­briek, van de konkrete taktiek die de patroons en de rechtse vakbondsleiders gebruiken om de arbeiders te onderdrukken.

De intellektuelen kunnen hun diensten aanbieden om de ar­beiders te helpen hun eisen tot uiting te brengen. De intellektuelen kunnen aan de hand van de financiële en ekonomische publikaties van patroons en vakbonden, de on­derdrukking en het bedrog helpen ontmaskeren. Wanneer de leraar, de psycholoog, de dokter, de sociaal assistent zich op die manier ten dienste stelt van de strijd van de arbeidersklas­se, kan hij een belangrijke bijdrage leveren tot de revolutie.

Alleen de konkrete aktie met het proletariaat maakt het de intellektueel mogelijk de revolutionaire theorie van Marx, Lenin en Mao Tsetoeng werkelijk te begrijpen. Het begrijpen van deze theorie is van onschatbare waarde om de konkrete praktijk beter en meer trefzeker te maken.

Wij zeggen dat de fundamentele taak van de intellektuelen er­in bestaat de revolutionaire theorie te assimileren en toe te passen. We zeggen dat de fundamentele voorwaarde daartoe de omvorming van de intellektuelen is ten dienste van de ar­beiders. Alleen wanneer men direkt en praktisch kontakt heeft met de realiteit en de strijd van de arbeiders, kan men de theorie op een juiste manier ontwikkelen. De juiste theorie komt niet uit de boekjes. De theorie kan maar juist zijn in funktie van de realiteit en de praktische strijd.

Welk praktisch toekomstperspektief kan hier voor ons uit voortvloeien

Leuven, ‘70. Eikstraat nummer 5, hoofdkwartier van SVB.

Er is een gezegde dat luidt: Zet uw licht niet onder de koren­maat.

Waartoe dient het licht van de revolutionaire theorie als men het onder de korenmaat zet? Een ander gezegde luidt: Het zaad dat niet op de vruchtbare bodem valt, schiet geen wortel. Het proletariaat en de wer­kende mensen zijn de vruchtbare bodem voor de revolutionai­re ideeën om deze materiële reden: deze ideeën drukken de klassebelangen uit van de arbeiders. Men kan ze uitzaaien on­der de hogere kaders, onder de technici, onder de middenklas­se: slechts weinigen zullen de betekenis van de revolutionaire ideeën ten volle begrijpen omdat zij niet stroken met hun klassebelangen.

Wanneer we ten volle willen renderen voor de sociale revolu­tie moeten we de juiste bodem opzoeken om te gaan werken. Er is maar één enkel kriterium om uit te maken of een intel­lektueel werkelijk revolutionair is. Men moet nagaan: slaagt hij erin zich konkreet onder de arbeiders te integreren of slaagt hij daar niet in?

We kunnen de vormen bediskussiëren die deze integratie kan aannemen. Men kan zijn diploma aan de haak hangen en als gewone arbeider in een fabriek gaan werken. Dit is ongetwij­feld de meest resolute en meest geschikte integratie. Men kan ook afspraken maken om met een leraar, een dokter, een so­cioloog in een arbeiderswijk te gaan wonen, aan arbeiderskin­deren les te geven, arbeiders te verzorgen en op de eerste plaats politiek werk te doen onder de arbeiders.’

2. Zoektocht naar een samenhangende theorie

Op basis van het intense studiewerk over het marxisme dat na de januari-revolte van ‘68 werd ondernomen, kregen wij in ju­ni-augustus ‘69 een Leidraad doorheen de marxistische theo­rie op papier waarin wij een schets maakten van de ontwikke­ling van de socialistische theorie van Marx tot Mao Zedong.

De jonge linkse studentenbeweging lag in dat jaar ‘68 onder een ideologisch kruisvuur en werd van alle zijden bestookt met pseudo-linkse stellingen van de kant van anarchisten en trotskisten, met hervormingspraatjes uit de linkse SP-hoek en uit het milieu van de KP. We baanden ons moeizaam een weg door dit oerwoud van anti-marxistische theorieën. Het resul­taat van deze theoretische worstelpartij kreeg gestalte in de Leidraad doorheen de marxistische theorie die een beslissen­de invloed heeft uitgeoefend op onze verdere evolutie.

Wij waren vooral onder de indruk van de verwezenlijkingen van de Chinese revolutie. Klaarblijkelijk hanteerden de Chi­nese communisten een theoretisch arsenaal dat hen in staat stelde prachtige praktische resultaten te boeken. Hadden zij niet een vierde van de mensheid, dat aan de gruwelijkste ver­drukking onderworpen was, doorheen 28 jaar gewapende strijd naar de zege geleid? Waren zij er niet in geslaagd om in 20 jaar tijd 800 miljoen mensen te betrekken in de socialisti­sche opbouw en hen aan te voeren in een culturele revolutie om een kapitalistisch herstel te verhinderen?

Wat was de sleutel voor dit wonder? De Chinese KP herhaalde voortdurend deze toverformule: ‘Wij hebben grondig en alzijdig de concrete werkelijkheid be­studeerd, wij hebben de massalijn toegepast en alle ideeën van de massa verzameld, wij hebben de waarheid gezocht in de feiten. Om klaarheid te brengen in alle feiten, om het juiste te scheiden van het valse en om een concrete lijn uit te werken, hebben wij de wetenschappelijke methoden en de fundamen­tele politieke stellingen van Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao Zedong als leidraad genomen.’

Dit is de centrale idee die wij hebben uitgewerkt bij de formu­lering van onze Leidraad en zij heeft ons inderdaad toegelaten onze weg te vinden in de doolhof van onophoudelijk opdui­kende politieke problemen.

Het document Een leidraad doorheen de marxistische theo­rie is ongetwijfeld de belangrijkste tekst die binnen SVB is tot stand gekomen. Wie af en toe heeft geproefd van de ontelbare debatten en studiedagen uit die drie koortsachtige jaren ‘67, ‘68 en ‘69, zal zich heel wat flarden van de toenmalige discus­sies herinneren. En voor hen die nu standvastig proberen te vergeten dat ze zich ooit op de revolutie hebben beroepen, vormt deze tekst een interessante reisgids doorheen de ver­vlogen idealen van hun jeugd.

Dit document is vooral een goede barometer voor de indruk­wekkende omwenteling in het denken die zich heeft voorge­daan bij een honderdtal kaders uit de studentenbeweging. In ‘63 zat de studentenbeweging in Leuven nog gevangen in haar klassieke, rechtse harnas. De progressieve voorman van die generatie heette Wilfried Martens, de man die wat later een travaillistische stroming zou verwoorden binnen de CVP. De meest verregaande sociale ideeën van de leiding van de mei­revolte uit ‘66 leidde, vindt men in het toonzettende Doku­ment 19 Mei 1966. Gaby Van Dromme bepleit hierin een vaag en voorzichtig reformisme dat aanleunt bij de SP en de toen­malige sociale vleugel van de Volksunie. In drie jaar tijd is de generatie die in oktober ‘66 aantrad, erin geslaagd aansluiting te vinden bij de revolutionaire arbeiderstraditie in België en in Europa, bij de communistische wereldbeweging sinds de Ok­toberrevolutie van 1917 en bij de anti-imperialistische en an­ti-kapitalistische revoluties in de derde wereld waarvan Mao Zedong, Ho Chi Minh, Che Guevara en Camillo Torres toen de vlaggedragers waren.

Drie jaren intense discussies over de thema’s uit deze Lei­draad hebben een kern van idealistische studenten hecht aaneengesloten. Het is opmerkelijk dat velen onder hen nu al een kwarteeuw aan het timmeren zijn aan de hier ingeslagen weg. Als men de aanwezigheidslijsten van de bijeenkomsten van de SVB-leiding uit ‘69 overloopt, kan men vaststellen dat meer dan de helft nog steeds actief is voor dezelfde idealen. Een uniek fenomeen in de Europese studentenbeweging uit de jaren ‘60. De intense inspanningen tot ideologische een­making op de basis van het marxisme-leninisme en het den­ken van Mao Zedong zijn hierbij de beslissende factor ge­weest.

De SVB-kern had in ‘69 in dit document het marxisme-leni­nisme als leidraad aangenomen, maar zij vond naast zich een dozijn franstalige groepen die hetzelfde doel beleden. Franz Legros, van de Parti Wallon des Travailleurs en Robert Fusz, die een maoïstische groep studenten aan de ULB leidde, wa­ren de eersten die een enquête kwamen maken over de janu­ari-revolte in ‘68. Robert Fusz publiceerde zijn bevindingen in de brochure On a raison de se révolter. Dopsy, van de Communistische Partij van Jacques Grippa, nam ook her­haaldelijk contact op met SVB. Maar het burgerlijk nationalis­me dat het ‘Vlaamse’ en het ‘Waalse’ karakter van de organi­saties beklemtoonde, belette een snelle eenmaking.

In ‘79 waren alle franstalige groepen ten onder gegaan; hun leden die vasthielden aan de socialistische idealen, hadden ondertussen de oude SVB-kern vervoegd in wat voortaan de Partij van de Arbeid zou heten.

De bijzondere evolutie van de Studenten Vak Beweging kan zeker worden toegeschreven aan het akkoord over de Lei­draad doorheen de marxistische theorie. Maar dit feit alleen kan haar overleven niet verklaren, naast de ondergang van de franstalige communistische kernen.

Ontstaan uit de massale revoltes van ‘66, ‘68 en ‘69 heeft SVB grote nadruk gelegd op het werk onder de massa’s en de voor­rang beklemtoond van de revolutionaire praktijk.

Opgegroeid in de katholieke jeugdorganisaties, hebben haar kaders snel het belang onderkend van een stevige organisatie. SVB opereerde in Leuven in een traditioneel rechts milieu; zij besefte dat ze haar radicaal linkse ideeën maar kon verkondi­gen indien zij goed gestructureerd was en eengemaakt bleef. Ook het vroege besef dat zowel de KPB als de BSP de grondsla­gen van het kapitalisme niet in vraag stelden en dat men dus helemaal alléén de uitdaging zou moeten opnemen om een alternatieve revolutionaire organisatie op te bouwen, ver­scherpten het bewustzijn dat men te allen prijze de eenheid van de organisatie moest bewaren.

Omdat de jonge kaders van SVB helemaal ‘groen’ waren op het gebied van de marxistische theorie, was er van meet af aan een sterke motivering om de theorie ernstig te bestuderen. Het besef dat men zich niet kon tevreden stellen met flarden van het marxisme en met een oppervlakkige lectuur van het leninisme, werd vooral versterkt door de Chinese kritiek op het verraad aan het socialisme dat door Chroesjtsjov in de Sovjetunie was ingeluid. In twee jaar tijd werden de belang­rijkste geschriften van Marx en Engels, Lenin en Stalin en van Mao Zedong grondig doorgenomen. Dat was een erg gro­te inspanning die een kwarteeuw later nog haar uitwerking laat voelen.

Heel vroeg is binnen SVB het inzicht gegroeid dat de organisa­tie maar kon sleutelen aan haar eenmaking door een voortdu­rende wisselwerking in acht te nemen tussen praktijk en theorie. ‘Vertrekken van onze praktische ervaring, de marxis­tisch-leninistische theorie studeren om klaarheid te brengen in die praktijk, de zo gewonnen synthese gebruiken om de praktijk nog beter aan te pakken’: deze formule werd aange­nomen vanaf ‘68.

China, Chaochan, 25 september ‘70. Kris Merckx, Frédéric Dahlman, Stéphane Houtfen, Chille De Man, enz. bezoeken de geboorteplaats van Mao.

Het boek Ervaringen uit twee jaar strijd te Leuven begint trouwens met die belijdenis: het wil ‘de band weergeven tus­sen de konkrete ervaringen die wij lijfelijk hebben meege­maakt en onze theoretische inzichten die daar op de een of an­dere manier zijn aan ontsprongen’.

In het boek vind je (naamloze) citaten uit de werken van Mao, van Lenin en van de Chinese KP. Het geschrevene ‘vertrekt uit de konkrete strijd en heeft de efficiëntie van de konkrete strijd tot doel’ (blz. 7) Het verwerven van revolutionaire kennis ge­beurt in een proces dat een spiraalvorm aanneemt: praktijk­theorie-praktijk; een onophoudelijke spiraalbeweging die steeds hogerop klimt.

Een voorbeeld aan de hand van Wat te doen?, waarmee Lenin de grondslagen van zijn partij legde en dat in ‘67 binnen SVB danig in de mode was. Vele activisten hebben er dagenlang hun tanden op stuk gebeten. Begrijpelijk: de hier behandelde materie veronderstelt een goede kennis van een arbeiderswe­reld die in de omstandigheden van bittere en vaak clandestie­ne strijd evolueert. Toch distilleerde Paul Theunissen toen een dikke synthese uit dit werk die de organisatie-opvattin­gen binnen SVB wezenlijk heeft beïnvloed.

Wat later, tijdens de mijnwerkersstaking van ‘70, werden een paar tientallen kaders voor ‘t eerst midden in de arbeiders­strijd geworpen. Welke arbeidersorganistie zouden we na de staking uitbouwen: een strijdcomité of een kern van een revo­lutionaire partij? Opnieuw werd Wat te doen? bestudeerd, maar het werd nu in een heel ander licht gezien en het bepaal­de onze optie voor een leninistische partij.

In ‘73-’74 was de organisatie Alle Macht Aan De Arbeiders in een felle ideologische strijd verwikkeld met de groep Clarté, die toen officieel door de Chinese KP als Belgische ‘avant-gar­de’ werd erkend.

Een nieuwe studie van Wat te doen? deed ons inzien dat deze groep achter een marxistisch-leninistische façade een inhoud verborg die het reformisme niet te buiten ging. Zoals de ‘eco­nomisten’ in Lenins tijd, had Clarté het vooral over harde strijd voor de onmiddellijke economische belangen van de ar­beiders, maar het was niet in staat een revolutionaire politiek uit te werken voor de grote nationale en internationale pro­blemen.

In ‘80 zagen we in Duitsland een zusterpartij, de KPD, die sa­men met ons uit de studentenbeweging was gegroeid, roem­loos ten onder gaan. De KPD zweerde het ‘dogmatisme’ af, eis­te het ‘recht op kritiek’ en liet alle leninistische principes va­ren om kort daarop uiteen te spatten. We studeerden een vierde keer Wat te doen? en kregen een beter zicht op het revi­sionisme, d.w.z. op de manier waarop de burgerlijke opvattin­gen in een communistische organisatie blijven leven en plots een nieuwe bloei kennen om de organisatie van binnenuit ka­pot te maken.

Aan de hand van Wat te doen? werd op die manier vier keer de spiraalbeweging praktijk-theorie-praktijk beschreven. De hierna weergegeven zoektocht doorheen de marxistische theorie hebben wij in ‘69 afgelegd onder begeleiding van Mao Zedong: zijn inzichten over het verloop van het revolutionai­re proces in de wereld hebben ons vooral geïnspireerd. Zijn opvattingen over het verval van de Sovjetunie vinden dan ook in dit document hun weerslag. Een kwarteeuw later, nu de Sovjetunie is uiteengespat en het kapitalisme er met (Ameri­kaans-Duitse) vlag en wimpel is hersteld, dringen twee beden­kingen zich op.

Vooreerst heeft de feitelijke evolutie van de Sovjetunie onder Chroesjtsjov, Brezjnev en Gorbatsjov de grote lijnen van Mao’s vooruitzichten over de restauratie van het kapitalisme bevestigd.

Een aantal kritieken, geuit aan het adres van Stalin, waren echter overtrokken. Het is waar dat Stalin niet een uitgewerk­te theorie heeft geformuleerd over de voortzetting van de klassenstrijd onder het socialisme, maar toch heeft hij met kracht gereageerd op de burgerlijke stromingen in de Sovjet­unie die de grondslagen van het socialisme dreigden te onder­mijnen. De stelling dat Stalin voor een stuk verantwoordelijk­heid draagt voor het aan de macht komen van een vijandig element als Chroesjtsjov, is niet houdbaar: Chroesjtsjov heeft zich verplicht gezien een frontale aanval uit te voeren op vrij­wel alle posities die door Stalin principevast zijn verdedigd. Op het einde van zijn leven was Stalin zich duidelijk bewust van het opportunisme van Beria, Chroesjtsjov en Mikoyan; om hen te kunnen vervangen had hij op het partijcongres van 1952 nieuwe krachten aangetrokken in de leiding. De recente onthullingen over de manier waarop Beria en Chroesjtsjov de dood van Stalin hebben verhaast, onderstrepen de botsing tus­sen de opvattingen van Stalin en de revisionisten die hem hebben opgevolgd.

De stelling dat met de staatsgreep van Chroesjtsjov een nieuwe burgerij aan de macht is gekomen, moet in het licht van de re­cente geschiedenis ook worden genuanceerd. De fractie van Chroesjtsjov heeft een politieke oriëntatie aangenomen van herstel van het kapitalisme en van verzoening met het imperia­lisme. Maar het heeft 35 jaar geduurd vooraleer alle socialisti­sche structuren, instellingen en waarden waren afgebroken. Ge­durende al die tijd moesten de burgerlijke elementen in zekere zin parasiteren op structuren en op wetten die nog (gedeeltelijk) socialistisch waren. Eenmaal, onder Gorbatsjov, alle socialisti­sche weerstanden waren gebroken, heeft de nieuwe burgerij openlijk de terugkeer naar het oude, liberale kapitalisme van fe­bruari 1917 afgekondigd. De idee dat de nieuwe burgerij onder Chroesjtsjov en Brezjnev fascistische en imperialistische trek­ken vertoonde en dat zij daarom steeds scherpere vormen van repressie zou aanwenden tegen de werkers, werd eveneens niet door de feiten bevestigd. Tijdens de voorbije 35 jaar hebben de nieuwe burgerlijke elementen in de Sovjetunie nog rekening moeten houden met krachten in de partij die de socialistische waarden en principes verdedigden. Maar deze positieve krachten werden steeds zwakker en nieuw rechts heeft vanuit de top van de partij onder impuls van mensen als Gorbatsjov, Yako­vlev, Jevarnadze en Jeltsin, een anti-communistische massabe­weging op gang gebracht. Pas met de ‘democratische’ revolutie van Gorbatsjov, in al haar consequenties doorgetrokken door Jeltsin, zijn de laatste resten van het socialisme weggeveegd. Het nu uitgeroepen kapitalisme van de vrije markt brengt open­lijke fascistische tendenzen tot ontwikkeling. Jeltsin herstelde de tsaristische symbolen en waarden in ere; Sint-Petersburg is bijna openlijk in de handen gevallen van enkele tientallen cri­minele maffia-organisaties; belangrijke politieke stromingen belijden hun solidariteit met Westeuropese extreemrechtse for­maties zoals het Front National. Al deze elementen waren in de jaren ‘70 en ‘80 kaders van de Communistische Partij! Het ver­val was toen al bijzonder groot, er waren echte fascistische trek­ken aanwezig, maar het was voorbarig en onjuist om toen al ge­wag te maken van een fascistische ontwikkeling.

We drukken onze Leidraad af in de oorspronkelijke versie van ‘69. De bijbehorende literatuur-lijsten hebben we met een paar werken aangevuld.

DOKUMENT 1969

EEN LEIDRAAD DOORHEEN DE MARXISTISCHE THEORIE 
HET BELANG VAN DE REVOLUTIONAIRE THEORIE  

1. Zonder revolutionaire theorie, geen revolutionaire beweging; en met Marcuse, géén revolutionaire theorie  

Sinds een paar jaar voelt men aan de Vlaamse universiteiten een groeiend ongenoegen. Door talrijke konflikten worden tientallen en honderden studenten er toe gebracht de eis tot grondige veranderingen te formule­ren. We hebben te doen met een spontane, revolutionaire drang. Wan­neer we dit revolutionaire verlangen niet leiden naar een koherente revolutionaire theorie, zullen veel mensen ontgoocheld worden of vlug in verwarring zijn gebracht. 

De revolutionaire theorie is van fundamenteel belang voor de studenten: voor wie moeten ze gaan werken? Voor welke klasse? Welke zijn de per­spektieven? Welke ervaring bestaat er? 

Het fundamenteel belang van de juiste theorie is goed begrepen door de reaktionairen. Dit komt het duidelijkst tot uiting in het werk van de ClA-agent Herbert Marcuse. (De Rode Tribune uit Amsterdam heeft do­kumenten gepubliceerd waarin Marcuse in 1946 als diensthoofd voor de sektie Centraal-Europa van de Amerikaanse inlichtingendienst staat vermeld.) Hij heeft in opdracht van de CIA zijn revolutionaire theorieën verspreid die volstrekt het omgekeerde bevatten van de proletarische re­volutionaire theorie. De studenten, de marginale groepen en de ‘out­laws’ zouden de dragers van de revolutie zijn geworden; we zouden niets meer hoeven te verwachten van de arbeiders. 

Zo roept Marcuse het lumpenproletariaat, de marginalen uit tot dragers van de revolutie. In het boek Z van Vassilicos ziet men een beschrijving van de rol die het Griekse lumpenproletariaat heeft gespeeld in de voor­bereiding van de fascistische staatsgreep. Het lumpenproletariaat was in Griekenland één van de peilers waarop het fascisme werd gebouwd. De theorie van Marcuse richt ons op het lumpenproletariaat dat objektief een basis van het fascisme uitmaakt. Deze theorie heeft tot doel het re­volutionaire ‘verlangen’ van de studenten te doen omslaan in ontgooche­ling en verwarring. De theorie van Marcuse leidt ons af van de betekenis van het produktieproces (de arbeid in de fabriek) en brengt ons bij bespie­gelingen over de konsumptie. Ze leidt ons af van de konkrete sociale werkelijkheid en brengt ons bij intellektuele fantasieën over de toe­komst. Ze leidt ons af van de arbeidersklasse en brengt ons bij allerlei voorbijgaande of marginale groepen. 

Wanneer de CIA zo goed het belang van een kontra-revolutionaire theo­rie inziet, dan moeten wij wel een speciale aandacht besteden aan de re­volutionaire theorie. Lijnrecht tegenover Marcuse zegt Mao Tsetoeng: ‘Er is maar één beslissend kriterium om uit te maken of een intellektu­eel revolutionair is, niet revolutionair is of kontra-revolutionair: wil hij zich integreren onder de arbeiders en de boeren en slaagt hij er ook effektief in dit te doen?’  

Leuven, 26 november ‘70. Studenten zullen vertellen over hun reis naar China. 
Affiche van de Derde Wereld Beweging.
 

2. De revolutionaire theorie in Vlaanderen... een wit blad  

Twee delen vormen tesamen de revolutionaire, socialistische bewe­ging. Het eerste deel is de massale strijd van de arbeidersklasse tegen de patroons en het kapitalistische systeem. Het tweede deel is de weten­schappelijke theorie van het socialisme, door revolutionaire intellek­tuelen uitgewerkt. Het is pas wanneer de revolutionaire theorie (en de revolutionaire intellektueel) versmelt met de massale strijd van de ar­beidersklasse dat we over socialistische beweging spreken. 

Vlaanderen was 50 jaar geleden een boerenland, waar de meest reaktio­naire klerus de wet dikteerde. De massale industrialisering van Vlaan­deren is een zeer recent fenomeen. Honderdduizenden Vlaamse arbei­ders zijn sinds tien jaar in reusachtige fabrieken bijeengebracht, en staan er tegenover zéér goed ‘getrainde’ patroons – veelal Amerikaanse en Duitse. De Vlaamse arbeiders hebben de kapitalistische uitbuiting nog maar onlangs leren kennen onder haar moderne vorm. Men kan er zich aan verwachten dat de Vlaamse arbeidersklasse zich de volgende jaren massaal zal verzetten tegen de uitbuiting. 

Vlaanderen heeft nooit een revolutionaire stroming onder zijn intellek­tuelen gekend. In de jaren dertig gingen de studenten massaal en zon­der veel problemen de fascistische kant uit. Er is thans voor het eerst een generatie studenten opgestaan die revolutionair wil zijn. De uit­zonderlijke historische situatie van de Vlaamse progressieve studen­ten, vraagt dat wij de revolutionaire theorie, die de ervaring samenvat die sinds honderd jaar werd betaald met het bloed van miljoenen en miljoenen arbeiders, zéér nauwgezet en zonder oppervlakkigheid zou­den bestuderen.  

3. De bizarre objektiviteit van de intellektueel  

De belangrijkste basis van de ‘theoretische opvattingen’ van onze intel­lektuelen, wordt uitgemaakt door het eklektisme.  

Eklektisme bestaat erin links, rechts en zowat overal een paar brok­stukken van verschillende theorieën samen te brengen en dat geheel voor te stellen als de hoogste trap van de huidige kennis. 

Het eklektisme is de typische vorm geworden waaronder de bourgeoisie haar maatschappijopvattingen presenteert. Honderd jaar geleden had de bourgeoisie nog in zekere mate een ‘eigen’ wereldvisie. Nu verdedigt de bourgeoisie haar eigen macht door middel van het eklektisme. Aan de universiteiten houdt het eklektisme stand onder de vlag van de ‘objekti­viteit’. Bij Marx waren ‘sommige dingen’ of zelfs ‘vele dingen’ juist, maar men moet objektief zijn en ook de andere kant laten horen; en bij die an­dere kant zijn dan ook weer ‘sommige dingen’ erg raak geformuleerd. 

Onder de revolutionaire studenten houdt het eklektisme stand met de opvatting dat men progressief, progressiever en uiterst progressief kan zijn; dat het allemaal maar een kwestie is van schakering. Men leest het ene boekje en men vindt het ‘revolutionair,’ men leest in het andere boekje precies het tegenovergestelde en vindt dat even revolutionair. 

Al deze vormen van eklektisme berusten op eenzelfde grond. De maat­schappelijke theorie van de intellektueel staat volstrekt los van een revo­lutionaire praktijk die deze maatschappij kan veranderen. 

Wij verzetten ons tegen het eklektisme en bestuderen de wetenschappe­lijke socialistische theorie. De reden is dat het ons niet interesseert gra­tis de ene ‘theorie’ naast de andere te zetten. De revolutionaire theorie heeft enkel en alleen als doel onze praktijk beter te maken. Wat is onze praktijk? Onze praktijk is de manier waarop wij ons door de konkrete Vlaamse werkelijkheid een weg banen naar de revolutie van de arbei­dersklasse. 

De ‘revolutionaire theorie’ is juist, wanneer ze de juiste richting en de juiste methoden aangeeft die de massa van de onderdrukten naar de re­volutie brengen. De theorie van Marx, Lenin en Mao Tsetoeng is juist omdat ze de vuurproef van de revolutionaire praktijk van de massa’s heeft doorstaan. Het verzet van de massa was eerst spontaan. onge­koördineerd en zelfs verborgen. Wanneer de revolutionaire theorie sa­mensmelt met het verzet van de massa, dan krijgt de massa een per­spektief, een klare kijk op haar taken en strijdmethoden. Daarom zegt men dat de socialistische theorie, éénmaal opgenomen door de massa, een materiële kracht en een geestelijke atoombom wordt.  


1871
. De Kommune van Parijs 
De eerste proletarische revolutie  

We werpen even een blik op twee historische gebeurtenissen uit de 19de eeuw die van groot belang zijn geweest voor de verdere wereldge­schiedenis. De ene gebeurtenis vond plaats in West-Europa, de andere in het Verre Oosten. Frankrijk was het land waar de klassenstrijd de scherpste vormen aan­nam. De feodale adel was in 1789 verslagen door de burgerij, de boeren en de arbeiders. De burgerij kwam aan de macht. De stand van de mate­riële produktie bracht mee dat alléén de burgerij de macht kon nemen. De moderne industrie was immers nog niet ten volle ontplooid. De ar­beiders hadden zich nog niet losgemaakt uit hun agrarische of artisana­le omgeving. Het proletariaat was nog niet tot een georganiseerde en zelfbewuste klasse geworden. De boeren werkten individueel, versnip­perd op hun grond. Alléén de burgerij was als klasse rijp om de macht in handen te nemen. De burgerij was innerlijk verdeeld tussen grootgrondbezitters en indus­triëlen. Daarbij werd de burgerij al van in het begin bedreigd door het proletariaat dat vooraan had gestreden tegen de adel en nu de strijd op­nam tegen de burgerij. In 1848 zag men een eerste algemene arbeiders­opstand die bloedig werd onderdrukt. Napoleon III werd alleenheerser over Frankrijk en sleepte het land in een avontuurlijke oorlog met Duitsland. De oorlog werd verloren, de Duitsers belegerden Parijs en de ontreddering was totaal. Op 18 maart 1871 breekt een arbeidersopstand uit in Parijs. De burgerij vlucht hals over kop en in totale verwarring. De grootste delen van de Garde Nationale kiezen de kant van de opstand. Men wil dat de politie­ke macht werkelijk aan de volksmassa behoort en men eist sociale ver­anderingen. De Kommune van Parijs wordt opgericht. De verkozenen zijn steeds verantwoording verschuldigd aan de massa en kunnen op elk ogenblik worden afgezet. De achturendag wordt ingesteld. Alle privilegies wor­den afgeschaft. Elke dag zijn er in alle wijken van Parijs massale bijeen­komsten waar het volk over de politiek diskussieert. Het volk is zestig dagen ‘bevrijd’. Er hangt zestig dagen lang een feeststemming over de volksbuurten. In de leiding en de organisatie van de Kommune zitten echter een aan­tal dodelijke zwaktes.  

1.   Wanneer de burgerij op 18 maart naar Versailles vlucht, is ze totaal machteloos en zonder leger. In plaats van direkt met het leger naar Ver­sailles op te rukken, laten de revolutionairen de kans aan de burgerij zich rustig te reorganiseren.

2.   Men richt een Kommune op in Parijs en hoopt dat overal Kommunes zullen ontstaan die dan nationaal zullen federeren. Dit was de visie van de anarchisten die de leiding van de Kommune hadden. Daardoor was Pa­rijs echter afgesneden van het platteland. De burgerij kon haar greep op het platteland hervatten en een leger van jonge boerenrekruten oprichten.

3.   De Kommune heeft de Bank van Parijs niet in beslag genomen maar ze heeft netjes geld gevraagd... en dat na veel gepraat en verloren tijd spaar­zaam gekregen!

4.   De Kommune was voor ‘de vrijheid’ en voor de ‘demokratie van de ba­sis’. Strikte discipline was uit den boze. Men wou geen gedisciplineerd leger. Iedereen zou zijn eigen straat met barrikaden verdedigen... De burgerij kreeg zestig dagen rustig de kans zich in Versailles te reorga­niseren. Het leger van Versailles kon Parijs heroveren. Dertigduizend Kommunards werden afgemaakt in één week tijd...  

Welke lessen kan men trekken uit deze bloedige nederlaag van het prole­tariaat? De arbeidersbeweging werd in Frankrijk geleid door de anarchisten (Proudhon en Bakoenin). Tussen 1850 en 1870 waren de anarchisten de leidende groep van de socialistische arbeidersbeweging. Ze werden hevig bestreden door Marx en zijn wetenschappelijk socialisme. Marx trok de volgende lessen uit de ervaring van de eerste proletarische revolutie.  

1. Er is een ééngemaakte proletarische ideologie nodig die de doelstellin­gen en de middelen van het proletariaat duidelijk formuleert. Zonder ééngemaakte en wetenschappelijke proletarische ideologie is de over­winning onmogelijk.  
2. Er is een ééngemaakte proletarische partij nodig die bestaat uit de meest bewuste arbeiders en die een ijzeren discipline eist van haar leden
3. Tegenover de macht van de bourgeoisie moet men de macht van het proletariaat stellen. De diktatuur van de bourgeoisie kan alléén gebroken worden door de diktatuur van het proletariaat. Het proletariaat moet zijn diktatuur opleggen aan de bourgeoisie. Het is de methode die het minste bloedvergieten kost. Wanneer de bourgeoisie haar diktatuur kan herstel­len worden tienduizenden bewuste arbeiders uitgemoord.  
4. De staat (leger, politie, administratie) is helemaal bepaald door de bourgeoisie. Na de revolutie moet men die staat (en dat leger, die politie, die administratie) totaal kapotbreken en vervangen door een nieuwe staat die door arbeiders wordt geleid, voor de arbeiders werkt en door de arbeiders wordt gekontroleerd.  
5. Het proletariaat moet een verbond aangaan met de arme boeren om de overwinning te bereiken. 

Deze historische lessen uit de Parijse Kommune zullen door Lenin in Rusland verder worden uitgewerkt.

Ongeveer de helft van de mensen woont in het Verre Oosten. Engeland legde de brug tussen het Verre Oosten en het jonge kapitalistische Euro­pa. Engeland was rond 1800 het enige geïndustrialiseerde land ter wereld: zijn machines en zijn grote fabrieken gaven een enorm produktiecijfer. Deze produktie moest verkocht worden en daarom drongen de Engelse handelsbelangen steeds dieper in het Verre Oosten door. In 1840 zien we de eerste Engelse handelsoorlog – de ‘Opiumoorlog’ - in Zuid-China. In 1864 doet zich de historische opstand van Zuid-China voor, de Taiping­opstand. Het was de eerste burgerlijk demokratische revolutie in China. In West-Europa hebben de boeren, de burgerij en de arbeiders gestreden tegen de feodale adel en tegen alle feodale beperkingen. Tegen het feoda­le grondbezit van adel en klerus, voor het privé-bezit van de grond voor de boeren. Tegen de feodale gilden en ambachten met hun beknottende regels en wetten, voor de vrijheid van de kapitalistische ondernemers. Begin 1800 is deze burgerlijke revolutie in grote lijnen voltrokken in West-Europa. 

De Taiping-opstand in China heeft hetzelfde karakter. Hij is gericht te­gen de keizer en tegen de grootgrondbezitters. Hij wordt vooral gevoerd door de boeren die grond eisen, en de handelaars en kleine ondernemers die zich willen bevrijden van de feodale beperkingen.

1970. Voorpagina van een themanummer van het tijdschrift 
Alle Macht aan het Volk van de Derde Wereld Beweging.  

Deze opstand wordt neergeslagen door het keizerlijk leger, bijgestaan door Engelse troepen en Engelse huurlingen. 

De burgerlijke revolutie die in Europa ‘spontaan’ kon worden doorge­voerd, zal vanaf 1864 door Engeland en het imperialistische Westen in het Verre Oosten worden onmogelijk gemaakt. Op deze manier bestaat er vanaf 1870 een ‘ijzeren band’ tussen het kapitalistische Westen en de ‘Derde Wereld’, tussen de ‘ontwikkelde’ en de ‘onderontwikkelde’ lan­den. De anti-feodale, demokratische revolutie in het Verre Oosten botst op de gewapende weerstand van het ontwikkelde Westerse kapitalisme.  

1. Marx’ methode: het dialektisch materialisme  

De burgerij heeft samen met de boeren en de arbeiders tegen de feodale adel gevochten. Een eeuwenoude wereld diende afgebroken. De boeren werkten in dienst van de heer: de heer kon steeds een beroep doen op de persoonlijke diensten van zijn ‘horigen’ en de heer palmde het grootste deel van de landbouwprodukten van die horigen in; de grond was eigen­dom van de heer en de boeren waren als het ware gebonden aan die grond. 

De produktie in de steden werd geregeld door gilden en ambachten. Zij remden de ontwikkeling van de produktiekrachten in hoge mate: ver­bod machines in te voeren, verbod méér dan een bepaald aantal arbei­ders te werk te stellen. Zo stonden de boeren en de arbeiders en burgers tegenover de feodaliteit en haar ideologisch wapen: de Kerk. 

Tijdens deze periode van de demokratische revolutie, kon de leiding van de revolutie alléén maar waargenomen worden door de bourgeoisie. De boeren waren versnipperd, de arbeiders nog weinig talrijk en ongeorga­niseerd. 

De intellektuelen van de burgerij treden in die periode op als grote revo­lutionairen. De Franse intellektuelen zijn erg sociaal gericht: Diderot en vooral Rousseau. De Duitse filosoof Hegel bouwt zijn globaal filoso­fisch systeem uit als kroonstuk van de jonge bourgeoisie.  

Vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid zijn de revolutionaire ordewoorden waarmee de burgerij tegen de feodale adel vecht. Ook de arbeiders en boe­ren strijden onder deze vlag. 

Zodra de bourgeoisie echter in het zadel zat, bleek dat ‘vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid’ alléén voor de burgerij, maar niet voor de arbeiders­klasse gold. De ‘vrijheid’ van uitbuiten voor de burgerij, hield de slavernij en de ongelijkheid in voor de arbeiders. 

Deze vaststelling veroorzaakte een schok bij alle jonge intellektuelen. Zij formuleerden kritieken op het idealisme, op de dubbelzinnigheid van de revolutionaire frasen van de bourgeoisie. 

Karl Marx was de briljantste van deze jonge intellektuelen die een grondi­ge kritiek op de burgerlijke revolutionaire denkbeelden uitwerkten. In zijn kritiek heeft hij het historisch materialisme uitgewerkt. Het bevat volgende essentiële stellingen. 

Het ontwikkelingspeil van de produktiekrachten is bepalend voor het soort maatschappij. Als de produktiekrachten nog maar weinig ontwik­keld zijn, is alleen een feodale maatschappij mogelijk. De ontwikkeling van de techniek, de machines, de kommunikatie, maakt de burgerlijke maatschappij mogelijk en die komt na een aantal revoluties tot stand. Er is een nog verdere ontwikkeling van de produktiekrachten nodig opdat een socialistische maatschappij zou mogelijk zijn. 

De ontwikkeling van de produktiekrachten brengt mee dat bepaalde ideeën op een bepaald ogenblik in de massa doorbreken. Wanneer deze ideeën veld winnen, leiden zij naar de revolutie. De revolutie heeft als doel een nieuwe sociale ordening te vinden die overeenkomt met de ont­wikkeling van de produktiekrachten. 

Het sociale zijn van de mens bepaalt zijn bewustzijn. Het is niet het be­wustzijn van de mens dat eerst komt en dat bepaalt welke sociale rol ie­mand speelt. De sociale rol die iemand vervult als bankier, fabrikant, in­genieur, arbeider, bepaalt in het algemeen gesproken, het bewustzijn van die man. De geschiedenis van de mensheid is de geschiedenis van de klassenstrijd. De klassen zijn gebaseerd op de positie die de mensen inne­men in de sociale produktie. Wanneer de produktiekrachten zich ontwik­kelen komt er een ogenblik waarop de verdrukte klassen de bestaande so­ciale ordening willen doorbreken. Daarom is de klassenstrijd de motor die de mensheid vooruit drijft.  

Het historisch materialisme is een essentieel instrument om de klassebe­tekenis van allerlei progressieve en allernieuwste theorieën van de socio­logie, de psychologie en de ekonomie te begrijpen. Het is essentieel voor elk inzicht in de geschiedenis. De methode die Marx heeft gebruikt voor zijn wetenschappelijk en kritisch werk, noemen wij de materialistische dialektiek. 

Hiermee hebben we het eerste element van de revolutionaire theorie zo­als die in de vorige eeuw is ontstaan, beschreven. Een globale kritiek wordt geleverd op het hele filosofisch systeem en op de hele denkme­thode van de bourgeoisie. Dit filosofisch systeem van de bourgeoisie is het best uitgewerkt in Duitsland, vooral dan door Hegel. Marx en En­gels hebben dan ook een grondige kritiek gemaakt op Hegels systeem. Deze kritiek is voor ons nog altijd een eerste opgave omdat de filosofie en de denkmethodes van de bourgeoisie fundamenteel dezelfde zijn ge­bleven.  

2. Marx’ politieke opvattingen  

In de vorige eeuw was Frankrijk het land van de hevigste klassen­botsingen. Daarom kwamen in Frankrijk de burgerlijke politiek en de proletarische politiek het scherpst tot uiting. De proletarische politiek is gegroeid uit scherpe botsingen met allerlei niet-proletarische stro­mingen van de arbeidersbeweging. Deze stromingen waren de arbei­ders toegewijd, maar verloren een aantal fundamentele doelstellingen en methodes van de arbeidersstrijd uit het oog, waardoor ze in de greep van de bourgeoisie terecht kwamen. 

Tussen 1840 en 1870 werd de belangrijkste politieke strijd in de arbei­dersklasse geleverd tussen de anarchisten en de voorstanders van het wetenschappelijke socialisme. De anarchisten wilden niet dat de arbei­ders zich met politiek bezighielden ‘omdat alle politiek burgerlijk was’. De anarchisten wilden de onmiddellijke ‘afschaffing’ van de staat en een federatie van vrije Kommunes. De anarchisten hielden het bij een idealistische opvatting van de ‘basis’ die zichzelf moest bevrijden. 

Marx beweerde dat deze stellingen utopisch en kleinburgerlijk waren en dat zij de arbeiders zeker naar de nederlaag brachten. De Kommune van Parijs bewees het failliet van het anarchisme en de opvattingen van Marx haalden in heel Europa de bovenhand. Het marxisme werd de lij­dende gedachtenstroming in de arbeidersbeweging. 

Na 1870 duiken allerlei ‘opportunistische’ stromingen op die zich ‘marxistisch’ noemen, maar die totaal capituleren voor de ‘progressieve vleugel’ van de bourgeoisie. Ze zoeken samenwerking met de progressie­ve bourgeoisie en slijpen daarom de scherpste kanten af van het marxis­me. Men doet toegevingen op het eigen revolutionaire programma en op de eigen revolutionaire partij. 

Een tweede bron waaruit de opvattingen van de proletarische politiek zijn geput, is de konkrete analyse van de klassenstrijd. De periode tussen 1840 en 1871, een periode van heftige strijd, is uiterst nauwgezet door Karl Marx geanalyseerd. Deze konkrete analyses zijn een meesterwerk van ge­schiedkundig onderzoek gebaseerd op het historisch materialisme. 

3. Marx’ ekonomische analyse  

Engeland was in 1850 het enige volwassen kapitalistisch land. Zijn in­dustrie was superieur aan heel Europa, zijn produktie veroverde de hele wereld. 

Friedrich Engels en Karl Marx hebben de wetten die de ontwikkeling van dit volwassen kapitalisme bepalen, geanalyseerd. Ze hebben geen ‘histo­riek’ gemaakt. Hun analyse kan daarom ook niet ‘historisch’ voorbijge­streefd zijn. Ze hebben de methodes blootgelegd die de grondslag vormen van het funktioneren van een kapitalistische industrie. Ze hebben de ba­sis gelegd voor iedere revolutionaire analyse van het kapitalisme, dat wil zeggen: een analyse die de verandering van de wereld als praktisch doel heeft. Daarom ook is hun analyse ‘voorbijgestreefd’ voor iedereen die het kapitalisme wil in stand houden... 

De produktiekrachten en de ontwikkeling van de produktiekrachten vormen de grondslag van iedere maatschappij. De manier waarop de pro­duktiekrachten zich ontwikkelen in een kapitalistische land, is door tal­rijke onoplosbare tegenstellingen bepaald. 

De politiek en de politieke strijd is steeds het kernprobleem voor een re­volutionair. Een juiste politieke lijn eist echter een juiste ekonomische analyse. Daarvoor is een grondige studie van ‘Het Kapitaal’ absoluut on­ontbeerlijk.  

4. Het koloniale systeem

Vanaf zijn ontstaan op het einde van de jaren 1600 heeft het kapitalisme te maken gehad met een ‘koloniaal probleem’. Gedurende honderden ja­ren is de ekonomische band tussen het kapitalisme en de ‘rest van de we­reld’ strakker en strakker geworden. Het is één van de historische taken van het kapitalisme geweest, de hele wereld werkelijk in één ijzeren greep bijeen te brengen. 

Vanaf de 16de eeuw is Zuid-Amerika onderworpen aan Spanje en Portu­gal. De moordpartijen tegen de Inca’s en de Azteken, de uitroeiing van de gehele oorspronkelijke kultuur en maatschappij, zijn door allen gekend. Zuid-Amerika werd door de Spanjaarden gebruikt in het kader van zijn handelsbelangen: Zuid-Amerika leverde goud en zilver. Later werd Zuid-Amerika vooral als plantagegebied gebruikt. Alle grond werd gekoncen­treerd in handen van de Spanjaarden en Portugezen en slaven bewerkten de plantages. 

Vanaf de 19de eeuw deden zich revoluties voor die heel Zuid-Amerika beroerden. Men wilde de Spanjaarden verjagen en de nationale onafhan­kelijkheid bereiken. Simon Bolivar streed in Bolivië, José Marti in Cuba. De Verenigde Staten hebben zich ondertussen echter al ontwikkeld tot een machtig kapitalistisch land. Ze profiteren van de strijd tegen de Spanjaarden om hun ekonomische en politieke heerschappij in Zuid-Amerika te vestigen. Vanaf 1900 zal het Amerikaanse kapitalisme zich met de wapens verzetten tegen elke nationale, burgerlijk demokratische revolutie in Zuid-Amerika. 

Vanaf de 16de eeuw wordt Afrika door het Westen geplunderd. Voor zijn ‘ontwikkeling’ had het kapitalisme in Indië en vooral in Zuid- en Noord-Amerika goedkope arbeidskrachten nodig. Honderdvijftien miljoen ne­gers werden uit Afrika gevoerd als slaven. Pas op het einde van de 19de eeuw heeft het kapitalisme behoefte aan de ontginning van de mijnen in Afrika. Van dan af aan is het ‘voordeliger’ om de slavenhandel als on­menselijk uit te roepen en de negers in Afrika zélf aan het werk te zetten. Zo produceert Afrika niet langer ‘negers’ maar wel steenkool, diamant en goud. 

Afrika is pas zeer recent ingeschakeld in het kapitalistische wereldmecha­nisme. De industriële ontwikkeling is gering, de afhankelijkheid totaal.

1970. Tekening uit tijdschrift Alle Macht aan het Volk

Azië, en dan vooral Indië en China, vormt vanaf 1850 het gloeipunt waarin zich alle koloniale problemen koncentreren. Zijn immense rijk­dom en zijn enorme bevolking zijn hier de oorzaak van. In 1854 kent In­dië een grote opstand; in 1864 maakt China de grote Taiping-opstand mee. Het gaat hier om de eerste burgerlijk-demokratische revoluties. Ze keerden zich tegen de feodaliteit maar... ze werden bloedig onderdrukt door het Engelse imperialisme. Hierdoor krijgt de revolutie ook een na­tionaal karakter: het gaat om de nationale bevrijding van de imperialisti­sche onderdrukking. De burgerlijk demokratische revolutie heeft als doel een kapitalistische organisatie van de maatschappij tot stand te brengen. Dit komt echter in botsing met de belangen van de kapitalisti­sche landen die al helemaal ‘rijp’ zijn geworden en een imperialistisch karakter hebben aangenomen.

Dit wordt de kruciale vraag voor heel de koloniale en semi-koloniale we­reld: hoe de nationale idealen en de burgerlijk demokratische idealen verwezenlijken in een periode waarin het kapitalisme zijn heerschappij over de wereld uitbreidt? Deze vraag zal steeds scherper worden naarma­te het kapitalisme méér belangen heeft in de kolonies en naarmate de strijd tussen de kapitalistische landen om de kolonies toeneemt.

In 1854-’64 heeft alleen Engeland een volwassen kapitalistisch systeem. Frankrijk onder Napoleon III is nog een boerenland met zeer geringe in­dustrialisatie. Duitsland is versnipperd in kleine rijkjes.

Literatuurlijst

Marx en Engels over de klassen en de klassenstrijd
     Het Kommunistisch Manifest, Marx-Engels, 1848.
     Het socialisme van utopie tot wetenschap, Engels, 1877.

Marx en Lenin over de Parijse Kommune
  
  Staat en revolutie, Lenin, 1917.
     De burgeroorlog in Frankrijk, Marx, 1871.

Dialektisch materialisme
     Over de praktijk
, Mao Tsetoeng, 1937.
     Over de tegenstelling
, Mao Tsetoeng, 1937.
     Sur le matérialisme dialectique
. Studieboek vertaald uit het Chinees, Edition du centenaire, 1976.

Marxistische ekonomie
     Leerboek voor politieke ekonomie
. Systematisch studieboek, opgesteld onder leiding van Stalin.
     Etudions l’économie politique
. Studieboek vertaald uit het Chinees, Edition du centenaire, 1975.

Marx en Engels tegen het anarchisme
    
L’Alliance de la démocratie socialiste. L’Association Internationale des travailleurs, Marx en Engels, 1873.
     Les Bakounistes au travail
, Engels, 1873.

Marx en Engels tegen het reformisme
     Kritiek op het programma van Gotha
, Marx, 1875.
     Marx en Engels aan Bebel, Liebknecht, Bracke e.a.
Brief van 17-18 september 1879.

II
1917.
De Russische revolutie
De vestiging van de diktatuur van het proletariaat

De socialistische beweging die zich op Marx beroept, splitst zich uiteen in twee onverzoenlijk tegengestelde tendenzen. De revolutionaire ten­dens loopt uit op de zege van de Russische revolutie; de opportunistische tendens voert naar de gewapende onderdrukking van de arbeidersop­stand in Duitsland.

In de eerste wereldoorlog strijdt het tsaristische Rusland tegen Duits­land. Rusland is een weinig ontwikkeld land waar de boeren, arbeiders en intellektuelen aan een heftige diktatuur onderworpen zijn. Het Russi­sche leger is in 1916 totaal verslagen. De sociale beroering die sinds tien­tallen jaren in Rusland aanwezig is, wordt nu versterkt door de neder­laag, de hongersnood, de ontreddering.

De februarirevolutie van 1917 maakt een einde aan de tsaristische dikta­tuur. De Russische bourgeoisie neemt het land in handen. De sociale be­roering blijft toenemen. De soldaten, boeren en arbeiders eisen een onmid­dellijke stopzetting van de oorlog en een regering van arbeiders en boeren. De oktoberrevolutie brengt een verbond van arbeiders en boeren aan de macht. De grootgrondbezitters en de bourgeoisie richten legers op met geld uit het buitenland om de arbeiders- en boerenlegers te bevechten. Amerikaanse, Franse, Tsjechische, Engelse troepen trekken Rusland bin­nen. Ze worden echter verslagen door het Rode Leger. Rusland is totaal verwoest. Maar Rusland is het eerste land waar de arbeiders hun macht blijvend hebben gevestigd.

Toen de oorlog uitbrak, zetelden er ‘socialisten’ in de oorlogvoerende re­geringen van België, Duitsland, Frankrijk en Engeland. Al deze ‘socialis­ten’ zaten samen met de Russische Bolsjevieken in de IIde Internationale. Na de oorlog brak in Duitsland een opstand uit van soldaten en arbei­ders. Ze eisten de oprichting van een Sovjet-regering naar Russisch mo­del. De ‘socialisten’ Scheidemann en Noske lieten de opstand neer­slaan. De Kommune van Berlijn werd door ‘socialisten’ uitgemoord. Naast Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht lieten tienduizenden arbei­ders het leven. We kunnen die twee historische feiten nu in hun kontekst plaatsen.

1. De ‘vreedzame’ ontwikkeling van het kapitalisme

Tussen 1871 en 1900 ontwikkelt het Westers kapitalisme zich op een re­latief vreedzame manier, zonder oorlogen of totale krisissen. Frankrijk kent een expansie; Duitsland is thans ééngemaakt en kent een sterke in­dustrialisatie; de Verenigde Staten bouwen hun onafhankelijke kapita­listische ekonomie op; Engeland blijft wereldheerser.

Expansie in het binnenland, maar ook expansie in het buitenland. Het rijke Afrika wordt ‘beschaafd’. De kolonies leveren fabelachtige profijten op. Met een deel van deze superwinst kan men op geregelde tijden tege­moet komen aan een aantal dringende eisen van de arbeiders. Loonsver­hoging, reglementering van de meest brute vormen van uitbuiting. Deze ‘overwinningen’ zetten de leiding van de partijen steeds meer op de weg van de wettelijkheid, een weg die ‘konkrete’ perspektieven opent. Geleidelijk worden de arbeiderspartijen respektabel, gewaardeerd en ingescha­keld in het sociale apparaat van de burgerij.

De theoretische ‘verantwoording’ van dit gebeuren werd aangeboden door de reformistische lijn. Het was de eerste manifestatie op wereld­schaal van het revisionisme. De revisionisten waren de mening toege­daan dat het kapitalisme tussen 1870 en 1900 fundamenteel was veran­derd en dat het marxisme dus ‘kreatief’ moest herzien worden. Hun stellingen waren de volgende.

Het is niet langer noodzakelijk dat het kapitalisme krisissen en oorlogen kent. Het kapitalisme kan door sociale vooruitgang en door afspraak der­gelijke katastrofes vermijden. De positieve hervormingen ten voordele van de arbeiders spreken het proletariaat méér aan dan het verre en vage einddoel van de revolutie. De arbeiders vormen de meerderheid van de bevolking en kunnen langs parlementaire weg hun wil opleggen aan de kapitalisten die maar een kleine minderheid uitmaken. De staat moet niet beschouwd worden als een instrument in handen van de bourgeoisie maar als een neutrale regelaar.

Het gevolg van deze stellingen was dat men brede partijen en brede, on­preciese programma’s wilde. Kadervorming in funktie van revolutionai­re taken werd niet meer doorgevoerd. De massa werd niet langer voorbe­reid op ‘la lutte finale’. De illegale strijdmethodes en de illegale voorbe­reiding werden volledig weggelaten.

2. De wereldoorlog onder de imperialistische rovers

Engeland is niet langer het enige volwassen kapitalistisch land. Frank­rijk en Duitsland zijn serieuze rivalen geworden. Rusland en Japan ken­nen eveneens een kapitalistische ontwikkeling. Een meer ‘billijke’ machtsverdeling zal zich opdringen. Iedereen wil zijn grenzen aanpassen aan zijn ‘mogelijkheden’, iedereen wil zijn deel van de koloniale rijkdom. In 1900 heeft men een gemeenschappelijke veroveringsoorlog gevoerd met acht Westerse landen tegen China. De Chinese kolonie wordt in in­vloedssferen verdeeld. Deze ‘eenheid’ duurt echter niet lang. In 1914 zijn de belangen grondig tegengesteld geworden. De eerste imperialistische wereldoorlog breekt uit, voorbereid en gepland door de Westerse bour­geoisie, met de herverdeling van de wereld als doelstelling.

Tijdens deze wereldkrisis blijkt zonneklaar dat de reformisten inderdaad ‘de pionnen van de bourgeoispolitiek binnen de arbeidersklasse’ zijn, zoals ze door de revolutionairen werden genoemd. Tijdens vreedzame periodes kon hun ‘theorie’ nog een schijn van ernst behouden. Thans blijkt dat hun politiek en hun theorie volslagen burgerlijk zijn. De bour­geoisie kan haar oorlog niet op eigen kracht voeren omdat de onderdruk­te arbeiders en boeren uit de band zouden springen. De sociale revolutie zou het onvermijdelijke resultaat zijn van de oorlog. De burgerij heeft dit begrepen en heeft daarom de steun van de ‘socialisten’ nodig om haar im­perialistische oorlog te kunnen voeren. In Duitsland, Frankrijk, België en Engeland leiden de ‘socialisten’ de oorlog in naam van ‘de verdediging van het vaderland’.

3. De arbeidersrevolutie zegeviert in Rusland

Tijdens de periode 1915-1920 maakt heel West-Europa een revolutionai­re krisis door. Alleen in Rusland wordt die krisis in een overwinning om­gezet. De reden is dat Rusland de zwakste schakel vormde in de rij der kapitalistische landen en dat het Russische proletariaat het best was voorbereid op de revolutie. Rusland was onder het tsarisme nog bijna een feodaal land: de lijfeigendom werd er pas in 1860 afgeschaft. Er was nog maar weinig industrie en die werd dan nog beheerst door buitenlanders, door Duitse, Franse en Engelse banken. Het tsaristische Rusland be­schikte niet over de koloniale ‘superwinsten’ van de andere kapitalisti­sche landen, zodat het ook niet zo ‘mild’ kon zijn voor zijn arbeidersklas­se. Het tsaristische Rusland was zeer diktatoriaal, zodat de illusies van ‘vreedzaam kapitalisme’ niet zo’n sukses hadden als in het Westen.

Daarbij was de revolutionaire partij onder leiding van Lenin goed getraind in de legale en in de illegale strijd. Ideologisch was de partij stevig éénge­maakt in de ideologische strijd tegen de mensjevieken (reformisten) Mar­tov, Axelrod en Martynov en tegen de centristen Plekhanov en Trotsky, die een verzoening met de mensjevieken wilden. Lenin was de onbetwiste leider van de revolutionaire lijn in Rusland. Hij gaf de ekonomische analy­ses, die de grondslag van de revolutionaire strategie uitmaakten: Het impe­rialisme, het hoogste stadium van het kapitalisme. Hij formuleerde de juiste manier om een revolutionaire partij op te bouwen in zijn boek Wat te doen? Hij hield steeds vast aan de revolutionaire marxistische lijn en sloeg alle aanvallen van het reformisme af, onder meer in zijn werken Het imperialisme en de scheuring van het socialisme en Het militaire pro­gramma van de proletarische revolutie en in zijn beroemde Staat en Revo­lutie. Hij ontwikkelde de leer van de diktatuur van het proletariaat en gaf de lijn voor de socialistiche opbouw aan: De proletarische revolutie en de renegaat Kautsky en Het grote initiatief.

Deze uitwerking van een revolutionaire lijn door Lenin is opnieuw van uitzonderlijk belang geworden voor West-Europa, nu we een nieuwe op­mars van de arbeidersbeweging kennen, tesamen met een welig tierend re­formisme en revisionisme. De polemische kant van de werken van Lenin, behandelt een hele reeks problemen. Daarom is het noodzakelijk eerst de geschiedenis van de Russische partij en het leven van Lenin ter studie te nemen. We vermelden vooral De geschiedenis van de KPSU (Bolsjevie­ken).

4. De opbouw van het socialisme in Rusland

Toen de bolsjevieken in Rusland hun revolutie maakten, hoopten ze dat de Duitse revolutie in een paar maanden zou volgen. Het geïndustrialiseerde Duitsland en het agrarische Rusland zouden dan tesamen het socialisme kunnen opbouwen. Zoals gezegd werd de Duitse revolutie echter neerge­slagen.

De grote vraag stelde zich: wat moet men nu doen? Het grote debat over de ‘permanente revolutie’ speelde zich af tussen de oude bolsjevieken en Trotsky. Trotsky meende dat het absurd was het socialisme op te willen bouwen in één land en daarom wilde hij ‘de we­reldrevolutie’. Stalin stelde dat hij het wel anders had gewild, maar dat men nu geen keuze had: het Westen was niet gevolgd en daarom moest Rusland alléén proberen het socialisme op te bouwen.

‘Er bestaat echter geen garantie dat we niet terug zullen keren naar het kapitalisme, zolang we alleen staan,’ beweerde Stalin.

De oude bolsjevieken stonden allen achter Stalin tegen Trotsky. Dit was het eerste van een hele rij konflikten tussen deze beiden. Trotsky had van 1904 tot 1917 buiten de partij van Lenin gestaan. In vrijwel alle belangrijke kwesties was hij hevig door Lenin bekampt. In het algemeen kan men hem kenmerken als een kleinburgerlijke revolutionair. Hij hanteerde altijd schitterende theoretische argumenten die vol socialis­tische stellingen zaten. Deze schitterende theorie had echter meestal niets te maken met de konkrete, praktische problemen die moesten op­gelost worden.

Bij de opbouw van het socialisme in Rusland stonden Stalin en de bol­sjevieken voor enorme problemen. Negentig procent van het volk be­stond uit boeren die geen enkel begrip hadden van het socialisme. Er was vrijwel geen industrie in Rusland. De arbeidersklasse was tijdens de oorlog, de burgeroorlog en de oorlog tegen de vreemde interventie gro­tendeels uitgeroeid: iedere arbeider met een proletarisch ideaal nam aan de strijd deel. In de fabrieken werkten veelal boeren zonder ervaring van de arbeidersstrijd en van de socialistische politiek. Er bleef een perma­nente dreiging van agressie door de Westerse landen. Die hadden de in­terventie tegen de Sovjet-Unie vooral moeten staken omwille van bin­nenlandse moeilijkheden. Tenslotte bestond er geen enkele historische ervaring van de opbouw van het socialisme. De problemen op korte ter­mijn waren onbekend, maar men wist ook niet met welke gevaren men op lange termijn moest rekening houden.

Onder Stalin werd voor het eerst in de geschiedenis het gigantische werk van de opbouw van een socialistisch land aangepakt. De industria­lisering van heel het land werd doorgevoerd. De kollektivisering van de landbouw werd doorgevoerd. Men slaagde erin een breuk tussen land­bouw en industrie te vermijden. Dank zij enorme inspanningen werd de fascistische agressor door het Rode Leger verslagen.

Het is nodig de verdiensten van Stalin naar hun juiste waarde te schat­ten. Alleen op die manier kan men ook een juiste analyse maken van de fouten van Stalin. Alleen zo kan men de juiste historische lessen trek­ken wat de revolutionairen helpt om niet dezelfde vergissingen te be­gaan. Het is essentieel uit te maken wat juist was en wat fout was. De bourgeoisie en de trotskisten propageren hun ‘afkeer’ van Stalin. Er is geen onderscheid meer tussen het juiste en het verkeerde. Het belang­rijkste gevolg daarvan is dat men de fouten van Stalin niet juist kan her­kennen en dat men dus helemaal niet in staat is lessen te trekken uit de negatieve ervaring die Stalin heeft meegemaakt.

5.China volgt de weg van de Oktoberrevolutie

Vanaf 1900 is het kapitalisme in zijn imperialistisch stadium getreden. De kapitalisten halen fabelachtige winsten uit de kolonies. We hebben reeds aangestipt dat vanaf 1864 iedere nationale, burgerlijk demokrati­sche revolutie in de kolonies frontaal in botsing komt met de belangen van het imperialisme. Dit is zo in Zuid-Amerika en Afrika en in bijzon­der scherpe vorm in Azië (China, Indië en Indonesië op de eerste plaats). De toestand is het meest dramatisch in het dichtstbevolkte land ter we­reld: China. De repressie neemt er ongeloofwaardige afmetingen

De nationalistische-opstand van 1900 wordt door acht Westerse landen onderdrukt: hele steden worden uitgemoord, men telt meer dan 500.000 doden onder de Chinezen.

De nationale anti-feodale en anti-imperialistische revolutie breekt uit in heel China in 1911. Het keizerrijk valt. Juan Che-Kai wordt president... en staat meteen voor het dilemma: de revolutie doorzetten, de massa verder mobiliseren of de ‘hulp’ van het Westen aanvaarden. Hij verkoopt het land precies zoals zijn voorgangers aan de Westerse kapitalisten, on­derdrukt alle volksopstanden en wil zichzelf tot... keizer kronen. Sun Yat-Sen richt in het Zuiden een revolutionaire republiek op. De strijd te­gen de feodaliteit en het imperialisme blijft met wisselende kansen door­gaan in een versnipperd China dat ten prooi valt aan allerlei oorlogsheren en generaals. Miljoenen Chinese boeren zijn gesneuveld tussen 1864 en 1920 in de nationale, burgerlijk demokratische strijd. Het lijkt een strijd die miljoenen levens kost en die zonder uitzicht is.

De oktoberrevolutie in Rusland begeestert geheel de Chinese intelligen­tia: wat sinds 50 jaar in China mislukte, is in Rusland geslaagd. Alle in­tellektuelen ontdekken het marxisme en het wetenschappelijk socialis­me als sleutel voor de revolutie. Een kommunistische partij wordt in 1921 gesticht. Onder leiding van de kommunisten zullen de revolutio­naire boerenoorlogen elkaar opvolgen van 1924 tot 1935. Dan begint de bevrijdingsoorlog tegen Japan. Als deze strijd is gewonnen, begint in 1945 de oorlog van Tchang Kai-Tchek met zijn Kwomintang en met de steun van het Amerikaanse leger tegen de kommunistische partij. Toen de Chinese revolutionairen in 1924 hun eerste boerenoorlog begon­nen, konden zij steunen op de theoretische en praktische verwezenlijkingen van de Russische revolutie en van haar leider, Lenin.

Toen de Chinese revolutie in 1949 zegevierde, kon ze voor de opbouw van het so­cialisme (het landbouwprobleem, de industrialisering) steunen op de po­sitieve en negatieve ervaring van Rusland onder Stalin. De Chinese revo­lutie had daarbij in haar groei een aantal belangrijke positieve kenmer­ken die voor haar verdere ontwikkeling doorslaggevend zijn.

De Chinese revolutie is ontstaan uit vijfentwintig jaar intense versmel­ting tussen de revolutionairen en de massa van de boeren en de arbeiders. China had een leger en een partij die tot één blok waren versmolten met het volk. Voor het leiden van de revolutie ging men altijd uit van opzoe­kingen en enketes onder de massa: elk besluit steunde op de arme boeren en op het proletariaat. Er werden herhaaldelijk massale kampagnes geor­ganiseerd voor politieke opvoeding en politieke diskussie. Honderden miljoenen boeren waren in de revolutie gemobiliseerd, een massale deel­name van alle onderdrukten was het belangrijkste kenmerk van de Chi­nese revolutie.

De Russische revolutie is in geforceerd tempo doorgevoerd. De Chinese re­volutie kon 25 jaar lang rijpen in de schaduw van de Sovjetunie. In die 25 jaar rijping werden onverbrekelijke banden gesmeed tussen de partij en de onderdrukte boeren en arbeiders. Rusland was historisch het éérste land dat de kapitalistische greep doorbrak: de revolutie kreeg niet zolang de tijd om te rijpen en om sterke banden met alle onderdrukten te smeden.

Literatuurlijst

De geschiedenis van de Russische revolutie
    
De geschiedenis van de KPSU (Bolsjevieken), Stalin,1938. Het belangrijkste studieboek voor de theorie en de praktijk van de Russische revolutie.
   
Lenin tegen het reformisme, voor het behoud van het marxisme
    
Het imperialisme en de scheuring van het socialisme, 1916, Keuze II.
    
Het bankroet van de lIde Internationale, 1915, Keuze II.

De Partij
     Wat te doen?
Lenin, 1902.

De ekonomische ontwikkeling van de kapitalistische ekonomie
     Het imperialisme, het hoogste stadium van het kapitalisme
, Lenin, 1916, Keuze II.
     L’imperialisme aujourd’hui
, 1976. Vertaald uit het Chinees, Edition de centenaire.

De socialistische opbouw en de diktatuur van het proletariaat
     De proletarische revolutie en de renegaat Kautsky
, Lenin, 1918.
     Het grote initiatief
, Lenin, 1919, Keuze III.

Stalin, een grote kommunistische leider.v Stalin heeft veel bijgedragen tot de ontwikkeling van de marxistische theorie, vooral inzake de opbouw van de socialistische ekonomie. Al zijn belangrijke werken vindt men in de twee verzamelbundels , uitgegeven door EPO.
    
Keuze uit zijn werken, deel I en II.

Stalin tegen het trotskisme
     De Oktoberrevolutie en de taktiek der Russische kommunisten
.
     Bijdrage tot de vraagstukken van het leninisme
, Keuze deel I.

De fouten van Stalin
     Over de tien grote verhoudingen
, Mao Tsetoeng, 1956.
     Discours du 27 janvier 1957
, Mao Tsetoeng, Tome V.

 

III
1966.
De Kulturele Revolutie in China
De voortzetting van de revolutie onder
de diktatuur van het proletariaat

De Grote Proletarische Kulturele Revolutie zet in 1966 in China miljoe­nen jongeren in beweging. Ze beginnen een regelrechte aanval tegen alle partijleiders die de massa onderdrukken en zich als hoge sinjeuren gedra­gen.

De aanvallen richten zich tegen die verantwoordelijken, die de kapitalisti­sche weg opgaan. Het zijn diegenen die zich afsnijden van de massa, zich steunen op hun administratieve macht, zich privilegies toeëigenen. Als deze verantwoordelijken aan de macht blijven, gaat men onvermijdelijk de weg op die naar het kapitalisme terugleidt, zoals in Rusland is gebleken.

Tijdens de Kulturele Revolutie wordt de nadruk gelegd op de klassen­strijd die blijft voortduren na de machtsovername. De kaders moeten blijvend in kontakt staan met de arbeiders en de arme boeren, hun lei­ding bij het werk aanvaarden en hen helpen de strijd te voeren tegen alles wat hen onderdrukt. De kaders moeten intellektueel werk koppelen aan handenarbeid: iedereen gaat een zekere tijd per jaar in de fabriek of op het land werken. Daarbij is niet alleen het werk van belang: de intellektu­elen moeten zich laten heropvoeden door de arbeiders om hun gezichts­punten in zich op te nemen.

De Kulturele Revolutie brengt een omwenteling mee in het onderwijs dat helemaal ten dienste wordt gezet van arbeiders en boeren, dat gezui­verd wordt van diep ingewortelde burgerlijke tradities. Ze brengt even­eens een omwenteling mee in de administratie. De verantwoordelijken worden tot een minimum beperkt en moeten geregeld werk verrichten als gewone arbeiders en boeren.

De Kulturele Revolutie moet één scherp probleem oplossen: welke op­volgers wil men vormen: mensen die de kapitalistische weg opgaan zoals in Rusland is gebeurd of mensen die verder vooruittrekken op de socia­listische weg? Mensen die het marxisme-leninisme in toepassing bren­gen en de klassenstrijd voortzetten onder de diktatuur van het proletari­aat of mensen die het marxisme als een bedrieglijke vlag gebruiken om de klassenstrijd te onderdrukken en terug te keren naar het kapitalisme? Onder Kroetsjov is in Rusland een nieuwe klasse aan de macht gekomen. Een heersende klasse waarvan de individuen zijn opgeklommen als lei­dend kader in de ekonomie, als intellektueel, als man van het apparaat. Het is een klasse die de Russische ekonomie de facto beheerst en ook het gehele sociale leven in handen heeft. Politieke en ekonomische beslis­singen worden door en voor deze klasse genomen, en ingekleed in een vaag socialistisch jargon.

De ‘socialistische broederlanden’ als Polen, Tsjechoslowakije, Honga­rije enz. worden steeds meer afgestemd op noden van Rusland. Opdat de nieuwe bourgeoisie haar macht zou kunnen bestendigen, is een vol­strekte politieke rust nodig. Zelfs de geringste politieke opvoeding (d.w.z. opvoeding gebaseerd op de klassenstrijd en het principe van de diktatuur van de arbeidersklasse) wordt vermeden. De arbeidersklasse moet volstrekt a-politiek worden gemaakt opdat een nieuwe leidende klasse de diktatuur van de bourgeoisie kan instellen. De terugkeer naar het kapitalisme wordt in 1968 op onrustwekkende manier gedemon­streerd. De belangenkonflikten tussen de Russische en de Tsjechische bourgeoisie zijn sinds lang aan ‘t broeien. Het burgerlijke nationalisme geeft de Tsjechoslowaakse leiders een brede massabasis. De bezetting van Tsjechoslowakije door een half miljoen Russische soldaten, mar­keert de definitieve terugkeer naar het kapitalisme en het imperialisme in Rusland.

1. De fouten van Stalin

We hebben de enorme verwezenlijkingen die onder Stalin in Rusland zijn tot stand gebracht, al onderstreept. In de manier waarop Stalin de lei­ding van de socialistische staat heeft opgevat, staken echter een aantal belangrijke fouten.

Vooreerst heeft Stalin zich, vooral op het einde van zijn leven, schuldig gemaakt aan subjektivisme. Hij nam zware besluiten op een subjektieve manier, zonder eerst een ernstige enkete te maken bij de basis. Het de­mokratisch centralisme, dat erin bestaat te vertrekken van de basis, een wetenschappelijke analyse te maken van de feiten en gebeurtenissen om tenslotte de strategie en taktiek van de partij terug te brengen naar de ba­sis, werd door Stalin verloochend. De gevolgen waren: subjektivisme en dirigisme, gebrek aan vertrouwen in de socialistische kreativiteit van de massa, afsluiten van de massa van deelname aan de uitwerking van het socialisme.

Een tweede ernstige fout die door Stalin werd begaan is zijn ekonomisch determinisme, zijn mechanische interpretatie van het marxisme. Stalin geloofde dat de socialistische ekonomie na een zekere tijd vanzelf een so­cialistische mens zou voortbrengen. Een socialistische levenswijze zou mechanisch worden voortgebracht door een socialistische ekonomie.

Volgens de dialektische zienswijze is de socialistische ekonomie een absolute voorwaarde voor een nieuw menstype; de socialistische mens wordt echter slechts geboren uit de politieke strijd. Dat wil zeggen de strijd van de arbeiders en van de massa voor hun totale ontvoogding.

Men moet de politiek op de kommandopost zetten. Dat wil zeggen dat men elke sociale of ekonomische beslissing als een strijdobjekt moet zien. Er is een strijd tussen twee richtingen: de richting van de deelname van de massa, van de ontvoogding van de massa, van de diktatuur van de arbeidersklasse. En er is ook de richting van de uitsluiting van de massa, van de onderwerping van de massa, van de teruggang naar de diktatuur van de bourgeoisie.

Dit ekonomisch determinisme van Stalin hangt samen met zijn belang­rijkste theoretische fout: hij erkende niet dat de klassen en de klassen­strijd verder gingen na de vestiging van de diktatuur van het proletariaat. Daaruit volgt dat Stalin onmogelijk een juiste methode kon vinden voor de verderzetting van de revolutie onder de diktatuur van het proletariaat. Deze methode bestaat er juist in de arbeidersklasse en de massa te mobi­liseren in de klassenstrijd tegen alle resten van uitbuiting en tegen alle neigingen tot nieuwe onderdrukking.

Deze fouten van Stalin zijn de basis waarop Kroetsjov zijn revisionisme en zijn verraad zal kunnen bouwen. Stalin zelf kan men echter op geen enkele manier als revisionist beschouwen. In het laatste jaar van zijn le­ven schreef hij Over de fouten van kameraad Iarotchenko. Iarotchenko beweert dat de klassen in Rusland niet meer bestaan en dat de kommunistische ekonomie nu een zuivere kwestie van cijfers, van optima en van ‘wetenschap’ is geworden. Stalin valt deze opvatting, die de basis is van het revisionisme, scherp aan en zegt dat men door zo te re­deneren, kan terugvallen in een kapitalistisch stelsel.

2. Het verval van de Westerse kommunistische partijen

De Westerse ‘socialistische’ partijen hebben allen de eerste wereldoorlog helpen ‘leiden’ ten voordele van hun eigen bourgeoisie. De kommunisti­sche partijen ontstaan in het Westen tengevolge van afsplitsingen met de sociaal-demokraten. Deze afsplitsingen zijn in de meeste gevallen op een vrij zwakke basis gebeurd; er werd niet op eigen krachten een allesom­vattende en grondige kritiek gemaakt van de politiek van de socialisti­sche partijen. Heel wat opportunistische ideeën slopen zo van bij de aan­vang binnen (ekonomisme en anarcho-syndikalisme, maar ook dogma­tisme en anarchisme). Strategie en taktiek werden onvoldoende gehaald uit de eigen situatie, uit de strijdervaringen van het eigen proletariaat, maar uit de raadgevingen van Moskou. De oorzaak van het failliet kan niet gezocht worden in de raadgevingen van Moskou, maar in de vaak an­ti-marxistische houding van de leiding van de Westerse KP’s.

De vuurproef – en het definitieve failliet – kwam met de Tweede Wereld­oorlog. Alle lessen uit de Eerste Wereldoorlog – lessen met het bloed van miljoenen arbeiders betaald – werden van de tafel geveegd. De kommunis­tische partijen moesten resoluut de leiding nemen in een front dat alle mo­gelijke krachten verenigde voor de gewapende strijd. De partizanenoorlog en de gewapende strijd moesten de basisprincipes uitmaken. Men moest de gewapende strijd gebruiken om onder de massa aan politieke opvoeding te doen. Het klassekarakter van de oorlog moest duidelijk worden aange­toond: de Duitse bourgeoisie streed voor de vernietiging van de Sovjet-Unie en voor de wereldheerschappij over de Franse en Engelse bourgeoisie. Zo was het mogelijk geweest om na de oorlog, dank zij de partizanenlegers en dank zij het politieke werk onder de massa, de eigen bourgeoisie, die he­lemaal verzwakt was, te verslaan. Na de oorlog schaarden de kommunisti­sche partijen zich definitief aan de zijde van de bourgeoisie: zij gingen deel­nemen aan de burgerlijke regeringen ‘voor de heropbouw van het vader­land’. Men leze: voor de heropbouw van het nationaal kapitalisme en de nationale bourgeoisie. De vervallen kommunistische partijen uit het Wes­ten zullen dan ook geen enkele weerstand bieden wanneer de Sovjet-Unie onder Kroetsjov, in de jaren ‘50, definitief de kapitalistische weg opgaat.

3. Het revisionisme van Kroetsjov

Kroetsjov heeft alle revolutionaire principes van Marx en Lenin over­boord gegooid en definitief de weg gekozen naar het herstel van een kapi­talistisch Rusland. Hij heeft dit gedaan onder de demagogische mantel van ‘de strijd tegen de terreur van Stalin’.

Hij heeft echter niet de fouten van Stalin aan een klasseanalyse onder­worpen om, op basis van een mobilisatie en een politieke strijd van de ar­beidersklasse, die fouten te herstellen. Hij heeft Stalin als geheel verwor­pen omdat dit de gemakkelijkste manier was om de revolutionaire prin­cipes die Stalin, ondanks zijn fouten, heeft verdedigd, te verwerpen en te bekladden.

Kroetsjov heeft 75% van alle partijkaders (‘stalinisten’) vervangen door intellektuelen en profiteurs van zijn soort. Om dit herstel van een nieu­we heersende bourgeoisklasse te rechtvaardigen, heeft hij de meest anti­marxistische theorieën moeten prediken.

‘In Rusland zijn er geen klassen en geen tegenstellingen meer!’ ‘Rusland zal in 1980 het stadium van de kommunistische maatschappij, zonder klassentegenstellingen en met volledige overvloed bereiken!’ ‘In Rus­land kent men niet meer de diktatuur van de arbeidersklasse, maar de staat van het hele volk!’

De theorie van ‘de staat van het hele volk’ wordt ook in het Westen ge­bruikt om de diktatuur van de bourgeoisie te kamoefleren.

Op ekonomisch gebied kent men in Rusland een terugkeer naar de win­stekonomie en de marktekonomie. De direkteurs van de fabrieken heb­ben vrijwel onbeperkte macht. Elke politieke opvoeding gebaseerd op de klasseheerschappij van de arbeiders en op de internationale revolutionai­re strijd van alle onderdrukten, wordt volstrekt geweerd. De universitei­ten leveren volstrekt a-politieke vakidioten die alleen nog de hoogste posten najagen.

Op internationaal gebied zoekt Rusland een stabilisatie van zijn macht. Met de theorie ‘vrede te allen prijze’ en ‘de atoomoorlog kan de wereld uitroeien’, verzet Kroetsjov zich tegen elke bevrijdingsstrijd in de Derde Wereld. De internationale klassenstrijd bestaat niet in de ogen van de re­visionisten en de arbeiders moeten via de stembrieven vreedzaam de weg naar het socialisme, model Rusland, bewandelen.

Voor het bestendigen van haar macht heeft de Russische bourgeoisie een bondgenootschap nodig met de Verenigde Staten. Beide ‘wereldmogend­heden’ verdelen de wereld in twee invloedssferen.

De Russen prediken de ‘theorie’ van de ‘internationale socialistische diktatuur’ om hun burgerlijke diktatuur over de andere socialistische landen te rechtvaardigen. De invasie in Tsjechoslowakije is een eerste uiting van deze diktatuur. Naast Tsjechoslowakije willen de Russen ook het socialistische China onder hun heerschappij brengen. Vanaf 1960 hebben zij honderdduizenden soldaten aan de Chinese grens gezet. De stevigheid van het Chinese volksleger weerhoudt er hen voorlopig van om ook een oorlog tegen China te beginnen.

Het Russische regime gaat in het binnenland steeds meer fascistische kenmerken vertonen. De arbeidersklasse wordt volstrekt a-politiek ge­maakt elke massastrijd van de arbeiders wordt systematisch verhinderd. Er is vrijwel geen informatie over de revolutionaire strijd in het buiten­land. Het volk wordt geïndoktrineerd op een nationalistische en burger­lijke manier. Het leger is volstrekt a-politiek en afgesneden van de arbei­dersklasse, de blinde gehoorzaamheid wordt er ingeprent zoals in het Hitler-leger.

Rusland is dus fascistisch in die zin dat het een reaktionaire politiek voert, dat er sterke neigingen tot militarisme zijn, dat het nationalisme elke politieke opvoeding vervangt en dat de massa van de arbeiders aan permanente politiekontrole is onderworpen. Naarmate de nationale en internationale positie van de Russische bourgeoisie zwakker wordt, gaan allerlei wegen openstaan voor de meest vreselijke avonturen.

4. De nieuwe fase in de algemene krisis van het imperialisme

In de ogen van de ‘socialisten’ leerde het kapitalisme tijdens de ‘vreedza­me’ periode van 1870 tot 1900 zijn krisissen beheersen In 1914 brak de eerste imperialistische wereldoorlog uit. Na deze ramp zouden de kapi­talisten wel verstandig genoeg geworden zijn. In 1940 begint de tweede imperialistische oorlog. Sindsdien beheerst het kapitalisme (dank zij Keynes) zijn krisissen.

In 1945 begon het wereldrijk van de Verenigde Staten. Duitsland en Ja­pan waren verslagen. Engeland en Frankrijk hadden enorme schulden bij de Verenigde Staten. De Chinese bevrijding is er gekomen, de oorlog in Korea, de oorlog in Vietnam.

De Verenigde Staten hebben een militair apparaat van 2.800.000 man over de wereld verspreid. Dit doet enorme fondsen uit het land wegvloei­en. Duitsland en Japan zijn na 20 jaar opnieuw ambitieuze imperialisti­sche landen geworden. De monetaire krisis bedreigt de dollar, de sterling en de Franse frank. De sociale problemen en het rassenprobleem spitsen zich toe in de Verenigde Staten. De arbeidersklasse onderneemt massale akties in Italië, Frankrijk en Engeland. De klassenstrijd wordt in alle im­perialistische landen heviger. De internationale strijd om de kolonies en de markten wordt met de dag scherper (Duitsland, Japan, Verenigde Sta­ten, Sovjet-Unie). De revolutionaire strijd in de kolonies tegen het impe­rialisme neemt met de dag uitbreiding (Zuid-Amerika, Afrika, Azië). Een nieuwe wereldkrisis van het imperialisme kondigt zich aan.

Daarom kan de terugkeer van Rusland naar het kapitalisme en het bond­genootschap tussen Rusland en het Westerse kapitalisme helemaal niet gezien worden als een blijk van ‘vitaliteit’ van het kapitalisme. Vanuit strategisch oogpunt is het de koortsige vitaliteit die iemand kan doorma­ken een paar dagen voor zijn dood. Het is dezelfde koortsachtige vitali­teit die het kapitalisme heeft gekend vlak voor 1914 en vlak voor 1940.

5. De voortzetting van de revolutie onder de diktatuur van het prole­tariaat

We hebben reeds opgemerkt dat de Chinese revolutie op een veel stevi­ger basis was opgetrokken dan de Russische. De Chinezen konden ver­trekken van de immense ervaring – theoretische en praktische, positie­ve en negatieve – van de Russische revolutie. De band tussen de revolu­tionaire kaders en de massa van de boeren en arbeiders was in 25 jaar strijd uiterst stevig geworden. Massale rektifikatiekampagnes voor po­litieke en ideologische opvoeding hadden een hoog klassebewustzijn voortgebracht. De deelname van de massa aan de uitwerking van alle aspekten van de revolutie was een zeer specifiek kenmerk van de Chi­nese revolutie.

Tegen deze achtergrond moet de verwijdering tussen Rusland en China en tenslotte de breuk tussen beiden worden gezien. In 1956 houdt Kroetsjov een principeloos en demagogisch pleidooi tegen Stalin om in feite de grondslagen van de revolutionaire theorie te verwerpen. De Chi­nezen publiceren Over de historische ervaring van de diktatuur van het proletariaat waarin ze nauwgezet onderscheid maken tussen het juiste en het verkeerde bij Stalin. In 1957 en 1960 worden de twee Verklaringen van Moskou uitgegeven, ondertekend door de Russen en de Chinezen. Het is een kompromis waarin tegengestelde opvattingen zijn opgeno­men. In 1960 trekken de Russen al hun technische hulp uit China terug, wat een ekonomische krisis tot gevolg heeft. Vanaf 1960 ook trekken de Russen hun troepen samen aan de Chinese grens.

In 1963 vindt ‘het grote debat over de algemene lijn van de kommunisti­sche beweging’ plaats. Het is het eerste grote internationale debat dat al­le problemen van de revolutionaire ideologie en theorie aanraakt. Men vindt hier zeer klaar uitgedrukt de revisionistische lijn zoals de Russen die sinds jaren in de praktijk hadden gevolgd en de revolutionaire lijn die door de Chinezen wordt verdedigd en uitgewerkt. In dit debat speelt langs Chinese kant reeds de vraag mee: welke klasseanalyse en welke strijdmethode kan verhinderen dat China dezelfde weg opgaat als Kroetsjov? In een merkwaardig dokument Over het pseudo-kommunis­me van Kroetsjov en de historische lessen die hij aan de wereld geeft, komen reeds alle theoretische stellingen voor die drie jaar later de Kultu­rele Revolutie gaan bezielen.

Het internationale debat tussen revisionisme en revolutionaire theorie krijgt zijn verlengde in China zelf. Een bepaalde strekking in de Chinese partij verdedigt opvattingen en werkmethodes die helemaal de revisio­nistische kant uitgaan.

De Kulturele Revolutie van 1966 is het hoogte­punt van de strijd tussen de revisionistische lijn en de revolutionaire lijn in de Chinese partij. De Kulturele Revolutie verzekert de overwinning van de revolutionaire lijn op de revisionistische lijn. Wat is de internationale draagwijdte van deze overwinning?

A. De Kulturele Revolutie verzekert de verdediging en het behoud van de revolutionaire theorie van Lenin, van de revolutionaire ervaring van de Oktoberrevolutie. Ze betekent de bevestiging van alle basisprincipes die door Lenin zijn uitgewerkt. Tijdens het ‘grote debat’ zijn deze basisprin­cipes één voor één hernomen en getoetst aan de ervaringen van de revo­lutionaire strijd uit de laatste decennia. Negatief betekent zij de strijd tot het uiterste tegen het revisionisme: zij brengt een klasseanalyse van de wortels en van de methodes van het revisionisme.

B. De Kulturele Revolutie betekent de praktische oplossing op massani­veau van het probleem: hoe de revolutie verderzetten onder de diktatuur van het proletariaat? Dit is een historische stap vooruit in de revolutio­naire theorie. De Kulturele Revolutie leert dat het grootste gevaar voor het socialisme komt van de verantwoordelijken en leiders die de kapita­listische weg opgaan. De methode om deze te verwijderen en hun in­vloed uit te schakelen bestaat erin resoluut de massa van de arbeiders en de boeren te mobiliseren tegen alles wat hen onderdrukt. De opgave be­staat erin intellektuelen te vormen die in hun handelen hun voelen en hun denken de zijde kiezen van de arbeiders. Om deze opgave op te los­sen moet men in elk feit en in elk gebeuren de klassenstrijd voor ogen houden en de revolutionaire zienswijze en methode aannemen. Tenslot­te moet men elk intellektueel werk laten gepaard gaan met handenar­beid in de fabriek en op het land en alles in het werk stellen om de kloof tussen geestelijke arbeid en handenarbeid te overbruggen.

C. De Kulturele Revolutie betekent de bevestiging van de revolutionaire theorie in die aspekten die in de huidige wereldsituatie van doorslagge­vend belang zijn.

Voor de Derde Wereld betekent de Kulturele Revolutie de bevestiging dat de weg, gevolgd door miljoenen Chinese revolutionairen, de enige weg is naar de ontwikkeling en naar de bevrijding van de volksmassa’s. Noch onder Lenin, noch onder Stalin, bestond er een revolutionaire theorie voor de Derde Wereld. De theorie van Mao Tsetoeng bevat de kristallisatie van tientallen jaren revolutionaire strijd in het meest ver­drukte deel van de Derde Wereld.

Voor het kapitalistische Westen betekent de Kulturele Revolutie de be­vestiging van een revolutionaire weg voor de opbouw van een revolu­tionaire partij. Welk soort partij heeft men nodig, welke moet de ver­houding zijn van die partij tot de massa van de arbeiders? We hebben reeds vermeld dat bij het ontstaan van de kommunistische partijen in de jaren ‘20 deze vraag niet met de nodige grondigheid werd aangepakt. Het failliet van de Westerse KP’s en de ervaring van de Kulturele Revo­lutie bewijst dat het hier gaat om een fundamenteel probleem voor de revolutie.

6. Politieke samenvatting

[A] Het kapitalisme gaat een nieuwe krisisperiode tegemoet. De Verenig­de Staten, de hoofdpeiler van het wereldkapitalisme, geraken steeds die­per in moeilijkheden. De internationale strijd tussen kapitalistische machten neemt toe (Verenigde Staten, Duitsland, Japan, USSR). De eer­ste tekenen zijn waar te nemen van een nieuw strijdelan van de arbei­dersklasse (Italië, Frankrijk, Engeland). Het probleem van de revolutio­naire opbouw van een proletarische partij wordt het belangrijkste pro­bleem voor de revolutionairen.

[B] De terugkeer naar het kapitalisme maakt Rusland in steeds sterkere mate tot een fascistisch land. De repressie in het binnenland en in de ‘so­cialistische broederlanden’ zal steeds scherpere vormen aannemen naar­mate de ekonomische moeilijkheden groter worden.

De ekonomische problemen zullen er Rusland toe brengen meer ‘voor­deel’ te halen uit de Derde Wereld. Daar op nationaal en internationaal gebied de Russische bourgeoisie het meest bedreigd wordt door de links­en (de gauchisten in het Westen en de maoïsten in het Oosten) kan men een toenemende aktie tegen links verwachten. Het behoud van hun in­ternationale macht kan voor de Russen een oorlog met China noodzake­lijk maken.

[C] De Derde Wereld is het gebied waar zich alle wereldproblemen kon­centreren. Vele landen kennen een feodaal of half-feodaal regime. De grootgrondbezitters onderwerpen de boeren sinds honderden jaren aan de meest brutale uitbuiting (Indonesië, India, Brazilië...). Deze landen vor­men het terrein waar het imperialisme zijn grootste winsten haalt. Goedkope grondstoffen en goedkope arbeidskracht maken de Derde We­reld tot een onvervangbaar wingewest van het kapitalisme.

Deze landen geraken in toenemende mate onder de invloed van de Russi­sche bourgeoisie. De Arabische landen en India zijn de twee gebieden waar de Russische penetratie het hevigst is: petroleumvelden en rijke mijnen staan op het spel. De Derde Wereld gaat gebukt onder het feoda­lisme, het imperialisme en de macht van het revisionistische Rusland. India en de Arabische landen zijn de twee gebieden waar deze onderdruk­king het hevigst is en waar de volksmassa’s de revolutionaire weg kie­zen. Grote gebieden van Zuidoost-Azië zijn deze weg al opgegaan (Viet­nam, Laos, Thailand, Birma, Indonesië). Grote delen van Zuid-Amerika geraken in een identieke situatie (Brazilië).

[D] China is met zijn 750 miljoen mensen de belangrijkste basis van de wereldrevolutie. De ervaring en de theorie van de Chinese revolutionai­ren zijn van onschatbare waarde voor de revolutionaire strijd in het kapi­talistische Westen, in het revisionistische Oosten en in de hele Derde Wereld.

Literatuurlijst

Mao Tsetoeng over de voortzetting van de revolutie onder de diktatuur van het proletariaat
     Over de juiste oplossing van de tegenstellingen onder het volk
, 1957.
    
Tussenkomst op de konferentie over propagandawerk.Over de intellektuelen, 1957.
     Soyons les promoteurs de la révolution
, 1957, Tome V.
     Il faut avoir une confiance inébranlable dans la grande majorité des masses
, 1957, Tome V.

Het bilan van de Grote Proletarische Kulturele Revolutie
    
Beslissing van het Centraal Komitee van de CKP over de Grote Proletarische Kulturele Revolutie, 8 augustus 1966.
    Rapport voor het IXe Kongres
, 1969.
    Rapport voor het Xe Kongres
, Chou En-lai, 1973.
    Rapport voor het Xle Kongres
, Hua Kuo-feng.

Het grote theoretische debat tegen het Russische revisionisme
     Het grote debat
. (Dit boek bevat het Algemeen Programma voor de Internationale Kommunistische Beweging alsook de negen teksten
over negen essentiële meningsverschillen tussen de Chinese KP en de KP van de Sovjet-Unie).

 

Nawoord

Vragen over de
'Restauratie

    1. 'Revolutie' in de jaren zestig, restauratie in de jaren zeventig.
    2. 'Mei '68, de eerste revolutie van het post-industriële tijdperk?'
    3. 'Mei '68, niets dan stukgeslagen illusies?'

1. 'Revolutie in de jaren zestig,
restauratie in de jaren zeventig.
Hoe verklaar je dat?
Dit is vraag nummer één bovenaan het lijstje van iedere jour­nalist die een artikel moet bedenken over mei ‘68. En je zit dan wel wat verbijsterd tegen die vraag aan te kijken, want die ‘revolutie van de jaren zestig’ is voor een niet onbelangrijk deel op mythen gebouwd.

Ook in de jaren zestig was het duivelswerk om de apathische meerderheid der studenten in vlam te zetten. Soms krijgen de linkse studenten maar moeizaam een kern bijeen van 50, 100 tot 200 aanwezigen voor politieke debatten. Maar in 1965, in volle hysterie van ‘Leuven Vlaams en Walen buiten’, kwamen nauwelijks 100 studenten opdagen voor meetings terzake. Het ging zo ver dat Wilfried Van Cauwelaert in Het Volk, nu niet bepaald de bolsjevistische agitatiekrant bij uitstek, de studen­ten uitkafferde om hun laksheid. Een eminente keure van spre­kers trok op 27 oktober ‘65 amper 100 studenten aan voor de schreeuwerige affiche ‘Leuven, Belgisch bastion’. Vertwijfeld geeft Van Cauwelaert een beschrijving van de student uit 1965 die niet ver af staat van het beeld dat soms over de studenten wordt opgehangen in onze hedendaagse restauratietijd.

‘Het is voor niemand nog een geheim, dat de Vlaamse student 1965 voor niets meer warm te krijgen is, tenzij voor dans­avondjes, kroeglopen, elektrische trekbiljarts en zo nu en dan wat studentikoze folklore anno 1920 zoals de vrijdagavond­relletjes op de Bondgenotenlaan. En nu mag het verbond van­daag extreem-links zijn, morgen ultra-rechts en overmorgen hopeloos conservatief, het raakt allemaal hun koude kleren niet.’ ‘Zij worden hoe langer hoe meer een troep van deftige burger­mannetjes, kruideniertjes, die slechts één doel hebben: een di­plomaatje te halen, een bemiddeld vrouwtje trouwen, een paar kindjes kopen en wegzakken in een gestyleerd salon. De grote massa ontbreekt het aan de elementairste interesse voor hun eigen universitaire problemen.’ (Het Volk, 30-31 oktober 1965).

De studentenbeweging van de jaren zestig werd gekenmerkt door een diepe maar sluimerende mistevredenheid over het geheel van de maatschappelijke situatie maar ook door uiter­lijke onverschilligheid, door pogingen om individueel te ont­snappen aan de verstikking.

Er lagen een hele reeks objectieve, materiële redenen aan de basis van de studentenrevoltes van 1966-1970. Moreel protest tegen de gewetenloze uitbuiting van de Derde Wereld. Het doorbreken van de burgerlijke leugens over solidariteit, ge­lijkheid en rechtvaardigheid, tegen de harde werkelijkheid van de strijd van de werkende mensen. De autoritaire gezags­structuren, die het eergevoelen van de intellectueel krenken. De wereldvreemde studie die onbehagen wekt. Heilige ver­ontwaardiging over de repressie van rijkswacht en politie.

Al deze objectieve gegevens blijven ook thans bestaan. Meer nog: de huidige economische crisis verleent hen een veel gro­tere diepte. Door het spookbeeld van toekomstige werkloos­heid beseft de hedendaagse student veel gemakkelijker dat hij de speelbal is van het grootkapitaal.

In de jaren zestig konden de grote patroons zich nog in een vrij grote gemoedsrust vetmesten. En hun universitaire hofnarren verklaarden: er is geen proletariaat, geen klassenstrijd meer, wij reizen gezamenlijk naar het luilekkerland van de con­sumptiemaatschappij, ons grootste probleem zal erin bestaan hoe wij onze vrije tijd zullen doorbrengen... De universitaire revolte werd ervaren als een wonderlijke verschijning, een groot politiek Lourdes.

Het is nochtans niet eigenaardig dat de eerste voortekenen van een nieuwe periode van sociale strijd aan de universitei­ten werden gesignaleerd. De intellectuelen waren het gevoe­ligst voor de heldhaftigheid van de Vietnamese weerstand. Maar het is pas in de jaren zeventig dat de vooruitgang van de revolutie in de Derde Wereld ook een terugslag krijgt op de economie van de imperialistische thuislanden. Ook waren de intellectuelen de eersten om de hypocrisie en de leugenach­tigheid van de frasen over de eeuwigdurende welvaartsstaat aan te voelen. Maar het is pas in de jaren zeventig dat de crisis weer ten volle de uitbuitersmechanismen van het kapitalis­me zal demonstreren.

De studentenbeweging van de jaren zestig heeft aanknopings­punten weten te grijpen waarvoor de hele studentenmassa toen het gevoeligst was. Zij heeft voortdurend de strijd en de confrontatie gezocht om een zo groot mogelijk aantal studen­ten in de actie te betrekken. Maar het bleef hard knokken om de boel in beweging te krijgen. Het leidt geen twijfel dat West-Europa nieuwe studentenrevoltes zal zien, maar die zullen veel rijker van inhoud zijn dan de vorige editie.

2. 'Mei 68, de eerste revolutie van het post-industriële tijdperk?'

Een punkaanhanger vertelde voor een radiouitzending hoe grondig het hem de keel uithangt dat hij op café voortdurend wordt lastiggevallen door figuren die beschrijven hoe zij voor grote idealen vochten in 1968 en die betreuren dat de jeugd van tegenwoordig zo laag is gevallen. Waarschijnlijk neemt mei ‘68 voor de oudstrijders die zich thans in de kroegen hebben onder­gegraven, gigantische revolutionaire afmetingen aan. Diegenen die na mei ‘68 zijn ondergedoken in de fabrieken, hebben wel een meer realistische kijk op wat ‘68 eigenlijk voorstelde.

In België betekende ‘68 een overmoedige revolte van de klein­burgerij, van de student en de intellectueel, tegen de alles ver­pletterende overmacht van het monopoliekapitaal en zijn staatsmacht. Vele studenten komen uit de kleinburgerij, uit de milieus van de kleine middenstand, leraars, ambtenaren en be­dienden: allemaal mensen die het voortdurend moeilijk heb­ben. Als intellectuele eenzaat droomt de student van totale in­dividuele vrijheid en hij stelt met afgrijzen vast dat de groot­industrie, de Guimardstraat, de rijkswacht, zich meer en meer met zijn persoonlijk leven inlaten. Het anti-autoritarisme en het verlangen naar volledige individuele vrijheid waren de spontane drijfveren voor de revolte; deze stroming kreeg de naam mee van ‘zelfbeherend socialisme’. De student wou ‘zichzelf beheren’ en geen verstikkende autoriteit boven zich voelen. Precies op dezelfde manier droomt de winkelier van een ideale maatschappij waarin hij ‘zichzelf en zijn winkel kan beheren’ en geen verstikkende belastingslawine moet dragen, minder intrest moet betalen aan de banken en lagere prijzen aan de groothandelaars.

Spijtig genoeg voor deze mooie dromen van de kleinburgerij, toonde Marx dat het ‘zelfbeheer’ van de kleine producenten een economisch waanbeeld is. De vrije markteconomie brengt onvermijdelijk monopolies voort. En alleen de arbeidersklasse kan zich totaal onverzoenlijk opstellen tegen deze monopolie­dictatuur. Een economisch alternatief kan alleen veroverd wor­den door het proletariaat dat staat opgesteld in de kern van de moderne maatschappij: de grote produktie-eenheden.

Schrijvers die naar frapperende uitspraken hengelen, noemden mei ‘68 ‘de eerste revolutie van het post-industriële tijdperk’. Maar het ideeëngoed dat in mei ‘68 op de markt werd gebracht, was al in 1848 in omloop. De revolutionairen van de kleinbur­gerij die in de vorige eeuw veelal onder een anarchistische vlag aan de volksopstanden deelnamen, riepen dezelfde slogans die nu op de muren van de Sorbonne werden gespoten. En ook de kenmerken zijn dezelfde: zero inzake organisatie, eindeloze versnippering, hopeloos individualisme; zero inzake efficiën­tie: de ene is vrij om vooruit te trekken terwijl de tweede vrij is om naar achteren te duwen; nihil inzake economische funde­ring maar opgeblazen en goedkope frasen in plaats van een ma­terialistische ontleding van de wetmatige tegenstellingen van de kapitalistische economie...

Het proletariaat heeft omwille van zijn werksituatie een maximum aan organisatiekracht en het heeft een greep op de economische hefbomen van de moderne maatschappij. De kleinburgerij staat losgehaakt van de moderne produktie en is eindeloos versnipperd: vandaar haar stormachtige vurigheid in periodes van revolte en haar grenzeloos pessimisme wan­neer ‘orde en rust’ zijn hersteld. Omdat haar revolutionaire dromen volledig uit de lucht zijn gegrepen, vervalt de klein­burgerij snel in bittere ontgoocheling en volslagen passiviteit. Op de grote opofferingsgeest volgt het enggeestigste egoïsme, op de gezwollen marxistisch-leninistische retoriek volgt het vulgaire anti-communisme van de nieuwe filosofen.

 
3. 'Mei 68, niets dan stukgeslagen illusies?'
De revolte van ‘68 was een revolutionaire strijd van de klein­burgerij. De ervaring bracht talrijke jonge revolutionairen tot inzicht in de historische beperktheid van deze strijd. Ze be­grepen dat ze moesten uitbreken uit de politieke denkwereld van deze klasse. Het duurde jaren vooraleer zij zich doorheen het kluwen van utopische, socialistische denkbeelden hadden geworsteld, vooraleer zij de grootsprakerige bluf van anarchis­me en trotskisme konden doorlichten, vooraleer zij het we­tenschappelijk socialisme van de arbeidersklasse ontdekten in de werken van Marx, Lenin, Mao. Terzelfdertijd werd een gevecht geleverd om los te breken uit het enge wereldje van de kleinburgerij en om zich blijvend in te planten in de arbei­dersklasse, de enige klasse die in de komende periode van de geschiedenis kan optornen tegen het grootkapitaal.

De revoltes van de jaren ‘60 zijn een noodzakelijke doortocht en een overgang geweest naar werkelijk revolutionair werk. De eerste dagen van de jaren ‘70 wilden als het ware het sym­bolische bewijs leveren dat de sociale strijd nu pas volle ernst werd en dat de studentenbeweging voor die strijd was uitge­teld. Op 5 januari 1970 begonnen de 23.000 Limburgse mijn­werkers hun zes weken durende wilde staking. Tientallen SVB-ers leerden er strijden midden de arbeidersklasse en leg­den er de basis voor de uitbouw van AMADA. In de mythologie van mei ‘68 worden de studenten voorgesteld als onversaagde, onbevreesde vechters. Maar zelfs de sterkste studentenrevol­te, die van januari ‘68, leed al na twee weken aan zware ver­moeidheid en stortte na drie weken van uitputting in elkaar. Maar de mijnwerkers, die geen stakingsgeld ontvingen en die toch hun gezin moesten voeden, hielden stand gedurende zes lange weken. In ‘73 vochten de dokwerkers in dezelfde om­standigheden gedurende acht volle weken. De taaiheid, de verbetenheid, de bereidheid tot ontbering, de afkeer voor de uitbuitersklasse die leeft onder de arbeiders, is van een gans ander kaliber dan de anti-autoritaire gevoelens van de studen­tenwereld.

‘De strenge organisatie in partijen is terzelfdertijd een teken en een resultaat van een klassenstrijd die tot een hoge graad van ontwikkeling is gekomen. En omgekeerd, het belang van de openlijke en brede klassenstrijd eist een strenge organisatie in partijen. Daarom voert de partij van het bewuste proletari­aat (...) terecht onophoudelijk strijd tegen het a-politisme en gaat zij onbuigzaam voort met de uitbouw van een socialisti­sche arbeiderspartij die stevig vasthoudt aan de principes en die hecht aaneengesloten is.’ Dit zei Lenin in 1905 in de be­ginperiode van de opbouw van de bolsjevistische partij. In de jaren na de tweede wereldoorlog heeft de Belgische KP al­le principes van Lenin afgezworen. De leiding van de KPB zorg­de voor de ontwapening van de partizanen, keerde zich tegen iedere arbeidersstaking met het patronale ordewoord ‘de pro­duktie eerst’ en bezong de ontginning van ‘onze nationale rijkdommen’... in Belgisch Kongo!

Het belangrijkste resultaat van de studentenrevolte van de ja­ren 60 was dat doorheen de massastrijd en doorheen de ideolo­gische strijd een kern van militanten werd gevormd die het wetenschappelijk socialisme daadwerkelijk ging aanwenden als een leidraad voor de actie. Er was een echte communisti­sche kern ontstaan. En deze kern zou blijk geven van vitaliteit en dynamisme omdat ze zich twee essentiële kwaliteiten had eigen gemaakt.

Vooreerst was de nieuwe generatie van marxist-leninisten naar voren getreden in de massastrijd. Mao: ‘In het proces van de massastrijd en niet geïsoleerd daarvan, kan geleidelijk een leidende groep worden gevormd die wer­kelijk verenigd is en verbonden met de massa’s.’

De nieuwe generatie was vastbesloten onder het volk te gaan, deel te nemen aan hun strijd en van hen te leren; zij stelde de revolutionaire praktijk van de militanten in het centrum en beschouwde de marxistische theorie als een hulpmiddel om die praktijk beter te richten.

Ten tweede: de jonge militanten hadden helemaal op eigen kracht gesteund om het marxisme te ontdekken. Daarvoor hadden ze niet alleen allerlei pseudo-socialistische theorieën, die schering en inslag zijn onder intellectuelen, moeten kriti­seren, maar ze hadden ook hun eigen kleinburgerlijke uit­gangspunten systematisch moeten afbreken. Mao: ‘Het marxisme heeft zich al strijdend ontwikkeld. (...) Dat is in het verleden de enig mogelijke weg geweest, zo is het ook nu en zo zal het in de toekomst blijven. Wat juist is, ontwik­kelt zich altijd in het gevecht met het verkeerde.’ (Uit: ‘Over de juiste oplossing van de tegenstellingen onder het volk.’)

Ondanks zijn beperktheid op revolutionair en socialistisch gebied heeft ‘68 ook een diepgaande inwerking gehad op een hele generatie. Jonge intellectuelen en arbeiders hebben zich meester gemaakt van radicaal-democratische opvattingen en hebben zich afgekeerd van de hypocriete baatzucht van de burgerlijke ideologie.

Alléén de massa-actie schudt de geesten wakker en wekt nieuwe krachten.

In de beweging van de jaren ‘60 waren de meest diverse en de meest eigenaardige opvattingen aanwezig. Maar het geheel van deze beweging heeft op duizenden jongeren een stempel gedrukt. Ze zijn niet langer bereid zich in de rol van slaafse horigen van het patronaat te laten verdringen. Zij blijven sympathie koesteren voor alle democratische massabewegin­gen in de wereld die zich durven opstellen tegen de tirannie van het grootkapitaal.

Het lijdt geen twijfel dat de talrijke progressieven die in de ja­ren ‘60 hun politieke vuurdoop kregen, zich zullen verenigen in de strijd voor vrede, democratie en sociale vooruitgang. En deze strijd is thans een historische voorwaarde om de weg te banen naar de socialistische revolutie.