Inhoud  Print (69p)  Kalender Mijnwerkers Brancardiers

Neirinck Ilse, De relatie tussen de parochie Meulenberg en de mijn van Houthalen,
Leuven, 2006, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Letteren, 
Subfaculteit Geschiedenis, Verhandeling, Promotor:  Dr. Leen Beyers 

   

Inhoud

  

Samenvatting
Dankwoord
Lijst van afkortingen
Lijst met bijlagen
Algemene inleiding

Hoofdstuk 1. Houthalen en Meulenberg

1. De ontwikkeling van Houthalen-mijn
2. Meulenberg 
   
2.1. De cité van Houthalen
   
2.2. Bouw cité Meulenberg
   
2.3. Sociale voorzieningen
3. Bewoners van de parochie  
    3.1. Aanwerving 
    3.2. De woonplaats van mijnwerkers
Noten

Hoofdstuk 2: De kerk en de mijn 

1. Bisdom en parochiewerking
2. De mijn en de uitbouw van de parochie
3. Achtergronden van de priesters 
4. De rol van priesters in een mijnwerkersparochie 
5. Immigratie, parochiestructuur en priesters

Besluit
Noten

Hoofdstuk 3: Mijnwerkers-Brancardiers

1. Ontstaansgeschiedenis van de Mijnwerkers-Brancardiers 
2. Mijnwerkers-Brancardiers Meulenberg
3. Samenstelling en bestuur van de Mijnwerkers-Brancardiers
4. Leden
5. Activiteiten   
6. Sint-Barbara
7. Relatie van de Mijnwerkers-Brancardiers met kerk, klasse en etniciteit 
8. Andere etnische organisaties 

Besluit
Noten

Besluit
Bibliografie 

1. Bronnen 
  
1.1. Mondelinge bronnen 
  
1.2. Archivalische bronnen 
2.Werken en Uitgegeven bronnen  

Bijlagen

Bijlage   I: Vragenlijst Mijnwerkers-Brancardiers
Bijlage  II: Vragenlijst priesters
Bijlage III:
Groepsfoto 1951
Bijlage IV: Lidkaart en foto's
Bijlage  V: Statuten Mijnwerkers-Brancardiers

Kaart

   

Samenvatting

Er wordt in deze verhandeling ingegaan op de relatie tussen de mijn en de parochie Meulenberg in Houthalen. De verhandeling is opgebouwd uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk vangt aan met een korte schets over Houthalen en Meulenberg en eindigt met een portret van de mijnwerkers zelf. In het tweede hoofdstuk komen de kerk en de mijn aan bod. Hoe sterk stond de kerk in Limburg en meer specifiek in Meulenberg en hoe zat de relatie tussen kerk en mijn nu werkelijk in elkaar. Eerst ga ik in op de situatie van de kerk in Limburg om van daaruit over te gaan op Meulenberg. De geschiedenis van de parochie Meulenberg wordt in dit hoofdstuk uitvoerig behandeld, net als de evolutie van de parochie met de komst van de immigranten en andersgelovigen. In dit tweede hoofdstuk ben ik ook dieper ingaan op de pastoors en kapelaans die in Meulenberg actief waren. Wie zijn ze en vooral, wat hebben ze er verwezenlijkt. Hun loopbaan wordt kort overlopen, maar vooral hun initiatieven in de parochie Meulenberg worden belicht. Tot slot wordt in het laatste hoofdstuk de belangrijkste katholieke organisatie bekeken die ontstaan is met de komst van de mijn, namelijk de Mijnwerkers-Brancardiers. Hoe zijn ze ontstaan, wie waren de leden en wat waren hun belangrijkste activiteiten. In dit laatste hoofdstuk worden dan ook nog kort de immigranten met hun katholieke verenigingen bekeken

Dankwoord

Mijn oprechte dank gaat uit naar iedereen die heeft meegeholpen deze eindverhandeling tot een goed einde te brengen. Zonder hun steun en raad was deze realisatie er niet gekomen.

Speciale dank gaat bij de verwezenlijking van de eindverhandeling uit naar mijn promotor Dr. Leen Beyers.

Verder wens ik alle mensen waarmee ik gesprekken heb gehad over de parochie Meulenberg en de Mijnwerkers-Brancardiers te bedanken. De visies van deze mensen waren een goede bron van informatie om de literatuur te toetsen aan de eigen ervaringen. Zonder al deze mensen was deze eindverhandeling niet mogelijk geweest.

Er rest mij nog een bedanking te richten aan alle mensen die al dan niet bewust een op eender welke manier hebben bijgedragen tot het maken van deze verhandeling. Speciale dank gaat uit naar mijn ouders. Zonder hun onvoorwaardelijke steun en schouderklopjes was alles zoveel moeilijker geweest. Ook dank aan mijn zussen die me op alle mogelijke manieren zijn blijven steunen. Bedankt lieve familie om te blijven geloven in mij. Een dikke mercie aan al mijn vrienden en in het bijzonder aan Eva, Renaat, Raul en Jesse. Eva, bedankt voor de vele raad en nalezingen. Renaat samen hebben we de eindverhandelingen tot een goed einde gebracht. Raul, dank je wel voor de lay out verzorging en bedankt Jesse voor de liefde en de tijdige ontspanningsmomenten. Ik dank hierbij ook nog mijn kotgenoten, studiegenoten en alle mensen die ik heb ontmoet en die me er toe aangezet hebben te blijven doorgaan.

Bedankt iedereen!

Lijst van afkortingen

ACV: Algemeen Christelijk Vakverbond
ACI: Associazione di Azione Cattolica Italiana
ACLI: Associazioni Cristiane Lavoratori Italiana
ADACI: Assoziazione per la Difesa e l’Assistenza della Communità Italiana in Belgio
Bef: Belgische frank
DP: Displaced Persons
EH: Eerwaarde Heer
FEDECHAR: Fédération Charbonnière de Belgique
INCA: Institute Nazionale e Confederale d’Assistenza
KAJ: Katholieke Arbeiders Jeugd
KAV: Kristelijke Arbeiders Vrouwengilden
KS: Kempense Steenkoolmijn
KWB: Katholieke Werliedenbeweging
RNP: Rada Narodowa Polska
SA: Société Anonyme
SPK: Stowarzysrenie Polskich Kombatantów
TIKB: Technisch Instituut van het Kempens Bekken
VZW: Vereniging zonder winst
ZPP: Zwiazek Patriotów Polskich
ZPwB: Stowarzysrenie Polskich Kombatantów
ZWPB: Zwiazek Wolnyck Polaków w Belgii

 

Lijst met bijlagen

Bijlage I: Vragenlijst Mijnwerkers-Brancardiers
Bijlage II: Vragenlijst priesters
Bijlage III: Kapel in de vorm van mijnlamp en Onze-Lieve-Vrouw kapel van de Mijnwerkers-Brancardiers.
Bijlage IV: Foto Mijnwerkers-Brancardiers Meulenberg.
Bijlage V: Ledenkaart Mijnwerkers-Brancardiers.
Bijlage VI: Statutten van de Mijnwerkers-Brancardiers
Bijlage VI: Kaartje Houthalen

 

Algemene inleiding

Twee verlichte schachtbokken torenen boven Houthalen uit. Ze zijn het enige bewijs van de eens zo glorierijke periode van de mijnindustrie. Zeven koolmijnen bepaalden bijna een eeuw lang het uitzicht en de economische ontwikkeling van de Limburgse provincie. In Beringen, Eisden, Houthalen, Waterschei, Winterslag, Zolder en Zwartberg haalden tienduizenden mannen, generatie op generatie, met noeste arbeid het zwarte goud boven. De mijnontginning heeft zowel op economisch, sociaal als cultureel vlak voor grote blijvende veranderingen gezorgd. Het was de ruggengraat van het dagelijkse leven. In de mijnstreek ontplooide zich tevens een uniek landschap door de ontwikkeling van de mijnindustrie, maar eveneens door de wijze waarop de nederzettingen zich hebben ontwikkeld van kleine landelijke naar industriële kernen en typische mijncités. Dit landschap is tevens de weerspiegeling van de sociaal-economische geschiedenis in de streek, van migratie en van segregatie, van de verhouding tussen het mijnpatronaat en mijnwerkers en recenter van mijnsluitingen en economische reconversie.

Houthalen was de jongste mijn van Limburg. De concessie werd in 1911 aan Houthalen verleend, maar het was pas in 1938-1939 dat men met de exploitatie kon beginnen. Deze concessie was in handen van de Société Anonyme Charbonnage d’Houthalen. België zat met een kolenoverschot en raakte daardoor in financiële problemen in 1933. Hierdoor werden de werken aan de kolenmijn van Houthalen stilgelegd. Pas na een kapitaalinjectie van de Frans-Lorrainse aandeelhouders van Beringen-Eisden[1], zes jaar later, konden de werken hervat worden en kon met de exploitatie van de mijn begonnen worden. Hoewel de mijn van Houthalen modern was, heeft ze niet lang bestaan. Reeds in 1964 fusioneerde ze met Zolder. De kostprijs van de Belgische kolen was te hoog om nog lang te kunnen concurreren met de nieuwe energiebronnen zoals petroleum, aardgas en later kernenergie[2]. Een sanering van de mijnen was onvermijdelijk en de fusie van Houthalen en Zolder was hier een gevolg van. De mijn zorgde er ook voor dat er in zijn kielzog mijncités, woonwijken met kerk en school voor eigen personeel, ontstonden. De grote mijncité van Houthalen was Meulenberg[3].

In deze verhandeling wil ik ingaan op een aantal vragen die men zich kan stellen bij het ontstaan en het verloop van een mijngemeente. Deze vragen kunnen onder meer van economische, sociale, politieke, culturele of religieuze aard zijn. Aangezien het onmogelijk is om alle aspecten te behandelen, wordt hier enkel ingegaan op het religieuze aspect. Er is al veel inkt gevloeid over de mijnbouw, maar altijd onderzocht men het economisch aspect, het sociaal aspect of de migratie. Zo zijn er de werken van Morelli en Goddeeris voor de migratie, de werken van Minten, Raedts en andere voor de het economisch aspect en de werken van De Rijck en Van Meulder voor het sociale aspect[4]. De relatie kerk-mijn is tot nu op de achtergrond gebleven hoewel de vraag naar deze relatie belangrijk is. Iedere mijncité was meer dan een verzameling huizen. Ze vormde een aparte parochie waarin, onder meer door de kerk, een eenheid werd gecreëerd. Naast het economische en sociale aspect was dus ook het religieuze aspect van groot belang. Het zorgde mee voor de goede werking en uitbouw van de mijncité. Het doel van de verhandeling is na te gaan hoe de verhouding kerk-mijn evolueerde in Meulenberg van bij de start van de mijn van Houthalen tot vandaag.

Belangrijk hierbij is wat ik juist versta onder het begrip kerk. Hierbij gaat het uiteraard niet om het religieuze gebouw waarin de vieringen gehouden worden. Het gaat wel over het geheel van het bisdom met de lokale parochies en priesters. In deze verhandeling bedoel ik met het begrip kerk vooral het bisdom Limburg en de parochie Meulenberg. Deze verhouding tussen kerk en mijn roept een aantal vragen op. Eén van die vragen is hoe de kerk reageerde op de komst van de mijn. Limburg was, vooral sinds eind negentiende eeuw, een erg katholieke provincie en met de komst van de mijn werd gevreesd dat het gevaar van het socialisme dichterbij kwam. Men vreesde voor een zelfde scenario als in Luik waar het socialisme aan belang had gewonnen vanwege de industrialisatie. Ook ontstond er een vrees dat Limburg verfranst zou worden met de komst van de mijn en vooral katholieke auteurs gingen in hun werken het mijnwerkersberoep zeer negatief voorstellen[5]. De katholieke geestelijkheid weerden zich tegen deze ‘volksvreemde elementen’ uit angst voor een ontwrichting van de traditionele maatschappij. De katholieken en de provincie Limburg gingen vanaf de jaren 1950 steeds meer belang hechten aan de vervlaamsing in de mijnbouw[6].

Men had echter Luik als voorbeeld en daarom konden voorzorgen genomen worden zodat men niet dezelfde fouten ging maken. De mijncités werden beter en moderner gebouwd en ook de katholieke kerk ging zich van in het begin bezig houden met de mijnwerkers en ging zich onder hen mengen om hen niet te verliezen aan het socialisme.

Een tweede vraag is of de mijn initiatieven nam ten bate van de katholieke kerk in Limburg. Probeerden de mijn de priesters aan hun kant te krijgen, subsidieerden ze de kerk of deden ze juist helemaal niets. Het antwoord op deze vraag kan meer leren over de relatie tussen de katholieke kerk en de mijn. Indien de mijn de kerk subsidieerde kon ze een grote macht op de kerk uitoefenen en haar ondergeschikt maken. Positiever bekeken wil het ook zeggen dat de relatie tussen beiden dan zeer intens was en dat de katholieke kerk mee kon instaan voor gemotiveerde, gelovige arbeiders. Zolang de kerk negatief stond tegenover de mijnindustrie bleven veel arbeiders weg uit de mijn. De mijn had er dus alle belang bij om de kerk aan haar kant te krijgen en ze deed dit door grote mijnkathedralen te bouwen, de priesters een huis op de cité te geven en hen en de kerk van gratis kolen te voorzien[7]. De plaatselijke priesters speelden hier dus ook een belangrijke rol in. Vandaar dat in de verhandeling de verschillende priesters en kapelaans belicht worden met hun verwezenlijkingen en ervaringen.

Een derde vraag peilt naar het ontstaan van de katholieke organisaties in het kielzog van de mijn. Natuurlijk was er de katholieke vakbond ACV die de belangen van de arbeiders verdedigde. Ik wil me hier echter eerder concentreren op de katholieke organisaties, waarvan de belangrijkste de Mijnwerkers-Brancardiers waren. Deze organisatie was over de volledige provincie Limburg verspreid en heeft een belangrijke invloed gehad op de mijnwerkers. De Mijnwerkers-Brancardiers organisatie is ontstaan in Waterschei in 1933 onder leiding van E.H. Deneys. Vanuit Waterschei heeft deze organisatie zich verder over Limburg verspreid. In 1948 is de organisatie een dienst binnen de KWB geworden. De Mijnwerkers-Brancardiers zijn zeer snel gegroeid tot een grote organisatie die tot op de dag van vandaag actief is. Hun belangrijkste taak was de zorg voor de zieken met als hoogtepunt de bedevaart naar Lourdes. Men wou laten zien dat onder de ruwe bolster van de  mijnwerker een blanke pit zat[8]. De organisatie richtte zich uitsluitend tot de mijnwerkers en had een sterk katholieke inslag. Vandaar dat deze organisatie interessant is voor de vraagstelling over de relatie kerk-mijn. Bovendien is er nog maar zeer weinig over deze organisatie geschreven. Zowel Minten als De Rijck halen in hun werken de Mijnwerkers-Brancardiers aan, maar doen dit kort en onvolledig[9].

Rond de relatie kerk-mijn, waar deze verhandeling over handelt, kunnen drie grote vragen dimensies onderscheiden worden die in elk van de hoofdstukken naar voor komt. Een eerste dimensie is de relatie tussen de kerk en het mijnbedrijf. Verder is er de relatie van de kerk met de mijnwerkers die een nieuwe sociale klasse vormden. Er kwamen ook nieuwe beroepscategorieën zoals ingenieurs en bedienden. In een plattelandsparochie had je deze groepen niet. De derde dimensie is de relatie van de kerk met de immigranten vermits de Limburgse mijnen veel immigranten tewerkstelden.

Het bronnenonderzoek bevatte ten eerste mondelinge bronnen. Gewezen mijnwerkers en gewezen pastoors en kapelaans van Meulenberg zijn geïnterviewd met betrekking tot hun ervaringen met het mijnwerk en hun relatie met de kerk en de mijn[10]. Dit liet toe een indruk te krijgen van de mentaliteit van de mijnwerkers en de kerk. Via de interviews kreeg ik informatie over de persoonlijke ervaringen van de mijnwerkers. Wat waren hun persoonlijke ervaringen bij de Mijnwerkers-Brancardiers en welke eventuele problemen hadden zij ondervonden. De priesters konden via de interviews vertellen wat ze hadden gerealiseerd in de mijnparochie of wat ze eventueel nog wilden realiseren. Met de vragen kwam tevens naar voren wat hun persoonlijke visie was op de mijndirecties en ingenieurs. Elk bronnenonderzoek, of het nu geschreven of orale bronnen betreft, vergt een kritische houding van de onderzoeker. Geen enkele bron is immers geheel objectief. Mondelinge bronnen zijn, juist dankzij hun subjectieve invalshoek, zeer dankbare bronnen voor de recente geschiedenis[11]. Er zijn voor deze geschiedenis nog getuigen in leven die ons hun eigen ervaringen kunnen vertellen.

In de eerste plaats was er het zoeken naar respondenten. Deze vond ik door contact op te nemen met de voorzitter van de vereniging van de Mijnwerkers-Brancardiers en met het bisdom voor de priesters. Via de interviews met deze mensen werd ik doorverwezen naar anderen. We maakten met andere woorden gebruik van de zogenaamde sneeuwbalmethode. In totaal heb ik acht ex-mijnwerkers geïnterviewd en vier priesters. Bijna iedereen die gecontacteerd werd, was onmiddellijk bereid om mee te werken. De twee personen die niet hebben meegewerkt hadden onvoldoende voeling met de Mijnwerkers-Brancardiers of konden niet omwille van gezondheidsredenen.

Bij de mijnwerkers peilden de vragen naar de familiale situatie, het werk in de mijn, de ervaringen bij de Mijnwerkers-Brancardiers en de ervaringen in de mijncité Meulenberg. De priesters stelden we eveneens vragen over hun familiale situatie, maar ook over hun roeping, hun ervaring in de parochie Meulenberg en de andere parochies waar ze geweest zijn en hun ervaring met de Mijnwerkers-Brancardiers[12]. Niet alle vragen werden even grondig beantwoord. Vooral de vragen over immigratie bleken moeilijk te liggen. Niemand wou het etiket racist opgespeld krijgen en daarom ging men de vragen over eventuele negatieve ervaringen met immigranten eerder uit de weg. Een aantal jaren geleden waren er grote problemen met de moslimimmigranten. Er was sprake van vandalisme en jeugdbendes. Mensen durfden ’s avonds niet meer op straat komen. Met de hulp van de buurtvaders is deze situatie de laatste jaren sterk verbeterd[13]. Door die incidenten waren de respondenten voorzichtiger geworden in hun uitspraken.

De respondenten waren ook enorm bereidwillig om te helpen omdat ik van Houthalen zelf ben. Langs de andere kant hield dit ook in dat ze bepaalde verbloemingen  gebruikten als ze over andere personen spraken. Er was immers de kans dat ik deze personen kende. Veel respondenten zagen mij als een jonge studente die nog veel moest leren over de mijnbouw. Alle termen en gebruiken werden dus zeer goed uitgelegd. Ze waren bereidwillig veel te vertellen omdat een jong persoon interesse had in hun verleden dat de laatste jaren verloren dreigt te gaan[14].

Naast de mondelinge bronnen, heb ik me ook gebaseerd op literatuur over Houthalen en Meulenberg en op literatuur over het katholicisme en de mijnbouw in Limburg. Voor de geschiedenis over Houthalen is er een werk van Bussels verschenen over Houthalen[15]. Een nadeel aan dit werk is dat de mijngeschiedenis van Houthalen zeer miniem aan bod komt. Er is dus nog geen wetenschappelijk of vulgariserend werk geschreven over Houthalen mijn. Een echte geschiedenis over de Houthalense mijn is dus niet eerder verschenen. Voor de parochie Meulenberg is een goed werk voor handen geschreven door de toenmalige pastoor Buccolini in 1988 naar aanleiding van veertig jaar parochie Sint-Lambertus[16]. Hierin beschrijft hij de ontwikkeling van de parochie Meulenberg en de belangrijkste verenigingen die er actief zijn. Dit werk bevat wel een subjectieve invalshoek aangezien men de parochie in die veertig jaar zo positief mogelijk wilde voorstellen. Een ander werk over Meulenberg, geschreven door frater Francesco geeft ook de volledige geschiedenis van Meulenberg weer, maar is helaas zeer subjectief geschreven. Wederom is bij beide weinig aandacht voor de rol van de mijn. Ook hier wil ik met dit onderzoek pogen verandering in te brengen. Over het katholicisme in Limburg zijn redelijk wat werken verschenen. De belangrijkste zijn deze van Rubens en Kerkhofs[17]. Beide werken zijn een goede basis om een beeld te krijgen van het katholicisme in Limburg. Het zijn echter al verouderde werken. Daarom hebben we ook gebruik gemaakt van het werk Eenheid en scheiding in de beide Limburgen van 1839-1989[18]. De werken van daarentegen Dobbelaere geven een goed beeld over de godsdienst in Vlaanderen en België[19]. Met de informatie uit deze werken kan nagegaan worden of dit alles ook van toepassing is in de parochie Meulenberg.

Voor de vereniging van de Mijnwerkers-Brancardiers is er veel archief aanwezig in het KADOC (Katholiek Documentatie en Onderzoekcentrum). Het volledige archief van de Mijnwerkers-Brancardiers organisatie is er aanwezig en ook uit de papieren van Broekx, bestuurder van de Maatschappelijke en Godsdienstige werken van Limburg van 1913 tot omstreeks 1950, is informatie over de Mijnwerkers-Brancardiers aanwezig[20]. De papieren van Broekx over Houthalen stellen teleur. Veel informatie geven ze niet. De map over de Mijnwerkers-Brancardiers in de papieren van Broekx is wel interessant hoewel ze geen nieuwe informatie verschaffen. Ze bevestigt echter wat ik in het archief van de Mijnwerkers-Brancardiers zelf vond. Het archief van de Mijnwerkers-Brancardiers biedt een goed overzicht van het ledenbestand en van de evolutie van de beweging en haar diverse activiteiten. Dit alles zowel op nationaal, regionaal als provinciaal niveau. Naast dossiers over contacten tussen het hoofdbestuur en de lokale afdelingen, bevat het ook de briefwisseling tussen de Limburgse Mijnwerkers-Brancardiers en andere Belgische groepen. Ook de brieven van mijnwerkers en mijnwerkersvrouwen gaven een zeer goed beeld over de persoonlijke ervaringen in de vereniging. Ik heb vooral gebruikt van het tijdschrift van de Mijnwerkers-Brancardiers Zomaar een contact en van de archiefstukken van de Sint-Barbarafeesten[21]. Het parochiearchief van Meulenberg is helaas verloren gegaan, waardoor er uit die hoek geen informatie kon gehaald worden.

De keuze voor het onderwerp is niet willekeurig gebeurd. De steenkoolmijnen zijn van groot belang geweest voor Limburg en heeft mede het uitzicht en de huidige economische toestand van Limburg mee bepaald. Het is een stuk erfgoed van Limburg dat niet verloren mag gaan. De economische en sociale aspecten van de mijn zijn al uitgebreid belicht geworden in verschillende studies, terwijl het religieuze aspect met de komst van de mijnen altijd op de achtergrond is gebleven. Met deze verhandeling wil ik hier verandering in brengen. De keuze voor het specifiek toespitsen op Meulenberg is een persoonlijke keuze geweest vanwege de verbondenheid hiermee. Ik heb altijd al interesse gehad voor de mijngeschiedenis, omdat ik ben opgegroeid in de mijnstreek. Er is gekozen om één mijncité te belichten omdat dat toelaat een erg gedetailleerd en genuanceerd beeld te krijgen van de relaties tussen parochie en mijn. Indien meerdere mijncités behandeld zouden worden, zouden bepaalde zaken niet tot in detail belicht kunnen worden.

De verhandeling is opgebouwd uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk vangt aan met een korte schets over Houthalen en Meulenberg en eindigt met een portret van de mijnwerkers zelf. In het tweede hoofdstuk komen de Kerk en de mijn aan bod. Hoe sterk stond de Kerk in Limburg en meer specifiek in Meulenberg en hoe zat de relatie tussen Kerk en mijn nu werkelijk in elkaar. Eerst wil ik ingaan op de situatie van de Kerk in Limburg om van daaruit over te gaan op Meulenberg. De geschiedenis van de parochie Meulenberg wordt in dit hoofdstuk uitvoerig behandeld, net als de evolutie van de parochie met de komst van de immigranten en andersgelovigen. In dit tweede hoofdstuk wil ik ook dieper ingaan op de pastoors en kapelaans die in Meulenberg actief waren. Wie zijn ze en vooral, wat hebben ze er verwezenlijkt. Hun loopbaan wordt kort overlopen, maar vooral hun initiatieven in de parochie Meulenberg worden belicht. Tot slot wordt in het laatste hoofdstuk de belangrijkste katholieke organisatie bekeken die ontstaan is met de komst van de mijn, namelijk de Mijnwerkers-Brancardiers. Hoe zijn ze ontstaan, wie waren de leden en wat waren hun belangrijkste activiteiten.
    
[1] Deze aandeelhouders waren Société des Hauts-Fourneaux de Pont-à-Mousson en Aciéries de Micheville.
[2] MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 159 en De Koolputter. De zeven mijnzetels, 6.
[3] De kleine en oudere cité aan de Grote Baan van Houthalen wordt in deze verhandeling maar zeer kort behandeld.
[4] MORELLI, Geschiedenis van het eigen volk. De vreemdeling in België van de prehistorie tot nu GODDEERIS, De Poolse migratie in België 1945-1950: politieke mobilisatie en sociale differentiatie en MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg en RAEDTS, De opkomst, de ontwikkeling en de neergang van de steenkoolmijnbouw in Limburg en DE RIJCK en VAN MEULDER, De ereburgers. Een sociale geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers.
[5] De Koolputters. Bazen en knechten, 100.
[6] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 189-191.
[7] DE RIJCK, De Ereburgers, boek I. 395-398.
[8] Uit archief van de Mijnwerkers-Brancardiers in het KADOC.
[9] MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 175 en DE RIJCK, De Ereburgers. Boek I, 385-387.
[10] Zie vragenlijsten in bijlage.
[11] DE WEVER, B. en FRANCOIS, P. Gestemd verleden. Mondelinge geschiedenis als praktijk.
[12] Zie vragenlijst in bijlage.
[13] De buurtvaders was een initiatief van het buurthuis. Marokkaanse en Turkse vaders patrouilleerden ’s avonds door de straten omdat zij meer invloed hadden op de jeugd. Het initiatief was een succes. Uit interview Jean De Schutter.
[14] DE WEVER en FRANCOIS. Gestemd verleden. Mondelinge geschiedenis als praktijk.
[15] BUSSELS, Houthalen in het verleden.
[16] BUCCOLINI, Parochie Sint-Lambertus.
[17] RUBENS, A. Parochie en industrie en KERKHOFS, J. Godsdienstpraktijk en sociaal milieu.
[18] LAMBERTS ea, Eenheid en scheiding van beide Limburgen van 1839-1989.
[19] DOBBELAERE, Godsdienst in België.
[20] De papieren van Pieter-Jan Broekx werden niet geraadpleegd voor zijn ideeën of initiatieven, maar voor de informatie over Meulenberg en de Mijnwerkers-Brancardiers. Tussen de papieren van Broekx zat een map over Houthalen (map 14.13.6 en 13.2.2.4) en een map over de Mijnwerkers-Brancardiers (map 5.6.4.). Vooral de map over de Mijnwerkers-Brancardiers is van nut geweest voor dit onderzoek.
[21] KADOC, map 41: Stukken betreffende de Sint-Barbarafeesten 1956-1972.
    

Hoofdstuk 1
Houthalen en Meulenberg

1. De ontwikkeling van Houthalen-mijn
2. Meulenberg 
   
2.1. De cité van Houthalen
   
2.2. Bouw cité Meulenberg
   
2.3. Sociale voorzieningen
3. Bewoners van de parochie  
    3.1. Aanwerving 
    3.2. De woonplaats van mijnwerkers
Noten

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van Houthalen-mijn belicht. Van de concessieverleningen en de opbouw van de mijn, wordt overgegaan naar de bouw van de cité Meulenberg en de typische kenmerken van deze woonwijk. Om dit hoofdstuk af te sluiten wordt gekeken naar de mijnwerkers zelf. Hoe kwamen ze in de mijn terecht, waar konden ze wonen en welke voordelen en sociale voorzieningen hadden ze? Na dit algemene beeld van Houthalen-mijn en Meulenberg, zal in de volgende hoofdstukken verder worden ingegaan op de parochie Meulenberg en de verhouding tussen deze parochie en de mijn van Houthalen.

De ontwikkeling van Houthalen-mijn

Houthalen was de jongste mijn van Limburg. Om allerlei redenen kwam ze slechts moeizaam uit de startblokken. In 1911 werd de concessie verleend aan drie verschillende maatschappijen. Deze raakten het echter niet eens. Pas in 1920 bereikten ze een overeenkomst voor een gemeenschappelijke uitbatingsmaatschappij, namelijk de ‘Société Anonyme Charbonnage d’Houthalen’. Drie jaar later volgde de stichting met als belangrijkste aandeelhouders de ‘Société Générale de Belgique’, de groep Eelen-Ash (van onder andere A. Dumont en L. Jourdain), de ‘Mutuelle Mobilière et Immobilière’ en, met drie evenwaardige aandelenpakketten, ‘Ougrée-Marihay’, ‘ La Providence en  Forges de Clabecq’[1].

De mijnzetel werd uiteindelijk vlakbij het centrum van Houthalen gevestigd, langs de steenweg Hasselt-Eindhoven. De verbinding met de spoorweg Hasselt-Antwerpen en deze met de steenweg Hasselt-Eindhoven bleek bepalend te zijn voor de ligging van de zetel. Het was echter niet evident voor de mijn om op die plek grote aangesloten terreinen, voor de mijngebouwen, op te kopen. Daarom werd in 1927 gestart met een gemeentelijke onteigeningsprocedure om gewenste mijnterreinen te verkrijgen.

Voor het graven of afdiepen van de mijnschachten werden vanaf 8 juni 1927 twee houten schachttorens gebouwd, midden in het veld, op de plaats waar elf jaar later de eerste statige ijzeren schachtblok zou verrijzen. In 1927 werden eveneens twee afdiepingstorens opgericht. Er werd tevens gestart met de voorbereiding van de vriesboringen voor beide schachten. De firma ‘Foraky’ uit Zonhoven die hiermee belast was, vestigde zelfs een wereldrecord door beide schachten in één keer te bevriezen tot een diepte van 658 meter . De bevriezing van de schachten zelf gebeurde in 1930. Drie jaar later waren beide schachten afgediept en respectievelijk tot  686 meter en 712 meter bekuipt.

De werken vielen in 1933 plots stil vanwege de economische crisis. De crash van de beurs van New York tijdens de herfst van 1929 vormde namelijk het begin van een diepe recessie die de wereldeconomie lang parten zou spelen. Ook de Belgische steenkoolnijverheid werd door deze depressie getroffen. De steenkoolvraag was terug gevallen tot een absoluut dieptepunt. België zat met een kolenoverschot en ‘S.A. Charbonnage de Houthalen’ raakte daardoor in financiële problemen. De steenkoolindustrie wilde deze toestand zo snel mogelijk gewijzigd zien en ze oefende daarom druk uit op de regering. Deze stelde in 1931 een commissie samen die zich expliciet zou bezighouden met de problematiek van de steenkoolcrisis. Een grondige reorganisatie van de steenkoolnijverheid werd in 1935 ingezet door het Nationaal steenkolenambt op te richten[2]. Er was een invloed van dit Kolenambt, maar het was vooral de devaluatie van de Belgische frank in 1935 en een heropleving van de wereldconjunctuur in datzelfde jaar die zorgden voor een herstel van de steenkoolmarkt[3]. Zes jaar later konden de ondergrondse werken hervat worden door een kapitaalinjectie van de Frans-Lorrainse aandeelhouders van Beringen-Eisden. De ondergrondse verdiepingen werden uitgebouwd tot respectievelijk 700 en 810 meter diepte. Een laatste verdieping, op 1050 meter , kwam er pas na 1985, als onderdeel van een noodzakelijke nieuwe verdieping voor de mijn van Zolder waarmee Houthalen toen gefusioneerd was.

In 1938-1939 kon dan eindelijk begonnen worden met de exploitatie. Achille Ampe, een oud-student van André Dumont, had als hoofdingenieur én technisch directeur van eind 1925 tot 1939 alle voorbereidende werken in Houthalen succesvol geleid. In 1942 werd hij officieel benoemd tot directeur-gerant van de steenkoolmijn van Houthalen.

Het was trouwens de eerste keer dat in Limburg het algemeen bestuur van een mijnzetel werd toevertrouwd aan een Vlaming[4]. Een groot deel van het kapitaal voor de Limburgse mijnen kwam namelijk uit Franstalig België[5]. Daarom vond men het vaak ook niet meer dan normaal dat het bestuur van een mijnzetel aan een Waal zou worden toevertrouwd. In alle andere mijnzetels was er namelijk een Franstalige directeur. Dat Achille Ampe directeur-gerant van Houthalen-mijn werd, kan dus op zijn minst uitzonderlijk genoemd worden. Lang heeft Achille Ampe echter niet kunnen genieten van zijn functie want reeds in 1943 overleed hij. Zijn opvolger was ingenieur Alphonse Soille, een Waal.

De mijn van Houthalen was in haar tijd een moderne mijn. Ze genoot wereldfaam in stofbestrijding. Zo werd mijngas preventief afgezogen en werd water in het kolen- en steenfront gespoten. Ondanks deze moderne technieken bleef het rendement echter laag. Dit was onder andere te verklaren door de onvoldoende kolenreserves aan de zuidrand en door de ongunstige geologische omstandigheden[6].

De Belgische industrie had de Tweede Wereldoorlog zonder veel kleerscheuren doorstaan. Tijdens de oorlog waren de industriële investeringsprogramma’s in de Belgische steenkoolmijnen achter gebleven en bovendien was er onmiddellijk na de oorlog een groot gebrek aan ervaren houwers. De meeste onder hen waren tijdens de oorlog terug naar hun land vertrokken na een oproep van hun leiders, maar ook uit patriottistische gevoelens.

De prioriteit van de naoorlogse steenkoolpolitiek was dan ook terug voldoende mijnwerkers in de ondergrond te krijgen om de productie tot een maximum op te drijven voor de wederopbouw van het land. Minister Achiel Van Acker probeerde het mijnwerk aantrekkelijk te maken door een reeks van sociale wetten en loonsverhogingen door te voeren[7].

Door de grote nood aan steenkool, de verhoogde lonen en de moeilijkheid om aan ervaren mijnwerkers te komen, werd alles op alles gezet om de kolenwinning te mechaniseren. In de jaren 1950 werd begonnen met deze mechanisering, maar het was vooral vanaf de jaren 1960 dat er een sterke gemechaniseerde ondersteuning kwam. De kosten in de steenkoolindustrie waren namelijk fors gestegen. Vooral de lonen en de sociale lasten waren sterk toegenomen door het instellen van een sociale zekerheid. Door de gemechaniseerde ondersteuning te bevorderen trachtten de mijndirecties de kosten van de sociale zekerheid te drukken.

Door de grote nood aan steenkool in de meeste landen en de enorme subsidiëring van de Waalse mijnen werd een nooit eerder gekend productiepeil bereikt in ons land. Deze zogenaamde Kolenslag duurde van 1947 tot 1951[8].

In 1958 begon de steenkoolcrisis naar aanleiding van andere of goedkopere grondstoffen. Dit was het begin van de teloorgang van de Limburgse steenkoolmijnen. Het Kempens bekken werd het slachtoffer van het zuiniger verbruik in de staalproductie, het goedkoper geworden transport, de invoer van betere en vooral goedkopere Amerikaanse en Poolse steenkool, maar ook het verdwijnen van de stoommachines die halfvette steenkool verbruikten[9]. In 1962 ging het gerucht dat de mijn van Houthalen zou sluiten. Dit gerucht werd in 1964 realiteit toen Houthalen fusioneerde met Zolder. De fusie werd uitgewerkt door directeur-gerant Lycops van Zolder en René Bruck van de studiedienst van Houthalen. De mijn van Zwartberg zou in 1966, ten gevolge van de steenkoolcrisis gesloten worden. De resterende vijf mijnen van Limburg werden gefusioneerd in de nv Kempische Steenkoolmijnen (de KS). Ondanks haar moderne uitrusting bleef de mijn van Houthalen dus slechts 25 jaar actief.

Voor het personeel van beide mijnzetels was het een pijnlijke operatie. Beide mijnen hadden wel grotendeels dezelfde aandeelhouders. Daardoor konden een grote groep mijnwerkers en kaderleden gewoon overstappen. Bedienden moesten echter nieuw werk zoeken. Er waren immers al voldoende bedienden aanwezig in Zolder. Ingenieurs werden naar Zolder gestuurd en hierdoor verstoorden ze er de anciënniteit en hiërarchie.

De grootste klap was echter voor de sociale en culturele voorzieningen in Meulenberg, die rijkelijk gesubsidieerd werd door de mijn. Tevens had de mijn van Zolder de reputatie een zeer zuinig bedrijf te zijn.

Ook voor de gemeente Houthalen was de sluiting van de mijn een grote klap. De kolenmijn was de enige grote onderneming op haar grondgebied en zorgde voor een groot deel van het inkomen van de gemeente. Met de sluiting van de mijn kwam er een grote financiële last bij voor de gemeente. De mijn trok zich namelijk terug uit alle hulpverlening aan sociale, culturele en sportieve organisaties, die mede door hen in het leven werden geroepen. Kerken, scholen en ontspanningsinstellingen waren tot aan de fusie eigendom van de mijn en moesten nu door de Kerkfabriek of schoolcomités aangekocht worden. Deze organisaties deden hiervoor een beroep op de gemeente.[10]

Hoewel Houthalen-mijn na de fusie niet meer actief was, bleven de schachten operationeel. Ze werden gebruikt voor het afdalen van het personeel, bijkomende luchtaanvoer voor Zolder, toelevering van materiaal en het ophalen van steenafval. In 1964, 1965 en 1978 werden bovendien nog drie ondergrondse verbindingen gemaakt tussen Houthalen en Zolder. Toen de hoofdburelen na twee jaar nog steeds leegstonden, besliste de directie en de administratie van de nieuwe fusiemaatschappij KS er zijn intrek te nemen.

Tijdens de oliecrisis in 1973 wilde de Belgische regering de productie opnieuw zien stijgen. Om de productie te doen stijgen moest het personeel opnieuw uitgebreid worden en daarvoor deed men een beroep op vreemde arbeiders. De scherpe stijging van de petroleumprijs werd echter snel vertaald in algemene prijsstijgingen, zodat ook de lonen de hoogte in gingen. Dit was een probleem voor de KS, want de lonen besloegen reeds ruim 70 procent van de kosten. Een doorlichting van de KS eind jaren 1970 toonde aan dat het een weinig dynamisch bedrijf was en dat men nauwelijks nog een zicht had op de economisch ontginbare steenkoolreserves. Een investeringsprogramma van de overheid bleef uit en na 70 jaar exploitatie waren de beste steenkoollagen stilaan uitgeput.

Begin 1985 werd een eerste saneringsplan opgesteld, waarin de sluiting van de mijn van Winterslag en een afbouw van Eisden en Zolder was opgenomen. Het plan stuitte op groot protest bij de KS-werknemers. In oktober 1985 kwam er het tweede saneringsplan met de fusie van Winterslag en Waterschei. Het einde van de Limburgse steenkoolmijnen kwam echter in zicht. Op 11 september 1987 werd de productie in Waterschei stilgelegd, op 18 december in Eisden en op 1 april 1988 eindigde ook de productie in Winterslag. In mei 1989 besliste de Vlaamse regering dat de laatste twee zetels uiterlijk op 31 december 1992 gesloten zouden worden. Op 28 oktober 1989 sloot de mijn van Beringen en op 30 september 1992 werd de mijn van Zolder plechtig gesloten. Met de sluiting van deze mijn viel het doek definitief over het Kempens Bekken[11].

Meulenberg

De bouw van de wijk en de sociale voorzieningen voor de cité was niet hetzelfde als in andere gewone dorpen. Vandaar dat hier de speciale bouw van de cité en de sociale voorzieningen van Meulenberg besproken worden.

2.1.De cité van Houthalen

Doordat de mijn van Houthalen zich laat had ontwikkeld, wijkt de uitbouw van de bijhorende mijnwijk ervan sterk af van deze van de mijn van Zolder en andere mijnen.

Het allereerste huis voor de ingenieurs werd gebouwd in Houthalen centrum in de Diepestraat. Deze woning lag hiermee dicht bij de latere mijnzetel[12]. Het was een combinatie van woonhuis en bureau, het eerste in zijn soort.

De mijn kocht huis nummer acht langs de Grote Steenweg en schonk het aan directeur-gerant Achille Ampe. Ook dit huis lag dicht bij de mijnzetel, wat zeer handig was voor de directeur. De vorige bewoner van het huis was de toenmalige hoofdonderwijzer van de lagere school van Houthalen[13].

De eerste arbeiderswoningen, dertig in totaal en in een typische koolmijnarchitectuur, werden gebouwd langs de Grote Steenweg, ten noorden van de mijnzetel[14]. Het was de zogenaamde oude cité. Deze woningen werden vooral in gebruik genomen door werknemers van Foraky en door lokale helpers bij de afdieping van de schachten. De oude cité voldeed echter niet meer eens de productie in 1938 van start ging. Al snel legde de kolenmijn een nieuwe cité aan op de heide van Meulenberg. De steenkoolmijn van Houthalen had hier eerder goedkope grond kunnen kopen. Aanvankelijk had men gedacht om de mijnzetel daar te vestigen. De mijn werd uiteindelijk langs de Grote Steenweg gevestigd. De aanwezigheid van de spoorweg Hasselt-Antwerpen speelde hierin een belangrijke rol.

2.2. Bouw cité Meulenberg

De cité van Meulenberg, gebouwd vanaf 1939 lag op anderhalve kilometer van de mijnzetel, maar door de Koolmijnlaan was er een directe verbinding voorzien. Het tuinwijkconcept, gebruikt door de andere mijncités, was intussen voorbijgestreefd[15]. De architecten opteerden voor een meer eigentijdse aanpak met een symmetrisch en rastervormig stratenpatroon. Er werden ook acht ronde verkeersknooppunten geplaatst, wat zeer vernieuwend was voor die tijd. De eerste woningen lagen in de Wildrozenstraat, de Kerklaan, de Bremstraat en de Varenstraat[16]. De Kerklaan (de hoofdas van de tuinwijk) was een dubbele laan met veel groen in het midden die in het verlengde lag van de grootste toegang tot de cité: het ronde ‘Welkomsplein’.

In de uitbouw van de wijk werd rekening gehouden met de hiërarchie binnen de mijn. Heel de sociale hiërarchie van het mijnbedrijf vond er zijn afspiegeling; van directeur, ingenieur, werkleider, bediende, bovengronder en ondergronder tot de pastoor en zijn kapelaan toe. Voor allen werd een aangepaste woning voorzien. Alleen de werknemers van de mijn mochten in de cité wonen.

Met dit voordeel van huisvesting wou de mijn zoveel mogelijk arbeiders aantrekken[17]. Begin jaren 1940 omvatte de cité 160 arbeiderswoningen, dertig bediendewoningen en drie ingenieursvilla’s.

De Heidelaan vormde een buffer tussen de ingenieurswoningen aan de zuidwest-kant en de arbeidswijk aan de overkant. Wanneer werknemers promotie kregen, was er ook een verandering van woning: van een kleinere bediende-woning naar een grotere.

In de jaren 1940 waren er maar enkele huizen bewoond. Dit is te verklaren door de oorlog en door het feit dat de mensen van Limburg niet graag in de mijn afdaalden. Hierdoor bleef de verhoopte toeloop van werknemers uit. Tijdens de oorlogsjaren verbleven Duitse SS-troepen op Meulenberg en na de bevrijding vestigden zich gedurende anderhalf jaar Engelse tankgroepen op de cité. Op het einde van 1940 woonden er in de tuinwijk precies drie ingenieurs, acht bedienden en negen arbeiders met hun gezin of in het totaal vierenveertig volwassenen en negenenvijftig kinderen[18]. De ingenieurs woonden allen in de Kerklaan en betaalden geen huur. De eerste bedienden betaalden naargelang het type van de woning 110 en 150 Belgische frank huishuur[19]. De eerste arbeiders betaalden maandelijks 110 Belgische frank huurgeld[20].

Aan het einde van de jaren 1940 werden er nog drie hoofdingenieurswoningen, twee ingenieurswoningen en vierentachtig goedkope, betonnen arbeiderswoningen gebouwd. Deze laatste zijn opgetrokken uit acute woningnood vanwege de kolenslag. De ruwbouw van deze woningen stond soms al in één nacht recht[21]. Tot het midden van de jaren 1950 bleef de mijn woningen bijbouwen. De grootste woning van de cité was deze van directeur Achille Ampe. De villa stond op het hoogste punt van de Wildrozenstraat en was omgeven door een groot park.

Gewone mijnwerkers hadden een huis in een twee- tot zeswoonst in de Bremstraat, bedienden kregen een gevarieerde tweewoonst en de ingenieurs en hogere bedienden kregen een eengezinswoning op de kruispunten. Een ingenieurswoning ter beschikking krijgen had tal van voordelen. Zo moesten de bewoners geen huishuur betalen. Ze stonden niet zelf in voor de onderhoudswerken en hadden ze een tuinman voor hun sier- en moestuin. Het waren echter verborgen middelen om ingenieurs met handen en voeten aan de mijn te binden. De mijn eiste veel terug van zijn ingenieurs, zoals een onvoorwaardelijke inzet die niet in uren om te rekenen was. Zoals het spreekwoord zegt ‘de ingenieursvrouw was een koningin, maar … de koning was nooit thuis’[22].

In 1947, tijdens de kolenslag, moesten er woningen worden bijgebouwd om de massa mijnwerkers op te vangen. In het noordoosten, achter de Plantanenstraat werden 220 barakkenwoningen gebouwd. Vooraan stonden de bruine barakken voor alleenstaanden en achteraan lagen zeven genummerde straten met witte barakken om voornamelijk Poolse en Italiaanse gezinnen onderdak te geven. Ze bleven in gebruik tot 1971. Daarna werden ze onbewoonbaar verklaard. Tussen 1972 en 1974 werden ze afgebroken en maakten ze plaats voor twee appartementsblokken en een nieuwe sociale woonwijk van de maatschappij ‘Kempens Tehuis’.[23]

2.3. Sociale voorzieningen

De steenkoolmijn wou het leven van de mijnwerkers zo harmonisch mogelijk organiseren. Ze hadden alles voorzien: van een winkel, sociale voorzieningen, een kerk, scholen, tot ontspanningsgelegenheden toe. Dit deden ze om de greep en de controle op de arbeiders zo groot mogelijk te houden en tegelijk de arbeiders een gevoel te geven dat er voor hen gezorgd werd. Hoe groter de tevredenheid van de arbeiders, hoe beter de prestaties op het werk.

De eerste scholen situeerden zich in barakken tussen de Varen- en Springstraat. In 1942 werd op het centrale Kerksplein een kleine, voorlopige kerk gebouwd in afwachting van de beloofde mijnkathedraal. In 1948 werd de voorlopige kerk met twee zijbeuken uitgebreid. De gedroomde mijnkathedraal is er echter nooit gekomen.

Vanaf 1951, de gouden jaren voor de Limburgse steenkoolmijnen, werden er definitieve voorzieningen gebouwd. Hiervoor werd de modernistische architect Isia Isgour aangetrokken[24]. Hij bouwde de jongens- en meisjesschoolcomplexen (1952), de kleuterschool (1954), de frater- en zusterkloosters (1951 en 1956), de feestzaal die ‘casino’ werd genoemd (1952-1953), het Technisch Instituut van het Kempens Bekken (TIKB) (1958) en het logementshuis ‘Phlanstère’. De kleuterschool, het TIKB, en het casinogebouw kregen zelfs een internationale faam door hun moderne uitstraling. Deze gebouwen kan men nog steeds terugvinden in Meulenberg.

De cité werd beheerd door een eigen regiedienst die instond voor onderhoud en herstellingen in de tuinwijk. De regie stond ook in voor toezicht in de cité. Gardes keken erop toe dat de talrijke voorschriften, onder andere in verband met onderhoud van woning en tuin, nageleefd werden. De gardes keken er ook op toe dat de leurhandelaars uit de cité verdwenen. Vaak bedrogen deze handelaars de bewoners. De mijndirectie wou hier via de gardes een einde aan stellen. Ook als kinderen iets uitstaken en de garde betrapte hen dan ging hij de ouders hierover inlichten. Iedere dag deden ze hun ronden en stelden daarvan een rapport op[25]. Vanaf de jaren 1960, toen de huizen in de tuinwijken stilaan verkocht werden, verwaterde het gezag van de gardes. Ze bewaakten toen enkel nog de mijnterreinen zelf.

De bewoners moesten de cité niet verlaten voor hun dagelijkse behoeften. De koolmijn had een winkel voorzien, ‘l’économat’, waar alles te koop was. Die was gelegen in een tweeblok in de Kerklaan. Alles was in de tuinwijk voorzien, tot het kinderheil toe. Dit kinderheil werd door de kolenmijn in twee aaneengesloten woningen geplaatst. Vrouwen konden er terecht voor postnatale raadplegingen. Op de bovenverdieping van het gebouw was een appartement voorzien voor de sociaal-assistent van de mijn. Het kinderheil stond onder toezicht van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn, maar de sociaal-assistent, de verpleegster en de dokter waren in dienst van de mijn. Ze werden bijgestaan door de echtgenotes van de directeur, de onderdirecteurs en de ingenieurs.

Voor hen was het een prestigezaak om in het beheer en de werking van de dienst te kunnen helpen. In de jaren 1960 werd hun taak overgenomen door leden van de Kristelijke Arbeiders Vrouwengilde (KAV)[26].

In 1946 werd een kantine voor alleenstaande arbeiders, vrijgezellen of geïmmigreerde arbeiders zonder familie gebouwd. Enkel gehuwde werknemers kregen namelijk een huis van de mijn. Het was een halfronde barak uit platen en ijzer. De eerste gasten die toekwamen in de Bremstraat, waar de kantine gelegen was, waren Zwitsers, Polen, Balten en Italianen. Deze kantine heeft tien jaar dienst gedaan. In 1957 kwam de ‘Phalanstère’ of jongegezellenwoning in de Bergstraat in de plaats[27]. Het bezat drie slaapblokken met telkens twintig slaapkamers, een eetzaal en een conciërgewoning. De binneninrichting en het beddengoed werden volledig bekostigd door de kolenmijn. Alleenstaanden die hier niet wilden wonen, konden ook een kamer huren bij particulieren. Dit was reeds een gebruik in de jaren 1930. Alleenstaande ingenieurs gingen ook op kamers of ze trokken vanaf 1943 in ‘Hotel du Charbonnage’ op de hoek van de Dorpsstraat en de Grote Steenweg. Vooraan in de Varenstraat heeft men in 1952 vier aaneengesloten huizen omgebouwd tot ‘home’ voor alleenstaande, jonge ingenieurs[28].

De mijn voelde zich medeverantwoordelijk voor de opleiding van de kinderen van de mijnwerkers. Tot 1944 had Meulenberg geen eigen school. De kinderen moesten daarom iedere dag te voet naar Houthalen-centrum. Op 21 september 1945 werd een gemengd lager onderwijs ingericht te Meulenberg. Het bleef echter beperkt tot de eerste twee studiejaren. De oudere kinderen moesten nog steeds naar Houthalen-centrum gaan.

Het aantal leerlingen in Meulenberg groeide zo snel dat men achter het pand van de regie houten paviljoenen moest optrekken als noodklassen. In 1948 werden de meisjes- en de jongensscholen omgevormd tot zelfstandige scholen. De inrichtende macht van de school was noch de geestelijkheid, noch de zusters en fraters die er les gaven,  maar wel de koolmijn zelf. De zusters die er les gaven waren van de orde van Filip Neri. In de jongensschool gaven de fraters van Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid van Tilburg les. Enkel de kinderen van de parochie Meulenberg waren toegelaten op school, dit om desertie uit de school van het centrum van Houthalen te vermijden.

Ondertussen omvatte de schoolinfrastructuur het zusterhuis met kleuterschool, twee barakken voor meisjes en drie barakken voor jongens. Tussen deze barakken stond nog een barak die dienst deed als turnzaal[29].

Eind jaren 1940 besliste directeur Achille Soille een ultramodern schoolcomplex te bouwen op het hoogste en mooiste punt van Meulenberg. Isia Isgour maakte een totaalontwerp waarin de kloosters en de scholen binnen één geheel zouden liggen. Beide kloosters waren voorzien tussen de kleuter- en lagere scholen[30]. Uiteindelijk is toch enigszins afgeweken van dit plan. De bouw van de lagere scholen begon in 1951 en in 1953 werden de klassen één voor één in gebruik genomen. De kleuterschool heeft internationale belangstelling gekregen. Pedagogen vanuit de hele wereld werden vanuit Brussel naar Meulenberg geleid.

De koolmijn was enorm gul met knutselmateriaal en leermiddelen voor de kleuterschool. De speelplaatsen waren ook rijkelijk voorzien van zandbakken, klimrekken en andere speeltuigen. Elke klas bezat tot slot een eigen vijvertje en een ploeterbadje dat afkoeling voorzag op warme dagen. De mijndirecties voorzagen de mijnen zo van tevreden en stabiele arbeidskrachten, wat leidde tot een hogere productiviteit.

In 1942 liet de mijndirectie een noodkerk bouwen in het hart van de cité. Het plan was een grote kerk te bouwen, naar het model van de kerken in Eisden en Zwartberg. Door de sluiting van de mijn in 1964 werd het project nooit verwezenlijkt. De noodkerk kreeg, met de groeiende bevolking, nog twee zijbeuken bij en zou zo de uiteindelijke kerk van Meulenberg worden. Tot  1948 was Meulenberg een kapelanie van de parochie Sint-Martinus van Houthalen-centrum. Meulenberg werd tot parochie verheven op 7 september 1948[31].    

Bewoners van de parochie

Hier zal aan bod komen wie de mijnwerkers van Houthalen juist waren. Dit maakt eveneens duidelijk welke nationaliteiten allemaal in de mijn van Houthalen gewerkt hebbenen in Meulenberg gewoond hebben. Dit is belangrijk om de onderlinge sociale relaties goed te kunnen begrijpen. Tevens spelen de verschillende nationaliteiten een rol in het parochiale leven. Buiten de arbeiders van diverse nationaliteiten, zijn ook de ingenieurs en bedienden van Meulenberg belangrijk. De meeste ingenieurs waren Walen. Ook dit had zijn invloed op de parochie.

3.1. Aanwerving

De steenkoolnijverheid was een erg intensieve sector die voortdurend leed aan een tekort aan arbeidskrachten. Slechts weinigen voelden zich geroepen om in de mijn te gaan werken. Hadden ze misschien schrik om in de ondergrond af te dalen? Lode Franssens stelde in zijn roman, Op de heuvel stonden twee soldaten, eerder dat er een afkeer was voor het zware werk. " Schrik voor de put? Dat is bijna niet mogelijk. Als de jonge mannen van zijn leeftijd ergens overheen klappen, is het over de mijn, het beur of de tail. Geld verdienen is hoofdzaak en al het gebazel over zwaar en gevaarlijk werk, stoflongen of het kolenfront dat op uw donder kan vallen, wordt beschouwd als dikke zever (…) Neen, het moet iets anders zijn dan de schrik voor de ondergrond. Het is veeleer de afkeer voor het zware labeur en het gevoel dat het gemakkelijker kan dan in de hete en vochtige hitte van het donker kot." [32] Dit beeld moet echter genuanceerd worden. De plaatselijke boeren moesten meestal van zonsopgang tot zonsondergang werken op het land. In de mijn moest men ‘maar’ acht uren werken. Er was daarenboven het gering potentieel aan arbeidskrachten door de dunbevolkte streek (20 inwoners/km²) rond Houthalen.

Het beroep van mijnwerker was zwaar en gevaarlijk. Een ongeval in de mijn had een afschrikwekkend effect[33]. Dat verklaart mogelijk het kleine aantal Belgen die bereid waren om in de mijn af te dalen. Het slecht aangeschreven beroep van mijnwerker had hier ook veel mee te maken. De mijnwerkers waren het uitschot van de samenleving: ruwe, onbeschaafde en twistzieke mannen[34].Dit negatieve beeld werd nog aangedikt door Katholieke en Vlaamsgezinde auteurs die vreesden dat Limburg voorgoed zou worden ingepalmd door het goddeloze socialisme. Ook de verfransing werd als een bedreiging beschouwd. Dit heeft inderdaad veel Belgen weerhouden om in de mijn te gaan werken. Dat verklaart waarom een beroep moest gedaan worden op buitenlandse arbeidskrachten.

Het Limburg van vóór 1900 was niet meer dan een uitgestrekt heidelandschap, afgewisseld met kleine landbouwdorpjes en hier en daar ambachtelijke activiteiten. Limburg was dun bevolkt en de eenvoudige boerenbevolking had geen interesse en geen technische kennis voor mijnarbeid. Ondanks deze beperking probeerden de mijnen toch arbeiders uit de onmiddellijke omgeving aan te werven. Tijdens de afdiepingswerken stelde het arbeidersprobleem zich nog niet. De boor- en afdiepingsfirma's werkten met eigen gespecialiseerd personeel dat uit het Waalse bekken kwam. De eerste mijningenieurs, het administratieve personeel en een aantal geschoolde mijnwerkers kwamen hoofdzakelijk vanuit het Waalse bekken. Bijgevolg werd Frans in de eerste decennia de voertaal in de Limburgse steenkoolmijnen. Slechts een aantal handarbeiders (voor de graaf- en schachtwerken) kon gerekruteerd worden onder de werkloze boerenzonen uit de regio, die vooral in de winter arbeid wilden verrichten tegen lage lonen. Bij het in productie gaan werden de mijnen pas echt geconfronteerd met het personeelstekort[35].

Na de Eerste Wereldoorlog was er een groot tekort aan arbeidskrachten. Dit arbeidstekort werd problematisch vanaf 1922. Vooreerst trachtte men arbeidskrachten uit de onmiddellijke omgeving aan te trekken, zoals boeren die hun landbouwgrond verkocht hadden aan de mijn of boerenzonen die in de winter in de mijn gingen werken om iets bij te verdienen. De mijnen zijn langs de spoorlijnen in Antwerpen en  Nederland arbeiders gaan zoeken. Zij verkozen om in hun eigen streek te blijven wonen en namen iedere dag de trein.

De spoorwegen en de buurtspoorwegen pasten hun dienstregeling zelfs aan het ploegenstelsel aan om de aanwerving te vergemakkelen. Er waren ook de pendelaars, mijnwerkers die al jaren pendelden van en naar de Waalse mijnbekkens. Met de opening van de Limburgse mijnen konden ze hun reisroute inkorten. Het waren ervaren mijnwerkers, dus fel gegeerd.

Het mijnpatronaat richtte daarom zijn aandacht vanaf 1923 op Polen. Enerzijds richtte men zich op de Poolse mijnwerkers uit het bekken van Silezië en anderzijds op de vele Polen die in de mijnen van het Ruhrgebied werkten. Zij werden als eerste ontslagen bij de rationalisatie van de Duitse mijnen in 1923 omdat ze door de Duitsers als geheime bondgenoten werden beschouwd van de Frans-Belgische bezetter. Deze 'Ruhrpolen' vormden door hun ervaring een rendabel deel van de mijnwerkersbevolking. Ze waren ook tamelijk stabiel omdat ze vergezeld waren door vrouw en kinderen[36].

 De mijnen stuurden ook aanwervingsagenten naar Polen, Tsjechoslowakije en Italië om ter plaatse mensen te ronselen. De kandidaten konden een contract krijgen voor een jaar en kregen een visum voor België. De reiskosten werden door de mijn voorgeschoten en later weer afgehouden van hun loon.

De Italianen hadden echter een geringe beroepbekwaamheid en veel van hen vloeiden af naar andere sectoren. Met Tsjechoslovakije en Joegoslavië werden ook akkoorden afgesloten[37]. Houthalen was toen nog niet in productie en deed bijgevolg ook niet mee aan de aanwerving van vreemde arbeiders.

Aanvankelijk was het een noodoplossing, maar de aanwerving van vreemde arbeiders bood het Limburgs mijnpatronaat ook een aantal voordelen. Door het kunstmatig op peil houden van een groot arbeidersaanbod en de vaak weerloze positie waarin de immigranten zich bevonden, konden de loons- en veiligheidsuitgaven teruggeschroefd worden.

In periodes van recessie kon men gebruik maken van goedkope afdankingprocedures door de tijdelijke arbeidsvergunningen eenvoudig niet te verlengen. Daarenboven waren de vreemde arbeiders meestal harde en regelmatige werkers. Ondanks deze voordelen waren er toch ook nadelen verbonden aan het werken met immigranten van verschillende nationaliteiten. Er waren communicatiestoornissen, zowel op de werkvloer als erbuiten, er was het probleem van de huisvesting en van de integratie van de vreemde arbeiders en hun gezin[38].

Na 1929 begon een wereldwijde recessie, waardoor ook de Belgische steenkoolnijverheid getroffen werd. De mijnen hadden te lijden onder de aanhoudende geldontwaarding van de Belgische frank, waardoor de kosten van het schachtdelven enorm toenamen. Door de algemene conjunctuur en het gevoerde deflatiebeleid was de steenkoolvraag teruggevallen tot een dieptepunt. Het probleem van de vreemde arbeider werd door de crisis scherp gesteld. Er werden maatregelen genomen om het aantal vreemdelingen in de mijnsector te beperken. De steenkoolmijn streefde daarom naar een vervanging van de vreemdelingen door werkloze Belgen. De mijnen poogde Belgische mijnwerkers voor het mijnwerk te winnen.

In 1936 werd eveneens het systeem van arbeidsvergunningen opgericht. Deze vergunning verplichtte de immigrant om ten minste drie jaar in dezelfde bedrijfstak actief te blijven. Het gevolg was dat de migranten grotendeels bleven wonen in de regio waar ze zich aanvankelijk hadden gevestigd. Deze maatregelen hadden echter weinig succes. De regering kon het aanwervingsbeleid van de werkgevers niet fundamenteel veranderen. Het zou voor hen namelijk nefast zijn ervaren mijnwerkers van vreemde nationaliteit te vervangen door werkloze Belgen. De kinderen van de buitenlandse arbeiders werden door de mijndirecties als grotere potentiële mijnwerkers beschouwd dan onervaren Belgen. Een gevolg hiervan was dat de ontslagen onder de vreemdelingen bijna uitsluitend de alleenstaande mannen trof. De werkgevers maakten op die manier gebruik van de crisisjaren om een stabiele en gedisciplineerde groep van mijnwerkers te vormen. Toen in 1937 de 45-uren week werd ingevoerd, waardoor opnieuw een tekort aan geschoolde mijnwerkers ontstond, moest opnieuw in toenemende mate een beroep gedaan worden op buitenlandse arbeiders, bij voorkeur Polen. Deze nieuwe immigratiegolf leidde tijdens de korte recessie van 1938 tot een hetze tegen de gastarbeiders, zowel van extreem-rechtse groepen als van Katholieken[39].

Vlak voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren de mijnen een groot deel van hun geschoolde arbeiders. Vele Belgische arbeiders werden in 1939 voor het leger opgeroepen. Heel wat buitenlandse mijnwerkers keerden uit patriottisme naar hun land terug, of trokken vrijwillig naar de Duitse mijnbekkens, waar ze tegen betere arbeidsvoorwaarden aan de slag konden. Tijdens de oorlog werden mijnwerkers vrijgesteld van deportatie naar Duitsland, zodat veel ongeschoolde Vlamingen naar de mijn trokken. Hierdoor ontsnapten ze aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland.

Vanaf 1943 werden Russische krijgsgevangen in de Limburgse mijnen te werk gesteld. Deze krijgsgevangenen werden gehuisvest in speciaal opgerichte barakkenkampen, verspreid over de verschillende mijnzetels. Door de onervarenheid, de taalproblemen, de ondervoeding en fysische uitputting van de Russen was hun rendement minder dan de helft van dat van de Belgen[40]. Ook de mijn van Houthalen heeft Russische krijgsgevangen gekend. De barakken die gebouwd waren voor deze Russische krijgsgevangen, werden later nog gebruikt om andere immigranten in te huisvesten. Later kwamen in de mijn van Houthalen vluchtelingen terecht die vooral uit Centraal- en Oost-Europa afkomstig waren. Omwille van politieke redenen weigerden ze naar huis terug te keren. Deze mensen werden ook wel Displaced Persons (DP’s) genoemd[41].

Gedurende de Tweede Wereldoorlog hadden een aantal mijnen een grote schuldenlast opgebouwd. Bovendien was er een groot gebrek aan ervaren houwers. De naoorlogse steenkoolpolitiek was dan ook om terug voldoende mijnwerkers in de ondergrond te krijgen om de productie op te drijven.

Minister Achille Van Acker probeerde de mijnarbeid aantrekkelijk te maken door een reeks sociale wetten te maken: gelijkstellen van het mijnwerk aan dienstplicht, bijkomend betaald verlof, aanwervingspremies, goedkoop openbaar vervoer, goedkope bouwleningen, uitbreiding van het recht op kosteloze kolen tot zieken, gepensioneerden en weduwen krijgen recht op een hoger pensioen na een loopbaan van dertig jaar en zonder leeftijdsgrens, kostelozen werkkledij en loonsverhogingen[42]. Ook de jonge mannen die een opleiding op TIKB hadden genoten, kregen bij hun eerste werkdag in de mijn 7500 Bef[43]. Indien men na de school niet begon te werken in de mijn, kreeg men niets. Dit alles ging bovendien gepaard met een grootscheepse propagandaslag in de media. De mijnwerker werd gepromoveerd tot eerste burger van het land. Mensen moesten respect hebben voor dit uitzonderlijk zware, maar noodzakelijke beroep. Toch voelden nog steeds weinig Belgen zich geroepen om in de mijn af te dalen.

Het aantal mijnwerkers daalde zelfs. Vanaf 1945 werd daarom een groot contingent Duitse krijgsgevangenen verplicht om in de mijnen werken. In 1946 waren zij goed voor een derde van de Belgische kolenproductie. Zij werden gehuisvest in de barakkenkampen waar voordien de Russische krijgsgevangenen hadden gewoond. In datzelfde jaar werden, na enige aarzeling van Van Acker ook collaborateurs in de mijn tewerkgesteld als straf. In Houthalen zelf zijn incivieken nooit tewerkgesteld geweest.

In 1947 moesten de krijgsgevangenen onder nationale en internationale druk opnieuw in vrijheid gesteld worden. In overleg met de werkgevers deed de regering toen opnieuw een beroep op de buitenlandse arbeidskrachten. Op 23 juni 1946 sloten de Belgische en de Italiaanse regering een akkoord. In ruil voor enkele miljoenen ton steenkool, stemde Italië toe in het leveren van 50 000 overwegend jonge arbeidskrachten, vooral afkomstig uit Zuid-Italië. Via affiches die allerlei voordelen beloofden, zoals hoge lonen, kindergeld, uitkering bij ziekte, terugbetaling van de reiskosten, lokten de mijnen arbeiders naar België. Met de trein reisden ze naar België, tot in Luik of Hasselt.

Daar werden ze met bussen en begeleiders van de mijn naar hun plaats van bestemming gebracht. De reis duurde drie dagen en twee nachten, met een tussenstop in Milaan waar ze nog een uitgebreid medisch onderzoek moesten ondergaan. Over de aard van het werk wisten de arbeiders niet veel. "Toen ik hier kwam werken was er zo een grote berg, de terril. En ik zei tegen mijn kameraad die hier al werkte, moeten wij daar in die bergen gaan? Nee, nee, zie je die twee liften daar, daar gaat ge negen meter mee onder de grond. Ik zei, wablieft? Ja, ik wist het niet hè", vertelde een Italiaanse mijnwerker die aankwam in Houthalen[44]. Van de beloofde voordelen en voorzieningen bleef in België niet veel over. Alleen al in 1947 stroomden er 3000 Italianen toe in Limburg. In 1948 waren dit er ruim 8000. Houthalen telde in 1947 precies 368 Italiaanse mijnwerkers.

Dit akkoord dat met Italië was gesloten, verliep niet altijd zonder problemen. Na de ramp in Marcinelle in 1956, die het leven kostte aan 136 Italiaanse mijnwerkers, weigerde de Italiaanse regering nog werkkrachten naar België te sturen zolang de nodige hervormingen inzake veiligheid en lonen niet waren doorgevoerd. De gevraagde hervormingen kwamen er niet en het akkoord met Italië werd opgeheven.

Na de verbreking met de Italiaanse regering werden vervolgens bilaterale akkoorden afgesloten met Spanje (28 november 1956) en Griekenland (12 juli 1957). De Spaanse en Griekse gastarbeiders waren slecht ingelicht over de aard van het werk. Daardoor lag het aantal gevallen van contractbreuk hoog. Bovendien mochten immigranten na vijf jaren mijnarbeid overstappen naar andere sectoren. Velen onder hen deden dit ook. Hierdoor had de mijnsector permanent nood aan nieuwe mijnwerkers van vreemde nationaliteit.

De massale toestroom van buitenlandse arbeiders zorgde voor een groot huisvestingsprobleem. In recordtempo werden nieuwe cités gebouwd in samenwerking met de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen.

In de 'golden sixties' waren het vooral de Belgen die profiteerden van de welvaartsstijging. Velen verlieten daarom de mijn om in andere, minder zware industrietakken te gaan werken. De eerste mijnwerkers die trouwens afhaakten waren de pendelaars die op verre afstand woonden. De arbeiders zochten liever werk in hun eigen streek dan elke dag onder weg te zijn naar een hard, ongezond en toch niet zo goed betaald werk[45]. Enkel door intense rekrutering van FEDECHAR in Griekenland en Turkije kon het aantal mijnwerkers enigszins op peil gehouden worden[46]. Vanaf 1963 sloot de Belgische regering bilaterale akkoorden af met Turkije en Marokko. Zij kwamen meestal met een toeristenvisum naar het land van belofte, een situatie die de regering vanwege het personeelstekort in de mijnen legaliseerde. Tijdens de oliecrisis wilde de Belgische regering de mijnproductie opnieuw zien stijgen. Er kwam een stijging van de petroleumprijs waar de steenkoolmijnen van wilden profiteren. Om aan deze stijging te voldoen, moest het personeelsbestand uitgebreid worden. Ditmaal werd vooral een beroep gedaan op de Turken. Dit drukte sterk op het rendement door de langere opleiding en de specifieke vakantieregeling. Dikwijls gingen Turken in de zomer twee maanden naar Turkije.

Daarenboven werd het aantal dienstjaren om volledig pensioen te kunnen krijgen door de overheid verminderd tot zevenentwintig jaar in 1972 en tot vijfentwintig jaar in 1975. Op die manier verloor KS ongeveer 1200 ervaren mijnwerkers. In 1973 werd er een migratiestop aangekondigd naar aanleiding van de oliecrisis in de jaren 1970.

Dit zijn cijfers voor de gemeente Houthalen. Cijfers voor Meulenberg alleen konden niet teruggevonden worden. Deze grafiek toont duidelijk dat er een immigratiegolf was in de jaren 1947 tot 1953. Deze periode komt overeen met de Kolenslag, de periode dat de mijnen een groot beroep deden op buitenlandse arbeiders.

3.2. De woonplaats van mijnwerkers

De trage opbloei van de steenkoolindustrie bood mogelijkheden voor een uitgebreid vooronderzoek. De concentratie van arbeiders in het Waalse bekken was samengegaan met ontkerkelijking en de groei van de socialistische arbeidersbeweging. De burgerij en de Kerk in Limburg dachten het gevaar te zien aankomen. Ze wilden niet dezelfde fouten maken als in Wallonië waar veel woningen door hun slechte constructie en inplanting na enkele jaren reeds verkrot waren met alle hygiënische en sociale gevolgen van dien. Hierdoor, en doordat het katholieke provinciebestuur bevreesd was dat de mijneigenaars enkel op winstbejag uitwaren, werd in 1906 een modelreglement in verband met openbare hygiëne en veiligheid opgesteld. Hierin werd zowel de aanleg van de straten, als de grootte van de woningen en de afzonderlijke kamers vastgelegd. De provinciale overheid vreesde ook voor gesloten arbeiderscités, waar alles eigendom was van de mijn. Dit kon de provincie echter niet voorkomen. De cités werden geïsoleerde nederzettingen[47].

Naarmate het arbeidsbestand in de mijnen toenam, vermeerderde het aantal woningen. Bij de oprichting was er een opvallende zorg voor de omgeving en de architectuur aanwezig. Er zouden al snel echte tuinwijken ontstaan. De mijntuinwijk onderscheidt zich van andere woonbuurten doordat ze beheerd werd door de werkgever, namelijk de mijn. Meestal bevonden ze zich in de onmiddellijke omgeving van de mijnzetel. Een aparte dienst, de regie, stond in voor het toezicht in de tuinwijk[48].

De ingenieurs hadden meer comfort dan de gewone mijnwerkers. Ze hadden grotere huizen met een grote tuin, een badkamer en centrale verwarming. Ze moesten geen huishuur betalen omdat ze verplicht waren op de cité te wonen. Voor het onderhoud van de tuin en zelfs voor de verwarming van het huis met kolen konden ze een beroep doen op een werkman. De ingenieurswoningen waren het dichtst bij de mijn gelegen. De ingenieurs moesten immers snel beschikbaar zijn wanneer er zich problemen voordeden op de mijn. Hoewel de ingenieurs in de nabijheid van de arbeiders woonden, was er toch een psychologische afstand.

In de cités was er een opvallende zorg voor het uiterlijke. De woningen waren voor die tijd comfortabel, betrekkelijk ruim, sober van inrichting, maar gebouwd met duurzame materialen. Bovendien waren ze al vroeg voorzien van water en elektriciteit. De architecturale kwaliteiten van de tuinwijken maakten dat deze woningen prestigeobjecten werden voor de mijn, waarbij de ene de andere trachtte te overtreffen. Huisvesting vormde, zeker in het begin, een lokmiddel voor arbeiders. De mijncités zorgden voor gezonde, tevreden en stabiele arbeidskrachten wat de productie ten goede kwam. Op sociaal gebied was de toestand minder rooskleurig. De huisvesting was immers ook een drukkingsmiddel van de mijn. De citébewoners werden op die manier afhankelijk van het mijnbestuur voor het wonen, het werken, de handel, de sport, het onderwijs, … Wie ontslagen werd of de mijn verliet, verloor niet alleen zijn werk, maar ook zijn woning en alle andere voorzieningen.

Naast voordelen als gratis kolen, onderhoud van de woningen en lage huurprijs waren er ook verplichtingen en regels inzake het onderhoud van de woning en de tuin. Aan de voorzijde van de huizen bevond zich een siertuin en aan de achterzijde een moestuin. Men was verplicht beide te onderhouden want de mijndirectie ging ervan uit dat tuinieren een ideale vrijetijdsbesteding voor de mijnwerker was.

Gepensioneerden mijnwerkers moesten de cité verlaten, tenzij ze bij hun mijnwerkerszoon konden intrekken. In sommige cités werden kleine woningen voorzien voor gepensioneerden of ze werden opgevangen door de sociale woningmaatschappij. De meeste gepensioneerde mijnwerkers kochten echter zelf een woning voor ze de pensioenleeftijd bereikt hadden. Met het nieuwe mijnwerkersstatuut na de Tweede Wereldoorlog konden de mijnwerkers uitzonderlijk goedkope bouwleningen aangaan. Deze tegemoetkoming zette vooral de Belgen aan om zelf een woning te bouwen in de omgeving van de mijn en de cité[49]. Weduwes van mijnwerkers mochten meestal wel in de cité blijven wonen omdat hun zonen potentiële mijnwerkers waren. Weduwes van ingenieurs moesten de cité echter wel verlaten[50].

De massale toestroom van buitenlandse arbeiders tijdens de kolenslag zorgde voor een groot huisvestingsprobleem. De mijnmaatschappijen bouwden daarom in de tuinwijken snel nieuwe kosthuizen voor alleenstaanden. Hier en daar werd als noodoplossing tijdelijke constructies opgericht in prefabmateriaal. Dit was het geval met de houten noodwoningen op Meulenberg. De barakkenkampen, opgericht door de Duitsers tijdens de oorlog, werden vanaf 1947 gebruikt voor de huisvesting van de immigranten en hun families. Ze zouden worden afgebroken naarmate andere woonvoorzieningen beschikbaar waren. In Meulenberg zouden deze barakkenkampen bewoond blijven tot 1972.

Er waren dus meer aanvragen dan er woningen vrijkwamen. De regie moest dus een selectie maken tussen de kandidaten. Aan bepaalde groepen werd voorrang geven. De vreemdelingen die met hun gezin in de mijnstreek kwamen wonen, kregen meestal dadelijk een woning. Ze konden nergens anders heen omdat ze hier niemand kenden, er niet genoeg huizen waren in Limburg en de huizen te duur waren. Bovendien werden ze gediscrimineerd op de gewone arbeidsmarkt.  De mijn van Houthalen zorgde er zelfs voor dat de woningen bemeubeld waren. Pas aangekomen migranten hadden immers weinig bezittingen. De prijs van het meubilair werd rechtstreeks afgehouden van het loon.

Alleenstaande mannen kregen een plaats in een logementshuis of gingen als kostganger bij een gezin wonen. Sommige pendelaars waren te lang onderweg om elke dag heen en weer te reizen en bleven door de week in het logementshuis overnachten. De logementshuizen in de tuinwijken waren afhankelijk van de mijnen. Het dagelijks beheer gebeurde door een gerant. In elk logementshuis was er een eetzaal en keuken waar de logeurs zelf konden koken. Een badkamer was er meestal niet aangezien de mijnwerkers zich konden wassen in de badzaal van de mijn. Het kostgeld dat de logeurs moesten betalen, werd rechtstreeks van hun loon afgehouden. In Meulenberg had men het logementshuis Phalanstère, gelegen in de Bergstraat[51].

Naast deze logementshuizen of kantines van de mijn zelf, waren er ook private kantines. Deze kantines werden niet gecontroleerd door de regie. Hier en daar ontstonden er wanttoestanden zoals overbezetting en onhygiënische omstandigheden. Soms werd een-zelfde bed verhuurd aan twee personen met een andere post. Terwijl de ene ging werken sliep de andere en omgekeerd. Alleenstaanden die geen onderkomen vonden of wilden in een logementshuis, huurden een kamer of een bed bij een mijnwerkersgezin in de cité. Het fenomeen van kostganger of logeur werd door de mijn oogluikend toegestaan en in het begin zelfs gestimuleerd. De mijn stond een vermindering van de huurprijs toe wanneer een bepaald aantal kostgangers werd opgenomen. Het huisvestingsprogramma kon immers de toename van het personeel niet volgen[52]. Het logeren bij gezinnen is echter een typisch verschijnsel in de tussenoorlogse periode.

De economische depressie van 1958 had eveneens een weerslag op de bouwbedrijvigheid in de mijncités. Er werd niet meer gebouwd, enkel nog verbouwd. De woningen werden uitgebreid en voorzien van een badkamer. Zo wilde de mijnmaatschappij de waarde van de huizen verhogen om te kunnen meedingen met de private woningbouw. Vanaf 1967 begonnen de mijnvennootschappen citéwoningen te verkopen. Ze hadden toen immers geen industriële activiteit meer en de opbrengsten uit huurgelden waren laag. De woningen werden voortaan ofwel verhuurd als sociale woningen ofwel werden ze verkocht aan de bewoners[53]. Aan de voordeur kon men zien of de inwoner eigenaars of huurders waren. Zodra men het huis had gekocht zette men er een andere voordeur in om zich te onderscheidden van de andere identieke arbeiderswoningen.

Hoewel de mijn van Houthalen pas in 1939 in productie ging, werden in 1925 reeds vijfentwintig woningen gerealiseerd langs de Grote Baan. Dit kleine wijkje wordt nu de Oude Cité genoemd. De mijn kon slechts moeizaam aaneengesloten, uitgestrekte en goedkope eigendommen verwerven, waardoor de tuinwijk Meulenberg een kilometer verderop werd uitgebouwd. De wijk kenmerkt zich door een strakke structuur, rechte wegen en identieke woningen. Ook hier was een sterke hiërarchische verdeling. Langs de Kerklaan  bevonden zich de bediendewoningen. De Heidelaan scheidde de ingenieurswoningen van de arbeiderswoningen.

Ook voor gemeenschapsvoorzieningen werd gezorgd. Zo zorgde de mijn voor scholen, een kerk, een casino, tennispleinen, … In 1942 omvatte de cité 180 arbeiderswoningen, vijfentwintig bediendewoningen en drie ingenieursvilla’s. Na de Tweede Wereldoorlog werden houten noodwoningen opgericht ten noorden en noordoosten van de cité Meulenberg. De zeven straten waarin deze noodwoningen stonden, hadden geen naam, maar een nummer. In de eerste twee straatjes stonden de zogenaamde lange barakken. Het waren bruine barakken met kleine venstertjes waardoor er weinig licht naar binnen viel. Deze noodwoningen waren bestemd voor alleenstaande gastarbeiders. Toch hebben daar enkele gezinnen gewoond.

Het was er niet zo gezellig wonen want de barakken waren ruw afgewerkt met een cementen vloer. De witte barakken daarentegen waren veel mooier en hadden een plankenvloer. De barakken hadden twee of drie slaapkamers, een leefruimte met keuken, een wasplaats en een toilet. De Maatschappij voor Goedkope Woningen bouwde van 1947 tot 1950 nog een aantal woningen bij om aan de vraag van de arbeiders te kunnen voldoen.

 

 Noten

[1] VAN DOORSLAER, Koolputterserfgoed, 122.
[2] Dit zogenaamde Kolenambt had tot doel de productie aan te passen aan de binnenlandse markt, deze productie te verdelen over de verschillende ondernemingen en de verkoopprijzen op peil te houden.  MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 88.
[3] MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 83-88.
[4] BARBAY, 100 jaar steenkool. Ik verkoos de mijn, 25.
[5] VAN MEULDER, De Ereburgers, 475-479.
[6] VAN DOORSLAER, Koolputterserfgoed, 122.
[7] Zie verder punt 3.1.
[8] DE RIJCK, Sporen van een mijnverleden, 12-14.
[9] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 51-57.
[10] DE WILDE, Het mijnalarm, 17.
[11] DE RIJCK, Sporen van een mijnverleden, 18.
[12] Zie kaartje in bijlage IV.
[13] VAN DOORSLAER, Koolputterserfgoed, 124.
[14] Deze woningen zagen er allen hetzelfde uit en kunnen vergeleken worden met de huizen in de tuinwijken. Alleen het groene aspect van de tuinwijken ontbreekt hier.
[15] Een tuinwijk is een woonwijk voorzien van groen en meestal gebouwd voor de arbeiders bij een industrie. De tuinwijken moeten in het groen gelegen zijn om tezelfdertijd de kwalen van de stad te vermijden en de voortgang door industrialisatie te ondersteunen.  DE RIJCK, Sporen van een mijnverleden. 22.
[16] Zie kaartje Meulenberg in bijlage.
[17] MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 104-107.
[18] BARBAY, 100 jaar steenkool. Ik verkoos de mijn, 38.
[19] 1 euro = 40,3399 Belgische frank.
[20] BARBAY, 100 jaar steenkool. Ik verkoos de mijn, 38.
[21] Zie punt 1.2.
[22] BARBAY, 100 jaar steenkool. Ik verkoos de mijn, 39.
[23] VAN DOORSLAER, Koolputterserfgoed, 125.

[24] Isia Isgour werd op 18 augustus 1913 geboren in Minsk, Wit-Rusland. Omwille van hun joodse afkomst, waren hij en zijn familie meerdere malen genoodzaakt te vluchten. Zo kwam hij in Brussel terecht. Isia Isgour voltooide zijn architectuuropleiding aan de ‘Académie Royale des Beaux-Arts’ te Brussel. In Limburg heeft hij  veel monumenten en gebouwen gebouwd. Oorspronkelijk was zijn stijl eerder klassiek maar rond 1950 bekeerde hij zich volledig tot het modernisme. Op 6 juli 1967 stierf Isia Isgour te Brussel. Isia Isgour, architectuur, tentoonstellingscatalogus en VAN LOO, Repertorium van de architectuur in België, 315.
[25] DE RIJCK, De Ereburgers. Boek II, 251-254.
[26] BARBAY, 100 jaar steenkool. Ik verkoos de mijn, 46-47.
[27] Zie kaartje Houthalen in bijlage IV.
[28] BARBAY, 100 jaar steenkool. Ik verkoos de mijn. 47-49.
[29] BARNAY, 100 jaar steenkool. Ik verkoos de mijn, 59.
[30] Het frater- en het zusterklooster.
[31] BUCCOLINI, Parochie Sint-lambertus, 6.
[32] FRANSENS, Op de heuvel stonden twee soldaten, 1990.
[33] DE RIJCK, De Ereburgers. Boek I. 21.
[34] MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 99.
[35] DE RIJCK, Sporen van een mijnverleden. 8-9.
[36] GODDERIS, Poolse migratie in België 1945-1950, 14-16.
[37] DE RIJCK, De Ereburgers. Boek I. 22-25/
[38] MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 101-102.
[39] DE RIJCK, Sporen van een mijnverleden, 11.
[40] DE RIJCK, De Ereburgers. Boek I. 29-34.
[41] GODDEERIS, De Poolse migratie in België 1945-1950, 52.
[42] Achille van Acker kreeg door al deze inspanning de bijnaam Achille Charbon. MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 166.
[43] Uit interview met Roger Schillebeeks.
[44] Uit interview met Antonio Tempo.
[45] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 54.
[46] FEDECHAR is de Belgische federatie van Kolenmijnen, Fédération Charbonnière de Belgique.
[47] MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 204-205.
[48] Zie punt 2.2.
[49] VAN DOORSLAER, Koolputterserfgoed, 75.
[50] DE RIJCK, Sporen van een mijnverleden, 26-27.
[51] Zie kaartje Houthalen in bijlage IV.
[52] DE RIJCK, De ereburgers Boek I, 229-236.
[53] Idem, 206-208.

    

Hoofdstuk 2
De kerk en de mijn

1. Bisdom en parochiewerking
2. De mijn en de uitbouw van de parochie
3. Achtergronden van de priesters 
4. De rol van priesters in een mijnwerkersparochie 
5. Immigratie, parochiestructuur en priesters

Noten

In dit hoofdstuk wil ik dieper ingaan op de parochie Meulenberg, de priesters en de mijn. Ik wil hier kijken naar Meulenberg als een mijnwerkersparochie en als een immigrantenparochie. Drie aspecten zijn belangrijk in deze parochie, de band met het bedrijf, met het klasseverschil en de migratie. Het zijn deze aspecten die ik hier verder wil behandelen. Vooreerst wordt de reactie van het bisdom op de komst van de mijn behandeld. De parochie Meulenberg werd namelijk gesticht door de komst van de mijn. In dit hoofdstuk wordt nagegaan hoe sterk de relatie van de kerk was met de mijn. Verder worden de verschillende priesters van de parochie Meulenberg overlopen. Wie waren ze en wat hebben ze gerealiseerd? In dit hoofdstuk wordt ook nagegaan hoe de verhouding van de kerk ten opzichte van de verschillende sociale klassen was. Was er een verschil in houding tegenover ingenieurs en arbeiders? Tot slot wordt in dit hoofdstuk nog ingegaan op de immigratie en de houding van de parochie ten opzichte van deze immigranten.

1. Bisdom en parochiewerking

De exploitatie van de Limburgse steenkoolmijnen kwam zoals gezegd pas goed op gang vanaf 1920. Limburg behoorde toen nog tot het bisdom Luik en het katholieke karakter werd er langer bewaard dan in de rest van Vlaanderen[1]. Vanuit katholieke hoek zag men de komst van de mijnen als een bedreiging voor de Vlaamse religieuze volkscultuur. De industrialisatie zou een ontkerkelijking veroorzaken en de overwegend Franse en Waalse mijnmaatschappijen zouden een verfransing met zich meebrengen[2]. De katholieke geestelijkheid weerde zich tegen deze ‘volksvreemde elementen’ uit angst voor een ontwrichting van de traditionele maatschappij. De katholieken en de provincie Limburg gingen rond de jaren 1940 steeds meer belang hechten aan de vervlaamsing van de mijngemeenten[3]. Vervlaamsing in de mijnen werd gerealiseerd na de Tweede Wereldoorlog nadat de katholieken hier al lang voor gepleit hadden.

De katholieken zagen het opkomende socialisme als een synoniem voor anarchie en goddeloosheid. Volgend de katholieke kerk ondermijnde het socialisme de bestaande orde en de verhoudingen tussen de klassen. De kerk bleef aanvankelijk vasthouden aan een paternalistisch-caritatieve benadering ten aanzien van de gelovigen[4]. Het was geen echte beleidslijn, maar de kerk ging ervan uit dat zij vanuit haar denken en haar ervaring wel wisten wat goed was voor de gelovigen. Het bisdom meende te zien wat anderen nodig hadden en men probeerde die noden op te vullen. Onder het pontificaat van paus Leo XIII (1878-1903) kwam hier verandering in. Zo was er de sociaal-voelend bisschop Victor Doutreloux (1879-1901)  van Luik, die reeds de weg had gewezen om de ontkerkelijking tegen te gaan. Zijn opvolger, Martinus Rutten (1901-1927) zou op een meer behoedzame wijze in dezelfde richting werken. De parochie moest van Rutten voortaan het middelpunt vormen van religieus-educatieve en maatschappelijke organisaties.

De priesters kregen een nieuwe rol. Van hen werd verwacht dat ze meer aandacht zouden besteden aan maatschappelijke werken. Alle hens werden aan dek geroepen om in Limburg op alle mogelijke fronten de katholieke zuil te organiseren. Alle kerken, kapellen, scholen, patronaten en mutualiteiten werden ofwel aan het werk gezet, ofwel werden ze opgericht. De clerus kon steeds meer pastorale taken aan omdat het aantal priesters sterk steeg[5].

In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, tot het einde van het episcopaat van Louis-Jozef Kerkhofs (1927-1961), kende de Limburgse kerk een voorspoedige periode. Zij kon steunen op het grote aantal priesters dat geschoold was tijdens het interbellum en in de naoorlogse periode[6].  De pastoors konden zich doorgaans in die periode nog verheugen in een hoge kerkpraktijk.

In de jaren 1960 kwam er een welvaartsstijging die leidde tot een wijziging in het cultuurpatroon. De secularisering stak steeds meer de kop op. Ook het kerk- en priesterbeeld onderging veranderingen. Ondanks de welvaartstijging traden er tewerkstellingsnoden op voor jongeren en begon de mijnindustrie in moeilijkheden te komen. Dat leidde tot een toenemende sociaal-economische diversificatie. Er was dus nood aan een aangepast beleid. De onafhankelijkheid van het bisdom Limburg speelde hier een grote rol in. Het bisdom Limburg werd op 31 mei 1967 onafhankelijk van het bisdom Luik[7]. Deze onafhankelijkheid liet een meer aangepast beleid voor Limburg toe. Jozef Maria Heusschen, die sinds 1962 hulpbisschop voor Limburg was en met de onafhankelijkheid van het bisdom bisschop werd, koos voor een eigentijdse kerkopbouw. Paul Schreurs, hulpbisschop[8], hielp hem hierbij. Er werd gekozen voor een kerkbestuur dat steunde op inspraak en overleg. Het bisdom ontwikkelde een animatiepastoraal in plaats van een christenheidspastoraal. Deze christenheidspastoraal was gericht op de christelijke massa en werd niet meer geschikt bevonden voor het steeds meer geseculariseerde Limburg. De animatiepastoraal daarentegen was gericht op het concrete leven. Dit blijkt uit de grote aandacht voor de gezins- en jeugdproblematiek, de mijnwerkersproblematiek en de relatie tussen migranten en Limburgse gelovigen[9]. Deze nieuwe aanpak lag volledig in de lijn van het Tweede Vaticaans Concilie (van oktober 1962 tot december 1965). Met dit Tweede Vaticaans Concilie kwamen er veel wensen naar boven voor een andere kerk. Zo was er de wens om meer aandacht te hebben voor een eigen spiritualiteit en verantwoordelijkheid van leken. Er was ook de wens voor een afbouw van de machtspositie van de clerus ten voordele van de lokale kerken. De kerk moest zich niet langer opstellen als een vijandig bolwerk tegenover de wereld, maar moest juist een verzoening met deze wereld trachten na te streven[10].

Ondanks een aantal maatregelen van het bisdom wist deze toch niet goed hoe de mijnparochies aangepakt moesten worden. De mijnparochies hadden twee bijzondere problemen. Vooreerst zat men met een slinkend aantal gelovigen en daarnaast was er de aanwezigheid van de verschillende culturen en godsdiensten. Tot de jaren 1960 was er namelijk slechts één godsdienst geweest waarmee rekening moest worden gehouden. Vanaf 1963, na het akkoord met Turkije en Marokko, kwam de kerk in aanraking met de Islam. Het bisdom wist niet goed hoe met deze nieuwe godsdienst om te gaan.

Het bisdom ging reageren op deze problemen. Het bisdom Limburg vroeg de priesters die van Luik naar Limburg kwamen om een pastoraal uit te dokteren voor de mijnparochies[11]. Door de splitsing van het bisdom Luik kwamen er in de jaren 1970 namelijk verscheidene Limburgse priesters terug uit Luik. Deze Luikse priesters waren reeds in contact gekomen met een beginnende leegloop van de kerken. In Limburg begon het aantal gelovigen namelijk ook te slinken en het bisdom hoopte dat de Luikse priesters, met hun ervaring, hier iets aan konden veranderen. De priesters die overkwamen, konden dus hun ervaringen toepassen in de Limburgse mijnparochies. Een paar van hen hadden bij hun overkomst, het idee opgevat om ervaringen uit te wisselen onder elkaar. Dit initiatief komt verder aan bod in dit hoofdstuk[12]. Vooral de visie van het Tweede Vaticaans Concilie werd volop toegepast in de mijnparochies. Zo maakte het Latijn in de liturgie plaats voor de volkstaal en de priesters moesten niet meer in toga over straat lopen, maar mochten gewone burgerkledij dragen. Er kwamen ook parochieraden met inspraak voor leden en op interdiocesaan niveau kwam er een pastoraal overlegorgaan van geestelijken, religieuzen en leken. De aandacht voor de leken kwam dus meer op de voorgrond. Door deze visie toe te passen, hoopte men het geloofsafval in de mijnparochies tegen te gaan. Na het Tweede Vaticaans Concilie kreeg de minder dogmatische en meer animatiegerichte pastoraal meer aandacht. De leken werden meer bij de parochie betrokken[13].

Aangezien het aantal priesters na 1950 al gevoelig begon te dalen, ontstond er in de jaren 1980 een tekort aan priesters voor deze mijnparochies. Veel Limburgse priesters voelden zich niet langer geroepen om in de mijnwerkersparochies te werken. De parochies waren sociaal en religieus een veel te gedifferentieerde groep volgens E.H. Vanderwegen en enkele van zijn collega’s[14]. Monseigneur Heusschen beklaagde zich hierover in Rome en kwam zo in contact met de groep ‘Redemptor Hominis’. De leden van deze religieuze beweging doen de belofte om te gaan waarheen ze gezonden werden. Zo kwam het dat een deel van hen in Limburg terechtkwam, waar ze vooral in de mijnparochies werden ingezet[15].

Een laatste element wat het bisdom wou bereiken voor een goed werkende parochie was een homogeen milieu in deze parochie. Er moest een gezond contact gezocht worden tussen de verschillende sociale klassen. Sommige katholieke auteurs vroegen zich af hoe de arbeiders nog konden geloven in de katholieke leer, als ze hun liefdeloze patroons aan het werk zagen. Het aantal arbeiders begon de hogere klasse ook voorbij te steken. Er moest dus een toenadering tussen de klassen gezocht worden en deze moest van boven komen. De auteurs vonden dat het bisdom de gemoederen tussen arbeiders en patroons moesten pogen te verbeteren om via die weg tot een hogere kerkpraktijk te komen[16].

2. De mijn en de uitbouw van de parochie

De geestelijkheid haalde vaak uit naar de mijndirecties die, bij de aanvang van de mijnindustrie in Limburg, vijandig tegenover de godsdienst zou hebben gestaan[17]. Ze vreesden dat de mijndirecties de mijnwerkers zouden opzetten tegen de kerk. Hierin vergisten de priesters en het bisdom zich echter. De mijndirecties wilden juist samenwerken met de kerk omdat ze zagen dat het socialisme in Luik voor opstandige arbeiders had gezorgd. De kerk zelf is ook langzaam zijn negatieve houding gaan veranderen om de, zo al moeilijk bereikbare, mijnwerkers niet te verliezen. Onder monseigneur Broekx werd een echte arbeidspastoraal uitgewerkt. Hij heeft mee gestalte gegeven aan de christelijke arbeidersbeweging van Limburg Langzaam aan is het de mijndirecties gelukt om de katholieken in Limburg aan hun kant te krijgen. Voor het onderwijs in de mijnwerkerswijken trokken zij katholieke kloosterordes aan. In Houthalen kwamen de zusters van Filip Neri en de fraters van Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid van Tilburg les geven in de lagere school van Meulenberg.  In de tuinwijken reserveerden zij woningen voor pastoors en kapelaans. Een voorbeeld van interesse van de mijn voor het religieuze leven, is de bouw van de vijf mijnkathedralen in Limburg. De eerste mijnkerk werd gebouwd in Winterslag van  1923 tot 1925. Deze Heilig-Hartkerk was volledig in harmonie met de stijl van de tuinwijk. Tien jaar later werd gestart met de bouw van de Kristus Koningkerk van Waterschei en de Sint-Barbarakerk van Eisden. Kort daarop volgde de Sint-Albertuskerk van Zwartberg (1939-1940). De grote, kunstzinnige kerk moest het uitzicht van de wat grauwe en eenvoudige mijnwijk verbeteren. In Houthalen werd de bestaande kerk in 1939 vergroot en kreeg als toevoeging een zware zijtoren. Beringen kon niet achter blijven en bouwde de grote Sint-Theodarduskerk. In de Tweede Cité van Winterslag werd in 1950 nog de neoromaanse St.-Eventiuskerk gebouwd. De kerk van Zolder kreeg materiële steun van de mijn, maar werd niet door de mijn gebouwd. In Meulenberg werd in 1942 een eenvoudige kerk gebouwd door de mijn. De plannen om later een mijnkathedraal te bouwen, bleken na de Tweede Wereldoorlog financieel niet meer haalbaar[18].

De mijnen zorgden niet alleen voor de kerkgebouwen en de pastorie. Zij werkten ook nauw samen met de pastoor bij de organisatie van het kerkelijke leven van de citébewoners. Geestelijken die op dezelfde lijn stonden als het mijnpatronaat kregen alle steun voor hun activiteiten. Zo was het opvallend dat een nieuwe pastoor of kapelaan zich eerst ging melden bij de directeur van de mijn voordat hij naar de burgemeester ging[19]. Zolang de samenwerking met de katholieke kerk goed bleef, moest de mijn niet vrezen voor opstandige mijnwerkers. De pastoors waren zeer afhankelijk van de mijndirecties door de gratis woning en kolen die ze ter beschikking kregen. Ze konden tevens gebruik maken van een hovenier die een halve dag per week kwam werken[20]. In sommige van hun preken probeerden de priesters de mensen dan ook te laten zien hoe goed ze het hadden met de mijn[21].

In 1942 liet de mijndirectie van Houthalen een noodkerk bouwen in het hart van de cité Meulenberg nadat pastoor Nulens van Houthalen hierop had aangedrongen bij het mijnbestuur. Het is opvallend dat de mijn niet alleen de grote bouwer, maar ook de grote weldoener van de parochie Meulenberg is geweest. Dit wijst wederom op het feit dat de mijn wou samenwerken met de katholieke kerk. Door dit alles aan de kerk te schenken had de mijndirectie als het ware een beetje macht over deze kerk. Onder de directie van de heer Achille Ampe, en sinds 1943 van de heer Alphonse Soille, gaf de mijn de grond. In 1942 bouwde de mijn de kapel en voegde in 1948 twee zijbeuken eraan toe. Bovendien schonk de mijn de meubels. De kapel werd ingewijd op 21 juni 1942 door de vicaris-generaal van het bisdom Luik, Monseigneur Simenon. Toen was Meulenberg nog een kapelanie van de parochie Sint-Martinus van Houthalen-centrum. De bevolking in Meulenberg nam toe en daarom werd op 7 september 1948 Meulenberg tot een zelfstandige parochie verheven onder het patronaat van Sint-Lambertus[22]. Als tweede patrones werd de Heilige Barbara gekozen, patrones van de mijnwerkers.

De mijn investeerde ook in de jaarlijkse sacramentsprocessie in juni. Deze jaarlijkse processie, op zondag na de hoogmis, was een feestelijk gebeuren voor de hele parochie. De eerste processie ging uit op 19 juni 1949. Hele straten werden voor die gelegenheid versierd met houten staanders waarin kleurige wimpels vrolijk fladderden. Iedere straat had haar eigen kleur: de Bremstraat wit-blauw, de Wildrozenstraat wit-geel en de Varenstraat wit-rood. Gekleurde paaltjes op een afstand van vijf kilometer werden met linten verbonden. Ook de vlaggen op het plein aan de kerk hingen dan hoog in stok. De hele buurt werd versierd met bloemen die massaal werden aangevoerd uit de serres van de mijndirecteur. Groepen kinderen beeldden in de processie verschillende fragmenten uit van het evangelie en van het leven van een heilige. Zij droegen dan schitterende kostuums die de koolmijn bekostigd had. Opvallend in deze processie waren ook de mijnwerkers en de heel jonge mijnwerkertjes met het beeld van Sint-Barbara dat door een groep maagden omringd was. Andere deelnemende groepen in de processie waren: de Mijnwerkers-Brancardiers en de Sint-Barbaragilde, de K.A.V. en de K.W.B., de communicanten, de misdienaars, de gemeenteraadsleden, de rijkswacht in gala-uniform en tenslotte het zangkoor en de harmonie. Diegene die niet meeliepen in de processie waren er toch sterk bij betrokken. Thuis, bij de voordeur, stelden zij een tafeltje op met een kruisbeeld of een Mariabeeld omringd door bloemen en brandende kaarsen[23].

Deze investering van de mijn in de processie gebeurde vooral om twee grote redenen. Enerzijds wilden ze de gelovige arbeiders tevreden houden door achter hun geloof te staan. Anderzijds was het een nieuw drukkingsmiddel voor de kerk. Als de kerk in opstand kwam tegen de mijndirecties zou deze processie namelijk niet meer door kunnen gaan.

In bovenstaande is al een aantal keren de rol van de mijn naar boven gekomen. Vooral in de glorieperiode van de mijn kreeg de kerk grote voordelen. Vooreerst werd de kerk gebouwd. Deze kerk en de pastoor kregen gratis kolen en de tuin van de pastoor en de kapelaan werden onderhouden door een tuinman die betaald werd door de mijn. De mijndirectie en de ingenieurs zaten ook, zoals te verwachten viel, in de kerkfabriek. De kerkfabriek is verantwoordelijk voor het onderhoud en het behoud van de kerken. Daarenboven houden ze zich ook bezig met het kerkvermogen.

3. Achtergronden van de priesters

Deze paragraaf brengt de verschillende pastoors en kapelaans van Meulenberg in beeld. Hun loopbaan wordt kort overlopen om daarna verder in te gaan op hun verwezenlijkingen in Meulenberg. Van de eerste pastoors van Meulenberg heb ik alleen informatie kunnen verwerven via schriftelijke bronnen en via herinneringen van de geïnterviewde mensen omdat ze reeds overleden zijn. Van pastoor Salvatori en de meeste kapelaans kan ik meer informatie en verwezenlijkingen weergeven, omdat ik hen persoonlijk heb kunnen spreken.

De eerste pastoor van Meulenberg was Mathieu Bouveroux, de voormalige kapelaan van deze parochie. Hij was geboren te Val-Meer, een deelgemeente van Riemst, op 12 juli 1904. Op 1 juli 1928 ontving hij zijn wijding te Luik. Onmiddellijk na zijn wijding werd hij leraar aan het college in Sint-Truiden. Hij bleef leraar tot hij in 1942 benoemd werd tot kapelaan van Houthalen. Als kapelaan had hij ook de zorg van Meulenberg die toen nog tot Houthalen behoorde. Meulenberg was toen nog geen afzonderlijke parochie. Toen Meulenberg een onafhankelijke parochie werd, was het Bouveroux die in 1948 tot pastoor van deze parochie benoemd werd. Bij zijn benoeming op 15 september 1948 was heel de parochie versierd en werd hij op een bijzondere plechtige en feestelijk wijze onthaald. Eind januari 1956 werd hij dan als Deken van Maasmechelen aangesteld. De parochianen zagen hem met zeer veel spijt in het hart vertrekken en gaven een groot afscheidsfeest voor hem in het casino[24]. Hij overleed in 1990.

Vanaf kerstmis 1948 tot augustus 1952 was er een Poolse priester, Frans Dudziak, aanwezig op Meulenberg. Hij had geen benoeming van kapelaan in de parochie. Hij was in een concentratiekamp in Duitsland geweest en zou later, samen met landgenoten, naar Amerika emigreren. Hij was dus één van de vele DP’s van na de oorlog. Het is dankzij deze priester dat de Onze-Lieve-Vrouw kapel van de Mijnwerkers-Brancardiers in Meulenberg gebouwd werd[25].

De opvolger van Bouveroux, Aloys Van Assche werd geboren te Vliermaalroot, een deelgemeente van Kortessem, op 11 augustus 1914. Na zijn wijding op 3 juli 1938 in Luik werd hij kapelaan in Winterslag. Op 6 februari 1956 werd hij dan, in navolging van Bouveroux, tot pastoor van Meulenberg benoemd. Hij was toen kapelaan in Winterslag. Hij kwam op 23 februari op Meulenberg aan, om op 2 april aangesteld te worden als pastoor. Het onthaal van de nieuwe pastoor was zeer plechtig. Aan de grens van de parochie werd hij, op de Koolmijnlaan, verwelkomd door burgemeester Godderie, door de leden van de kerkfabriek en door de vertegenwoordigers van de mijndirectie en de verenigingen. De heer Deltenre, technisch bestuurder en tevens voorzitter van de kerkfabriek, begroette hem aan de deur van de kerk en bood hem als geschenk een kelk aan. Van Assche zal bijna dertig jaar lang ononderbroken in Meulenberg verblijven[26].

Op 9 februari 1972 kreeg pastoor Van Assche een zwaar verkeersongeval. Hij zou 8 maanden in het ziekenhuis moeten blijven voor herstel. Na zijn revalidatie kon hij geen auto meer rijden en moest hij zich voortbewegen met behulp van een stok. Hoewel velen, waaronder de bisschop van Limburg, dachten dat hij nu weldra met pensioen zou gaan, bleef hij zich inzetten voor zijn parochianen tot 1985. Pastoor Van Assche overleed in Hasselt op 5 april 1997[27].

De eerste kapelaan van Meulenberg was een Poolse priester, Paul Maciej. Hij werd geboren op 2 juni 1918 te Recklinghausen. Hij was de zoon van Poolse ouders die in de Tweede Wereldoorlog als krijgsgevangene naar Duitsland werden gevoerd. Het is in Duitsland dat Paul Maciej werd geboren. Van daaruit werd Paul Maciej naar Luik getransporteerd waar hij werd opgenomen door een professor van het Grootseminarie. Hij werd op 30 juni 1946 tot priester gewijd. De eerste parochie waar hij kapelaan werd, was Val-Saint-Lambert. Dit gebeurde in hetzelfde jaar dat hij priester was gewijd. In 1948 was hij dan nog kapelaan van Seraing Notre Dame om in 1952 tot kapelaan van Meulenberg benoemd te worden. Zijn kennis van het Pools kwam van pas voor de communicatie met de Poolse mijnwerkers in Meulenberg. Na 10 jaar werd hij dan aalmoezenier van de Polen in België. Aangezien hij zelf Pools sprak was de band met de Polen makkelijker te maken. Hij overleed in Genk op 19 mei 1974[28].

In 1962 had de parochie Meulenberg dus nood aan een nieuwe kapelaan en het was kapelaan Willy Vanormelingen die hen op 15 augustus 1962 zou vervoegen. Hij werd geboren op 1 maart 1937 te Ulbeek in Limburg. Hij was de jongste zoon in een landbouwersgezin en wou priester worden uit een sociale bewogenheid. Zijn drie priester-ooms waren een groot voorbeeld voor hem. Op 8 juli 1962 werd hij in Luik tot priester gewijd. Het eerste wat hij als priester leerde, was op huisbezoek gaan bij de mensen. De sociale bewogenheid om mensen te helpen door dicht bij hen te staan, heeft hem altijd aangesproken. De eerste parochie waar hij benoemd werd, was Meulenberg. Hij is echter maar één jaar in Meulenberg gebleven. Hij werd zwaar ziek en moest naar Pellenberg om te revalideren. Toen hij weer aan de slag kon, werd hij benoemd in Borgloon. Daar is hij zes jaar gebleven om vervolgens veertien jaar naar Alken te trekken. Vervolgens is hij benoemd te Voeren, Tongeren en Kiewit[29].

Het was Albert Martens die hem in 1963 verving als kapelaan van Meulenberg. Hij werd geboren te Hasselt op 29 mei 1931 en tot priester gewijd op 22 december 1956 te Luik. De eerste parochie waar hij benoemd werd, was Flemalle-Grande in de provincie Luik.. Hij zou er kapelaan blijven tot 1963 waarna hij naar Meulenberg zou komen. In 1968 werd kapelaan Martens, die al een jaar moeilijkheden had met zijn stem, aangesteld als directeur van het Jongenstehuis in Genk. Op 1 juli 1981 werd hij nog benoemd tot pastoor van Zonhoven en hij zou daar blijven tot zijn pensioen in 1995[30].

Gust Vanherck werd in juni 1968 kapelaan van Meulenberg. Hij is geboren op 25 februari 1939 in Heusden-Zolder. Op 29-jarige leeftijd werd hij tot priester gewijd in Bree. Rond die tijd werd de splitsing van het bisdom Luik-Limburg een feit. Meulenberg was de eerste parochie waar hij benoemd werd. Hij bleef er vijf jaar waarna hij is benoemd in Eisden. De bisschop had hem te Meulenberg aangesteld omdat Vanherck uit de multi-culturele buurt Heusden-Zolder kwam en hij zich dan ook kon aanpassen dicht bij huis. Bovendien wist hij hoe dergelijke wijken in elkaar zatenen schrok hij dus niet terug voor deze situatie. Vijf jaar later zou hij Meulenberg al verlaten, maar de parochianen waren het hier niet mee eens. Ze wilden niet dat hij vertrok en protesteerden zowel binnen als buiten de kerk. Op de straten werd gekalkt: ‘Meulenberg is fier - laat de kapelaan hier’. Zelfs monseigneur Heuschen werd aangeklampt om hem van de idee van de overplaatsing af te brengen. Kapelaan Vanherck, zelf dupe van dit alles, kondigde ten slotte zelf zijn verplaatsing aan en introduceerde zijn opvolger Jan Berden.

Jan Berden werd geboren op 25 juli 1936 in Genk. Op 5 juli 1964 werd hij tot priester gewijd in Luik. De eerste parochie waar hij kapelaan werd, was St. Nicolas in Luik in 1964. Hij zou er zes jaar blijven om dan tot kapelaan te worden benoemd in de parochie Houthalen. Jan Berden overleed helaas op 19 december 1974 op 37-jarige leeftijd. Hij was altijd in mijnwerkersparochies werkzaam geweest. Zijn uitvaartdienst werd bijgewoond door 800 parochianen in en buiten de kerk[31].

Zijn opvolger werd kapelaan Désiré Vanderwegen van Meeuwen. Hij werd geboren op 4 maart 1933. Zijn vader was onderwijzer en werd later schoolhoofd in Meeuwen. Hij werd in Luik gewijd op 12 juli 1959. Onmiddellijk na zijn wijding is hij 16 jaar lang actief geweest in twee Luikse arbeidersparochies en was hij aalmoezenier van de sociale werken te Comblain au Pont, tevens in de provincie Luik gelegen. Hij hield zich daar bezig met alles wat te maken had met arbeiders, arbeidersbeweging, syndicaat en ziekenfonds. Zijn grote voorbeeld was eerst Monseigneur Cardijn die zich bezig hield met de arbeidersjeugd en de jongeren. Hij lag mee aan de basis van de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ). Later werd zijn grote voorbeeld pater Riccardo Lombardi. In april 1975 kwam hij naar Meulenberg. Het was zijn eerste parochie in Limburg. De bisschop had hem beloofd dat hij pastoor van Meulenberg zou mogen worden, aangezien pastoor Van Assche een zwaar ongeluk had gehad en waarschijnlijk weldra op pensioen zou gaan. Om pastoor Van Assche te verlichten nam kapelaan Vanderwegen zoveel mogelijk taken op zich, hierdoor kon de pastoor meer rusten waardoor hij langer bleef. Kapelaan Vanderwegen wou in Meulenberg een project opstarten om de kerk te vernieuwen. Hier zal ik in de volgende paragraaf dieper op in gaan. Hij zou Meulenberg, met pijn in het hart, verlaten nadat hij in 1983 tot pastoor van Opgrimbie benoemd werd. Op 1 mei 1999 ging hij op rust[32].

Het bisdom Hasselt begon vanaf de jaren 1960 met een te kort aan priesters te kampen. Monseigneur Heusschen zou zich hierover beklagen in Rome. Zo kreeg hij de hulp van Italiaanse priesters van de groep ‘Redemptor Hominis’. Aangezien er veel Italianen aanwezig waren in de Limburgse mijnparochies zag het bisdom deze Italiaanse priesters als de ideale oplossing.

De gemeenschap ‘Redemptor Hominis’ is ontstaan in Italië aan het einde van de jaren 1960 rond de priester Emilio Grasso. Veel jonge mensen kwamen, vanuit verschillende ervaringen, in aanraking met de radicaliteit van het christelijke voorstel van die jonge kapelaan van een arbeidersparochie in Rome. Deze jongeren voelden zich aangesproken door Emilio en werden diep getroffen door het voorbeeld van zijn inzet voor zieken en sociaal zwakkeren in zijn parochie. Sommige van die jongeren waren tot dan alleen bekommerd om hun eigen, veilige toekomst, zonder enige belangstelling voor sociale of godsdienstige inzet[33]. Anderen waren zeer persoonlijk betrokken bij de opkomende studentenbewegingen en bij het vakbondsleven. Nog anderen worstelden eerder met persoonlijke problemen dan met sociale vraagstukken. Toen Emilio, met toestemming van zijn bisschop, in één van de armste krottenwijken van Rome ging leven, volgden die jongeren hem om hem te helpen in een school voor arme kinderen. In die context van gemeenschapservaring begon een soort monastiek leven vorm te krijgen. Emilio werd voor hen de ‘Vader’. Vandaar de naam ‘Monniken van de Vader’ die zij in die krottenwijk spontaan kregen en ook kozen. De groep groeide en had zich ook opengesteld voor de universele dimensie van de kerk. Sinds 1975 zijn zij werkzaam in Limburg en in 1981 werden zij door Monseigneur Heusschen in het bisdom Hasselt voor het eerst kerkrechterlijk erkend onder de vorm van 'vereniging van christusgelovigen’, toen nog de ‘vrome vereniging’ of ‘Pia Unio’ genoemd. Ze kozen de naam Redemtor Hominis, Verlosser van de mens, naar de eerste encycliek van paus Johannes Paulus II. Ze leefden in kleine gemeenschappen in zuiverheid, armoede en gehoorzaamheid aan de verantwoordelijke van het huis waar zij woonden en aan de algemene overste van de Pia Unio. Ze voorzagen in hun onderhoud met eigen arbeid. De studie van de theologie en de eigentijdse cultuur was voor hen zeer belangrijk.

Eén van deze Italiaanse priesters Renato Buccolini zou Van Assche opvolgen als pastoor van Meulenberg. Hij werd tot pastoor benoemd op 1 december 1983 nadat hij reeds kapelaan was geweest in Italië. Buccolini heeft een boekje over de parochie Meulenberg geschreven naar aanleiding van veertig jaar parochie Meulenberg. Helaas heb ik over pastoor Buccolini niet meer informatie kunnen verwerven. Zelfs in het boekje dat hij over de parochie geschreven heeft, heb ik niet meer informatie over hem kunnen vinden. Het enige wat ik weet is dat hij momenteel actief is in Paraguay als priester van ‘Redemptor Hominis’[34].

De laatste pastoor van Meulenberg was ook een priester van ‘Redemptor Hominis’, Maurizio Fomini Salvatori. Hij was kapelaan van Meulenberg van 1985 tot 1993. Na het vertrek van pastoor Buccolini in 1993 werd hij benoemd tot pastoor van deze parochie. Pastoor Salvatori is geboren in Rome op 16 juli 1951. Hij heeft zijn studies in Rome gedaan, tot zijn licenties in theologie. Als kind had hij nooit interesse in de kerk. Hij hield er gewoon van om van het leven te genieten. Dan ontmoette hij in de parochie een priester die over de wereldproblemen sprak en zo mensen aantrok die interesse hadden in deze wereldproblemen. Pastoor Salvatori was één van deze mensen. Net als pastoor Bucolini was ook hij lid van ‘Redemptor Hominis’. Als student in het humaniora ging hij in een krottenwijk aan de rand van de stad Rome wonen. Hij ging daar wonen om hun getuigenis te horen en om hen bij te staan. Op vraag van monseigneur Heusschen is hij dan naar België gekomen. Toen pastoor Salvatori naar België kwam had hij zijn studies theologie al afgerond, maar hij was nog niet tot priester gewijd. Eenmaal in België vroeg monseigneur Heusschen hem of hij geen priester wou worden. Pastoor Salvatori wou dit niet zonder eerst voldoende Nederlands te kunnen. Hij is dan een jaar naar Leuven getrokken om er Nederlands te leren in het Instituut Voor Levende Talen. Op 31 december 1983 werd hij dan tot priester gewijd in Kouterbos, Genk. Hij was eerst twee jaar kapelaan in Zwartberg om in 1985 als kapelaan naar Meulenberg te komen. Zijn opdracht in Meulenberg was vooral zich bezig te houden met de Italianen in de parochie. Hij was dus kapelaan in de parochie voor de Vlamingen en pastoor voor de Italianen. In 1993 werd hij dan tot pastoor benoemd van de hele parochie[35]. Hij bleef in Meulenberg tot 1998, van waaruit hij naar Maasmechelen trok.

Na zijn vertrek raakte de parochie volledig in de problemen. De verschillende nationaliteiten zouden steeds vijandiger tegenover elkaar komen te staan. Er was nu geen bemiddelaar meer om de verschillende nationaliteiten dichter bij elkaar te brengen. Het was vooral de moslimgemeenschap die tegenover de grote groep Italianen en Spanjaarden in Meulenberg kwam te staan. Geen enkele priester voelde zich nog geroepen om in deze moeilijke parochie te komen werken. Ook het te kort aan priesters zorgde voor problemen bij de aanstelling van een nieuwe pastoor. Men vond dan een oplossing door pastoor Albert Debakkere, verantwoordelijke voor de federatie Houthalen-Helchteren, te laten instaan voor de parochie Meulenberg

Deze neergang van de parochie is niet alleen te wijten aan de nationaliteitsverschillen. Ook Vlaamse parochies met minder nationaliteitsverschillen raakten in verval in de jaren 1990. Een oorzaak hiervan is zeker de groeiende geloofsafval. Steeds minder mensen voelen zich aangetrokken door het geloof. Dit fenomeen heeft ook een rol gespeeld in Meulenberg.

Als alle kapelaans van Meulenberg bekeken worden dan merken we dat voor een deel kapelaans  Meulenberg de eerste parochie was waar ze benoemd werden. De kapelaans die al een parochie gehad hadden, kwamen dan weer uit Luik. Blijkbaar had een mijnparochie nood aan jonge, gemotiveerde geestelijken- die de sociaal moeilijke situaties in deze parochies vol goede moed aanpakten. Buiten deze onervaren geestelijken met een enthousiasme, waren er de kapelaans die met een koffer vol ervaring uit Luik naar de Limburgse mijnparochies kwamen. Dit kan wijzen op een bewuste strategie van het bisdom Hasselt om de mijnwerkersparochies aan te pakken. Men ging vooral gebruik maken van enthousiasme en ervaring om de problemen in de mijnparochies aan te pakken. Daarnaast maakte het bisdom ook gebruik van de priesters van Redemptor Hominis om het tekort aan priesters in Limburg op te vangen.

4. De rol van priesters in een mijnwerkersparochie

In dit punt worden de initiatieven die de priesters genomen hebben in de parochie overlopen. Wat hebben ze opgericht of pogen op te richten, wat was het resultaat er van en hoe lang heeft het bestaan.

De kerkgang van Meulenberg was typisch voor een arbeidersparochie. De parochie leed onder  de invloed van de mijn en onder de voortdurende migratie van inwoners uit andere parochies. De kerkpraktijk daalde elk jaar volgens katholieke auteurs[36]. De opkomst van industrie zal in Limburg wel voor een achteruitgang van het geloof gezorgd hebben, maar er mag niet vergeten worden dat er toch nog veel gelovigen in de kerk waren. Er moet een verschil gemaakt worden tussen geloofsafval en misverzuim. Onder geloofsafval worden de mensen die uit het geloof stappen begrepen. Het misverzuim daarentegen houdt in dat mensen steeds minder naar de eucharistie gingen, maar toch bleven ze mogelijk gelovig.

Met de komst van de mijn was er in Limburg vooral sprake van een dalende kerkpraktijk. Het verergerde van jaar tot jaar. Vooral het nachtwerk van de mijnwerkers leidde tot dit misverzuim. Het Tweede Vaticaans Concilie liet echter toe dat er avondmissen werden ingevoerd waardoor de mijnwerkers, vooraleer hun nachtpost aan te vatten, nog naar de mis konden gaan. De pastoraal voor het Tweede Vaticaans concilie was ook niet aangepast aan de arbeiders. De arbeiders verstonden geen Latijn en kwamen zo ver van de liturgie te staan. Bij de immigranten was er ook een misverzuim vast te stellen. Dit was voornamelijk het geval bij de alleenstaande mannen. De controle van familie, en vooral, van de gemeenschap was weggevallen waardoor het voor hen eenvoudiger lag om niet meer naar de kerk te gaan[37]. 

De kerkgang in de parochie Meulenberg volgt de globale, neergaande lijn van de kerkpraktijk in Vlaanderen. De eerste kapelaan van Meulenberg, Vanormelingen (1962-1963), had nog parochianen die zeer kerkelijk waren en regelmatig eucharistie vierden. Ook kapelaan Vanherck (1968-1973) kende nog een grote kerkgang. Zelfs gelovigen van buiten de parochie, kwamen naar Meulenberg om eucharistie te vieren. Een mogelijke verklaring hiervoor kon zijn dat het kerkje van Meulenberg een gezellig, aangenaam karakter had waar het gemeenschapsgevoel nog sterk heerste. Bij kapelaan Vanderwegen (1975-1983) was de kerkgang al wisselend. Vooral door de aanwezigheid van verschillende nationaliteiten was de kerkgang zeer versnipperd. Het waren vooral de Italianen die talrijk aanwezig waren in de vieringen. Toch vond Vanderwegen dat de kerkgang in Meulenberg nog redelijk hoog lag, in vergelijking met Wallonië. Tegen de tijd dat pastoor Salvatori (1985-1998) in Meulenberg aankwam was de kerkgang al sterk afgenomen. Hij heeft nooit een volle kerk gekend, hoewel er maar tegen de honderd man in het kerkje van Meulenberg kon. Toch kan verondersteld worden dat de kerkgang in Meulenberg altijd al  minder geweest was dan in andere parochies omwille van de arbeidersbevolking.

De verscheidene priesters die Meulenberg heeft gekend, hadden een eigen houding ten opzichte van de arbeiders. Een gemeenschappelijk punt bij de pastoors en kapelaans was de positieve houding ten aanzien van de arbeiders. In wat volgt, zullen, in chronologische volgorde de relisaties van de pastoors en kapelaans in dit verband worden besproken.

De eerste pastoor Bouveroux (1948-1956) en de latere kapelaan Vanherck (1968-1973) hadden beiden veel aandacht voor de kinderen en jongeren van de parochie. Bouveroux zijn eerste zorg was de bouw van een kleuterschool in Meulenberg. In samenspraak met het mijnbestuur zorgde hij dat er een, voor die tijd, zeer moderne kleuterschool gebouwd werd. Het was een voorbeeldschool voor veel pedagogen onder andere door de vele middelen die de mijn ter beschikking stelde[38]. Het was dus Bouveroux die er bij de mijn op aandrong om tot een beslissing voor de bouw van de kleuterschool over te gaan. Pastoor Bouveroux was verder ook nog proost van de Chiro.

Van bij zijn aanstelling nam Kapelaan Vanherck een aantal bijzondere initiatieven voor de jeugd.  Samen met de jongeren van Meulenberg heeft hij het jeugdhuis JOKIDO opgebouwd in 1968. Dit was een initiatief van de minister van cultuur, Van Mechelen, die inplantingen deed in wijken waar het nodig was om nieuwe kansen aan te bieden. Het jeugdhuis werd een ontmoetingscentrum dat veel succes kende. Kapelaan Vanherck was ervan overtuigd dat men zich moest bezighouden met de dagelijkse problemen van de arbeiders zonder daarbij geïsoleerd te denken of te handelen[39]. Kapelaan Vanherck had heel zijn leven tussen de arbeiders gewoond en had zo deze overtuiging opgebouwd[40]. Het terrein voor het jeugdhuis werd gratis geschonken door de parochie die daarmee wilde aantonen dat ze achter het project stond. De subsidie kwam vooral van het ministerie van Volksgezondheid en Cultuur. Het jeugdhuis fungeerde vooral als ontmoetingscentrum voor jongeren. De opzet van JOKIDO was voor iedereen open te staan en bij te dragen aan de onderlinge verstandhouding. Het jeugdhuis heeft lang goed gedraaid, met slechts enkele kleine incidenten, onder meer vechtpartijen. Naarmate de mijnen echter meer in de problemen kwamen en er dus meer werkloosheid heerste onder de jongeren, begon het vandalisme in het jeugdhuis toe te nemen. Het oorspronkelijke doel van onderlinge verstandhouding ging hierdoor volledig verloren. Uiteindelijk is het jeugdhuis JOKIDO in vlammen opgegaan na een, hoogstwaarschijnlijk, moedwillige brand in 1986[41].

Kapelaan Berden (1973-1974) was zelf een mijnwerkerszoon. Hij kon zich dus zeer goed inleven in de situatie van de mijnwerkers. Het was echter vooral met de Italianen dat hij een zeer goede band had. In Houthalen assisteerde hij dan ook de Italiaanse missionaris van Houthalen, Zolder-Lindeman en Koersel. Zelf  sprak hij goed Italiaans. Wanneer hij in 1973 tot kapelaan van Meulenberg benoemd werd, zou hij deze laatste zorg moeten op geven om zich volledig te kunnen inzetten voor deze parochie. Op amper een jaar tijd, had kapelaan Berden zich goed ingewerkt in de parochie en de parochianen hadden vertrouwen in hem.

Kapelaan Vanderwegen (1975-1983) besteedde veel aandacht aan de catechese van groot en klein, maar ook aan het lekenpastoraal in de parochiale werking. Voor hem draaide alles rond een pastoraal met een voorkeur voor de armen en de zwakken.  Hij vond het ook belangrijk dat de gelovige leek in het kerkelijke leven mondig werd gemaakt. Zijn grote voorbeeld pater Ricardo Lombardi had een boek geschreven waarin beschreven wordt hoe de kerk zich na het Tweede Vaticaans Concilie kon inpassen in de cultuur van de tijd. In 1982 ontdekte hij dan dat vanuit dit boek een concreet project uitgewerkt werd om de kerk te vernieuwen. Het was voor hem dan ook een uitstekend uitgangspunt om samen een Kerk te vormen naar het model van het Tweede Vaticaans Concilie: de mens als verbondenheid van mensen onder elkaar, God, de natuur en de omgeving. Kapelaan Vanderwegen is zich dan altijd met dit project blijven bezighouden. De parochianen stonden redelijk onverschillig ten opzichte van zijn project. Ze lieten hem begaan, maar zijn project is nooit echt van de grond gekomen in Meulenberg[42].

Samen met twee andere priesters heeft Vanderwegen bij zijn komt naar het bisdom Hasselt het initiatief genomen om een mijnwerkerspastoraal uit te werken. Ze vormden de zogenaamde club van Zwartberg. Deze goedbedoelde intentie liep echter slecht af. Eén van de prietsers die meewerkte, Jef Ulburghs, had namelijk een afwijkende mening. Begin jaren 1980 stelde Jef Ulburghs zich onafhankelijk verkiesbaar op een socialistische lijst[43].

De priesters konden, naast hun aandacht voor de arbeidersparochianen, de ingenieurs en de bedienden van de mijn niet uit het oog verliezen. Het was de mijn die de parochie had helpen groeien, dus moest men de hooggeplaatsten van de mijn tevreden stellen. In Meulenberg hadden de priesters geen conflicten met de ingenieurs.

De ingenieurs hadden de sleutelposities van het parochiale leven in handen omdat ze in de kerkfabriek zetelden en sommige bewegingen voorzaten, zoals de plaatselijke voetbalclub en de harmonie. De voorzitters van deze bewegingen moesten mensen zijn die konden praten en die de mensen konden welkom heten op de vergaderingen. De ingenieurs achtten zich geschikt voor deze rol. In de kerk zelf was het ook opvallend dat de mijndirecteurs en ingenieurs hun vaste zitplaats hadden. Ze zaten vooraan in de kerk terwijl het gewone volk, de mijnwerkers allemaal achter hen moesten gaan zitten. Een opmerkelijk feit dat uit het interview met E.H. Salvatori naar boven is gekomen, dat de mensen, jaren na de sluiting van Houthalen mijn nog steeds de vijf eerste rijen in de kerk openlieten omdat deze rijen voor de mijndirecties bestemd waren geweest. Ondanks  het feit dat er nu geen directeurs of ingenieurs meer waren, zat het bij deze mensen ingebakken dat ze niet op die rijen mochten plaatsnemen.

Aangezien velen van de ingenieurs Franstalig waren, werd de preek tijdens de eucharistie in het Frans gegeven. Vóór het Tweede Vaticaans Concilie was de mis volledig in het Latijn, buiten de preek die dus in het Frans gebeurde. Deze Franstalige inbreng in de vieringen in Meulenberg heeft echter niet lang geduurd. Alle priesters hebben me tijdens de interviews verzekerd dat de vieringen -na het Tweede Vaticaans Concilie- in het Nederlands gebeurden. Alleen in de glorieperiode van de mijn werden de preken in het Frans gegeven.

De mijndirecteurs van Houthalen stonden, zoals gezegd, positief ten opzichte van het godsdienstig leven. Ze waren dan ook zelf vrome katholieken en dit kwam op verschillende manieren tot uiting. In juli 1942 werd Edmond Ampe, de zoon van toenmalig mijndirecteur Achille Ampe, tot priester gewijd. In de parochie Meulenberg werd hij feestelijk onthaald. Ook Christian Deltenre, zoon van directeur Deltenre van Houthalen, werd tot priester gewijd op 6 april 1958 in Heverlee. Het was ook deze directeur die in 1951 het beeld van de Heilige Thérèse Martin van Lisieux aan het kerkje van Meulenberg schonk.

5. Immigratie, parochiestructuur en priesters

In dit punt wil ik kort de integratie van de verschillende nationaliteiten behandelen en de rol van de parochie en de priesters hierin. In dit eindwerk ligt de interesse vooral in de houding van de parochie ten opzichte van de immigranten, dus een interesse in de invloed van de parochie op de integratie van de immigranten. Toch is het belangrijk om eveneens eens te focussen op de integratie van nationaliteiten.

De samenwerking tussen de verschillende nationaliteiten heeft in de mijnen steeds relatief weinig problemen gegeven. Voor de meeste onder hen had de nationaliteit van de persoon met wie ze moesten werken geen belang, zolang ze hun werk maar goed deden. In de mijn was iedereen zwart en dan zag je als het ware niet meer wie welke nationaliteit had. Eens op de bovengrond echter werd er een wel verschil gemaakt tussen de nationaliteiten. De culturele verschillen kwamen dan naar boven. Onder andere Beda Claes heeft over deze problematiek geschreven[44].

In de wijken was er de angst voor de ander, de angst voor het anders zijn van de ander. Er werden berichten verspreid dat de Italianen lui waren, besmettelijke geslachtziekten hadden en een gevaar voor de goede zeden waren[45]. Dergelijke berichten kon men lezen in ‘Ons Limburg’, het blad van de christelijke arbeidersbeweging vanaf de jaren 1930. Voor de immigranten was het dan ook moeilijk om zich te integreren, voornamelijk  omdat zij met de intentie naar Limburg waren gekomen om op korte tijd geld te sparen zodat ze vlug terug konden naar hun vaderland. Dit draaide echter anders uit en velen zochten steun bij landgenoten die eveneens in de mijn werkten. Langzamerhand ontstonden hieruit verschillende gemeenschappen en iedere gemeenschap leefde op zichzelf. Dit geldde vooral voor de eerste generatie. Iedere gemeenschap had zijn eigen winkels in de cité wat de verscheidenheid en de verschillen nog vergrootte.

Het proces van integratie vroeg meerdere generaties. Dit zowel door de beperkte openheid van de Belgen ten opzichte van de immigranten, alsook vanwege de banden van de nieuwe migranten met hun land van herkomst. In verband met de integratie moet dus rekening gehouden worden met de verschillende generaties.

Toch mag niet vergeten worden dat elke migrantengroep religieuze activiteiten ontplooide, waardoor de immigranten niet voor ontkerstening of zedeloosheid zorgden.

Tot en met de jaren 1950 waren de meeste migranten in de mijnstreek katholiek. Zowel de Polen, Italianen en Spanjaarden die in de Limburgse mijnen kwamen werken, waren katholiek. Vóór de Tweede Wereldoorlog gingen twee Belgische geestelijken naar Polen om er Pools te leren omdat Polen zelf met een tekort aan priesters zat. De Poolse priesters die naar België kwamen bleven maar voor enkele maanden of jaren omdat ze door hun overste teruggeroepen werden of omdat ze zelf het woord van God wilden gaan verkondigen in hun vaderland[46]. De Belgische geestelijken wilden bovendien liever eigen priesters inzetten in de migrantenparochies om een zo groot mogelijke band met de parochianen te behouden en dit tot ongeveer 1947. Deze twee Belgische geestelijken hebben zich ontfermd over de Polen in Limburg. In Meulenberg had men op dat moment de Poolse kapelaan Maciej (1952-1962). Vanaf 1947 werd er door het bisdom Hasselt op aangedrongen om meer vreemde priesters in te zetten in Limburg[47]. Er werden dus echte Poolse priesters ingeschakeld[48]. De kerk was er toen namelijk van overtuigd dat vreemde priesters nodig waren om de buitenlandse mijnwerkers moraliteit bij te brengen. De eigen taal, de riten, en het nationalisme van de migranten maakten het de Vlaamse priester zeer moeilijk om hen in te schakelen in het parochiale leven. Later gingen niet alleen de Poolse priesters, maar ook Spaanse, Tsjechische, Italiaanse en Portugese priesters de gebedsdiensten in de moedertaal verzorgden. Ze speelden een grote rol zowel in het gemeenschapsleven van de migranten, als bij contacten met de Belgische maatschappij.

De echte immigrantenpriesters heb ik niet geïnterviewd. Wel heb ik Salvatori geïnterviewd die toch ook een rol voor de Italianen heeft gespeeld.  Dat verklaart waarom ik niet uitgebreid kan ingaan op wat ze verwezenlijkt hebben. Mijn informatie over hen is enerzijds afkomstig uit de interviews met de voormalige kapelaans van Meulenberg en anderzijds uit literatuur. Deze allochtone priesters kwamen echter met eigen projecten naar de mijnstreek en waren geïrriteerd wanneer de autochtone clerus die leek tegen te werken of niet serieus nam[49]. De Italianen, Spanjaarden en Polen kregen in Meulenberg eigen priesters. Deze katholieke migranten konden terecht in de bestaande kerken van de cités. In Meulenberg konden deze migranten terecht in de kerk van de parochie. Voor deze nationaliteiten werden er in Meulenberg geen aparte kerkgebouwen voorzien. De moslims richtten hier en daar moskeeën op, eerst in logementshuizen, daarna in speciaal hiervoor opgetrokken gebouwen. Voor de financiering van de moskeeën werd geld ingezameld binnen de gemeenschappen zelf, maar er kwam ook steun van moslimstaten. Om de vijf jaar kwam er een nieuwe imam, die werd betaald door de Turkse of Marokkaanse staat[50]. De gemeente van Houthalen gaf in 1975 de toestemming om in Meulenberg een Turkse moskee te bouwen in de Saviostraat. In 1995 besliste men om alles met de grond gelijk te maken om het architectonisch geheel in de wijk te bevorderen. Er verscheen toen een volledig nieuwe moskee. De Marokkaanse moskee van Meulenberg is gelegen naast het voormalige zusterklooster in de Elzenstraat. Een gedeelte van de moskee bestaat uit het oude klooster. In de jaren 1980 werd het echter uitgebreid. Het was één van de eerste moskeeën die erkend werden in België.

Door al deze verschillende nationaliteiten die hun eigen nationale viering wilden hebben ontstonden landskerken binnen de grote katholieke kerk. De meeste vreemdelingen waren in de eerste plaats lid van hun nationaliteit en dan pas van de algemene katholieke kerk. Iedere gemeenschap vierde eucharistie in haar eigen taal en met hun eigen ritus. Ze zochten zo steun bij landgenoten om zich te kunnen handhaven in een vreemd land. Voor de plaatselijke Vlaamse pastoor was het ook zeer moeilijk om een goed contact met de vreemde mijnwerkers op te bouwen omwille van het taalverschil, maar ook omwille van het feit dat de arbeiders maar een aantal jaar in de mijn werkten om dan naar hun vaderland terug te keren. Volgens Kerkhofs bleef in deze verwarrende omstandigheden de zielzorg voor de immigranten erg ondankbaar. Men kon nooit verder bouwen aan de begonnen integratie in de parochie[51]. De interviews met de priesters tonen echter nog andere problemen. De geïnterviewde priesters stelden dat de kerken voor de immigranten in het begin noodzakelijk waren, maar eigenlijk de integratie bemoeilijkten. Dus niet het terugkeren naar het vaderland was het grote probleem, maar wel de versnippering door de vele nationale kerken.

Bij de eerste generatie migranten waren er nog gelovigen die bijeen kwamen om eucharistie te vieren. Het waren vooral families, want alleenstaande immigranten gingen weinig naar de kerk. Omwille van de zeer verschillende nationaliteiten werden er verschillende vieringen georganiseerd. Vlamingen, Italianen, Spanjaarden, Polen en Grieken kwamen geregeld bijeen om -elk op hun eigen manier- hun geloof te belijden. Iedere zondag om 9u30 was er een viering voor de Italianen in Meulenberg. Eén maal per maand was er een eucharistieviering voor de Spanjaarden (op zaterdag), maar ook voor de Polen (op zondag). Ook de Grieken kwamen soms bij elkaar samen met hun pope. Opvallend hierbij was dat de Italianen, Spanjaarden en Polen na de viering buiten aan de kerk bij elkaar bleven staan om in hun eigen taal nieuwtjes uit te wisselen.

De eerste Italiaanse priester in Meulenberg was een missionaris Padre Mario. Na hem kwamen Don Renzo Stefani (een Italiaanse mijnwerkerszoon afkomstig uit Meulenberg) en nog later Don Angelo Gualdi, die elkaar afwisselden. Don Renzo Stefani is maar enkele maanden actief geweest voor hij naar Rome trok voor zijn studies. Don Angelo Gualdi was priester voor de Italiaanse gemeenschap vanaf 1975. Voor de Spanjaarden was het Don José Lucas. Hij was sinds 1959 verantwoordelijk voor de Missione Catholica Espagnol in Limburg[52]. De Polen hadden verschillende aalmoezeniers die elkaar afwisselden. Vanwege al deze verschillende vieringen merkte men wel dat de kerk van Meulenberg oorspronkelijk een noodkapel was. De kerk was laag en door al de verschillende vieringen na elkaar, was tegen de middag de zuurstof uit kerk verdwenen. Men kon er bovendien weinig deuren en vensters open zetten om er zuurstof binnen te laten. In de late voormiddag was het dus niet meer aangenaam om in de kerk te zitten[53].

Tot op de dag van vandaag heeft Meulenberg eigen vieringen voor de Italianen en Polen in de kerk van Meulenberg[54]. De Italiaanse priesters die de vieringen voorzitten, zijn pastoor Don Angelo Gualdi en Don Claudio. Don Angelo Gualdi woont in Genk en is verantwoordelijke voor alle Italianen in de provincie Limburg. De Poolse prelaat is momenteel Richard Sztylka die in Leopoldsburg woont. De Grieken hebben ondertussen een eigen kerkgebouw gekregen in Houthalen-centrum waarvoor priester Doulgerakis Diomedis verantwoordelijk is. Tot slot is er nog iedere vrijdag een gebedsmoment in de Turkse en Marokkaanse moskeeën in de Saviostraat en Elzenstraat in Meulenberg.

Voor we overgaan naar de houding van de priesters ten opzichte van de migranten wil ik nog even de aandacht vestigen op een opvallende gebeurtenis in de parochie Meulenberg die bijna iedere respondent me heeft verteld. De priesterwijding van een Italiaanse mijnwerkerszoon in 1971. Renzo Stefani was een mijnwerkerszoon die tot 1949 in de barakken in Meulenberg had gewoond. Na de lagere school bij de fraters van Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid van Tilburg in Meulenberg, had hij gestudeerd op het Sint-Pieterscollege in Leuven. Daarna trok hij naar het seminarie van Sint-Truiden en Luik. Monseigneur Heusschen wou bij de wijding van Renzo Stefani een uitzondering maken door hem in zijn eigen parochiekerk te wijden. De wijding gebeurde in het Nederlands en het Italiaans. Na zijn wijding trok Renzo Stefani naar Rome om er zijn studies verder te zetten[55]. Vooral de Italiaanse mijnwerkers voelden zich enorm fier met deze wijding. Het bewees volgens hen dat een mijnwerkerszoon eveneens kon opklimmen[56]. Opvallend ook was de tweetalige wijding in de eigen parochiekerk.

Alle priesters van Meulenberg die ik geïnterviewd heb, hebben een poging gedaan om een goed contact te krijgen met de immigranten. In de relatie van de priesters met deze migranten kunnen er twee grote lijnen onderscheiden worden, namelijk het taalverschil leren en de pogingen om Belgen en migranten samen te brengen.

Ten eerste was er het taalverschil. Kapelaan Vanormelingen (1962-1963) wist  bij zijn aankomst in Meulenberg niet hoe hij het taalverschil moest aanpakken. Hij werd jammer genoeg reeds na een paar maanden ernstig ziek. Gedurende zijn verblijf van vele maanden in Pellenberg was het eerste wat hij van twee vrouwelijke parochianen kreeg een platenspeler met Italiaanse platen. Via dit autodidactisch materiaal heeft hij Italiaans geleerd. Zo zou hij dan beter kunnen communiceren met de grote groep Italiaanse parochianen in Meulenberg. Hij heeft zijn kennis echter nooit in de praktijk kunnen toepassen aangezien hij na zijn ontslag uit Pellenberg overgeplaatst werd naar een andere parochie[57].

Kapelaan Vanderwegen (1975-1983) leerde van bijna iedere taal een paar woordjes zodat hij alle nationaliteiten in hun eigen taal kon aanspreken. Voor het Italiaans- volgde hij enkele maanden taallessen bij de Bouworde van Heusden. Kapelaan Vanderwegen nam ook het initiatief om iedere maand twee personen van iedere gemeenschap uit te nodigen om met elkaar te leren spreken en elkaar te leren begrijpen. Geleidelijk aan ontstonden er zo kleine activiteiten om zich, met iets typisch van zijn cultuur, aan elkaar voor te stellen. Met de Italianen, Spanjaarden, Polen en Grieken werd in verschillende talen de kerstnachtmis gevierd om daarna samen te komen in de parochiezaal. De kerstwens werd uitgesproken in alle talen die er in Meulenberg  werden gesproken[58].

Ook pastoor Salvatori (1985-1993) leerde een vreemde taal. Hij leerde Nederlands spreken want Italiaans was zijn moedertaal. Voor hij tot priester gewijd werd, wou hij namelijk eerst voldoende Nederlands kunnen. Hij kwam in een Vlaamse parochie terecht en vond het belangrijk dat de voertaal bij alle activiteiten Nederlands was[59].

De taalverschillen overwinnen was voor sommige onder de priesters niet voldoende. Ze wilden bovendien de relatie tussen Belgen en migranten hechter maken. Dit is de tweede grote lijn in de relatie tussen de priesters en de migranten. Deze priesters probeerden dus vanaf de jaren 1970 de landskerken te overstijgen. Dit is dus na Vaticanum II en toen de vestiging van de immigranten permanent werd. Zo startte pastoor Vanderwegen (1975-1983) al snel met een immigrantenwerkgroep en met meertalige missen. Hij zag het als een uitdaging om te kijken of het mogelijk was om een minimum aan broederlijkheid en eenheid te creëren tussen deze verschillende nationaliteiten. De taal en de achtergronden van de immigranten waren in het begin echter onoverkomelijke hindernissen. Onder de immigranten was er een veel grotere samenhorigheid dan onder de Belgen. Wanneer de aandacht voor de immigranten steeds zichtbaarder werden, trokken de Belgen, vanaf de jaren 1980, weg uit Meulenberg naar de parochie Houthalen-centrum.

In Meulenberg kwam Vanderwegen ook voor de eerste maal in contact met de moslims. Het was zelfs de eerste keer dat hij een moslim in levende lijve zag. Van de Islam zelf wist hij niet veel af. Hier wou hij verandering in brengen door met zijn buurman Saïd regelmatig te spreken over de bijbel en de koran en deze met elkaar te vergelijken. Hij ging ook een paar keer op bezoek bij de moskee van de Marokkanen.

Kapelaan Vanderwegen stond daarom soms op gespannen voet met de politici en de dokters van Meulenberg omdat hij zich misschien te veel met de vreemde arbeiders zou bezighouden en niet genoeg met de Belgen. [60]

Pastoor Salvatori’s eerste indruk van de parochie Meulenberg was dat er iets gedaan moest worden op sociaal vlak. Er waren zoveel vreemdelingen bij elkaar op een klein plekje. Het eerste initiatief dat hij nam was een verbroederingsfeest in juni 1986. Het was een soort theater of voorstelling met eigen inbreng, met eigen kleur en eigen accenten van de verschillende nationaliteiten. De voertaal tijdens het feest was Nederlands. Hoewel het een geslaagd feest was, bleek niet iedereen in de parochie bereid om hieraan mee te werken. Een deel Belgen voelde zich buitengesloten door de komst van de Italiaanse priesters. Ze voelden zich nu helemaal vreemd in hun eigen parochie. Pastoor Salvatori wou hier echter aan werken. Zo vond hij dat er maar één parochie was en dat daarin een mogelijkheid moest gecreëerd worden om ten minste één maal per maand een gemeenschappelijke eucharistieviering met alle nationaliteiten te organiseren. Vanaf 1985 was er gedurende tien jaar één maal per maand (op zondag) een internationale viering. De eerste lezing was in het Italiaans of Spaans, het Evangelie in het Nederlands en de preek was eerlijk verdeeld over de talen. Het koor zong in het Latijn. Na zijn vertrek werd dit initiatief niet langer voortgezet. Tevens heeft hij een dialoog met de moslims pogen op te zetten. Er werd gecollecteerd in de kerk voor de bouw van een Turkse en Marokkaanse moskee. Vanuit deze dialoog was een soort vriendschap gegroeid en verschillende keren ging men met een groep mensen naar de moskee om bruggen te slaan tussen de verschillende culturen en godsdiensten. Na het vertrek van Salvatori werd dit initiatief wel verdergezet door de parochianen[61]. Onder andere Jean de Schutter zet zich vandaag de dag nog steeds sterk in om te gidsen in de Turkse moskee. Jean de Schutter is een ex-mijnwerker en heemkundige van Houthalen die zich bezighoudt met het museum ‘Ons mijnverleden’. Tevens is hij lid van de Mijnwerkers-Brancardiers.

Ondanks de vele initiatieven van pastoor Salvatori verliep zijn aanvaarding in Meulenberg moeizaam. Door zijn Italiaanse afkomst, voelden de Belgen zich vreemden in hun eigen parochie[62]. “En daarna zijn de Italiaanse priesters gekomen hè. Toen was het een heel andere sfeer al hè. Toen hebben die Vlaamse mensen wel gezegd, nu is alles vreemd, nu is alles helemaal niet meer van ons.”[63] Het was een andere reden waarom veel Belgen in die tijd wegtrokken. De Belgische parochianen onthaalden deze priesters niet goed. Ze voelden zich nu helemaal vreemden in hun eigen parochie en trokken liever weg. De Italiaanse migranten in Meulenberg daarentegen waren verheugd met deze geestelijke van dezelfde nationaliteit. Pastoor Salvatori heeft, ondanks zijn moeilijke aanvaarding bij de Belgische parochianen, toch geprobeerd om de verschillende nationaliteiten dichter bij elkaar te krijgen. Hij heeft veel moeilijkheden meegemaakt in de parochie Meulenberg, gaande van vandalisme tot regelrecht geweld. Politiecombies werden gestenigd. Na de vernieling van een lijnbus in 1998, weigerde de Lijn nog te rijden op Meulenberg. Ondanks dit alles is hij altijd vanuit een gelovig standpunt blijven werken om de verschillende nationaliteiten dichter bij elkaar te brengen.

De verschillende pastoors en kapelaans hebben, ieder op hun eigen manier, pogen de verschillende nationaliteiten te integreren in één kerk. Zolang ze zelf in de parochie actief waren, liep dit alles goed, maar eens ze weggingen gingen ook hun initiatieven ten onder.

Besluit

In dit hoofdstuk heb ik eerst het bisdom en de parochiewerking bekeken. Met de komst van de mijnindustrie had Limburg schrik voor een ontkerkelijking. Het bisdom Luik en later het bisdom Hasselt namen initiatieven om deze geloofsafval tegen te gaan. Ze kwamen meer tegemoet aan de noden van de arbeiders. Het bisdom Hasselt opteerde ook voor ervaren priesters uit Luik die al in contact waren gekomen met de immigranten.

Ondanks de vooroordelen van de kerk nam de mijn initiatieven om het kerkelijk leven in de parochie te bevorderen. Zo bouwden ze in Meulenberg de noodkapel, financierden ze de sacramentsprocessie en ze zorgden voor een woning en gratis kolen voor de pastoor.

De verschillende pastoors en kapelaans van Meulenberg hebben allen hun eigen initiatieven genomen om dichter bij de parochianen te kunnen staan. Ook aan de immigranten hebben ze de nodige aandacht besteed, ondanks dat deze eigen nationale priesters hadden. Ondanks deze eigen priesters hebben ze ieder, op hun eigen manier, pogen de verschillende nationaliteiten te integreren in één kerk. Alles verliep meestal goed tot ze vertrokken, dan gingen alle initiatieven verloren.

 Noten

[1] LAMBERTS, “De invloed van het katholicisme”, 125.
[2] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 395.
[3] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 189-191.
[4] GEVERS, De ‘belle époque’ van de Kerk in België. 1830-1940, 174.
[5] Tussen 1891 en 1920 werden jaarlijks gemiddeld vijftien diocesane priesters uit Limburg gewijd en tussen 1921 en
1950 nog twaalf. LAMBERTS, “De invloed van het katholicisme”, 160.
[6] LAMBERTS, “De invloed van het katholicisme”, 147.
[7] LAMBERTS, “De invloed van het katholicisme” , 153.
[8] Een bisschop-coadjutor heeft het recht een bisschop op te volgen.
[9] LAMBERTS, “De invloed van het katholicisme”, 153.
[10] GEVERS, Kerk in de kering. De Vlaamse kerk en de wending van het Tweede Vaticaans concilie, 192.
[11] Interview met E.H. Désiré Vanderwegen.
[12] Zie punt 4, hoofdstuk 2.
[13] BEYERS, Iedereen zwart?, 294.
[14] Interview E.H. Maurizio Fomini Salvatori.
[15] In verband met deze beweging zie verder punt 2.3.
[16] KERKHOFS, Godsdienstpraktijk en sociaal-economisch milieu, 259.
[17] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 395.
[18] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 395-397 en VAN DOORSLAER, Koolputterserfgoed, 126.
[19] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 397.
[20] Uit het interview met Willy Vanormelingen.
[21] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 397-398.
[22] BUCCOLINI, Parochie Sint-Lambertus, 6.
[23] BARBAY, 100 jaar steenkool. Ik verkoos de mijn, 53-54.
[24] FRANCESCO, Kroniek van de parochie Meulenberg, 14.
[25] Zie hoofdstuk 3, punt 1.2.
[26] FRANCESCO, Kroniek van de parochie Meulenberg, 6-12 en BARBAY, 100 jaar steenkool. Ik verkoos de
mijn,
50-53.
[27] BUCCOLINI, Parochie Sint-Lambertus, 12 en informatie uit het archief van het bisdom Limburg.
[28] Uit het archief van het bisdom Hasselt, bibliografische gegevens priesters.
[29] Uit interview Willy Vanormelingen.
[30] Uit het archief van het bisdom Hasselt, bibliografische gegevens priesters.
[31] FRANCESCO, Kroniek van de parochie Meulenberg, 27-28 en uit het archief van het bisdom Hasselt, bibliografie gegevens priesters.
[32] Uit interview met Désiré Vanderwegen.
[33] Mauritzio Fomini Salvatori, pastoor van Meulenberg rekende zich tot deze groep. Zie verder in deze paragraaf.
[34] Uit interview Maurizio Fomini Salvatori en BUCCOLINI, Parochie Sint-Lambertus.
[35] Uit interview met Maurizio Fomini Salvatori.
[36] KERKHOFS, Godsdienstpraktijk en sociaal milieu, 256.
[37] Op de plaats van de immigranten in de parochie gaan we verder in, in punt 2.5.
[38] Zie hoofdstuk 1, punt 2.2.
[39] FRANCESCO, Kroniek van wijk en parochie Meulenberg, 25.
[40] Kapelaan Vanherck had zijn jeugd in een multi-culturele wijk in Zolder doorgebracht en had dus al van jongsaf contact met de arbeiders.
[41] Kroniek van de parochie Meulenberg, 25;  verschillende interviews met de priesters.
[42] Uit interview Désiré Vanderwegen.
[43] ULBURGHS, De eeuwige rebel, 65-70.
[44] CLAES, De sociale integratie van Italiaanse en Poolse immigranten.
[45] MINTEN, Een eeuw steenkool in Limburg, 102.
[46] GODDEERIS, De Poolse migratie in België. 76.
[47] BEYERS, Iedereen zwart? 154.
[48] BEYERS, Iedereen zwart? 114.
[49] BEYERS, Iedereen zwart? 300.
[50] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I, 399-402.
[51] KERKHOFS, Godsdienstpraktijk en sociaal milieu, 193.
[52] BEYERS, Iedereen zwart? 300; interview met E.H. Vanormelingen.
[53] Uit interview met Willy Vanormelingen.
[54] De viering voor de Italianen is op zondag om 9u15 en voor de Polen op zondag om 11u15.
[55] De Meulenberg, kroniek van wijk en parochie, 24.
[56] Interview met E.H. Vanherck, E.H. Vanderwegen en Jan Bak.
[57] Uit interview met Willy Vanormlingen.
[58] Uit interview met Désiré Vanderwegen.
[59] Uit interview met Maurizio Fomini Salvatori.
[60] Uit interview met Désiré Vanderwegen.
[61] Uit interview met Maurizio Fomini Salvatori.
[62] Interview met E.H. Désiré Vanderwegen en E.H. Gust Vanherck.
[63] Citaat van E.H. Gust Vanherck.

    

Hoofdstuk 3
Mijnwerkers-Brancardiers

1. Ontstaansgeschiedenis van de Mijnwerkers-Brancardiers 
2. Mijnwerkers-Brancardiers Meulenberg
3. Samenstelling en bestuur van de Mijnwerkers-Brancardiers
4. Leden
5. Activiteiten   
6. Sint-Barbara
7. Relatie van de Mijnwerkers-Brancardiers met kerk, klasse en etniciteit 
8. Andere etnische organisaties 

Noten

In dit hoofdstuk wil ik dieper ingaan op de vereniging van de Mijnwerkers-Brancardiers. Hoe is deze vereniging ontstaan en hoe kende ze haar verspreiding? Verder wordt de structuur van de organisatie onder de loep genomen, net als haar belangrijkste activiteiten. Ook haar relatie met de kerk en de mijndirectie is niet onbelangrijk en wordt hier dan ook verder besproken. Tot slot wordt nog kort gekeken naar de andere verenigingen voor de immigranten. Er wordt gekeken naar de politieke en katholieke organisaties waarin ze actief konden zijn.

Ontstaansgeschiedenis van de Mijnwerkers-Brancardiers

E.H. Deneys werd in 1922 tot priester gewijd in Luik. Hij moest in datzelfde jaar onmiddellijk aan de slag in een parochie in Ans. Nog datzelfde jaar werd hij overgeplaatst naar Waterschei. Daar had hij snel een goede band met de mijnwerkers. Hij verzamelde een aantal mijnwerkers rond zich als medewerkers, onder wie Jan Geerts. Deze merkte op: “Jammer dat wij koolputters niet in Lourdes kunnen komen, of denkt ge dat O.L. Vrouw ons niet gaarne ziet?’. Kapelaan Deneys was hierdoor aangegrepen en wou de mijnwerkers in Lourdes krijgen[1].

Tijdens een Belgische Nationale Lentebedevaart naar Lourdes eind jaren 1920 kwam kapelaan Deneys in contact met de leiding van de ziekentrein, met name voorname dames en heren uit de hogere kringen. Hij zag er de kans om -de zwaardere karweien bij de zieken- door zijn mijnwerkers te laten doen. De grote vraag was toen of de mijnwerkers wel met de zieken konden omgaan, wie hun reis ging betalen en wat zou gebeuren met het werkverlet tijdens de bedevaart van de mijnwerkers. Het heeft een paar jaar geduurd, maar kapelaan Deneys haalde zijn slag thuis met de medewerking van de echtgenote van de mijndirecteur van Waterschei en de Luikse Curie. In 1931 was het ridder Charles-Alfred de Schaetzen van Brienen uit Sint-Huibrechts-Hern die het mogelijk maakte dat de eerste mijnwerkers mee konden gaan op bedevaart naar Lourdes. De eerste mijnwerkers trokken in Lourdes vooral de aandacht door hun mijnwerkersplunje. Dit was nog nooit eerder gezien in Lourdes. De minderbroeder Bernardus Engelborghs (1863-1944) werd in 1933 aalmoezenier van de mijnwerkersgroep. Hij zou meehelpen om de beweging verder uit te breiden. In 1946 volgde pater Polycarpus Diricken (1908-1988), op vraag van verbondsproost Pieter-Jan Broeckx, zijn in 1944 overleden medebroeder op[2]. Hij begeleidde in 1947 de eerste naoorlogse bedevaart waarbij Limburgse mijnwerkers als brancardiers optraden. Tijdens de oorlog hadden de activiteiten van de Mijnwerkers-Brancardiers namelijk stilgelegen. In 1948 bracht de Franciscaan Polycarpus ook de lokale groepen van de Mijnwerkers-Brancardiers onder in de Katholieke Wernemerners Beweging (KWB). Deze nam  na de oorlog de vorming van en de culturele werking onder de arbeiders voor hun rekening[3].

Op 3 oktober 1948 werden de statuten van de ‘Limburgse Mijnwerkers-Brancardiers der Lourdesbedevaarten’ goedgekeurd[4]. Hun acties richtten zich voortaan niet meer alleen op de deelname aan de Lourdesbedevaarten. Ook op het lokale en parochiale niveau kende de werking nu een groot succes. Er was het ziekenbezoek aan medeparochianen, de deelname aan processies en manifestaties en de oprichting van de plaatselijke Sint-Barbaragilden. De mijndirectie verschafte diverse faciliteiten aan haar werknemers voor deelname aan initiatieven die konden bijdragen tot de sociale vrede. Zo kon de mijndirectie voorafbetalingen van het loon doorvoeren zodat er zich geen financiële problemen stelden. Daarnaast konden ze ook verlofregelingen aanpassen in functie van de bedevaart, maar het was niet gezegd dat ze dit altijd deden. In 1951 week de organisatie uit naar andere provincies waar ze al snel enkele honderden leden telde. In 1954 waren 139 groepen aangesloten: 109 uit Limburg, één uit Antwerpen, tien uit Leuven, achttien uit Turnhout en één uit de Voerstreek. In 1956 werd zelfs in West-Vlaanderen met de werking gestart[5].

In de jaren 1950 hadden enkele bisdommen hun eigen diocesane bedevaart. Er bestonden bovendien twee grote bloeiende nationale bedevaarten naar Lourdes: de Nationale Lentebedevaart  met zetel te Leuven en de Nationale Septemberbedevaart met zetel te Luik. Het verlangen naar een eigen Limburgse bedevaart groeide. Alhoewel Limburg toen nog bij het bisdom Luik behoorde, verleende de toenmalige bisschop Monseigneur Kerkhofs op 29 november 1951 toestemming om een eigen diocesane Lourdesbedevaart te organiseren. Op 12 januari 1952 werd de vzw ‘Limburgse diocesane Lourdesbedevaart’ gesticht te Hasselt. Limburg kon nu, vijftien jaar vóór de oprichting van het bisdom Hasselt de titel diocesane bedevaart voeren. De bedevaart bleef innig verbonden met de Mijnwerkers-Brancardiers, die er met hun blauw mijnwerkerspak en de brandende mijnlamp hun stempel op drukten[6].

Op het einde van de jaren 1960 was de werking van de Mijnwerkers-Brancardiers over haar hoogtepunt heen. Om de groeiende achteruitgang in het ledenbestand te keren, voerde men in 1978 een statutenwijziging door die het lidmaatschap verbreedde.

Van bij het ontstaan was het bisdom zeer tevreden met de oprichting van de Mijnwerkers-Brancardiers. De mijnwerkers waren lastige parochianen om te bereiken en de kerk bleef schrik hebben voor de ontkerstening van de mijnwerkers. Door de organisatie kon men het apostolaat bij de mijnwerkers bezielen door de speciale devotie van Onze Lieve Vrouw centraal te stellen. Daarenboven konden de mijnwerkers ingeschakeld worden in de Katholieke Actie. Met de Katholieke Actie wilde de kerk de participatie van de leek in het apostolaat van de kerk bevorderen.

Mijnwerkers-Brancardiers Meulenberg

Op 4 december 1948 wist pater Polycarpus enkele mijnwerkers van Meulenberg te overtuigen om zich aan te sluiten bij de Bond van Mijnwerkers-Brancardiers. Dit gebeurde tijdens het Sint-Barbara feest van de KWB. Bij dit Sint-Barbara feest werden er na de misviering toespraken gehouden. Het was bij zulk een toespraak dat Piet Vandevoort, samen met pater Polycarpus, een oproep deed naar vrijwilligers om als Mijnwerker-Brancardier de jaarlijkse bedevaarten naar Lourdes te helpen organiseren en begeleiden[7].

De oproep viel niet in dovemansoren. In 1949 telde de vereniging zevenendertig leden waarvan er tien in de lente van dat jaar de Lourdesbedevaart zouden ondernemen. De afdeling van Meulenberg had als eerste in Limburg een brancardiersvlag. De schenker van de vlag was Emile Brialmont uit Sint-Truiden. Zijn dochter had de vlag, met daarop Onze-Lieve-Vrouw, een mijnwerkerskop en een mijnlamp met de hand beschilderd. Op zondag 3 juni 1951 werd de vlag door Monseigneur Kerkhofs gewijd[8].

Op diezelfde zondag werd tevens de kapel van Meulenberg gewijd. Deze kapel werd gebouwd op vraag van een Poolse priester Frans Dudziak, die een korte periode in Meulenberg gewoond heeft[9]. Hij was een vurige Mariavereerder en hij beweerde dat zij hem in een droom gevraagd had een kapel te bouwen in de richting van de Teut, op Tenhaagdoornheide.  Hij wist het geloof en de steun te winnen van enkele parochianen die in 1951, met de steun van het mijnbestuur, een kapel bouwden toegewijd aan de Onze-Lieve-Vrouw Van Lourdes. De Mijnwerkers-Brancardiers schonken, na hun terugkeer van de lentebedevaart naar Lourdes in 1950, een groot Mariabeeld aan de kapel. Het beeld was aan de voet van de basiliek in Lourdes door pater Polycarpus gewijd. De kapel van Lourdes werd oorspronkelijk door de regie van de mijn onderhouden, maar al gauw waren het de mijnwerkers die deze taak vrijwillig overnamen. De kapel werd in 1976 vernieuwd door de Mijnwerkers-Brancardiers en de grond werd op 13 juni 1977 gekocht door de Kerkfabriek[10].

Onze-Lieve-Vrouw kreeg eveneens een ereplaats in twee andere kapellen te Houthalen, ofwel met de steun van de mijn ofwel door de mijn zelf opgericht. Op 1 mei 1958 werd een kapel in de vorm van een mijnlamp in de Motmansstraat in Houthalen centrum ingewijd. Ze was gebouwd op initiatief van de mijnwerkersfamilie Gorissen[11]. In de wijk Tenhout werd op 1 mei 1960 de kapel Onze-Lieve-Vrouw van Banneux ingewijd. De mijn had voor deze kapel gratis een stuk grond van zeven are ter beschikking gesteld en de mijnschool leverde er de zitbanken voor[12]. Bij de bouw van deze kappelletjes waren de Mijnwerkers-Brancardiers zelf betrokken.

Samenstelling en bestuur van de Mijnwerkers-Brancardiers

De vereniging van de Mijnwerkers-Brancardiers bestaat uit een provinciaal, gewestelijk en plaatselijk niveau. De provinciale raad is samengesteld uit gewestelijke afgevaardigden die om de vier jaar door de afdelingsbesturen in de onderscheiden gewesten verkozen worden. Ieder gewest heeft recht op minimum één afgevaardigde voor 250 leden aangevuld met één vertegenwoordiger vanaf 500 leden. Verder bestaat de provinciale raad uit de provinciale voorzitter of één van de medevoorzitters van de KWB, de vrijgestelde van het verbondelijk KWB-secretariaat aan wie de begeleidingstaak van de Mijnwerkers-Brancardiers is toevertrouwd sinds 1948 en de verbondsproost van KWB-Limburg.

De provinciale voorzitter, medevoorzitter en secretaris worden om de vier jaar gekozen door de statutaire jaarvergadering, na kandidaatsstelling door de afdelingsbesturen, gewestbesturen of de provinciale raad. De kandidaten voor deze functies moeten aan een aantal voorwaarden voldoen. Ze moeten onder andere bestuurslid zijn van een plaatselijke afdeling Mijnwerkers-Brancardiers. Bovendien moeten ze lid zijn van de KWB. Tevens moeten ze bereid zijn deel te nemen aan de vergaderingen van de provinciale raad en aan alle initiatieven die door de provinciale raad op verbondelijk vlak genomen worden. Voor de verkiezing van de leden van de provinciale raad heeft iedere afdeling recht op één stem per vijfentwintig leden in de afdeling en twee stemmen voor zesentwintig tot vijftig leden en daarboven.

Iedere plaatselijke groep Mijnwerkers-Brancardiers wordt geleid door een bestuur. Na kandidaatsstelling wordt dit bestuur door de leden gekozen. Voor het voorzitterschap kunnen alleen mannen zich kandidaat stellen omdat enkel mannen door hun lidmaatschap de structurele band met de KWB kunnen verzekeren.

Leden

Niet iedereen kon zomaar lid worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Bij de start van de vereniging konden alleen mannen die het statuut van mijnwerker hadden of gehad hadden, lid worden. Deze groep omvatte alle boven- en ondergrondse mijnwerkers, de invalide en gepensioneerde mijnwerkers. In 1967 zijn er de zonen van Mijnwerkers-Brancardiers en overleden Mijnwerkers-Brancardiers bijgekomen. Ook jongens, ouder dan achttien jaar die mijnbouw volgden, konden toen lid worden van de organisatie[13].

Met de sluiting van de mijnen was de organisatie zijn rekruteringsveld echter kwijt geraakt. Het aantal leden slonk geleidelijk aan omdat er geen nieuwe leden meer bijkwamen. Een nieuwe wijziging in het lidmaatschap drong zich op in 1989. Vanaf dat jaar mochten ook niet-mijnwerkers lid zijn van de Mijnwerkers-Brancardiers. Dit kon enkel als ze lid waren van de KWB. Ook vrouwen mochten nu lid worden indien ze echtgenote, dochter of weduwe waren van een Mijnwerker-Brancardier[14]. Met deze wijzigingen hoopte men om het aantal leden terug omhoog te krijgen. De laatste jaren probeert men ook zoveel mogelijk jongeren, liefst jongeren die de opleiding verpleegkunde volgen, mee te krijgen als Brancardier. De mijnwerkers zijn echter aan het uitsterven. Brancardiers zullen nog wel blijven bestaan, maar Mijnwerkers-Brancardiers zullen uitsterven zoals het beroep van mijnwerker in Vlaanderen verloren is gegaan.

Men wil dit onderscheid tussen Mijnwerkers-Brancardiers en Brancardiers toch in de toekomst laten blijven bestaan. Zo zijn het alleen de mijnwerkers die het blauwe kostuum, de mijnwerkershelm en rode zakdoek met het embleem ziekendienst-brancardier mogen dragen. Alleen bij officiële plechtigheden wordt gevraagd de brandende mijnwerkerslamp te dragen. De gewone Brancardiers en de vrouwen dragen een wit T-shirt met het embleem van ziekendienst-brancardier op, een blauw vestje en een rode zakdoek.

In de volgende alinea’s ga ik dieper in op de voorwaarden om Mijnwerkers-Brancardier te worden en kijk ik ook hoe men lid kon worden. De informatie voor deze alinea’s heb ik gehaald uit de Koolputters en uit de interviews met de ex-mijnwerkers. De Koolputters is een tijdschriftenreeks die de mijnindustrie met al haar verschillende facetten bestudeert. De ex-mijnwerkers die ik gesproken heb zijn alles lid van de Mijnwerkers-Brancardiers. Jean De Schutter, Roger Schillebeeks, Ric Leduc en Dolf Saenen zijn van Belgische afkomst terwijl Jan Bak van Poolse en Antonio Tempo van Italiaanse afkomst is.

Van de leden van de Mijnwerkers-Brancardiers werd en wordt geacht dat ze actief christen zijn. Je moest christelijk geïnspireerd zijn om mee naar Lourdes of Banneux te gaan. Je moest geloven in Maria. Zo kon dus een moslim geen lid worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Moslims geloven wel in haar als moeder van de profeet Jezus, maar niet als moeder van God. Ze kennen dus niet de Mariadevotie die zo belangrijk is voor de Mijnwerkers-Brancardiers. Voor andere nationaliteiten die het christelijk geloof aanhangen en dus een Mariadevotie kennen, is het geen probleem om lid te worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Zo waren een groot aantal Italianen, Polen en Spanjaarden lid van de vereniging. Het ging meestal om mannen van de eerste generatie. Antonio Tempo is een voorbeeld van deze eerste generatie.

Zolang de mijnen actief waren in Limburg werden nieuwe leden gezocht in de mijn. Bijna iedere nieuwe mijnwerker werd gevraagd om lid te worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Men sprak deze mijnwerkers aan en spoorde hen aan om ook lid te worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Ook de Italiaanse mijnwerkers werden aangesproken om lid te worden. Zo hoorde een Italiaanse respondent Antonio Tempo voor het eerst over de Mijnwerkers-Brancardiers via zijn collega’s. Aangezien hij zelf zeer gelovig was en hij iets wou doen voor zijn medemensen, werd hij lid van de vereniging. Hij was het die later Jan Bak aansprak om evneens lid te worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Later ging men vooral nieuwe leden werven bij de verkoop van de wandkalenders. Zo is mijn respondent Jean de Schutter lid geworden. Hij kende de kalender van bij zijn ouders. Toen hij met zijn vrouw in Meulenberg kwam wonen, kwamen ze rond met de kalender en hij heeft zich dan meteen lid laten maken. Mannen die reeds lid waren van de KWB werden eveneens gevraagd om lid te worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Een laatste manier om nieuwe leden te werven, was de verslagen van de Lourdesbedevaarten laten circuleren. Men wou zo de mijnwerkers die nog nooit mee naar Lourdes waren geweest, warm maken om lid te worden van de Mijnwerkers-Brancardiers en zo mee naar Lourdes te gaan.

Onderstaande tabellen geven de ledenaantallen van de Mijnwerkers-Brancardiers Meulenberg weer van 1950 tot 1965 en van 1981 tot 1995. De jaren 1970 heb ik niet teruggevonden in de archieven. Het aantal niet-Belgen dat lid was werd niet apart weergegeven in het archief. Deze cijfers heb ik gevonden in het archief van de Mijnwerkers-Brancardiers in het Kadoc en in de ledenboeken op het KWB-hoofdkantoor in Hasselt.

In 1961 en 1962 zien we een grote stijging van het aantal leden. Een reden hier voor kan gezocht worden bij de economische welvaart van de jaren 1960. Ze konden het hun beter permitteren om mee op bedevaart te gaan. Zelfs in de jaren 1995 zien we een redelijk hoog ledencijfers. Vanaf de jaren 1990 echter ging men eerder lid worden van de Mijnwerkers-Brancardiers om toch nog het mijnwerkersgevoel te kunnen bewaren.

Jaar

Leden

Jaar

Leden

1950

36

1981

145

1951

133

1982

145

1952

157

1983

145

1953

150

1984

140

1954

155

1985

140

1955

149

1986

140

1956

163

1987

140

1957

175

1988

140

1958

175

1989

140

1959

158

1990

140

1960

164

1991

130

1961

217

1992

130

1962

207

1993

142

1963

164

1994

152

1964

167

1995

158

1965

180

 

 

Activiteiten

Van de leden werd verwacht dat ze meewerkten aan de opdrachten en doelstellingen van de organisatie. Zo wilde men zoveel mogelijk leden motiveren om zich in te zetten voor zieke leden, bejaarden en gehandicapten. Ze konden zich zo ook vaardig maken voor hun taak als brancardier. Een tweede doelstelling was om de fierheid en waardigheid van de mijnwerkers bevorderen. Hun handen waren dus niet alleen goed voor hard labeur, maar ook om zieken te dragen. Men wou aantonen dat de mannen die in de mijn zware arbeid verrichten ook met zachte hand konden werken. Ze stonden ook in de bres bij parochiale feesten en gebeurtenissen en ze werkten samen met ziekenzorg solidair voor de zieken[15]. 

Hun belangrijkste activiteiten waren en bleven echter de jaarlijkse bedevaarten en de verkoop van de wandkalenders. Er waren jaarlijks de grote bedevaarten naar Banneux en naar Lourdes. Daarnaast was er ook nog de jaarlijkse kleinere bedevaart naar Scherpenheuvel. De Mijnwerkers-Brancardiers zijn vooral gekend door hun bedevaart naar Lourdes. Het hele jaar werd gespaard voor deze reis, want het was niet voor iedereen evident om deze reis te bekostigen. Iedereen die mee wou op Lourdesreis kreeg een spaarkaart waarop men iedere maand een beetje geld bijzette[16]. Als men hielp bij de verkoop van de kalenders kon men bovendien rekenen op een korting voor de reis naar Lourdes. Via de solidariteitskas van de Mijnwerkers-Brancardiers konden de mijnwerkers die meegingen naar Lourdes een financiële tegemoetkoming bekomen. Ondanks deze tegemoetkoming moesten de mijnwerkers echter nog hard sparen om mee te kunnen gaan. De mijndirecties droegen ook hun steentje bij om de mijnwerkers de kans te geven mee te kunnen gaan naar Lourdes. Ze gaven wel geen geld, maar de directie zorgde ervoor dat de mijnwerkers verlofdagen konden nemen in de periode van de Lourdesreis. Door de hoge reiskosten was het niet altijd mogelijk dat vrouw en kinderen gingen. Jaarlijks was het dus zeker niet mogelijk om als mijnwerkersgezin mee te gaan, hoewel veel mijnwerkers het geluk dat ze ginder beleefden met heel hun gezin wilden delen.

In alle verschillende afdelingen van de Mijnwerkers-Brancardiers vinden we deze activiteiten terug. Ook in Meulenberg zijn deze activiteiten één voor één terug te vinden.

De reis naar Lourdes was, zeker eind jaren 1940 een grote belevenis. Aan de hand van reisverslagen van Mijnwerkers-Brancardiers en van pater  Hilarion Thans zal ik proberen een kort overzicht te geven van hoe de Lourdesbedevaart eruit toen zag[17].

Vanuit Tongeren of Hasselt vertrok men met de trein naar Lourdes. In een totaal van negen wagons werden drie wagons zieken meegenomen. Op verschillende stopplaatsen stapten mijnwerkers en bedevaarders op. Eens in Lourdes begon voor de Mijnwerkers-Brancardiers het harde werk. Sommigen onder hen stonden ’s morgens om vier uur op, gingen dan naar de grot om te bidden om van daaruit naar het ziekenhuis te vertrekken om de zieken naar de grot te brengen. ‘s Middag werd snel gegeten zodat men in de namiddag nieuwe zieken naar de grot kon dragen. Het hoogtepunt voor veel Mijnwerkers-Brancardiers was de kaarsenprocessie. Alle mijnwerkers liepen dan met hun mijnwerkerslamp vooraan in de processie. Tijdens de plechtige diensten mochten de brancardiers in mijnwerkerkostuum en met mijnwerkerslamp plaatsnemen naast het altaar samen met de bisschop en de priesters. In Lourdes waren de geestelijken vol lof over de Belgische Mijnwerkers-Brancardiers. Een Franse bisschop zei in zijn toespraak: “Neem een voorbeeld aan de Belgische Mijnwerkers-Brancardiers. Zij dragen in de ene hand een rozenkrans, in de andere hand een daad van naastenliefde. Als iedereen dat voorbeeld volgde was de wereld op tien minuten tijd ten goede veranderd.”[18] De zieken zelf waren ook vereerd omdat ze door de Mijnwerkers-Brancardiers geholpen konden worden. Zieke kinderen werden gelukkig gemaakt door hen de mijnwerkerslamp te laten dragen en zieke volwassen werden bijgestaan en moed ingesproken. Mijnwerkers-Brancardiers die drie, vijf of achttien keer hadden deelgenomen aan de Lourdesbedevaart kregen een medaille. Een bronzen medaille als ze drie keer waren meegeweest, een zilveren medaille voor vijf deelnames en een gouden medaille voor achttien keer deelname aan de Lourdesbedevaart.

Vanaf de jaren 1990 ging men naar Lourdes met een honderdtal Brancardiers en een veertig tal gediplomeerde verpleegsters. Tot slot waren er dan nog een vijfentwintig tal jongeren en vrouwen die de Brancardiers hielpen. Het was zwaar werk. Dat verklaart waarom er de laatste jaren steeds minder vrijwilligers worden gevonden om mee te gaan naar Lourdes. De mijnwerkers zelf worden al een dagje ouder en kunnen het werk niet of minder goed aan, terwijl veel jongeren voor dit werk hun neus ophalen.

Naast de Lourdesbedevaart was er nog de bedevaart naar Banneux. Hier gingen vooral Italiaanse bedevaarders naar toe. Het waren dan ook vooral Italiaanse Mijnwerkers-Brancardiers die meegingen op deze bedevaart. Ze konden dan helpen tolken, maar voelden zich vooral thuis onder hun landgenoten. Er zijn verschillende Italiaanse Brancardiers die ieder jaar mee gaan naar Banneux in plaats van naar Lourdes[19]. Antonio Tempo van de Mijnwerkers-Brancardiers Limburg is één van de stuwende krachten achter de Italiaanse bedevaart naar Banneux.

Een tweede grote activiteit waaraan men de Mijnwerkers-Brancardiers kon herkennen was de verkoop van de wandkalenders. Jaarlijks trokken mijnwerkers van deur tot deur om deze kalender te verkopen. De opbrengst van deze kalenderverkoop ging naar de solidariteitskas. Aan deze kalenderverkoop was ook een tombola verbonden. Op iedere wandkalender stond namelijk een nummer en wie het winnende nummer had, kreeg een gratis reis naar Lourdes. Dit was tevens een manier om mijnwerkers die nog niet in Lourdes waren geweest te laten kennis maken met dit bedevaartsoord. Zo konden ze eventueel warm gemaakt worden om de volgende jaren ook mee te gaan. Deze prijs stimuleerde echter ook de verkoop van de kalenders.

Bij de leden kon een onderscheid gemaakt worden tussen actieve en passieve leden. Alle leden, zowel actieve als passieve, betaalden lidgeld. Bij het ontstaan van de organisatie was dat vijf frank per jaar. In 1996 was dit lidgeld al verhoogd tot 150 frank per jaar en vandaag bedraagt het lidgeld vijf euro. Er waren leden die alleen hun lidgeld betaalden en de jaarlijkse kalender kochten. Deze leden werden passieve leden genoemd. Andere leden zetten zich dan weer enorm in voor de vereniging. Ze gingen mee op bedevaarten, hielpen in de parochie, gingen mee wandkalenders verkopen, … Deze leden werden de actieve leden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Deze actieve leden waren vooral de leden met een sterk katholiek geloof. Vanuit hun geloof wilden ze zich inzetten voor de medemens en via de Mijnwerkers-Brancardiers konden ze dit in de praktijk omzetten. In Meulenberg waren redelijk wat Italianen actieve leden bij de Mijnwerkers-Brancardiers. Een reden hiervoor kan het dynamiek van Antonio Tempo zijn geweest.

Sint-Barabara

De Mijnwerkers-Brancardiers zijn tot op de dag van vandaag sterk betrokken bij de Sint-Barbara vieringen. Alle afdelingen hebben in hun vlag de afbeelding van Sint-Barbara staan en haar feestdag, op vier december, wordt dan ook door de vereniging nog altijd sterk in ere gehouden. Daarom dat hier even zal worden stilgestaan bij de vraag wie Sint-Barbara juist was en wat haar feestdag juist inhield voor de Mijnwerkers-Brancardiers.

Sint-Barbara is een heilige uit de vroege Middeleeuwen en zoals zovelen behoort haar leven tot de legenden. Haar leven is in de tweede helft van de tiende eeuw opgetekend door de hagiograaf Symeon Metaphrastes. Barbara’s vader schijnt een rijke man geweest te zijn die zijn dochter verplicht zou hebben in haar kamers te verblijven op de bovenverdieping van zijn woning. Op die manier wilde hij de beeldschone Barbara afschermen tegen de opdringerige aanbidders, maar tegelijkertijd ook tegen het christendom dat eind derde eeuw nog verboden was. Ondanks het verzet van haar vader, een fanatieke christenvervolger in Nicomedia, zou Barbara zich hebben laten dopen. Nadien zou zij als teken van geloof, en ter ere van de Heilige Drievuldigheid, een derde raam hebben laten kappen in haar kamer. Deze symbolische daad leidde echter tot de ontdekking van haar bekering. Uit vrees voor de woede van haar vader, sloeg Barbara op de vlucht en vond ze een schuilplaats in een grot. Deze grot ontstond op miraculeuze wijze toen zij radeloos voor die rotswand stond. Een herder, die daarvan getuige was, vertelde het aan haar vader. Hij nam haar terug mee naar huis. Ondanks beloften, geschenken en dreigementen, weigerde Barbara haar geloof af te zweren. Uiteindelijk werd zij door haar vader aangeklaagd en stierf ze de marteldood[20].

Ondanks de vele onzekerheden en weinig historische geschriften, kende Sint-Barbara onder de gelovigen een grote populariteit. Haar legende stimuleerde het volksgeloof. De kerk maakte hier dankbaar gebruik van. Sint-Barbara werd al snel de beschermvrouw van de mannen die de zilver-, goud- of andere ertslagen in de bergen ontgonnen. Het verband tussen hun werk en de legende lag voor de hand: ook voor Barbara opende zich namelijk een rots. Ook zij ging de berg in zoals de mijnwerker. Bovendien riepen de mijnwerkers haar aan om zich te beschermen tegen een plotse dood. De attributen waarmee Sint-Barbara afgebeeld wordt, hebben ook andere beroepsgroepen tot haar verering gebracht. Door de toren of het huis met de drie ramen hebben ook de dakwerkers en metsers haar tot patrones gekozen.

Ondanks alles is Sint-Barbara toch vooral de patrones van de mijnwerkers geworden. Iedere mijnwerkersvereniging en mijndirectie ging zijn eigen Sint-Barbaravieringen organiseren. Ook voor de buitenlanders was Sint-Barbara een heilige. Voor de jaren 1960 vereerden bijna alle nationaliteiten haar op een haast identieke manier[21]. De moslims vormden hierop een uitzondering, maar hier ik ga later verder op in. Op vier december verzamelde iedereen aan de mijn. De directie liep voorop waneer ze zich naar de kerk begaven voor een viering. Na de plechtige mis volgde dan het feestelijk gedeelte met gastsprekers. De meeste mijnwerkers namen echter niet deel aan de feestelijkheden die volgden op de mis. Aan de misviering zelf namen ze wel allemaal deel. De mijndirectie selecteerde namelijk wie mocht meevieren achteraf. Alleen gewone mijnwerkers die een onderscheiding kregen voor het aantal dienstjaren, werden op het feest uitgenodigd.

De Mijnwerkers-Brancardiers hielden hun eigen feest op Sint-Barbara, los van dit van de mijndirectie. De gastsprekers die op het Sint-Barbara feest van de Mijnwerkers-Brancardiers  kwamen, spraken over verschillende zaken, gaande van de economie tot de sociale rechten. Ze kregen echter op voorhand van de bestuursleden van de Mijnwerkers-Brancardiers, die meestal het feest organiseerden, te horen over welke onderwerpen ze het zeker moesten hebben en waar ze over moesten zwijgen. Zo kunnen we uit het Sint-Barbara verslag van 1954 lezen dat de spreker de mijnwerkers waakzaam moest maken voor de regering en de socialisten[22]. De regering zat met de schoolpolitiek die heel het land aanbelangde en de mijnwerkers moesten gewaarschuwd worden tegen de socialisten die als onbetrouwbaar gezien werden[23]. In tijden van koolcrisis mocht de spreker het bijvoorbeeld absoluut niet hebben over werkloosheid of economische crisis. De organisatoren van het Sint-Barbara feest vroegen ook meestal op voorhand een kopie van de speech die de sprekers gingen geven. Alles wat op vier december gezegd werd, werd dus van hogerhand gecontroleerd[24].

De dag voor Sint-Barbara werd er in de mijnen extra hard gewerkt. Er was namelijk een wedstrijd om de hoogste kolenproductie tussen de verschillende pijlerploegen, afdelingen of posten per mijnzetel. Het profijt van deze hogere productie ging niet naar degenen die zich in het zweet werkten, maar naar de opzichters die een premie kregen. De meeste opzichters en werkleiders gebruikten de premie echter om de mijnwerkers te trakteren[25]. Dat verklaart ook de enorme inzet van de arbeiders.

Het Sint-Barbara feest was voor iedereen in de cité een groot feest. De hele gemeenschap was erbij betrokken. Zelfs de kinderen hadden op vier december geen school. Op die dag werd voor de kinderen al vaak Sinterklaas gevierd[26]. Opvallend is wel dat de mijnwerkers op 4 december een dag verlof kregen. Dat was echter in ruil voor 11 november, een dag waar ze wel op moesten werken. Zoals een mijnwerkers het zelf zei: “Dus we kregen Sint-Barbara als betaalde feestdag, maar 11 november, nationaal, dat was niet voor ons hè. Wij waren dus geen Belgen, wij waren koolputters.” [27]

In de laatste fase van de mijngeschiedenis -vanaf de jaren 1960- vierde een grote groep mijnwerkers het Sint-Barbara feest niet mee. Door de aanwerving van de Turkse en Marokkaanse mijnwerkers  kwam er een nieuwe godsdienst in het citéleven. De Islam heeft de verering van Sint-Barbara niet overgenomen of aangepast. De Islam kent namelijk geen heiligenverering. Hier zijn echter uitzonderingen op. Moslims profiteerden vanzelfsprekend mee van de vrije dag en sommige van hen gingen in de namiddag, samen met de andere mijnwerkers, mee feesten[28]. We moeten hier ook rekening houden dat Sint-Barbara om meer ging dan godsdienst alleen. Het was een sociaal gebeuren waar iedereen aan deel wilde nemen.

In de jaren 1960 zag de toekomst voor de Limburgse mijnwerkers er bijzonder somber uit. Er was de sluiting van Zwartberg in 1966 en de aangekondigde sluiting van de mijn van Eisden. Tegelijkertijd kwam uit Rome het bericht dat het Tweede Vaticaans Concilie besloten had een lange reeks namen uit de heiligenkalender te schrappen, waaronder Sint-Barbara. Er werd hier verdeeld op gereageerd. Sommigen kon het niet schelen dat Sint-Barbara van de heiligenkalender werd geschrapt. Binnenkort zou ze toch niets meer hebben om te beschermen. Anderen kon het dan weer wel schelen. Op plaatsen waar de heilige nog vereerd werd, haastte de kerk zich om de gelovigen te sussen. De heilige Sint-Barbara was namelijk niet geschrapt of afgeschaft. Ze kreeg alleen een lagere status in de liturgie toegekend. De gelovigen mochten dus vrij kiezen om hun heilige te vieren of te gedenken. Na de fusie van de Limburgse mijnen verdwenen stilaan de lokale vieringen die de directies organiseerden. Toch lieten de mijnwerkers hun patrones niet los. In verschillende mijncités, zetten de Mijnwerkers-Brancardiers en andere parochiale verenigingen het feest van Sint-Barbara verder tot op de dag van vandaag[29]. Ook in Meulenberg wordt nog ieder jaar Sint-Barbara gevierd al is het maar alleen meer door de Mijnwerkers-Brancardiers.

Relatie van de Mijnwerkers-Brancardiers met kerk, klasse en etniciteit

De relatie van de Mijnwerkers-Brancardiers met de kerk is altijd sterk geweest. Dit zowel in Limburg als in Meulenberg zelf. Het katholieke geloof speelde hier een grote rol in. Ze hielpen de parochie. Als er iets gedaan moest worden of de pastoor vroeg hen om ergens een handje te helpen, dan stonden ze onmiddellijk klaar. Ze waren als het ware een steunpilaar voor de parochie[30]. Ze bezochten de zieken en hielpen bij begrafenissen van mijnwerkers. Ze stelden zich dienstbaar op voor alle mensen in de parochie en hielpen daar onbewust de pastoor mee. De Mijnwerkers-Brancardiers hebben ook altijd geprobeerd om een goede relatie met de pastoor op te bouwen en te behouden. Van de laatste pastoor Salvatori weet ik dat hij bij zijn aankomst van de Mijnwerkers-Brancardiers een bronzen beeld van een mijnwerker kreeg[31].

De Mijnwerkers-Brancardiers hadden niet veel contact met de ingenieurs en de directeurs. De vereniging was vooral bedoeld voor de mijnwerkers zelf, om hun zelfbeeld te verbeteren en om hen in een beter daglicht te stellen. De mijndirecties zagen wel het voordeel van deze vereniging in en stimuleerden deze dan ook. Ze gaven geen financiële subsidie, maar zorgden voor een regeling van de verlofdagen tijdens de Lourdes bedevaarten. De ingenieurs en directeurs gingen zelf nooit mee op bedevaart. Zelfs op de dag van Sint-Barbara vierden de kaderleden en de Mijnwerkers-Brancardiers apart. Ze gingen wel samen naar de misviering, maar het feest achteraf werd apart gevierd. Op het feest dat de Mijnwerkers-Brancardiers organiseerden waren er zelfs sprekers die de mijnwerkers waarschuwden voor de patrons die hen wilden misbruiken[32]. Het waren vooral sprekers van de katholieke vakbond ACV die op het Sint-Barbara feest kwamen spreken.

De ex-mijnwerkers die ik gesproken heb, hadden geen uitgesproken mening over hun relatie met de mijningenieurs en -directeurs.

De relatie tussen verschillende etnische groepen verliep vlot in de Mijnwerkers-Brancardiers. Alle nationaliteiten mochten lid worden van de Mijnwerkers-Brancardiers, zolang ze katholiek waren. Turken en Marokkanen zijn nooit lid geweest van de vereniging omwille van hun niet-katholieke geloof. Ook mijnwerkers die tot het geloof van Jehova behoorden konden geen lid worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Zij geloven namelijk niet in Maria. Andere nationaliteiten zoals Spanjaarden, Italianen en Polen vinden we wel terug als lid bij de Mijnwerkers-Brancardiers. Vooral de Italianen zijn in Meulenberg in grote getale terug te vinden bij de vereniging. Dit valt te verklaren door de grote aanwezigheid van Italianen in Meulenberg. De Italianen waren zeer gelovig, sterker dan de Belgische mijnwerkers. Lid worden van de vereniging was een uitstekende manier om hun geloof te belijden.

De Mijnwerkers-Brancardiers van Meulenberg hadden vooral een goede relatie met de Italianen. Jan Bak is zelfs lid geworden van de vereniging door Antonio Tempo, een Italiaan. Antonio Tempo is lange tijd de drijvende kracht geweest achter de Mijnwerkers-Brancardiers Meulenberg. Hij zat mee in het bestuur en hielp bij allerlei activiteiten. Ook met de Spanjaarden en Polen hadden de respondenten die ik gesproken heb een goede relatie. Eigenaardig is dat geen van de respondenten sprak over communicatiemoeilijkheden met de Italianen, Spanjaarden of Polen. Hun uitgangspunt was het geloof en aangezien al deze nationaliteiten hetzelfde geloof hadden, vergat men blijkbaar alle andere verschillen. De Mijnwerkers-Brancardiers hebben dus als het ware de verschillende landskerken overbrugd. De andere nationaliteiten konden ook lid worden van eigen katholieke verenigingen, maar kozen toch om ook lid te worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Een reden hiervoor kan zijn dat deze vereniging het geloof en het mijnwerkersgevoel samen bundelden. De vereniging gaf de mijnwerkers een meerwaardegevoel.

Andere etnische organisaties

Buiten de Mijnwerkers-Brancardiers organisatie zijn er nog andere organisaties in het kielzog van de mijn ontstaan. Er waren de verschillende toneelgroepen, de voetbalploegen enzovoort.Deze verenigingen stonden open voor Belgen en voor migranten. In dit punt gaat de aandacht echter vooral uit naar de etnische organisaties. De organisaties alleen bedoeld voor immigranten. Welke groeperingen zijn er onder de verschillende nationaliteiten ontstaan en wat wilden ze bereiken. Belangrijk hierbij is dat niet alleen andersgelovigen eigen organisaties hadden, maar ook katholieke migranten. De politieke organisaties vinden we vooral uitgebreid terug bij de Italianen en de Polen. We beperken onze hier tot deze organisaties die eveneens een katholiek karakter hadden. In de vorige hoofdstukken hebben we steeds de katholieke kant van alles bekeken en daarom is het nu interessant om ook de katholieke organisaties van de immigranten te bekijken.

In het begin dat de mochten de immigranten niet aan politiek doen in België en dit werd sterk in het oog gehouden door de Vreemdelingenpolitie en de diensten van de Staatsveiligheid. Politieke vergaderingen en organisaties waren verboden. Ze werden toch opgericht door de migranten onder het mom van culturele activiteiten en verenigingen. Zo ontstond tussen 1955 en 1960 de I.N.C.A., Institute Nazionale e Confederale d’Assistenza, met een zetel in Rome. Deze Italiaanse organisatie was links georiënteerd en hield zich bezig met het bezorgen van kosteloos verlof in Italië voor kinderen van Italiaanse immigranten en met hulp aan behoeftigen. Sinds 1975 bestaat er voor heel België, met hoofdbestuur in La Louvière , en tevens goed vertegenwoordigd in Houthalen, de A.D.A.C.I., Assoziazione per la Difesa e l’Assistenza della Communità Italiana in Belgio. Deze organisatie is Christelijk van inspiratie en wil alle goede initiatieven van Italiaanse immigranten ondersteunen en alle mogelijke materiële en culturele hulp bieden. De I.N.C.A. had een band met de communistische partij in Italië terwijl de A.D.A.C.I. aanleunde bij de Democrazia Christiana[33].

Ook de Polen hebben politieke organisaties opgericht na de Tweede Wereldoorlog. Ten eerste waren er de pro-Warschau verenigingen. Alle communistische Poolse groeperingen stonden onder de Poolse Nationale raad, de R.N.P., Rada Narodowa Polska. Deze groepering bestond uit meerdere groepen waaronder ZPP, Zwiazek Patriotów Polskich, de Vereniging van Poolse Patriotten. Deze organisatie hield zich veel met de culturele actie bezig en met de vorming van de jeugd via de Poolse consulaire school. Daarnaast waren er de rechtste bewegingen, de anti-communistisch bewegingen, dus niet pro-Warschau. De organisatie van de rechtse Polen stond meestal onder de Z.W.P.B., Zwiazek Wolnyck Polaków w Belgii, de Vereniging van de Vrije Polen in België. Per provincie en kolenmijn had zij een volledig bestuur. De S.P.K., Stowarzysrenie Polskich Kombatantów, de Poolse Oud-strijders, was een vereniging die aanleunde bij de Z.W.P.B. Naast deze rechtse en communistische groeperingen ontstond er in 1956 de Z.P.w.B., Zreszenic Polaków w Belgii, het Verbond van de Polen in België. Ze gaven zich uit als een neutrale sociaal-culturele organisatie voor alle Polen. Toch was zij in feite een communistische mantelorganisatie die langs allerlei wegen, maar met matig succes, rechtse Polen trachtten te overhalen reizen naar Polen te ondernemen, om hun kinderen naar consulaire scholen te zenden, enzovoort[34]. Ze was ook zeer sterk tegen de naturalisatie van de Polen[35].

Naast deze politieke organisaties waren er ook katholieke organisaties. De katholieke Italiaanse en Poolse Missie hebben de grootste rol gespeeld om de immigranten samen te brengen in religieuze en sociaal-culturele organisaties. Zo was er de Italiaanse A.C.I., Associazione di Azione Cattolica Italiana. Het was een katholieke actieorganisatie naar Italiaans model. Meer aanhang heeft de Vereniging voor Italiaanse Christelijke Arbeiders omwille van haar speciale oriëntatie op de arbeiderswereld en haar verband met de Vlaamse Katholieke Werkliedenbeweging, de K.W.B. Deze Italiaanse organisatie, de A.C.L.I., Associazioni Cristiane Lavoratori Italiana, werd na de oorlog gesticht te Rome en breidde zich snel uit onder de immigranten door de katholieke Missie. De A.C.L.I. wilde de Italiaanse arbeiders verenigen om het besef van de eigen waardigheid en de taak als Christen en arbeider bij te brengen en hen tevens de doordringen van de katholieke levensbeschouwing in het dagelijks arbeids-, familie-, en ontspanningsleven. Dit gebeurde door regelmatige samenkomsten van leden en leiders. De leden ontvingen zelfs een eigen weekblad. In werkelijkheid lag de activiteit van de A.C.L.I. vooral op het sociaal plan en kon haar religieuze invloed niet vergeleken worden met deze van de K.W.B volgens Claes[36]. De Belgische situatie liet echter niet toe dat de A.C.L.I. totaal onafhankelijk van de syndicaten werkte.

Net als voor de Italianen bestond er ook voor de Polen een katholieke Poolse werkliedenvereniging. Deze oefende hoofdzakelijk een vormende religieuze invloed uit op de leden, maar beschikte niet over de nodige middelen om het ver door te drijven[37].

Besluit

De Mijnwerkers-Brancardiers zijn in Limburg uitgegroeid tot een bloeiende vereniging. Om lid te worden van de vereniging moest je mijnwerker zijn. Later hebben ze dit uitgebreid naar zonen van mijnwerkers, vrouwen van mijnwerkers en leden van de KWB. Deze uitbreiding kwam er na de sluiting van de mijnen waardoor men geen nieuwe mijnwerkers meer lid kon maken. De laatste jaren is er de vrees dat de Mijnwerkers-Brancardiers volledig verloren zullen gaan en om dit tegen te gaan probeert men steeds meer jongeren te motiveren om lid te worden.

De Maria-verering neemt een grote plaats in, in hun activiteiten. De jaarlijkse Lourdesbedevaart is hier de belangrijkste uiting van. Alle nationaliteiten die de Maria-verering kennen, kunnen lid worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Hier ligt dan ook meteen de verklaring waarom moslims geen lid zijn van de Mijnwerkers-Brancardiers.

Op de dag van Sint-Barbara, hun patroonheilige, vierden alle mijnwerkers feest. Opvallend is dat ze dit niet samen met de mijndirecteurs en –ingenieurs deden. Beide groepen vierden het feest apart.

Tot op de dag van vandaag hebben de Mijnwerkers-Brancardiers een reputatie opgebouwd die tot buiten de landsgrenzen bekend is.

  

 Noten

[1] ROOIJMANS, Zomaar een contact, 5.
[2] Broeckx was lid van het Algemeen Christelijk Wergeversverbond (ACW)
[3] ROOIJMANS, Zomaar een contact, 10.
[4] Zie bijlage voor statutten.
[5] ROOIJMANS, Zomaar een contact, 10.
[6] Uit het persoonlijk archief van Ric Leduc.
[7] BARBAY, 100 jaar steenkool, 57.
[8] BARBAY, 100 jaar steenkool, 58; Het Belang van Limburg, 28 november 1998.
[9] Zie hoofdstuk 2, punt 2.3.
[10] BUCCOLINI, Parochie Sint-Lambertus, 12; BROUWERS, De kapel van O.L. Vrouw van Lourdes te Meulenberg. Zie bijlage III.
[11] Zie foto in bijlage III.
[12] BUCCOLINI, Parochie Sint-Lambertus, 57-58. Zie bijlage III.
[13] Uit het persoonlijk archief van Dolf Saenen.
[14] Uit het persoonlijk archief van Dolf Saenen.
[15] Uit het persoonlijk archief van Dolf Saenen.
[16] KADOC, Mijnwerkers-Brancardiers, map 24: Stukken betreffende spaaracties voor deelname Lourdes, 1931-1953.
[17] THANS, Mee naar Lourdes; KADOC, Mijnwerkers-Brancardiers, map 45, Brieven van mijnwerkers-brancardiers 1949.
[18] Citaat van een Franse bisschop uit een reisverslag van de mijnwerkers Frans Segers. KADOC, Mijnwerkers-Brancardiers, map 45.
[19] Uit interview met Antonio Tempo.
[20] VAN LOO, Leven der heilige Barbara en De Koolputters, Sint-Barbara, 59-60.
[21] KOHLBACHER, De Koolputters, 64.
[22] KADOC, Papieren van Broekx, map 5.6.4.
[23] De schoolstrijd is de strijd tussen katholieke en liberale scholen. Rond 1950 bereikte het een hoogtepunt toen de socialistische minister André Collard poogde de katholieke scholen hun subsidies te ontnemen. Na maandenlang protest kwam men tot een overeenkomst tussen de grote partijen met het schoolpact.
[24] KADOC, Mijnwerkers-Brancardiers, map 41.
[25] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I. 363-370.
[26] BARBAY, 100 jaar steenkool, 59.
[27] Citaat van Roger Schillebeeks.
[28] DE RIJCK, De ereburgers. Boek I. 370; KOHLBACHER, “Sint-Barbara”, 66.
[29] KOHLBACHER, “Sint-Barbara”, 67.
[30] Interview met ex-mijnwerkers en E.H. Désiré Vanderwegen.
[31] Interview met E.H. Maurizio Fomini Salvatori.
[32] KADOC, Mijnwerkers-Brancardiers, map 41.
[33] Claes, Sociale integratie van Italiaanse en Poolse immigranten, 269.
[34] Een consulaire school is een nationale school dat uitgaat van een consulaat.
[35] CLAES, Sociale integratie van Italiaanse en Poolse immigranten, 269-271; GODDEERIS, Poolse migratie in België, 69-75.
[36] CLAES, Sociale integratie van Italiaanse en Poolse immigranten, 273.
[37] CLAES, Sociale integratie van Italiaanse en Poolse immigranten, 272-276.
   

Besluit

De mijngeschiedenis van België spreekt al generaties lang tot de verbeelding. Stoere mannen die afdaalden in de mijn om het zwarte goud boven te halen met gevaar voor eigen leven. De eerste burgers van het land die op de halve Belgische frank werden afgebeeld. Ik heb gemerkt dat dit positieve beeld van de mijnwerkers pas de laatste jaren is komen opzetten, meer bepaald sinds de sluiting van de mijnen. Voordien werden de mijnwerkers gezien als onbeschofte, vloekende mannen. Ze kregen tijdens de mijnperiode in België niet het respect dat ze verdienden. In contrast hiermee hadden de geestelijken wel eerbied voor het werk van de mijnwerkers. Dit respect had echter een onderliggende reden, namelijk een diepgewortelde angst om de mijnwerkers als geloofsgemeenschap te verliezen.

Over de mijngeschiedenis in Limburg is reeds veel inkt gevloeid. De economische gevolgen van de mijn, de sociale problematiek dat het met zich meebracht, … Maar de relatie kerk-mijn is nauwelijks voorwerp geweest van wetenschappelijk onderzoek. Toch mag deze relatie niet verwaarloosd worden. Daarom werd in deze verhandeling dieper ingegaan op deze relatie. Er werd gekozen voor een gevalsstudie van de parochie Meulenberg in Houthalen om deze relatie tussen kerk en mijn te onderzoeken. De kerk vormde dus de rode draad in deze verhandeling. In de hoofdstukken heb ik steeds gepoogd een beeld te schetsen van drie relaties: de relatie tussen de kerk en de mijn, de relatie tussen de kerk en de mijnwerkers als nieuwe sociale klasse en de relatie tussen de kerk en de immigranten. Hoe deze relaties in elkaar zaten, wil ik hier nu kort even samenvatten.

Bij de aanvang van de mijn in Limburg –in de jaren 1930- had de kerk een negatieve houding tegenover de mijn. Deze negatieve houding had ze echter snel laten varen om de nogal moeilijk bereikbare mijnwerkers niet te verliezen. Onder monseigneur Broekx werd een echte arbeidspastoraal uitgewerkt. Hij heeft mee gestalte gegeven aan de christelijke arbeidersbeweging van Limburg. Met de komst van de immigranten wist het bisdom Luik en later het bisdom Hasselt, niet goed hoe ze de mijnparochies moest aanpakken. Na het Tweede Vaticaans concilie kwam er een arbeidspastoraal op gang om de leken meer bij de kerk te betrekken. Zo hoopte het bizsdom meer grip te krijgen op de mijnparochies. Het bisdom Hasselt probeerde priesters, die werkzaam waren in Luik, naar Limburg te halen. Luik had reeds een aantal decennia voor Limburg een mijnindustrie. Net zoals het in Limburg zal geschieden, had Luik moeilijkheden om arbeiders uit de eigen bevolking, te rekruteren voor de mijn. Omdat ook in Luik buitenlanders werkzaam waren, hadden de priesters reeds ervaring opgebouwd in het omgaan met vreemde nationaliteiten en met een lage kerkpraktijk. De priesters die overkwamen, konden dus hun ervaringen toepassen in de Limburgse mijnparochies.

Vanaf de jaren 1960 begon het bisdom Hasselt met een tekort aan priesters te kampen. Monseigneur Heusschen deed hierover zijn  beklag in Rome en zou daar de steun krijgen van de groep Redemptor Hominis. Deze steun hield in dat Italiaanse priesters naar Limburg kwamen en vooral tewerkgesteld werden in de mijnparochies. Zo kwamen in Meulenberg twee Italiaanse priesters (Buccolini en Maurizio Fomini Salvatori)van Redemptor Hominis terecht. Hun aanvaarding door de Belgische parochianen verliep niet van een leien dakje. De Italiaanse migranten in Meulenberg waren verheugd met deze geestelijken van dezelfde nationaliteit. Andere nationaliteiten hadden hier niets mee te maken en stonden dus neutraal tegenover de komst van Italiaanse geestelijken. Het probleem lag echter bij de Vlamingen in de parochie. Met de mijnindustrie hadden er volgens hen al zoveel vreemdelingen zich in hun parochie gevestigd. Door de komst van Italiaanse priesters voelden ze zich nog meer vreemden in hun eigen geloofsgemeenschap.

In tegenstelling tot de mijndirecties van Luik,  namen de mijndirecties van Limburg initiatieven ten bate van de katholieke kerk. De grote mijnkathedralen (bijvoorbeeld Waterschei, Zwartberg en Eisden) werden met het geld van de mijn betaald. De geplande mijnkathedraal in Meulenberg is echter nooit gerealiseerd. Tegen de tijd dat Meulenberg in 1948 een onafhankelijke parochie werd, kwam de mijnindustrie reeds geleidelijk aan in financiële moeilijkheden. Een tweede initiatief dat de mijndirecties namen, was het ter beschikking stellen van een gratis woonst voor de priester. Deze woning bleef echter wel eigendom van de mijn. Bovendien voorzag de mijn de priesters van gratis kolen. Ook in Meulenberg konden de pastoors genieten van deze voordelen van de mijn. De mijn subsidieerde ook de sacramentsprocessie die jaarlijks in Meulenberg plaatsvond. Tot slot trok de mijn nog katholieke kloosterordes aan voor de scholen.

Deze verschillende initiatieven van steun van de mijn aan de katholieke kerk gebeurde niet louter uit geloofsovertuiging van de mijndirectie. Deze acties hadden een onderliggende bedoeling. Ten eerste wilden ze hun gelovige arbeiders tevreden houden. Een tevreden arbeider betekende namelijk meer en beter werk. Ten tweede was het een drukkingsmiddel voor de kerk. Door al deze financiële tegemoetkomingen bouwde de mijn een zekere macht over de kerk op. Op die manier werden de priesters geremd in het ingaan tegen de beslissingen van de mijndirecties.

Op de vereniging van de Mijnwerkers-Brancardiers had de mijn een veel kleinere impact. De mijn stond wel achter deze vereniging omdat ze mee hielp een positief beeld te ontwikkelen van de mijnwerkers bij de Vlaamse bevolking. Dit gebeurde vooral in relatie met zorgverlening aan zieken. Ik verwijs hier onder andere naar de bedevaarten, de zorg voor zieke parochianen en de laatste eer bezorgen bij overleden mijnwerkers. Tegen alle verwachtingen in ontpopten de Mijnwerkers-Brancardiers zich tot behulpzame en zachtaardige helpers. Ze bleken een ruwe bolster met een blanke pit. De zieken die verzorgd werden, hadden veel ontzag voor de persoon van Mijnwerker-Brancardier. Dit ontzag zorgde er bij de mijnwerkers zelf ook voor dat ze een groter gevoel van zelfwaarde kregen. Voor het eerst sinds ze actief werden in de mijn werd naar hen opgekeken in plaats dat men neerkeek op hen. De mijndirectie vond dit een positieve ontwikkeling. Ze gaven steun aan de vereniging door de verlofdagen van de mijnwerkers zo te regelen dat ze mee konden op bedevaart. Van financiële steun van de mijn aan de vereniging is echter nooit sprake geweest. Buiten de regeling van de verlofdagen was er dus geen relatie tussen de mijn en de Mijnwerkers-Brancardiers.

De macht van de mijn vinden we ook terug in de plaats van de mijndirecteurs en ingenieurs in de kerk. Zo zaten ze de kerkfabriek voor. De kerkfabriek beheerde namelijk het geld van de kerk in Meulenberg. Aangezien de mijn bereid was financiële middelen beschikbaar te stellen voor de kerk, leek het niet meer dan logisch dat de kerk zich akkoord verklaarde om het voorzitterschap van de kerkfabriek aan de mijndirectie te geven. Een tweede teken van de macht  die de directieleden innamen, vinden we terug in  de ruimtelijke positie die ze in het kerkgebouw hadden. Zo zaten ze steeds op de eerste vijf rijen, een stuk voor de gewone mijnwerkers uit.

 De mijndirectie van Meulenberg stond positief ten opzichte van de katholieke kerk. De directeurszonen van Ampe en Deltenre werden namelijk tot priesters gewijd. Bovendien schonk directeur Deltenre een beeld van de Heilige Thérèse Martin van Lisieux aan het kerkje van Meulenberg. Aangezien deze directeurs zelf gelovig waren, was de relatie met de kerk over het algemeen positief te noemen. Toch mag de dominantie van de mijn tegenover de kerk niet uit het oog verloren worden.

De priesters hadden een positieve houding ten opzichte van de arbeiders. Ze poogden hen zoveel mogelijk bij het parochiale gebeuren te betrekken en ze deden dit vooral door op huisbezoeken te gaan. Bij de sluiting van de mijnen ging hun eerste aandacht naar de arbeiders. De ingenieurs waren volgens hen makkelijk in staat om ander werk te zoeken. Het is dan ook niet te verwonderen dat de priesters zeer positief stonden ten opzichte van de Mijnwerkers-Brancardiers vereniging. Ten eerste omdat de vereniging gericht was op de arbeiders, maar ook zeker omdat het een katholieke vereniging was die vaak een handje toe stak in de parochie.

Tegenover de arbeiders hadden de priesters van Meulenberg een erg positieve houding. De relatie tussen de kerk en de  ‘hogere klasse’ is, door de verwijzing naar de kerkfabriek en de plaats die de directies en de arbeiders innamen in het kerkgebouw, eveneens verduidelijkt. 

De relatie tussen de kerk en de immigranten is belangrijk geweest in Meulenberg omdat door de komst van de mijnindustrie het een parochie was geworden die grotendeels uit parochianen met een vreemde nationaliteiten bestond. De eerste immigranten die er toekwamen, waren nog katholiek. Toch kregen bij aanvang de Italianen, Polen en Spanjaarden elk een eigen nationale priester. Later kregen ook de Grieken hun eigen Pope en de moslims hun eigen Imam. Door deze eigen nationale priesters toe te laten, hoopte het bisdom Hasselt dat de immigranten moraliteit zou worden bijgebracht. Het resultaat was echter dat er nu landskerken binnen de eigen nationale kerk ontstonden. In plaats van te integreren, bleven alle immigranten binnen hun eigen nationale groepen hun geloof belijden. Een uitzondering hierop was de vereniging van de Mijnwerkers-Brancardiers. Hier kwamen wel mijnwerkers met verschillende nationaliteiten samen om onder andere Onze-Lieve-Vrouw te vereren.

De pastoors en kapelaans van Meulenberg hebben om de versnippering in het katholieke geloof tegen te gaan, initiatieven genomen om de immigranten beter te laten integreren in de parochie. Zo leerden ze bijna allemaal Italiaans spreken omdat de Italiaanse gemeenschap in Meulenberg het meest vertegenwoordigd was. Daarnaast probeerden ze nog van iedere andere taal die gesproken werd in de parochie, een paar woordjes te leren zodat ze de vreemde parochianen in hun eigen taal konden aanspreken. Tot slot organiseerden ze nog, vanaf 1975, internationale vieringen om de geloofsgemeenschappen dichter bij elkaar te brengen. Het was een viering waarbij alle talen die in Meulenberg gesproken werden aan bod kwamen. Oorspronkelijk werden deze vieringen alleen georganiseerd met kerstmis. Op initiatief van de Italiaanse Redemptor Hominis priester (Maurizio Fomini Salvatori) werd de frequentie van deze internationale vieringen opgevoerd. Van dan af werden ze maandelijks georganiseerd. Met het vertrek van deze priester uit Meulenberg in 1998 kwam een einde aan deze vieringen.

In de vereniging van de Mijnwerkers-Brancardiers vinden we verschillende nationaliteiten terug. Alle nationaliteiten die het katholieke geloof aanhingen en een Mariadevotie kenden, konden lid worden van de Mijnwerkers-Brancardiers. Bij de vereniging vinden we dus ook Italianen, Spanjaarden en Polen terug. Deze verschillende nationaliteiten werden in de mijn aangesproken door leden van de Mijnwerkers-Brancardiers met de vraag om zelf ook lid te worden van de vereniging. Een tweede manier om nieuwe leden te verkrijgen was via de verkoop van wandkalenders die jaarlijks deur aan deur verkocht werden. Door deze activiteit kon de vereniging nieuwe leden ronselen en kon ze het geld verzamelen voor de financiële bijstand bij de Lourdesreis. Tevens zorgde het ook voor een grotere bekendheid van zowel de vereniging als de activiteiten van de Mijnwerkers-Brancardiers.

Na de sluiting van de mijn kwam de vereniging van de Mijnwerkers-Brancardiers in problemen. Er konden namelijk geen nieuwe leden meer gerekruteerd worden. Het voortbestaan van de vereniging werd bedreigd. Dit probeerden ze tegen te gaan door de voorwaarde om lid te worden te versoepelen. Zo konden nu ook vrouwen en kinderen van mijnwerkers lid worden, maar ook mannen die lid waren van de KWB. De laatste jaren voelen steeds minder jongeren zich geneigd om lid te worden van de vereniging. Bovendien worden de leden zelf al een dagje ouder en wordt het voor hen ook steeds moeilijker om zich te ontfermen over de zieken. Het is onduidelijk hoe deze vereniging in de toekomst zal evolueren.

Ter afronding wil ik nog verwijzen naar een deel van een tekst die ik gevonden heb in een mijnwerkerslied:

“En diep in de schoot van de aarde,
waar menig gevaar wordt doorstaan,
verschijnt als een blijvende waarde,
een vriendschap die nooit zal vergaan.”[1]

In deze strofe wordt verwezen naar de legendarische vriendschap van de mijnwerkers. Er wordt gesuggereerd dat de nationaliteit geen enkele rol speelt, noch bij het werk, noch in de vrije tijd. Uit mijn onderzoek is gebleken dat dit stukje tekst inderdaad geldt voor het werk dat verricht werd in de mijnen. Eenmaal boven de grond, lijkt deze tekst minder van toepassing te zijn. Bovengronds zat deze vriendschap veel complexer in elkaar. Dit tonen de verschillende initiatieven die de priesters namen om de nationaliteiten dichter bij elkaar te brengen. Het verliep niet zo rooskleurig als in de strofe wordt gesuggereerd. Bij de Mijnwerkers-Brancardiers vereniging echter is deze strofe weer meer van toepassing. In deze vereniging waren er goede interetnische relaties. Hier werd geen verschil in nationaliteit gemaakt omdat de verering van Onze-Lieve-Vrouw de basis was. Daarnaast was de vereniging ook belangrijk om het gevoel van mijnwerker zijn een hogere waarde te geven. Iedere mijnwerker, welke nationaliteit hij ook bezat, deed hetzelfde werk en het groepsgevoel in de vereniging was dan ook sterk aanwezig.

De relatie tussen de mijnwerkers zit dus complexer in elkaar dan de legendarische vriendschap die deze strofe ons voorhoudt.

Tot slot wil ik nog wijzen op een aantal punten waar verder wetenschappelijk onderzoek mogelijk is. De buitenlandse priesters voor de immigranten zijn in deze verhandeling niet uitgebreid aan bod gekomen. Het is zeker interessant om de buitenlandse priesters in Meulenberg of Limburg verder te onderzoeken. Verder zijn er nog veel meer onderzoeksmogelijkheden voor de Mijnwerkers-Brancardiers. Zo kan de volledige structuur van de organisatie onderzocht worden, de bedevaarten zelf kunnen beter onder de loep genomen worden of de verschillende lokale Mijnwerkers-Brancardiers bewegingen kunnen met elkaar vergeleken worden.

 

 Noten

[1] Strofe uit een mijnwerkerslied uit het persoonlijk archief van Jean De Schutter.
 

Bibliografie

Bronnen

1.1. Mondelinge bronnen

Mijnwerkers-Brancardiers

1. Eddy Bruyninckx                 8 maart 2005
2. Jan Bak                               8 maart 2005
3. Antoon Steensels                 8 maart 2005
4. Jean De Schutter                 3 oktober 2005
5. Johann Bak                         10 oktober 2005
6. Antonio Tempo                   24 oktober 2005
7. Roger Schillebeeks              5 december 2005
8. Ric Leduc                            5 december 2005
9. Dolf Saenen             6 december 2005

Pastoors en kapelaans Meulenberg

1. Willy Vanormelingen            2 februari 2006
2. Gust Vanherck                    8 februari 2006
3. Désiré Vanderwegen           8 februari 2006
4. Maurizio Fomini Salvatori    11 februari 2006

Medewerkers Chiro Meulenberg

Willy Vandael             12maart 2005

1.2. Archivalische bronnen

Kadoc:

KADOC. Papieren van Pieter Jan Broekx

Nr. 5.6.4, Mijnwerkers-brancardiers en antecedenten.

Nr. 13.2.2.4, Houthalen.

Nr. 13.2.6, De oprichting van nieuwe parochies in de mijngebieden.

Nr. 14.13.6, Houthalen.

KADOC. Archief mijnwerkers-brancardiers

Nr. 1, Mémoires betreffende de geschiedenis.

Nr. 2, Dossier 50-jarig jubileum, 1981.

Nr. 5, Statuten en huishoudelijke reglementen, 1945-1983.

Nr. 6, Adressenlijst van de leden van de provinciale raad.

Nr. 12, Ingekomen en minuten van uitgaande briefwisseling, verslagen van vergaderingen, jaarverslagen, nota’s en aantekeningen van pater Polycarpus Diricken OFM, provinciaal proost.

Nr. 13, Ingekomen en minuten van uitgaande briefwisseling van pater Polycarpus Diricken, 1947-1960.

Nr. 24, Stukken betreffende spaaracties voor deelname Lourdes, 1931-1953.

Nr. 34, Ledenlijsten 1994.

Nr. 35, Ledenlijsten 1995.

Nr. 37, Persoondossier van Jan Geerts, 1963.

Nr. 39, Ledenlijsten (jaren 1950).

Nr. 41, Stukken betreffende de Sint-Barbarafeesten 1956-1972.

Nr. 44, Brieven van echtgenoten van mijnwerkers-brancardiers 1952-1953.

Nr. 45, Brieven van mijnwerkers-brancardiers 1949.

Nr. 55Adreslijsten van gewestelijke en provinciale verantwoordelijken.

Nr. 58, briefwisseling, nota’s en verslagen betreffende diverse activiteiten van pater Polycarpus 1957-1961.

Nr. 59, Briefwisseling, nota’s en verslagen betreffende diverse activiteiten. 1967-1971-1973-1975-1976.

Nr. 61, Briefwisseling van Eerwaarde Heer Servaas Deneys. 1980.

Nr. 67, Persknipsels 1949-1956. 

Bij privé-personen:

Archief Dolf Saenen. Papieren van mijnwerkers-brancardiers.

Archief Ric Leduc. Folder 75 jaar Mijnwerkers-Brancardiers.

Werken en Uitgegeven bronnen

ALESIOU, A. “Griekse immigratie in België” in: A. Morelli, ed. Geschiedenis van het eigen volk. De vreemdeling in België van de prehistorie tot nu. Leuven, 1993. 279-297.

ART, J ea. Hoe schrijf ik de geschiedenis van mijn gemeente? Deel I: Nieuwste tijden 19de en 20ste eeuw. Centrum voor geschiedenis. Gent, 1993.

BARBAY, C. 100 jaar steenkool. Ik verkoos de mijn. Houthalen, 2001.

EYERS, L. Iedereen zwart? De impact van bedrijfshomogeniteit en klassensegregatie op de interetnische burenrelaties in Zwartberg (1930-1980). Doctoraatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, dept. Geschiedenis, 2004.

BROUWERS, L. De kapel van O.L. Vrouw van Lourdes te Meulenberg, Meulenberg, 2000.

BUCCOLINI, R. Parochie Sint-Lambertus 1948-1988. Houthalen, 1988.

BUSSELS, M. “Houthalen in het verleden”. Gemeentekredediet van België, XIX (1965) 59-64.

CAESTECKER, F. “Centraaleuropese mijnwerkers in België” in: A. Morelli, ed. Geschiedenis van het eigen volk. De vreemdeling in België van de prehistorie tot nu. Leuven, 1993. 165-175.

CLAES, B. De sociale integratie van de Italiaanse en Poolse immigranten in Belgisch Limburg. Hasselt, 1962.

COENEN, M. Les Syndicats et les Immigrés. Brussel, 1999.

COPPIETERS, G. en MINTEN, L. “Bazen en knechten” In: De koolputters. Geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers. 2005.

De inventaris van de steenkoolmijn van Houthalen/Zolder van het Algemeen Rijksarchief.

DE CRAECKER, M-C. Eisden, groei van een tuinwijk en haar bevolking (1907-1986). Licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, dept. Geschiedenis, 1987.

DELBROEK, B. “Opstart en uitbouw” In: De koolputters. Geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers. 2005.

DE RIJCK, T. en PELEMAN, K. “Vreemdelingen in de Limburgse mijnregio: goed gehuisvest, maar weinig perspectieven” in: T; De Rijck, C. Kesteloot en M. Jansen-Verbeke, red. Sporen van een mijnverleden. Sociaal-geografische studies in de Limburgse mijnstreek. Leuvense geografische papers 9. Leuven, 1998, 53-69.

DE RIJCK, T. en SEGERS, W. “Culturele verenigingen in de Limburgse mijnstreek” in: T; De Rijck, C. Kesteloot en M. Jansen-Verbeke, red. Sporen van een mijnverleden. Sociaal-geografische studies in de Limburgse mijnstreek. Leuvense geografische papers 9. Leuven, 91-95.

DE RIJCK, T. en VAN DEN BOSSCHE, L. “Pendelen naar de Limburgse mijnen. Sporen van een sociaal-economische geschiedenis” in: T; De Rijck, C. Kesteloot en M. Jansen-Verbeke, red. Sporen van een mijnverleden. Sociaal-geografische studies in de Limburgse mijnstreek. Leuvense geografische papers 9. Leuven, 71- 72.

DE RIJCK, T. “Huisvesting van de mijnwerkers” in: T; De Rijck, C. Kesteloot en M. Jansen-Verbeke, red. Sporen van een mijnverleden. Sociaal-geografische studies in de Limburgse mijnstreek. Leuvense geografische papers 9. Leuven, 21-37.

DE RIJCK, T. en VAN MEULDER, G. De ereburgers. Een sociale geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers. Berchem, 2000.

DE RIJCK, T. Sporen van een mijnverleden : sociaal geografische studies in de Limburgse mijnstreek. Leuven, 1998.

DE WEVER, B. en FRANCOIS, P. Gestemd verleden. Mondelinge geschiedenis als praktijk. Vlaams centrum voor volkscultuur, 2003.

DE WILDE, M. Het mijnalarm : een dossier. Lier, 1966.

DEBLON, A., GERIN, P. En PLUYMERS, L. Les archives diocésaines de Liège. Inventaire des fonds modernes. Leuven-Parijs, 1978.

DIETEREN, R. De migratie in de mijnstreek 1900-1935. Heerlen, 1959.

D’OLIESLAGER, G. Arbeiders en Kultuur. Een sociologische studie over de kulturele beeldvormings- en kulturele gedragspatronen van arbeiders in de vrije tijd. Antwerpen, 1970.

Eenheid en scheiding van de beide Limburgen. Leeuwaarden, 1989.

GODDEERIS, I. De Poolse migratie in België 1945-1950: politieke mobilisatie en sociale differentiatie. Amsterdam, 2005.

HABEX, J. en TYS, E. “Voorgeschiedenis en pioniers.” In: De koolputters. Geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers. 2005.

HILARION, T., BROECKX, P. en TIBOS, P. Mee naar Lourdes. 1953.

HORVATH, C. Het gebruik van de vrije tijd bij de mijnwerkers van Eisden en Bree: een sociologisch onderzoek naar de mogelijkheid van volksopvoeding in het mijnwerkersmilieu. Licentiaatsverhandeling, Hoger Instituut voor de Arbeid, Katholieke Universiteit Leuven, 1955.

In de mijn is iedereen zwart. Antwerpen, 1984.

ISGOUR, I. Tentoonstellingscatalogus Cultureel Centra Houthalen-Helchteren, 1999.

KERKHOFS, J. Godsdienstpraktijk en sociaal milieu: proeve van godsdienstsociologische studie der provincie Limburg. Brussel, 1954.

KERKHOFS, J. en VAN HOUTTE, J. De kerk in Vlaanderen. Pastoraal-sociologische studie van het leven en de structuur der kerk. Tielt, 1962.

KOHLBACHER, J. “Migranten” In De koolputters. Geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers. 2005.

KOHLBACHER, J. “Sint-Barbara” in: De koolputters. Geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers. 2005.

Kolenmijnen André Dumont. Brussel, 1957.

MERTENS, J. Geschiedenis van Houthalen: studie van het dorp en de parochie tijdens het Oud Regime. Houthalen, 1983.

MINTEN, L. Een eeuw steenkool in Limburg. Tielt, 1992.

MINTEN, L. en JACOBS, V. Gids voor de studie van de Limburgse steenkoolmijnen. Brussel, 1996

MORELLI, A. “ De immigratie van Italianen in België in de 19de en 20ste eeuw” in: A. Morelli, ed. Geschiedenis van het eigen volk. De vreemdeling in België van de prehistorie tot nu. Leuven, 1993. 197-211.

NELIS, C. “Het werk in de ondergrond” in: De koolputters. Geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers. 2005.

NISSEN, P. Geloven in de lage landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom. Leuven, 2004.

RAEDTS, C.E.P.M., De opkomst, de ontwikkeling en de neergang van de steenkoolmijnbouw in Limburg. Assen, 1974.

ROOIJMANS, F. (ed.) Zomaar een contact. Ledencontactblad voor zieken, brancardiers en mijnwerkers & brancardiers van Limburg. Hoeselt, Jansen, Juni 2005.

ROOIJMANS, F. (ed.) Speciale editie. Mijnwerkers-Brancardiers Limburg. Hoeselt, Jansen, Juni 2001.

RUBENS, A. Parochie en industrie. Hasselt, 1956.

SANCHEZ, M-J. “De Spanjaarden in België in de 20ste eeuw” in: A. Morelli, ed. Geschiedenis van het eigen volk. De vreemdeling in België van de prehistorie tot nu. Leuven, 1993. 261-279.

Socio-demografische verkenning van de wijken Meulenberg, Houthalen-Oost, de Standaard. Houthalen, 1990.

THANS, H. Mee naar Lourdes. Hasselt, 1953.

ULBURGHS, J. De eeuwige rebel. Groot-Bijgaarden, 1996.

ULENAERS, K. Mijnwerkers in Helchteren of de invloed van de industrialisering van Limburg op een landelijke omgeving (1880-1980). Licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Dept. Geschiedenis, 1995.

VAN DOORSLAER, B. Koolputterserfgoed: een bovengrondse toekomst voor een ondergronds verleden. Hasselt, 2002.

VAN DOORSLAER, B. “De zeven mijnzetels” in: De koolputters. Geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers. 2005.

VAN DOORSLAER, B. Steenkool in Limburg. Sint-Truiden, 1983.

VANHOVE, T. “Wij kunnen ook met zachte hand werken”, Het Belang van Limburg (28 november 1998).

VAN LOO, A. Leven der heilige Barbara, maagd en martelares. Gent, 1895.

VAN LOO, A. Repertorium van de architectuur in België. Antwerpen, 2003.

VINTS, L. Inventaris van de papieren van Mgr. P.J. Broekx 1881-1968. Leuven, 1987.

VINTS, L. Monseigneur Broekx en de Christelijke arbeidersbeweging in Limburg. Leuven, 1989.

Waar de dag nacht is. De steenkoolmijnen in de literatuur. Literair museum, Hasselt, 1988.

Bijlagen

Bijlage I : Vragenlijst Mijnwerkers-Brancardiers

Familiale situatie

  1. Wat is je geboortejaar ? Waar bent u geboren ?
  2. Waar heb je je jeugd doorgebracht ?
  3. Wanneer ben je in Meulenberg komen wonen ?
  4. Waar ben je naar school geweest ?
  5. Hoe lang bent u naar school geweest ?
  6. Welke richting heb je gevolgd ? 
  7. Ben je getrouwd (geweest ?) ?
  8. Hoe heb je je vrouw leren kennen ? Wanneer was dat ?
  9. Wanneer zijn jullie getrouwd ?
10.Hoeveel kinderen hebben jullie ?
11. Hoe oud zijn ze nu ?
12. Met hoeveel kinderen waren jullie thuis ?
13. De hoeveelste in rij was je ?
14. Welk werk deed uw vader ? En uw moeder ?
15. Waar zijn uw ouders geboren ? Waar hebben ze hun jeugd doorgebracht ?
16. In welke verenigingen zat jij als kind ?
17. In welke verenigingen zaten je ouders ?
18. Hoe vaak ging je als kind naar de kerk ? Wanneer gingen je ouders ?
19. Wie moedigde dit aan ? (Wie zei dat dit niet nodig was ?)
20. Godsdienst was dus wel/niet belangrijk in je gezin ? Hoe zou dat komen ?

Werk in de mijn

  1. Welk werk heb je gedaan ?
  2. Ben je onmiddellijk na school beginnen werken ?
  3. Wanneer ben je in de mijn beginnen werken?
  4. Hoe oud was je toen?
  5. Wie van het gezin werkten nog in de mijn?
  6. In welke mijn (of mijnen) heb je gewerkt ?
  7. Welke functie had je in de mijn?
  8. Heb je nog ander werk gedaan voor je in de mijn begon te werken?
  9. Hoe ben je eigenlijk in de mijnindustrie terecht gekomen?
10. Hoe lang heb je in de mijn gewerkt?
11. Van waar kwamen je collega’s ?
12. Met wie kon je goed overweg ?
13. Met wie  kon je minder goed overweg ?
14. Wie zag je buiten de werkuren ? Wat deden jullie dan ?
15. Welke nationaliteiten waren er in de mijn ?
16. Hoe verliepen deze contacten ?
17. Hoe ging je om met taalverschillen ?
18. Waren er nog andere moeilijkheden ?
19. Hoe stond je ten opzichte van de sluiting van de mijn ?

Mijnwerkers-Brancardiers

Wat deden jullie ?

  1. Op welk moment hoorde je voor het eerst over de mijnwerkers-brancardiers?
  2. Wanneer ben je er bijgegaan ?
  3. Wat heeft je daartoe aangezet?
  4. Via wie ben je er bijgeraakt ?
  5. Waren er als lid bepaalde verplichtingen?
  6. Wat waren de jaarlijkse activiteiten ?
  7. Waar nam je aan deel?
  8. Met wie ging je naar de activiteiten ?
      - collega’s, buren, familie, … ?
  9. Welke activiteit was het hoogtepunt gedurende het jaar? (Lourdesbedevaart, St-Barbara viering,  bedevaarten naar Scherpenheuvel, …)
10. Ik heb gehoord dat er gespaard werd voor de bedevaart. Hoe ging dit juist in zijn werk ?
11. Kwam de mijn financieel tussen of steunde ze op een andere manier?
12. Hadden sommige mijnwerkers voorrang op andere om op bedevaart te gaan ? (ondergronders voorrang op bovengronders ?)
13. St-Barbara was het jaarlijks patroonfeest. Wat gebeurde er die dag ?
14. Hoe is dit feest veranderd ? (bv, na de mijnsluiting ?)
15. Hoe zat het bestuur van de Mijnwerkers-Brancardiers in elkaar ?

Wie zat erin ?

 16. Gingen vrouw en kinderen mee ?
 17. Welke beroepen hadden de leden ?
 18. Welke nationaliteiten zaten er zoal bij de mijnwerkers-brancardiers?
 19. Hoe was de verhouding vreemdelingen-Belgen bij de mijnwerkers-brancardiers?
 20. Had je het gevoel dat dit overal in  Limburg hetzelfde was, of waren er plaatselijke verschillen?
 21. Deden jullie moeite om deze vreemdelingen aan te spreken?
 22. Wat waren uw persoonlijke ervaringen met deze vreemdelingen?

Andere verenigingen

23. Was er contact met mijnwerkers-brancardiers van andere parochies ?
24. Indien ja, wat deden jullie dan zoal samen ?
25. Wat waren de verschillen tussen jullie vereniging en die in andere parochies ?

Ontstaan mijnwerkers-brancardiers

  1. Ken je de geschiedenis/ontstaan van de mijnwerkers-brancardiers? Kan je daar eens wat meer over vertellen ?
  2. En deze van de mijnwerkers-brancardiers Meulenberg?
  3. Wie waren de leidende figuren die alles in gang gezet hebben (zowel Waterschei als Meulenberg)?
  4. Zijn er belangrijke figuren geweest bij de mijnwerkers-brancardiers waar veel over gepraat werd ?
  5. Ken je volgende personen ?
      kapelaan Deneijs (later pastoor Hamont, oprichter M-B)
      Ridder de Schaetzen (geldschieter voor eerste Lourdesbedevaart)
      Pater Bernardus Engelbos (eerste aalmoezenier M-B, gestorven in 1943)
      Z.E.P. Polycarpus (nieuwe aalmoezenier in 1946)
      Jan Geerts (ondergronds mijnwerker en stond mee aan de wieg van de M-B)
  6. Bleven de Mijnwerkers-Brancardiers bestaan tijdens de oorlogsjaren ?
  7. Indien ja, waren er verschillen merkbaar tijdens de oorlogsjaren ?
  8. Hoe belangrijk was het geloof bij de mijnwerkers-brancardiers? Hoe werd dit naar voor gebracht?
  9. Werd er veel over politiek gepraat bij de mijnwerkers-brancardiers ? (waarom en waarover)
10. Hoe was de relatie met de vakbond ?

Wijk Meulenberg

  1. Wat was je eerste indruk van de wijk ?
  2. Bij welke verenigingen van de wijk was je betrokken ?
  3. Welke rol speelde de parochie bij de uitbouw en opbouw van de wijk ?
  4. Welke pastoors heb je gekend ?
      - Wat voor mensen waren dat ? Kan je hier eens wat meer over vertellen ?
  5. Hoe zou je de evolutie van de wijk beschouwen ?
      - Zie je deze eerder als positief of negatief ?

  

Bijlage II: Vragenlijst priesters

  1. Wanneer ben je geboren? Waar ben je geboren?
  2. Waar heb je je jeugd doorgebracht?
  3. Waar ben je naar school geweest?
  4. Welke richting heb je gevolgd?
  5. Met hoeveel kinderen waren jullie thuis?
  6. De hoeveelste in rij ben je?
  7. Wat voor werk deed je vader? En je moeder?
  8. Waar zijn je ouders geboren?
  9. Waar hebben ze hun jeugd doorgebracht?
10. In welke verenigingen zat je als kind?
11. In welke verenigingen zaten je ouders?
12. Hoe belangrijk was godsdienst in jullie gezin ?

Priesterschap

  1. Wat bracht je er toe om priester te worden?
  2. Wanneer had je deze roeping?
  3. Wanneer ben je gewijd?
  4. Wie waren je voorbeelden?
  5. In welke parochies ben je priester geweest?
  6. Wanneer ben je naar Meulenberg gekomen?
  7. Wat was je eerste indruk van Meulenberg
  8. Wat was je eerste indruk van de mijnwerkers?
  9. Waren de mijnwerkers gelovig?
10. Hoe lang ben je in Meulenberg geweest?
11. Wat was het verschil tussen Meulenberg en de andere parochies waar je hebt gewerkt?
12. Aan welke parochie heb je de mooiste herinneringen? Waarom?
13. Aan welke parochie heb je de minst mooie herinnering? Waarom?

Verenigingsleven en kerkgang van de bewoners

  1. Hoe was de kerkgang bij de bewoners van Meulenberg?
  2. Was er een verschil tussen de vrouwen en mannen ivm kerkgang?
  3. Werden er verschillende diensten georganiseerd?
  4. Indien ja, wie ging er dan voor in deze diensten?
  5. Was er een verschil in kerkgang bij de immigranten?
  6. Indien ja, hoe ging je hiermee om?
  7. Welke verenigingen waren actief in Meulenberg?
  8. Bij welke verenigingen was je het meest intensief actief betrokken?
  9. Verschilde je rol in mannen-en vrouwenverenigingen?
10. Werden er activiteiten georganiseerd in de parochie? Indien ja, welke?
11. Waren er jaarlijkse parochiale gebeurtenissen?

Bisdom

  1. Onder welk bisdom heb je altijd gediend? (Luik, Hasselt)
  2. Wat verwachtte het bisdom Limburg in die jaren van priesters ? (liturgie, verenigingen, relatie priesters met de mijn, immigranten, Islam, vakbonden en politiek)
  3. Op welke vlakken verschilden de richtlijnen van Bisdom van die van het Vaticaan ?
  4. Welke persoonlijke initiatieven werden er genomen?
  5. Hoe was de houding van het bidsom ten opzichte van de mijngemeentes?
  6. Wat verwachtte het bisdom van priesters in de mijngemeentes ?
  7. Wie waren de verschillende bisschoppen?
  8. Wat hebben zij gerealiseerd?

Mijnwerkers-brancardiers

  1. Ken je de vereniging van de mijnwerkers-brancardiers?
  2. Wanneer hoorde je voor het eerst van hen?
  3. Ken je de geschiedenis van mijnwerkers-brancardiers?
  4. Wanneer ben je er in je parochie mee in contact gekomen?
  5. Welke rol speelde je in deze organisatie?
  6. Welke rol speelde deze vereniging in de parochie?
  7. Welke verwachtingen waren er vanuit de organisatie naar de parochie toe?
  8. Wat deed de parochie met Sint- Barbara?
  9. Wat betekende het Sint-Barbarafeest voor de parochie?

Immigratie

  1. Bracht je de migratie ter sprake in de preek ? Heb je nog teksten van preken liggen ?
  2. Meulenberg heeft altijd veel immigranten gehad. Hoe ging je om met het taalverschil?
  3. In welke taal hield je je preken ?
  4. Bij welke gelegenheden werd er een andere taal gebruikt?
  5. Ik heb gehoord dat Polen en Italianen aparte kerkdiensten hadden. Wanneer is dat begonnen ?
  6. Hoe veranderde dat ?
  7. Wat vond je daarvan ?
  8. Hoe verliepen de contacten met de immigrantenpriesters?
  9. Was er een samenwerking tussen bv de Poolse en Italiaanse kerken en de kerk van Meulenberg?
10. Bij welke gelegenheden was dit?
11. Hoe ging je om met Moslims in de parochie ?
12. Was er hier sprake van een samenwerking? Zat hier een evolutie in?
13. Wanneer had je contact met Ital / Polen / Turk-Marokk ?
14. Wat verwachtten Italianen / Polen / Turken en Marokkanen van de parochiepriester ?
15. Waarvoor kwamen ze bij jou ?
16. Hoe gingen Belgen in de parochieverenigingen met immigranten om ?
17. Wat waren de problemen ?
18. Wat vond je daarvan ?
19. Welke conflicten deden zich in de parochie voor tussen Belgen en immigranten ?
20. Wat was je reactie ?

Kerk en mijn 

  1. Bracht je de mijn ter sprake in de preek ? Heb je nog teksten van preken ?
  2.
Speelde de mijn een rol in de parochie? Had ze er een invloed op?
  3. Welke subsidies gaf de mijn aan de parochie?
  4. Wat was de rol van de ingenieurs in het parochiale leven?
  5. Wat gebeurde er in Meulenberg bij de jubileumviering in 1957 ?
  6. Hoe stond u ten opzichte van de mijn en de mijndirecteurs/ingenieurs?
  7. Was er een evolutie merkbaar van de invloed van de mijn?
  8. Fusie van mijn Houthalen met Zolder : welke invloed had dat op de parochie ?

De mijnstakingen/mijnsluit

 

Bijlage III

  
Bijlage IV
  

  

 

  
Bijlage V - Statuten van de Mijnwerkers-Brancardiers

           

          

          

  
Kaart