Al hadvash ve'al ha'okets
Al hamar vehamatok
Al biteynu hatinoket
shmor eyli hatov.
Al ha'esh hamevo'eret
Al hamayim hazakim
Al Ha'isch hashav habayta
Min hamerkhakim.
Al kol ele, al kol ele,
Shmor nah li eyli hatov
Al hadvash ve'al ha'okets
Al hamar vehamatok.
Al na ta'akor natu'a
Al tishkakh et hatikvah
Hashiveyni va'ashuva
El ha'arets hatovah.
Goeie God, wordt hier gezongen
houdt ons ver van angst en pijn
laat de koren van den oorlog
uitgezongen zijn.
Maar al kan ik het begrijpen:
zo een redelijk gebed,
gene God heeft ooit ne wereldbol
in brand gezet.
't Zijn de mensen die het zo wensen
naar de zeden van den tijd.
Militairen hebben geweren
die ze laden voor de strijd.
Merashreh ilan baru'akh
Merakhok nosher kokhav
Mish'alot libi bakhoshekh
Nirshamotachshav.
Ana schmor li al kol ele
Ve'al ahuvey nafshi
Al hasheketalhabékhi
Ve'al ze hashir.
Al kol ele, al kol ele
Shmor nah li eyii hatov
Al hadvash ve'al ha'okets
Al hamarvehamatok.
Al na ta'akor natu'a
Al tishkakh et hatikvah
Hashiveyni ni va'ashuva
El ha'arets hatovah.
Al kol ele, al kol ele,
Schmor nah li eyli hatov
Al hadvash ve'al ha'okets
Al hamar vehamatok.
Wannes & Ora Sitner: zang
Flor Hermans: viool
Walter Heynen: dwarsfluit
Jan Wellens: gitaar
P&C Polygram Belgium/VRT
uit de Cd Wannes Van de Velde 'Intiem'
Ik ben soldaat, doch tegen mijn begeren;
toen ik het werd, heeft men mij niet gevraagd.
Men trok mij mee, ik mocht mij niet verweren,
ik werd gevangen en als wild gejaagd.
Van 't ouderhuis en van mijn liefjes harte
verjoeg men mij en uit de vriendenkring.
Als 'k daaraan denk met kommer en met smarten
ontgloeit mijn toorn en mijn
verbittering.
Ik ben soldaat, moet dag en nacht marcheren.
In plaats van werken moet ik op schildwacht staan.
In plaats van vrij te zijn, moet ik salueren
voor lummels vol van domme eigenwaan.
En in de strijd moet ik de moordenaar worden
van broeders die ik geen van allen haat.
Daarvoor krijg ik, verminkt, een ridderorde
en hongerend roep ik dan: 'Ik was soldaat.'
Oh, broeders, of gij Duitsers zijt of Denen,
uit Frankrijk, Oostenrijk of Engeland
met rood of blauwe broeken aan uw benen
reikt aan elkaar voorgoed de broederhand.
Kom, laten wij naar huis te saam marcheren,
ons zelf bevrijden uit de slavernij
om hand in hand de oorlog te verleren.
Soldaat der vrede noem ik gaarne mij.
Den elfden van mei
zag men ze marcheren
van leper met eren
naar de stad van Gent.
't Changement is gekomen
over ons regiment
en dat maakt men aan de knappe meisjes
van leper bekend.
Wel leperse meisjes,
ik moet u verlaten.
Door orders van staten
is 't dat ik moet gaan.
Ik moet mij engageren
met een ander persoon,
die met mij zal blijven
in het garnizoen.
Wei jonkmans, gij spreekt er
van mij te verlaten,
met een ander te praten,
dat staat mij niet aan.
Bewaar mij uw trouwe
tot gij wederkeert
en dan word ik uw vrouwe,
van ieder geëerd.
Kom geef mij uw hand,
gij felle godinne,
die ik zo beminne.
Blijf mij maar getrouw.
In dit en drie jaren
dan keer ik weerom.
Dan zullen wij wezen
bruid en bruidegom.
Adieu, voor het lest,
nog éénmaal gedronken,
de glazen geschonken,
dat smaakt mij nu best.
Nu moedig gescheiden
van haar roden mond.
Adieu, lieve zuster,
blijf fris en gezond.
Voor vijf dagen vlees
heeft zij mij gegeven,
een brood om te leven,
een neusdoek daarbij.
Op den hoed een cocarde,
zeer mooi opgezet,
en dat heb ik gekregen
van die mooie brunet.
Die dit liedeken heeft gedicht,
't zijn twee grenadieren.
Zij weten van zwieren,
zij weten van spel.
't Zijn felle soldaten
van 't Viersetregiment
en dat maakt men aan de meisjes
van leper bekend.
If s many years past I was gadding about
I didn 't care where I was going.
One evening it happened I boarded a boat
In Fishgard, which you must be knowing.
And some hours later in the storm of the night
The coast of old Ireland rose foaming.
Then without any aim and without any thought
By Dublin's green bay I went roaming.
And I walked through the night
By Dublin Bay,
On the sand, long the rim of old Erin,
'Til the dawning of day
Gave welcome to me
On the shores of Dublin Bay.
I heard the imploring voice of the waves.
I don't know what all they were saying,
But I felt that gnawing in marrow and bone
As of angels whom demons were flaying.
The wind drove me on 'long abysses of time,
Till I came on a village asleep all-
Asleep, but the fire of the lighthouses shone
Deep into the dreams of its people.
As sung by Luka Bloom:
And I walked...
And then rose the morning uneasy and slow
To touch the quayside and the water,
And fishermen walked in their yellowish coats
Their stiff-masted vessels to board there.
Long still on that dike I kept standing alone,
In thought 'bout the here and hereafter.
And I there understood that death does not exist,
And I heard the sea-gulls'shrill laughter.
And then shone the sun over Dublin Bay,
On the green and the grey of old Erin,
And meekly myself in his arms I did lay.
On the shores of Dublin Bay, me boys.
On the shores of Dublin Bay.
Dublin Bay
Many years past I was running around
I didn 't care where I was going
One evening it happened I boarded a boat
In Fishguard, the westwind was blowing
Some hours on in the depth of the night
The coast of old Ireland rose foaming
Without any aim nor a care in my heart
By Dublin's green bay I was roaming
I walked through the night
By Dublin Bay
On the sand along the rim of old Ireland
'Til the dawn by the sea
Gave a welcome to me
On the shores of Dublin Bay
I heard the imploring voices on waves
I didn't know what they were saying
But I felt that gnawing in marrow and bone
As in angels whose demons were flaying
The wind drove me on long abysses of time
I came on a village asleeping
Asleep but the fire in the lighthouses burned
Deep in the dreams of it's people
Then rose the morning uneasy and slow
To touch the quayside and the water
Fishermen walked in their yellowish coats
Stiff masted vessels to board there
Long on that pier I was standing alone
I thought about here and hereafter
I then understood there's no death in the world
Do you hear the seagull and his laughter?
Then rose the sun over Dublin Bay
On the green and the grey of old Ireland
I looked into her eye
And with her I did lie
On the shores of Dublin Bay, me boys
On the shores of Dublin Bay
As sung by Luka Bloom
Veel jaren geleden, ik was op den dool,
het kon me niet schelen waarhenen,
zijn ik op nen avond den boot opgestapt
in Fishguard, dat zulde wel kennen.
En uren daarna, in de stormige nacht,
zijn de kusten van Ierland verschenen,
en toen zijn ik daar zonder doel of gedacht
langs Dublin zijn baai gaan flaneren.
En ik ging door de nacht langs Dublin Bay,
over 't zand langs de rand van Old Erin,
totdat 't grijs van den dag mij verwelkomd heeft
on the shores of Dublin Bay.
Ik hoorde de golven hun smekende stem;
ik weet niet wat dat ze vertelden,
maar ik voelde het knagen in merg en been
van demonen die engelen kwelden.
De wind joeg me verder langs afgronden tijd,
totdat 'k aan een dorp zijn gekomen.
Het sliep, maar het licht van de vuurtoren scheen
tot diep in de mensen hun dromen.
En ik ging door de nacht...
En dan kwam de morgen onwennig en traag
de kaai en het water betasten,
en gingen de vissers in gele kabaan
naar hun boten met koppige masten.
Ik zijn daar nog lang op den dijk blijven staan,
verzonken in witte gedachten,
en ik heb daar beseft dat de dood niet bestaat,
en ik hoorde de meeuwen die lachten.
En toen scheen de zon over Dublin Bay
op het groen en het grijs van Old Erin,
en ik heb me gedwee in heur armen gelei'
on the shores of Dublin Bay,
me boys, on the shores of Dublin Bay
performed by Luka Bloom in SoundScape Studios Dublin. Recorded by Brian
Masterson. Vertaling door Ernest Bernhard
Is er nog pest, nog pest in Lombardije?
Is er nog een raaf gevonden
in de plooien van de daad,
de daad die gadeslaat
waar de soldaten wonen
Ze huizen onder kerselaren tronen,
verdoken, verdoken in hun boegen,
vooraan, onder 't vooronder nog,
ze slapen, ze slapen in de voegen.
Is het nog winter, nog winter in het Noorden?
Ligt er nog een dode kapitein
Begraven, begraven in 't zwaluwendomein?
Op de aarde van dit plein
ligt een witte kapitein
die voedsel voor de raven zaait
en vraagt of er nog sterren staan
boven Milaan.
Soldatengrab
Gibt es noch Pest, noch Pest in der Lombardei?
Hat man noch einen Raben gefunden
in den Fatten von der Tat,
den Raben, der aufpasst
wo die Soldaten wonnen?
Sie hausen unter Kirschholzthronen,
verborgen, verborgen in ihren Bugen,
ganz vorn, unter dem Vorschiff noch.
Sie schlafen, sie schlafen in den Fugen.
Ist es noch Winter, noch Winter in dem Norden?
liegt da noch einer der toten Kapitane
begraben, begraben in der Schwalbendomane?
Auf dem Boden, den wir sehn,
liegt ein weilier Kapitan,
der Futter fü
r
die Raben sät und fragt, ob über Maiiand
noch Sterne stehn.
'k Werd geboren voor de oorlog,
'k was er drie toen hij begon,
en mijn vroegste herinneringen
zijn de wetten van 't kanon,
'k Was een dunne kleine jongen
en ik speelde op de straat;
in de kroeg werd nog gezongen
en mijn vader was soldaat.
Ik aanvaarde zonder vragen,
Buchenwald vond ik gewoon.
Het was weer een van die namen
met een vreemde Duitse toon.
'k Zag de grauwe legerbenden;
'k vond het allemaal normaal;
'k had niets anders leren kennen
in die tijd van vuur en staal.
Maar ik zag wat er gebeurde
en ik voelde 't in mijn bloed,
'k Wist dat puinen vochtig geurden
naar formol en ranzig roet.
'k Zag de vloek die ons bedreigde,
ons vervreemde van de vreugd;
'k zag de tranen van de vrouwen
en de rimpels van de jeugd.
'k Stak mijn hoofd onder de dekens
voor 't geronk van de V2,
die op zekere nacht vlakbij viel,
maar voor mij viel het nog mee.
Een paar krassen van de scherven,
en toen liep ik op de straat
waar ze lagen om te sterven
met onmenselijk wit gelaat.
'k Was te klein om de gevaren
te begrijpen toen, misschien.
Het was eerst in later jaren
dat ik het kon overzien.
En 'k verwens de stalen mannen
en ik schijt in hun kanon,
'k Werd geboren voor de oorlog;
'k was er drie toen hij begon.
Luc De Vos: zang Erik Van Biesen: bas Bert Huysentruyt: drums Luc
Heyvaerts: toetsen Thomas Vanelslander: gitaar
D'r was er ne keer nen ouwe soldaat
en hij had er geen geld en hij wist gene raad.
D'r was er ne keer nen ouwe soldaat
en hij had er geen geld en hij wist gene raad
Hij is naar de kap'tein gelopen:
'Kapitein, geeft mij wat geld
om klare jenevel te kopen.'
'Wel kapitein, mijn habiet is kaal
en ik heb er noch kousen noch schoenen aan.'
De kap'tein die sprak meteenen:
'Hebde noch kousen noch schoenen aan,
ge moet ze maar zien te stelen.'
Den ouwe soldaat docht in zijne zin:
'En ge blaast het aan genen doven in.
Kon ik daar maar aan geraken
aan de kap'tein zijne manteljas;
ik zou me nieuw kleren doen maken.'
En de mantel wier geroofd
en naar de snijer toe gebracht.
'Beste snijer, hier is het laken;
al wat dat er van over is
dat geef ik u voor het maken.'
Maar zo'n twee, drie weken daarna
kwam de kap'tein hem tegen op straat
'En gij gaat er zo schoon in uw kleren,
't is precies mijne manteljas,
een stuk van mijn beste monture.'
De kapitein, heel boos en kwaad,
hij bracht de soldaat af voor de raad.
De soldaat die sprak met enen:
'Als de soldaten komen om geld,
en wilt ze geen stelen leren.'
De soldaat die sprak meteenen:
'Als de soldaten komen om geld,
en wilt ze geen stelen leren.'
Alain Louie: zang, percussie
Philip Bruffaerts: gitaar
Matthias Moors: bas
Stoy Stoffelen: drums
Willem Wynants: clavinet & piano
Manu Hibot: gitaar
Produced & mixed by Bernd Adams & Alain Louie
Tekst herwerking naar Leuvens: Alain Louie & Sylvain
Libert.
Arrangementen van iedereen
Het militariseren,
een lucratief bedrijf,
gedijt in alle weren,
zegt niet dat 'k overdrijf.
De sterkste traditie
is die van de militie;
de wereld is geweld,
de rest wordt niet geteld.
Het militariseren,
geloof zonder mystiek,
heel nuchter en gedegen,
Gekruid met heroďe
De macht zal domineren,
gedaan met discuteren,
het simpelste beleid
is agressiviteit.
Op 't bal van d'officieren
drinken we kokend lood,
en dansen met manieren
ter ere van de dood.
Het militariseren,
een degelijke keus.
Ge kunt er goed van leven;
de dood is genereus.
De sfeer van de militie
is voeder voor ambitie;
we denken elitair,
zo maken we carričre.
Het militariseren,
een pure filosofie
voor uitverkoren geesten
met neiging tot genie.
De mensen die nog kijven
en ons willen verdrijven,
die leren we cultuur
met knuppel en tortuur.
Op 't bal van d'officieren
drinken we kokend lood,
en dansen met manieren
ter ere van de dood.
Het militariseren
van zon, planeet en ster,
da's allemaal 't arrangeren,
al zijn de sterren ver.
We schieten met kanonnen
spionnen naar de zonnen.
Zo raakt de ruimte vol
en dan begint de lol.
We pluimen de kometen,
we scheren hunnen steert,
en smelten de planeten,
da's pas de moeite weerd.
Zo kraken we de glorie
van God op zijnen toren
en maken d'hemelsfeer
voor eeuwig militair.
Zo zaaien we beschaving
in plooien van 't heelal,
en feesten lijk de beesten
tot onze leste knal.
Koen De Cauter: zang, gitaar Myrddin De Cauter: klarinet Waso De Cauter:
ritmegitaar Dajo De Cauter: contrabas
Productie: Waso De Cauter (Spocus Records 2012) Opname: Robbe Kieckens,
studio Gallinella, Gent- juni 2012 Mix: Waso De Cauter en Robbe Kieckens,
Studio Gallinella, Gent
Ik zijn een jong soidaatje
van drieëntwintig jaren
geboren op het zand
geboren op het zand
faldera
geboren op het zand
daar is mijn vaderland.
[Ik zijn een jong soidaatje
'k moet heel den dag marcheren
en slapen op de grond
en slapen op de grond
faldera
en slapen op de grond
gelijk ne zieken hond
Komt, dokters, chirurgijnen,
verlost mij van die pijnen.
Ik zijn nog niet bereid
ik zijn nog niet bereid
faldera
ik zijn nog niet bereid
voor mijne leste strijd.]
En als ekik dan dood gaan
dan word ekik begraven
al in een graf van steen
al in een graf van steen
faldera
al in een graf van steen
een graf van marmer' steen.
Dan komen al die maskes
al op mijn graf staan schreeuwen
En hij is de wereld af
en hij ligt in't duister graf
faldera
en hij is de wereld af
en hij ligt in't duister graf.
Oorlogsgeleerden, genies van 't kanon,
ge bouwde torpedo en waterstofbom,
ge schuilt achter muren en achter papier,
maar ik ken jullie kuren, uw stalen manier.
G'hebt nooit niet gewerkt dan in het bedrijf
dat mensen vernietigt en harten verstijft.
Ge geeft mij een wapen, maar ge mijdt mijnen blik,
en fluiten er kogels, dan schijt ge van schrik.
Ge bouwt aan 't verderf van leven en land,
ge steekt met uw streken de wereld in brand.
En al kan 't u niet schelen dat 'k jullie verwens,
toch zijt ge ne vloek in de buurt van ne mens.
Ge zaait uwe waanzin, die koud is en wreed,
ge foltert mijn kinderen, ge lacht met hun leed,
en ik weet dat de Schepper het denkbeeld verfoeit
dat er menselijk bloed door uw aderen vloeit.
Crepeert voor mijn part, en liefst nog vandaag,
en ik volg uw kist, liever rap als te traag.
En ik zal u zien zakken in de vredige grond,
en ik schrijf op uw graven: gevaarlijken hond!
Wannes Van de Velde: zang, gitaar
Gilberte Van den Plas: viool
Jan Wellens: gitaar
Ben Faes: contrabas
(uit de cd Wannes Van de Velde 'Live', opgenomen in Antwerpen 2006)
'k Ben al eeuwen onderwegen
langs de straten van den tijd;
'k heb mijn goesting niet gekregen,
'k heb mijn zakken vol met spijt.
Ik verteer mijn levensdagen
enbij niemand vind ik troost,
want mijn hart heb ik gesloten
en mijn ziel heb ik vermoęsd.
'k Vind geen woorden om te klagen,
'i is geen kwestie van verdriet;
't zijn geen mensen die me plagen,
't is geen vrouw die mij verliet,
't Is alleenmaar iets van binnen
dat 'k niet goed heb gesoigneerd;
't is mijn hart dat 'k heb gesloten
en voorgoed geruďneerd.
In de mist van alle dagen
dool ik rond gelijk een spook.
Waar naartoe moet ge niet vragen,
want daar woont den duvel ook,
en als 'k ieverans ga kloppen
dan is 't een verkeerde poort;
dus ik heb mijn hart gesloten
en mijn ziel heb ik vermoord.
In de boeken van de wereld
vind ik niks dat mij verlicht,
't Is de schuld niet van de schrijvers,
het ligt ook niet aan 't gedicht,
maar de reden is te vinden
in mijn leven zonder feest,
in mijn hart dat 'k heb gestoken
in 't gevang van mijne geest in 't gevang van mijne geest.
Bijs Hollebosch: "Collings Ml 2004" en door Hugo Valcke handgemaakte "Weissenborn,
Style Slide Guitar, 2010"
David Buyle: Naamloze Duitse viool, 1920
Kris De Bruyne: in Bend/Oregon 43ste handgemaakte
"Breedlove 'Revival' DR Deluxe, 2008" - Opname & mix: Studio Ace
Aartselaar/Frank Van Bogaert op 09-06-2012
'k Wil hier zingen van degeen'
die me geen droefheid heeft gebracht;
die alleen maar efkes langskwam,
in mijn huis iet' heeft gezocht
en 't heeft gevonden.
Vraagt me niet hoe dat 'm heette,
vraagt me niet wat dat 'm dee';
zijn gezicht ben ik vergeten
en de woorden die 'm zei
zijn uitgeklonken.
Was 'm jong of oud van jaren,
was 'm loecht of was 'm zwaar?
was zijn klederdracht versleten,
alledaags of nogal raar?
'k ben het vergeten.
'k Heb hem niet veel meer gegeven
dan wat water en wat brood,
en met weinig goei' manieren,
met ne groet ternauwernood,
is 'm verdwenen.
Mocht het zijn dat 'm nog zwerft
tussen d'huizen vreemd en koud;
als 'm terugkomt langs mijn erf,
ik mag zijn van jaren oud,
dan zal ik weten:
da's die mens van lang geleęn;
'k heb er dikwijls aan gedocht,
die alleen maar efkes langskwam,
die wat stilte heeft gezocht
en z'heeft gevonden.
opgenomen door Riet bij haar thuis
extra opnames (piano-orgel-akoestische gitaar) en mix door TP in
PintensPalace op 8 augustus 2012
In the park among the bushes
Under birch and sycamore
forgotten walls are standing
Death behind the door
No names upon the pillar
Grey light without the sun
The weight lays down upon you
Each step feels like a ton
The bunkers hide the misery . Soulslost in the deep
The bunkers do their work
And don't care if you weep
The bunkers keep their secrets
Of suffering and worse
The bunkers live forever
Without comfort or a verse
I feel empty
I feel ancient
As cold tears fall
On the bunkers
Tired after working
Nerves about to tear
A walk along the park
To get yourself some air
At the edge of darkness
In the flowers and the grass
Silence wins you over
Concrete holds you fast
The bunkers hide the misery
Souls lost in the deep
The bunkers do their work
And don't care if you sleep
The bunkers keep their secrets
Of suffering and worse
The bunkers live forever
Without comfort or a verse
I feel empty
I feel ancient
As cold tears fall
On the bunkers
De Bunkers
In het park, achter struiken,
onder berk en plataan,
staan vergeten monolieten,
somber en onaangedaan.
Monumenten zonder namen,
grijze bakens zonder zon
die de wandeleer beklemmen
met hun flanken van beton.
Als ge moe zijt van het werk
en ge voelt u wat nerveus,
en ge wandelt wat in 't park
voor ne verse frisse neus,
zoekt dan efkes naar de schemer
achter bloemen en gazon,
laat de stilte triomferen
en blijft staan bij de beton
Van de bunkers,
tekens van ellende,
zwarte diepte van de mensen
die vergingen zonder zin.
De bunkers,
functioneel overwogen
maar door snikken onbewogen,
en de dood woont er nog in.
De bunkers,
'k zie de lijdensweg passeren
van degeen die daar crepeerden
zonder troost of poëzie.
'k Voel me leeg en eeuwen oud,
en mijn tranen vallen koud
op de bunkers.
English translation and musical arrangement by George Carver fBMI) and
GurfMorlix ISESAC)
www.georgecarvermusic.com
Accordion - Dwayne Verheyden
Bajo Sexto - Max Baca
Drums - Steve Schwelling
Guitar - Gurf Morlix
Vocals, Steel Guitar, Bass Guitar - George Carver
Recorded and mixed at Agricultural Laboratories, Austin, TX
Er zijn soldaten uit Beverlo vertrokken,
ze zijn als beesten naar 't front gedreven
ze zijn als beesten naar't front gedreven
naar't schaamteloos kerkhof van onze jeugd.
't Was in de winter, het ijs lag op de vlakte,
mijn beide voeten zijn er bevroren
mijn beide voeten zijn er bevroren
en 'k werd vervoerd naar een hospitaal.
Mijn beide voeten heeft men mij afgenomen
twee houten krukken heb ik gekregen
twee houten krukken heb ik gekregen
en ik werd naar't ouderhuis gestuurd.
Men heeft mij ook nog een staatspensioen gegeven
van een paar centen, te weinig om te leven
zo word ik nu naar de bedelstaf gedreven
om niet te creveren van hongersnood.
Ik heb door tal van landen gezworven
en af en toe wat medelij verworven,
maar de patroons voorwier geld ik heb gevochten
gaven me geen cent toen ik er om vroeg.
Gitaar / Mandoline: Pol Depoorter, Zang en arrangement: Jan De Smet,
Opgenomen in Studio ACE, augustus 2012 Techniek: Frank van Bogaert.
Een ongelukkig kind dat zijn ouders vroeg verliest,
't gaat al tegen de wind al wat hij doet of kiest.
'k Kwam veel te vroeg mijn ouders te verliezen.
'k Moest de kost gaan winnen bij boeren en werklieden.
's Zomers in de wei en 's winters in de sneeuw
moest ik rapen trekken voor 't hoornvee.
'k Liet het werken staan - het stond mij daar niet aan
zonder nog te weten waar ik zou henen gaan.
'k Kreeg in 't gedacht wat anders te beginnen.
Garen van katoen dat zat ik daar te spinnen.
Maar dat donders wiel draaide altijd op mijn hiel.
'k Gaf het zoveel stampen dat het in stukken viel.
z' Hebben mij geraden dat ik naar Gent zou gaan
al in een klein klooster, 't Stond mij daar wel aan.
'k Werd er aanveerd, ai was het maar voor koster,
'k Heb er goed geteerd al was 't een arm klooster.
Maar na zeven jaar altijd op den altaar
te knielen en te bidden dat viel mij toch te zwaar.
Toen werd ik maar soldaat al in dien poveren staat.
Der zijn er al genoeg die weten hoe dat gaat.
Zeven oordjes daags die kreeg ik voor mijn rente
en tot mijn huis heb ik een linnen tente.
En op mijne knapzak slaap ik op mijn gemak,
waar twee slechte borstels en ene kam in stak.
De Keizerlikke sjeldoat
Ein ongelökkig kiendj sónger ajers: zó'n verlees.
't Geit al taege de
windj, al waat 't duit of kees.
Ich kwoom väöls te vreug mien ajers te
verleze,
ich mós de kos verdene, had toch nieks te keze.
's Zomers in de
wei en sjwintjers in de sjnee
mós ich maore trčkke veur 't häörevee.
't Sjtóng mich dao neet aan - ich leet 't wčrke sjtaon,
sónger nag te
wete wo haer ich doe mós gaon.
Ich kreeg 't in de kop get angers te
beginne:
gare van ketoen det zoot ich dao te sjpinne,
Maar det rotte raad
drejde altied op miene heel.
Ich goof 't zoväöl sjtampe det 't in
sjtökker veel.
Zo höbbe mich geraoje det ich nao Gent zo gaon,
al in 'n klein
klooster. Det waas 'n sjoon besjtaon.
Ich waerde aangen
ómme
al waas 't maar as köster.
Det is mich good bekómme, al waar 't 'n erm
klooster,
maar nao zeve jaor altied op daen altaor
to knele en te baeje
veel mich toch te zjwaor.
Doe waerde ich maar sjeldaot veur get van zekerheid.
D'r zeen d'ral genóg
die wete wie det geit.
Zeve aortjes daags die krieg ich veur mien rente,
en as mien hoes höb ich noe 'n linne tente.
En op miene knapzak rös ich ich mien
gemood
wo twee sjlechte burstels en maar eine kamp in zoot.
Mike Roelofs: vleugel en Fender Rhodes
Dwayne Verheyden: accordeon
Gé Reinders: zang en produktie
De sample met de slagtrommel gespeeld door René Creemers uit het nummer
'Waves' van de CD 'Homecoming' van Gé is gebruikt met toestemming van de
VOF Liedjes. Opgenomen door Gé in Studio Liedjes, Roermond. (NL) Daarbij
maakte hij gebruik van Brauner microfoons en de prachtige Gain Station én
Gold Mike voorversterkers van SPL - Tekstherwerking naar het Limburgs: Gé
Reinders. Gemixt door Erik Spanjers in Studio Silvester, UtrechtfNL)
't Was weer zover, het was weer Kerstmis,
de kalkoenen waren dood,
in ieder dorp in de Vlaanders was het feest.
D'rwerd gezongen en gezopen;
aan jenever gene nood
voor de vader, voor de zoon en voor de geest.
Maar op de slag van twaalf ure
werd er ook eens aan gedocht
wat dat dees feestjen in de grond zoal beduidt,
't Was gemakkelijk te weten,
want het stond in de gazet:
heel de wereld kwam er openlijk voor uit:
Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten,
dat er geen bommen uit de lucht worden gestrooid,
dat mitrailleuzen hun verdiende rust genieten
en de kanonnen met ne kerstboom zijn getooid.
Het is een feest van d'ouwe Germanen
ter ere van de zon,
zo vertellen ons de boeken zwart op wit.
De Roomse kerk legt het anders uit;
die zegt ons dat 't begon
met een stalleken in 't Palestijns gebied.
Maar dat zijn ouwe interpretaties
van dees feest van goeie wil,
want onzen tijd is toch voor alles militair,
en de stilte van de nacht
dien ook wel 'heilig' wordt genoemd
wordt geleverd door de killers van 'la guerre';
Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten,
dat er geen bommen uit de lucht worden gestrooid,
dat mitrailleuzen hun verdiende rust genieten
en de kanonnen met ne kerstboom zijn getooid.
Spreekt me niet meer van de drij keuningen,
dat is den ouden trant.
De drij commando's, da's veel meer in onze geest
En de soldaten van Herodes,
ja die vind ik wel plezant;
dat zijn eigenlijk de groot helden op dees feest.
Maar laat die herderkes er buite
want die zijn niet bij den troep;
die kennen zeker nog geen mijn uit een granaat.
En de moeder van het kinneke
zucht in 't midden van dien hoop:
mijne zoon wordt binnen twintig jaar soldaat!
Kerstmis is dien dag ...
Frederik Sioen: vocals, keys, omnichord, xylophone, effects Frederik
Sioen: mixing
Niemand van ons die weet wanneer,
wanneer dat God de Lieven Heer
in zijne zin zal krijgen:
het is gedaan met mijn geduld,
z'hebben mij lang genoeg gekuld;
ik ga ze laten zwijgen,
want zoveel leed, verloren zweet,
dat kan niet zijn, dat wordt te wreed.
Op d'honderdduzend zijn er wel,
maar dan bijzonder goed geteld,
een stuk of drij goei zielen;
ne schone sneeuwman in de zon,
want die zijn dood of in 't prison
met stokken in hun wielen.
Nee, zoveel kwaad, zoveel verraad,
da's niet meer goed, 'k laat het niet toe.
Al het gepraat dat dient voor niks,
in 't Duits, in 't Spaans of in het Grieks,
de waarheid wordt vergeten,
en ik word moe van al die last,
z'hebben genoeg mijn zweet verbrast;
'k had beter moeten weten.
Het is gedaan, ik laat ze staan;
ze zijn te rot, 'k maak ze kapot.
Niemand van ons die weet wanneer,
wanneer dat God de Lieven Heer
in zijne zin zal krijgen:
het is gedaan met mijn geduld,
z'hebben mij lang genoeg gekuld;
ik ga ze laten zwijgen.
gitaren/klavieren/stemmen door Tom Pintens opgenomen en gemixt door TP
in Pintens Palace op 6 augustus 2012
't Is goed dat de wereld zijn helden vereert,
hun daden in boeken vertelt,
zodat gene mens hunne naam nog verleert
dien op dat papier staat vermeld.
Zo kennen we Mozes nog tamelijk goed,
en Stanley en Livingstone.
Ik weet er nog ene uit Hitler zijn crew;
de grote geleerde Von Braun.
In 't jaar vierenveertig, mijn zevenste jaar,
toen werd er in Duitsland beslist
dat 'k ik zou vergaan met mijn vel en mijn haar
omdat 'k me van land had vergist.
Al was ik nen blonde, ne pure Germaan
met ogen vol blauwige schijn,
toch was ik toevallig in België ontstaan;
mijn wieg stond te ver van de Rijn.
De beste geleerden, de strafste ingenieurs,
die staken hun koppen bijeen,
op zoek naar een wapen, nen echte primeur,
tot nut en vermaak van 't gemeen.
Maar alles mislukte, 't wou niet van de grond,
of hoogstens ne meter of drij.
De wetenschap sidderde wijzerke rond
want Auschwitz lag veel te dichtbij.
Maar dan kwam de redding, een zuiver geluid,
de klank van een wonder genie,
nen hele serieuze, met heel zijn bagage
van hogere filosofie.
Hij zei: 'Van de Velde, die bleke sinjoor,
die mageren blonden Antoon?
Hij krijgt ne VI, ne relatiecadeau
van mij, de geleerde Von Braun.'
En zo is't gebeurd; op nen heldere nacht,
dat was in mijn zevenste jaar,
heeft Wernher von Braun mij met ijzer bedacht;
och mensen, dat was een gevaar!
Maar hij heeft mij gemist; zijn raket vloog voorbij,
op volk van de volgende straat.
Von Braun heeft daarna zijn abuus nog hersteld,
maar dan was 't al jaren te laat.
't Is goed dat wereld zijn helden beloont
met een plaatsken op 't hoogste niveau.
Von Braun zag zijn kennis met dollars gekroond;
hij zit aan nen eiken bureau.
Ge vindt zijne naam in de grote Larousse,
geklemd tussen dichter en clown,
maar niemand die weet dat 'm mij heeft gemist;
die grote geleerde von Braun.
'I Is goed dat de wereld zijn helden vereert,
hun daden in boeken vertelt,
zodat gene mens hunne naam nog verleert
dien op dat papier staat vermeld.
Zo kennen we Mozes nog tamelijk goed,
en Stanley en Livingstone.
Ik weet er nog ene uit Hitler zijn crew;
de grote geleerde Von Braun.
In 't jaar vierenveertig, mijn zevenste jaar,
toen werd er in Duitsland beslist
dat 'k ik zou vergaan met mijn vel en mijn haar
omdat 'k me van land had vergist.
Al was ik nen blonde, ne pure Germaan
met ogen vol blauwige schijn,
toch was ik toevallig in België ontstaan;
mijn wieg stond te ver van de Rijn.
De beste geleerden, de strafste ingenieurs,
die staken hun koppen bijeen,
op zoek naar een wapen, nen echte primeur,
tot nut en vermaak van 't gemeen.
Maar alles mislukte, 't wou niet van de grond,
of hoogstens ne meter of drij.
De wetenschap sidderde wijzerke rond
want Auschwitz lag veel te dichtbij.
Maar dan kwam de redding, een zuiver geluid,
de klank van een wonder genie,
nen hele serieuze, met heel zijn bagage
van hogere filosofie.
Hij zei: 'Van de Velde, die bleke sinjoor,
die mageren blonden Antoon?
Hij krijgt ne VI, ne relatiecadeau
van mij, de geleerde Von Braun.'
En zo is't gebeurd; op nen heldere nacht,
dat was in mijn zevenste jaar,
heeft Wernher von Braun mij met ijzer bedacht;
och mensen, dat was een gevaar!
Maar hij heeft mij gemist; zijn raket vloog voorbij,
op volk van de volgende straat.
Von Braun heeft daarna zijn abuus nog hersteld,
maar dan was 't al jaren te laat.
't Is goed dat wereld zijn helden beloont
met een plaatsken op 't hoogste niveau.
Von Braun zag zijn kennis met dollars gekroond;
hij zit aan nen eiken bureau.
Ge vindt zijne naam in de grote Larousse,
geklemd tussen dichter en clown,
maar niemand die weet dat 'm mij heeft gemist;
die grote geleerde von Braun.
Wannes Van de Velde: zang, gitaar
Gilberď
e
Van den Plas: viool
Jan Wellens: gitaar
Walter Poppeliers: contrabas
Walter Heynen: fluit
(uit de cd 'De Kleuren van de steden')